FRANS HALS tot 10 juni in het Rijksmuseum Amsterdam

De luitspeler, ca. 1623, Olieverf op doek, 70 × 62 cm, Musée du Louvre, Parijs, Département des Peintures

Na overzichtstentoonstellingen die het Rijksmuseum eerder organiseerde over Rembrandt en Vermeer is het nu de beurt aan Frans Hals (1582-1666).
In 2018 kon het Nederlandse publiek zich in het Frans Hals Museum ook al verbazen over de schetsmatige, trefzekere stijl waarmee Frans Hals zijn opdrachtgevers op het schilderslinnen bijna tot leven wekte. In de tentoonstelling Frans Hals en de Modernen was te zien dat de in de loop van de 18e eeuw in vergetelheid geraakte schilder in 1868 door de Franse kunstcriticus Théophile Thorė Bürger uit zijn winterslaap werd gewekt. Modernisten die zijn artikel in de Gazette des Beaux Arts lazen reisden in de 19e eeuw naar Haarlem. Gustav Courbet, Edouard Manet, Claude Monet, Vincent van Gogh en anderen bezochten het Stedelijk Museum -de voorloper van het Frans Hals Museum- dat in 1862 op de zolder van het stadhuis geopend was.
Deze 19e -eeuwse vakgenoten die zich met hun losse schildertrant tegen de academische regels verzetten herkenden in Frans Hals een geestverwant:

                      … ‘mais Frans Hals, c’est un moderne’!..     

Anders dan in 2018 en in de eerdere tentoonstelling Frans Hals Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan uit 2013 heeft Hals nu tot 10 juni het rijk alleen.   

Voorafgaand aan de opening van de huidige tentoonstelling loodste conservator Friso Lammertse zijn gehoor met een sprankelende inleiding door de zalen waar bijna 50 schilderijen te zien zijn. Frans Hals bracht zijn opdrachtgevers zo levensecht in beeld dat ze wel lijken te ademen! Hoe deed hij dat?                                                     Hals werkte a la prima: het waargenomen moment belandde spontaan, zonder ondertekening direct op het paneel of het doek, waardoor het beeld haar spontaniteit behield. Onder zijn handen ontstonden niet alleen beeltenissen van individuen en echtelieden, maar ook groepsportretten, vrolijke al of niet musicerende drinkers en enkele (in de tentoonstelling afwezige) evangelisten.In de tentoonstellingszalen ervaar je het geheim van Frans Hals. De op je netvlies ontvangen in verf gesuggereerde impressie van levensechte personen wordt door het brein afgemaakt.

De lach
Minstens zo vernieuwend is Hals vermogen om zijn figuren te laten lachen. In zijn Groot Schilderboeck schrijft de schilders biograaf Karel van Mander in 1604 dat bij de meeste schilders het verschil tussen huilen en lachen niet te zien is. Bij Frans Hals komt de verbeelding van het werkwoord lachen helemaal uit de verf. Variërend van een aarzelende, flauwe glimlach tot een schalkse, verleidelijke, verliefde, uitzinnige of ronduit gulle- en zelfs een waanzinnige lach. 

In de tentoonstelling wordt het niet genoemd, maar er speelde nog iets. Een portret van een lachend persoon werd lange tijd onbetamelijk gevonden. Sinds vroegchristelijke tijden hielden bijbelgeleerden zich bezig met de in onze ogen lachwekkende vraag of Jezus gelachen zou hebben. De talrijke portretten van mensen die hun gezicht in de plooi houden lijken deze in orthodoxchristelijke kringen voortlevende gedachte te weerspiegelen. Sinds de import van suiker was het waarschijnlijk ook verstandiger om de lippen op elkaar te houden… En dat doen veel van Hals opdrachtgevers dan ook. Zoals de onbekende man met schedel en zijn mooie, enigszins schuchtere echtgenote, die Hals rond 1612 vereeuwigde. Zowel de gladde, precieze penseelvoering als de compositie van dit vroege werk zijn nog traditioneel. Haar identiteit is onbekend, maar te oordelen naar het prachtige purperrode gewaad en de gouden keten rond haar middel is zij een dame van stand. De ostentatief getoonde schedel geeft aan dat de echtelieden zich bewust zijn van de vergankelijkheid van het bestaan.

1. Portret van een man met een schedel, ca. 1612, Olieverf op paneel, 92,8 × 71,2 cm, The Henry Barber Trust, University of Birmingham 2.Frans Hals, Portret van een onbekende vrouw ca 1612, olieverf op paneel, 94,2 x 71,1 cm The Devonshire Collection Chatsworth

…’Zo kan het ook’… moet Hals in 1622 gedacht hebben toen hij het Huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laan vervaardigde. Een glimlachend stel dat in een ongedwongen houding tegen een boom leunt was een compositorische nouveauté in het genre huwelijksportret. Althans in de Noordelijke Nederlanden. Mogelijk deed Hals dit idee op tijdens zijn studiereis naar Antwerpen, waar hij Rubens Zelfportret met zijn echtgenote Isabella Brant uit 1610 gezien zal hebben. Ook dit paar zit in de buitenlucht.   

Huwelijksportret, waarschijnlijk Isaac Abrahamsz Massa en Beatrix van der Laen, ca. 1622, Rijksmuseum

In deze onconventionele compositie gebruikte Hals ook enkele traditionele elementen. Zoals de klimop rond de boom dient een echtgenote zich aan haar man te hechten. De distel links in de voorgrond geeft haar symbolische betekenis in het Duits prijs: ‘Männertreu’. In huwelijksbedreigende situaties moet de man zijn stekels opzetten! Misschien vraagt u zich af waarom Beatrix zo somber gekleed is. Bruiden gingen destijds niet in het wit, maar in gewone, zij het kostbare burgerkleding, naar het altaar.
Bijna vijfentwintig jaar later ontstond een ongedwongen familiegroep. Dit portret is evenals dat van Isaac Massa en zijn echtgenote gesitueerd in de open lucht. Beide echtelieden kijken elkaar licht glimlachend aan, de handen ineengestrengeld in het aan de oudheid ontleende symbool voor huwelijkstrouw: dextrarum iuncio. Nieuw is de zwarte bediende met wie opdrachtgevers zich, als show-off van hun welstand, destijds wel vaker lieten uitbeelden. De anonieme zwarte jongen kijkt de beschouwer recht aan. In de huidige publicatie komt hij close-up in beeld, maar in de catalogus van Hals laatste grote overzichtstentoonstelling in 1989 werd hij nog doodgezwegen.

Frans Hals, Familiegroep in landschap, ca. 1646, Olieverf op doek, 202 × 285 cm, Museo Nacional Thyssen-Bornemisza, Madrid 

De door Hals geschilderde lach kom je in de expositie steeds anders, maar altijd overtuigend tegen. Zoals de dwaze grijns van de door lachende kinderen omgeven Rommelpotspeler. Boontje was, evenals Malle Babbe, in Hals tijd een bekende verschijning in de straten van Haarlem. In het lied waarmee Rob de Nijs in 1975 hoog op de hitlijsten scoorde, wordt zij ten onrechte als een prostituee bezongen. De uil op haar schouder -destijds een symbool van dwaasheid- geeft aan dat zij een vrouw met een verstandelijke beperking is.

1 Frans Hals,Malle Babbe, ca. 1640, Olieverf op doek, 78,5 × 66,2 cm, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn  Frans Hals,
2 De rommelpot- speler, ca. 1620, Olieverf op doek, 106 × 80,3 cm, Kimbell Art Museum, Fort Worth, Texas 

Leven
Frans Hals werd rond 1582 in Antwerpen geboren. Toen de stad in 1585, tijdens de Tachtigjarige oorlog weer in Spaanse -katholieke- handen viel verhuisden zijn ouders om geloofsredenen naar Haarlem. Na zijn leertijd bij Karel van Mander (1548-1606) werd hij in 1610 als meester-schilder ingeschreven bij het St. Lucasgilde. Hij trouwde met Annetje Harmensdochter, die hem twee kinderen schonk. Na haar ontijdige dood in 1615 trouwde Hals in 1617 met Lysbeth Reynier. Zij kregen zeker nog tien, volgens sommige tellingen zelfs 12 of 13 kinderen.

Vanaf 1616 was hij lid van het literaire gezelschap de Wijngaerdtrancken. Onder het genot van een goed glas hielden de rederijkers zich in gedichten en verhalen bezig met taal. Hals was ook lid van de schutterij. Deze fungeerde oorspronkelijk als een soort burgerwacht. De leden waren, als boa’s avant-la-lettre, belast met het handhaven van de rust in de stad. In Hals tijd was de schutterij echter meer een gezelligheidsvereniging, zoals te zien op de impressies die hij gaf van de schuttersmaaltijden.  

In zijn Hooghe Schoole der Schilderkunst doet Arnold Houbraken rond 1720 niet zo’n aardig boekje open over Frans Hals. In 1989 deed conservator Pieter Biesboer Houbrakens informatie nog af als roddelpraat, maar sindsdien zijn archiefstukken opgedoken, die te denken geven. Als stamgast van de kunstenaarskroeg De Coninck van Vranckrijck zal Hals, aangezien er toen nog géén nul procentjes werden geserveerd, wellicht toch wel het door Houbraken genoemde ‘menige pintje’ hebben gedronken. Ook dist hij enkele in drank gedrenkte beweringen en anekdotes op zoals:
’Hals was gemeenlijk allen avond tot de keel toe vol met drank… Toch achten zijn leerlingen hem hoog. Om hem voor ongelukken te behoeden haalden zij hem ’s avonds laat uit de kroeg en hielpen hem naar bed. Hoe beschonken ook Hals sloeg zijn avondgebed nooit over, dat hij steevast besloot met: …Lieve Heer, haal mij vroeg in uwen hoogen hemel’
Zijn leerlingen besloten dit gebed te verhoren, aldus Houbraken. Van de zolder boven zijn bedstee bevestigden zij touwen aan het matras. Na het gebed trokken zij dit omhoog. …’Toen Hals, in den dommel van zijn dronkenschap bemerkte dat zijn gebed verhoord werd riep hij: …zo haastigh niet lieve Heer, zoo haastig niet!’…

Frans Hals, Een schutter die een berkenmeier vasthoudt, bekend als ‘De vrolijke drinker’ ca.1629, Olieverf op doek, 80 × 66,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam

Hals vele werken waarin het glas wordt geheven, zoals in zijn iconische Vrolijke drinker, waarin een schutter de beschouwer met zijn berkenmeier toedrinkt, hielden Hals reputatie in stand.  Drinkebroer of niet… zijn veronderstelde slechte naam vormde geen belemmering voor zijn talrijke opdrachtgevers. Zelfs de 17e -eeuwse filosoof René Descartes wist hem in 1649 te vinden.

Ondanks de vele opdrachten verkeerde Frans Hals een leven lang in geldnood. Uit archiefstukken blijkt dat hij in 1615 door een voedster voor het gerecht werd gedaagd. In 1654 moest hij zelfs een deel van zijn huisraad verkopen om een schuld bij de bakker te voldoen. Het voeden en kleden van zijn talrijke nageslacht zal daar zeker debet aan geweest zijn. In 1661 schold het schilders gilde hem de contributie kwijt. Sinds 1662 tot zijn dood in 1666 ontving Hals van gemeentewege brandstof en een toelage van aanvankelijk f 150,–, later f 200,– per jaar. Op 1 september 1666 werd Hals onder het koor van de St. Bavo begraven. Postuum werd hij in Haarlem geëerd met een standbeeld in het Florapark en gezien zijn voortdurende geldnood, -ironie van het lot- verscheen in 1968 zijn portret op het bankbiljet van tien gulden.

Nog even terug naar Hals kinderen. Een van hen was, zoals dat vroeger werd gezegd niet als een ander. Zoon Pieter belandde als ‘innocent’ in het Haarlemse werkhuis. Hals dochter Sara, die volgens de bronnen niet wilde deugen, kwam daar na twee tienerzwangerschappen, eveneens terecht. Gelukkig had Hals nog meer kinderen. Ik stel me zo voor dat zij elkaar in huis vaak lachend en stoeiend achterna zaten. Stil zitten was er niet bij. Met vaart vastgelegd belandden ze op op de schilderijen van hun vader, zoals het jochie in het Mauritshuis en in de vele impressies van drinkende en musicerende jongens.

Frans Hals, Lachende Jongen, paneel, ca. 1625, Mauritshuis Den Haag

Van de grootste portrettist van de zeventiende eeuw is, afgezien van een kopie in het Metropolitan in New York, geen zelfportret bewaard, maar in het Schuttersstuk met de officieren van Sint-Joris uit 1639 bracht Hals linksboven zijn selfie aan.  

Frans Hals, Officieren en Onderofficieren van het Gilde van de beschermers van St Joris 1639 218 x 421 cm

Langs de portretgalerij
Behalve het weergeven van uitbundige gelaatsuitdrukkingen, verstond Hals de kunst om een zweem van een (glim)lach in beeld te brengen. Zoals in het zeldzame kinderportret van Catharina Hooft. Niet alleen een proefstukje van onvoorwaardelijke genegenheid tussen een meisje van stand en haar kindermeisje, maar ook een staaltje van vakmanschap. Kijk eens naar het consequent herhaalde motief in haar jurkje van goudbrokaat, het gedetailleerd gepenseelde kostbare kant en de schakeltjes van de gouden ketting.  

Frans Hals, Portret van Catharina Hooft met haar min, 1619 – 1620, Olieverf op doek, 91,8 x 68,3 cm, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn

Tussen de velerlei portretten is de beeltenis van dit prinsesje uniek in Hals oeuvre. In de zalen van de Philipsvleugel wandel je langs gedistingeerde of jolige heren die ten voeten uit, in buste- of half portret zijn weergegeven. Achterstevoren zittend of zelfs wippend op een stoel! Ook drinkende en musicerende figuren passeren de revue en echtelieden die hij samenvoegde op één doek of afzonderlijk als pendanten schilderde. Verschillende opdrachtgevers etaleerden hun welstand sans gêne. Anderen zoals de welgestelde doch zonder opsmuk geportretteerde doopsgezinde textielfabrikant Lucas de Clerq en zijn echtgenote Feyntje van Steenkiste liepen met hun welstand niet te koop. 

1. Frans Hals, Portret van Lucas de Clercq, ca. 1635, Olieverf op doek, 121,6 × 91,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1891
2. Frans Hals, Portret van Feyntje van Steenkiste, 1635, Olieverf op doek, 121,9 × 91,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1891

Tieleman Roosterman en Catharina Brugman lieten in hun portret iedere terughoudendheid varen. Zij belichamen het aloude adagium: Ora et Labora. Zolang hard werken gepaard ging met bidden hoefde je je in de 17e eeuw niet te schamen voor je welstand.

1.Frans Hals, Portret van Tieleman Roosterman, 1634, Olieverf op doek, 117 × 87 cm, The Cleveland Museum of Art, Leonard C. Hanna Jr. Fund 2. Frans Hals, Portret van Catharina Brugman, 1634, Olieverf op doek, 115 × 85 cm, Particuliere collectie

Met zijn hand in de zij kijkt hij de beschouwer vermetel aan. De Engelsen hebben daar een leuke, van het oud-Engels afgeleide uitdrukking voor: Akimbo. Op de outfit van zijn eega, die werkelijk alles uit de kast heeft gehaald, kon Hals zich helemaal uitleven. Met haar hand op de door het beeldvlak afgesneden stoel lijkt zij zich staande te houden. In haar linker houdt zij haar bruidshandschoenen.

Die stoere presentatie met de hand in de zij, was voorbehouden aan mannen, maar in de tentoonstelling ontdekte ik ook één vrouw. Cunera van Baersdorp is, evenals haar echtgenoot Michiel de Wael in het pendant ook in die houding afgebeeld. Met een knipoog lijkt het wel of ze, anno nu, in plaats van handen te schudden, klaar staan om elkaars elleboog aan te tikken.

1.Frans Hals, Portret van Michiel de Wael, ca. 1625, Olieverf op doek, 118,8 × 95,3 cm, Taft Museum of Art, Cincinnati, Ohio. Legaat van Charles Phelps en Anna Sinton 2.Frans Hals, Portret van Cunera van Baersdorp, ca. 1625, Olieverf op doek, 123,8 × 95,3 cm, Susan and Matthew Weatherbie Collection

Een van Hals meest bekende werken is de al genoemde Schutter die een berkenmeier vasthoudt. Het thema van vrolijke, musicerende drinkers was geliefd bij de zogeheten Utrechtse Caravaggisten. Zij hadden deze motieven in Rome afgekeken van Michelangelo Merisi da Caravaggio. In de vaste opstelling van het Rijksmuseum zie je daarvan twee voorbeelden: Gerard van Honthorsts Vrolijke Vioolspeler uit 1623. Hals leerling Judith Leyster bracht met haar Serenade in 1629 niet alleen een ode aan haar leermeester, maar ook aan Caravaggio.  

Het aan Hals vrolijke drinkers ontleende predicaat een vrolijke Frans is zeker ook van toepassing op het portret van de joyeuze koopman Pieter van den Broecke; exponent van de tegenwoordig verguisde VOC-mentaliteit.

Frans Hals, Portret van Pieter van den Broecke, 1633. Doek 68 x 55 cm. English Heritage, The Iveagh Bequest (Kenwood, Londen).

De tentoongestelde portretten zijn merendeels indrukwekkend. De monumentale schuttersstukken met de officieren van de Haarlemse St. Jorisschutterij, die Hals in 1616 respectievelijk 1627 vervaardigde zijn de absolute blikvangers. Ook het doek uit de eigen collectie van het Rijks, de zogeheten Magere compagnie spreekt tot de verbeelding. Een coproductie van Frans Hals en de Amsterdamse schilder Pieter Codde, die het werk na onenigheid tussen Hals en de opdrachtgevers, in 1636 voltooide. Weliswaar naar zijn beste vermogen, maar het verschil tussen Hals ongedwongen vlot neergezette figuren en de wat houterige types van Codde is duidelijk.

Frans Hals, Schutters van wijk XI onder leiding van kapitein Reynier Reael, bekend als ‘De magere compagnie’, 1633, (voltooid door Pieter Codde, 1637) Olieverf op doek, 209 × 429 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1885
Frans Hals, Feestmaal van de officieren van de Sint Jorisdoelen, 1616. doek, 175 x 324 cm. Frans Halsmuseum

In oudere schutterstukken, zoals het van 1529 daterende drieluik met een Groep Schutters van Dirck Jacobsz in Rijksmuseum, zijn de leden stijf op een rij in beeld gebracht. In Hals schuttersstuk van 1616 is te zien dat hij ook in dit genre vernieuwing bracht. Met ongeëvenaard talent zette hij de fraai geklede en goed getroffen figuren in een verscheidenheid aan houdingen levendig neer. De bevelhebber met oranje sjerp gaf hij links, doch heraldisch rechts, de belangrijkste plek. Naast hem zit de zogeheten provoost, die over de centjes ging. De kapiteins en luitenants zitten eveneens aan tafel; de vaandeldragers en de knecht zijn staande geportretteerd. De compositie wordt verlevendigd door het diagonaal in de achtergrond geplaatste oranje-witte vaandel. Dit motief paste Hals ruim 10 jaar later nogmaals toe in een tweede versie van het Feestmaal van de officieren van de Sint Joris-Schutterij.

Frans Hals, Feestmaal van de officieren van de St. Jorisschutterij, ca. 1627. Doek 179 x 257,5 cm,
Frans Halsmuseum Haarlem

De figuren zijn in dit doek nog levendiger en met humor in beeld gebracht. De naar de beschouwer toegewende man met het omgekeerde glas heeft nog dorst en vraagt om een refill! De man naast hem reikt naar een schaal met oesters. Aan de rijk voorziene dis van de schutters vloeide de wijn overvloedig!
In de laatste zalen zie je verschillende kleine predikanten- en geleerdenportretten en een destijds bekend toneelkarakter. De Pekelharing bracht dwaze rollen op de planken. Jonas Suyderhoef maakte een prent van de populaire Pekelharing.
In twee interieurstukken van Jan Steen hangt hij ook aan de muur, zoals in een versie van So de ouden songen, pypen de jongen (1663) in de Berlijnse Gemäldegalerie en het Doktersbezoek (1661) in het Wellington Museum in Londen.

Frans Hals, Pekelharing, ca. 1629, doek 75 x 62 cm. Kassel, Museum Schloss Wilhelmshöhe

De een na laatste zaal van de thematisch ingerichte tentoonstelling heeft de titel ‘lefgozers’ meegekregen. Met een hooghartige blik wordt de bezoeker begroet door de eigenaar van de mouw, waarvan je aan het begin van de expositie een blow-up ziet: Jasper Schade, aangenaam!

Een verwaande kwast? Kan zijn, maar hij was dan ook niet zomaar iemand. Even een greep uit de C.V. van de heer van Tull en ’t Waal, de eigenaar van het buiten Oud Zandbergen in Huis ter Heide. Hij was kanunnik en later deken van het kapittel van Oudmunster in Utrecht, dat na de alteratie in 1579 in protestantse handen was overgegaan. In 1672 werd hij gecommitteerde van Utrecht in de Staten Generaal. Sinds 1681 was hij president van het Hof van Utrecht. Toen Hals hem als 22-jarige schilderde was dit alles nog toekomstmuziek. Hals wist niet alleen zijn karakter, maar ook zijn kleding treffend vast te leggen. Kijk maar eens naar de manier waarop hij de mouw, gebruikmakend van de lichtval, met enkele zigzaggende toetsen trefzeker heeft neergezet. Dat geldt ook voor de weergave van het modieuze kostuum van zwart goudbrokaat met de opengewerkte mouwen en de kokette met goudkleurige linten versierde cilindervormige hoed. Zijn voorliefde voor dure kleding was een oom ook al opgevallen. Per brief waarschuwt deze zijn zoon in Parijs om de kleermakersrekening niet zo hoog te laten oplopen als die van neef Jasper!

Frans Hals, Portret van Jasper Schade, 1645, Olieverf op doek, 80 × 67,5 cm, Nationaal Museum, Praag

In deze zaal ontmoeten we nog enkele opmerkelijke types, zoals de Haarlemse textielkoopman Willem van Heythuysen. Elders in de expositie kijkt hij de bezoeker in een imponerend staatsieportret vanuit de hoogte aan, maar het portret dat Hals twintig jaar later van hem maakte is totaal anders van karakter. Over vernieuwing gesproken: hier hangt Van Heythuysen in zijn rijkleding, nonchalant achterover, terwijl hij een beetje zit te wippen op zijn stoel.

Frans Hals, Portret van Willem van Heythuysen, 1653. Paneel 47 x 36 cm., Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Brussel

Dat brengt ons bij een van Hals laatste werken: het portret van een Onbekende man met een slappe hoed, geschilderd in een bijzonder ruige stijl.  Ook deze man hangt in een relaxte houding over de rugleuning van een stoel. Verschillende kunstcritici lieten zich over deze zogeheten ruwe manier van schilderen uit. Karel van Mander was van mening dat deze losse toets niet voor iedereen was weggelegd. Een dergelijke ruwe stijl vroeg om een virtuoze hand. Als voorbeeld noemt hij Titiaan, wiens werk in de tentoonstelling Frans Hals oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan te zien was. Ook al oogstte Hals met deze ruwe stijl in zijn eigen tijd en in de 19e eeuw wederom waardering, toch klonken in de twintigste eeuw nog kritische geluiden! 

Deze manier van werken werd soms afgedaan als Alterstil: het geknoei van een grijsaard met een bevende hand. Inmiddels is vrijwel iedereen het erover eens dat Frans Hals hier het toppunt van zijn artistieke kunnen bereikte!

Frans Hals, Portret van een man met slappe hoed, ca 1660 Olieverf op doek, 79,5 x 66,5 Hessen Kassel Heritage

Hals regentenportretten vormen het slotakkoord van deze mooie tentoonstelling. Bijzonder interessant is Hals portret van de Regenten van het St. Elisabethsgasthuis, uit 1641. Een groep levendig weergegeven heren. Loop nadat je dit portret hebt gezien nog even naar de eregalerij en kijk eens goed naar het portret dat Rembrandt twintig jaar later van de Waardijns van het Amsterdamse Lakengilde, beter bekend als de Staalmeesters, schilderde. Zelfs een autonoom genie als Rembrandt kon nog wel iets van een beroemde voorganger leren!

Frans Hals, Regenten van het St. Elisabethsgasthuis, 1641. Doek 153 x 252 cm. Haarlem, Frans Halsmuseum

We keren nog even terug naar de zojuist opgemerkte kritiek. Ook de Regenten en Regentessen van het Oudemannenhuis moesten het ontgelden.
Anders dan in voornoemde portretten kon er in deze geen lachje af. Logisch, want het besturen van liefdadigheidsinstellingen was, getuige de kasboeken op de tafels een ernstige zaak. De kop van de man met de destijds modieuze scheve hoed in het groepsportret van de Regenten van het Oudemannenhuis uit 1664 vormde in de twintigste eeuw aanleiding tot speculaties. Hij zou onmiskenbaar dronken zijn geweest. Een medicus die dezelfde man eeuwen later aan een denkbeeldig consult onderwierp kwam tot een andere bevinding en diagnosticeerde een halfzijdige aangezichtsverlamming veroorzaakt door een tia. Anderen meenden dat Hals de bestuurders expres zo lelijk had geschilderd, omdat zij hem géén plekje in het Oudemannenhuis gunden. De regentessen, die belast waren met het reilen en zeilen van het Oudemannenhuis, maakten de tongen eveneens los. Alle uitgaven moesten tot de laatste penning worden verantwoord. De vrouw links houdt niet voor niets haar hand op. In de vroege twintigste eeuw omschreef de toenmalige directeur van Museum Boijmans van Beuningen Schmidt Degener hen als gierige oude vrouwen …’zelfingenomen en meedogenloos’, en dat niet alleen, hij heeft het ook over hun …’azijnigheid en schraperigheid’! 

Frans Hals, Regenstessen van het Oudemannenhuis, 1664. Doek 170 x 250 cm. Frans Hals Museum, Haarlem

Honderd jaar later zie ik slechts een paar broze, doch kordate dames, met hun door couperose gecraqueleerde wangen en handen met een huid als perkament. Theophile Thoré Bürger kon er ook niet over uit:  …’Ik ken géén schilderijen die met zoveel élan zijn uitgevoerd!’…   

Uit de mode
In de tweede helft van de 18e eeuw trad onder invloed van de Franse academische schilderkunst een smaakverandering op. Heldere kleuren, fijn gepenseelde en egaal belichte onderwerpen werden geliefd. De losse toets van Hals en het gloeiende palet van Rembrandt raakten uit de mode, tot ze in de 19e eeuw werden herontdekt.

Bibliografie:
B. Cornelis e.a., Frans Hals. Rijksmuseum, Amsterdam. 2024.
S. Slive e.a.       Frans Hals, Frans Hals Museum, Haarlem, 1989.
M. Rikken e.a.,  Frans Hals & de Modernen. Magazine. Haarlem, 2018.

www.uitdekunstmarina.nl : Bespreking Frans Hals en de Modernen en actuele tentoonstellingen.

Link: Rijksmuseum Amsterdam

De tentoonstelling was eerder te zien in de Londense National Gallery en reist na Amsterdam door naar de Gemäldegalerie in Berlijn, waar de expositie van 12 juli t/m 3 november te zien is.

Online tour: Eva van der Gucht presenteert een online ontdekkingstocht: De Geniale streken van Frans Hals in het Nederlands.
Er is ook een Audiotour beschikbaar. Daarin hoort de bezoeker de stem van Tom Waes

Slavernij, tentoonstelling Rijksmuseum, vanaf 5 juni t/m 29 augustus.

Anoniem, Tot slaaf gemaakte mannen graven trenzen, ca. 1850 Rijksmuseum, aankoop met steun van het Johan Huizinga Fonds/Rijksmuseum Fonds

Vijf maanden na de oorspronkelijke openingsdatum werd de Slavernij tentoonstelling in het Rijksmuseum op 18 mei online geopend. Scholieren waren direct welkom. Voor hen is een speciaal magazine ontwikkeld: wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Vanaf 5 juni is de tentoonstelling door iedereen met een op de site van het Rijksmuseum afgesproken tijdslot te bezoeken.
Het veelkleurige team van conservatoren benadrukt het grote maatschappelijke belang van deze door de koning geopende expositie. Het Rijksmuseum moet een huis zijn voor iedereen. Senior conservator Eveline Sint Nicolaas licht toe dat het verhaal van de expositie zoveel mogelijk vanuit het perspectief van de slaafgemaakten verteld wordt.
Bij gebrek aan tastbare objecten -zij hadden geen bezittingen en konden veelal niet schrijven- is vooral uitgegaan van mondelinge bronnen en archiefstukken. 

De succesverhalen over wereldwijde expansie en economisch gewin hebben plaats gemaakt voor de keerzijde. Voor het eerst krijgen slaafgemaakte mensen een gezicht en letterlijk een stem. Aan het begin van de expositie weerklinken drie liederen die op plantages in Suriname, Zuid-Afrika en Curacao werden gezongen. Liederen waarin de zangers hun kinderen willen beschermen en de wens uiten om als mens en niet als een werktuig gezien te worden

Wanneer je vier of vijf generaties teruggaat kom je in veel Nederlandse stambomen slaafgemaakten en slavenhouders tegen. Soms zelfs beide, zoals cabaretier Jörgen Raymann en Valika Smeulders, hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum, tot hun onaangename verrassing ontdekten. Schuld is volgens Smeulders niet nodig, maar kennisneming van die geschiedenis wel. Daartoe nodigt de tentoonstelling met de levensverhalen van tien historische personen uit. Middels vijf daarvan wordt een inkijkje gegeven in het leven van slaafgemaakte mensen. Met de levens van vijf anderen wordt de strijd naar vrijheid geïllustreerd. In de audiotour reflecteren eigentijdse sprekers op hun lotgevallen. Zij voelen zich door hun afkomst van slaafgemaakten en slavenhouders verbonden met dit verleden.
Sprekend over ‘de’ slavernij wordt meestal gedacht aan de transatlantische slavenhandel van de WIC, maar ook de VOC speelde daarin een grote rol. Recente studies tonen bovendien aan dat vrijwel iedere beroepsgroep in het vaderland als leverancier of afnemer direct- of indirect economisch verbonden was met slavernij.

Het slavernijverleden is geen voltooid verleden tijd.

Jargon 
Uit respect voor de miljoenen tot slavernij gedwongen mensen spreken we tegenwoordig over slaafgemaakten in plaats van slaven. Het als denigrerend ervaren n-woord is vervangen door zwarte. Terwijl de blanke, wat associaties zou kunnen oproepen met zuiverheid, beter als witte wordt aangeduid. Een tot slaafgemaakt mens werd door zijn of haar eigenaar als een werktuig beschouwd. Aan dit lot was te ontkomen door manumissie. Een aan het Romeinse recht ontleende term voor geschonken of betaalde invrijheidstelling. Vluchten was de enige andere optie, maar dat was riskant. Wanneer de poging mislukte wachtte de tronco, een voetblok waar de weglopers aan werden vastgeklonken.  

Tot slaaf gemaakte mensen, geketend in een voetboei Jean-Baptiste Debret, ca. 1830

Hoe zag je het verschil tussen vrije en onvrije mensen van kleur?
In Suriname volstond een blik op de voeten; slaafgemaakten mochten geen schoenen dragen. Een vrij man in Batavia, een zogenoemde Mardijker (van het Portugese Mardica’s) was herkenbaar aan een gestreept pak en een hoed zoals te zien in Andries Beeckmans Gezicht op de markt van Batavia.

Andries Beeckman, de markt van Batavia met op de achtergrond de vesting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, ca. 1661, Rijksmuseum Amsterdam

Anders dan vaak gedacht is slavernij geen Europese uitvinding. In Afrika en Azië kent het knechten van medemensen een lange traditie. Europeanen droegen wel bij aan de schaalvergroting. Van de in totaal ca. 12,5 miljoen slaafgemaakten vervoerden Nederlanders naar schatting 600.000 zielen naar de West. Voor Azië is hun aandeel met 660.000 tot 1.000.000 zelfs nog hoger. Slaafgemaakten werden in alle segmenten van de koloniale samenleving te werk gesteld. Van de nootmuskaat-plantages op Banda, de suikerplantages rond Batavia, Brazilië en Suriname tot zilvermijnen op Sumatra, handelsposten in Japan, Zuid-India, Sri Lanka en (wijn)boerderijen in Zuid-Afrika.

In gedrukte vorm blijven deze huiveringwekkende cijfers nog abstract, maar vertaald naar het lot van de personen beschreven in het scheepsjournaal van het slavenschip  dConinck Salomon worden ze concreet. Tot het scheepsruim vol was koerste het schip twee maanden voor de ‘Slavenkust’ (het huidige) Ghana. Voor vertrek naar Paramaribo zaten de eerste gevangenen al die tijd al geketend aan boord. Enkele mannen die voor wat lichaamsbeweging even…’uit de boeien werden geslagen’… kwamen in opstand. Tevergeefs. De aanstichter werd als afschrikwekkend voorbeeld aan de mast opgehangen. Om de marktprijzen niet te drukken, werd aan het incident geen ruchtbaarheid gegeven.

Ook elders trachtten slaafgemaakten zich te bevrijden, maar zelden met succes. Daarvan getuigen de verhalen van twee andere historische personen, Wally en Tula, die respectievelijk in Suriname en op Curaçao in opstand kwamen.   

Fort El Mina uit Johannes Vingboons – Atlas Blaeu – Van der Hem , vol. 36:19, fol. 62 – 63,
Austrian National Library

What’s in a Name?                                                                                 
Aan de hand van hun achternamen wordt het verleden van diverse slaafgemaakten ontsloten. De hedendaagse actrice Joy Delima wordt via dezelfde achternaam aan die van de historische figuur Joao Mina gekoppeld. Hun beider voorouders werden vanuit het slavenfort El Mina, dat in 1637 door graaf Johan Maurits op de Portugezen was veroverd, op transport gesteld. Tussen 1637-1650 vertrokken naar schatting 25.000 personen naar de Nieuwe Wereld. In de audiotour bezorgt de stem van Joy Delima een indringend luistermoment. Van Zacharias Wagner’s impressie van de slavenmarkt, waar haar voorouders en die van Joao als vee verhandeld werden, krijg je kippenvel.

De slavenmarkt in Recife Zacharias Wagener, ca. 1637–1641, het Mauritshuis den Haag

Architect Afaina de Jong tekende voor de inrichting van de tentoonstelling. In reactie op de grandeur van het Rijksmuseum, in haar ogen hèt symbool van koloniale trots, creëerde zij ruimtes … ‘die geïnspireerd zijn op de schaal van […..] de huisjes van tot slaaf gemaakten’…. Zij houdt bezoekers letterlijk en figuurlijk spiegels voor, waarin zij beurtelings zichzelf en de verhalen van slaafgemaakten zien. Met zorg gekozen wandkleuren versterken de impact van de de verhalen achter de getoonde objecten. Of maken contrasten zichtbaar. In de aan opstandeling Wally en plantagehouder Jonas Witsen gewijde zaal zijn de wanden respectievelijk turquoise en toepasselijk (…), wit

Alvorens de tentoonstelling te betreden ziet de bezoeker in het atrium een vijftal plantage klokken. Ze kondigden het begin en het einde van de werkdag aan en klonken de slaafgemaakten vast niet als muziek in de oren!
‘s Morgens vroeg niet en s’avonds evenmin, want dan dreigde straf als het werk niet naar behoren was gedaan.

Zo’n klok is een goed voorbeeld om de verschillen in perceptie te illustreren. Voor Hollandse burgers betekende het klokgelui op zondagmorgen een roep om ter kerke te gaan. 

‘Masker’ dat een Europeaan in de tijd van de slavenhandel verbeeldt, gemaakt van een gele jerrycan. Onderdeel van de installatie La Bouche du Roi, Romuald Hazoumè, 1997–2005

De expositie begint in een donkere ruimte, waar de bezoeker de beklemming van een scheepsruim ervaart. Met zijn installatie La Bouche du roi geeft Romuald Hazoumè hier een impressie van de helse odyssee van de slaafgemaakten. Voor het ontwerp stond het in 1789 door de Britse Abolition Party gepubliceerde beladingsschema van het slavenschip Brookes model. Bedoeld als postuum eerbetoon aan de talloze slaafgemaakten, die verdwenen zijn in het zwarte gat van de geschiedenis.  

Installatie La Bouche du Roi, Romuald Hazoumè, 1997–2005

De titel van het uit vele betekenislagen opgebouwde werk verwijst naar een slavenmarkt in Benin. De maskerachtige jerrycans staan voor de slaafgemaakten. Het grote zwarte masker rechtsachter staat voor de (hedendaagse) koning van Benin; het gele voor de Europese tussenpersoon. Een weegschaal symboliseert de vraag welke partij meer schuld heeft. Een opmerkelijk detail, want bij deze vraag wijst de beschuldigende vinger vaak maar één kant op … 

Hazoumè verwerkte ook de handelswaar die via de zogenoemde driehoekshandel van de WIC vervoerd werd: jenever, kralen en kaurischelpen; de ‘valuta’ waarmee slaafgemaakten werden gekocht. Daarnaast brachten Hollandse schepen wapens naar West-Afrika. Met zwarte arbeidskrachten voeren ze door naar Zuid-Amerika. Met suiker, brazielhout, cochenille, cacao, koffiebonen en tabak zeilden ze terug naar het vaderland.

Andere zintuiglijke waarnemingen maken Hazoumè’s visuele impressie compleet. Je ruikt tabak en specerijen, vermengd met de geur van urine en zweet en je hoort de klaagzang van de slaafgemaakten. Aldus geeft de installatie een samenvatting van alle aspecten van de slavernij, waar de Nederlanders in de vroege 17e eeuw in verzeild raakten. Tijdens de Tachtigjarige oorlog waren kleine compagnieën wegens de gestagneerde aanvoer van zout en suiker door de Portugezen, noodgedwongen aan de overzeese handel begonnen. Vanaf 1602 werd deze groots aangepakt met de oprichting van de Oost- en in 1621 de West-Indische Compagnie. Aandelen werden niet alleen door de elite, maar ook door boeren, burgers, buitenlui en zelfs dienstbodes gekocht.

Vanuit de duistere eerste zaal wandelt de bezoeker door het verleden van Joao Mina, Wally, Oopjen, Paulus, de Van Bengalens, Surapati, Sapali, Tula en Dirk. De tijdreis wordt geïllustreerd met historische objecten, documenten, prenten, schilderijen, muziek en eigentijdse kunstwerken.  

Aan het eind van de expositie worden de bezoekers uitgenodigd om met David Bade en Tirzo Martha van het Curacaose kunstenaarscollectief Buena Bista mee te werken aan tien op de historische personages geïnspireerde, kunstwerken.  

Sirihkistje waaraan Januarij van Bengalen mogelijk heeft gewerkt, 1775–1780

Het woord slavernij roept wellicht filmische beelden op van ploeterende veldwerkers en zwarte mannen die de suikermolens bedienen. Maar slaafgemaakten waren ook werkzaam als geschoolde ambachtsman. Een fraai bewerkt sirihkistje uit het atelier van zilversmid Hendrik Rennebaum in Batavia is vermoedelijk gemaakt door Januarij van Bengalen.

Het handelskantoor van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Hougly in Bengalen, Hendrik van Schuylenburgh, 1665

Over zijn achternaam en lotgenoten met hetzelfde (door de VOC geschonken) toponiem, wordt in de expositie een interessant boekje opengedaan. Vanuit de handelspost Hougly begon de diaspora van deze op de oevers van de Ganges en de Golf van Bengalen van hun vrijheid beroofde mensen. Het levensverhaal van Rosette, Baron en hun tweejarige zoontje Filander van Bengalen is een film waardig. Door een bizarre speling van het lot kwamen zij in 1689 vanuit Bengalen in Alkmaar en uiteindelijk in Dokkum terecht. In 1697 werkt Filander bij Sara van den Broecke nog in de bediening. Als dienaar van de Hermandad schopt hij het in zijn volwassen leven zelfs tot hoofd van politie. Een huwelijk met een Friezin die hem vijf kinderen schonk maakt dit sprookje compleet!

Filander van Baron bedient samen met twee andere bedienden Sara van den Broecke en Julius Schelto van AItzema. Rechts op de achtergrond staat waarschijnlijk zijn moeder Rosette van Sambauwa, Gerard Wigmana, 1697, Stadhuis van Dokkum

Een andere telg uit het ‘geslacht’ Van Bengalen, Augustus, belandde op het nog altijd bestaande Zuid-Afrikaanse landgoed Groot Constantia van wijnboer Hendrik Cloete. Na gedane arbeid was zijn werkgever kennelijk te moe om nog een pijp te roken!

Augustus van Bengalen houdt de pijp van slavenhouder Hendrik Cloete vast, ca. 1778

Tussen 1624-1665 werden naar schatting 26.885 Bengaalse slaven naar Batavia gebracht. Een aantal van hen werd -vergelijkbaar met het de huidige praktijken in Quatar- ingezet voor de bouw van het hoofdkwartier van de VOC in Batavia. Gebouwd op de puinhopen van het door J.P. Coen verwoeste Jakatra.

Bouwarbeiders in Batavia, een aantal van hen aan elkaar geketend Wouter Schouten, ca. 1660

Kolonialen gingen in de tropen de deur niet uit zonder een parasol. In het familieportret van de opperkoopman van Batavia Pieter Cnoll wordt deze pajong gedragen door Surapati (1660-1706). Deze jongeman is op tweeërlei wijze uit de coulissen van het slavernijverleden getreden. Als romanfiguur in een affaire met de dochter des huizes. Maar interessanter nog, in de gedaante van zijn alter ego, Untung Surpati. Als opstandeling ontwikkelde hij zich van bediende, minnaar en VOC soldaat tot vorst van een eigen koninkrijk. In de strijd tegen de VOC sneuvelde hij, maar als de eerste nationalistische verzetsheld van Indonesië is Surapati onsterfelijk geworden.

Surapati en een vrouwelijke tot slaaf gemaakte bediende vereeuwigd op het portret van de familie Cnoll, Jacob Coeman, 1665, Rijksmuseum Amsterdam

Paradoxaal genoeg fungeerden slaafgemaakten, die hiërarchisch de laagste sport van de maatschappelijke ladder innamen, niet zelden als statussymbool in de huishoudens van de Hollandse elite. In die hoedanigheid zijn zij meestal anoniem als bijwerk toegevoegd aan portretten, zoals dat van Maurits graaf van Nassau le Lecqu. Als zwarte man was je in de Republiek heel wat beter af dan op een overzeese plantage. De zwarte bediende van mevrouw Le Lecqu promoveerde tot tamboer in het leger van de prins. Getuige een notitie in een huwelijksregister trad ‘Paulus Maurits, paukenist’ op 11 juni 1694 zelfs in het huwelijk.

Een cavalerieregiment met voorop een paukenist te paard die op pauken het loopritme aangeeft, Cornelis Troost, 1742, Rijksmuseum Amsterdam
Halsband van messing, 1689, Rijksmuseum Amsterdam

Het verhaal van Paulus Maurus wordt aan de hand van een wel heel bizar voorwerp verteld. Een tot voor kort als hondenhalsband geïnventariseerd object met de wapens van de familie Le Lecq werd -naar oud-Romeins en eigentijds Engels gebruik- mogelijk door Paulus de Moor gedragen.

Jacobus Capitein (1717-1747). Uit: Staatkundig-godgeleerd onderzoekschrift Te Leyden, by Philippus Bonk, 1742

Is de levensloop van deze trommelaar al bijzonder; ronduit verbijsterend is het verhaal van de zwarte jongen die in 1728 in Nederland belandde. Gepromoveerd op de stelling dat Slavernij niet strijdig is met het christelijk geloof werd Jacobus Elisa Johannes Capitein de eerste zwarte gereformeerde predikant. Beroepen op het slavenfort El Mina viel hij, gewantrouwd door zowel de witten als de zwarten, echter tussen wal en schip.

In de loop van de 17e eeuw voerden Nederlandse predikanten de zogenoemde vloek van Noach aan ter legitimering van slavernij. Wegens diens commentaar op zijn vaders dronkenschap, vervloekte Noach zijn zoon Cham: …’gaat heen, voortaan zullen jij en je nakomelingen een knecht der knechten zijn’….(Gen. 9: 20-27). Zo werd het zwarte schaap van de familie de oervader van de slaafgemaakten.     

J.G. Stedman, Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam

Een van de eerste critici van de slavernij is John Gabriel Stedman (1744-1797). In zijn Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam beschrijft hij zijn ervaringen als ‘slavenjager’ in dienst van de WIC. Ingegeven door zijn liefde voor ‘het slavenmeisje’ Joanna propageerde Stedman een mildere behandeling van de slaafgemaakten, maar een voorstander van afschaffing was hij niet.

Ook al betekende het leven van Stedmans ‘revolted negroes’  een ware survival tocht, toch verkozen in 1762 zo’n 7.000 weglopers (10% van de totale bevolking) dit lot boven een leven in slavernij. Voor gereedschap, gebruiksvoorwerpen en -zoals eertijds bij de Sabijnse maagdenroof- vrouwen pleegden weglopers overvallen op hun oude plantages.

John Gabriel Stedman, 1744-1797, Joanna, Tropenmuseum Amsterdam

De lotgevallen van deze zogenoemde marrons (verbastering van het Portugese cimarron= weggelopen vee) worden geïllustreerd met het verhaal van de opstandeling Wally. Het afschaffen van de vrije zaterdag vormde voor de slaafgemaakten op plantage Palmeneribo de druppel die de emmer deed overlopen. Voor het aanstichten tot verzet werden hij en zijn medestanders veroordeeld tot de ‘dood door langzame, levende verbranding’.

De dansfeesten in de schilderijen van Dirk Valkenburg (1676-1715) geven een impressie van de vrijetijdsbesteding op de plantage. De schilder, die de plantages van Jonas Witsen moest vastleggen, trad op Palmeneribo tevens op als zaakwaarnemer. Zijn schilderijen getuigen van een scherp waarnemingsvermogen. Toen de conflicten escaleerden en er met stenen werd gegooid stopte Dirk met (toe)kijken; hij kwam in actie en gaf Wally ‘een clap voor sijn beck’, omdat hij …’ soo lang het verderf geweest [was] van soo braave negers’, die nu moeten boeten voor het gedrag van de slechten. Kijkend naar het schilderij vraag ik mij af wie van de feestgangers luistert naar de naam Wally… 

Dansfeest op een van de suikerplantages van Jonas Witsen, Dirk Valkenburg, 1708

Ook Gerrit Schouten geeft een impressie van zo’n dansfeest. In zijn Diorama met Du is de tijd als een still uit een hedendaagse film even stil blijven staan. We zien een traditionele Winti dans ter ere van goden en voorouders. Een vertelster levert en passant kritiek op het koloniale gezag, dat gepersonifieerd wordt door het rode figuurtje. Uiteindelijk vallen de in trance geraakte dansers uitgeput neer. Vindt de Surinaamse uitnodiging om te dansen tot Bam hier zijn oorsprong?

Diorama van een du, dansfeest op de plantage, Gerrit Schouten, 1830

Gerelateerd aan de figuur van Wally vertelt kickbokser Remy Bonjasky over het bezoek dat hij voor het tv-programma de Plantage van mijn voorouders bracht aan het marrondorp van zijn moeder, waar de weglopers van Palmeneribo destijds een veilig heenkomen hadden gevonden. Wanneer hij van het vonnis hoort dat op 11 augustus 1707 over Wally werd geveld: langzame verbranding tot de dood erop volgt, welt woede in hem op. Woede die hem de kracht gaf om driemaal wereldkampioen kickboksen te worden!

Susi en Simba Mosis wier roots eveneens bij de gevluchte marrons liggen, vertellen in de autiotour over hun oermoeder Ma Sapali. Tijdens de overtocht naar Zuid-Amerika smokkelde zij rijstkorrels in haar kapsel mee, zodat er aan de overkant te eten zou zijn. Het Surinaamse rijstmerk Sapali brengt haar daadkracht nog dagelijks in herinnering.

Voor en na Stedman spraken verschillende eigentijdse auteurs zich uit over de legitimiteit van slavernij. In zijn De Iure bellis ac Pacis (1625) stelt Hugo de Groot dat krijgsgevangenen slaaf gemaakt mogen worden. Van etniciteit is geen sprake.  Dat is anders bij Olfert Dapper. In zijn Naukeurige Beschrijvingen der Afrikaensche Gewesten wordt slavernij in 1668 gerechtvaardigd met de bewering dat de betreffende bevolking een ‘natuurlijk geneigdheid’ tot dienstbaarheid heeft…   Het liberale kamerlid de predikant Wolter Robert baron van Hoëvell (1812-1879) neemt met zijn Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet in 1853 heel duidelijk stelling tegen de slavernij.

De publieke opinie over slavernij in de voorgaande eeuwen is moeilijk te achterhalen, maar de verontschuldiging ‘Wir haben es nicht gewusst’ lijkt niet vol te houden. Door nieuwsbrieven werden de thuisblijvers van de ‘successen’ inzake de overzeese expansie geïnformeerd. De kopers van aandelen konden ook weten waar ze hun geld in belegden. Aan de prenten met Braziliaanse suikermolens naar Frans Post  zag je de hardships op de plantages niet direct af, maar dat het werk door geïmporteerde zwarte arbeiders werd gedaan, omdat anderen er niet tegen bestand waren, moet bekend zijn geweest.  

Suikermolen, aangedreven door ossen naar Frans Post, ca. 1640

Door Harriet Beecher Stowe’s veelgelezen Uncle Tom’s Cabin (1853) nam in de tweede helft van de 19e eeuw de kritiek op de slavernij toe. Vanaf 1842 zette de Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij (NMBAS) zich metterdaad in voor dit doel. Ook werden damescomité’s opgericht om te protesteren. Met de verkoop van handwerkproducten bekostigden zij leningen voor manumissie. Met hetzelfde doel bracht Josiah Wedgwood sinds 1787 aardewerk op de markt voorzien van het embleem van de Abolition Party: een geketende smekeling met opschrift ‘Am I not a Man and a Brother’.

Georganiseerd verzet 
Gesterkt door uit Europa overgewaaide idealen van gelijkheid en broederschap èn de succesvolle vrijheidsstrijd van slaafgemaakten op Martinique durfde Tula in 1795 op Curacao om zijn vrijheid te vragen. De eigenaar van Plantage Knip, Caspar Lodewijk van Uytrecht had daar geen oren naar. Daarop trok Tula letterlijk en figuurlijk als een nieuwe Spartacus met 2000 man naar de gouverneur in Willemstad. Maar ook dit verhaal liep slecht af.

Museum Tula landhuis Knip in 2014 Foto: Marina Marijnen

Ter herinnering werd in 2010 in Landhuis Knip een museum gesticht. In de herziene Canon van Nederland heeft Tula naast de twintigste eeuwse Surinaamse auteur Anton de Kom vorig jaar ook een plek gekregen. Een opstand in Suriname onder leiding van Adyako Benti Basiton, alias Boston Band, had meer succes. Zijn bemiddeling met het koloniale bewind resulteerde op 10 oktober 1760 in een verdrag met ‘de bevreedigde boschneegers achter Auka’.

In de collectie van het Rijks zijn weinig objecten te vinden die direct aan de slavernijgeschiedenis herinneren. Maar met wat vindingrijkheid werden wel objecten gevonden die daar indirect mee kunnen worden verbonden. Zo keert Rembrandts huwelijksportret van Oopjen Copit uit 1934 in een verrassende hoofdrol terug. Als huwelijks geschenk ontving zij met haar echtgenoot Marten Soolmans een bedrag van 47.000 gulden. Zelfs niet omgerekend naar huidige maatstaven ook nog een vorstelijk bedrag!

Waar kwam al dat het geld vandaan?
Martens welstand was te danken aan zijn vaders handel in Braziliaanse suiker, die in de suikerbakkerij  ’t Vagevuur in Amsterdam werd geraffineerd.  Een toepasselijke bedrijfsnaam, want het gebruiksklaar maken van ruwe suiker ging gepaard met veel hitte en stonk ‘als de hel’. Een concurrent prees zìjn suiker aan met:   …’Hier is de Hel. Daar is het wel. Al is het wat duur. Nog is het beter hier als in ’t Vagevuur’!…

Op veel schilderijen en prenten van Frans Post is de oogst en verwerking van suikerriet afgebeeld. In de expositie zijn ook de enorme kapmessen, waarmee het riet werd gesneden, te zien. In de suikermolens werden de stengels gekneusd; een gevaarlijk werkje, dat de oververmoeide slaafgemaakte nog wel eens een hand kostte. Daarna werd het opgevangen sap gekookt en gezuiverd in het kookhuis. In de tentoonstelling kunt u zo’n zogenoemde kappa zien. Bedenk daarbij dat de plantagehouder bij de productie van suiker geheel afhankelijk was van de kennis van de zwarte arbeiders. In de vorm van kegels werd de ruwe suiker voor verdere behandeling naar Nederland vervoerd.

Portret van Oopjen Coppit Rembrandt, 1634, Rijksmuseum Amsterdam

En hoe zat het met Oopjen? Naast de opgeplakte tache de beauté werd op Oopjen’s blazoen ook een smet gevonden. Haar tweede echtgenoot Maerten Dey had tijdens zijn verblijf in Nederlands Brazilië slaven gehouden en dat niet alleen. Getuige de notulen van de kerkenraad (…) van Paraïba werd hij in 1635 –overigens ongestraft- aangeklaagd voor mishandeling en verkrachting van de tot slaaf gemaakte Francesca. Met wie hij ook een kind had. Wanneer zij tijdens de rondleiding van de koning stilstaat bij Oopjens portret vraagt Evelien Sint Nicolaas zich hardop af of Oopjen dat zou hebben geweten…

Na bezoek aan de suikerplantage van zijn voorouders spreekt kunsthistoricus Gijs Stork met plaatsvervangende schaamte over zijn (koloniale) familie geschiedenis. De tijden dat je trots was op een dergelijke pedigree zijn verleden. Een ooit letterlijk als ballast naar Suriname vervoerde baksteen nam hij als tastbaar herinnering aan de schuldige grond mee terug naar huis.

In de audiotour geeft Stork zijn stem aan regentenzoon Dirk van Hogendorp (1761 – 1822). Deze windvaan wisselde niet alleen verschillende malen van politieke kleur, maar hij ontwikkelde zich opmerkelijk genoeg van abolitionist tot slavenhouder.  Na de val van Napoleon begon hij in 1817 op de uitlopers van de Corcovado bij Rio de Janeiro een plantage. In zijn jonge jaren had Van Hogendorp in zijn toneelstuk Kraspoekol nog stelling genomen tegen slavernij, maar op zijn plantage werkten naast vrije- ook slaafgemaakte mensen.

Christoph Suhr, Portret van Dirk van Hogendorp, met een buste van Napoleon , ca. 1813, Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde, Leiden

Dirk van Hogendorp op Novo Sion, ca. 1820

Tot slot keren we nog even terug naar de West. Waar, in weerwil van haar naam, de vlucht van de slaafgemaakte Luckey dramatisch eindigde. Wanneer boven de bergen van Sint Maarten een wolkje hangt horen kinderen tweehonderd jaar na dato het grimmige sprookje over One-Tete, een gevluchte slaafgemaakte vrouw, die daar een potje zit te koken!

Misschien meer nog dan elders verlangden slaafgemaakten op Sint Maarten naar vrijheid, die op het Franse deel van het eiland tantaliserend dichtbij was. Luckey vluchtte de bergen in, maar ze werd gevangen. Haar naam, in de loop der tijd verbasterd tot One-Tete Lohkay, verwijst naar de prijs die ze voor haar vlucht moest betalen. Voor straf werd een van haar borsten geamputeerd. In een document dat in 2005 boven water kwam, waaruit blijkt dat zij echt heeft bestaan, wordt nòg een prijs genoemd. Voor 240 gulden wisselde zij van eigenaar.

Plantage The Retreat in Cul de Sac Samuel Fahlberg, 1816

In 1848 vluchtten slaafgemaakten op Sint Maarten naar de Franse kant van het eiland waar de slavernij was afgeschaft. Meer om praktische dan menslievende overwegingen vroegen de Nederlandse planters bij het gouvernement tevergeefs om afschaffing van de slavernij. Toen strenge straffen op het traineren van werkzaamheden en weglopen niets uithaalden bleef hen geen andere keus dan de slaafgemaakten hun vrijheid te schenken. Lang voor de afschaffing van de slavernij door Nederland. 

Engeland, Zweden, Frankrijk en Denemarken waren daartoe al in resp. 1834, 1847 en 1848 overgegaan. In dit rijtje neemt Nederland in 1863 een beschamende laatste plaats in.                                                                                                                
Nog beschamender zijn de woorden van het danklied dat de gezagsgetrouwe vrijgelatenen in Suriname ten gehore moesten brengen na het aanhoren van de proclamatie. De gouverneur sprak daarbij de hoop uit dat zij zich deze weldaad waardig zullen betonen.

Des konings naam zij hooggeacht
Den koning dank gebracht…..
(…)
Hij maakte ons, arme Negers vrij 
van schande en slavernij
God zegen Koning Willem Drie
Voor zoveel gunstbewijs..

Maar na deze officiële invrijheidsstelling waren de betrokkenen allerminst vrij.  Zij waren verplicht nog 10 jaar op de plantages te blijven werken. Ook daarna was het nog niet gedaan met de structurele ongelijkheid die tot de dag van vandaag voortduurt. De samenstellers van de tentoonstelling hopen deze zal bijdragen aan een vollediger beeld van de geschiedenis en beter onderling begrip en dat de bezoekers gaan nadenken over verleden, heden en toekomst. Met dat doel worden tal van activiteiten georganiseerd, zoals een wekelijkse Talskshow onder leiding van Jörgen Raymann, rondleidingen met gebarentaal en zelfs een zogenoemde prikkelarme avondopenstelling.  Bij het eindpunt worden ze bevraagd naar het effect van hetgeen ze gezien en gehoord hebben. Gevolgd door een uitnodiging om in het atelier ‘Look at me now’ met de kunstenaars David Bade en Tirzo Martha van het Curaçaose collectief Instituto Buena Bista mee te werken aan de creatie van tien nieuwe, op de historische personages geïnspireerd, kunstwerken. 

Kunstwerk geïnspireerd op Surapati met inbreng van bezoekers Foto: Marina Marijnen

Literatuur:

E. Sint Nicolaas e.a., Slavernij, Rijksmuseum, Amsterdam, 2020

R, van Gelder, Dichter in de Jungle, biografie over John Gabriel Stedman, Amsterdam, 2020

Links:

Bezoek het Rijksmuseum

Look at me Now

Instituto Buena Bista

Aan slavernij gerelateerde artikelen van Marina:

Schipperen tussen zwart en wit, 2001. Reformatorisch Dagblad. 

HIER. Zwart in Rembrandts tijd.

Johan Maurits; bewogen beeld

Tentoonstelling Slavernij, eerder artikel over dit onderwerp op deze site

Essay met introductie op de uitgestelde Slavernij tentoonstelling

In afwachting van de openstelling van de Slavernij tentoonstelling geef ik in deze bijdrage een introductie op de bespreking die u hier binnenkort kunt lezen.

Het slavernijverleden is actueler dan ooit. Sinds de dood van de zwarte arrestant George Floyd vond de Amerikaanse protestbeweging bijna overal navolging. Wereldwijd groeit het bewustzijn dat het van de koloniale slavernij daterende racisme een bedreiging vormt voor fundamentele mensenrechten. Met de recente toekenning van de Olaf Palme Vredes Prijs aan de Black Lives Matter beweging is een belangrijke symbolische stap gezet in de erkenning van dit probleem. De door de VN ingestelde Internationale dag tegen racisme lokte, ondanks de lockdown, een grote multiculturele groep vreedzame betogers naar het Amsterdamse Westerpark. In het jeugdjournaal van 21 maart jl. sprak een zwarte jongen de veelbetekenende woorden: … ‘zoals ik hier sta tussen al deze mensen, voel ik mij iemand’

Omslag boek bij tentoonstelling ‘Zwart in Rembrandts tijd‘; Hendrick Heerschop, Koning Caspar, 1654 of 1659, Staatliche Museum zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn


Tegenwoordig worden we via de media vrijwel dagelijks aan het slavernijverleden herinnerd. De berichtgeving gaat niet zelden vergezeld van een roep om excuses. Met de expositie HIER. Zwart in Rembrandts tijd in het Rembrandthuis begon vorig jaar de samenwerking tussen 12 Nederlandse musea die in deze kwestie kleur bekennen. Eerder richtte het Tropenmuseum al een semi- permanente tentoonstelling in rond thema’s als discriminatie, racisme en stereotypering die gezien worden als erfenissen van slavernij en kolonialisme.
In de tentoonstelling Johan Maurits; kantelend beeld werd met een kritische blik gekeken naar de voorheen bewonderde bouwheer van het Mauritshuis, die van 1637-1654 gouverneur van Nederlands Brazilië was. En ook in de tentoonstelling Surinaamse School die tot eind mei te zien is in het Stedelijk, is de veelal pijnlijke erfenis van het slavernijverleden, met eigentijdse impressies van gevluchte slaven, op indringende wijze in beeld gebracht. Niet alleen op museaal gebied, maar ook op grootstedelijk niveau wordt metterdaad nagedacht over het slavernijverleden.

In Amsterdam en Middelburg, thuishavens van de WIC en de VOC, zijn in het recente verleden monumenten opgericht. Voor het Amsterdamse Oosterpark ontwierp de Surinaamse beeldhouwer Erwin de Vries in 2002 het Nationaal Slavernij monument. Op de Balans in Middelburg werd in 2005 het eenvoudig ogende, doch veelbetekenende monument van Hedi Bogaers geplaatst; een wit en zwart granieten blok, doortrokken met een rode (bloed)lijn. In 2013 verrees in Rotterdam Delfshaven het slavernijmonument van Alex da Silva op de Lloydkade.

Inmiddels hebben Amsterdam en Rotterdam onderzoek laten doen naar de mate waarin deze steden en hun inwoners betrokken waren bij de slavenhandel en de slavernij. Op 1 juli wordt de afschaffing van de slavernij herdacht, keti koti; de ketenen gebroken. Juist op die dag vond in de kamer een fel debat plaats over de vraag of er, zoals D66 en Christen Unie voorstelden, excuses moeten komen voor het slavernijverleden. Het NOS nieuws meldde dat de premier ‘er niet in mee ging […] wegens de vraag of je mensen van nu verantwoordelijk kunt houden voor het verleden’…     

Van een kamer meerderheid leek toen geen sprake te zijn, maar het laatste woord is er nog niet over gezegd. Op initiatief van D66 en Groenlinks werd wel besloten om 2023 uit te roepen tot herdenkingsjaar. Dan zal het 150 jaar geleden zijn dat slaven ècht vrij werden. Hoewel de slavernij in ons land in 1863 werd afgeschaft, moesten de ‘vrij’ gemaakten verplicht nog tien jaar op de plantages blijven werken!

Voorafgaand aan het herdenkingsjaar 2023 presenteert het Rijksmuseum de tentoonstelling Slavernij. Ingericht rond een zwarte bladzijde in onze geschiedenis, die je tegenwoordig niet meer achteloos kunt omslaan. In het Rijksmuseum werd tot voor kort de glorieuze kant van de vaderlandse geschiedenis verteld. In deze expositie wordt voor het eerst de keerzijde van dat succesverhaal verteld.
Op de scholen van hun jeugd hoorden vijftig-plussers, afgezien van de leestip De Hut van Oom Tom, niets over de handel in zwarte mensen. 

Anton de Kom, standbeeld van Erwin de Vries.

Maar dat is aan het veranderen, zoals ook blijkt uit de herziene Canon van Nederland. Tal van historische wetenswaardigheden die hele generaties op school moesten leren zijn sinds 22 juni jl. vervangen door nieuwe vensters op historische feiten. Voorheen genegeerde historische figuren mogen meedoen: belangrijke vrouwen als Maria van Bourgondië, Bettje Wolff, Aagje Deken en Marga Klompé. De rij wordt gesloten met nòg een bijzondere nieuwkomer: Anton de Kom, de anti-koloniale zwarte auteur van Wij Slaven van Suriname. Als kleinkind van een tot-slaaf-gemaakte man wist hij waarover hij schreef.

Met De Kom zijn we terug bij de geschiedenis van de slavernij.  Een geschiedenis die minder ver achter ons ligt dan je wellicht zou denken. Wanneer je vier of vijf generaties teruggaat kom je in nogal wat stambomen slaafgemaakten èn slavenhouders tegen. Soms zelfs beide in één familie, zoals cabaretier Jörgen Raymann, toneelschrijfster Bodil de la Parra en het hoofd Geschiedenis van het Rijksmuseum, Valika Smeulders tot hun (onaangename) verrassing ontdekten.

Gevraagd naar haar mening over schuld aan het slavernij verleden, antwoordde Smeulders in een interview met de Volkskrant van 2 juli 2020… … ‘ik vind schaamte en schuld totaal niet nodig. Dit gebeurde honderden jaren geleden. Niemand die nu leeft heeft daar direct verantwoordelijkheid voor’. Ze is echter wel van mening dat mensen van nu de verantwoordelijkheid hebben om kennis te nemen van het slavernij verleden en beseffen dat het koloniale verleden een donkere keerzijde heeft.

In diezelfde krant van 13 maart 2020 vond ik een interview met de Nederlands-Surinaamse schrijfster Ellen Ombre. Zij is evenals Smeulders van gemengde afkomst en neemt, anders dan veel aanhangers van de BLM beweging, een gematigd standpunt in.   
Ellen Ombre, die afstamt van ‘negers’ (ze gebruikt het n- woord naar eigen zeggen met trots) en gevluchte Sefardische Joden komt in dit stuk terug op haar kijk op ‘joden en negers’ als slachtoffers. In de overtuiging dat de blanke, ‘zoals ‘de witte man’ toen werd genoemd veel op zijn racistische en antisemitische kerfstok had’, eigende zij zich hun slachtofferschap toe.
Naarmate Ombre zich meer in de geschiedenis verdiepte ontdekte ze, o.a. door lezing van John Gabriel Stedmans, Reize naar Suriname [etc.]  1800, dat Afrikaanse heersers aan de westkust van Afrika zèlf deelnamen aan de trans-Atlantische slavenhandel. Zonder hen was de Europese slavenhandel niet mogelijk geweest. Tijdens een studiereis ontdekte Ombre bovendien dat slavernij in Benin en Gabon nog steeds plaats vindt.

Johannes Vingboons, Gezicht op het Casteel van Mina, 1665, Koninklijke Bibliotheek,
Den Haag

Benin en Gabon vormen helaas geen uitzondering. NOS NL maakte 29 januari jl. melding van de vrijlating van 140 Braziliaanse slachtoffers van moderne slavernij. Dit aantal bracht de teller van de sinds 1995 actieve Braziliaanse anti-slavernijwerkgroep ‘Operation Rescue’ op de bevrijding van 55.000 moderne slaven. Slachtoffers van schuldslavernij, zoals migranten die mensensmokkelaars moeten afbetalen en mensen die onder mensonwaardige omstandigheden arbeid moeten verrichten.  

Ook in Azië en de Emiraten en zelfs dichter bij huis in de ‘beschaafde’ wereld, worden arbeiders uitgebuit. Ondanks de reeds in 1839 opgerichte Anti-Slavery International beweging leven naar schattingen van deze NGO miljoenen mensen in moderne slavernij. 

Nog even terug naar Ellen Ombre. Toen zij ontdekte dat Sefardische joden eveneens een aandeel hadden in de trans-Atlantische mensenhandel, was het met de trots op haar joodse roots eveneens gedaan. Ze zag in dat de geschiedenis met hoofdstukken over  slavenhandel, slavernij, discriminatie en Jodenvervolging geen zwart-wit verhaal is van uitsluitend witte daders en zwarte slachtoffers.

Over deze ongemakkelijke ontdekking doen ook de Nederlands-Surinaamse schrijfsters Tessa Leuwsha en Bodil de la Parra verslag.   
In haar roman Plantage Wildlust, schetst Leuwsha de hemeltergende misstanden tijdens de nadagen van het plantagesysteem in Suriname. In Azië geronselde ‘vrije’ contractarbeiders werden ruim zestig jaar na afschaffing van dè slavernij nog steeds mensonwaardig behandeld.

Hendrik Huygens, gezicht op een aantal huizen aan een rivier, mogelijk Jodensavanne aan de Surinamerivier 1849 – 1851, Rijksmuseum Amsterdam

In Het verbrande huis beschrijft De la Parra herinneringen aan haar jeugdvakanties in Suriname. Op zoek naar haar voorouders neemt ze de lezer mee naar Jodensavanne. Gevlucht voor de Spaanse inquisitie mochten Sefardische joden hun geloof hier, zo’n 50 km ten zuiden van Paramaribo, sinds 1667 in vrijheid uitoefenen. Van de uit steen opgetrokken synagoge Beracha Ve Shalom (Zegen en Vrede) rest blakend onder de tropische zon slechts een verbrande ruïne. De bespiegelingen van de schrijfster brengen mijn herinneringen aan deze verstilde, ogenschijnlijk vredige plek terug. De joden op deze locatie waren echter niet de enige ontheemden. Voor het werk op hun nieuw aangelegde plantages kochten de joodse nieuwkomers de eveneens uit den vreemde aangevoerde Afrikaanse arbeidskrachten.

Aan wal maakt De la Parra zich los van de groep luidruchtige toeristen. Terwijl zij zich voorbereidt op de confrontatie met haar schuldige (?) verleden loopt zij met haar neef snel voor de groep uit naar de begraafplaats. Wanneer ze het zakje meel dat de gids hen meegaf uitstrooien op de zerken, komen de namen van de doden aan het licht. Er liggen heel wat De la Parra’s. Verderop bereiken ze de overwoekerde dodenakker van de slaafgemaakten. Meel is hier niet nodig. De naamloze graven worden gemarkeerd met halfvergane houten paaltjes. Noel knielt neer en heft zijn armen: …’Hé mensen, jullie daar, in de hemel. Het spijt me verschrikkelijk, maar ik ben een halve Hindoestaan, dus ik heb maar voor de helft bloed aan mijn handen.’

In het vorig jaar uitgezonden televisieprogramma Verborgen Verleden volgde de camera nazaten van slaafgemaakten. Lopend over de sinds lang verlaten plantages leverde hun zoektocht verwarrende, boze en ontroerende beelden op.  

Ook de achtdelige podcast de Plantage van onze voorouders bevat opmerkelijke momenten. Journalist Maartje Duin doet een ongemakkelijke ontdekking: een van haar voorouders was in 1863 mede-eigenaar van suikerplantage Tout Lui Faut aan de Surinamerivier. Ze ontmoet nazaten van slaafgemaakten die destijds aan die grond gebonden waren. Wanneer ze haar plannen aan haar moeder Albertine, barones van Lynden, vertelt reageert deze niet enthousiast: …’waarom zou je dat allemaal oprakelen?… Omdat dat nog nooit gebeurd is. Het ongemak wordt weggespoeld met …. ‘Nog een wijntje?’

Tijdens het draaien komt de tegenwoordig onvermijdelijke schuldvraag ter sprake, waarop de moeder van de journaliste repliceert zich niet verantwoordelijk te voelen voor gedane familiezaken in het verleden.

Voor een historisch overzicht van de slavernij moet je bij Dick Harrison zijn. In de vuistdikke Geschiedenis van de Slavernij brengt Harrison de lezer via de vroegste ‘beschavingen’ en bijbelse tijden, via Oost-Afrika en de West naar onze tijd. In het hier en nu worden mannen en vrouwen in Mali, Ghana, Angola en de Emiraten onder mensonwaardige omstandigheden voor een hongerloon uitgebuit. Het meest bekende voorbeeld is de bouw van de stadions voor het WK voetbal in 2022 in Quatar. Wegens ongelukken en uitputting bij lange werkdagen in temperaturen van 45º  zijn naar schatting al duizenden doden gevallen.

De huidige schuldvraag naar verantwoordelijkheid voor slavernij, kwam in bijbelse tijden ook al aan de orde. In het bijbelboek Job 31: 13 vraagt Job zich af hoe hij zich aan de hemelpoort zal moeten verantwoorden:

Als ik mijn slaaf of slavin ooit hun recht ontzegd heb, wanneer wij van mening verschilden, wat zal ik dan beginnen als God […] mij ondervraagt; wat kan ik antwoorden?
Maakte hij hen in de moederschoot niet net als mij, vormde een en dezelfde ons niet eender in de moederbuik?

Amanda Gorman Kelia Anne/Sun Literary Arts/ AP

Op 20 januari jl werd de nieuwe president van Amerika, Joe Biden, geïnaugureerd. Voor velen betekende het optreden van Amanda Gorman het hoogtepunt van de plechtigheid. Uit de mond van deze jonge zwarte vrouw klonk in tijden van uiterste verdeeldheid, een positief geluid. Met haar gedicht, The Hill we climb, wist zij historische, bijbelse en de bizarre beelden van de bestorming van het Capitool te verbinden met een hoopvolle blik op de toekomst. Biden kon delen van haar gedicht zo opnemen in zijn beleid: … ‘To compose a country committed to all cultures, colors, characters, and conditions of man’... Haar positieve boodschap ging nog dezelfde dag ‘viral’. Iedereen sprak over Gorman die naar eigen zeggen …’van een zwart mager meisje, afstammend van slaven (…) uitgroeide tot een jonge vrouw, die droomt over een gooi naar het presidentschap in 2036’… De witte vrouw die daar enkele jaren geleden ook van droomde, Hillary Clinton, reageerde in een tweet  “I can’t wait”.

En na deze woorden kom ik dan bij de langverwachte Slavernij tentoonstelling in het Rijksmuseum. Een tentoonstelling waarin voor het eerst onderwerpen getoond worden die je in de gangbare geschiedenis niet ziet. Ondanks de schaarste aan objecten, die hebben toebehoord aan slaafgemaakten is het de tentoonstellingsmakers gelukt om, die andere kant van de vaderlandse geschiedenis op een levendige manier in beeld te brengen, waarover binnenkort in deel 2 over de Slavernij, meer op deze site.

Zie ook: 

Caravaggio-Bernini. Vroege barok in Rome. Rijksmuseum, Amsterdam tot en met 13 september 2020

Gian Lorenzo Bernini, Medusa, Rome, 1638–1640, Rome, Musei Capitolini, Palazzo dei Conservatori

Nederlandse musea die de naam van een beroemde kunstenaar als publiekstrekker ‘ijdel’ gebruiken kregen tot voor kort de volgende kritiek: 

’Voor Velazquez moet je in Madrid zijn, voor Caravaggio in Italië’….

Dit verwijt kun je de samenstellers van de tentoonstelling Caravaggio & Bernini niet maken. Zij zijn respectievelijk met twaalf en dertien werken aanwezig. Van Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) is ook nog een zelfportret te zien.

Gelukkig had ik voor sluiting van de musea nog de gelegenheid diverse voorjaarstentoonstellingen te zien, zodat u deze via mijn besprekingen toch kunt bezoeken. In dit stukje neem ik u mee naar de tentoonstelling over de vroege barok in Rome met werk van Caravaggio, Bernini en tijdgenoten. Op de drempel van de 17e eeuw vond in Rome een revolutie op artistiek gebied plaats. Voor het weergeven van Jezus, Maria en katholieke heiligen introduceerde Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) een ongebruikelijke realistische stijl, waarin zij getoond werden als doodgewone mensen. Niet iedereen was gecharmeerd van zijn ongepolijste stijl. Verschillende Romeinse prelaten erkenden Caravaggio’s talent, maar zeiden ze:…’hij misbruikt het!’…Toch vond zijn vormentaal veel navolging. Zoals de bezoekers van de tentoonstelling Utrecht, Caravaggio en Europa uit 2019 zich vast nog herinneren. Fris uw geheugen op met de bespreking in mijn archief.  

In de reeks internationaal georiënteerde duo-exposities, biedt het Rijks na Rembrandt-Velazquez, nu een podium aan Caravaggio, Bernini en tijdgenoten. Schilderijen en sculpturen worden op verrassende wijze gecombineerd. Evenals de figuren van Caravaggio worden ook Bernini’s marmeren portretbustes en grotere sculpturen gekenmerkt door een naturalistische touch, emotie èn nonchalance.

Zaalimpressie Tentoonstelling Caravaggio en Bernini in Het Rijksmuseum, Amsterdam Foto: Olivier Middendorp

Het Italiaanse vormgevers duo Formafantasma heeft rust gebracht in de presentatie van de uiterst beweeglijke, barokke objecten. In de witte museumzalen kozen zij als draagvlak voor de getoonde kunstwerken een daarmee corresponderende- òf contrasterende tint: okergeel, roestbruin, perzik, blauw-grijs en een niet makkelijk te benoemen rose tint. Wanneer ik Simone en Andrea om de exacte kleur vraag denken ze even na om zich er -ze weten het ook niet- lachend van af te maken: just pink!

Toen de katholieke kerk tijdens de voortschrijdende reformatie terrein verloor werden tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) maatregelen genomen om het tij te keren. Naast hervormingen binnen de bestaande kerk zagen kerkleiders in de beeldende kunst mogelijkheden om gelovigen voor de moederkerk te behouden en afgedwaalde schapen terug te lokken. Zo ontstond de prachtlievende kunststroming, die als de Barok de geschiedenis is in gegaan; vernoemd naar een grillig gevormde parel: de barocco.

Directeur Taco Dibbits noemt de universele drijfveer achter het ontstaan van barokke kunst: …. emotie

Caravaggio en Bernini voegden aan die soms wat zoetgevooisde vormentaal een aardse component toe. Met een rauw realistische toets trachtte Caravaggio de toeschouwer emotioneel aan te spreken; Bernini deed dat middels zijn naturalistische beeldtaal.

De tentoonstelling trok eerder in het Weense Kunsthistorisches Museum 340.000 bezoekers. Door de Covid-crisis zal dat aantal in Amsterdam nooit bereikt worden. Daar helpt geen lieve Sint Corona meer aan. Deze martelares uit de 2e eeuw wordt op meerdere feestdagen herdacht: 20 februari, 24 april, 14 mei en 18 september. De kans dat één van deze data profetische betekenis zal krijgen voor het einde van deze crisis lijkt te vervliegen….

We beginnen ons virtuele bezoek aan de tentoonstelling met een Italiaans lesje. De expositie is ingericht naar de volgende thema’s:  
Meraviglia & Stupore, Orrore & Terribilità, Amore, Visione, Passione & Compassione, Moto & Azione, Vivacità, Antichità & La gran Maniera greca en Scherzo. Ook zonder kennis van het Italiaans zijn de Engelse equivalenten met gemak herkenbaar.                                                                                          
In de sectie Meraviglia & Stupore wordt ik inderdaad op verbazingwekkende wijze getroffen door Caravaggio’s Narcissus uit 1601.

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Narcissus, ca.1600, Gallerie Nazionali d’Arte Antica, Palazzo Barberini, Rome

De manier waarop de schilder dit droevige verhaal uit Ovidius Metamorfosen in beeld brengt is illustratief voor Caravaggio’s vernieuwende realistische stijl. Zonder landschappelijke achtergrond zoomt hij in op de beeldschone jager die, nadat hij haar had afgewezen, door de wraakgodin Nemesis gedoemd is tot eeuwige eigenliefde. Bij het aanschouwen van zijn in het water gereflecteerde gelaat, wordt hij verliefd op zichzelf. Wanneer hij zijn spiegelbeeld tracht te omarmen belandt hij in de koele meren des doods.

In zijn toelichting neemt conservator Frits Scholten zijn gehoor middels een dia even mee naar Caravaggio’s schilderijen in de Contarelli kapel in de San Luigi dei Francesi in Rome, waar de evangelist Mattheus opgeschrikt door de engel, een krukje omver stoot. Dit detail, dat ik voor zelfstudie aanbeveel, werd door de beeldhouwer Mochi met een knappe kunstgreep in marmer overgenomen in diens Annunciatie uit de kathedraal van Orvieto. Een vroeg voorbeeld van het nieuwe realisme dat zich in de eerste helft van de 17e eeuw in Italië manifesteert.  

In de tentoonstelling is te zien dat het niet bleef bij hier en daar een ontlening. Naar het antieke gebruik van emulatio probeerden kunstenaars elkaar op artistiek gebied te evenaren of te overtreffen. De 16e eeuwse kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari memoreert een uit de hand gelopen  voorbeeld tussen de schilders Giovanni Baglione en Caravaggio. In opdracht van kardinaal Benedetto Giustiniani trachtte Baglione met zijn in de expositie aanwezige Amor Sacro e amor profano in 1602 een werk dat Caravaggio voor Benedetto’s broer Vincenzo had geschilderd, te overtreffen. In chiaro-scuro gemodelleerd neemt Baglione de uitdagende houding van Caravaggio’s engel uit diens Amor Vincit Omnia in de Gemäldegalerie Berlijn, over. Naar eigen zeggen beeldde hij de goddelijke liefde uit, terwijl Caravaggio meer doelde op de aardse (volgens sommigen homo erotische) liefde. De gelijkenis met Caravaggio’s werk was overduidelijk en gaf indertijd aanleiding tot spotverzen. Baglione diende een aanklacht in, waarna Caravaggio, die daar een aandeel in had, werd opgepakt.

Giovanni Baglione, Goddelijke en aardse liefde, Rome ca.1602, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn

Caravaggio was een vernieuwer. De expositie laat zien dat veel tijdgenoten bij hem de kunst afkeken, zoals Guido Reni en Manfredi. In hun bijdragen zijn echo’s van Caravaggio’s sensuele naakte jongelingen te zien, zoals in verschillende door hem geschilderde versies van Johannes de Doper.

Onder de noemer Affetti, doorgaans gebezigd voor positieve gevoelens van genegenheid, worden in de tentoonstelling ook werken met negatieve emoties getoond, zoals Caravaggio’s, Jongen gebeten door een hagedis. Close-up schilderde Caravaggio het van pijn vertrokken gelaat van een aanstellerige jongeling. Geweldig om dit veelvuldig gereproduceerde werk in het echt te zien!

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Jongen gebeten door een hagedis ca. 1597-1598, Fondazione di Studi di Soria dell’Arte Roberto Longhi, Florence

Rond het midden van de 17e eeuw experimenteert Bernini ook met soortgelijke geëmotioneerde gelaatsuitdrukkingen, zoals in zijn fantastische kop van een verdoemde, de Anima Dannata, in het Palazzo di Spagna en de vier groteske koppen in de sectie Scherzo. Voor een waarheidsgetrouwe afbeelding van een van pijn vertrokken gelaat, bestudeerde Bernini zijn spiegelbeeld terwijl hij zich opzettelijk aan een paar gloeiende kolen brandde.

Gian Lorenzo Bernini, groteske mannenkop, 1650-1655, Part.coll. Rome

Anders dan de overlevering wil, vervaardigde Bernini deze koppen niet voor de koets van Paus Innocentius X, maar voor zijn eigen rijtuig. Op weg naar de Piazza Navona, waar op 12 juni 1650 zijn Fontana dei quattro fiumi zou worden onthuld, moesten deze kwaaie koppen de voorbijgangers waarschuwen om aan de kant te gaan!

Ook interessant is Bernini’s uit marmer gehouwen kop van de Medusa, dat gekozen werd als campagnebeeld. Anders dan de gebruikelijke afschuwwekkende afbeeldingen van de met een kop vol kronkelende slangen gestrafte (voorheen mooie) Medusa, zoals die van Caravaggio in de Uffizi, wekt Bernini’s droevige Medusa veeleer medelijden.

In de themazaal Orrore & Terribilta wordt het nog erger. Was eerder sprake van de doelstelling de beschouwer emotioneel aan te spreken; de nu getoonde beelden moeten hen schrik aan jagen. De indrukwekkende, gekwelde soms schuldbewuste koppen zijn ook veelal geïnspireerd op  Caravaggio’s voorstellingen van David met het hoofd van Goliath, die ook in de Utrechtse Caravaggio tentoonstelling te zien waren.

Met het thema vivacita gaat de tentoonstelling verder met levensechte geschilderde en gebeeldhouwde portretten. Zoals Francesco Mochi’s, marmeren kop van een Jongeling uit Chicago.

Francesco Mochi, Bust of a Youth (Saint John the Baptist), Chicago (IL) Art Institute of Chicago

Bernini, Scipione Borghese, 1632

Blikvanger in deze ruimte is het bijzonder realistische marmeren busteportret van kardinaal Scipione Borghese, dat ik even aanzag voor een werk van Bernini. Mijn vergissing blijkt niet zo gek: het werk is van Bernini’s tovenaarsleerling Giuliano Finelli, die de kardinaal in zijn versie in de Galleria Borghese op bijna identieke wijze modelleerde. Een goed gelukt geval van emulatio.
Let op de minieme verschillen in details als het plukje haar dat nog net onder de kardinaalsbonnet uitpiept en de bijna tastbare iets opstaande kraag met daaronder de rouches van zijn onderkleed. De levensechtheid wordt nog vergroot door het tijdens het aankleden in kennelijke haast slordig overgeslagen knoopje van zijn soutane!

Giuliano Finelli, Kardinaal Scipione Borghese, 1632, The Metropolitan Museum of Art, dank zij een schenking van Louisa Eldridge McBurney, 1953

Eveneens imponerend is Caravaggio’s Portret van Fra Antonio Martelli (1607-1608), ridder van de orde van Malta. Niet alleen intrigerend wegens het realistische gehalte, maar meer nog wegens het achterliggende verhaal. Nadat Caravaggio Rome in 1605 wegens een moord was ontvlucht belandde hij via Napels op Malta. De grootmeester van de orde Alof de Wignacourt bood de van God losgeraakte schilder niet alleen onderdak en opdrachten, maar liet hem zelfs als lekebroeder toe tot de orde. Even leek het er op dat Caravaggio zijn leven beterde, maar hij verviel in zijn oude fouten en belandde weer achter de tralies. Hij ontsnapt. Achtervolgd door tegenslagen komt hij in 1610 ziek en uitgeput op het strand van Porto Ercole aan zijn einde.

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Fra Antonio Martelli ridder in de orde van Malta, Gallerie degli Uffizi, Florence

In betere tijden maakte Caravaggio het portret van de nog maar 28 jarige kardinaal Maffeo Barberini (1568-1644). Barberini kijkt even op van zijn lectuur. Te oordelen naar het formaat daarvan en het fleurige boeketje ernaast vast geen bijbel, maar eerder liefdespoëzie. Hier komen Caravaggio en Bernini even heel dicht bij elkaar.

In Barberini’s opdracht maakte de 19 jarige Gian Lorenzo Bernini, nog werkzaam in het atelier van zijn vader Pietro, een perfect beeld van de heilige Sebastiaan, dat ook in de expositie aanwezig is. Je hoeft geen kunsthistoricus te zijn om in de houding van Sebastiaan Bernini’s inspiratiebron te herkennen. Voor wie het even niet paraat heeft: Michelangelo’s Pieta uit de Sint Pieter, daterend van 1498-99. Kijk straks ook even naar de houding van Christus in de Bewening van Annibale Carracci, die eveneens naar dit voorbeeld gemodelleerd is.

Fantastisch om al deze werken hier in samenhang te zien. Dat geldt ook voor de talrijke close-up geschilderde (zelf)portretten en genrestukken van Caravaggio en zijn navolgers. In Angelo Caroselli’s Zingende man is invloed van Caravaggio’s musicerende figuren ook niet ver weg.

In navolging van Caravaggio’s Luitspeler in de Petersburgse Hermitage schilderden de Utrechtse Caravaggisten eveneens musicerende figuren, zoals Hendrik Terbrugghen’s luitspeelster uit 1627.

Bernini, detail kraag Thomas Baker

Bernini’s Portret van Thomas Baker (1638). Deze Engelsman, die Rome bezocht om Bernini voor een portretbuste van koning Karel I te charteren, liet zichzelf meteen ook even vereeuwigen! De fraai in marmer gebeitelde kanten kraag doet denken aan geschilderde exemplaren van Rembrandt en Anthony van Dyck. De portretkop is op welhaast lachwekkende wijze bekroond met een wat groot uitgevallen pruik!

Gian Lorenzo Bernini, Bust Thomas Baker (1606-1658) Rome 1637-1638, Victoria en Albert Museum, Londen

Tussen alle geschilderde en gebeeldhouwde objecten valt mijn oog op een bijzonder sculptuurtje van de heilige Veronica dat Francesco Mochi rond 1650 maakte. Afgezien van het tekstbordje wijst niets op haar identiteit. Haar attribuut, de zweetdoek waarmee zij tijdens de kruisweg het gezicht van Jezus afwiste, ontbreekt. Althans op het eerste gezicht. Heel geraffineerd graveerde Mochi deze bijzondere reliek, die tot de huidige dag bewaard wordt in de St. Pieter, aan de binnenkant van haar mantel.

Francesco Mochi, St.-Veronica, 1630/31 -1654, Particuliere Collectie, Engeland

Mochi was niet alleen groot in kleine sculpturen, van zijn hand ziet de bezoeker ook een monumentaal Paard in volle draf , waar de Britse paardenschilder George Stubbs, wiens oeuvre tot 1 juni de verstilde zalen van het Mauritshuis siert, nog jaloers op zou zijn.

Zaalimpressie Francesco Mochi, Paard in volle draf, 1616-1617, Galleria Pallavicini, Rome foto: Marina Marijnen

Onder de noemer Visione, waarmee stervelingen een kortstondige blik in de hemel wordt vergund, ziet de bezoeker o.a. Spadarino’s Christus toont zijn wonden, uit 1630. In reactie op het ongeloof van de discipel Thomas, legt Christus, terwijl hij de beschouwer indringend aankijkt, de vinger op de zere plek. Eerst zien dan geloven.  

Hier ook een reeks in mystieke extase verkerende heiligen. In deze staat van opperste vervoering komen zij nòg een stapje dichter bij God, die de sluier van het hemelse paradijs even oplicht. Hun lichaamshoudingen zijn veelal ontleend aan bijvoorbeeld Caravaggio’s Extase van St. Franciscus.

Ook Bernini waagde zich aan de uitbeelding van deze sublieme geestesgesteldheid. Hèt hoogtepunt van Bernini’s kunnen op dit gebied schittert door afwezigheid. Althans…de recensent van de Volkskrant schreef onlangs dat het lastig zou zijn geweest om de Extase van St. Theresia van Avila uit de Romeinse Cornaro kapel los te beitelen, waarna de auteur het thema laat liggen. Kennelijk heeft hij Bernini’s schitterende model, de zogenoemde videmus dat in de tentoonstelling wèl aanwezig is, over het hoofd gezien. Op kleine schaal, met enkele kleine wijzigingen is in Amsterdam te zien hoe Theresia zich met heel haar hart en ziel overgeeft aan de goddelijke extase.

Gian Lorenzo Bernini, De extase van St.-Theresia van Avila, 1647, Staatsmuseum de Hermitage, St.-Petersburg

In mijn recente impressie van de tentoonstelling Allemaal Wonderen in het Catharijne Convent leest u dat de goddelijke extase van Theresia van Avila ook de 16e eeuwse schilder Giuseppe Bazzani en Marina Abramovic inspireerde.

Deze eerste in terracotta uitgedrukte impressie van de opperste emotie van de mystica is een waar kleinood. In dit kleine presentiemodel is reeds alle emotie aanwezig, die Bernini op ware grootte wist over te brengen

Wanneer een kleine engel haar hart en ingewanden met een vurige gouden liefdespijl penetreert, ervaart de Spaanse non de mystieke eenwording met God. Bij het zien van dit werk zit ik weer in de collegebanken en hoor de lang vervlogen ondeugende opmerking van een sceptische kunsthistoricus:

                           …’if this is godly ecstasy, I know it very well’…

In de tentoonstelling ontdek ik nòg een in extase verkerende vrouw, Maria Magdalena, geschilderd door de enige vrouw in dit mannenbolwerk: Artemisia Gentileschi.

Artemisia Gentileschi, De extase van Maria Magdalena 1620-1625 of 1630-1635
Particuliere Collectie

Zij gaf haar niet weer in de hoedanigheid van boetvaardige zondares met vanitassymbolen en evenmin in aardse, zondige vervoering, maar in goddelijke extase. Zo op het oog is er in de weergave van beide vormen van gelukzaligheid weinig verschil. In 1612 voorzag Gentileschi de godin Danaë van eenzelfde gelaatsuitdrukking, terwijl zij de oppergod Zeus, vermomd in een stroom van gouden regen ontvangt.                                
Maria Magdalena heeft haar reputatie als vrouw van lichte zeden niet aan zichzelf te danken, maar aan een foutje van de laat 6e eeuwse Paus Gregorius de Grote. Tijdens een preek verwisselde hij haar met Maria van Bethanië, de door Lucas in hoofdstuk 7: 36 beschreven boetvaardige zondares. Maria Magdalena, afkomstig uit Magdala, wordt in Lucas 8: 2 e.v. genoemd. Zij was een van de vrouwen die het graf van Jezus leeg aantroffen.

Na dit te hebben rechtgezet staan we op weg naar de laatste zaal nog even stil bij het thema Scherzo. Hier zijn o.a. twee lieflijke beeldjes opgesteld, waarmee vader Pietro en zoon Gian Lorenzo Bernini de toon hebben gezet voor een eindeloze reeks al of niet waterspuwende tuinbeeldjes. Min of meer vrije kopieën van een Putto met een draakje en Putto gebeten door een dolfijn. Tijdens een vakantie in Italië ging ik als kind helemaal mee in de bekoring van mijn inmiddels 90-jarige moeder voor een dergelijk beeldje. Het staat, voorzien van een prachtig patina, nog altijd in haar inmiddels verwaarloosde tuin. 

Via het thema Amore, met verbeeldingen van nog meer aardse en hemelse liefde, waaronder een Courtisane van de Utrechtse Caravaggist Hendrick ter Brugghen, belandden we in de laatste zaal bij het thema La Gran Maniera Greca. Hier is een keur aan geschilderde en gebeeldhouwde classicistische werken te bewonderen, die anders dan wel gedacht wordt, nauw verwant zijn aan kunstwerken uit de Barok. Mooi voorbeeld is Nicolas Poussin’s Bacchanaal voor een herme uit 1633, waar saters en nimfen er, onder invloed van wijn lustig op los dansen. Poussin schilderde deze voorstelling nadat hij in Rome marmeren reliëfs met dergelijke voorstellingen op antieke sarcofagen had bestudeerd. Leuk is het beeld van de sater rechts in de achtergrond, waarvan in de expositie enkele soortgenoten van vader en zoon Bernini te zien zijn.

Nicholas Poussin, Bacchanaal voor een herme, 1632-1633, The National Gallery, Londen

Ook Francois du Quesnoy was een groot liefhebber van oudheden. Van zijn hand ziet de bezoeker een reliëf in verguld brons van een slapende Silenus die door bedrijvige putti met rode kleurstof wordt bewerkt.

Francois du Quesnoy, Slapende Silenus met putti, Rubenshuis Antwerpen
Foto: Marina Marijnen

Behalve met dit kleine modello verrast hij de bezoeker met een monumentaal beeld van een dansende bosgod: de zogenoemde Rondinini faun. Niet alleen interessant door het formaat en de uitstraling, maar ook wegens de  ontstaansgeschiedenis. In de 16e en 17e eeuw werden in Rome steeds meer antieke sculpturen opgegraven, die met hun schoonheid en perfecte proporties  kunstenaars als  Michelangelo, Leonardo, Bernini en zijn leerlingen tot eigen creaties inspireerden.

Zo ook Francois du Quesnoy, leerling en huisgenoot van Bernini. In wiens atelier opgegraven antieke beelden met archeologische precisie, bestudeerd en nagemaakt of zo goed als nieuw gerestaureerd werden, zoals deze Rondinini faun.  

Het vervaardigen van een sculptuur naar antiek voorbeeld was voor Bernini’s leerlingen geen probleem. Het portretteren van een levend model vormde een ander verhaal. Het verhaal gaat dat Bernini zijn leerlingen daarom adviseerde om een levend model met meel te bestrooien. Weliswaar werden deze minder herkenbaar, maar hun eigenaardigheden zouden duidelijker worden, waardoor het karakteriseren van de persoon in kwestie zou worden vergemakkelijkt.

Francois du Quesnoy, Rondini faun, 1630-1635, The British Museum, Londen

Deze prachtig gemodelleerde bosgod danst lichtvoetig over een staf, terwijl hij zichzelf met twee zwaaiende (nee, geen lege wijnschalen) cimbalen begeleidt. In opdracht van Alessandro Rondinini slaagde Du Quesnoy erin om van een gehavende archeologische torso weer een complete antieke man te maken. Een in extase geraakte volgeling van de wijngod Bacchus, wiens metgezellen we ook in Poussins Bacchanaal in actie zien.

Als slotakkoord van mijn impressie heb ik Bernini’s terracottamodel van de triton in de Fontana del Moro op het Piazza Navona gekozen. In dit beeld is alle opgedane kennis uit de bestudering van antieke beelden en de anatomie van het mannelijk lichaam samengebald tot een fantastische barokke creatie van atto en mozione, actie en beweging, aangevuld met emotie en bijzonder actueel: inclusie. De triton draagt de naam die de volksmond hem heeft toebedeeld il moro, met trots!

Bibliografie

L. Helmus e.a., Caravaggio en Europa, Centraal Museum Utrecht. 2018.

S. Weppelmann e.a., Caravaggio & Bernini: vroege Barok in Rome, Rijksmuseum Amsterdam. 2020.

Link: Caravaggio-Bernini. Barok in Rome Rijksmuseum Amsterdam

Link: Allemaal wonderen, Museum Catharijneconvent (gesloten)

Link: Hier, Zwart in Rembrandts tijd, Rembrandthuis (gesloten)

Link: George Stubbs – De man, het paard, de obsessie. Mauritshuis Den Haag

Link: Video met tableau vivant schilderijen van Caravaggio (Youtube)

High Society: Marten, Oopjen & Friends, Rijksmuseum Amsterdam tot en met 3 juni 2018.

 

Marten, Rijksmuseum
Rembrandt van Rijn, Marten Soolmans, 1634, Rijksmuseum Amsterdam

Oopjen, Louvre
Rembrandt van Rijn, Oopjen Coppit,1634, Musee du Louvre, Parijs

Heeft u ze al gezien? Onlangs stond ik eindelijk oog in oog met Marten en Oopjen. Waren deze portretten van Rembrandt alle publiciteit en het geld: 160 miljoen euro, waard? Ja, zonder meer!

Rembrandt, Oopjen detail

Wat een indrukwekkende portretten van dit piepjonge huwelijkspaar; hij 20 en zij 22 jaar oud. Hoeveel tinten zwart zijn na de restauratie wel niet achter het vergeelde vernis tevoorschijn gekomen? Het contrasteert fraai met het wit van Oopjens kraag èn haar blanke gelaat, dat destijds als schoonheidsideaal gold. Alleen boerenvrouwen waren zongebruind. Haar blanke huid wordt echter ontsierd door de ‘blauwe plek’ op haar slaap. Tegenwoordig worden oneffenheden gecamoufleerd maar in de 17e eeuw brachten deftige dames expres een schoonheidsvlekje aan.

Mouwomslag, kant, Oopjen
Rembrandt van Rijn, Detail mouwomslag van Oopjen Coppit, 1634, Musee du Louvre, Parijs

Fraai geschilderd zijn de modieuze platte kragen. De onhandige molensteenkraag was rond 1630 passé. Soms suggereerde Rembrandt (de illusie van) ragfijn kant met witte verf aangebracht op een zwarte ondergrond. Soms werkte hij andersom en schilderde zwarte toetsen op een witte ondergrond, zoals mooi te zien in het detail van een manchet.

Hoe het ook zij: het resultaat is altijd overtuigend. Over de enorme rozetten op Martens schoenen (leuk item in de kinderspeurtocht) is al veel geschreven. Beetje over de top deze statussymbolen van een nouveau riche. Ook met Oopjens mooie broche, de trouwring aan haar wijsvinger en de waaier afficheert het stel rijkdom. Daar hoefde je je niet voor te schamen mits verworven door hard werken en bidden: Ora et Labora. Martens vader, een uit Antwerpen gevluchte protestant, had in Amsterdam fortuin gemaakt met een suikerraffinaderij. Uit betrouwbare bronnen is bekend dat vader Soolmans moeite had met een christelijke levenswandel. Als straatvechter werd hij wegens zijn agressieve gedrag door de kerkenraad regelmatig op het matje geroepen. Een dingetje dat de samenstellers van de speciale editie van de Privé discreet hebben laten liggen.

In de introductiefilm vertelt de voormalige eigenaar van de monumentale doeken, baron de Rothschild dat hij zijn halve leven heerlijk heeft geslapen, terwijl Marten en Oopjen ter linker en rechterzijde over hem waakten. En al die tijd mochten zij lekker met hem mee roken verklapt hij lachend. Het rookgordijn is inmiddels vakkundig verwijderd.

Ter gelegenheid van hun make-over en tijdelijk verblijf in Amsterdam – zij hebben een tweede huis in Frankrijk – heeft het Rijksmuseum een feestje georganiseerd. Vanuit de hele wereld zijn de gasten ingevlogen. Celebrities geportretteerd door befaamde kunstenaars als Lucas Cranach, Frans Hals, Velazquez, Veronese, Van Dijck, Manet, Munch, Goltzius, Gainsborough en Reynolds.

Wat opvalt is dat allen ten voeten uit geportretteerd zijn in een verscheidenheid aan stijlen en periodes; leuk om het modebeeld door de eeuwen heen te volgen!  Sommige portretten zijn statisch geënsceneerd in een interieur, andere hebben een landschappelijke achtergrond. Sommige beeltenissen zijn realistisch andere lijken geïdealiseerd. Portretten van eenlingen, huwelijksportretten en een enkel familieportret, zoals het echtpaar Iseppo en Livia da Porto. Rond 1552 lieten zij zich met hun beide kinderen op speelse wijze vereeuwigen door Paolo Veronese. Een voorloper van Frans Hals in de prachtige met losse toets weergegeven stofuitdrukking. Ook hier niets nieuw onder de zon. Menige eigentijdse moeder herinnert zich, wellicht met weemoed, hoe haar dochtertje verlegen wegdook achter moeders rok of spijkerbroek. Wie tijdens de vakantie door de straten van Vicenza dwaalt op zoek naar de architectonische nalatenschap van Andrea Palladio kan vader Iseppo en zoon Leonida Porto ontmoeten; in gebeeldhouwde vorm sieren zij de gevel van het Palazzo Porto.

Veronese, Livia da Porto Thiene
Paolo Veronese, Gravin Livia da Porto Thiene en haar dochter Deidamia, ca 1552, Walters Art Museum, Baltimore

In de Hollandse Gouden Eeuw ontwikkelde het zogenoemde portrait historié zich tot een geliefd genre. Verschillende 17e eeuwers lieten zich portretteren als een bijbels of mythologisch personage. Een heel opmerkelijk voorbeeld van zo’n portret is in de expositie te zien. De Amsterdamse burgemeester Johan Colterman liet zich in adamskostuum vereeuwigen als de mythologische krachtpatser Hercules. Wellicht wekte dit portret ook toen al de lachlust, maar een ding is zeker: je moest Colterman niet tegen je hebben! Moedig was het wel. Welke burgemeester zou zich vandaag de dag zo bloot durven geven?

Goltzius, Hercules, Cacus
Hendrick Goltzius, Hercules en Cacus, 1613, Mauritshuis Den Haag (in bruikleen aan het Frans Hals Museum Haarlem)

Elke geportretteerde heeft zijn of haar verhaal, daarover doet niet alleen de informatieve en mooi uitgevoerde catalogus, maar ook een speciale editie van het roddelblad Privé een boekje open. De lezer komt alles te weten over historische modesnufjes als schaambuidels en (schoen)rozen, buitenechtelijke affaires en zwangerschappen, financiële problemen, een vorstelijke onthoofding, exorbitante feesten en excentrieke aristocraten.

Seinegger, Karel V
Jacob Seisennegger, Keizer Karel V met zijn hond, 1532, Kunsthistorisch Museum Wenen

Om met de mode in de 16e eeuw te beginnen. In de eerste zaal ziet de bezoeker een van de de oudste monumentale portretten: Jacob Seiseneggers portret van Keizer Karel V (ca. 1532). Hij gaf hem weer met de karakteristieke openhangende Habsburgse mond. De keizer draagt een goudkleurig wambuis met zwarte ‘bodywarmer’. De enorme pofmouwen moeten zijn geringe postuur wat imposanter maken, maar een echte macho is hij niet. Daar verandert de blikvanger, de modieuze braguette, midden in het portret niets aan. In de 15e en 16e eeuw werd de zogenoemde schaambuidel tussen de hozen (de losse broekspijpen) gedragen. Tegenwoordig wordt dit symbool van mannelijkheid  lachwekkend gevonden, maar handig was het wel om muntgeld en andere broekzak-spulletjes mee te nemen. Niet alleen koning, keizer en admiraal, maar ook de gewone man koketteerde met zijn braguette. In het statieportret dat Hans Holbein rond 1537 van Henry VIII (Walker Art Gallery, Liverpool) schilderde draagt de Engelse koning een bijzonder met strik gesierd exemplaar dat veel weg heeft van een paasei! Ook in de boerenbruiloften van Pieter Breughel zijn dansende boeren met dit in het oog springende kledingonderdeel toegerust.

Een dergelijk vertoon van viriliteit had Dr Samuel-Jean Pozzi (1846-1918) niet nodig. Geportretteerd in een fraise kleurige kamerjas, waaronder een Jort Kelderachtig pantoffeltje uitsteekt, kijkt deze donkerharige beau met zijn blauwgrijze ogen zelfverzekerd de wereld in. Hij was geliefd naar men zegt bij zowel dames als heren, onder wie de schilder. Pozzi was gespecialiseerd in gynaecologie, maar werkte ook als legerarts, respectievelijk chirurg, in de Frans-Pruisische oorlog en WO I. Medisch falen veroorzaakte zijn einde. In 1918 werd Pozzi door een ontevreden patiënt gedood. In de catalogus wordt het motief van de moordenaar vrij gegeven: de dokter had hem niet van zijn impotentie kunnen genezen. Dit portret zou niet misstaan in de tentoonstelling Frans Hals en de Modernen, dit najaar te zien in het Frans Hals Museum. De stofuitdrukking van de kamerjas en de subtiele, schetsmatige toets waarmee Singer Sargent de slanke vingers en de manchetten weergaf illustreren het motto van deze expositie op perfecte wijze: Frans Hals als inspiratiebron voor de impressionisten!

Sargent, Pozzi
John Singer Sargent, Dr Samuel Jean Pozzi, 1881, Hammer Museum los Angeles, schenking van de Armand hammer foundation

Een markante verschijning op het feestje in Amsterdam is Marchesa Luisa Casati. Giovanni Boldini zette haar in 1908 met vaart in een uitbundige Halsiaanse toets neer. Ik moest even denken aan de snelle foto van de koninklijke familie die op Koningsdag de voorpagina van de NRC sierde. De assistent van Erwin Olaf moet buiten beeld een enorme föhn of windmachine gehanteerd hebben; de blonde haren van Maxima en haar dochters are blowing in the wind!
De bij Oopjen reeds genoemde vele tinten zwart zijn hier met grijstonen gemengd en contrasteren prachtig met het lila en rozerood van haar sjaal en boeket. Over de markiezin deden wilde verhalen de ronde over buitenechtelijke relaties en ander onbetamelijk gedrag. Bij het uitwerken van mijn aantekeningen meende ik nog dat mijn fantasie met me aan de haal was gegaan, maar in de catalogus lees ik toch over haar jurk met gloeilampjes, die licht gaven op een draagbare generator. Deze 19e eeuwse Mathilde Willink wandelde met twee aangelijnde luipaarden door Venetië. En wat haar voorliefde voor genotsmiddelen betreft was ze haar tijd vooruit. Behalve van champagne en gin genoot ze af en toe van een snufje cocaïne, zoals haar blik lijkt te verraden.

Boldini, Marchesa Louisa Casati
Giovanni Boldini, Marchesa Luisa Casati met een windhond, 1908, particuliere collectie

Amusant tenslotte is de de 4-delige webserie van Koefnoen over de gasten van High Society.

Na de opzichtige pracht en praal van het hoge gezelschap wacht de bezoeker een warm aanbevolen toegift; de parallelle expositie Guilty Pleasures. Met het opschrift ‘expliciete beelden’ wordt de bezoeker gewaarschuwd c.q. geattendeerd op prenten en tekeningen gepresenteerd rond een rood hemelbed. Hier wordt gesuggereerd wat de beau monde achter gesloten deuren in werkelijkheid of slechts gedroomd meemaakte.

Jane Turner, hoofd van het prentenkabinet, stelde een leuke tentoonstelling samen met interessante, pikante, ondeugende en soms zelfs soft-pornografische prenten. De voorstellingen zijn geïnspireerd op drie van de zeven hoofdzonden: vraatzucht, hebzucht en wellust!
Aanleiding daartoe vormt een 17e eeuwse prent van een liefdespaar licht Turner toe. De figuren dragen dezelfde kanten kragen als Marten en Oopjen. Onderzoek leverde een verrassende ontdekking op: deze figuren blijken portretten te zijn van Rembrandt en Saskia. Bij het betreden van de tentoonstelling Guilty Pleasures fungeert het ondeugende stel als traîte-d’union tussen beide exposities.

Basse, Vrouw bij man op schoot
Willem Basse, Een vrouw zit op schoot bij een man, ca. 1640. Rijksmuseum Amsterdam

In deze zalen ziet de bezoeker zogenaamd stichtelijke voorstellingen van onder andere afkeurenswaardige kaart- en triktrakspelers. Leuk ook zijn de in prentvorm gepresenteerde visuele grapjes. Twee oude dames die zich verheugen in bewonderende blikken van twee knappe heren; die evenwel bedoeld zijn voor een jongedame achter hen. De bezoeker ziet ook een in het huidige Me-Too debat toepasselijke voorstelling van een dame die een man van het lijf probeert te houden. Geestig zijn de opgewonden oude heren die zich verlustigen in een 18e eeuwse losbladige Playboy en het zien van een naakte Venus in een ingekleurde prent van Thomas Rowlandson.

Rowlandson, Vier mannen, Venus
Thomas Rowlandson, Vier mannen bekijken een schilderij van Venus, 1799. Rijksmuseum Amsterdam.

Na colleges in de jaren ‘80 zie ik William Hogarths prenten van the Rakes Progress terug. Geïnspireerd op deze story bracht de Reisopera deze winter een productie uit. Het hoogtepunt, of veeleer dieptepunt van de feestende losbol belandde als reproductie op een punchbowl van Meissen porselein, waarin de Rake letterlijk en figuurlijk aan de grond is geraakt. Met welke intentie deze prenten gemaakt werden? Wellicht tot lering, maar zeker ook tot vermaak!

Punch bowl, Meissen, 1750-1760. Syz Collection (1534).

In een prent van een zekere Sara, gedaan naar een werk van Cornelis Troost, ontdek ik een actueel detail: twee zoenende mannen. Nog steeds een hot item. Onlangs zag ik een soortgelijke afbeelding op groot formaat langs de kant van de weg. De wereldwijde campagne van Suitsupply stierf een snelle dood, maar deze uiting van herenliefde heeft in dit onopvallende detail de eeuwen doorstaan. Dat geldt ook voor prachtige monumentale doeken en vele op kwetsbaar papier gedrukte prenten die nog tot en met 3 juni in het Rijksmuseum te zien zijn.

Wie nog kon lopen ging heen; wie dat niet meer kon, viel om, Sara Troost, naar Cornelis Troost, 1768, Rijksmuseum Amsterdam

Link: Rijksmuseum Amsterdam, High Society

Catalogus: Jonathan Bikker, High Society, levensgroot, staand en ten voeten uit, Rijksmuseum Amsterdam, 2018

Frans Post, dieren in Brazilië, tot en met 8 januari in het Rijksmuseum Amsterdam

Frans Post en Albert Eckhout met Johan Maurits in de tropen, bij de tentoonstelling  ‘Frans Post, dieren in Brazilië, tot en met 8 januari in het Rijksmuseum Amsterdam

Pieter Soutman. Johan Maurits, 1647, Rijksprentenkabinet Rijksmuseum, Amsterdam
Pieter Soutman. Johan Maurits, 1647, Rijksprentenkabinet Rijksmuseum, Amsterdam

Op 23 januari 1637 arriveerde graaf Johan Maurits van Nassau Siegen (1604-1679) met zijn vloot op de kust van Recife. De Heren XIX van de West Indische Compagnie (WIC) hadden hem opdracht gegeven om het op de Portugezen veroverde gebied te consolideren en winstgevend te maken. Dat deze missie geen succesverhaal zou worden heeft niet aan de inzet van Maurits de Braziliaan gelegen. Mislukte suikeroogsten en de geringe steun van de bewindhebbers van de WIC waren er debet aan dat de kolonie in 1654 aan de Portugezen terugviel. Van deze Hollandse periode in Brazilië is echter een interessante nalatenschap bewaard gebleven: zowel archeologisch, historisch als kunstzinnig.

Nedelands Brazilië
Nederlands Brazilie, in 1643

Schilderijen, tekeningen en prenten met Braziliaanse landschappen, haar bewoners, de flora en fauna en afbeeldingen van Johan Maurits Braziliaanse woonstedes getuigen daarvan. En niet te vergeten: het Haagse Mauritshuis. Naast natuurvorsers, geografen, cartografen en andere wetenschappers vergezelden de schilders Albert Eckhout (1610-1680) en zijn collega Frans Post (ca 1612-1680) Johan Maurits. Aan hen de taak de nieuwe kolonie letterlijk en figuurlijk in kaart te brengen. In 2004 stond Albert Eckhout -de protagonist van mijn afstudeerscriptie- centraal in een tentoonstelling in het Mauritshuis. Nu speelt Frans Post de hoofdrol in het Rijksmuseum. Anders dan in Nederland is in Recife de Nederlandse periode niet vergeten. De stad is gebouwd op Hollandse fundamenten. Op het plein waar ooit het paleis Vrijburg stond, is Johan Maurits standbeeld te vinden en voor schoolkinderen is de ‘Tempo dos Flamengos’ verplichte stof. Wegens de economische omstandigheden zou de huidige bevolking regelmatig verzuchten: waren de Hollanders maar gebleven, terwijl burgemeesters bij hun ambtsaanvaarding beloven te regeren als een tweede Johan Maurits. Er lopen zelfs heel wat jongens rond die luisteren naar de naam Joao Mauricio!
Voor we ons verdiepen in deze geschiedenis gaan we nog even langs in Den Haag. Hier liet Johan Maurits naar ontwerp van Jacob van Campen (1596-1657) een huis in classicistische stijl bouwen: het Mauritshuis dat in de volksmond smalend het Suikerpaleis werd genoemd, wegens de financiering uit de handel in suiker. In een brief aan Constantijn Huyghens omschrijft Johan Maurits deze woning als ’la belle, très belle et bellisime maison’.

Jan de BisschopMauritshuis
Jan de Bisschop, Het Mauritshuis, ca 1660,Kupferstich Kabinett der Staatlichen Kunstsammlungen, Dresden

Aan de wanden zag een ooggetuige schilderingen van Braziliaanse landschappen gestoffeerd met haar bewoners, de flora en fauna. De woning herbergde ook een verzameling; voornamelijk Braziliaanse rariteiten: assegaaien, bijlen, etnografische voorwerpen en opgezette uitheemse dieren, waaronder een krokodil, een waterslang, schildpadden, een rinoceros en zelfs een kleine olifant. Ooit zagen genodigden er zelfs een aantal naakte indianen die tot verbijstering en wellicht verrukking van de aanwezige Haagse dames, een woeste dans uitvoerden. Zoiets was in Den Haag nog nooit vertoond!

Eckhout_Tapuya indianen
Albert Eckhout, Dans van de Tapuya-indianen, ca.1640, Nationalmuseet, Kopenhagen

 

Gouverneur in Brazilië

Post_Mauritsstad_Recife
Frans Post, Mauritsstad en Recife, 1657

Johan Maurits had een warme belangstelling voor het land en haar oorspronkelijke bewoners de Tupinamba- en Tarairiu indianen. De Europese bevolking, welke bestond uit circa 2700 katholieke Portugezen, plantagehouders, mulatten, uit Spanje gevluchte joden en Hollanders. Met hen ging hij regelmatig om de tafel zitten, maar het bleef onrustig in de kolonie. Sinds 1624 hadden de Nederlanders geprobeerd hun positie in dit gebied te consolideren, maar een niet aflatende guerrillastrijd belemmerde hen bij het rendabel maken van het wingewest. Alleen in de kuststreken van Pernambuco konden zij zich handhaven door hun overmacht op zee. Hier begon Johan Maurits aan de opbouw van de kolonie. Fortificaties, wegen, bruggen en kanalen werden aangelegd. Het kleine dorpje Recife groeide uit tot een dichtbevolkte stad. Op het eiland Antonio Vaz verrees Mauritsstad, het ‘culturele centrum’ van de Nieuwe Wereld, waarvan de ‘skyline’ gedomineerd werd door paleis Vrijburg.

Post_Vrijburg
Naar Frans Post, Paleis Vrijburg, residentie Johan Maurits in Recife, Amsterdam, 1647

Hier bevond zich een menagerie met lokale en Afrikaanse dieren, die met de slavenschepen waren meegekomen: zoals ‘tigers’, miereneters, tapirs, apen, schapen uit Angola, papegaaien en zelfs een olifant! Aan de westkant van het eiland bouwde Johan Maurits een buitenhuis, Boa Vista, dat door zijn strategische ligging naast de brug naar het vasteland tevens als verdedigingswerk fungeerde. Tegenwoordig herinnert de naam van het stadsdeel Boa Vista nog steeds aan deze 17e eeuwse bebouwing.

Post_Boa Vista
Frans Post, Boa Vista, na 1643, British Museum Londen

Bij Boa Vista was een observatorium, waar Georg Marcgraf (1619-1644), een wetenschappelijke omnivoor, zijn waarnemingen deed. Hier was ook een rariteitenkabinet, met naturalia, een verzameling voortbrengselen der natuur, en artificialia, door mensenhand gemaakte objecten. De bewindhebbers van de WIC, waren niet erg ingenomen met deze geldverslindende bouwactiviteiten. Reprimandes enerzijds en onvrede van de graaf over de geringe militaire en financiële steun anderzijds, resulteerden in Johan Maurits zelfverkozen ontslag. In 1644 kwam hij  terug in het vaderland. Zijn vertrek werd in Brazilië onder alle bevolkingsgroepen zeer betreurd. Caspar Barlaeus, auteur van het belangrijkste boek over deze periode beschrijft de emotionele taferelen die zich bij zijn afscheid afspeelden.
Aan het aantal verdedigingswerken heeft het verlies van de kolonie niet gelegen: archeologen van de New Holland Foundation ontdekten maar liefst 80 Hollandse forten. In verschillende van Posts schilderijen zijn ze afgebeeld. Op de fundamenten van Fortaleza, het grote fort in het Noordoosten, verrees de gelijknamige miljoenenstad, waar de Avenida dos Holandeses nog aan de Hollandse periode herinnert.

Tapoeiers
In de strijd om de macht in Brazilië verzekerden zowel Portugezen als Nederlanders zich van de steun van lokale bondgenoten. De meer geciviliseerde Tupinamba indianen stonden aan Portugese zijde. De Nederlanders werden bijgestaan door de nietsontziende Tarairiu indianen, door hen ‘Tapoeiers’ genoemd. In zijn Gedenkweerdige Brasiliaense lant- en zeereise (1682), licht Joan Nieuhof de Nederlandse keuze toe: ‘Zij zijn ongemeen sterk en kunnen eenen stier ter neer vellen.’ Toch kon deze coalitie niet verhinderen dat Nederlands Brazilië in 1654 weer in Portugese handen viel. Over de Tapoeiers meldt Nieuhof ook: ‘Alle tapoeiers gaan bijna moedernaekt: alleenlijk hebben zij de roede van hunne mannelijkheid ingetrokken en bewonden in een beurse of netje,…en binden het met zeker bantje vast’, waarmee de wat raadselachtige string van Albert Eckhouts Tarairiu man verklaard is.

Eckhout_Tapuya-man
Albert Eckhout, Tarairiu-man met speren, speerwerper en een knots, 1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Eckhout_Tapuya vrouw
Albert Eckhout, Tarairiu-vrouw, die afgehakte hand vasthoudt en afgehakte voet in een mand draagt ,1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Het pendant toont een Tarairiu vrouw. Stappend over een paar stenen steekt zij een beekje over en lijkt even stil te houden voor de lens van de archaïsche fotograaf. De proviand die de schilder speels uit haar mandje laat steken, een mensenvoet, verwijst naar het kannibalisme van de Tarairiu. Zij aten niet alleen hun gedode vijanden, schrijft Barlaeus, maar ook de lichamen van hun overleden stamgenoten als daad van uiterste toewijding. Hun dierbaren konden nergens beter rusten.

Deze twee meer dan levensgrote doeken maken deel uit van de reeks nauwkeurig waargenomen etnografische portretten, die Albert Eckhout in Brazilië schilderde. Frans Post concentreerde zich op Braziliaanse landschappen met suikerrietplantages en suikermolens, waarin mensen als kleine, onduidelijke figuurtjes zijn weergegeven. Albert Eckhout bracht niet alleen flora en fauna, maar ook de bewoners heel gedetailleerd en realistisch in beeld. Dit realisme staat in scherp contrast met de gangbare beeldvorming van bewoners van de Nieuwe Wereld, die veelal door fantasie en mythe gekleurd was. Eeuwenlang werd de Europese visie op ‘de’ Indiaan door twee uit de oudheid en Middeleeuwen daterende stereotypen bepaald: de Indiaan als ‘tabula rasa’, een onbeschreven blad, of de Indiaan als ‘duivelsaanbidder’: de Indiaan als ‘goede’ dan wel als slechte’ wilde.

Het belang van Eckhouts realistische werken moet vooral gezocht worden in de documentaire waarde. Ze verschaffen biologische, zoölogische, antropologische en etnografische informatie. De nadruk ligt op de fysionomische raskenmerken. Terwijl de koppen goed geschilderd zijn valt op dat anatomische details in enkele gevallen minder goed gelukt zijn. Dit kan worden verklaard uit het feit dat Eckhout koppen en lichamen van de uitgebeelde figuren afzonderlijk naar het leven schetste, waarna hij deze in zijn atelier componeerde tot monumentale portretten. Met het uitvergroten’ van deze kleine schetsen tot meer dan levensgroot formaat, de schilderijen meten 2.60 x 1.60 m, had hij kennelijk moeite.

Eckhout_Indiaan
Albert Eckhout, Tapuya indiaan, ca. 1640, Kupferstichkabinett, Staatlichen Museen zu Berlin

Ook de zwarte slaven wekten Eckhouts artistieke belangstelling. Zij werden sinds 1637, na Johan Maurits verovering van het Portugese slavenfort El Mina, als arbeidskrachten naar de West-Indische plantages gebracht. Aan deze mensonterende handel lag het advies van de 16e eeuwse bisschop Bartolomeus de Las Casas ten grondslag. Uit medelijden met de indianen, die niet bestand waren tegen het zware werk, adviseerde hij de Spaanse kroon om voor het plantagewerk de sterkere zwarten uit Afrika te importeren. In de discussie over deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis hoor je zelden dat Afrikaanse koningen de bewoners van naburige gevangen namen en in de krochten van het slavenfort opspaarden tot een scheepsruim gevuld kon worden. In 2002 verscheen hierover een artikel van mijn hand in het Nederlands Dagblad.

Eckhout portretteerde ook een zwarte vrouw met haar zoontje.

Eckhout_Zwarte vrouw
Albert Eckhout, Zwarte vrouw met mand en kind, 1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Zacharias Wagner, detail Zwarte slavin met brandmerk.
Zacharias Wagner, detail naar Eckhout Zwarte slavin met brandmerk.

 

 

 

 

 

 

Voor deze gelegenheid is zij mooi toegerust. Een huisslavin droeg geen mooie hoed en zeker geen sieraden. Hoewel predikanten het bouleren met zwartinnen’ ernstig afgekeurden lijkt haar zoontje met de iets lichtere huidskleur van cafelatte, uit een verbintenis met een blanke geboren te zijn. De zeilschepen in de achtergrond van het schilderij verwijzen naar haar komst van overzee; zij is een zogenoemde zoutwaterslavin. Op een schets in Zacharias Wagners Thierbuch, bevindt zich een kopie naar Albert Eckhout van dezelfde vrouw met één verschil: boven haar linkerborst is duidelijk het brandmerk van Johan Maurits te zien. Hoe menslievend en humaan hij als bestuurder van Nederlands Brazilië ook te boek staat, Johan Maurits was een kind van zijn tijd. In zijn Politiek Testament noteerde hij de volgende aanbeveling: ‘daarom zou ik willen dat de lichamen der negers van het merk der Compagnie voorzien werden, opdat het bedrieglijk volk geen schlechteren voor betere in de plaats stelle’.

Diplomatieke geschenken
In 1654 schonk Johan Maurits Eckhouts etnografische portretreeks en een serie Braziliaanse stillevens aan de Deense koning Frederik III. In ruil daarvoor ontving hij de eervolle onderscheiding van de Orde van de Witte Olifant, waaraan een jaargeld verbonden was. Ook de zonnekoning, Lodewijk XIV (1643-1715), werd in 1679 bedacht met een schenking van schilderijen door Frans Post en tekeningen van Albert Eckhout, die model stonden voor een serie wandtapijten met Braziliaanse onderwerpen, de Tentures des Indes (Mobilier National te Parijs).
Een verzameling van ca. 800 Braziliaanse olieverfschetsen en tekeningen, merendeels van Eckhouts hand, belandde als de Libri Picturati, in 1652 in de bibliotheek van de keurvorst van Brandenburg, Frederik Wilhelm. Nadat deze sinds 1945 spoorloos waren, doken ze in 1977 op in de Jagiellonska Universiteits Bibliotheek in Krakau.
Eenzelfde wonder geschiedde enkele jaren geleden. Bij digitaliseer-werkzaamheden stuitte archivaris Alexander de Bruin in het Haarlemse stadsarchief op een map anonieme tekeningen. De daarop afgebeelde dieren bleken identiek aan geschilderde soorten in Braziliaanse schilderijen van Frans Post.

Post_Llama
Frans Post, Llama, Noord Hollands Archief, Haarlem

Deze tekeningen en schilderijen zijn in de tentoonstelling niet alleen tweedimensionaal, maar dankzij een bruikleen van Naturalis, ook ten voeten uit aanwezig. Zo worden zij niet alleen herkenbaar, maar zelfs aaibaar! Dat laatste is echter niet toegestaan. Voor wie het niet laten kan staat er een lama, wiens mottige vacht toch al kale plekken vertoont! De andere dieren zijn in de museumwinkel als knuffels te koop.

Frans Post

Hals_Post
Frans Hals, Frans Post, ca.1655, Particuliere collectie

Frans Post vertrok op 23-jarige leeftijd naar Brazilië. De reis moet een onvergetelijke indruk op hem hebben gemaakt. Na zijn terugkeer in 1644 bleef hij voortdurend voortborduren op zijn Braziliaanse artistieke vocabulaire. In 1646 werd hij lid van het Haarlemse St. Lucasgilde, waar hij in de diverse bestuursfuncties bekleedde. Hij trad in 1650 in het huwelijk met Jannetje Bogaert (1627-1664). Zij overleed op 37-jarige leeftijd aan de pest, waarna de schilder achterbleef met de zorg voor 9 kinderen. Mogelijk groeiden verdriet en zorgen hem boven het hoofd. Uit latere berichten valt op te maken dat hij aan lager wal geraakt is. Wanneer Johan Maurits in 1679 het idee opvat om Post als koerier en explicateur mee te sturen met het diplomatieke geschenk voor Lodewijk XIV (1643-1715), raadt Maurits financiële adviseur Jacob Cohen dat af, aangezien Frans Post is ‘… vervallen tot den dronk en beevende’….
Een jaar later overleed hij, twee maanden na de dood van de man met wie hij in zijn jonge jaren zijn Braziliaanse avontuur had beleefd.  

Verwantschap diertekeningen en schilderijen

Post, Sao Francisco, fort Maurits
Frans Post, zicht op de rivier Sao Francisco en fort Maurits, Brazilie, met een Capybara, 1639, Musee du Louvre Paris

Post_Capybara
Frans Post, Capybara, Stadsarchief Haarlem

 

 

 

 

 

 

Bij het zien van Frans Posts Gezicht op de Sao Franciscorivier, met aan de overzijde Fort Maurits uit 1639,  is de relatie tussen de gevonden tekeningen en Posts schilderijen direct duidelijk. Prominent in de voorgrond staat een fouragerende Capybara, een waterzwijn, die vrijwel identiek is aan de twee die door Post zijn getekend. Een draagt een halsband. Kennelijk een gedomesticeerd exemplaar uit de menagerie van Johan Maurits. Aan de linkerzijde van het doek schilderde Post een grote cactus. De Bruins suggestie dat Post deze, naar een voorbeeld van een andere kunstenaar deed klopt. Van deze vruchtdragende cactus vond ik een houtskooltekening van Albert Eckhout in de Archives du Manufacture Nationale de Ceramique, Sèvres. Een zelfde cactus figureert ook in een plafondschildering met Braziliaanse vogels, een oranje trupiale en een zwartkeelspecht van Eckhouts hand in slot Hoflösnitz nabij Dresden, waar Albert Eckhout op aanbeveling van graaf Johan Maurits van 1653 tot 1664 als hofschilder van keurprins Johann Georg van Saksen in dienst was.

cactus_kleur
Albert Eckhout, detail plafondschildering Schloss Hoflossnitz, Dresden

In Frans Posts Braziliaanse landschap met Suikermolen, in New York,  en nog prominenter in het Braziliaanse landschap met Suikermolen uit de National Gallery of Ireland herkennen we nog meer dieren uit de Haarlem tekeningen: een kaaiman, een gordeldier, een wasbeer, een tamandua of kleine miereneter, een voor dood liggende luiaard en een Braziliaans stekelvarken en de capybara.

Post-Landschap
Frans Post, Braziliaans landschap met suikermolen, National Gallery, Dublin

Deze hele menagerie passeert wederom de revue in het Kathedraal van Olinda uit het Rijksmuseum, dat nog gevat is in de originele houtgesneden lijst met een hagedis en een sprinkhaan. Dezelfde dieren figureren ook samen of  solitair in Posts andere schilderijen.

Post_Olinda
Frans Post, Zicht op Olinda, Brazilie. 1662, Rijksmuseum Amsterdam

gordeldier
Frans Post, zesbandige Armadillo, Noord-Hollands archief, Haarlem

 

 

 

 

 

 

In zijn publicatie over de gevonden Haarlem tekeningen merkt de Bruin op dat het nu zoeken is naar de missing link van voorstudies voor de ananas en kalebas in de voorgrond van Posts Gezicht op Olinda en het Braziliaanse Landschap uit 1652, die zich beide in het Rijksmuseum bevinden. Zoeken hoeft niet meer; ik heb ze gevonden tussen Eckhouts olieverfschetsen in voornoemde Libri Picturati in Krakau. Ze komen eveneens voor in Stilleven met Ananas en watermeloen en Stilleven met Kalebassen in het National Museet in Kopenhagen.

Eckhout_Stilleven met watermeloen
Albert Eckhout, Stilleven met watermeloen, ananas en ander fruit, ca. 1640, Nationalmuseet Kopenhagen

Eckhout_Stilleven met fleskalebas
Albert Eckhout, Stilleven met fleskalebas en divers fruit, ca.1640, Nationalmuseet Kopenhagen

 

 

 

 

 

 

 

Van 1648 dateert een Fremdkörper in het oeuvre van Frans Post: het oudtestamentische Offer van Manoah uit 1648.  Voor zover mij bekend zijn enige historiestuk. De toekomstige ouders van de oudtestamentische krachtpatser Samson offeren een bokje uit dankbaarheid voor de hen aangezegde geboorte van een zoon. Samson: die dankzij de kracht verkregen uit zijn nimmer geknipte hoofdhaar, de Filistijnen zou verslaan, maar zichzelf door zijn blinde liefde voor Delila, ten gronde richtte. (Richteren/Rechters 13: 1 e.v.).

Post, Offer van Manoah
Frans Post, Braziliaans landschap met offering van Manoah, 1648, Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam

Het landschap is onmiskenbaar van Frans Post, maar de goed geschilderde, fraai geklede figuren en het glanzende vaatwerk zijn dat duidelijk niet. Deze zijn door een kunstenaar uit de omgeving van Rembrandt, mogelijk Ferdinand Bol, ingeschilderd. Hier treffen we het gordeldier, de leguaan en de kalebas uit bovengenoemde schilderijen weer aan.

Ook Caspar Schmalkalden (1616-1673), Willem Piso (1611-1678) en Georg Marcgraf (1619-1644) noteerden en illustreerden hun Braziliaanse wetenschappelijke observaties. Deze zijn samen met werk van Post en Eckhout opgenomen in publicaties die een ware fundgrube vormen voor de Nederlandse periode in Brazilië.  Het letterlijk en figuurlijk gewichtige standaardwerk van Caspar Barlaeus (1584-1648), Rerum in Brasilia etc. uit 1647. In de decoratieve motieven en cartouches van de daarin opgenomen deelkaarten van Georg Marcgraf, die in 1643 werden samengevoegd tot een grote kaart: Brasilia qua parte paret Belgis figureren de de landschappen, suikermolens en dieren van Frans Post.

kaart-2
Georg Marcgraff, Brasilia qua parte paret Belgis, 1643, Pinacoteca de Sao Paulo.

Marcgraf_kaart met decoratieve motieven
Georg Marcgraf (decoratieve motieven naar Frans Post,1643, Instituto Ricardo Brennand, Recife

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1648 verscheen Willem Piso en Georg Marcgrafs, Historia Naturalis Brasiliae.  In deze publicaties komen we naast de lama, de tapir en de capybara een jaguar en nog drie oude bekenden tegen: de grote miereneter, de luiaard en het Braziliaanse stekelvarken. Uit het feit dat deze soorten voorkomen in deze publicaties kan worden afgeleid dat Post ze maakte in Brazilië. De kleine scènes op Marcgrafs kaart met hacienda’s, suikermolens en vechtende en jagende indianen in de achtergrond herkennen we eveneens in Posts schilderijen. In een gedetailleerd getekend Braziliaans Landschap uit Boedapest dat gelukkigerwijs thans in de tentoonstelling Topstukken uit Boedapest in het Frans Halsmuseum te zien is komen we een soortgelijke scène tegen. Zie bespreking van deze tentoonstelling op deze site.

In de hoogzit onder de centraal afgebeelde strijdende indianen tenslotte, herkennen we de kreek met het rif en daarvoor de uitkijkpost uit de achtergrond van Eckhouts etnografische portret van de zwarte slavin met haar zoontje.

Campen-Triomftocht
Jacob van Campen, Triomftocht met geschenken uit Oost en West,1649-1651, Oranjezaal Paleis Huis ten Bosch

Met het vertrek van de Nederlanders uit Brazilië was het laatste woord over deze periode niet gezegd. De Braziliaanse mand met vruchten van Eckhouts zwarte slavin kent een interessant Nachleben. In museum Flehite in Amersfoort, bevindt zich een door Jacob van Campen geschilderd paneel met identieke mand. Dezelfde mand zag u wellicht ook tijdens de exclusieve openstelling van de Oranjezaal in Huis ten Bosch. In Jacob van Campens Triomftocht van Oost en West draagt de Nederlandse Stedenmaagd eenzelfde rijkelijk met fruit gevulde Braziliaanse mand.

Conclusie:
Op grond van de grote verwantschap tussen de dieren in Frans Posts schilderijen en gravures naar zijn werk in Barlaeus èn de dieren in de kaart van Marcgraf, kunnen de anonieme Haarlem tekeningen worden toegeschreven aan Frans Post. Anders dan de tekeningen die Johan Maurits als diplomatiek geschenk weggaf, nam Frans Post zijn tekeningen mee naar zijn woonplaats Haarlem, waar ze uiteindelijk in het stadsarchief zijn beland. Nu deze diertekeningen overtuigend met soorten in Posts schilderijen in verband zijn gebracht was het aldus de vinder, De Bruin, tijd om op zoek te gaan naar de missing link waar het de natuurgetrouw weergegeven cactusplant, de ananassen en kalebassen betreft. Uit het voorgaande is gebleken dat deze gevonden zijn tussen de tekeningen en schilderijen van Albert Eckhout.

 

‘Schipperen tussen zwart en wit’, Nederlands Dagblad, 2 juli 2002.

Plafondschilderingen Albert Eckhout in Schloss Hoflössnitz

Tentoonstelling: Frans Post: Dieren in Brazilië t/m 8 januari 2017, Rijksmuseum Amsterdam

Bespreking: Hollandse Meesters uit Boedapest in het Frans Hals Museum, Haarlem, tot 13 februari 2017

 

 

 

 

Japanse Prenten in het Rijksmuseum, Japan Modern, Collectie Elise Wessels, nog t/m 11 september 2016.

 

Denkend aan Japanse prenten zie ik een golf die eigentijdse surfers wellicht in extase zou brengen, maar anderen veeleer angst zou inboezemen: de Grote golf door Hokusai……

Katsushika Hokusai_The Great Wave off Kanagawa
Katsushika Hokusai (1760-1849), De grote golf van Kanagawa,1830-1833, Kleuren houtsnede.

Overweldigend die aanrollende natuurkracht en in het golfdal, een boot met nietige roeiers, die vast doodsangsten uitstaan. Aan de horizon in westers perspectief, het rustgevende baken van de Japanners, de berg Fuji.

De prent van Hokusai uit 1832 is in de tentoonstelling van de collectie van Elise Wessels niet te zien. De prenten die er wel zijn dateren van na 1900 en zijn gemaakt door vertegenwoordigers van twee moderne stromingen in de Japanse prentkunst; de zogeheten Shin hanga en de Sosaku hanga. Begin twintigste eeuw gaven zij op verschillende wijze invulling aan de traditionele houtsnede techniek. De Shin hanga brachten hun visie op de moderne tijd op meer traditionele wijze in beeld met geïdealiseerde vrouwenportretten en sfeervolle landschappen, zoals Kawase Hasui’s De Yuhi Waterval en Winter in Arashi uit 1920.

Kawase Hasui (1883-1957)_waterval
DE YŪHI WATERVAL, SHIOBARA, Kawase Hasui (1883-1957), 1920, P0810. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Kawase Hasui (1883-1957)_Winter in Arashi
WINTER IN ARASHI, Kawase Hasui (1883-1957), 1921, P0801. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Sosaku hanga zou je de avant-gardisten van de Japanse prentkunst kunnen noemen. Evenals hun kunstbroeders in het westen vonden zij inspiratie in het moderne stadsleven, de scheepvaart en industrie.

Een tentoonstelling om blij van te worden. Prachtige klassieke Japanse thema’s met soms ook een toetsje moderniteit bij de Shin Hanga enerzijds en impressies van het moderne leven bij de Sosaku Hanga anderzijds.

Als je goed kijkt herken je ook artistieke westerse invloeden in de getoonde prenten; of is er sprake is van synchroniciteit ? Op deze vraag kom ik nog terug.

Elise Wessels begon zo’n 30 jaar geleden quasi toevallig na een eerste aankoop bij de winkel van Watanaba met verzamelen van Japanse prenten. Uitgegroeid tot een enorme collectie is deze verzameling op afspraak te zien in haar privémuseum Nihon No Hanga [Japanse prenten].

De prenten in de tentoonstelling illustreren de Japanse geschiedenis van de eerste decennia van de twintigste eeuw. Wat daaraan voorafging wordt in de catalogus kort vermeld. Zoals de geschiedenis van de Hollanders, die vanaf de vroege 17e eeuw voor de VOC gestationeerd waren op het eilandje Deshima. Zij hadden het monopolie op de handel met Japan. Dat aan de isolatiepolitiek van de Japanse overheid in 1854 na het vlootvertoon van de Amerikaanse commodore Perry een einde kwam, wordt bekend verondersteld. Na deze gedwongen openstelling van Japanse havens voor buitenlandse handel, raakt het land snel overstroomd met westerse producten, bouwtechnieken en invloeden op artistiek gebied. Met de handelscontacten liften ook buitenlandse invloeden op het modieus en kunstzinnig gebied mee. Japanse vrouwen kregen in 1924 een damesblad naar westerse snit. Een complete jaargang is in het Rijksmuseum te zien; de covers gesierd met moderne Japanse prenten in een Franse lay-out.

Behalve prenten worden enkele lakwerkdozen en kimono’s getoond, waaronder een betoverend kinderkimonootje uit 1939. Versierd met applicaties van speelgoed, feesthoedjes, taarten, ballen, maar ook vliegtuigjes, een kanon en een geweer. Met dit zware geschut onder de vlag met de rijzende zon krijgt dit onschuldig ogende kledingstuk een documentaire waarde als spiegel van de ontluikende militaristische tijdgeest.

Tijdens het bekijken van de expositie vraag ik mij af: wat is dat toch met Japanse prenten ? Je wordt meteen gegrepen door de beelden van deze exotische, verre wereld. Hierdoor raakten ook veel Europese kunstenaars aan het eind van de 19e eeuw in de ban van de Japanse prentkunst; gewaardeerd om de pittoreske sfeer en de kernachtig trefzekere lijnvoering. Vincent van Gogh verzamelde Japanse prenten die hij gebruikte als inspiratiebron. Overbekend is zijn bijna-kopie van de Bloeiende Pruimenboomgaard uit 1887 naar de gelijknamige prent van Utagawa Hiroshige uit 1857.  In de Wessels collectie zag ik een prent, Maekawa in Soshu in de regen uit 1932 met treffende gelijkenis in de weergave van een regenbui in Vincents Ommuurd veld in de regen uit 1889. (zie mijn bespreking Vincent de waanzin nabij ). Regen die als pijpenstelen neerkomt in Hiroshige’s prent Onverwachte regenbui op de Grote brug uit 1857 inspireerde Vincent tot zijn Brug in de regen.

Utagawa Hiroshige_onverwachte regenbui
Utagawa Hiroshige (1797-1858), Onverwachte regenbui op de Grote brug in Atake, 1857

Vincent van Gogh_Brug in de regen
Vincent van Gogh (1853-1890), Brug in de regen, 1887, Van Gogh Museum, Amsterdam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anders dan in westerse kunst wordt neerslag in Japanse prenten veelvuldig verbeeld. Regen, zoals in bovengenoemde prent en ook in de impressie van het verlaten Nieuwe Obashi-brug van Kawase Hasui uit 1926.

Komura Settai_Sneeuw in de ochtend
Komura Settai, Sneeuw in de ochtend (1941), Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Neerslag in de vorm van dwarrelende sneeuwvlokjes, sneeuwstormen en pas gevallen sneeuw in verstilde impressies. Sneeuw waarvan je ‘s morgens bij het ontwaken, zonder dat je het nog hebt gezien, al weet dat het gevallen is. Sneeuw waar je als kind blij van werd ! Sneeuw op een sparrentak in traditonele prenten, sneeuw in een prent uit 1916, Meeuw en boten in de sneeuw; sneeuw op een huis in Komura Settai’s Sneeuw in de ochtend uit 1941 of de zorgvuldig gestippelde sneeuwvlokken op de wachtende courtisane in Ito Shinsui’s, Sneeuw in de nacht uit 1923

 

Heel verrassend vond ik in de eerste zaal de ontdekking van herkenbare westerse invloeden. Onmiskenbaar is de invloed van Paul Gauguin in de Kop van een Bretonse vrouw door Yamamoto Kanae . Het bijschrift zwijgt erover, maar de catalogus meldt dat hij in 1913 werkzaam was in Bretagne !

De prenten van Tanaka Kyuokichi vallen in de Japanse context helemaal uit de toon met hun symbolistische lijnvoering, zoals in Melancholie uit 1915. Zou hij werk uit Jan Toorops symbolistische periode gezien hebben in westerse publicaties die in Japan gelezen werden ?

Kawanishi Hide_Circus
CIRCUS, Kawanishi Hide (1894-1965). Kleurenhoutsnede op papier, 1925, P0366. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

De zwart-witte figuren in een houtsnede uit de serie van Kawannischi Hide, Badhuis uit 1925 kwamen deden mij denken aan Kirchner. Gaandeweg zag ik steeds meer westerse invloeden, zoals in een vrolijk Raoul Dufy-achtig strandgezicht Augustus-Baden in de zee bij het strand van Tenjin uit 1931 door dezelfde maker. Leuk ook diens acrobate uit 1930, die weer soortgelijke types van Kees van Dongen in herinnering riep.  Acrobaten, circus en kermisklanten waren ook favoriet bij Picasso tijdgenoten.

 

Nocturne: Blue and Gold - Old Battersea Bridge_ Whistler
Nocturne: Blue and Gold – Old Battersea Bridge c.1872-5 James Abbott McNeill Whistler 1834-1903

Treffend tenslotte ook de gelijkenis met Whistler in Nachtelijk zicht vanaf de Yanagibashi-brug, uit 1929 door Fukazawa Sakuichi. Whistler’s belangstelling voor Japanse prenten is bekend, maar je vraagt je toch af: wie beïnvloedde wie ?Toen ik het nakeek bleek dat Whitstler’s, Nocturne Blue & Gold; Old Battersea Bridge dateert van ca. 1875 !

 

 

 

De ontwikkeling van de Japanse prentkunst werd beïnvloed door de verwoestende aardbeving van 1923. Heel Tokyo lag in puin. De traditionele uitgeverijen van Shin Hanga prenten, zoals Watanaba, waren hun productiemiddelen kwijt. Korte tijd later kwam aan deze stroming een einde. De zelfstandige, kleinschalig opererende creatieve prentmakers van de Sosuku Hanga daarentegen konden met hun eenvoudige materiaal doorwerken.

De ingestorte houten gebouwen werden in hoog tempo vervangen door hoogbouw in moderne materialen als steen, staal en glas. De wederopbouw en industriële vernieuwingen werden geliefde thema’s in de prentkunst. Daarnaast ontstond een moderne versie van de traditionele ukiyo-e prenten, de zogenoemde ‘vlietende wereld’, met afbeeldingen van acteurs en courtisanes, hoofdrolspelers van het uitgaansleven.

Yamura Koka, DANSEN IN HET NEW CARLTON HOTEL IN SHANGHAI
Dansen in het New Carlton hotel in Shangai, Yamamura Kōka (1885-1942). Kleurenhoutsnede op papier 1924, P0151. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Nieuw in dit genre zijn prenten van dansende vrouwen, zoals Yamamura Koka’s Dansen in het New Carlton Hotel in Sjanghai, uit 1924 en een impressie van een stel in een café, zoals Nakagawa Isaku’s Café uit 1933, waarin een behaagzieke dame met Van Dongen-achtige oogopslag en heel humoristisch een ventilator met de frisse luchtstroom als serpentines …De metamorfose van Japan in de jaren na 1900 wordt   weerspiegeld in huidige tentoonstelling. Het land was van een gesloten traditionele natie, met –in westerse ogen- sprookjesachtige landschappen bevolkt door exotische figuren veranderd in een moderne maatschappij. De creatievelingen van de Sosuku Hanga stroming brachten het nieuwe Japan in beeld, zoals in Koizumi Kishio’ De Internationale Luchthaven van Haneda, 1937 waarin thuisblijvers de luchtreizigers uitzwaaien.

Koizumi Kishio (1893-1945)_DE INTERNATIONALE LUCHTHAVEN HANEDA
DE INTERNATIONALE LUCHTHAVEN HANEDA, Koizumi Kishio (1893-1945) Kleurenhoutsnede op papier 1937. P0058-087. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Behalve variaties op de meer traditionele vrouwenportretten verschijnen in dit genre ook nieuwe thema’s. Zoals het prachtige Haren door Ito Shinsui, uit 1953.Vergelijk ook Hashiguchi Goyo’s Haren kammende vrouw, 1920 met Torii Kotondo’s invulling van dit thema uit 1930. Illustratief voor de nieuwe tijd zijn afbeeldingen van moderne in bob-lijn gekapte vrouwen, de zogeheten moga’s, de modern girls, die hun kimono hadden verruild voor een korte rok. Zij figureren in prenten van de sport-, film- en reclame wereld.Vergelijk Kobayakawa Kiyoshi, Tipsy, 1930 met Ishii Hakutei, Yanagibaschi uit 1910, met een eveneens sigaretten rokend kimono-vrouwtje.

De moderne tijd wordt als gezegd ook zichtbaar op de dansvloer in twee prenten door Kobayakawa Kioshi. De één toont een danseres in traditionele kimono; de andere een eigentijdse westers geklede danseres met rode schoenen waar, heel geestig, het kleine teentje net uit piept !

 

Kobayakawa Kiyoshi (1899-1948)_Danseres
DANSERES, Kobayakawa Kiyoshi (1899-1948). Kleurenhoutsnede op papier, 1932, P0140. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

Typisch westers is ook het verschijnen van naakt in de prentkunst. Bloot komt weliswaar ook in de traditionele ukyio-e prenten voor, maar dat was functioneel naakt. Een vrouw in het badhuis, een parelduikster of in de semi-illegale erotische prenten, de zogenoemde ‘Shunga’ voor verkoop onder de toonbank.

In de 20e eeuw wordt ook naakt om het naakt in beeld gebracht. Dat was nieuw in Japan èn even wennen !

De serie blote dames, Tien soorten vrouwelijk naakt door Ishikawa Torajiwerd in 1935 door de politie nog in beslag genomen. De naakte waarheid werd kennelijk te ledig en onzedig gevonden; we zien een naakte vrouw spelend met een Pekinees; een andere zit lui plaatjes te kijken.

Bijzonder is de prent met een naakte vrouw die op haar rug een monumentale tatoeage laat aanbrengen: Tatoeage door Komura Settai, 1935. Het literaire citaat ontleend aan Kunieda Kanji bezingt de overeenkomst tussen het strelen van een pruimenbloesemblad en een vrouwenborst.

Het zien van deze prent bracht mij de roman van Tan Twan Eng, De tuin van de avondnevel, in herinnering.

Prachtig van compositie en sfeer is Komura’s prent Riksha, uit 1955. Ogenschijnlijk een impressie van een verliefd stel tijdens een plezierritje, maar in werkelijkheid verbeeldt de prent de laatste reis van Takahashi Oden, een ter dood veroordeelde vrouw op weg naar het schavot … Illustratie in Kunieda Kanji’s roman Oden jigaku, (Odens hel).

Onchi Kōshirō (1891-1955)_Duiken
DUIKEN, Onchi Kōshirō (1891-1955). Kleurenhoutsnede op papier, 1932, P0560. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Heel interessant is Onchi Koshiro’s prent Duiken uit 1932, een momentopname. Van een duikende vrouw zien we slechts de romp en nog net het uiterste randje van de duikplank. Het meest typerende kenmerk van de Japanse prent, de afsnijding die kunstenaars als Van Gogh en Gauguin zo aansprak, is hier tot het uiterste doorgevoerd. Onchi maakte de prent speciaal voor een tentoonstelling in het LA. Museum of History, Science and Art, ter gelegenheid van de zomerspelen van 1932 en zou niet misstaan in de tentoonstelling Wild van Water, nog t/m 6 november in het Zuiderzeemuseum (in juni besproken op dit blog).

Komura Settai_Sneeuw in de ochtend
Komura Settai, Sneeuw in de ochtend (1941), Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het beeldmiddel van de afsnijding zien we tenslotte ook in de ogenschijnlijk eigentijdse (maar uit de vroege jaren ‘40 daterende) prenten van een Frank Lloyd Wright-achtige Japans huis, Sneeuw in de ochtend en Wilg, beide door Komura Settai. In de laatste zien we door de opengeschoven deuren, bijna mysterieus, een paar instrumenten.

Uehara Konen (1878-1940)_Dotonbori
DOTONBORI, Uehara Konen (1878-1940). Kleurenhoutsnede op papier, 1928, P0762. Collectie Elise Wessels – Nihon no hang

Uehara Konen maakt in 1928 eveneens gebruik van de afsnijding; door een sluier van takken laat hij een verlicht gebouw in de wijk Dotonbori in Osaka doorschemeren.

Tenslotte nog iets over de houtsnede techniek. Deze werd in de 8e eeuw al toegepast voor de verspreiding van boeddhistische teksten. Later gebruikt voor het vervaardigen van zwart-wit geïllustreerde boeken en nog later voor de autonome prentkunst. Rond 1700 verschijnt een toetsje oranje in de zwart-wit prenten; halverwege de 18e eeuw ontstaat de eerste kleurendruk. Het drukken van een kleurenprent, waarvoor een kunstenaar het ontwerp leverde, is het werk van ambachtslieden. Het ontwerp wordt door een kopiist in zwarte contourlijnen overgezet op transparant papier dat vervolgens op een houtblok wordt gelegd. De houtsnijder snijdt het ontwerp door het papier in hoogreliëf uit in het blok. In dit zogenoemde sleutelblok blijft alleen de voorstelling staan. Met zwarte inkt wordt dit basisontwerp afgedrukt op papier, waarin vervolgens de kleuren worden aangegeven. Voor elke kleur wordt heel minutieus een apart kleurblok in hoogreliëf gesneden. Uiteindelijk moeten al die kleurvlakjes als een puzzel precies binnen de eerder afgedrukte zwarte lijnen passen !

Een uitgever als Wataba coördineerde en financierde dit alles voor de Shin Hanga kunstenaars; de individuele Sosaku Hanga hadden het hele productieproces in eigen hand. Door de aardbeving van 1923 zijn de grote uitgeverijen verwoest, waarna aan de stroming van de Shin Hanga na enige tijd een einde komt.

Voor achtergrondinformatie kan ik de prachtige gebonden catalogus aanbevelen:  Marije Jansen, Japan Modern: Japanse prenten uit de collectie Elise Wessels, Rijksmuseum, Amsterdam, 2016.

Museum Nihon No Hanga Museum, Keizersgracht, Amsterdam

Rijksmuseum Amsterdam

Sieboldhuis, Leiden

 

 

 

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights