Daubigny, Monet en Van Gogh: Impressies van het Landschap. t/m 29 januari 2017 in het Van Goghmuseum, Amsterdam

 

Van Gogh, tuin van Daubigny
Vincent van Gogh, De tuin van Daubigny, 1890, collection R.Staechlin

Oud nieuws… het verhaal over Van Goghs Tuin van Daubigny geschilderd op een theedoek? Voor wie deze anekdote eerder hoorde misschien wel, maar leuk voor wie het verhaal niet kent. Wanneer Vincent van Gogh, enigszins hersteld van zijn waanzin, in 1890 verhuist om rust te vinden en een nieuwe arts te bezoeken, komt hij terecht in Auvers-sur-Oise.

Van Gogh, De tuin van Daubigny,1890, Van Gogh Museum Amsterdam
Van Gogh, De tuin van Daubigny,1890, Van Gogh Museum Amsterdam

Het dorp waar Charles Daubigny in 1878 was overleden. Daar klopt hij aan bij Daubigny’s weduwe met de vraag of hij de tuin mag zien. Wanneer hij een aanvechting krijgt om de rijkelijk bloeiende tuin te schilderen legt hij de kleurenpracht -bij gebrek aan schilderslinnen- vast op de vierkante theedoek die mevrouw Daubigny hem geeft. Dit werk hangt bij de laatste schilderijen van zijn hand in de bovenzaal van de expositie, nabij een ander doek van Daubigny’s tuin.

Driehoeksverhouding

Er is altijd wel een tentoonstelling te bedenken waarin Monet, in relatie tot een andere kunstenaar van naam, gepresenteerd kan worden. In Tate Britain zag ik in 2005 de tentoonstelling Turner, Whistler, Monet, met voorbeelden van wederzijdse beïnvloeding. Nu doet Monet weer mee in de tentoonstelling Daubigny, Monet, Van Gogh gepresenteerd als een nimmer bedoelde driehoeksverhouding. Hun werk wordt in een ‘tegelijkertijd terughoudende en aanwezige’ setting door Studio Berry Slik  gepresenteerd. De inrichting is aangevuld met groot geprojecteerde filmbeelden van land, water en lucht; de elementen van het landschap. Directeur Axel Rügen licht toe: het beleid van ons museum is niet alleen Vincent Van Gogh te tonen, maar ook zijn voorlopers, tijdgenoten en navolgers. Hij noemt het een prettige bijkomstigheid dat ‘ons andere museum’, Museum Mesdag, de grootste verzameling werken van Daubigny bezit.

In de tentoonstelling wordt Daubigny’s vernieuwende invloed op Claude Monet en Vincent Van Gogh belicht en aanschouwelijk gemaakt door hun werken naast elkaar te presenteren. Behalve van Daubigny’s invloed op Monet was ook sprake van wisselwerking tussen beide. Bij sommige werken vraag je je zelfs af: wie beïnvloedde nou wie?

Daubigny, appelbloesem
Daubigny, Appelbloesems, 1873, The Metropolitan Museum of Art, New York

In de laatste expositiezaal komt Van Gogh in beeld. Hij koesterde een levenslange fascinatie voor het werk van Daubigny, waarmee hij als jongeman in dienst van kunsthandel Goupil, al kennis had gemaakt. Toen Van Gogh besloten had om schilder te worden schreef hij aan zijn broer Theo dat hij geïnspireerd werd door Daubigny ’Ik zag een Daubigny in de bloeiende boom’. In de expositie hangen ze bij elkaar: een realistisch vorm gegeven traditionele bloeiende boom van Daubigny, Appelbloesems uit 1873 en een van de doeken met bloeiende bomen van Van Gogh, de Witte boomgaard uit 1888.

Van Gogh, boomgaard
Vincent van Gogh, de witte boomgaard, 1888, Van Gogh museum, Amsterdam

De boomgaard waarin Van Gogh later inzoomde op de Bloesemboom, geschilderd voor Theo bij de geboorte van diens zoontje Vincent Willem. Bij deze bloesembomen hangt ook, als traîte-d’union, een doek met bloeiende fruitbomen, Lente, van Monet uit 1873,  dat wel in een heel ander perspectief geschilderd is dan de appelbloesems van Daubigny. Het is alsof je zo die zonnige boomgaard zo

Monet, Lente, spring, printemps
Claude Monet, Lente (fruitbomen in bloei), 1873 The metropolitan Museum of Art, New York

kunt binnenstappen. Met enig
inlevingsvermogen ruik je zelfs de zoete bloesemgeur; l’air du (prin)temps!

Trouwens, ook Camille Pissarro liet zich door Daubigny’s inspireren met zijn Bloeiende Boomgaard in Louveciennes.

 

 

In deze zaal hangen drie schilderijen met klaprozen. Daubigny’s Velden in juni, 1874;  Claude Monets Veld met Klaprozen uit 1881 en Vincent van Goghs gelijknamige versie, uit 1890.

Daubigny, velden, Juni
Daubigny, Velden in Juni, 1874, Herbert F. Johnson Museum of Art, Ithaca
Monet, klaprozen
Claude Monet, Veld met klaprozen, 1881, Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam

 

 

Gogh, klaprozen
Vincent van Gogh, veld met klaprozen, auvers sur Oise, 1890, Gem. Museum den Haag, Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed

 

 

 

 

Hier is hun uiteenlopende benadering van hetzelfde onderwerp goed te zien. De eerste geeft een tamelijk glad gepenseelde impressie van werkers die nog tot laat in het veld staan; de zon zakt al weg achter de wolken en er tekent zich een maansikkeltje af. De tweede is een impressionistische scène op klaarlichte dag, waarin de horizon iets hoger ligt. Daarnaast het veld met dynamisch weergegeven klaprozen van Van Gogh, waar we middenin staan. In de achtergrond een dorpje en boven een bomenrij een stukje zinderende lucht, dat hier nog minder dan een derde van het doek inneemt.

Daubigny, ondergaande zon, Villerville
Daubigny, Ondergaande zon bij Villerville, c. 1876, De Mesdag Collectie, den Haag

In dezelfde ruimte bevinden zich enkele zonsondergangen die Daubigny, vanuit hetzelfde standpunt, in de loop van de jaren ’70 schilderde. De verschillen zijn miniem. Twee versies van Ondergaande zon bij Villerville – waarvan er een gebruikt wordt als het  posterbeeld van de tentoonstelling –  worden vergeleken met een ondergaande zon van Monet.

 

Turner, Calais, low water,collecting bate
Turner, Calais sands at low water poissards collecting bait, 1832, Bury Art Museum, Bury Greater Manchester

De Ondergaande zon bij Villerville met de twee wandelende figuurtjes, doet mij eerder denken aan William Mallord Turner’s Calais sands at low water poissards collecting Bait uit 1830, dat hij zeker gezien moet hebben. Ook Daubigny’s Strand bij eb uit 1876 , wijst in in dezelfde richting, maar de onmiskenbare invloed van de revolutionaire Brit wordt niet genoemd.

Monet, soleil couchant, zonsondergang
Claude Monet Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt, wintereffect, 1880. Musée des Beaux-Arts de la Ville de Paris, Petit Palais.

Ze worden, als gezegd, vergeleken met een werk van Claude Monet, Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt, uit 1880, als substituut voor diens veel bekendere Impression Soleil Levant dat de tentoonstellingsmakers in verband met de naam impressionisten die daarvan is afgeleid, liever, hadden getoond, maar dat het Musée Marmottan Paris niet mag verlaten.

Monet Impression soleil levante
Monet, Impression soleil levante, Musee Marmottan Monet, Paris

Gevraagd naar de titel van het naamloze werk dat Monet had ingezonden op de Salon des Refusé’s van 1873 antwoordde Monet: noem het maar Impression Soleil Levant, waarmee de (scheld)-naam van een nieuwe stroming was geboren: de impressionisten. De criticus die dit schreef bedoelde het beslist niet als compliment!

 

De tentoonstelling eindigt met impressies van het landschap rond Auvers-sur-Oise, waar Vincent van Gogh zich op 27 juli 1890 het fatale schot toebracht. Werken met boerderijen en korenvelden illustreren deze laatste periode van Van Goghs arbeidzame leven. Voor meer informatie over Vincent van Gogh, zie mijn bijdrage op dit blog.

Na-Aper
Kent u de atelierboot van Monet? Het drijvende atelier waarmee hij vanaf de jaren ‘60 prachtige impressies van het omringende landschap schilderde.

Monet, atelierboot
Claude Monet, De atelierboot, 1874, Museum Kroller Muller, Otterlo

Het bestaan van Monets schilderboot is diep verankerd in het collectieve geheugen van kunstliefhebbers, maar wist u dat Charles-Francois Daubigny al eerder op dit idee kwam? Verknocht aan water was hij met zijn atelierboot Le Botin vaak op de Franse rivieren te vinden. Aan boord werkte hij niet alleen, maar hij gebruikte daar ook de maaltijd, die getuige een ets uit Middagmaal op de boot niet uit een simpele baguette met brie bestond!
Zo rustig als het oogt in de prent, was het overigens lang niet altijd. Wanneer een stoomboot langs komt gaat het bootje  flink heen en weer!

Daubigny, ets, middagmaal, boot
Daubigny, Middagmaal op de boot (uit Reis met de boot), 1862, Bibliotheque nationale de France, Parijs
Daubigny, stoomboten, ets,
Daubigny, Kijk uit voor de stoomboten (Reis met de boot) 1862, ets, Bibliotheque nationale de France, Parijs

 

 

 

 

 

 

Daubigny, atelierboot
Daubigny, de Atelierboot, 1862, Rijksmuseum, Amsterdam

In de expositie zijn niet alleen prenten van de boot te zien, maar de atelierboot van Daubigny is, compleet met schilder attributen, in replica aanwezig. Vanaf een bankje ziet de bezoeker een film over het werken vanaf het water. Langs de wand van deze zaal hangen prenten met landschappen gemaakt vanaf de boot. Op zoek naar nieuwe gezichtspunten werd ‘Le Botin’ door een sleepboot verplaatst of als trekschuit voortgetrokken, zoals wanneer je  goed kijkt te zien is in het schilderij Jaagpad aan de oevers van de Oise, ca. 1875.

Daubigny, jaagpad, oise
Daubigny, Jaagpad aan de oevers van de Oise, ca. 1875, De Mesdag collectie, Den Haag

Op een grote rivierenkaart zijn de plekken gemarkeerd waar Daubigny met zijn boot gewerkt heeft. Het landschap  waargenomen vanaf het water leverde verrassende werken op. Het ven van Gylieus uit 1853, leverde hem tijdens de Salon zelfs een medaille opEen soortgelijk landschap mooi gespiegeld in het verstilde Riviergezicht met eenden uit 1859, in National Gallery, waarop je rechts nog net Le Botin kunt zien. 

Daubigny, ven, Gylieu
Daubigny, Het ven van Gylieu, 1853, Cincinnati Art Museum, Cincinnati OH
Daubigny, riviergezicht met eenden, le Botin
Daubigny, Riviergezicht met eenden, (en ‘le Botin’), 1859, The National Gallery, Londen

 

 

 

 

 

Mooi, maar niet iedereen was enthousiast: critici vonden deze werken onvoltooid. Toch vonden Daubigny’s frisse, schetsmatige impressies van het landschap al snel kopers, zelfs tot in Amerika aan toe.

Hoewel het schilderen van onbeduidende stukjes landschap ongebruikelijk was, stonden Daubigny en Monet in hun onderwerpkeuze niet alleen. Steeds meer kunstenaars stapten af van het academische devies om historiestukken, werken met bijbelse, mythologische of historische onderwerpen, te schilderen. Nu trokken zij er op uit om de natuur ‘en plein air’ vast te leggen. Schilders van de School van Barbizon, zoals Theodore Rousseau, Jean-Baptiste Corot en Johan Barthold Jongkind deden dat sinds 1830 ook al. Het werken in de open lucht werd bevorderd door het gemak van kant-en-klare verf in tubes en de

Daubigny, het vertrek
Daubigny, Het vertrek (uit Reis met de boot), 1862, ets Bibliotheque nationale de France, Parijs

mogelijkheid om sinds de aanleg van de eerste spoorwegen eenvoudiger te reizen. Zie de prent Het vertrek, waarin reizigers de waarschuwing om niet uit de ramen te hangen negerend, de ouderwetse vervoermiddelen over water lijken uit te wuiven ! Daubigny, Monet en Van Gogh trokken er ook op uit om buiten te werken. Ondanks dat de gezaghebbende 19e eeuwse kunstcriticus Theophile Gautier de landelijke impressies van Daubigny ruw en onvoltooid vond werden zijn verrichtingen met veel belangstelling gevolgd door de impressionisten Pissarro en Sisley, van wie eveneens werk te zien is. Daubigny wordt als de pionier van de impressionisten gezien. In diezelfde periode was in Nederland ook een kunstenaar werkzaam die verzot was op water: Hendrik Willem Mesdag. Dankzij diens enthousiasme voor Daubigny bezit Museum Mesdag nu een grote collectie werk van deze kunstenaar.
Het is bijzonder dat ook Van Gogh, als tijdgenoot en daarom nog niet vanuit ons perspectief, in Daubigny, al het ‘begin der groote revolutie in de kunst’ zag, zoals hij schrijft aan zijn broer Theo. Dat geldt niet alleen voor de reeds genoemde bloesembomen en klaprozen, maar ook voor Daubigny’s monochrome landschap onder een zwaar bewolkte lucht in Maaiers, waarvan we in Vincents Korenveld onder onweerslucht uit 1890, een echo zien. Hij waardeerde Daubigny omdat deze niet alleen met zijn oog, maar ook met zijn hart schilderde, en daarmee emotie wist over te brengen; ook Vincent Van Gogh’s drijfveer.

Korenveld onder onweerslucht, 1890
Vincent van Gogh, korenveld onder onweerslucht, 1890, Van Gogh Museum , Amsterdam
Daubigny, de maaiers
Daubigny, De maaiers, ongedateerd, Museum Gouda

Vroeg werk
De tentoonstelling laat voorbeelden zien van Daubigny’s vroege stijl met academische historiestukken en Italiaanse landschapjes op klein formaat, die wortelen in de classicistische landschapstraditie. Zoals De Kruising bij le Nid de l’Aigle, bos van Fontainebleau, 1843. Ook zien we verwantschap met 17e eeuwse meesters als Philips de Konink en Ruysdael van wie Daubigny de befaamde dreigende wolkenluchten overnam. De 17e eeuwse inspiratiebron voor zijn Veerboot bij Bonnieres-sur-Seine uit 1861 DIA blz. 84 laat zich gemakkelijk raden. Voor wie dit niet meteen paraat heeft, denk aan Het Ponteveer door Esaias van de Velde, uit het Rijksmuseum.

Daubigny, veerboot, Bonnieres
Daubigny, Veerboot bij Bonnieres, 1864, Museum der bildenden Kunste, Leipzig

Vooruitlopend op mijn latere opmerkingen over wisselwerking tussen deze kunstenaars, komen we hetzelfde onderwerp, een veerboot, eveneens tegen in Pissarro’s De Marne bij Chennevières uit 1864-65.
Daubigny’s vroege dramatisch belichte Italianiserende landschappen, als Landschap bij Crémieu, van ca. 1849, zijn veeleer idyllisch dan realistisch van sfeer. Gaandeweg wordt  Daubigny’s toets losser en hij gaat experimenteren met kleur en verf, dat hij, zoals Rembrandt, bewerkt met zijn paletmes. Mooi te zien in zijn Rotsen bij Villerville (1864-72)  dat beschouwd wordt zijn eerste (deels) en plein air geschilderde werk. De in de verf zichtbare sporen van een paletmes worden toegeschreven aan een aanvaring met de hoorns van een rund!

Daubigny, rotsen, Villerville
Daubigny, rotsen bij Villerville, 1864-1872, De Mesdag collectie, den Haag

Deze vernieuwende schilder, was ook een kind van zijn tijd. Hij was werkzaam als restaurateur in het Louvre en hij was lid van de jury van het gevestigde instituut de Salon. Dit was niet onbelangrijk, want in die functie kon hij in 1868 een goed woordje voor de impressionisten doen!

 

Wisselwerking
Sinds de jaren ’70 wordt zelfs een wisselwerking zichtbaar tussen de impressionisten en Daubigny. Hij hanteert, onder invloed van Monet, een lichter palet in vluchtige natuur impressies. Zoals we konden zien in zijn Ondergaande zon bij Villerville, uit 1874 en Monets Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt, 1880. Niet alleen Monet, maar ook Pisarro raakt onder de indruk van Daubigny. Zij hebben contact met elkaar in Londen , waar zij wegens het uitbreken van de Frans-Pruisische oorlog in 1870 als refugiés verbleven. Zakelijk ontmoetten zij elkaar ook bij de toonaangevende kunsthandelaar Durand Ruel. Op de paarse wanden zijn de werken uit de Londense periode tentoongesteld. Op de aangrenzende wand krijgt de bezoeker een impressie van de Hollandse werken.

Daubigny, molens, Dordrecht
Daubigny,Molens bij Dordrecht, Salon van 1872, Detroit Institute of Ar
Monet, molens, zaandam
Claude Monet, Molens bij Zaandam,1871, Ashmolean Museum, Oxford

 

 

 

 

 

Daubigny en Monet reisden na Londen namelijk gezamenlijk naar Holland. Waar water en molens op het programma stonden. In deze zaal hangt Daubigny’s Molens bij Dordrecht uit 1872, gedaan in een Rembrandtesk palet van bruintonen, dat weer opgepikt werd door Van Gogh in zijn Brabantse fase en Monets Molen bij Zaandam, uit 1871. Hetzelfde onderwerp, maar wat een verschil in uitvoering!

Vergelijk tenslotte ook Monets Pointe de la Heve, dat hij in navolging van Daubigny aan het strand van St. Adresse schilderde, met Daubigny’s Rotsen bij Villerville, 1864-72. Behalve deze geschilderde landschappen worden in het prentenkabinet van het museum schetsen en tekeningen getoond die het drietal in de open lucht hebben gemaakt.

Perspectiefwisseling
Anders dan Van Gogh was Daubigny tijdens zijn leven al succesvol; terwijl Vincent tijdens zijn leven maar een enkel werk verkocht. Maatschappelijk gezien was Daubigny, anders dan Van Gogh, ook gearriveerd. Hij had vrouw en kinderen, waarvan Vincent, die voortdurend blauwtjes liep, alleen maar van kon dromen. Dat brave leventje van Daubigny levert echter geen boeiend scenario voor een film, terwijl het leven van Vincent van Gogh haast niet te filmen is!

Over Daubigny’s leven en werk is tot heden slechts een inmiddels verouderde biografie geschreven. Terwijl het aantal publicaties over Van Gogh, thans de beroemdste 19e eeuwse schilder, ontelbaar zijn. Deze week werd weer een, zij het dubieus, exemplaar over de vondst van een onbekend schetsboek, aan de rij toegevoegd. Daubigny, die in deze tentoonstelling een prominente rol speelt, is lang in de vergetelheid geweest. Hoe dat komt? Conservator Maite van Dijk meent dat Daubigny na zijn dood in 1878 ondergesneeuwd is door het succes van de impressionisten. Veel van zijn werk was bovendien in Europa uit beeld geraakt, want verkocht aan Amerikanen.

Conclusie

Het was in Daubigny’s tijd, waarin de academische stijl nog bon ton was, ongebruikelijk om doodgewone landelijke onderwerpen te schilderen. Een bloeiende fruitboom of het binnenhalen van de oogst als autonoom onderwerp en dan ook nog met schetsmatige, vlotte toets neergezet was ondenkbaar! Critici hadden er aanvankelijk geen goed woord voor over, maar voorstanders en kunstbroeders als Monet en Pissarro zagen in hem een voorbeeld. Vincent van Gogh waardeerde Daubigny’s stijl en onderwerpkeuze omdat hij niet alleen met het oog, maar ook met het hart schilderde! In Daubigny’s losse schilderwijze  zouden de impressionisten Monet en Pissarro en later Vincent van Gogh zich, zoals we bij de bloesembomen en klaprozen zagen, helemaal uitleven !

De vrije penseelvoering van Daubigny leidt bij Van Gogh tot navolging met een kleurrijke expressieve manier van schilderen, zoals te zien in zijn laatste werken waarin korenvelden, onder dreigende luchten.

Link: Van Gogh Museum

Link: het schetsboek van Van Gogh

 

 

 

 

Hollandse Meesters uit Boedapest in het Frans Hals Museum, Haarlem, tot en met 5 maart 2017

9789462083240_hollandse-meesters-uit-boedapest-topstukken-uit-het-sz_pm_v_szeti-m_zeum_-ildik_-ember-marrigje-rikken-j_lia-t_tra_nai010_cover500pxDankzij een grote renovatie van het museum met de onuitsprekelijke naam, het Szépmüvészeti Muzeum in Boedapest, logeren ruim 80 Hollandse en Vlaamse topstukken tot en met 5 maart in het Frans Hals Museum. Conservator Marrigje Rikken heeft haar museum op eigen initiatief een mooi cadeau bezorgd ter gelegenheid van het 350e sterfjaar van Frans Hals. De Hongaarse kerncollectie bestaat uit werken bijeengebracht door leden van de adelijke familie Esterházy. Van hen was prins Miklos II de grootste verzamelaar; in 1812 stelde hij zijn collectie, die behalve Italiaanse ook 263 Nederlandse stukken telde, open voor bezoekers. Sinds 1906 is de Esterházy collectie ondergebracht in het Szépmüvészeti Museum. Misschien minder bekend, maar qua grootte en kwaliteit kan deze collectie wedijveren met verzamelingen Hollandse en Vlaamse kunst in het Louvre, de National Gallery of de Royal Collection, die nu in het Haagse Mauritshuis te zien is.  Wie daar al genoot van de prachtige genreschilderijen van Johannes Vermeer, Gerrit Dou, Pieter de Hooch en Jan Steen, kan nu in Haarlem zijn hart weer ophalen. Behalve interieurstukken en portretten is hier een scala aan thematisch gepresenteerde 17e eeuwse genres te zien. Portretten van onder andere Frans Hals, Anthony van Dyck, Jan Lievens en Johannes Verspronck, genrestukken van Jan Steen, Dirck Hals en Jan Miense Molenaer, stillevens van Willem Claesz Heda en landschappen van Salomon van Ruysdael en Jacob van Ruisdael en een betoverend winterlandschapje van Hendrick Avercamp. Evenals in het Mauritshuis zijn de werken in het Frans Hals Museum overzichtelijk in kleine zalen gepresenteerd. Uit de Hongaarse collectie die uitgegroeid is tot 400 Hollandse en Vlaamse stukken, zijn kunstenaars gekozen die een band hebben met Haarlem, destijds een belangrijk, vernieuwend kunstcentrum.

Zevenentwintig tekeningen van de hand van o.a. Jan de Bray, Hendrick Goltzius, Karel van Mander, Rembrandt van Rhijn en Frans Post verlenen de tentoonstelling een extra dimensie. Prachtig op lessenaars getoond in de Regentenzaal nodigen deze uit tot rustig kijken en genieten van de spontaan neergezette creatieve impressies. De tekening van Jacob Adriaenszn Backer van Het feestmaal van Antonius en Cleopatra doet mij denken aan een schilderij in de Royal Collection met het zelfde onderwerp door de Haarlemmer Jan de Bray, waarin Cleopatra een kostbare parel oplost in een glas azijn dat ze daarna opdrinkt. Van Adriaan van Ostade’s  tekening van een Boerenfamilie, ca. 1640 van zag ik ook een soortgelijke voorstelling in het Mauritshuis.

Post, Braziliaans landschap
Frans Post, landschap met Braziliaanse huizen, 1636-80

De  tekening van een Braziliaans landschap door Frans Post, wiens kortgeleden in het Haarlems archief ontdekte dier-tekeningen nu in het Rijksmuseum getoond worden, spreekt mij, destijds afgestudeerd op de Nederlands-Braziliaanse periode, zeer aan. De schilder bracht tussen 1636-1644 samen met Albert Eckhout in opdracht van gouverneur Johan Maurits de Braziliaanse flora, fauna en populatie in beeld. Van deze vroegste Nederlandse impressies van de Nieuwe Wereld bezit het Frans Halsmuseum ook een schilderij met Braziliaans landschap, door Frans Post. Een landschap met een groep zwarte slaven in de voorgrond en in de verte een soortgelijke hacienda als in de tekening, onder een -typisch voor Haarlem- lage horizon onder een bewolkte lucht.

Frans Post, Braziliaans landchap
Frans Post, Braziliaans landschap, 1656, Frans Hals museum, Haarlem

Een veel gebruikte methode om schilderijen in dialoog naast elkaar te tonen is hier alleen gedaan met twee kerkinterieurs van de Nieuwe Kerk in Haarlem, door Pieter Saenredam uit respectievelijk 1653 (Boedapest) en 1652 (Haarlem). Gezien vanaf hetzelfde gezichtspunt, maar iets anders uitgewerkt; leuk voor het kijkspelletje: Zoek de Verschillen. De museumbezoeker zal het niet opvallen, maar Marrigje onthult een geheim: de geschilderde situatie komt niet overeen met de werkelijkheid. Wegens bezuinigingen is van de oorspronkelijke bouwplannen afgeweken. Het gebouw steunt op minder pilaren dan de architect Jacob van Campen had gepland, maar in deze  schilderijen heeft Saenredam, bevriend met Van Campen, de in werkelijkheid ontbrekende hoekpilaren wel aangebracht.

Saenredam, Nieuwe kerk, Haarlem
Pieter Saenredam, Interieur van de Nieuwe Kerk te Haarlem, 1653, Esterhazy collectie, Hongarije
Saenredam, Nieuwe Kerk, 1652
Pieter Saenredam, Interieur van de Nieuwe Kerk te Haarlem, 1652, Frans Halsmuseum, Haarlem

 

 

 

 

 

 

Er zijn meer voorbeelden van verwantschap tussen de Hongaarse werken en schilderijen uit de eigen collectie van het museum. Hierover worden de bezoekers middels de audiotour geïnformeerd en hopelijk geïnspireerd om ze, buiten de tentoonstelling, te gaan zien.

Frans Hals, man
Frans Hals, Portret van een man, 1652-54, Esterhazy collectie

Laten we eens een kijkje in de tentoonstelling nemen. In de eerste zaal hangen twee portretten van Frans Hals. Het Portret van een man van ca 1752-53 valt mij direct op.  Qua uitdrukking en toets in de kleding lijkt dit wel een tweelingbroertje van een portret in de National Gallery van Praag, het portret dat Hals in 1645 schilderde van de 17e eeuwse dandy Jasper Schade!  Hier hangen ook twee pendanten die Nicolaes Maes rond 1660 vervaardigde van het echtpaar Trip-De Geer. Drie jaar geleden waren zij ook te gast was maar dan geschilderd door Rembrandt, in de tentoonstelling Frans Hals. Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan.

Hendrick Avercamp, Bevroren rivier met schaatsers, rond 1620
Hendrick Avercamp, Bevroren rivier met schaatsers, rond 1620

In het halletje naar de volgende zaal wordt de bezoeker verrast met een klein winterlandschapje door Hendrick Avercamp, Bevroren rivier met schaatsers, uit ca. 1620.  IJspret van de oud-Hollandse soort. Na enig speuren ontdekte ik niet het stereotype ontblote achterwerk van een gevallen vrouwelijke schaatser, maar wel de blote billen van iemand die in een provisorisch toilet in een omgekeerde boot, zijn of haar gevoeg doet! Daar tegenover hangt een enorme impressie van een 17e eeuwse avifauna: Gevecht tussen een pauw en een haan, waarin een kansloze haan het onderspit moet delven. Melchior de Hondecoeter haalt hier al zijn ornithologische kennis uit de kast.

Hondecoeter, gevecht tussen puw en haan
Melchior d’Hondecoeter, Gevecht tussen een pauw en een haan, na 1668

Hier hangt ook een werk van de man die beter bekend is als uitvinder van de brandspuit, Jan van der Heyden, die ons een blik vergund in een rariteitenkabinet. In zaal drie hangen wonderschone stillevens, zoals Stilleven met ham, zilveren karaf en roemer uit 1656 van Claesz Heda,  met een rauwe ham, niet negen maanden gerijpt zoals hedendaagse Italiaanse prosciuto, maar  zo’n 350 jaar later nog fris en smaakvol oogt: om zo in te bijten!

Heda, stilleven, zilveren kan, 1656
Willem Claeszn Heda, Stilleven met ham,zilveren karaf en een roemer, 1656

Interessant is het geslachte dier van Van Ostade. Even goed kijken om welk beest het gaat. Rechtsonder in het schilderij ligt het antwoord: een ossenkop. Elders in de vaste collectie bevindt zich een soortgelijk schilderijtje met een, ja met wat eigenlijk? Ook hier weer even goed kijken: het speeltje waarmee de kinderen in de weer zijn geeft het antwoord: een varkensblaas.

Ostade, slachten van een os
Isaac en/of Adriaen van Ostade, Slachten van een Os,1639

Zo’n opgespannen gedood beest met vele schakeringen bloedrood en oker: vlees, doortrokken met lillend vet, vormt tot de huidige dag een uitdaging voor kunstenaars. Behalve Van Ostade, waagde Rembrandt zich aan een dergelijk opgespannen kadaver en in navolging van deze 17e eeuwse meesters ook Francis Bacon (die vast voor een varken koos), Chaim Soutin en Marc Mulders; google maar!

Wegens kwetsbaarheid veilig achter plexiglas worden twee kleinoden getoond; een welhaast minimalistisch stilleven met Twee walnoten door Adriaen Coorte uit 1702  en een Vanitasstilleven van de hand van Edwaert Collier uit 1675.

Jan Steen, het Bordeel
Jan Steen, het bordeel, 1665-68

Bijzonder leuk zijn twee genrestukken uit Jan Steens Haarlemse periode: een Vrolijk gezelschap uit 1674 met zelfportret, en het Bordeel, uit de late jaren ’60 met prominent een dame van lichte zeden die het glas naar de beschouwer heft, terwijl de madam van het etablissement een heer, of liever, een manspersoon, binnenlaat. Leuk detail: het schilderij in het schilderij, waarin een wanbetaler na verleende diensten met een bezem wordt weggejaagd!  Er naast hangt een, in de wintermaanden actueel, werkje door Richard Brakenburgh,

Brakenburgh, Sint Nicolaas
Richard Brakenburgh, Het feest van Sint Nicolaas, ca. 1700

Het Feest van Sint Nicolaas, van rond 1700, waarbij zijn grote voorbeeld Jan Steen niet ver weg is! Interessant detail in beide schilderijen is de bol die boven het vertrekt hangt. Dit functionele object, opgehangen om meer licht in huis te krijgen, vormde evenals spiegels een uitdaging voor de schilder om met de reflectie van de binnenruimte zijn kunnen te tonen!

 

In de volgende zaal hangt Jan Vermeers Gezicht op Haarlem vanaf de duinen van Overveen uit 1670. Deze zogenoemde ‘Haarlempjes’ waren een geliefd thema, er zijn twintig varianten bekend.

Vermeer van Haarlem, gezicht op Haarlem
Jan Vermeer van Haarlem, Gezicht op Haarlem vanuit de duinen in Overveen, rond 1670

In de eigen collectie en in het Mauritshuis bevinden zich vergelijkbare stukken. Een wijds landschap onder een hoge wolkenlucht met links en rechts een buitenplaats en aan de lage einder als een baken voor de reiziger, de St. Bavo.

Leuk zijn twee landschapjes met herberg, beide de Zwaan geheten. Ze zijn niet toevallig gesitueerd aan het water, want reizigers arriveerden per trekschuit. Ze geven een interessant beeld van lang vervlogen tijden, waarin je zonder Van Gansewinkel maar moest zien hoe je van je afval afkwam. Vanaf het water in Cornelis Gerritz Deckers landschap met reizigers bij herbergDe Zwaan’, kijken we recht op de vuilstort, waar zich tussen het afval ook een afgedankt visvergiet bevindt!

Decker, herberg de Zwaan
Cornelis Gerritszn Decker, Landschap met reizigers bij herberg de Zwaan, 1643-78

Behalve Hollandse landschappen verzamelden de Esterhazy’s ook Italianiserende landschappen. Een geliefd genre dat niet alleen door schilders die naar Italië reisden werd beoefend, maar ook door thuisblijvers die de kunst afkeken van hun avontuurlijker kunstbroeders. Philips Wouwerman, expert op het gebied van paarden, situeert zijn Manege evenals Dirk Maas dat deed in zijn Italiaanse Marktplaats met ruiters in een mediterrane setting.

Dirk Maas, Marktplaats
Dirk Maas, Marktplaats in een Italiaanse stad met ruiters, 1675-1700, Esterhazy collectie.

Boven een van de stalletjes hangt een buikfles uit Chianti, zoals die in de jaren ’70 in onze tienerkamers en in de pizzeria’s fungeerden als houders van druipkaarsen!

De doorloop naar de gouden zaal toont in een verstild hoekje, twee portretjes van Rubens en Jan Lievens; resp. Een koning en een Meisjeskopje.

De goudleerzaal tenslotte vormt de perfecte locatie voor het destijds hoogst aangeslagen genre, het historiestuk. Alle besproken genres waren in de 17e eeuw populair, maar in ogen van kunstheoretici als Samuel van Hoogstraten en Gerard de Lairesse (thans te zien in RM Twenthe) was het historiestuk het belangrijkst. Stillevens en portretten vonden zij genres voor ‘zwakke geesten’, beoefend door ‘maar gemene soldaten in het veltleger van de konst’ .

Moeyaert, beker van Jozef, 1627
Claes Moeyaert, De beker van Jozef wordt gevonden in Benjamin’s zak,1627

Er hangt een prachtige Moeyaert, met De beker van Jozef gevonden in Benjamins zak uit 1627. Door hongersnood gedreven reizen de broers, die hun broertje Jozef jaren tevoren als slaaf verkochten, voor de aankoop van graan naar Egypte. Zij herkennen de tot onderkoning opgeklommen Jozef niet. Om ze een lesje te leren verstopt hij een kostbare beker in hun bagage. Hoe het verhaal afliep leest u in Genesis 37, 39-50.  Getroffen door de compositie in de stijl van de pre-Rembrandtisten, viel mij een gelijkenis op. Museum Catharijneconvent, waaraan ik als freelancer verbonden ben, bezit eveneens een werk van Moeyaerts hand: Abraham komt aan in het Beloofde land, waarin de schilder zichzelf en een aantal familieleden portretteerde. Zo’n portret historié was in de 17e eeuw geliefd. Door zich in mythologische of bijbelse setting te laten vereeuwigen, presenteren de zitters zich als personen met dezelfde deugden als de gekozen mythologische figuren. Soms ook identificeerden zij zich, zoals in het Utrechtse schilderij, met het uitverkoren volk van Israël.

Het bijbelverhaal over Jozef en zijn broers leest als een roman en inspireerde niet alleen Moeyaert tot het schilderen van een hele serie, maar ook 17e eeuwse en latere toneelschrijvers als Joost van den Vondel en de hedendaagse componisten Tim Rice and Andrew Lloyd Webber met hun musical Joseph and the amazing technicolor dreamcoat. 

De cluster van drie 17e eeuwse schilderijen met het verhaal van  Tobias en de Engel kan als een stripverhaal gelezen worden.

Lastman, Tobias, vis, 1610
Pieter Lastman, De engel en de jonge Tobias met de vis, rond 1610

 Onafhankelijk van elkaar schilderden Dirck Bleker, Pieter Lastman en Karel Dujardin verschillende episodes uit het apocriefe boek Tobith, dat verhaalt van de blinde Tobith, die zijn zoon Tobias op reis stuurt om een uitstaande schuld te innen. Onderweg dient zich een reisgezel aan; hij stelt zich voor als Azarias. Hij behoedt de jongeman voor gevaren en adviseert hem om de gal van een vis mee naar huis te nemen. Bij thuiskomst geneest Tobias daarmee de blindheid van zijn vader. Een destijds veelvuldig geschilderd verhaal, dat vooral bij calvinisten weinig bekend was. Hoe is dat zo gekomen? Het antwoord heb ik eigenlijk al gegeven: het is een apocrief verhaal. De reden waarom het bijbelboek Tobith in de kerken van de reformatie niet als canoniek geaccepteerd werd is dat er in dit verhaal gejokt wordt. De reisgenoot die zich letterlijk opwerpt als beschermengel, is de aartsengel Gabriël himself die zich uitgeeft voor een ander; incognito met hem mee reist en zijn ware identiteit pas op het laatst onthult. Gabriël heeft gelogen en dag mag niet!

Link: Tot 13 februari a.s. kunt u deze en andere werken zien in het Frans Halsmuseum.

Na bezichtiging van de genrestukken in het Mauritshuis, kan deze tentoonstelling als les 2 van de Hollandse schilderkunst van de 17e eeuw worden beschouwd.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hollandse Meesters uit Boedapest in het Frans Halsmuseum tot 13 februari in het Frans Hals Museum.

 

Dankzij een grote renovatie van een Hongaars museum met onuitsprekelijke naam, het Szépmüvészeti Muzeum, logeren ruim 80 Hollandse en Vlaamse topstukken tot 13 februari in het Frans Hals Museum. Conservator Marrigje Rikken heeft het Frans Hals Museum op eigen initiatief een mooi (tijdelijk) cadeau bezorgd ter gelegenheid van het 350e sterfjaar van Frans Hals. De Hongaarse kerncollectie bestaat uit werken bijeengebracht door leden van de adelijke familie Esterhazy, en vooral prins Miklos II.  Sinds 1906 is deze collectie Hollandse schilderkunst, aangevuld met ontbrekende stukken, ondergebracht in dit museum. Misschien is deze minder bekend, maar qua grootte en kwaliteit kan deze wedijveren met verzamelingen Hollandse en Vlaamse kunst in het Louvre, de National Gallery of de Royal Collection uit Londen, die nu in het Haagse Mauritshuis te zien is.

Wie daar al genoot van de prachtige genreschilderijen van Johannes Vermeer, Gerrit Dou, Pieter de Hooch en Jan Steen, kan nu in Haarlem zijn hart weer ophalen. Behalve binnenhuisscènes/interieurstukken en portretten, is hier een compleet scala aan thematisch gepresenteerde 17e eeuwse genres te zien is. Portretten van onder andere Frans Hals, Anthony van Dyck, Jan Lievens en Johannes Verspronck, genrestukken van Jan Steen, Dirck Hals en Jan Miense Molenaer, stillevens van Willem Claesz Heda en landschappen van Salomon van Ruysdael en Jacob van Ruisdael en een betoverend winterlandschapje van Hendrick Avercamp. Evenals het Mauritshuis, met haar kleine kabinetten, zijn de werken in het Frans Hals Museum overzichtelijk in kleinen zalen gepresenteerd. Uit de Hongaarse collectie van 400 Hollandse en Vlaamse schilderijen, heeft conservator Marrigje Rikken kunstenaars gekozen die een band hebben met Haarlem, dat destijds een belangrijk centrum was, waar vernieuwingen in de schilderkunst plaats vonden.

Zevenentwintig tekeningen, van de hand van o.a. Jan de Bray, Hendrick Goltzius, Karel van Mander, Rembrandt en de hoofdrolspeler in de tentoonstelling in het Rijks,  Frans Post verlenen de tentoonstelling een extra dimensie. Prachtig op lessenaars getoond in de Regentenzaal, nodigen deze uit tot rustig kijken en genieten van de eerste spontane inval van genoemde kunstenaars. In de tekening van Jan de Bray van Cleopatra ….DIA  Herken ik een voorstudie voor diens prachtige schilderij met het zelfde onderwerp in de collectie… Evenals Adriaan van Ostade’s Boerenfamilie, uit de jaren 1640 van wiens hand nu een schilderij met soortgelijke voorstelling te zien is in de tentoonstelling Vermeer en tijdgenoten in het Mauritshuis ! De tekening van een Braziliaans landschap door Frans Post, DIA blz 123 wiens kortgeleden in het Haarlems archief ontdekte diertekeningen nu in het Rijksmuseum getoond worden, spreekt mij zeer aan. De schilder die samen met de protagonist van mijn afstudeerscriptie, Albert Eckhout, in opdracht van gouverneur Johan Maurits de Braziliaanse flora, fauna en bevolking in beeld bracht. Van deze vroege impressies van de Nieuwe Wereld bezit het Frans Halsmuseum ook een geschilderd Braziliaans landschap, uit 1656, de voorstelling wordt geflankeerd door groene coulissen, een groep zwarte slaven in de voorgrond en een hacienda/suikermolen in de verte en -typisch voor Haarlem- een lage horizon onder een bewolkte lucht. DIA zie download

 

Anders dan de thans veel gebruikte methode om schilderijen in dialoog naast elkaar te tonen, is dat in deze tentoonstelling alleen gedaan met twee kerkinterieurs van de Nieuwe Kerk, door Pieter Saenredam, waargenomen vanaf het zelfde gezichtspunt, maar met enkele verschillen, leuk voor het kinderspellteje: Zoek de Verschillen. De museumbezoeker zal het niet opvallen, maar Marrigje onthult een geheim: de geschilderde situatie komt niet overeen met de werkelijkheid. Wegens bezuinigingen is van de oorspronkelijke bouwplannen afgeweken. Het gebouw steunt op minder pilaren dan door de architect Jacob van Campen was gepland, maar in deze  schilderijen heeft Saenredam, die bevriend was met Van Campen, de in werkelijheid ontbrekende hoekpilaren wel aangebracht.DIA’s blz. nog aanvullen

Het Hongaarse exemplaar dateert van …. Het Haarlemse

Over meer parallelen tussen de Hongaarse werken en schilderijen in de eigen collectie van het museum, worden de bezoekers via de audiotour geïnformeerd en geinspireerd om deze elders in het museum te gaan zien.

 

Laten we nu even een kijkje in de tentoonstelling nemen. In de eerste zaal vallen twee portretten van Frans Hals op. ……, dat qua uitdrukking en toets in de kleding wel een tweelingbroertje lijkt van het portret dat Hals in …. schilderde van de 17e eeuwse dandy Jasper Schade ! DIA Hier hangen ook de portretten die Nicolaes Maes in vervaardigde van het echtpaar Trip-De Geer. Dit echtpaar was hier ….. ook te gast in de gedaante van de door Rembrandt …., geportretteerden die hier 3 jaar geleden geschilderd door Rembrandt ook te zien waren in de tentoonstelling Hals, Rembrandt en Titiaan…In het halletje naar de volgende zaal wordt de bezoeker verrast met een klein winterlandschapje door Hendrick Avercamp, DIA ijspret van de oud-Hollandse soort, na enig speuren ontdekte ik niet de stereotype het ontblote achtereind van een onderuit gegane vrouwelijke schaatser, maar wel de blote billen van iemand die in een provisorisch toilet in een omgekeerde boot, zijn of haar gevoeg doet ! Daarnaast een enorme impressie van een 17e eeuwse avifauna, met een pauw die een haan te grazen neemt, waarin Melchior de Hondecoeter alles van zijn ornithologische kennis uit de kast haalt… DIA Hier hangt ook een werk van de man die beter bekend is als uitvinder van de brandslang, Jan van der Heyden, die ons … eeuwen na dato een blik vergund in een rariteitenkamer…In zaal drie hangen wonderschone stillevens, zoals dat van Claesz Heda, DIA met een rauwe ham om rauw in te bijten, niet negen maanden gerijpt, zoals de thans populaire Italiaanse hammen, maar zo’n 350 jaar na dato nog net zo fris en smaakvol oogt !

Interessaant is het geslachte dier van Van Ostade…Even goed kijken om welk beest het gaat… rechtsonder ligt het antwoord: een ossenkop. Elders in de vaste collectie bevindt zich een soortgelijk schilderijtje van een…. ook weer goed kijken; het speeltje waarmee de kinderen in de weer zijn geeft het anwoord: een varkensblaas…DIA’s  Aanvullen  Zo’n geslacht opgespannen dood beest met vele schakeringen bloedrood vlees, doortrokken met lillend vet, vormt tot de huidige dag een uitdagend onderwerp. Behalve van Ostade, waagde Rembrandt zich aan een dergelijk opgespannen kadaver en in navolging van deze 17e eeuwse meesters ook Francis Bacon (die indachtig zijn naam wellicht voor een varken koos), Chaim Soutin en Marc Mulders; google maar !

Wegens kwetsbaarheid veilig achter persplex worden twee kleinoden getoond een welhaast minimalistisch stilleven met twee walnoten door Adriaan Coorte, en een vanitasstilleven van de hand van …..

Bijzonder leuk zijn twee genrestukken uit Jan Steens Haarlemse periode,  met ….. waarin we het zelfportret van Steen ontwaren en het Bordeel, met een dame van lichte zeden liederlijk achterover hangt….. en binnenkort weer actueel een ontzettend leuk werkje door Van Brakenburg met een sinterklaasfeest, waarbij zijn grote voorbeeld Jan Steen niet ver weg is ! Interessant detail in beide schilderijen is de bol die boven het vertrekt hangt. Natuurlijk vormde deze functionele bol, bedoeld om meer licht in huis te krijgen, een leuke uitdaging voor de schilder om met licht en de reflectie van de binnenruimte zijn kunnen te tonen !

 

Jan Vermeers Gezicht op Haarlem, DIA waarvan in de eigen collectie een vergelijkbaar stuk en dat we ook kennen in een versie uit het Mauritshuis is hier prominent in de volgende zaal te zien. Fraai, wijds landschap onder een hoge wolkenlucht aan de lage horizon/einder als een baken voor de reiziger, de St. Bavo.

Leuk ook twee herbergscenes, beide de Zwaan genoemd, niet toevallig gesitueerd aan het water, waarover de reizigers per trekschuit werden aangevoerd. In tijden zonder Van Gansewinkel moest je maar zien hoe je van je afval afkwam. De ene grappig gezien aan de kant waar de vuilstort zich bevindt, tussen afgedankte huisraad ook een gebroken visvergiet !

Hier ook twee prachtige werkjes van Jan van Goyen en Porcellis, met, heel goed kijken, een schipbreuk…

Behalve Hollandse landschappen zijn ook Italianiserende landschappen te zien. Een geliefd genre dat niet alleen door Italiegangers als …. Werd beoefend, maar ook door thuisblijvers die zich inspireerden op de werken van hun meer avontuurlijke kunstbroeders.Wouwerman, expert op het gebied van paarden, situeert zijn manege in een Italiaanse setting, zo ook deed D. Maas, met zijn Italiaanse marktplaats. DIA Boven een van de onder tentzeil geplaatste stalletjes hangt een buikfles uit Chianti, zoeen, die destijds onze tienerkamers en de eerste pizzeria’s in ons land fungeerden als houders van druipkaarsen !

De doorloop naar de gouden zaal toont naast in een verstild hoekje, twee portretjes van Rubens en Jan Lievens; resp. Een koning en een meisjeskopje aanvullen

De goudleerzaal  vormt de perfecte locatie voor het destijds hoogst aangeslagen genre, het historiestuk. Alle voornoemde en navolgende genres waren in de 17e e eeuw populair, maar in ogen van kunstheoretici als Samuel van Hoogstraten en Gerard de Lairesse (thans te zien in RM Twenthe) was het historiestuk het belangrijkst. Schilders van stillevens en portretten vonden zij genres voor ‘zwakke geesten’, beoefend door ‘gemene soldaten in het veltleger van de konst’ .

Er hangt een prachtige Moeyaert, met de broers van Jozef, DIA die op diefstal van een kostbare beker worden betrapt. Getroffen door de compositie in de stijl van de pre-Rembrandtisten, viel mij nog een gelijkenis op. Het bijbelverhaal over Jozef en zijn broers, dat leest als een roman, inspireerde niet alleen Moeyaert tot het schilderen van een hele serie, maar ook andere 17e eeuwers als Joost van den Vondel en…..

Eveneens van Moeyaerts hand ook in het Catharijneconvent: Abraham komt aan in het Beloofde land, waarin de schilder portretten van hemzelf en een aantal familileden verwerkte. Dit zogenoemde Pourtret Historie was een geliefd genre in de 17e eeuw. Een portret in mythologische of bijbelse setting, waarin geportretteerden zich al eigenaren van dezelfde deugden als die mythologische figuren afficheerden, of zoals in Utrecht, zich identificeerden met het uitverkoren volk van Israël.

Bijzonder leuk de cluster van drie versies van Tobias en de Engel. DIA blz. 94 Geschilderd door resp. D. Bleker, Pieter Lastman en Karel Dujardin, met verschillende episodes uit het apocriefe boek Tobith. Waarin de blinde Tobith zijn jonge zoon Tobias op reis stuurt om een uitstaande schuld te innen. Omdat reizen niet zonder gevaren is, dient zich onderweg een reisgezel aan. Deze maakt zich bekend als Azarias. Hij behoedt de jongeman voor gevaren. Hij adviseert de jongen om van een gevangen vis de gal mee naar huis te nemen. Bij thuiskomst geneest hij daarmee de blindheid van zijn vader. Een in de 17e eeuw veel geschilderd verhaal, dat bij calvinisten echter weinig bekend is…

Hoe is dat gekomen ? Het antwoord heb ik hierboven eigenlijk al gegeven. Het is een apocrief verhaal. De reden waarom het bijbelboek Tobith in de kerken van de reformatie niet als canoniek bekend staat ligt in het feit dat er in dit verhaal gejokt wordt. De reisgenoot die zich figuurlijk als beschermengel opwerpt is de aartsengel Gabrieël himself die zich uitgeeft voor een ander, incognito met hem mee reist en zijn ware aard pas op het laatst onthult. Gabriël heeft gelogen, en dag mag niet !

Dit en veel meer is tot 13 februari te zien in het Frans Halsmuseum.

Na bezichtiging van de genrestukken in het Mauritshuis, kan deze tentoonstelling als les 2 van de Hollandse schilderkunst van de 17e eeuw worden beschouwd/bekeken, een soort walk-in-closet, waar u door de intieme sfeer van de tentoonstellingszalen, de werken close-up kunt bekijken !

Vier nieuwe tentoonstellingen in het Rijksmuseum van Oudheden.

Betoverend, inzichtelijk en overzichtelijk !

Wie kent niet het moedeloze gevoel dat je tijdens een museumbezoek soms al na een half uur overvalt ? Zoveel objecten, zoveel teksten in te kleine letters en nog zoveel zalen te gaan ?

De tentoonstellingsmakers van het RMO hebben een goede formule gevonden om dit euvel te voorkomen. Op de eerste verdieping krijgt de bezoeker in drie compacte, fraai vormgegeven en duidelijk betekste exposities een beeld van de Romeinen en hun sporen in de Lage Landen in de opstelling Romeinse Kust. Een tweede expositie, Vlijmscherp Verleden, toont de geschiedenis en de rituele en symbolische betekenis van het zwaar. Van een vuistbijl uit de steentijd tot het 19e eeuwse rijkszwaard, waarmee koning Willem Alexander werd ingehuldigd.

In een derde zaal, Egypte land van onsterfelijkheid, reist de bezoeker terug naar het avondland van de oude Egyptenaren. Zij geloofden in een eeuwig leven na de dood. Om dit te bereiken waren een aantal praktische en rituele handelingen nodig, waarin mummificatie van het lichaam centraal stond. Deze verstilde expositie biedt een voorproefje van nieuwe Egypte zalen, die vanaf 15 oktober te zien zullen zijn, gewijd aan het dal der Koningen, met de focus op koningin Nefertari; de ‘first Lady van Egypte’. De zalen zullen worden ingericht met objecten die na een logeerpartij in Bologna en Quebec, waar ze een half miljoen bezoekers trokken, weer in Leiden zijn thuisgekomen.

In de huidige tijdelijke Egypte expositie kan de bezoeker tot 3 oktober in de geest meereizen met de oude Egyptenaren, die na de dood op weg gaan het hiernamaals, waarover later in deze blog meer.

Strandwandeling

Laten we nu eerst tijdens een strandwandeling in de tentoonstelling Romeinse Kust, op zoek gaan naar sporen van de Romeinen in Nederland. Deze wandeling wordt geïlustreerd met topvondsten, maar het blijft archeologie waarschuwt gastcurator Tom Hazenberg. Het is niet alles goud wat er blinkt, maar ik zag toch veel objecten met een in historisch opzicht gouden randje !

Hoe zagen de woon- en werkplekken van die Romeinen in Nederland eruit en welke gevolgen gaf hun ontmoeting met de inheemse bevolking?
De als ‘strandwandeling’ gepresenteerde verkenning in noord-zuid richting wijkt af van de traditionele presentatie van Romeins Nederland, langs de noordgrens van het Romeinse Rijk gevormd door de Rijn. Je kunt kiezen voor een noordelijke of zuidelijke start. De tentoonstelling is gebaseerd op 10 jaar onderzoek van voornoemde gastcurator, auteur van een respectabel aantal boeken en initiatiefnemer van het Limes-bezoekerscentrum Nigrum Pullum in Zwammerdam. De tentoonstelling is ingericht door projectleider conservator Tanja van der Zon van het RMO. De bezoeker van deze speciaal voor gezinnen bedoelde (maar daarom niet minder interessante) tentoonstelling krijgt een wandelkaart mee, waarop Nederlandse kustplaatsen met een Romeins verleden zijn aangeduid. Per locatie worden historische feiten èn veronderstellingen aan de hand van vondsten en ‘artist impressions’ verduidelijkt.

Kaartje
Wandelkaart Romeinse kust

Hoe het met die Romeinen langs de Rijngrens zat wist ik nog wel zo’n beetje, maar dat in Schagen en ook op Texel sporen van Romeinen zijn aangetroffen wist ik niet. De tentoonstelling, ingedeeld in drie trajecten, geeft een beeld van de Romeinen in Nederland rond het jaar 200 na Chr. In de eerste etappe worden Texel en Schagen belicht; het gebied van de zelfstandige, ‘self-supporting’ inheemse Friezen. Zij wekten het medelijden van Plinius, omdat ze op ‘drijvende eilanden’ in zompige moerassen leefden. Een aantal Friezen nam, zoals ook de locale bevolking elders, vrijwillig dienst in het Romeinse leger. Maar eigenzinnig als zij waren, behielden zij hun eigen tradities, getuige een vitrine met inheems zwart aardewerk. Tussen de bodemvondsten werden slechts enkele Romeinse objecten gevonden. De Friezen lieten zich niet knechten. In 23 n. Chr. vielen zij zelfs Castellum Flevum bij het huidige Velsen aan.

In deze contreien bevonden zich in de vroeg Romeinse tijd forten bij Velsen en Velserbroek, een heiligdom en een zeehaven.

 

Fries_inheems_aardewerk
Fries inheems aardewerk, een wijnschep, munten en een beeldje van de godin Isis. Foto: Marina
Dupondius_Caligula_37-41 na chr.
Dupondius uit de tijd van Caligula met afbeelding van een 4-span uit 37-41 n. Chr. Foto Marina

Na het jaar 47 houdt keizer Claudius de gebiedsuitbreiding boven de Rijn voor gezien. De Romeinen trekken zich terug achter de rivier die van belang is als transportader en als noordgrens van het rijk. De limes werd beschermd door een keten van militaire forten, waarvan de bemanning middels lichtsignalen met elkaar communiceerde. Zoals de wachters op de Chinese muur middels vuurwerk eveneens deden.

De Romeinen bewaakten niet alleen die Rijngrens; zij verdedigden ook de Noordzeekust middels forten in de duinen, zoals Fort Ockenburg en Fort Scheveningseweg in Den Haag. Met deze ‘Atlantikwall’ avant-la-lettre, trachtten zij invallen van piraten af te slaan. Dit waren geen Vikingen maar Chauken. Wanneer het consolideren van de macht en het buiten de deur houden van piraten onbegonnen werk blijkt, verlaten de Romeinen onze gebieden in de 4e eeuw.

Van Velserbroek en Velsen gaat de wandeling verder. De bezoeker stapt in de expositie letterlijk –in het tapijt- over de Rijngrens waar het tweede traject begint. In een vitrine met vondsten gedaan bij Fort Matilo bij Leiden, wordt de blik getrokken door een bronzen ruitermasker dat, bevestigd aan een helm, gebruikt werd bij toernooien en tijdens gevechten, om de vijand schrik aan te jagen. In de vitrine ligt ook een godenbeeldje en de bronzen onderarm van een keizerbeeld.

03_Godenbeeldje_bronzen onderarm
Godenbeeldje, bronzen onderarm, masker. Foto Marina

Van daar wandelt men via het fort bij Valkenburg, Praetorium Agrippina, waar de bodem o.a. een Isisbeeldje prijs gaf, naar de Brittenburg bij Katwijk, het eindpunt van de Limes. Hier en in het nabijgelegen Valkenburg en Leiden bevonden zich de laatste forten van een lange verdedigingsketen langs de Rijn. In de bijbehorende vitrine ligt een kruikje met oud opschrift ‘een witte kruik welke gebruikt werd bij de Romeijnen om de wijn uit te gieten by hunnen offeranden’ en een dupondius uit de tijd van Caligula met afbeelding van een 4-span uit 37-41 n. Chr.

04_kruikje
Kruikje. Foto Marina

De volgende stop is Forum Hadriani, de belangrijkste nederzetting in het woongebied van de Cananefaten. Een heuse stad, aangelegd naar Romeins stedebouwkundig concept op de plattegrond van een dambord, compleet met stadsmuur, poorten, tempels een badhuis en huizen voor de ca. 1000 inwoners. De stad dankt haar naam aan Keizer Hadrianus, die de nederzetting in het jaar 21-22 tijdens een bezoek marktrecht schonk. Vandaar de naam Forum Hadriani: markt van Hadrianus, die in de huidige stadsnaam Voorburg nog naklinkt. Tussen de bodemvondsten bevindt zich de hand van het standbeeld van Keizer Hadrianus, dat ooit op het Forum stond opgesteld.

We lopen verder richting Naaldwijk, waar, aan het Helinium (de monding van Maas en Waal) een Romeinse vlooteenheid, een classis, gelegerd was. Hier werd in de 2e eeuw het kanaal van Corbulo gegraven, dat deze waterweg verbindt met Forum Hadriani en Lugdunum (Katwijk). In de bedding van het kanaal werd het voornoemde bronzen masker (80-125 na Chr.)  opgediept.
Na de oversteek van het Helinium belanden we op Voorne Putten met de handelsplaats Goedereede; veilige ankerplaats. Thans een klein dorpje, maar in de Romeinse tijd een havenplaats van formaat. Hier werden locale produkten verhandeld als vissaus, kalk van gemalen schelpen en zout dat in zogenaamde ‘deukbekers’, door verdamping werd verkregen.

vondsten_goedereede
Vondsten Goedereede, rechts een deukbeker. Foto Marina

.Een klein zeilschip illustreert het belang van de scheepvaart voor deze plaats. Handelswaar aangevoerd met platbodems van het type gevonden bij Zwammerdam, werd op deze vrachtvaarders geladen voor de oversteek naar Brittannia. Iets verderop bereiken we de zeehaven Colijnsplaat, heiligdom van Nehalennia, waar we straks zullen terugkeren. Nu lopen we even door naar Domburg, de woonplaats van mijn grootvader waar zich eertijds waarschijnlijk een steunpunt voor de Romeinse vloot bevond. Als kind hoorde ik verhalen over mysterieuze Romeinse ruïnes, die ooit voor de kust gezien waren. In een vitrine liggen de stille getuigen van deze episode in de geschiedenis van de latere badplaats.

In een 17e eeuwse nieuwsbrief getiteld Extraordinarie Antique Ontdeckinghe/ ghevonden aan het zee-strandt te Domburgh uit 1647 worden Romeinse strandvondsten beschreven en geschetst. Restanten van een heiligdom gewijd aan de godin Nehalennia dat door een veranderde kustlijn in de golven is verdwenen. Naast votiefstenen met haar beeltenis werden ook altaren gewijd aan Neptunus en Jupiter aangetroffen. In de jaren ‘70 zag ik in Middelburg de tentoonstelling van een wonderbare visvangst. Toen vissers hun loodzware netten ophaalden troffen zij daarin geen vis aan, maar enorme stenen; het bleken altaren van de godin Nehalennia te zijn. Archeologisch gezien ‘a real big fish’ ! Ze waren in Colijnsplaat door afkalving van de oever met tempel en al in de de Oosterschelde beland !

Tien jaar later zat ik in de collegebanken van de (toen nog) Utrechtse Archeologische faculteit. Ik deed mee aan een opgravingsstage naar de resten van een Romeinse nederzetting in de Meern, waar een pril begin gemaakt werd met het openen van het Romeinse bodemarchief, dat inmiddels verder ontsloten is. Link archeologie Leidsche Rijn

Handelswaar uit Zeeland werd door het gehele westelijk deel van het Romeinse Rijk gedistribueerd. Alvorens de gevaarlijke oversteek naar Brittannia te maken schonken handelaren, reders en reizigers de godin Nehalennia een votiefaltaar om een goede zeereis af te smeken. Dit deden zij getuige het opschrift V.S.L.M., Votum solvit libens merito … ‘gaarne en …. met reden’.

 Altaar voor godin Nehalennia - Collectie en foto Rijksmuseum van Oudheden
Altaar voor godin Nehalennia; Collectie en foto Rijksmuseum van Oudheden

Dit zandstenen altaar werd tussen 150-250 na Chr. geschonken door de reder Vegisonius uit Gallia. Nehalennia houdt een mand vruchten en een bos groenten in haar hand. Haar voet rust op het voorsteven van een schip; in andere reliefs houdt zij, vergezeld van een hond, een roer in handen. Een artists impression toont het heiligdom van Nehallennia in Colijnsplaat.

Het heiligdom voor de godin Nehalennia op Colijnsplaat - Illustratie © Mikko Kriek
Artist Impression van het Het heiligdom voor de godin Nehalennia op Colijnsplaat – Illustratie © Mikko Kriek

Mocht u na deze verkenning meer willen weten over de Romeinse Rijk, bezoek dan de andere afdelingen in dit museum gewijd aan de Romeinen.

Tot slot: verlaat het RMO niet voordat u beneden ook de tentoonstelling Baalbek Bewonderd heeft gezien, met schilderijen (neen, geen foto’s !) door Teun van Staveren in zijn Delftse atelier vervaardigd naar schetsen die hij in Libanon ter plaatse maakte. Deze architectuurfragmenten, waargenomen vanuit verrassende standpunten, zijn van een verstilde schoonheid.

Rijksmuseum van Oudheden, Leiden. Romeinse kust, 1 april tot en met 25 september 2016

En last but not least: vergeet ook niet de kleine schatkamer met meer dan honderd gemmen en gesneden stenen te bezoeken of beter nog, begin hier uw bezoek !

Educatief medewerkster en onderzoeker Selkit Verberk realiseerde met de tentoonstelling Pracht & Precisie een droom; waarmee zij het onderwerp van haar afstudeerscriptie nu met het publiek kan delen. Gesneden stenen en gemmen, kunstwerkjes op de vierkante millimeter, soms niet groter dan een pinknagel. Hoe deden deze kunstenaars dat ?

Het antwoord vindt u in deze fraaie expositie, met topstukken als de camee met Triomf van keizer Constantijn op zijn rivaal Maxentius in 312 n. Chr., Coll. RMO en de piepkleine gem met Herakles, 5e e. v. Chr., coll. RMO.

Op deze kleinoden afkomstig uit Egypte, het Nabije Oosten en de Klassieke wereld, zijn keizers, goden, dieren en magische spreuken te zien, mits je goede ogen hebt ! Gelukkig is een loupe voorhanden. Gesneden voorstellingen hadden een multifunctioneel doel. Behalve gekoesterd om esthetische redenen, werden ze gedragen als zegelring en als talisman om de heilbrengende werking. Daarnaast waren ze functioneel als rolzegel. Behalve betoverende stenen zijn in de expositie ook prenten, tekeningen en ladenkastjes van 19e eeuwse verzamelaars te zien. Het RMO toont met deze expositie het topje van de ijsberg van haar collectie cameëen en intaglio’s, welke in 2013 nog eens werd aangevuld met de gesneden stenen van het opgedoekte Geld Museum in Utrecht, waarmee de collectie nu zo’n 6300 exemplaren telt !

 Gem_stone_Triomf_Constantijn
Triomf van keizer Constantijn op zijn rivaal Maxentius in 312 n. Chr., Coll. RMO

 

Tentoonstelling Pracht en Precisie, t/m 31 december 2017, Rijksmuseum van Oudheden, Leiden.

 

 

 

 

 

Alma-Tadema klassieke verleiding te zien t/m 7 februari 2017 in het Fries Museum, Leeuwarden

Sir Lawrence Alma-Tadema: Klassieke Verleiding

Het Fries Museum brengt tot en met 7 februari  hommage aan de in Dronrijp geboren schilder Lourens Tadema (1836-1912), bekend als Sir Lawrence Alma-Tadema. Zijn op de Griekse en vooral Romeinse Oudheid geïnspireerde schilderijen waren in de Victoriaanse tijd zeer geliefd. In de vroege 20e eeuw raakte hij echter uit de gratie.

Sir Lawrence Alma-Tadema 1836-1912, groot kunstenaar of bonbondozenschilder?

Met deze woorden begint de bijlage van het Fries Museum in de NRC van 28 september jl. Toevallig kwam kort daarvoor in de Engelse versie van Tussen Kunst en Kitsch -the Antiques  Roadshow- een onbekend schilderij van Alma-Tadema boven water. Een portret van Tadema’s graveur Leopold Löwenstam, uit 1883.

 

Lawrence Alma_ etser Lowenstam
Portret van de etser Lowenstam, 1883

Niet alleen de expert, maar ook de eigenaar, het omringende publiek en even later de pers waren laaiend enthousiast. Hiermee lijkt het antwoord op deze vraag al gegeven. Maar hoe komt het toch dat dit denigrerende predicaat of varianten daarvan hem blijven achtervolgen?

Kort na zijn dood in 1912 raakte Alma-Tadema al in de vergetelheid, terwijl hij in 1899 nog door Koningin Victoria geridderd was. Pas in 1996 kon Alma-Tadema met een tentoonstelling in het Van Goghmuseum weer op waardering rekenen. Als kunsthistoricus geschoold in de vroege jaren ’80 had ik nog nooit van hem gehoord. Ik bekeek zijn werk toen met enige argwaan. Tot ik echt zag hoe prachtig de werken van compositie, kleur en toets waren en hoe hij de oudheidkundige gebouwen met historisch precisie had weergegeven.

Lawrence Alma-Tadema, Colloseum
Het Colloseum, 1896, Collectie Lord Lloyd Webber

Het publiek mocht hem dan vergeten zijn maar filmproducenten in Hollywood kenden hem nog wel. Zij kozen Tadema’s schilderijen als voorbeeld voor de enscenering van klassiekers als Ben Hur, Cleopatra en The Ten Commandments. En zelfs voor de film Gladiator uit 2000 stonden diverse schilderijen van Tadema model. Zoals Collosseum uit 1896. In de tentoonstelling worden stills en fragmenten uit deze films boven de geschilderde inspiratiebronnen geprojecteerd.

 

 

Still from Gladiator
Gladiator, Ridley Scott, Dreamworks Universal Pictures, 2000

Ons beeld van de Romeinse Oudheid wordt, aldus de tentoonstellingsmakers, via deze films bepaald door Alma-Tadema.

Van de Romeinen echter nog geen spoor wanneer hij, 16 jaar oud, begint aan de kunstacademie van Antwerpen. Vlak voor die tijd schilderde de notariszoon, die toen nog gewoon Lourens Tadema heette, in 1852 een zelfportret.

Alma-Tadema,_zelfportret_1852
Zelfportret, 1852, Collectie Koninklijk Fries genootschap, Leeuwarden

We zien een bleekneusje met een hip kuifje, zoals je bij jongetjes met zo’n lastige voorhoofdskruin vaker ziet. Hij kijkt even op van zijn schilderwerk. Zijn ouders hoopten dat hij zou kiezen voor een carrière in de advocatuur, maar Lourens wilde liever tekenen en schilderen. Het noodlot kwam te hulp. Toen hij wegens een ernstige ziekte zo goed als opgegeven was, adviseerden zijn artsen om hem de rest van zijn nog korte leven maar iets te laten doen dat hij leuk vond. En zo is het allemaal gekomen!

Na de Antwerpse academie ging hij in de leer bij de historieschilder Henri Leys. Bij wie hij werkte in een op de Middeleeuwen geïnspireerde stijl. Als 22-jarige viel Lourens bij een expositie in 1858 meteen in de prijzen.

Lawrence Alma-Tadema, bij het verlaten van de kerk
Bij het verlaten van de kerk in de vijftiende eeuw, 1864, Coleccion Perez Simon, Mexico

De mooie door Paul Toornend vorm gegeven tentoonstelling brengt ons terug in de tijd. Via Friesland, naar het Victoriaanse Engeland en de Middeleeuwen, geïllustreerd met Tadema’s in 1864 geschilderde Bij het verlaten van de Kerk in de 15e eeuw,  met elegant geklede notabelen en edelvrouwen met de puntmutsen zoals wij die als kind tekenden. Vervolgens nog verder terug naar het Oude Egypte en het Romeinse keizerrijk.

Waarop was zijn eigentijdse waardering gebaseerd ?

Om te beginnen was Alma-Tadema een meester met het penseel. Geïnspireerd op Hollandse fijnschilders van de 17e eeuw (zie mijn bespreking van de tentoonstelling Vermeer en tijdgenoten in het Mauritshuis) wist hij de realiteit haarfijn in beeld te brengen, zoals in het portret van Frederika Reijnders  van ca. 1850. Niet alleen knap, maar ook met historische precisie geschilderd. De inspiratiebron laat zich raden!

Lawrence Alma-Tadema_Frederika Reijnders
Portret van Frederika Reijnders, 1850-1854, Collectie Koninklijk Fries Gemnootschap, leeuwarden

 Tijdens zijn huwelijksreis in 1863 raakte hij in de ban van het Oude Rome. Niet toevallig, want in die jaren begonnen de archeologische opgravingen in Pompeï. Hij maakte nauwkeurige architectuur-schetsen, die hij later in zijn schilderijen gebruikte. Zoals een tekening van het Odeion in Pompeï, waarop ook zijn bruid Pauline Gressin Dumoulin de Boisgirard te zien is. Deze schets stond model voor het monumentale doek The Entrance of the theatre, Tadema’s eerste belangrijke schilderij met een Romeins onderwerp dat destijds in bezit kwam van de schatrijke Amerikaan William H. Vanderbilt. In 2015 werd het werk door het Fries museum aangekocht en het vormt de aanleiding voor de huidige tentoonstelling.

Lawrence Alma-Tadem, entrance of the theatre
Ingang tot een Romeins Theater, 1866, Fries Museum, Leeuwarden
Lawrence Alma-Tadema_Het Odeon
Het Odeon in Pompeii, 1863, Cadbury Research Library, Birmingham U.

 

 

 

 

 

 

Tadema verzamelde boeken over de Egyptische, Griekse en Romeinse Oudheid, die hij terdege bestudeerde alvorens zijn penseel ter hand te nemen. Tadema wilde het dagelijks leven van de oude Grieken en Romeinen in beeld brengen, mensen van vlees en bloed. In zijn ogen verschilden ze, geleid door dezelfde hartstochten en emoties, niet veel van zijn tijdgenoten. Van deze gevoelens zien we bij Tadema’s veelal onderkoelde personages, behoudens enkele uitzonderingen, niet veel terug. Behalve in scènes met languissante dames zoals in het paneel Kersen uit 1873. Waarvan de betekenis de 19e eeuwer niet kon ontgaan. Kersen verwijzen symbolisch naar het bedrijven van de liefde. Ik heb de uitdrukking met hem of haar is het goed kersen eten maar gauw uit mijn vocabulaire geschrapt.

Lawrence Alma-Tadema, kersen
Kersen, 1873, Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Antwerpen

Ronduit sensueel zijn de vrouwen in de badhuisscènes die hij rond 1880 schilderde, zoals Huidkrabbers en sponzen of het Tepidarium, waarin een verhitte dame op een berenvel ligt te doezelen, een strigilis in de aanslag en haar schaamte bedekt met een struisvogelveer.

Lawrence Alma-Tadema_Tepidarium
Tepidarium, 1881, Lever Art Gallery, National Museums Liverpool

Critici omschreven het later als softporno, maar een eigentijdse zeep fabrikant zag er wel brood in en gebruikte het schilderij voor reclame doeleinden. Of de omzetcijfers omhoog gingen heb ik niet kunnen achterhalen.

Alma-Tadema_Laura Epps
Portret van Miss Laura Theresa Epps, 1871, particuliere collectie, Londen

Zoals gezegd nam Tadema’s schilderscarrière na de Italiëreis een beslissende wending. Hij vestigt zich met zijn vrouw Pauline in Brussel, waar zijn dochters Laurence en Anna worden geboren. Het geluk was echter van korte duur. In 1869 overleed Pauline. De weduwnaar bleef niet lang alleen. Om gezondheidsredenen reist Tadema korte tijd later naar Londen, waar hij een nieuwe liefde vindt. In 1871 trad Tadema in het huwelijk met de 18 jarige kunstenares Laura Epps. Van haar hand worden in de tentoonstelling ook een aantal werken in de geest van de pre-rafaëlieten getoond.

Tadema laat zich naturaliseren tot Engelsman en hij verandert zijn naam in Lawrence. Eerder had hij ook al iets aan zijn achternaam gedaan. Om in tentoonstellingscatalogi niet bij de middenmoot te staan, plakte hij zijn tweede voornaam, Alma, voor zijn achternaam: Lawrence Alma-Tadema… dat klonk al  beter dan Lourens Tadema en zijn naam zou nog mooier klinken toen hij in de adelstand verheven was!

Lichtgevend atelier

Tadema besteedde niet alleen veel aandacht aan zijn schilderijen, maar ook aan de inrichting van zijn huizen. Hij gaf grote (soms gekostumeerde) feesten. Onder de genodigden bevonden zich intellectuelen, opdrachtgevers, musici en zelfs de schrijver Oscar Wilde, die zich, zoals je van Oscar Wilde kon verwachten, zeer misdroeg. In de tentoonstelling zijn interieurfoto’s te zien, authentieke meubels, gordijnstoffen, exotische objecten en antieke vazen. Middels tekeningen en schilderijen van de hand van Tadema’s schoonzus Emily en zijn getalenteerde dochter Anna, krijgt de bezoeker een goede indruk van de inrichting van zijn huizen. Zijn eerste woning, Townshend House, nabij Regent’s Park, verruilde hij voor een paleisje aan Grove End Road (to whom it may concern: om de hoek bij Abbey Road Studios). Zijn woningen, vol met rekwisieten, vormden de kraamkamer van zijn schilderijen. Bij het zien van al dat moois kreeg hij zin om te schilderen!

Nic van der Waay_atelier_Alma-Tadema
Nicolaas van der Waay, atelier in het huis aan Grove End Road 17, 1890-1891, Collectie Koninklijk Fries Genootschap

Aan rekwisieten alleen heeft een kunstenaar echter niet genoeg. Hij heeft ook licht nodig om bepaalde elementen te benadrukken en licht om op andere onderdelen schaduw te creëren. En aan dat licht ontbrak het nogal eens in het grijze, regenachtige Londen. Daarom liet Alma-Tadema de binnenkant van zijn nisvormige atelier in Grove End Road beschilderen met aluminiumverf.

Het binnenvallende licht werd daardoor op donkere dagen helderder, en op zonnige dagen bijna oogverblindend. Het effect is te zien in de kleurrijk oplichtende, soms bijna  iriserende kleuren van zijn panelen met personages op marmeren terrassen met uitzicht op de baai van Napels.  Zoals in het paneeltje met Een Vraag uit 1877.

Lawrence Alma-Tadema, een vraag
Een vraag, 1877, Coleccion Perez Simon, Mexico

 

Succes verzekerd en verklaard

Juist die letterlijk èn figuurlijk lichte sfeer zal in de wat sombere, benauwende ingesnoerde Victoriaanse leefomgeving zeker hebben bijgedragen aan Tadema’s succes. In zijn romantische scènes kon de beschouwer wegdromen naar lang vervlogen mooiere tijden: een vorm van Victoriaans escapisme, las ik ergens.

Ook zijn feilloze neus voor zaken droeg bij tot succes.Hij zei: …’Als ik aan het werk ben, dan ben ik 100% schilder. Maar als het af is, dan ben ik een koopman.’…

Hier staken zijn Hollandse roots, die hij met zijn verengelste naam en naturalisatie tot Engelsman zorgvuldig had gewist, toch weer de kop op!

Daarbij had hij eerder al het geluk gehad dat de Belgische kunsthandelaar Ernest Gambart wel wat zag in zijn werk. Hij contracteerde hem voor de levering van 24 schilderijen, de basis voor zijn succes was gelegd. Niet alleen rijke Britten als Sir John Aird, maar ook Amerikaanse opdrachtgevers als William Vanderbilt, wisten hem te vinden. En zelfs collega kunstenaar Gustav Klimt liet zich door Alma-Tadema’s schilderijen met mooie vrouwen inspireren.

Klimt_Egyptische kunst
Gustav Klimt, Egyptische kunst, 1890-1891, Kunsthistorisch Museum, Wenen
Lawrence Alma-Tadema_model van een beeldhouwer
Het model van de beeldhouwer (Venus Esquilina), 1877, Particuliere Collectie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Toch kwam, zoals gezegd, kort na zijn dood in 1912 een einde aan de waardering voor Tadema’s schilderijen.

Zijn zoetgevooisde, lieflijke werk, werd ingehaald door de tijd. Na een incubatietijd, waarin het publiek nog een beetje moest wennen, braken begin 20e eeuw moderne kunststromingen zoals het expressionisme, fauvisme en iets later het kubisme door. Figuratief werken was niet langer nodig en zelfs not done. Door de fotografie, waar Tadema zelf ook veel gebruik van had gemaakt, kon de werkelijkheid beter worden vastgelegd dan met welk penseel ook. Het kwam nu aan op inventief schilderen, waarbij de zichtbare werkelijkheid hooguit fungeerde als uitgangspunt voor een gedeeltelijke of zelfs totaal afwijkende impressie van de realiteit. De kubisten ontleedden die zichtbare wereld zelfs tot een aantal versplinterde fragmenten, zoals de losse stukken van een kapot gevallen spiegel.

Voor het werk van Alma Tadema was in die wereld geen plaats meer. Tot het tij aan het eind van de vorige eeuw langzaam begon te keren. Was het in de jaren ‘60 van de vorige eeuw nog mogelijk een Tadema voor zo’n f 250,– op de kop te tikken, thans halen zijn werken recordprijzen op veilingen. De tentoonstellingen in de jaren negentig gaven een enorme impuls aan de herwaardering van Tadema’s werk.

Het pièce de résistence in de huidige tentoonstelling, het monumentale doek Mozes Gevonden uit 1904, werd in 2010 voor bijna 36 miljoen dollar afgehamerd. Waarmee Alma Tadema’s come-back een feit was!

Lawrence Alma-Tadema_mozes gevonden
Mozes gevonden, 1904, Particuliere Collectie

Tadema maakte het doek in opdracht van de Londense kunstverzamelaar Sir John Aird, wiens bedrijf verantwoordelijk was voor de bouw van de Aswandam in de Nijl. Aird bezat reeds het monumentale doek de Rozen van Heliogabalus uit 1888. Waarin te zien is hoe de perverse keizer Heliogabalus, wiens herinnering middels een damnatio memoriae uit het collectieve geheugen gewist werd, zijn gasten laat stikken onder een lawine van rozenblaadjes. Ook deze voorstelling stond model voor een scène in een film, l’Orgie Romaine, uit 1911.

Lawrence Alma Tadema_rozen van Heliogabalus
De rozen van Heliogabalus, 1888, Coleccion Perez Simon, Mexico
Still_Orgie Romaine
L’Orgie Romaine, Louis Feuillade, Gaumont 1911

 

 

 

 

Sir John Aird nodigde Tadema uit om de opening van de dam in december 1902 bij te wonen. Bij die gelegenheid vroeg Aird hem om een toepasselijk Egyptisch onderwerp. Zo is de Vinding van Mozes ontstaan! Het voltooien van dit enorme werk kostte Alma Tadema twee jaar. De lotgevallen van dit werk zijn illustratief voor Tadema’s faam en de teloorgang daarvan. Koning Edward VII bezocht Tadema in zijn atelier en verleende hem de Orde van Verdienste. Maar na Tadema’s dood begon het werk aan een odyssee langs diverse veilingen. Het doek werd door een medewerker van de Londense kunsthandel Newman opgerold in een steegje teruggevonden. Het verhaal gaat dat een nieuwe eigenaar het daar achtergelaten had, nadat hij het doek uit de lijst had gesneden, die hij wèl wilde hebben!

Omdat Newman het schilderij aan de straatstenen niet kwijt kond, bood het veilinghuis het schilderij zonder succes gratis aan in de museumwereld. Het doek kwam uiteindelijke voor een luttel bedrag in het bezit van Allen Funt; de man van Candid Camera, het Engelse equivalent van onze Bananasplit. Met deze wisseling van eigenaar was het laatste woord over het doek nog niet gezegd, dat zoals we zagen in 2010 voor bijna 36 miljoen dollar van eigenaar wisselde.

Tot slot nog even terug naar de waardering van Alma Tadema en hoe hij zich daar bij voelde. Dat ontsnappen aan de werkelijkheid gold wellicht voor zijn bewonderaars, maar het succes begon hem te benauwen: … ‘Mijn vrienden en het publiek staan mij niet toe om vooruitgang te boeken’.. Wanneer hij marmer had geschilderd of een blauwe lucht, een Agrippa of oleander, vroegen zijn opdrachtgevers steeds meer van hetzelfde. Hij besluit de klacht met:’ Bah, een mens is geen machine’ !

En zo zijn de vele herhalingen in zijn werk verklaard. Denk aan de Audiëntie, met Agrippa die de trap afkomt en Na de Audiëntie, met Agrippa die de trap oploopt.

Uit zijn eigen woorden komt Tadema’s ware aard, die tijdens zijn joyeuze ontvangsten en gemaskerde bals onopgemerkt was gebleven, naar boven; hij was een geniale zenuwpees ! Zijn schoonzus Emily bevestigt dit. Het huis zinderde van nervositeit wanneer een doek zijn voltooiing naderde.

’Tijdens deze kritische perioden is de nervositeit van de Heer Alma-Tadema berucht’

Van deze emotie is in zijn werken echter geen spoor te vinden!

Tijdens het eerste decennium van de 20e eeuw wordt zijn gezondheid minder. Om te kuren vertrekt Tadema in 1912 naar Wiesbaden. Hij zal Londen, de stad waar hij zo succesvol was, niet meer terugzien. Dat hij daar bijzonder geliefd was blijkt wel uit de locatie van zijn laatste rustplaats. Met veel eerbetoon werd hij bijgezet in de crypte van St. Pauls Cathedral.

Lezing in de Oosterkerk op donderdagavond 10 November 2016, aanvang 20.00

Link: Het Fries Museum

Hollanders in huis: Vermeer en tijdgenoten uit de Britse Royal Collection, Mauritshuis, Den Haag, t/m 8 Januari 2017

Hollandse genrestukken uit de Royal Collection in het Mauritshuis

Tweeëntwintig schilderijen van wereldklasse uit de Britse Royal Collection zijn t/m 8 januari te zien in het Mauritshuis in Den Haag. Topstukken van Gerard ter Borch, Gerrit Dou, Pieter de Hooch, Gabriel Metsu, Jan Steen en niet in de laatste plaats Johannes Vermeer.

Johannes Vermeer_Muziekles
Johannes Vermeer, Dame aan het virginaal met een heer ‘ de muziekles’, 1660-1662, Royal Collection Trust

In deze intieme expositie zijn zogenoemde genrestukken te zien; alledaagse (binnenhuis)scènes uit de Gouden Eeuw. Herbergscènes met eenvoudige boeren, maar ook interieurs van deftige burgerwoningen met prachtig geklede figuren. Onbetwiste topstukken zijn Gerrit Dou’s Jonge moeder en Vermeers Vrouw in een slaapkamer, waarover straks meer. In de introductiefilm vertellen conservatoren Quintin Buvelot en Epco Runia over de totstandkoming van de tentoonstelling. We zien hen in gesprek met Desmond Shawe-Taylor, ‘surveyer’ van de thuisbasis van de tentoongestelde schilderijen, de Queens Pictures.

Van de veelheid aan 17e eeuwse genres als portretten, stillevens, stadsgezichten, marines en historiestukken vormen deze genrestukken, waarin de toeschouwer een blik vergund wordt op een (ogenschijnlijk) alledaagse tafereel vanouds een geliefd verzamelobject. De voorstellingen zijn bedrieglijk realistisch geschilderd; letterlijk en figuurlijk. Want achter de zorgvuldig gepenseelde onderwerpen gaat niet zelden een symbolische betekenis schuil. Een bedoeling die in onze tijd vaak niet meer herkend wordt. Dankzij 17e eeuwse literatuur en embleem-boeken is die betekenis nog wel terug te vinden. In de expositie hangt een checklist die de bezoeker kan helpen om achter de intentie van zo’n genrestuk te komen:

  • Waar is de scène gesitueerd, in een herberg of burgerwoning ?
  • Hoe zijn de mensen gekleed ?
  • Wat verraden de gezichtsuitdrukkingen ?

Maar wees voorzichtig met de duiding van symbolen, waarschuwde professor Eddy de Jongh in de tachtiger jaren in zijn colleges iconologie. Symbolen zijn vaak multi-interpretabel en verkrijgen hun specifieke betekenis in een bepaalde context. Maar ook zonder kennis van die (versluierde) symboliek kun je genieten van deze prachtige schilderijen. Een tendens die de laatste decennia sterker wordt. Tot in de jaren tachtig lag in het universitair kunsthistorisch onderwijs de nadruk vooral op het iconologisch duiden. De techniek of beter de kunst om met behulp van verf op het platte vlak de illusie van een inkijkje in een 17e eeuws interieur te suggereren is echter net zo belangrijk. Er bestaat inmiddels zelfs een heel nieuwe functie; die van technisch kunsthistoricus.

Engelse voorliefde Hollandse meesters.

Dou_jonge moeder_1658
Gerard Dou, De jonge moeder,1658, Mauritshuis, Den Haag

Omdat de Engelse schilderkunst, volgens de introductiefilm niet veel voorstelde, ontstond aan gene zijde van het kanaal belangstelling voor de Nederlandse schilderkunst. Engelse koningen George II en George IV verzamelden in de 19e eeuw Hollandse meesters. Maar ook eerder vonden schilderijen uit de Nederlanden hun weg naar Engeland. Koning Charles II ontving bij zijn kroning in 1660 een diplomatiek geschenk van de Staten Generaal van Holland en West Friesland. In het pakket van deze ‘Dutch Gift’ bevond zich de Jonge Moeder van Gerrit Dou. Dat schilderij leek voor Holland verloren, maar ten tijde van William & Mary viel de Royal Collection weer in Nederlandse handen.

De liefde voor Hollandse schilderkunst in Engeland werd niet door iedereen gedeeld. In 1841 omschreef Alexander Lindsay, de latere graaf van Crawford and Balcarres, deze als een ‘broad-bottomed Duch School’ waarmee hij de kunst van Hollandse bodem vergeleek met een platbodem. Overeenkomst?
Ze zijn allebei zonder veel diepgang! De Britse liefhebbers waren evenwel geporteerd van het geschilderde ‘low life’, onderwerpen met een komische noot, als boeren in een herberg of dansend op een dorpsfeest, maar ook ‘high life’ was geliefd. Rijk ingerichte binnenhuisscènes, gestoffeerd met elegante figuren. Beide zijn in deze tentoonstelling vertegenwoordigd.

Mulready_interieur_plattelandshuisje
William Mulready, Interieur van een Engels plattelandshuisje,1828, Royal Collection Trust

De catalogus gaat in op de historische banden tussen Engeland en de Nederlanden. Koningin Elizabeth I zegde ten tijde van de Opstand haar steun toe aan de Nederlanders, in 1688 werd onze stadhouder Willem III koning der Britten en in 1815 stonden Lord Wellington en de prins van Oranje, de latere koning Willem II samen hun mannetje in Waterloo. Engelse kunstenaars lieten zich inspireren door de schilders van de Hollandse 17e eeuw. Niet in de expositie, maar wel  in de catalogus is dat te zien in William Mulready’s Interieur van een Engels plattelandshuisje uit 1828.

Een binnenhuisscène met een wieg en verstervend wild uit het vocabulaire van Gerrit Dou, gedaan in een Rembrandtesk palet. Een beetje van Dou en Rembrandt en een beetje van hemzelf. Het centraal geplaatste venster geeft uitzicht op een donker romantisch landschap onder een opgloeiende avondlijke hemelpartij.

Overeenkomsten tussen beide koninklijke collecties.

De overeenkomst in samenstelling  tussen de Britse Royal Collection en het Nederlandse  Koninklijk Kabinet van Schilderijen is groot. Terwijl het merendeel van de Engelse collectie in de vroege 19e eeuw werd verzameld door George II en George IV, werd de basiscollectie van het Mauritshuis bijeengebracht door de stadhouders Willem IV en V. Hun nazaat Koning Willem I droeg de collectie in 1816 over aan de Nederlandse staat. Maar er is ook een klein verschil, om precies te zijn een verschil van slechts één nul. De Engelse collectie bestaat uit 8.000 schilderijen, terwijl die van het Mauritshuis 800 exemplaren telt.

Bij het pièce de résistence, Vermeers De Muziekles van rond 1660 met een vrouw aan het virginaal, staan de meeste bezoekers lang stil. Niet verwonderlijk, want deze wat mysterieuze, verstilde voorstelling vraagt om aandachtig kijken. Staand in een denkbeeldige deuropening, kijken en even wegdromen in de tijd. Want dat leerde ik destijds aan de RUU wel: ‘Jai moet hoed kajken’ doceerde Professor Reznicek in Utrecht.

Waar is dit tweetal mee bezig ? Zoeken ze samen muziek uit, is het een muziekles of is er meer aan de hand ? Leuk detail vormt het ogenschijnlijke schilderij in het schilderij achter het hoofd van de vrouw. Bij nadere beschouwing blijkt het een spiegel, waarin niet alleen haar hoofd, maar ook de voet van Vermeers schildersezel wordt weerspiegeld. De tekst moet duidelijkheid over de betekenis verschaffen, maar wat staat er eigenlijk?
MUSICA LETITIAE CO(ME)S MEDICINA DOLOR(UM). Muziek is een metgezel van vreugde, een medicijn voor verdriet.  En wat is mooier dan samen musiceren? Het brengt harmonie in het leven en in de liefde.

Behalve de uiterlijke verschijningsvorm en de betekenis is ook de herkomst van dit schilderij interessant. Antonio Pellegrini, de kunstenaar die in 1718 de Gouden zaal van het Mauritshuis van schilderingen voorzag, kocht Vermeers Muziekles en nam het werk mee naar Italië. In 1762 belandde Pellegrini’s schilderijenverzameling in de collectie van Koning George III. Gek genoeg was Vermeers Muziekles destijds slechts bijvangst. Het ging de Engelse koning om de verwerving van Venetiaanse vedute, stadsgezichten, gemaakt door Canaletto, de schilder die destijds erg populair was. De Muziekles stond zelfs niet eens te boek als een Vermeer;  het werd toegeschreven aan Frans van Mieris. De ware auteur werd pas in de 19e eeuw ontdekt. Het is nauwelijks voor te stellen dat Vermeer, met zijn kleine oeuvre van 36 werken thans wereldberoemd, een tijdlang in de vergetelheid was geraakt. Pas in de 19e eeuw werd Vermeer door de Franse kunstcriticus Thoré-Bürger herontdekt. In die tijd maakten de vergeten schilders uit de eeuw van Rembrandt hun comeback, nadat ze tengevolge van een smaakverandering uit de mode waren geraakt. Dat gold niet alleen voor schilders van  portretten, stillevens en landschappen, maar ook voor schilders van binnenhuisscènes, die in deze expositie centraal staan.

Kijkend naar de Muziekles vraag je je af hoe Vermeer het heeft klaargespeeld om deze verstilde uitgebalanceerde compositie in het juiste perspectief te krijgen ? Kunsthistorici vermoeden dat Vermeer bij het creëeren van zijn composities gebruik maakte van een camera obscura.  Of dat hier ook het geval is wordt door Epco Runia betwijfeld. Hij legt uit dat in de mouw van de vrouw een klein gaatje is ontdekt. Vermeer bracht daar in het doek een spijkertje aan, van waaruit hij (hulp)lijnen spande om de voorstelling in het juiste perspectief te plaatsen. Een verrassende vondst waar je als argeloze bezoeker nooit op zou komen. Het wordt in de film verteld.

Een camera obscura, een donkere kamer, werkt als volgt. Men neme een kist of doos, maakt in een van de wanden een gaatje. Met het daardoor binnenvallende licht wordt de buitenwereld omgekeerd, met veel dieptescherpte op de tegenoverliggende wand in de doos geprojecteerd.  Aldus kan die voorstelling nauwgezet bestudeerd en overgenomen worden. Leuke bijkomstigheid vormen de daarbij ontstane talrijke lichtstipjes, die in het werk van Vermeer ook daadwerkelijk waarneembaar zijn. Het principe van de camera obscura kan ook worden toegepast op een wand in een verduisterde kamer. 

Steen_vrouw_slaapkamer_kous
Jan Steen, Vrouw in een slaapkamer, 1663, Royal Collection Trust

Een onbetwist hoogtepunt in de tentoonstelling vormt Jan Steens Vrouw in een slaapkamer uit 1663. Meesterlijk gepresenteerd achter een bedrieglijke, want geschilderde architectonische omlijsting, een trompe l’oeil, zit een vrouw die op de rand van haar hemelbed in de weer is met een kous. Tijdens mijn studie kunstgeschiedenis zorgde de toenmalige titel: Het ochtendtoilet voor verwarring. Trok ze die kous nu aan of uit? Maar ook hier geeft goed kijken het antwoord. Op haar kuiten is de afdruk van de kousenband duidelijk te zien, wat er toch, anders dan in een ingezonden brief in de NRC van 7 oktober jl., waarin het tegendeel wordt beweerd, op lijkt te duiden dat ze de kous uittrekt. De in deze brief gedane bewering dat die kepen ook ’s nachts in het been blijven zitten is, door mij empirisch onderzocht, onjuist.

Behalve deze alledaagse handeling bevat het werk een erotische lading, al zal de 21e eeuwer die wel wat anders gewend is, er niet warmer of kouder van worden. Hoe weten we dat? De prominent in de voorgrond geplaatste luit vormt hier de sleutel: een oud symbool voor de liefde, soms ook de betaalde liefde. Waar ook twee oude gezegdes op slaan: ‘de luit slaan’ voor het bedrijven van de liefde en … ‘verkeren met hoeren en met snaren’. Maar, evenals de vluchtige klanken van het snarenspel, is ook (het genieten van) de liefde vergankelijk… Terwijl ik dit schrijf schiet mij te binnen dat het aantrekken van een kous in 17e eeuwse symbooltaal ook  gebruikt werd voor het bedrijven van de liefde. Enfin, het laatste woord is dus over de inhoud van dit werk nog niet gezegd.

Pot_Dame en Heer_interieur
Hendrick Pot, Dame en heer in een interieur, ca 1632, Royal Collection Trust

In andere gevallen is de betekenis zelfs met goed zoeken niet meer te achterhalen. Zoals in een werk dat bij het betreden van de tentoonstelling meteen rechts hangt. Een raadselachtig doek door Hendrick Pot, Dame en heer in een interieur.  In welke ruimte bevinden de figuren zich? We zien een vreemd, theater-achtig interieur met prominent een tafel, waarop een kostbaar kleed, een spiegel en een glas. Getuige de gebarentaal van de fraai geklede figuren is er iets aan de hand. De man heft zijn armen theatraal omhoog, de vrouw kijkt hem veelbetekenend aan. Wat gebeurt hier? De titel noch de aanblik van het werk geven de betekenis prijs. Pas als je heel goed kijkt wordt je het mes gewaar dat de vrouw op haar lichaam richt . Grappig detail vormen de twee hondjes die elkaar achter de rokken van de vrouw besnuffelen. Het lijkt erop dat de man nog juist op tijd komt om de dame van zelfmoord af te houden. Maar wie zij is blijft onduidelijk. In de schilderkunstige traditie is een om haar eerbaarheid in de dood vluchtende Lucretia een bekend thema, maar voor deze duiding lijkt de mise-en-scène ongeschikt. In de catalogus wordt naarstig naar een betekenis gezocht; het zou de ‘Zwarte Prins Edward van Woodstock met Lady Salisbury’ zijn, uit een ingewikkelde 16e eeuwse story. De auteur besluit uiteindelijk met de vaststelling dat Pot een moralistisch historisch thema heeft geschilderd: een kuise edelvrouw die zich een belager van het lijf weet te houden.

Schalcken_vrouwtje kom ten hoof
Godfried Schalcken, Het spel ‘vrouwtje kom ten hoof’, ca 1668-1669, Royal Collection Trust

Eveneens raadselachtig blijft de inhoud van Godfried Schalckens, Vrouwtje kom ten hoof uit ca. 1669. Een vrolijk gezelschap in een rommelig interieur. Centraal zit een schalkse figuur, met loshangende kleding; de handen geheven in een  verontschuldigend gebaar. Deze figuur is de schilder zelf! Hoofdrolspeler in een spelletje waar wij de regels niet meer van kennen…  Een 17e eeuwse ondeugende variant van wie komt er in mijn hokje?

Het is niet duidelijk wat hier uitgebeeld wordt. Er wordt onderling wat gesmoesd, de dame links betrekt de beschouwer in het verhaal. Zijn er details die aanknopingspunten geven voor het vinden van de betekenis? We weten het niet. Mogelijk gaat het ook hier om de liefde, maar ook zonder die kennis kunnen we genieten van de meesterlijk geschilderde stofuitdrukking, zoals in de draperie, waarvan zelfs de textuur van het weefsel zichtbaar is!

Metsu_Cellospeler
Gabriel Metsu, De cellospeler, ca 1658, Royal Collection Trust

In Gabriel Metsu’s (1629-1667), Cellospeler, uit 1658 komen we met goed kijken wederom een heel eind. Een dame komt met een brief de trap af, terwijl zij de cellospeler veelbetekenend aankijkt. Ook hier staat zonder twijfel de liefde centraal, daarop duiden muziekinstrumenten in het algemeen en in dit geval de cello, die door de man gestemd wordt. Via de muziek komen man en vrouw in samenklank tot elkaar. In sommige gevallen biedt natuurwetenschappelijk onderzoek de helpende hand in het duiden van de bedoeling van de schilder. Röntgenonderzoek bracht in dit doek een overschilderde naakte vrouw aan het licht, pal achter de treurige manspersoon die tussen beide protagonisten is afgebeeld. Hij is een zogenoemde ‘minnejancker’, die met spijt toeziet dat hij in het winnen van de hand van de vrouw aan het kortste eind heeft getrokken !

Mieris_de verwaarloosde luit
Willem van Mieris, De verwaarloosde luit, ca 1710, Royal Collection Trust,

Ook in Willem van Mieris, Verwaarloosde luit, van ca. 1710  draait het om de liefde. Van Mieris (zoon van Frans) portretteerde een man en een vrouw. In een fraai in claire-obscure geschilderd interieur genieten zij van een schaal oesters en een goed glas. De man toont de fles: zie eens wat ik hier voor je ga ontkurken! Of het een mooie wijn is zullen we niet ontdekken, het etiket dat je in onze tijd even met een app op je smartphone checkt, ontbreekt. Een zwarte bediende brengt nòg een schaal oesters binnen. Een tijdgenoot wist dan: dit belooft wat!

Achter Van Mieris zijn niet toevallig nog net de gordijnen van een hemelbed zichtbaar. Wat zegt de titel van dit schilderij in deze context ? De betekenis van verwaarloosd… gaat de dame lichtvaardig met haar deugdzaamheid om, of wordt het weer eens tijd voor …. het slaan van de luit ? Hoe dan ook, Willem van Mieris en zijn echtgenote lijken zich met oesters (destijds een bekend afrodisiacum) en een glaasje voor te bereiden op de dingen die buiten ons gezichtsveld staan te gebeuren.

Jan Steen_vechtende boeren_herberg
Jan Steen, vechtende boeren bij een herberg, 1673, Royal Collection Trust

Jan Steen pakt met zijn Vechtende boeren bij een herberg uit 1673  een traditioneel Hollands thema op, veel geschilderd ook door Pieter Brueghel de Oude in de 16e eeuw. Het is een drukte van belang; alle denkbare menselijke emoties zijn verwerkt. Vreugde in verschillende gradaties; maar ook ruzie en humoristische details als een zuipende monnik die ons breed toegrijnst. Hier komt de checklist goed van pas. De teksten, o.a. op het uithangbord, helpen bij de duiding. ‘T MIS VERSTANT’ met een bloot achterwerk is een, uit de embleemliteratuur, bekend symboolvoor de dwaasheid van de wereld. ‘DIT HUYS IS TE HUER’ duidt op de ware aard van het etablissement: dit is geen gewone herberg, maar een bordeel!

Dergelijke voorstellingen met ‘low life’ voorstelling waren geliefd bij de burgerij. Ze konden lachen om de dwaasheid van het domme volk en indien ze enigszins onderlegd waren zelfs temidden van al die dwaasheid een verwijzing naar de klassieke oudheid ontdekken. Zij zouden in de centrale figuur met historiserende kleding, soldatenhelm en lamp Diogenes kunnen herkennen. Deze filosoof ging in het oude Athene op klaarlichte dag op zoek naar echte mensen! Niet zomaar een voorstelling met domme hossende en drinkende boeren, maar met een voor de goede verstaander moraliserende boodschap .

Maes, de luisterende huisvrouw
Nicolaas Maes, De luisterende huisvrouw, 1655, Royal Trust Collection

Ronduit geestig is Nicolaes Maes, de Luisterende huisvrouw, 1655, waarin de vrouw des huizes afkomt op het gestommel onder de trap en de beschouwer vervolgens aanspoort om het vrijende paar onder de trap niet te storen. Maes schilderde dit humoristische thema twee jaar later nogmaals in een doek getiteld de Luistervink, waarin een vrijage van een heer van stand met de meid te zien is. De interactie tussen de geschilderde figuur en de beschouwer is een 17e eeuws schilderkunstig devies dat tegenwoordig in de filmwereld ook toegepast wordt in de serie House of Cards, waarin de hoofdrolspeler Kevin Spacey, de kijker op samenzweerderige toon soms even deelgenoot maakt van zijn diepste gevoelens of mening.

Dou_meisje_uien
Gerrit Dou, Meisje dat uien hakt, 1646, Royal Trust Collection

In vrijwel alle besproken werken draait het om de liefde. De kuise liefde, de geheime liefde, de betaalde liefde, de schalkse liefde of de ongelukkige, teleurstellende liefde. Zoals het Meisje dat uien hakt  (1646)  van Rembrandtleerling Gerrit Dou nog zal ervaren. Dou schilderde dit kleine paneeltje zeer fijn met geen spoor van penseelvoering! Het uitbeelden van vrouwen bezig met huiselijke taken hield vaak een verwijzing in naar haar deugdzaamheid. In de Calvinistische Nederlanden vaak bezongen middels een passage in het bijbelboek Spreuken…een goede huisvrouw wie zal haar vinden…. Of hier ook sprake is van deugdzaamheid is de vraag.  Niet voor niets houdt het jongetje ostentatief een ui omhoog. De 17e eeuwer zal in dit detail een embleem van Jacob Cats herkend hebben, waarin het ontdoen van de rokken (schillen) van de ui symbool staan voor dezelfde handeling bij geliefden…Een handeling die niet zelden tranen tot gevolg had, evenals bij het pellen en snijden van een ui!

Deze uitleg wordt in de catalogus niet gegeven; maar enkele ogenschijnlijk onbeduidende voorwerpen in de voorstelling, zoals de prominent geopende kan, staan voor -ik heb het niet zelf verzonnen- het vrouwelijk geslachtsdeel. En via de vogel links, die naar het woord vogelen verwijst, komen we tenslotte uit bij het lege vogelkooitje, symbool van verloren maagdelijkheid.

De tentoonstelling nodigt de bezoeker uit tot een speurtocht naar versluierde symboliek. Maar ook tot stil genieten van de erfenis van de 17e eeuwse fijnschilders, die ons nog altijd weten te betoveren met de illusie van een technisch perfecte voorstelling. Al dit moois is tot en met 8 januari te zien in het Mauritshuis. Daarna reist de expositie door naar Edinburgh.

Shawe-Taylor & Q. Buvelot, Vermeer en zijn tijdgenoten: Hollandse genrestukken uit de Royal Collection, Mauritshuis, Den Haag, 2016.

Link; Mauritshuis, den Haag

100 Jaar Schiphol: ‘klaar voor vertrek’, t/m 7 mei 2017 in het Amsterdam Museum, Amsterdam.

 

Posterbeeld

In het hartje van Amsterdam, binnen de muren van het 16e eeuwse burgerweeshuis is t/m 7 mei de tentoonstelling 100 jaar Schiphol: klaar voor vertrek te zien. Op 19 september was het precies honderd jaar geleden dat het eerste vliegtuig, een Farman f-22, op Schiphol landde. Niet op de huidige polderbaan, maar op een modderige strip in de polder!

Als cadeautje voor 100 jaar trouwe dienst ontving de luchthaven uit handen van koning Willem Alexander het predikaat ‘koninklijk’. Voortaan moeten we dus ‘u’ zeggen tegen de Koninklijke Schiphol Group.

In de expositie krijgt de bezoeker niet alleen een idee van de ‘buitenkant’ van dit enorme bedrijf, maar ook een kijkje achter de schermen. Waar blijft mijn koffer (hopelijk geen overgewicht) na de ‘luggage drop off’; wat doen de mannen van douane en marechaussee? Wat moet die hond aan het begin van de gate bij ‘arrivals’ ? Hoe krijgen de verkeersleiders het voor elkaar om die honderden starts en landingen per dag letterlijk en figuurlijk in goede banen te leiden ?

20160913_105634En evenmin onbelangrijk: hoe vindt de luchtreiziger zijn weg op de grond?  Dat lukt dankzij de heldere bewegwijzering, die in 1962 door Benno Wissing werd uitgedacht en in de jaren ’90 door een nieuw, soortgelijk ontwerp van Bureau Mijksenaar werd vervangen en inmiddels wereldwijd nagevolgd.

U vraagt zich wellicht af: wat moet zo’n eigentijdse expositie in het Amsterdam museum, maar Amsterdam en Schiphol hebben, behalve geluidsoverlast meer gemeen!

Even terug in de tijd. Zes jaar na de doorstart van militaire- naar burger-luchthaven, heeft de gemeente Amsterdam het beheer van Schiphol in 1926 op zich genomen. De roestige sleutels van het eerste ‘stationsgebouw’, een gammele keet, zijn in de expositie te zien.

sleutels_schiphol_lr_rene_gerritsen

Deed  burgemeester Ed van Tijn met de slogan ‘Amsterdam heeft het’ een vergeefse gooi naar het gastheerschap van de  Olympische Spelen van 1992, in 1926 vonden ze hier wèl plaats en dat betekende voor Schiphol een enorme impuls !

paul_huf_maiIn dat jaar verwerkte Schiphol 10.793 passagiers tegen 440 in het eerste jaar van haar bestaan. Vliegen was in die tijd een bijzondere ervaring en ook (g)een koud kunstje. In een van de vitrines ligt een warme voetenzak, voorloper van de deken die je tegenwoordig krijgt aangereikt!

Leuk om te bedenken, dat op deze locatie een door zeelieden gevreesd woest water lag. De Haarlemmermeer was een echte scheepshel; dit is althans een van de verklaringen voor het ontstaan van de naam Schiphol.

Ludolf Bakhuizen, Woelend water (Het Haarlemmermeer), 1655-1675, Amsterdam museum

Na de drooglegging van de Haarlemmermeer in 1852 ontstond een modderige polder; 4 meter onder zeeniveau. Hier ligt thans het kloppend hart van de Nederlandse internationale luchtvaart, met 319 lijndienst bestemmingen en nog eens 23 vrachtbestemmingen. Eindbestemming en hub voor zo’n 60 miljoen passagiers in 2016. Waar ca 500 bedrijven gevestigd zijn met een gezamenlijke werkvloer voor  65.000 werknemers!

In de tentoonstelling worden aan het vliegbedrijf gerelateerde grondberoepen de meeste aandacht besteedt. De cabine bemanning komt er met een kleine modeshow van historische uniformen, waaronder een safari-pakje van Air Kenya,  bekaaider af.

4

Van de piloten, zonder wie Schiphol niet zou bestaan, is afgezien van een grappige vluchtsimulator, geen spoor. Staande op een sweetspot, bewegend met je armen kunnen bezoekers wel zelf proberen een widebody aan de grond te zetten; hetgeen nog niet meevalt!

Het Amsterdamse ontwerpbureau NorthernLight heeft de historische wetenswaardigheden en groeispurten die tot de huidige omvang van Schiphol hebben geleid thematisch-chronologisch prachtig in beeld gebracht. We volgen de ontwikkeling van Schiphol van het prille begin in 1916, tijdens WO II nog een militair veldje, via het nieuwe Schiphol van de jaren ’60 naar Airport City in 1990, waar je kunt werken, wonen, winkelen en zelfs naar het (Rijks)museum kunt gaan. Aan de hand van foto’s, video-presentaties, objecten, hands-on media en spelletjes voor jong en oud op wordt Schiphol dicht bij de bezoeker gebracht.

luchthaven_am_s_ta_39828_1_0

Interessant is het zelfs in onze tijd nog megalomane (niet uitgevoerde) plan van Jan Dellaert. Deze Zeeuwse luchtvaartpionier en latere directeur van Schiphol, leverde in 1956 een ontwerp voor een ster van wel 10 landingsbanen, onder het mom van de in luchtvaarkringen nog steeds gebezigde term the sky is the limit. Dit plan is niet van de grond gekomen. Kritiek was niet van de lucht, maar met de aanleg van de polderbaan werd in 2003 wel een 5e baan gerealiseerd (die baan met een lange taxi-tijd). Dit gebeurde ondanks veel protestacties. Onder meer met de aanplant van bomen -het zogenaamde bulderbosje- werd getracht de plannen tegen te gaan, zoals te zien was in de interessante documentaire 100 jaar Schiphol, uitgezonden op 19 september jl. bij NPO 2.

1487295_435699903226708_1502131391_nNu loop ik echter op de zaken vooruit. In 1963 werd begonnen met de bouw van het Schiphol Centrum. Dit nieuws deed mijn ouders besluiten om op een zondagmiddag eens richting Schiphol te toeren.
In de tentoonstelling wordt de strijd tussen ambitie en praktijk belicht aan de hand van een sculptuur van een citroengele vlinder; het logo van de anti-Schipholbeweging, die in 1968 een krachtig protest, een tegengeluid zogezegd, tegen uitbreiding van Schiphol liet horen. Door verbeterde luchtvaarttechnieken en het laten vallen van de regel dat de ‘plas’ alleen met viermotorige vliegtuigen mocht worden overgestoken, is de geluidshinder weliswaar afgenomen, maar waar gevlogen wordt is geluidshinder, je ontkomt er niet aan. Of je nu dichtbij of verder weg van Schiphol bent.

De luchthaven werd overigens gesticht in een vrijwel onbebouwde polder, maar in omringende gemeenten is de woningbouw, tegen beter weten in, gewoon doorgegaan. In de documentaire 100 Jaar Schiphol komt nog een pionier aan het woord. De agrariër van de boerderij die al in 1902 door zijn overgrootvader werd bewoond. Een tijd zonder vliegtuigen, laat staan een internationale luchthaven in je achtertuin!  De verslaggever moet om de minuut stoppen wegens het oorverdovende lawaai van opstijgende en landende machines. Voor het agrarische bedrijf dat sindsdien van vader op zoon is overgegaan ziet hij nu geen toekomst meer…

Overigens had hij meer geluk dan de bevolking van het dorpje Rijk dat voor de aanleg van de Kaagbaan in 1960 tegen de wil van de bewoners, helemaal werd platgewalst ! Een ‘overlevende’ omschrijft de manier waarop Schiphol hier te werk ging als ‘niet elegant’…

Naast technische en logistieke zaken is in de presentatie ook ruimte voor beleving en tot de verbeelding sprekende zaken. In een klein hoekje is het diploma te vinden van speurhond Caesar, die zijn baasje, de heer Warnies ooit aan een grote vangst heroïne hielp.

Leon Warnies met speurhond Caesar
Leon Warnies met speurhond Caesar

Anders dan ik meende worden de speurhonden die je na aankomst uit Paramaribo besnuffelen, niet verslaafd gemaakt; ze gaan puur op hun reukzin af en moeten, evenals piloten, steeds een ‘proficiency-check’ doen!

20160913_110531_resized
Smokkelboxer met kolibri’s

Naast het diploma van Caesar staat een grote vitrine gevuld met smokkelwaar. Verstopt in (minder slimme) schoenen met plateauzolen, tot meer ingenieus: levende kolibri’s die in een boxershort warmpjes vanuit Suriname werden meegesmokkeld.

 

 

 

En deze geschiedenis houdt in het hier en nu niet op. Bezoekers van de tentoonstelling kunnen hun visie op het reizen in de toekomst kwijt op een instapkaart. Leuk is de video waarin kinderen hierover aan het woord komen. Een van de vele toekomstverwachtingen is ‘teletransportatie’ het fysiek reizen in de geest, dus wel verplaatsing naar een verre bestemming, maar zonder de ongemakken die aan reizen verbonden zijn. Geen jetlag en geen voortdurend huilende of tegen je vliegtuigstoel schoppende kindervoetjes achter je. Thea Beckmann beschreef  in 1973 reeds een machine –de materietransmitter- waarmee reizen in de tijd mogelijk werd voor Dolf, de hoofdrolspeler in het jeugdboek Kruistocht in Spijkerbroek. Voor de ‘fietsenmakers’ in Delft moet het uitvinden van een manier voor teletransportatie toch niet te moeilijk zijn; ze hebben daar immers de ‘teleportatie’ al uitgevonden!

Verder kijken en lezen:

Achtergrondinformatie over groeicijfers en toekomstverwachtingen zie: M. Duursma, Klem in de polder, NRC Weekend, 17 & 18 sept. 2016

Documentaire 100 jaar Schiphol, NPO 2, 19 september 2016

Online tentoonstelling www.100jaarschiphol.nl

www.amsterdammuseum.nl

 

 

 

 

 

 

 

Catharina de Grootste. Zelfgeslepen diamant van de Hermitage, t/m 15 januari 2017 in de Hermitage Amsterdam.

Bij het portret dat Vigilius Eriksen rond 1763 van Catharina maakte, rijst de vraag hoe zag zij zichzelf en hoe werd zij door anderen gezien)?

Eriksen_Catharina II
Vigilius Eriksen
Portret van Catharina II voor de spiegel, ca. 1763 © State Hermitage Museum, St Petersburg

Uit eigentijdse bronnen komt tsarina Catharina naar voren als een persoonlijkheid met vele gezichten. De samenstellers van de tentoonstelling omschrijven haar enigszins bombastisch als ‘zelfgeslepen diamant van de Hermitage’.                                                                                 Voltaire noemde haar ‘de sprankelendste ster van het Noorden’. Graaf de Ségur prijst haar intellect en beminnelijkheid, maar baron de Corberon (door)zag de Macchiavelliaanse trekken in haar karakter. Stanislaus August Poniatowski evenwel bezingt haar: ..’Ze had een verblindend blank gelaat met enorme blauwe ogen en donker haar… een mond die tot zoenen uitnodigde… fraaie armen en benen’ […] Geen wonder dat zij menig mannenhart sneller deed kloppen; de eer het bed te kunnen delen met de machtigste vrouw ter wereld droeg wellicht ook bij tot de opwinding ! De directeuren van de Hermitage, Cathelijne Boers en Michail Piotrovski projecteren twee hedendaagse hoedanigheden op Catharina’s persoonlijkheid: zij noemen haar respectievelijk een ‘netwerker pur sang’ en de ‘eerste feministe’.

Amsterdam revisited

Catharina de Grote was in ook 1996 te gast in Amsterdam. Tijdens een tentoonstelling in de Nieuwe Kerk was de focus gericht op tsarina Catharina, de kunsten èn verhalen over haar talloze minnaars. In de huidige tentoonstelling komen naast persoonlijke aspecten ook de economische en politieke ontwikkelingen die Rusland tot een Europese grootmacht maakten aan de orde. En de kunsten die door Catharina voor propaganda en persoonsverheerlijking werden ingezet. Met het door haar zelf bedachte grafschrift leverde zij een bijdrage aan de positieve beeldvorming rond haar persoonlijkheid:

‘Hier ligt Catharina de Tweede, geboren in Stettin op 21 april 1729. Ze kwam in 1744 naar Rusland om te trouwen met Peter III. […] ze had een drievoudig doel: haar man, Elisabeth en het volk behagen. Ze liet niets na om dit te bereiken. Gedurende achttien jaar van verveling en eenzaamheid las ze nolens volens vele boeken. Na bestijging van de Russische troon wenste ze goed te doen en probeerde ze haar onderdanen geluk, vrijheid en bezit te verschaffen. Ze vergaf makkelijk en koesterde jegens niemand haat. Ze was vergevingsgezind, makkelijk in de omgang, vrolijk van aard, met een republikeinse ziel en een goed hart, en ze had vrienden. Het werken viel haar makkelijk, ze hield van kunst en was graag onder de mensen.’

Scherts of werkelijkheid ?

Bij een rondgang door de expositiezalen van de Hermitage lijken deze woorden deels met de historische werkelijkheid overeen te stemmen.

Grooth_Aleksejevna
Georg Christoph Grooth, Portret van grootvorstin Catharina Aleksejevna, 1745–1746
© State Hermitage Museum, St Petersburg
Pfandzet_Peter III
Lukas Konrad Pfandzeit, Portret van tsaar Peter III, 1761, Museum Hermitage

 

 

 

 

 

 

 

 

Catharina de Grote, geboren als prinses Sophia Augusta Frederika von Anhalt-Zerbst, trad in 1745 inderdaad in het (gearrangeerde) huwelijk met haar achterneef Karl Peter Ulrich van Holstein-Gottorp, alias Pjotr Fjodorovitsj, de latere Tsaar Peter III.

Tsarina Elisabeth had hem, kleinzoon van haar vader Peter de Grote, voorbestemd als opvolger.

Om dynastieke redenen koos Elisabeth een onbeduidend Duits prinsesje als zijn bruid. Bij de eerste kennismaking, de toekomstige bruid en bruidegom waren respectievelijk 15 en 16 jaar oud, ontdekte Catharina hoe kinderlijk hij was en totaal niet geïnteresseerd in de taak die hem wachtte. Hij vertrouwde haar toe met haar te willen trouwen omdat zijn tante dat wilde, maar dat hij eigenlijk verliefd was op een hofdame. Het huwelijksfeest werd uitbundig gevierd, maar de glans ervan verbleekte al snel.

Hoewel de verbintenis ongelukkig was en zonder intimiteit, beviel Catharina in 1754 toch van een zoon, Pavel, de latere Tsaar Paul I.

Pavel Petrovitsj
Kunstenaar onbekend, Portret van grootvorst Pavel Petrovitsj, ca 1760, © State Hermitage Museum, St Petersburg
Prenner_Elisabeth Petrovna
Georg Caspar Prenner
Portret van tsarina Elisabeth Petrovna, ca. 1754
© State Hermitage Museum, St Petersburg

 

 

 

 

 

 

 

 

In de wandelgangen werd gefluisterd dat Catharina’s (eerste) minnaar Sergej Saltykov de vader was. Tsarina Elizabeth nam haar het kind direct af om het zelf op te voeden.  De eenzame ontmoederde, maar geenszins ontmoedigde Catharina doodde de saaie tijd aan het hof met lezen, studeren en paard rijden.

Regeren is vooruitzien, maar de loop der geschiedenis volgde niet het door tsarina Elisabeth uitgestippelde parcours. Niet de daartoe voorbestemde Pjotr, maar het Duitse prinsesje, dat minder kneedbaar bleek dan verwacht, zou gedurende 34 jaar regeren over het Russische keizerrijk. Op 28 juni 1762 werd haar incompetente echtgenoot tsaar Peter III gevangen genomen, waarna zij tot soeverein heerser werd uitgeroepen. Drie weken later werd Peter III door een groep officieren onder leiding van Aleksej Orlov -de broer van Catharina’s minnaar Grigori-  vermoord.

Gedurende de eerste decennia aan het Russische hof had Catharina, als een spin in haar web, de binnen- en buitenlandse politiek van Tsarina Elisabeth nauwlettend gevolgd. Zij wist zich door opportunistisch gedrag en sprezzatura, de vaardigheid om je met het grootst gemak te bewegen in de hoogste kringen, geliefd te maken aan het hof. Tot ergernis van tsarina Elisabeth, die haar allerlei beperkingen oplegde. Catharina incasseerde dit alles geduldig. Toen zij eenmaal aan de macht was kon zij zich omringen met toegewijde en bekwame personen.

 Tijdens Catharina’s regime kende het land een periode van politieke stabiliteit. In alles nam Catharina haar voorganger  Peter de Grote tot voorbeeld. Evenals hij wist ook zij de grenzen van het rijk te verleggen en te consolideren. Postuum bood zij hem in 1782 een geschenk aan, het ruiterstandbeeld door Falconet, met op het sokkel de volgende woorden: Voor Peter I van Catharina II. Hier te zien op een ets van Benjamin Patersen.

Benjamin Patersen, Het ruiterstandbeeld van Peter de Grote op het senaatsplein, 1806 © State Hermitage Museum, St Petersburg
Benjamin Patersen, Het ruiterstandbeeld van Peter de Grote op het senaatsplein, 1806
© State Hermitage Museum, St Petersburg

Ze veroverde Polen en plaatste een ex-favoriet Stanislaus Poniatowski in 1764 op de troon. Tijdens de Russisch-Turkse oorlogen 1768-74 en 1787-92 werd nota bene met hulp van de Hollandse admiraal Jan Hendrik van Kinsbergen de Krim veroverd, waarmee Rusland een strategisch steunpunt verkreeg aan de Zwarte Zee.

Schotel_Kaart zwarte zee
Schotel met een kaart van de Zwarte Zee, Moskou, 1774.

Stel je voor dat de huidige commandant der Nederlandse Zeestrijdkrachten, Rob Verkerk, voor hulp aan de regeringsleider van Rusland richting de Krim zou opstomen!

 

 

Poetin_Paard
Tsaar Poetin

Het bezit van de Krim zou tot in onze tijd voor conflicten zorgen. De huidige Russische president, die blijkbaar graag als Poetin de Grote de geschiedenis hoopt in te gaan, claimt de door hem inmiddels op 18 maart 2014 geannexeerde Krim als eeuwenlang Russisch bezit.

Na diverse krachtmetingen met Zweden kregen de Russen in Catharina’s tijd eveneens toegang tot de Oostzee.

Behalve buitenlandse expansie voerde Catharina, gevoed door verlichtingsideeën van Montesqieu en Voltaire binnenslands velerlei hervormingen door op het gebied van handel, landbouw, industrie, gezondheidszorg, rechtspraak, onderwijs. Zelfs de kerkmuziek werd gemoderniseerd. Gebaseerd op Montesqieu’s  De l’esprit des lois stelde zij een leidraad voor staatslieden op, de zogenoemde ‘Nakaz’.
Ingegeven door de Franse verlichtingsidealen besloot zij de lijfeigenschap af te schaffen. Deze maatregel  bleek echter te voortvarend. De adel protesteerde en noodgedwongen draaide Catharina dit besluit terug. Dat veroorzaakte weer protest bij de lijfeigenen, die tijdens de zogenoemde Pugatsjov opstand van 1773-74 van zich lieten horen. Om pragmatische redenen had Catharina de vrijheidsidealen gereduceerd tot een salon versie. Haar politieke beleid volgde een conservatieve koers.

Osipov_Dasjkova
Aleksej Agapijevitsj Osipov, Portret van vorstin Ekatarina Romanovna Dasjkova in ballingschap. Hermitage St. Petersburg

Maar bevordering van kunsten en wetenschappen bleven op haar program. Zij stichtte de Russische Academie, met aan het hoofd haar vriendin Ekaterina Romanovna Dasjkova (1745-1810). Bij de staatsgreep van 1762 had Dasjkova een cruciale rol gespeeld; in haar vond Catharina een geestverwant. In 1794 werd zij echter op verdenking van republikeinse idealen door Catharina ontslagen en tot ballingschap veroordeeld.

Op zoek naar het  waarheidsgehalte van Catharina’s grafschrift zouden we haar in dit geval op een leugentje kunnen betrappen. Beweert zij niet een republikeinse ziel te hebben ?

Onder Catharina de Grote groeide Rusland uit tot een groot en machtig rijk. Deze grootsheid wordt weerspiegeld in een éclatant hofleven. De pracht en praal wordt in de tentoonstelling geïllustreerd met afbeeldingen van fraaie gebouwen, paleisvertrekken gestoffeerd met kunstig gemaakte meubels, beelden, schilderijen, objects of virtue en prachtige serviezen. De aan de serviezen verbonden smakelijke anekdotes, opgedist bij de Catharina tentoonstelling van 1996, ontbreken in de huidige expositie. Conservator Vincent Boelen zei daar bij Opium op Radio 4 over dat men bij deze tentoonstelling is uitgegaan van wetenswaardigheden die er echt toe doen: politiek, economie,  kunsten en wetenschappen. Het regiment van Catharina’s (tenminste twaalf) amants blijft historisch overeind, maar zij zijn nu op een enkeling na in de coulissen teruggetreden.

Sevres-Porselein
Drie stukken uit een servies versierd met camee-en. Sevres porseleinfabriek, Parijs 1777-1779.

Eén smeuïg detail wil ik u niet onthouden. In de vorige Catharina tentoonstelling werd bij het kostbare Cameeën- Servies van Sèvres, verteld dat het een afscheidsgeschenk (lees: ‘oprotpremie’) was voor Grigori Potjomkin.

Naast staatszaken hield Catharina zich bezig met het verzamelen van kunst. In 1764 werd met de aankoop van de schilderijencollectie van de Berlijnse koopman Gotzkowsky de basis gelegd voor de Hermitage. In de tentoonstelling zijn werken van o.a. Guido Reni, Van Dijck, Teniers de Jongere, Anton Mengs en Angelika Kaufmann te zien, alsook beeldhouwwerk, gesneden stenen en cameeën.

St. Petersburg, de stad die Tsaar Peter naar Amsterdams voorbeeld doortrokken met grachten, op een moeras liet aanleggen, werd door Italiaanse en Franse barok architecten bebouwd. In Catharina’s tijd kwamen daar strakke, classicistische gebouwen bij, ontworpen door o.a. Francesco Bartolomeo Rastrelli. Hij was ook verantwoordelijk voor de bouw van het Winterpaleis aan de Neva, dat in de loop der tijd uitgroeide tot een conglomeraat van paleizen, schuilgaand achter een honderden meters lange paleisfacade.

Paterssen_Paleiskade en Winterpaleis
Benjamin Paterssen,Gezicht op de Paleiskade en het Winterpaleis vanaf de Strelka van het Vasiljevski eiland St. Petersburg, 1799

Ga in de tentoonstelling zelf op zoek naar het waarheidsgehalte van hetgeen in Catharina’s grafschrift wordt beweerd. Middels historische feiten, dagboeknotities en ooggetuigenverslagen; prenten, sculpturen en schilderijen hebben de tentoonstellingsmakers de vele facetten van Catharina de Grote en haar regeringsperiode in beeld gebracht. En dat is goed gelukt !

Tot besluit geef ik Catharina het laatste woord:

‘Als het lot mij een man zou hebben gegeven van wie ik had kunnen houden, zou ik hem nimmer ontrouw zijn geworden’…

Ter rechtvaardiging van haar losbandige seksleven, het knaagde wellicht toch, verontschuldigde ze zich op haar oude dag met de woorden:

…’Ik zal alleenheerser zijn, dat is mijn taak. De goede God zal mij vergeven, dat is zijn taak’…

Borovikovski_Wandeling in het park
Vladimir Borovikovski Een wandeling in het park van Tarskoje Selo (met de Cesme zuil in de achtergrond), 1794. Tretjakov Galerij, Moskou. [Bridgeman Images]
 

Dit was een voorproefje van mijn lezing over Catharina de Grote op 29 september en 7 oktober in de Oosterkerk in Zeist. Komt u luisteren dan zal ik u veel meer vertellen over het leven van Catharina de Grote. U vindt hier het contactformulier .

Museum Hermitage, Amsterdam

Japanse Prenten in het Rijksmuseum, Japan Modern, Collectie Elise Wessels, nog t/m 11 september 2016.

 

Denkend aan Japanse prenten zie ik een golf die eigentijdse surfers wellicht in extase zou brengen, maar anderen veeleer angst zou inboezemen: de Grote golf door Hokusai……

Katsushika Hokusai_The Great Wave off Kanagawa
Katsushika Hokusai (1760-1849), De grote golf van Kanagawa,1830-1833, Kleuren houtsnede.

Overweldigend die aanrollende natuurkracht en in het golfdal, een boot met nietige roeiers, die vast doodsangsten uitstaan. Aan de horizon in westers perspectief, het rustgevende baken van de Japanners, de berg Fuji.

De prent van Hokusai uit 1832 is in de tentoonstelling van de collectie van Elise Wessels niet te zien. De prenten die er wel zijn dateren van na 1900 en zijn gemaakt door vertegenwoordigers van twee moderne stromingen in de Japanse prentkunst; de zogeheten Shin hanga en de Sosaku hanga. Begin twintigste eeuw gaven zij op verschillende wijze invulling aan de traditionele houtsnede techniek. De Shin hanga brachten hun visie op de moderne tijd op meer traditionele wijze in beeld met geïdealiseerde vrouwenportretten en sfeervolle landschappen, zoals Kawase Hasui’s De Yuhi Waterval en Winter in Arashi uit 1920.

Kawase Hasui (1883-1957)_waterval
DE YŪHI WATERVAL, SHIOBARA, Kawase Hasui (1883-1957), 1920, P0810. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga
Kawase Hasui (1883-1957)_Winter in Arashi
WINTER IN ARASHI, Kawase Hasui (1883-1957), 1921, P0801. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Sosaku hanga zou je de avant-gardisten van de Japanse prentkunst kunnen noemen. Evenals hun kunstbroeders in het westen vonden zij inspiratie in het moderne stadsleven, de scheepvaart en industrie.

Een tentoonstelling om blij van te worden. Prachtige klassieke Japanse thema’s met soms ook een toetsje moderniteit bij de Shin Hanga enerzijds en impressies van het moderne leven bij de Sosaku Hanga anderzijds.

Als je goed kijkt herken je ook artistieke westerse invloeden in de getoonde prenten; of is er sprake is van synchroniciteit ? Op deze vraag kom ik nog terug.

Elise Wessels begon zo’n 30 jaar geleden quasi toevallig na een eerste aankoop bij de winkel van Watanaba met verzamelen van Japanse prenten. Uitgegroeid tot een enorme collectie is deze verzameling op afspraak te zien in haar privémuseum Nihon No Hanga [Japanse prenten].

De prenten in de tentoonstelling illustreren de Japanse geschiedenis van de eerste decennia van de twintigste eeuw. Wat daaraan voorafging wordt in de catalogus kort vermeld. Zoals de geschiedenis van de Hollanders, die vanaf de vroege 17e eeuw voor de VOC gestationeerd waren op het eilandje Deshima. Zij hadden het monopolie op de handel met Japan. Dat aan de isolatiepolitiek van de Japanse overheid in 1854 na het vlootvertoon van de Amerikaanse commodore Perry een einde kwam, wordt bekend verondersteld. Na deze gedwongen openstelling van Japanse havens voor buitenlandse handel, raakt het land snel overstroomd met westerse producten, bouwtechnieken en invloeden op artistiek gebied. Met de handelscontacten liften ook buitenlandse invloeden op het modieus en kunstzinnig gebied mee. Japanse vrouwen kregen in 1924 een damesblad naar westerse snit. Een complete jaargang is in het Rijksmuseum te zien; de covers gesierd met moderne Japanse prenten in een Franse lay-out.

Behalve prenten worden enkele lakwerkdozen en kimono’s getoond, waaronder een betoverend kinderkimonootje uit 1939. Versierd met applicaties van speelgoed, feesthoedjes, taarten, ballen, maar ook vliegtuigjes, een kanon en een geweer. Met dit zware geschut onder de vlag met de rijzende zon krijgt dit onschuldig ogende kledingstuk een documentaire waarde als spiegel van de ontluikende militaristische tijdgeest.

Tijdens het bekijken van de expositie vraag ik mij af: wat is dat toch met Japanse prenten ? Je wordt meteen gegrepen door de beelden van deze exotische, verre wereld. Hierdoor raakten ook veel Europese kunstenaars aan het eind van de 19e eeuw in de ban van de Japanse prentkunst; gewaardeerd om de pittoreske sfeer en de kernachtig trefzekere lijnvoering. Vincent van Gogh verzamelde Japanse prenten die hij gebruikte als inspiratiebron. Overbekend is zijn bijna-kopie van de Bloeiende Pruimenboomgaard uit 1887 naar de gelijknamige prent van Utagawa Hiroshige uit 1857.  In de Wessels collectie zag ik een prent, Maekawa in Soshu in de regen uit 1932 met treffende gelijkenis in de weergave van een regenbui in Vincents Ommuurd veld in de regen uit 1889. (zie mijn bespreking Vincent de waanzin nabij ). Regen die als pijpenstelen neerkomt in Hiroshige’s prent Onverwachte regenbui op de Grote brug uit 1857 inspireerde Vincent tot zijn Brug in de regen.

Utagawa Hiroshige_onverwachte regenbui
Utagawa Hiroshige (1797-1858), Onverwachte regenbui op de Grote brug in Atake, 1857
Vincent van Gogh_Brug in de regen
Vincent van Gogh (1853-1890), Brug in de regen, 1887, Van Gogh Museum, Amsterdam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anders dan in westerse kunst wordt neerslag in Japanse prenten veelvuldig verbeeld. Regen, zoals in bovengenoemde prent en ook in de impressie van het verlaten Nieuwe Obashi-brug van Kawase Hasui uit 1926.

Komura Settai_Sneeuw in de ochtend
Komura Settai, Sneeuw in de ochtend (1941), Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Neerslag in de vorm van dwarrelende sneeuwvlokjes, sneeuwstormen en pas gevallen sneeuw in verstilde impressies. Sneeuw waarvan je ‘s morgens bij het ontwaken, zonder dat je het nog hebt gezien, al weet dat het gevallen is. Sneeuw waar je als kind blij van werd ! Sneeuw op een sparrentak in traditonele prenten, sneeuw in een prent uit 1916, Meeuw en boten in de sneeuw; sneeuw op een huis in Komura Settai’s Sneeuw in de ochtend uit 1941 of de zorgvuldig gestippelde sneeuwvlokken op de wachtende courtisane in Ito Shinsui’s, Sneeuw in de nacht uit 1923

 

Heel verrassend vond ik in de eerste zaal de ontdekking van herkenbare westerse invloeden. Onmiskenbaar is de invloed van Paul Gauguin in de Kop van een Bretonse vrouw door Yamamoto Kanae . Het bijschrift zwijgt erover, maar de catalogus meldt dat hij in 1913 werkzaam was in Bretagne !

De prenten van Tanaka Kyuokichi vallen in de Japanse context helemaal uit de toon met hun symbolistische lijnvoering, zoals in Melancholie uit 1915. Zou hij werk uit Jan Toorops symbolistische periode gezien hebben in westerse publicaties die in Japan gelezen werden ?

Kawanishi Hide_Circus
CIRCUS, Kawanishi Hide (1894-1965). Kleurenhoutsnede op papier, 1925, P0366. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

De zwart-witte figuren in een houtsnede uit de serie van Kawannischi Hide, Badhuis uit 1925 kwamen deden mij denken aan Kirchner. Gaandeweg zag ik steeds meer westerse invloeden, zoals in een vrolijk Raoul Dufy-achtig strandgezicht Augustus-Baden in de zee bij het strand van Tenjin uit 1931 door dezelfde maker. Leuk ook diens acrobate uit 1930, die weer soortgelijke types van Kees van Dongen in herinnering riep.  Acrobaten, circus en kermisklanten waren ook favoriet bij Picasso tijdgenoten.

 

Nocturne: Blue and Gold - Old Battersea Bridge_ Whistler
Nocturne: Blue and Gold – Old Battersea Bridge c.1872-5 James Abbott McNeill Whistler 1834-1903

Treffend tenslotte ook de gelijkenis met Whistler in Nachtelijk zicht vanaf de Yanagibashi-brug, uit 1929 door Fukazawa Sakuichi. Whistler’s belangstelling voor Japanse prenten is bekend, maar je vraagt je toch af: wie beïnvloedde wie ?Toen ik het nakeek bleek dat Whitstler’s, Nocturne Blue & Gold; Old Battersea Bridge dateert van ca. 1875 !

 

 

 

De ontwikkeling van de Japanse prentkunst werd beïnvloed door de verwoestende aardbeving van 1923. Heel Tokyo lag in puin. De traditionele uitgeverijen van Shin Hanga prenten, zoals Watanaba, waren hun productiemiddelen kwijt. Korte tijd later kwam aan deze stroming een einde. De zelfstandige, kleinschalig opererende creatieve prentmakers van de Sosuku Hanga daarentegen konden met hun eenvoudige materiaal doorwerken.

De ingestorte houten gebouwen werden in hoog tempo vervangen door hoogbouw in moderne materialen als steen, staal en glas. De wederopbouw en industriële vernieuwingen werden geliefde thema’s in de prentkunst. Daarnaast ontstond een moderne versie van de traditionele ukiyo-e prenten, de zogenoemde ‘vlietende wereld’, met afbeeldingen van acteurs en courtisanes, hoofdrolspelers van het uitgaansleven.

Yamura Koka, DANSEN IN HET NEW CARLTON HOTEL IN SHANGHAI
Dansen in het New Carlton hotel in Shangai, Yamamura Kōka (1885-1942). Kleurenhoutsnede op papier 1924, P0151. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Nieuw in dit genre zijn prenten van dansende vrouwen, zoals Yamamura Koka’s Dansen in het New Carlton Hotel in Sjanghai, uit 1924 en een impressie van een stel in een café, zoals Nakagawa Isaku’s Café uit 1933, waarin een behaagzieke dame met Van Dongen-achtige oogopslag en heel humoristisch een ventilator met de frisse luchtstroom als serpentines …De metamorfose van Japan in de jaren na 1900 wordt   weerspiegeld in huidige tentoonstelling. Het land was van een gesloten traditionele natie, met –in westerse ogen- sprookjesachtige landschappen bevolkt door exotische figuren veranderd in een moderne maatschappij. De creatievelingen van de Sosuku Hanga stroming brachten het nieuwe Japan in beeld, zoals in Koizumi Kishio’ De Internationale Luchthaven van Haneda, 1937 waarin thuisblijvers de luchtreizigers uitzwaaien.

Koizumi Kishio (1893-1945)_DE INTERNATIONALE LUCHTHAVEN HANEDA
DE INTERNATIONALE LUCHTHAVEN HANEDA, Koizumi Kishio (1893-1945) Kleurenhoutsnede op papier 1937. P0058-087. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Behalve variaties op de meer traditionele vrouwenportretten verschijnen in dit genre ook nieuwe thema’s. Zoals het prachtige Haren door Ito Shinsui, uit 1953.Vergelijk ook Hashiguchi Goyo’s Haren kammende vrouw, 1920 met Torii Kotondo’s invulling van dit thema uit 1930. Illustratief voor de nieuwe tijd zijn afbeeldingen van moderne in bob-lijn gekapte vrouwen, de zogeheten moga’s, de modern girls, die hun kimono hadden verruild voor een korte rok. Zij figureren in prenten van de sport-, film- en reclame wereld.Vergelijk Kobayakawa Kiyoshi, Tipsy, 1930 met Ishii Hakutei, Yanagibaschi uit 1910, met een eveneens sigaretten rokend kimono-vrouwtje.

De moderne tijd wordt als gezegd ook zichtbaar op de dansvloer in twee prenten door Kobayakawa Kioshi. De één toont een danseres in traditionele kimono; de andere een eigentijdse westers geklede danseres met rode schoenen waar, heel geestig, het kleine teentje net uit piept !

 

Kobayakawa Kiyoshi (1899-1948)_Danseres
DANSERES, Kobayakawa Kiyoshi (1899-1948). Kleurenhoutsnede op papier, 1932, P0140. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

Typisch westers is ook het verschijnen van naakt in de prentkunst. Bloot komt weliswaar ook in de traditionele ukyio-e prenten voor, maar dat was functioneel naakt. Een vrouw in het badhuis, een parelduikster of in de semi-illegale erotische prenten, de zogenoemde ‘Shunga’ voor verkoop onder de toonbank.

In de 20e eeuw wordt ook naakt om het naakt in beeld gebracht. Dat was nieuw in Japan èn even wennen !

De serie blote dames, Tien soorten vrouwelijk naakt door Ishikawa Torajiwerd in 1935 door de politie nog in beslag genomen. De naakte waarheid werd kennelijk te ledig en onzedig gevonden; we zien een naakte vrouw spelend met een Pekinees; een andere zit lui plaatjes te kijken.

Bijzonder is de prent met een naakte vrouw die op haar rug een monumentale tatoeage laat aanbrengen: Tatoeage door Komura Settai, 1935. Het literaire citaat ontleend aan Kunieda Kanji bezingt de overeenkomst tussen het strelen van een pruimenbloesemblad en een vrouwenborst.

Het zien van deze prent bracht mij de roman van Tan Twan Eng, De tuin van de avondnevel, in herinnering.

Prachtig van compositie en sfeer is Komura’s prent Riksha, uit 1955. Ogenschijnlijk een impressie van een verliefd stel tijdens een plezierritje, maar in werkelijkheid verbeeldt de prent de laatste reis van Takahashi Oden, een ter dood veroordeelde vrouw op weg naar het schavot … Illustratie in Kunieda Kanji’s roman Oden jigaku, (Odens hel).

Onchi Kōshirō (1891-1955)_Duiken
DUIKEN, Onchi Kōshirō (1891-1955). Kleurenhoutsnede op papier, 1932, P0560. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Heel interessant is Onchi Koshiro’s prent Duiken uit 1932, een momentopname. Van een duikende vrouw zien we slechts de romp en nog net het uiterste randje van de duikplank. Het meest typerende kenmerk van de Japanse prent, de afsnijding die kunstenaars als Van Gogh en Gauguin zo aansprak, is hier tot het uiterste doorgevoerd. Onchi maakte de prent speciaal voor een tentoonstelling in het LA. Museum of History, Science and Art, ter gelegenheid van de zomerspelen van 1932 en zou niet misstaan in de tentoonstelling Wild van Water, nog t/m 6 november in het Zuiderzeemuseum (in juni besproken op dit blog).

Komura Settai_Sneeuw in de ochtend
Komura Settai, Sneeuw in de ochtend (1941), Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het beeldmiddel van de afsnijding zien we tenslotte ook in de ogenschijnlijk eigentijdse (maar uit de vroege jaren ‘40 daterende) prenten van een Frank Lloyd Wright-achtige Japans huis, Sneeuw in de ochtend en Wilg, beide door Komura Settai. In de laatste zien we door de opengeschoven deuren, bijna mysterieus, een paar instrumenten.

Uehara Konen (1878-1940)_Dotonbori
DOTONBORI, Uehara Konen (1878-1940). Kleurenhoutsnede op papier, 1928, P0762. Collectie Elise Wessels – Nihon no hang

Uehara Konen maakt in 1928 eveneens gebruik van de afsnijding; door een sluier van takken laat hij een verlicht gebouw in de wijk Dotonbori in Osaka doorschemeren.

Tenslotte nog iets over de houtsnede techniek. Deze werd in de 8e eeuw al toegepast voor de verspreiding van boeddhistische teksten. Later gebruikt voor het vervaardigen van zwart-wit geïllustreerde boeken en nog later voor de autonome prentkunst. Rond 1700 verschijnt een toetsje oranje in de zwart-wit prenten; halverwege de 18e eeuw ontstaat de eerste kleurendruk. Het drukken van een kleurenprent, waarvoor een kunstenaar het ontwerp leverde, is het werk van ambachtslieden. Het ontwerp wordt door een kopiist in zwarte contourlijnen overgezet op transparant papier dat vervolgens op een houtblok wordt gelegd. De houtsnijder snijdt het ontwerp door het papier in hoogreliëf uit in het blok. In dit zogenoemde sleutelblok blijft alleen de voorstelling staan. Met zwarte inkt wordt dit basisontwerp afgedrukt op papier, waarin vervolgens de kleuren worden aangegeven. Voor elke kleur wordt heel minutieus een apart kleurblok in hoogreliëf gesneden. Uiteindelijk moeten al die kleurvlakjes als een puzzel precies binnen de eerder afgedrukte zwarte lijnen passen !

Een uitgever als Wataba coördineerde en financierde dit alles voor de Shin Hanga kunstenaars; de individuele Sosaku Hanga hadden het hele productieproces in eigen hand. Door de aardbeving van 1923 zijn de grote uitgeverijen verwoest, waarna aan de stroming van de Shin Hanga na enige tijd een einde komt.

Voor achtergrondinformatie kan ik de prachtige gebonden catalogus aanbevelen:  Marije Jansen, Japan Modern: Japanse prenten uit de collectie Elise Wessels, Rijksmuseum, Amsterdam, 2016.

Museum Nihon No Hanga Museum, Keizersgracht, Amsterdam

Rijksmuseum Amsterdam

Sieboldhuis, Leiden

 

 

 

 

 

De Waanzin Nabij. Van Gogh en zijn ziekte. Van Gogh Museum Amsterdam, t/m 25 september 2016

 Het genieten van de schilderijen van Van Gogh is net als andere genoegens van het leven. Zoals lekker eten of het drinken van goede wijn. Je krijgt er nooit genoeg van; steeds op zoek naar andere aspecten van deze genietingen.

Dat doen de conservatoren van het van het Van Gogh Museum ook, ze belichten steeds weer andere aspecten van Van Gogh’s werk. In 2013 organiseerden zij de expositie Van Gogh aan het werk. Nu presenteren zij een expositie rond de aard van zijn ziekte. In de tentoonstelling De Waanzin Nabij; Van Gogh en zijn ziekte, neemt het incident met het oor een belangrijke plaats in.

Van Gogh_zelfportret_verbonden oor_1889
Van Gogh, zelfportret met verbonden oor, 1889, the Courtauld Gallery, the Samuel Courtauld Trust, London

 Waarom ‘Ophouden over dat oor’ ?

Boven een ingezonden brief in de NRC las ik onlangs: ‘Houd toch op over dat oor’. Hoe goed bedoeld ook, waarschijnlijk een reactie van iemand zonder historisch besef. Natúúrlijk houden we daar niet over op! Het is zelfs aanleiding voor een nieuwe tentoonstelling.

Een Ierse onderzoeker, Bernadette Murphy, vond een brief van Félix Rey, de arts bij wie Vincent in 1888 onder behandeling was. Deze schrijft dat Vincent danig in de war bleek, nadat hij zich verwond had aan zijn linkeroor.

Jarenlang was het onduidelijk: had hij slechts een stukje of het gehele oor afgesneden ? Deze brief, te zien in de tentoonstelling, neemt alle twijfel weg: Félix Rey schetst heel precies hoe Vincent zich verwondde.

Brief van Felix Rey
Brief van Felix Rey aan Irving Stone met tekeningen van de verminking van het oor van Vincent van Gogh. 18 Aug 1930, The Bancroft library, University of California, Berkeley

Hij sneed zijn gehele oor af. Verpakt in een oude krant leverde hij het vervolgens af bij een bordeel: ter attentie van een zekere Rachel. Hij sprak: …’ jij zult je mij herinneren’, gevolgd door de bijbels klinkende zinsnede: …’waarlijk dat zeg ik je’. De dame die het pakje opende viel terstond flauw. Murphy wist de familie van deze Rachel zelfs te achterhalen.

Hoe gestoord moet je zijn voor een dergelijke daad?

In de tentoonstelling worden mogelijke ziektebeelden op een rij gezet. Tijdens het interdiciplinaire symposium dat het Van Goghmuseum op 14 september gaat houden zullen onderzoekers meer licht werpen op de aard van Van Goghs psychische stoornis. Zijn ziekte was -dat stellen de auteurs van de begeleidende catalogus duidelijk- nìet de bron van zijn schilderijen, maar zijn meesterwerken ontstonden ondanks zijn aandoening. Wat nog meer bewonderenswaardig is. Al suggereren de woorden van de kunstcriticus Albert Aurier in 1890, het tegendeel: …’Van Goghs kunst … blonk uit door overdaad, in kracht en gespannenheid en door geweld in de expressie. Hij was een opgewonden mens, een kokend brein dat zijn lava uitstort over alle ravijnen van de kunst…. Een geweldig en radeloos genie’…

Twaalf ambachten en 13 ongelukken

In de catalogus doen de conservatoren van het Van Gogh Museum Vincents weg naar de waanzin uitvoerig uit de doeken. Terugblikkend op zijn jonge jaren komt uit correspondentie van en met zijn familieleden reeds een moeilijke jongen naar voren, een enfant terrible. Een mens van goede wil, dat wel, die voortdurend met de nodige teleurstellingen tegen de grenzen van zijn eigen kunnen aanloopt. Als je de brieven goed leest zijn er signalen te over die vooruitwijzen naar de zenuwinzinkingen en vlagen van verstandsverbijstering, die hem rond zijn vijfendertigste levensjaar troffen. Als jong volwassene was hij al melancholisch en nerveus van aard en bij spanningen had hij last van een zenuwtrek. Toen hij 27 was overwogen zijn ouders al om hem in een inrichting op te laten nemen. Hoewel een eensluidende diagnose over de aard van zijn psychische stoornis (nog) niet kan worden gegeven is duidelijk dat zijn mentale instabiliteit niet zomaar uit de lucht is komen vallen.

Verschillende artsen opperden destijds epilepsie. Manische depressiviteit (bipolaire stoornis) verergerd door overmatig alcoholgebruik lijkt mij een waarschijnlijke diagnose. Wellicht leed hij aan syfilis, een aandoening die uiteindelijk tot krankzinnigheid leidt. Destijds epidemisch onder kunstenaars. Manet en zijn broers hadden het en ook Theo Van Gogh overleed, slechts een half jaar na Vincents dood, aan de gevolgen van syfilis. Ook hij had ernstige psychiatrische problemen en leed aan paranoia. Wellicht was zijn ziekte genetisch bepaald, maar zeker is dat Theo aan deze geslachtsziekte leed. In Auvers-sur-Oise vond hij, naast Vincent, zijn laatste rustplaats. In de NRC van 29 juli j.l.las ik dat het bestuur van het kerkhof, bezig is met fundraising om de schade veroorzaakt door toeristen, te herstellen.

Tijdens de tentoonstelling Lichte Zeden, dit voorjaar in het Van Gogh Museum (klik op voorbije tentoonstellingen) kon de bezoeker vernemen dat Van Gogh om, naar eigen zeggen, in balans te blijven, tweewekelijks 3 francs reserveerde voor bordeelbezoek. Het was in die dagen vrijwel onmogelijk om daar fysiek gezond bij te blijven. Uit bronnen blijkt –hij schrijft er over aan Theo- dat hij last had van ‘een druiper’ en op medisch voorschrift aluin-baden moest nemen.

Doodgewone kunstenaarsverdwazing

Terug naar zijn mentale instabiliteit. Ontroerend zijn Van Goghs talrijke briefnotities over de aanvallen van verstandsverbijstering. Eerst is er de ontkenning: hij deed aanvankelijk of hij ‘niets gehad had’ . In 1888 schrijft hij aan Theo dat er sprake was van een ‘doodgewone kunstenaarsverdwazing’. Sinds de Renaissance is veel geschreven over de melancholie van kunstenaars, geboren onder het gesternte van Saturnus. Scheppende geniën als Michelangelo leden aan melancholie; vervelend, maar het stelde hen wel tot goddelijke creaties in staat. Nog altijd zeer lezenswaard is Wittkowers publicatie uit 1963: Born under Saturn.

Wanneer de aanvallen van verstandsverbijstering in hoge frequentie terugkeren kan Van Gogh zich niet langer aan de werkelijkheid onttrekken. Vincent zelf: …’lichamelijk maak ik het goed. De wond [van het afgesneden oor] heelt erg goed en het grote bloedverlies herstelt zich weer.. het ergste is de slapeloosheid …’ Tegen slapeloosheid stopt hij kampher in zijn kussen, een tip ontleend aan het zelfhulpboek voor medicatie, De la Santé, door Francois Vincent Raspail. Deze remedie zou voor menigeen reden zijn direct uit bed te stappen en alsjeblieft nooit meer te hoeven slapen !

Van Gogh_stilleven_uien_1889
Vincent van Gogh, Stilleven rond een bord met uien en met boek De la Sante door Raspail, januari 1889, Coll. Kröller-Müller Museum, Otterlo

Deerniswekkend is ook de uitlating: …’ Vroeger wist ik wel dat je armen en benen kon breken…. Maar ik wist niet dat je geestelijk gebroken kon worden’

Aanvankelijk probeerde hij zijn ziekte de baas te worden. Het was net of er iemand in hem schuilde die hij niet kende en ook niet wilde kennen. Wanneer de aanvallen van waanzin de overhand krijgen beschouwt hij zijn leven als mislukt. Naar eigen zeggen was hij ‘aan de wortel aangetast’. Hij overleed na een poging tot zelfmoord middels een pistoolschot. Zou het toeval zijn dat zijn allerlaatste schilderij in close-up geschilderde boomwortels tot onderwerp heeft ?

Vincent van Gogh, boomwortels,1890
Vincent van Gogh (1853-1890), Boomwortels, 1890, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).

Het vermoedelijke corpus delicti is in de expositie te zien. Een verroest pistool, dat in de jaren zestig werd gevonden in een veld nabij Auvers-sur-Oise. Een gaaf exemplaar van hetzelfde type ligt erbij; het lijkt wel een klappertjespistool. Vreemde gedachte dat Vincent zich met dit wapen van het leven beroofde. Volgens het bijschrift is onbekend hoe Vincent aan het wapen kwam. Ik meen mij te herinneren dat een hoogbejaarde telg uit de familie Ravoux -destijds eigenaar van het café waar Vincent in Auver-sur-Oise verbleef- in de tv-serie Krabbé op zoek naar Van Gogh, vertelde dat hij het wapen van de cafébaas zou hebben geleend.

Revolver lafauchex a broche, 1865-1893, prive collectie.
Revolver lafauchex a broche, 1865-1893, prive collectie.

Jammer dat de fingerprints en het DNA sinds lang verdwenen zijn. In de begeleidende catalogus wordt, behalve in een voetnoot, geen aandacht besteed aan de complottheorie van Naifeh en Smith White. Vincent zou geen zelfmoord gepleegd hebben, maar vermoord zijn door twee pestkoppen uit het dorp. Jeroen Krabbé hechtte geloof aan deze hypothese. Uit Vincents laatste brieven spreekt zijns inziens juist optimisme en ‘lust for life’. Vincents grote artistieke productiviteit sterkt hem in deze overtuiging.

In de vitrine naast het pistool liggen de rouwkaart, condoléances en ontroerend, de troostrijke brief die Vincents moeder op 31 juli 1890 schreef aan haar zoon Theo: … ‘Dank beste Theo … Gij hebt hem het leven tot leven gemaakt, door uwe liefde en zorg !’

 Vincents Nederlandse jaren

Uit Vincents honderden brieven aan zijn broer Theo en anderen, komt een wanhopige zoekende, getormenteerde man naar voren. Deerniswekkend, eenzaam en eenzelvig, maar ook betweterig en irritant. Een man die altijd gebrek had aan geld, aan schildersbenodigdheden, erkenning en vooral gebrek aan liefde en affectie. Een man van 12 ambachten en 13 ongelukken. Na zijn ontslag als assistent bij de kunsthandelaar Goupil in Londen, werd hij lekeprediker en schoolmeester in Engeland. Als gesjeesde theologie student gaat hij evangeliseren onder mijnwerkers in de Borinage. Omdat hij het alleen niet kon bolwerken stond hij diverse malen bij zijn ouders op de stoep. Door al deze lotgevallen loopt een rode draad van conflicten.

Wanneer hij uiteindelijk besluit om kunstenaar te worden, valt ook dat niet mee. Vincent had moeite met figuurtekenen en perspectief. Vanuit òns perspectief kun je zeggen dat hij pech had, want kort nà zijn dood maalde niemand meer om anatomisch correcte weergave van het menselijk lichaam of toepassing van het juiste perspectief. Vincent bleef echter oefenen. Hij ging naar de kunstacademie in Brussel, maar werd weggestuurd wegens onvoldoende talent. In 1881 belandde hij in Den Haag bij zijn achterneef Anton Mauve. Deze moedigde hem om wat kleur in zijn werk te brengen. Hij raakt gefascineerd door de kleurencirkel en de theorie van de complementaire kleuren, die in de kleurencirkel tegenover elkaar staan. Rood tegenover groen; geel tegenover paars; blauw tegenover oranje. Zij contrasteren en versterken elkaars werking. In zijn Nuenense jaren komt hij al tot de overtuiging:

’het is niet nodig om een kleur te kiezen die overéénkomt met de werkelijkheid… !

Dit zou één van zijn belangrijkste grondbeginselen worden. Hij meent dat een schilder moet uitgaan van de kleuren op zijn palet in plaats van die van de natuur, want …’kleur drukt uit zichzelf iets uit ! aldus Van Gogh in een van zijn brieven.

In Nuenen voorzag Van Gogh zijn mogelijkheden met kleur.

…’Nóóit heb ik zóó de overtuiging gehad dat ik dingen zal maken die goed doen, dat ik er in slagen al mijn kleuren zoo te berekenen dat ik effekt in mijn magt heb’

Frankrijk

In Parijs kwam deze verwachting uit de verf ! Na zijn jaren in Den Haag, Drenthe, Nuenen, Antwerpen en Brussel, was Vincent in 1886 ingetrokken bij zijn broer Theo. Hij bleef experimenteren met kleur èn de manier waarop hij de verf aanbracht: …’door dik en dun’…!

Hij neemt les bij Fernand Cormon en absorbeert invloeden van Toulouse Lautrec; Seurat en Signac; impressionisten en neo-impressionisten. Zijn voorheen donkere palet klaart op, maar zijn nerveuze, prikkelbare aard raakt overvoerd door al deze invloeden. Hij is niet bestand tegen het enerverende leven in de metropool. Hij vlucht in de drank en neemt in februari 1888 de trein naar het zuiden. Zijn Zelfportret als schilder, dat in die Parijse periode (1887-1888) ontstond, weerspiegelt zijn rusteloze, gekwelde geest.

Van Gogh_zelfportret_1887-1888
Vincent van Gogh (1853-1890), Zelfportret als schilder, 1887 – 1888, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).

Met zijn komst naar het zuiden wordt zijn werk steeds lichter en kleurrijker, maar omgekeerd wordt zijn gemoed steeds donkerder. Aanvankelijk is hij euforisch over het zonnige zuiden en de mogelijkheden op artistiek gebied. In Arles huurt hij een woning, het Gele Huis, dat hij als een ‘Maison d’Artistes’ wil openstellen. Daartoe nodigt hij Paul Gauguin uit. Gedreven door dit plan schildert Vincent zijn reeks van vier schilderijen met Zonnebloemen om de kamer van Gauguin op te fleuren. Hij verwacht veel van diens komst: kameraadschap, inspiratie en gedeelde kosten voor het huishouden. Het samenwonen begon goed: Gauguin kon lekker koken; Vincent zorgde voor de wijn. De verwachtingen waren echter te hoog gespannen; al snel ontstonden verschillen van inzicht. Vincent werkte graag naar zichtbare voorbeelden in de natuur, terwijl Gauguin vond dat een schilder moest werken vanuit zijn verbeelding. Tot overmaat van ramp werden beide verliefd op de bazin van het dorpscafé. De film The Yellow House, gebaseerd op een boek van Martin Gayford, geeft een indringende impressie van deze gezamenlijke periode, waarin toenemende irritaties leidden tot heftige ruzies en de zenuwinzinking, waarbij Van Gogh op 23 december 1888 zijn oor afsneed. Gauguin, die -bang voor Vincent- de nacht in een hotel had doorgebracht, verdween de volgende dag spoorslags naar Parijs. De door Vincent geschilderde lege Stoel van Gauguin, stille getuige van het dramatisch verloop van de vriendschap, is in de tentoonstelling te zien, alsook de vervormde beeltenis van Vincent, welke Gauguin kort tevoren maakte:

Gauguin_Vincent van Gogh_zonnebloemen
Paul Gauguin (1848 – 1903), Vincent van Gogh zonnebloemen schilderend, 1888, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).

Arles

Hier begint het verhaal van de tentoonstelling De Waanzin Nabij; Van Gogh en zijn ziekte. De bezoeker ziet bij binnenkomst een van Vincents vele schilderijen met korenvelden. Aan het eind van de expositie hangt nog een exemplaar, Korenveld met maaier uit 1889, ter illustratie van de locatie van Vincents zelfverkozen dood.

Van Gogh_korenveld
Vincent van Gogh (1853-1890), Korenveld met maaier, 1889, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).

Op de muur een blow-up van het Gele Huis, waar Vincent zich in 1888 vol idealen gevestigd had. Zoals gezegd staat in de tentoonstelling niet zijn schildercarrière, maar de vraag naar de aard van Van Goghs ziekte centraal.

Hierover wordt de bezoeker geïnformeerd middels brieven van vrienden, doktersrapporten opgesteld in het ziekenhuis van Arles, de psychiatrische inrichting nabij St. Rémy en van de hand van dokter Gachet in Auvers-sur-Oise, waar de schilder in 1889 overleed.

Deze documenten geven, samen met een petitie van verontruste buurtbewoners en een procesverbaal, waarin vier personen verklaren dat Van Gogh krankzinnig is, inzicht in de de chronologie der gebeurtenissen rond Vincents ziekte en opname.

In een brief, die in de expositie ook te beluisteren is, brengt de diepbedroefde Emile Bernard het bericht van Vincents dood over aan Gabriel-Albert Aurier.

’Mijn allerbeste vriend Vincent is krankzinnig. Sinds ik het heb vernomen ben ik het bijna zelf’….

Bernard schetst de lotgevallen van Van Goghs leven die tot deze wanhoopsdaad hebben geleid. Bernard spreekt van het afsnijden van zijn [gehele] oor, zoals hij dat van Gauguin heeft vernomen. Hij prijst Vincents buitengewone medemenselijkheid jegens prostituees en misdeelden. Zijn bezetenheid van het geloof leidden tot, zoals Bernard het omschrijft, ‘Bijbelse’ zelfkastijdingen. In de film The Yellow House wordt gesuggereerd dat het afsnijden van zijn oor is ingegeven door een gebeurtenis tijdens de gevangenneming van Christus in de hof van Olijven. Daar sloeg Petrus met zijn zwaard het oor van Malchus af, een van de belagers af.

Het boek dat Paul Gauguin 1903 publiceerde, Avant et Après ligt open bij zijn beschrijving van de noodlottige gebeurtenis. Mijn oog valt op een regel in het midden van de linkerbladzijde:

’Voici ce qui c’était passé’…als het begin van een macaber sprookje.

Boven de vitrine met voornoemde bronnen, hangt de vondst van Bernadette Murphy. De brief van dokter Félix Rey, gericht aan Irving Stone, destijds schrijvend aan de roman Lust for Life. De tekening en explicatie tonen de aard van de verwonding, waarbij het gehele oor werd afgesneden, overduidelijk. Een scepticus zou kunnen betwijfelen of Rey, zo’n 40 jaar na dato, een eerlijke voorstelling van zaken geeft. In een geromantiseerde biografie is het afsnijden van het complete oor natuurlijk spectaculairder dan wanneer het oor slechts ten dele gecoupeerd werd. Vincents eigen woorden over de integere dokter zouden deze twijfel kunnen wegnemen:

’Rey is een heel goed mens; een vreselijk harde werker. Wat een mensen die dokters van tegenwoordig…’

Van Gogh_Felix Rey_1889
Vincent van Gogh, Portret Dr Félix Rey, olieverf op doek, januari 1889, The State Pushkin Museum of Fine Arts, Moscow

Als dank voor diens goede zorgen schilderde Vincent in 1889 het prachtig portret van Félix Rey, dat het Poesjkin Museum in bruikleen afstond.

In een rapport van 7 februari 1889 meldt dokter Albert Delon van het ziekenhuis in Arles dat Van Gogh, ten prooi aan een tweede crisis, in een toestand van ware waanzin verkeert. Hij hoort stemmen die hem verwijten maken en hij meent dat hij vergiftigd wordt. De vijandige houding van de buurtbewoners, waarvan zelfs een stabiele persoonlijkheid last zou hebben, zal daar zeker toe hebben bijgedragen. In bovengenoemde petitie gericht aan de burgemeester van Arles, vragen de ondertekenaars om Van Gogh, ‘le fou hollandais’, de schrik van de buurt, terug te sturen naar zijn familie of hem te laten opnemen.

Petitie_van Gogh
Petitie kort voor 27 februari 1889, Archives communales d’Arles

Dit document en de brief van de burgemeester, waarin hij de gedwongen opname van de patiënt in een inrichting verordonneert, is in de tentoonstelling te zien. Door herstel van de patiënt kwam het hier echter niet van.

Van Gogh blijft 4 maanden in het gasthuis van Arles. Paul Signac bezoekt hem en neemt hem mee naar buiten. Het weerzien van het gele huis, bezorgt hem echter een terugval.

Dr. Delon van het gasthuis van Arles raadt daarom opname in een speciale inrichting aan. Vincent neemt dit advies ter harte. Op 8 mei 1889 arriveert hij in de inrichting Saint-Paul de Mausole in Saint-Rémy. In een rapport van dokter Th. Peyron is de anamnese uitvoerig beschreven. Het verslag eindigt met de mededeling dat de patiënt na ontslag uit het gasthuis zijn oude leven weer wilde oppakken. De hallucinaties keerden echter direct terug, waarna hij zich op eigen verzoek liet opnemen in de inrichting.

De herstellende Van Gogh schrijft zijn broer wat hem de beste remedie tegen zijn ziekte lijkt: innige vriendschappen en werken. Zijn grote werklust ziet hij als resultaat van ‘iemand die zelfmoord had willen plegen, maar de kant probeert te bereiken, omdat hij het water te koud vindt’

Het felle, kleurrijke palet is van de baan; hij concentreert zich op tekenen naar de natuur. In deze tijd ontstaan ontroerende werken, zoals de Pieta, een kopie naar Delacroix.  In het gezicht van de gestorven Christus met rode baard, zou je gelijkenis met Vincent zelf kunnen zien en het reeds genoemde symbolische werk van de Maaier, waarin Vincent niet het afschrikwekkende, maar door het goudgele licht, veeleer troostrijke beeld van de dood zag. Van een verstilde schoonheid is het Korenveld bij zonsopgang. Ommuurd veld in de regen vind ik interessant:  anders dan in schilderijen met nat geregende straten van bijvoorbeeld Marquet of Breitner, regent het hier échte pijpenstelen !

Van Gogh_Ommuurd veld_regen_1889
Vincent van Gogh, Ommuurd veld in de regen, 1889, Collectie Henry P.McIIhenny, ter herinnering aan Frances P.McIIhenny

 

In de inrichting schildert Van Gogh een kopie van de bekende Slaapkamer, waarin hij kleur gebruikt om emotie in verf uit te drukken. De aanblik van het werk moest in Vincents woorden …’rust geven aan het hoofd ‘….

Van deze periode dateren eveneens de minder bekende Binnenplaats van het ziekenhuis en een inkijkje in de Slaapzaal in het ziekenhuis,

Van Gogh_slaapzaal_1889
Vincent van Gogh, Slaapzaal in het ziekenhuis, 1889, Collectie Oskar Reinhart ‘Am Romerholz’, Winterthur
Van Gogh_binnenplaats ziekenhuis_1889
Vincent van Gogh, Binnenplaats van het ziekenhuis,1889, Collectie Oskar Reinhart ‘Am Romerholz’ , Winterthur

 

 

 

 

 

 

Van tijd tot tijd is Van Gogh zo buiten zinnen dat hij in een isoleercel wordt geplaatst. Als hij gekalmeerd is mag hij weer schilderen, tot hij weer raar gaat doen: aarde opeet en een fles terpentijn probeert leeg te drinken. Hij voelt zich een gevangene; dit gevoel wordt weerspiegeld in een kopie geschilderd naar Gustave Doré’s Gevangenis. (1890). Uit de brieven en de status van de artsen blijkt dat zijn herstel zich in golfbewegingen voltrekt. Uiteindelijk besluit Van Gogh de inrichting te verlaten, omdat hij ‘gek’ wordt van alle ‘gekken’ om hem heen!

 Interessant is de bewering, genoteerd in een rapport van 16 mei 1890, waarmee Dr. Peyron Vincent van Gogh genezen verklaard; een voorbarige conclusie zoals later zal blijken.

Op zoek naar rust reist Vincent naar Auvers-sur-Oise, waar hij onder behandeling komt van dokter Paul Gachet. Hij klopt aan bij de weduwe van de door hem bewonderde Daubigny. Zij geeft hem, bij gebrek aan materiaal, een theedoek waarop hij, vier dagen voor zijn dood, haar bloementuin schildert. Dit werk is niet in de expositie –maar wel elders in het museum- te zien. Hij is bedroefd, maar toch van plan zijn leven weer op te pakken. Gesteund door Gachet, die optimistisch is over Vincents herstel. Evenals de dokter rookt hij zijn pijpje, maar het roken verjaagt de onrust niet.

Ryssel_Sterfbed_Van Gogh_1890
Paul van Ryssel, Vincent van Gogh op zijn sterfbed, 1890, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).

Dokter Paul-Ferdinand Gachet, die korte tijd later onder het pseudoniem Paul van Ryssel Vincents dodenportret schetste.

Vincent maakt zich zorgen om broer Theo, die inmiddels belast met de verantwoordelijkheid voor vrouw en kind, voor zichzelf wil beginnen. Een stel dorpsjongens maken hem het leven zuur. Het gaat kortom minder goed dan dokter Gachet meende of hoopte. Vincent besluit zijn allerlaatste, onvoltooide brief van woensdag 23 juli 1890, met de volgende woorden:…’mijn werk, daarvoor riskeer ik mijn leven en het heeft me de helft van mijn verstand gekost’… eindigt abrupt middenin een zin. Diezelfde middag werd het fatale schot gelost, dat Vincent helaas geen verlossing bracht. Na twee etmalen van intens lijden –de kogel was inoperabel- gaf Vincent van Gogh op 29 juli de geest. Op de rouwkaart is de locatie van de rouwdienst, l’Eglise d’Auvers sur Oise, met de pen doorgestreept. De pastoor wilde de kerk niet beschikbaar stellen voor de uitvaart van een protestantse zelfmoordenaar.

Tot slot

Aangrijpender nog dan Vincents ontroerende geschilderde impressies van de inrichting, zijn de zwart-wit foto’s van de desolate, inmiddels leegstaande inrichting.

Vestibule in de inrichting ca 1950-1958, Foto, Van Gogh Museum, Amsterdam
Vestibule in de inrichting ca 1950-1958, Foto, Van Gogh Museum, Amsterdam
Van Gogh_vestibule _1889
Vincent van Gogh, Vestibule in de inrichting, 1889, Van Gogh Museum, Amsterdam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zijn kamertje met het doorgeefluik, het afgehaalde krakkemikkige bed en de kapotte stoel. De ruimte met de verlaten baden voor hydrotherapie en de hal en atelierkamer waar de dikke tralies in zwart-wit prominenter staan afgetekend dan in Vincents schilderijen.

De informatieve en mooi ingerichte tentoonstelling vult een leemte in de kennis over de alom bekende maar ook onbekende schilder, die dat wij na het zien van deze expositie, iets meer nabij  gekomen zijn.

 Bibliografie:

M. & R. Wittkower, Born under Saturn: the Character and Conduct of Artists, New York, 1963/ 2006.

M.Vellekoop e.a., Van Gogh aan het werk, tentoonstellingscatalogus Van Gogh Museum, Amsterdam/Brussel, 2013.

S. Naifeh & G. White Smith, Vincent Van Gogh: de biografie, Amsterdam, 2011

R. Thompson, N. Bakker e.a., Lichte Zeden: Prostitutie in de Franse Kunst 1850-1910, tentoonstellingscatalogus Van Gogh Museum, 2015.

B. Murphy, Van Goghs oor: het ware verhaal, Amsterdam, 2016.

Bakker e.a., De Waanzin Nabij: van Gogh en zijn ziekte, Van Goghmuseum, Amsterdam, 2016.

Link film: The Yellow House. 

Link: Van Gogh Museum

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Botero: Celebrate Life ! t/m 11 september 2016 in de Kunsthal, Rotterdam

BOTERO, ZELFPORTRET, KUNSTHAL
Botero, zelfportret met beschermengel, 2015

Tijdens een voorbezichtiging van de tentoonstelling Botero: Celebrate Life ! waren Botero (*1932) en zijn dochter Lina aanwezig. Emily Ansink, directeur van de Kunsthal, licht toe dat de titel van de expositie een citaat is uit Fernando Botero’s eigen woorden. Vier het leven ! In de kunsthal zijn schilderijen en beelden uit de eigen collectie van de kunstenaar bijeengebracht; een unieke kans om zoveel werk van de Colombiaanse schilder bij elkaar te zien. In Nederland was dat in 1975 voor het laatst mogelijk in Museum Boijmans van Beuningen. De kopieën van zijn werk door meestervervalser Geert Jansen -sinds zijn bestraffing- netjes gesigneerd ‘naar Botero’ heb ik niet meegerekend.

Botero_Monumentaal paard_2009
Botero, Monumentaal Paard, 2009

Sinds 1975 is het oeuvre van de Zuid-Amerikaan gestaag in volume toegenomen, letterlijk en figuurlijk ! De kunsthal toont zo’n honderd schilderijen, tekeningen, pastels en beeldhouwwerken, waar de 84-jarige kunstenaar zich op latere leeftijd eveneens in bekwaamd heeft. Centraal staat het enorme Caballo, uit de collectie van het voormalige Scheringa Museum, dat gedurende enkele jaren een bekend ijkpunt langs de weg naar Friesland was

Tijdens de bijeenkomst stond Botero de pers te woord. In antwoord op mijn voor de hand liggende vraag naar het waarom van de …‘blown-up, fat figures’… corrigeert Botero mij, geen ‘fat figures’, maar volumineuze figuren. Daarna volgt -naar Zuid-Amerikaans literair gebruik- een breedvoerig relaas. Nog maar 14 of 15 jaar oud begon hij te aquarelleren; als vanzelf ontstonden ronde vormen. Als jong volwassene werd hij gegrepen door de grote Italiaanse meesters; Giotto, Massaccio en vooral Michelangelo, die altijd bezig was met -aldus Botero-…’sensuality and fullness of flesh’. De verschillende Renaissance meesters wezen hem de weg èn (een niet nader gespecificeerd boek van) Bernard Berenson. Deze kunsthistoricus beschreef, in diverse uitgaven, de kunst van de Middeleeuwen en vooral de Italiaanse Renaissance.

Botero, the Bath, 1989
Botero, Bad, 1989

In 1930 werden deze laatsten gebundeld in The Italian Painters of the Renaissance. Met name  Berensons theorieën over ‘volumes’, daar heb je het, spraken Botero naar eigen zeggen aan. Zo is het dus gekomen dat zijn werk bol staat van volumineuze figuren! De schilderijen worden in de tentoonstelling thematisch gepresenteerd. Het dagelijks leven gebaseerd op herinneringen aan zijn geboortedorp, hommages aan beroemde oude meesters, onderwerpen ontleend aan het circus en het stierengevecht en uitbundige close-up geschilderde stillevens. Alles even kleurrijk, je wordt er helemaal blij van ! Botero verdient het niet dat zijn werk wordt afgedaan als een gimmick, een trucje, zoals Sandra Smets in een recensie van 18 juli jl. in NRC deed. Dat zou je dan ook wel kunnen zeggen van het werk van bijvoorbeeld Jackson Pollock of Karel Appel, die de kritiek op zijn werk: ‘dat kan mijn kleine zusje ook’, pareerde met: ..’dat kan wel wezen, maar ik heb het gedaan’ ! Botero’s werken, gedaan in een heel eigen unieke stijl, zijn samengebracht in een leuke tentoonstelling.

Zijn werk weerspiegelt zijn jeugd,  maatschappelijke problemen en beelden van de burgeroorlog in Colombia. Talrijk ook zijn de schilderijen met remakes van beroemde werken uit de kunstgeschiedenis. Botero groeide op in een provinciaal, geïsoleerd plaatsje in Colombia. Je had er niets; geen kunst, geen musea en communicatie met de hoofdstad was er evenmin. Eigenlijk was het een micro-republiek waar de wereldlijke en kerkelijke leiders de baas waren, zo vertelt hij. Aanvankelijk werd hij geboeid door pre-Colombiaanse kunst en altaarstukken in koloniale barokstijl. Als jonge man sloeg hij zijn vleugels uit. Hij reisde naar Bogota, Spanje en het kleurrijke Mexico, dat zijn palet zou gaan bepalen. Hier zag hij werk van de muralisten Diego Rivera en Jose Clemente Orozco. Hij volgde zijn ‘vocation’; hij moest schilderen. In de vroege jaren ’50 reisde hij naar Italië, waar hij studeerde aan de Academia van San Marco in Florence. Na Velazquez en Goya richtte hij de focus op Giotto, Andrea del Castagno, Piero della Francesca, Paolo Ucello, Michelangelo, Leonardo da Vinci, de held van de (noordelijke) Renaissance, Albrecht Dürer en de barokschilder Peter Paul Rubens. Zonder zich iets aan te trekken van de tijdgeest -figuratief werken was inmiddels not done– ontwikkelde hij zich tot een bekend kunstenaar. Al ging daar wel wat tijd overheen. Kunstcritici konden zijn figuratieve werk niet waarderen. Zijn schilderijen brachten in de vroege jaren ’50 nog geen brood op de plank. Vanaf 1957 vertoont zijn curriculum  een stijgende lijn in exposities. Het begon met een succesvolle tentoonstelling in de Gres Gallery in Washington. Het Moma kocht in 1961 Botero’s Mona Lisa, maar negatieve kritiek bleef, zoals bleek bij een tentoonstelling het jaar daarop in de galerie The Contemporaries. Na een expositie in 1966 in de Kunsthalle van Baden-Baden, volgen tentoonstellingen in o.a. Milwaukee, New York, Parijs, Zwitserland, Tokyo, Rome, Palermo, Knokke, Los Angeles en St. Petersburg. Tot de huidige dag worden zijn werken over de hele wereld en zelfs in Rotterdam getoond !

Botero,Kunsthal, De Straat
Botero, De straat, 2000

Behalve werk geïnspireerd op oude meesters, waarover straks meer, schilderde Botero ook ‘his childhood memories’; scènes uit het dagelijks leven. We zien vrouwen op de markt, vrouwen in een naaiatelier, Colombiaanse straatjes in een mix van realiteit en fantasie.

 

 

 

 

Botero, Kunsthal, Bloedbad
Botero, 20.15 Bloedbad, 2004

Diverse werken herinneren aan de ellende van de burgeroorlog in Colombia en de lange periode van strijd tussen overheid en guerilla-beweging FARC.  Zoals in ‘20.15 Bloedbad’ waarin een kamer met door geweld getroffen personen getoond wordtAan deze misere lijkt met het tekenen van een vredesakkoord  binnenkort een eind te komen, aldus een hoopvol gestemde Botero.

Geestig zijn de monumentale portretten van de president en de first lady van Colombia uit 1989.

Botero_De President_1989
Botero, de President, 1989
Botero_First Lady_1989
Botero, First Lady, 1989

 

 
Uit liefde voor de Italiaanse Renaissance kocht Botero een huis in Toscane, nabij Carrara, de groeve waar Michelangelo zijn marmer haalde. Hij begon met het maken van  sculpturen met de techniek van de oude meesters. In de expositie staan een aantal bronzen, die evenals de geschilderde figuren opgeblazen (dus niet dik…) en volumineus van vorm zijn. Op dezelfde wijze modelleert hij ook zijn op topwerken uit de Italiaanse Renaissance geïnspireerde schilderijen.  Zoals de geestige portretten van  Federigo da Montefeltro en zijn gade, in de 15e eeuw geschilderd door Piero della Francesca.

Botero, Frederico de Montefeltro naaar Pierro della Francesca, 1998
Botero, Frederico de Montefeltro naaar Pierro della Francesca, 1998
Pierro della Francesca, Frederico da Montefeltro, Uffizi, Napoli
Pierro della Francesca, Frederico da Montefeltro, Uffizi, Napoli

 

 

 

 

 

 

 

 

Evenals zijn vroegere voorgangers, brengt hij de verf ook zorgvuldig, laag voor laag aan. In een van de zalen zijn Botero’s watercolours, schetsen en tekeningen geëxposeerd, waarin we zijn eerste invallen en ideeën herkennen voor de elders in de opstelling getoonde schilderijen.

Botero_vader_1990
Botero, Portret van mijn vader, 1990
Botero_man en paard_
Botero, Man op een Paard, 2001

 

 

 

 

 

 

 

Humoristisch en sarcastisch tegelijk zijn de religieuze werken. Een in vol ornaat badende bisschop, ongetwijfeld verwijzend naar het ‘warme bad’, waarin de Romeinse prelaten leven. Een ‘kamerheer’ met donkere huidskleur staat al gedienstig met een handdoek klaar !

Botero_de vaticaanse badkamer_2006 _NEW

 

Botero, Kunsthal, Dorothy
Botero, De heilige Dorothea, 2014

Grappig is ook de reeks vrouwelijke hooggehakte heiligen in eigentijdse kleding, waarvan ik hier, als hommage aan een van mijn beste vriendinnen, de Heilige Dorothea laat zien. Vanzelfsprekend beperkt de gelijkenis zich slechts tot de naam. De heilige maagden zijn voor de goede verstaander herkenbaar aan hun traditionele attributen.

 

 

 

 

 

Botero_jongleur_slangenmens
Botero, Jongleur en Slangenmens, 2008

Via stierenvechters, portretten van kermisklanten en acrobaten, die, lijvig als zij zijn, toch lenig aan de rekstok hangen of behendig staan te jongleren, komen we bij de stillevens. Hier wordt de blik van de toeschouwer recht in de volle boeketten getrokken of in de schaal met appetijtelijk fruit. Een echtpaar ligt, luierend, maar ernstig kijkend, te picknicken.

 

 

 

Botero_sinaasappels_2008
Botero, Sinaasappels, 2008

Bij het schilderij met een sinaasappelstilleven staan Botero en zijn dochter Lina, die ons, beurtelings vertellend, rondleiden, even stil. Aan een simpel onderwerp als één enkele geschilderde sinaasappel kun je toch de stijl aflezen van een specifieke kunstenaar. Het lijkt een open deur, maar het is wel een eye-opener voor wie er nog nooit goed naar heeft gekeken. Leg maar eens een (sinaas)appel van Cézanne, naast een door Picasso of …. Botero geschilderd exemplaar! Bij veel kunstenaars kun je een ontwikkeling in stijl waarnemen. Gevraagd naar de ontwikkeling van Botero’s stijl (niet dus), antwoordt hij dat deze manier van werken nu eenmaal zijn ‘conviction’ is, ‘why change it ?’ Gevolgd door de ietwat cryptische woorden:…’A good artist looks for the solution of problems; a great artist looks for problems’…

Botero_picknick
Botero, Picknick, 2001

Zo komt het dus dat je tussen vroeg en laat werk, afgezien van wisselende inspiratiebronnen, nauwelijks significante stijlverschillen ziet. Vergelijkt Botero’s Picknick uit 2001  met bijvoorbeeld zijn Onze Lieve Vrouwe van Colombia uit 1992.

Botero, Onze lieve vrouwe van Colombia, 1992
Botero, Onze lieve vrouwe van Colombia, 1992

Uiteindelijk is er toch iets vreemds aan deze werken. Bij geen van de tentoongestelde werken ontdekte ik ook maar (een zweem van) een glimlach. Ondanks de vaak blije onderwerpen en vrolijke kleuren ontbreekt echte vreugde en dat in een tentoonstelling die nota bene oproept tot het vieren van het leven !…’How come’…? Ligt de oorzaak in de ongelukkige gewelddadige geschiedenis van Botero’s vaderland ?
Dat zou ik Botero, die zelf ook op geen enkele foto lacht, nog wel eens willen vragen !

Link:

Kunsthal Rotterdam, Fernando Botero

Info Kunsthal Telefoon 010-4400301
Openingstijden: dinsdag t/m zaterdag 10.00 – 17.00 uur, 
zon- en feestdagen 11.00 – 17.00 uur