Slavernij, tentoonstelling Rijksmuseum, vanaf 5 juni t/m 29 augustus.

Anoniem, Tot slaaf gemaakte mannen graven trenzen, ca. 1850 Rijksmuseum, aankoop met steun van het Johan Huizinga Fonds/Rijksmuseum Fonds

Vijf maanden na de oorspronkelijke openingsdatum is de Slavernij tentoonstelling in het Rijksmuseum op 18 mei geopend. Althans: online, want de deuren blijven nog even gesloten, maar scholieren zijn vanaf 19 mei wel welkom. Voor hen is een speciaal magazine ontwikkeld: wie de jeugd heeft, heeft de toekomst. Het veelkleurige team van conservatoren benadrukt het grote maatschappelijke belang van deze door de koning geopende expositie.  Senior conservator Eveline Sint Nicolaas licht toe dat het verhaal van de expositie zoveel mogelijk vanuit het perspectief van de slaafgemaakten verteld wordt.
Bij gebrek aan tastbare objecten -zij hadden geen bezittingen en konden veelal niet schrijven- is vooral uitgegaan van mondelinge bronnen en archiefstukken. 

De succesverhalen over wereldwijde expansie en economisch gewin hebben plaats gemaakt voor de keerzijde. Voor het eerst krijgen slaafgemaakte mensen een gezicht en letterlijk een stem. Aan het begin van de expositie weerklinken drie liederen die op plantages in Suriname, Zuid-Afrika en Curacao werden gezongen. Liederen waarin de zangers hun kinderen willen beschermen en de wens uiten om als mens en niet als een werktuig gezien te worden

Wanneer je vier of vijf generaties teruggaat kom je in veel Nederlandse stambomen slaafgemaakten en slavenhouders tegen. Soms zelfs beide, zoals cabaretier Jörgen Raymann en Valika Smeulders, hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum, tot hun onaangename verrassing ontdekten. Schuld is volgens Smeulders niet nodig, maar kennisneming van die geschiedenis wel. Daartoe nodigt de tentoonstelling met de levensverhalen van tien historische personen uit. Middels vijf daarvan wordt een inkijkje gegeven in het leven van slaafgemaakte mensen. Met de levens van vijf anderen wordt de strijd naar vrijheid geïllustreerd. In de audiotour reflecteren eigentijdse sprekers op hun lotgevallen. Zij voelen zich door hun afkomst van slaafgemaakten en slavenhouders verbonden met dit verleden.
Sprekend over ‘de’ slavernij wordt meestal gedacht aan de transatlantische slavenhandel van de WIC, maar ook de VOC speelde daarin een grote rol. Recente studies tonen bovendien aan dat vrijwel iedere beroepsgroep in het vaderland als leverancier of afnemer direct- of indirect economisch verbonden was met slavernij.

Het slavernijverleden is geen voltooid verleden tijd.

Jargon 
Uit respect voor de miljoenen tot slavernij gedwongen mensen spreken we tegenwoordig over slaafgemaakten in plaats van slaven. Het als denigrerend ervaren n-woord is vervangen door zwarte. Terwijl de blanke, wat associaties zou kunnen oproepen met zuiverheid, beter als witte wordt aangeduid. Een tot slaafgemaakt mens werd door zijn of haar eigenaar als een werktuig beschouwd. Aan dit lot was te ontkomen door manumissie. Een aan het Romeinse recht ontleende term voor geschonken of betaalde invrijheidstelling. Vluchten was de enige andere optie, maar dat was riskant. Wanneer de poging mislukte wachtte de tronco, een voetblok waar de weglopers aan werden vastgeklonken.  

Tot slaaf gemaakte mensen, geketend in een voetboei Jean-Baptiste Debret, ca. 1830

Hoe zag je het verschil tussen vrije en onvrije mensen van kleur?
In Suriname volstond een blik op de voeten; slaafgemaakten mochten geen schoenen dragen. Een vrij man in Batavia, een zogenoemde Mardijker (van het Portugese Mardica’s) was herkenbaar aan een gestreept pak en een hoed zoals te zien in Andries Beeckmans Gezicht op de markt van Batavia.

Andries Beeckman, de markt van Batavia met op de achtergrond de vesting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, ca. 1661, Rijksmuseum Amsterdam

Anders dan vaak gedacht is slavernij geen Europese uitvinding. In Afrika en Azië kent het knechten van medemensen een lange traditie. Europeanen droegen wel bij aan de schaalvergroting. Van de in totaal ca. 12,5 miljoen slaafgemaakten vervoerden Nederlanders naar schatting 600.000 zielen naar de West. Voor Azië is hun aandeel met 660.000 tot 1.000.000 zelfs nog hoger. Slaafgemaakten werden in alle segmenten van de koloniale samenleving te werk gesteld. Van de nootmuskaat-plantages op Banda, de suikerplantages rond Batavia, Brazilië en Suriname tot zilvermijnen op Sumatra, handelsposten in Japan, Zuid-India, Sri Lanka en (wijn)boerderijen in Zuid-Afrika.

In gedrukte vorm blijven deze huiveringwekkende cijfers nog abstract, maar vertaald naar het lot van de personen beschreven in het scheepsjournaal van het slavenschip  dConinck Salomon worden ze concreet. Tot het scheepsruim vol was koerste het schip twee maanden voor de ‘Slavenkust’ (het huidige) Ghana. Voor vertrek naar Paramaribo zaten de eerste gevangenen al die tijd al geketend aan boord. Enkele mannen die voor wat lichaamsbeweging even…’uit de boeien werden geslagen’… kwamen in opstand. Tevergeefs. De aanstichter werd als afschrikwekkend voorbeeld aan de mast opgehangen. Om de marktprijzen niet te drukken, werd aan het incident geen ruchtbaarheid gegeven.

Ook elders trachtten slaafgemaakten zich te bevrijden, maar zelden met succes. Daarvan getuigen de verhalen van twee andere historische personen, Wally en Tula, die respectievelijk in Suriname en op Curaçao in opstand kwamen.   

Fort El Mina uit Johannes Vingboons – Atlas Blaeu – Van der Hem , vol. 36:19, fol. 62 – 63,
Austrian National Library

What’s in a Name?                                                                                 
Aan de hand van hun achternamen wordt het verleden van diverse slaafgemaakten ontsloten. De hedendaagse actrice Joy Delima wordt via dezelfde achternaam aan die van de historische figuur Joao Mina gekoppeld. Hun beider voorouders werden vanuit het slavenfort El Mina, dat in 1637 door graaf Johan Maurits op de Portugezen was veroverd, op transport gesteld. Tussen 1637-1650 vertrokken naar schatting 25.000 personen naar de Nieuwe Wereld. In de audiotour bezorgt de stem van Joy Delima een indringend luistermoment. Van Zacharias Wagner’s impressie van de slavenmarkt, waar haar voorouders en die van Joao als vee verhandeld werden, krijg je kippenvel.

De slavenmarkt in Recife Zacharias Wagener, ca. 1637–1641, het Mauritshuis den Haag

Architect Afaina de Jong tekende voor de inrichting van de tentoonstelling. In reactie op de grandeur van het Rijksmuseum, in haar ogen hèt symbool van koloniale trots, creëerde zij ruimtes … ‘die geïnspireerd zijn op de schaal van […..] de huisjes van tot slaaf gemaakten’…. Zij houdt bezoekers letterlijk en figuurlijk spiegels voor, waarin zij beurtelings zichzelf en de verhalen van slaafgemaakten zien. Met zorg gekozen wandkleuren versterken de impact van de de verhalen achter de getoonde objecten. Of maken contrasten zichtbaar. In de aan opstandeling Wally en plantagehouder Jonas Witsen gewijde zaal zijn de wanden respectievelijk turquoise en toepasselijk (…), wit

Alvorens de tentoonstelling te betreden ziet de bezoeker in het atrium een vijftal plantage klokken. Ze kondigden het begin en het einde van de werkdag aan en klonken de slaafgemaakten vast niet als muziek in de oren!
‘s Morgens vroeg niet en s’avonds evenmin, want dan dreigde straf als het werk niet naar behoren was gedaan.

Zo’n klok is een goed voorbeeld om de verschillen in perceptie te illustreren. Voor Hollandse burgers betekende het klokgelui op zondagmorgen een roep om ter kerke te gaan. 

‘Masker’ dat een Europeaan in de tijd van de slavenhandel verbeeldt, gemaakt van een gele jerrycan. Onderdeel van de installatie La Bouche du Roi, Romuald Hazoumè, 1997–2005

De expositie begint in een donkere ruimte, waar de bezoeker de beklemming van een scheepsruim ervaart. Met zijn installatie La Bouche du roi geeft Romuald Hazoumè hier een impressie van de helse odyssee van de slaafgemaakten. Voor het ontwerp stond het in 1789 door de Britse Abolition Party gepubliceerde beladingsschema van het slavenschip Brookes model. Bedoeld als postuum eerbetoon aan de talloze slaafgemaakten, die verdwenen zijn in het zwarte gat van de geschiedenis.  

Installatie La Bouche du Roi, Romuald Hazoumè, 1997–2005

De titel van het uit vele betekenislagen opgebouwde werk verwijst naar een slavenmarkt in Benin. De maskerachtige jerrycans staan voor de slaafgemaakten. Het grote zwarte masker rechtsachter staat voor de (hedendaagse) koning van Benin; het gele voor de Europese tussenpersoon. Een weegschaal symboliseert de vraag welke partij meer schuld heeft. Een opmerkelijk detail, want bij deze vraag wijst de beschuldigende vinger vaak maar één kant op … 

Hazoumè verwerkte ook de handelswaar die via de zogenoemde driehoekshandel van de WIC vervoerd werd: jenever, kralen en kaurischelpen; de ‘valuta’ waarmee slaafgemaakten werden gekocht. Daarnaast brachten Hollandse schepen wapens naar West-Afrika. Met zwarte arbeidskrachten voeren ze door naar Zuid-Amerika. Met suiker, brazielhout, cochenille, cacao, koffiebonen en tabak zeilden ze terug naar het vaderland.

Andere zintuiglijke waarnemingen maken Hazoumè’s visuele impressie compleet. Je ruikt tabak en specerijen, vermengd met de geur van urine en zweet en je hoort de klaagzang van de slaafgemaakten. Aldus geeft de installatie een samenvatting van alle aspecten van de slavernij, waar de Nederlanders in de vroege 17e eeuw in verzeild raakten. Tijdens de Tachtigjarige oorlog waren kleine compagnieën wegens de gestagneerde aanvoer van zout en suiker door de Portugezen, noodgedwongen aan de overzeese handel begonnen. Vanaf 1602 werd deze groots aangepakt met de oprichting van de Oost- en in 1621 de West-Indische Compagnie. Aandelen werden niet alleen door de elite, maar ook door boeren, burgers, buitenlui en zelfs dienstbodes gekocht.

Vanuit de duistere eerste zaal wandelt de bezoeker door het verleden van Joao Mina, Wally, Oopjen, Paulus, de Van Bengalens, Surapati, Sapali, Tula en Dirk. De tijdreis wordt geïllustreerd met historische objecten, documenten, prenten, schilderijen, muziek en eigentijdse kunstwerken.  

Aan het eind van de expositie worden de bezoekers uitgenodigd om met David Bade en Tirzo Martha van het Curacaose kunstenaarscollectief Buena Bista mee te werken aan tien op de historische personages geïnspireerde, kunstwerken.  

Sirihkistje waaraan Januarij van Bengalen mogelijk heeft gewerkt, 1775–1780

Het woord slavernij roept wellicht filmische beelden op van ploeterende veldwerkers en zwarte mannen die de suikermolens bedienen. Maar slaafgemaakten waren ook werkzaam als geschoolde ambachtsman. Een fraai bewerkt sirihkistje uit het atelier van zilversmid Hendrik Rennebaum in Batavia is vermoedelijk gemaakt door Januarij van Bengalen.

Het handelskantoor van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in Hougly in Bengalen, Hendrik van Schuylenburgh, 1665

Over zijn achternaam en lotgenoten met hetzelfde (door de VOC geschonken) toponiem, wordt in de expositie een interessant boekje opengedaan. Vanuit de handelspost Hougly begon de diaspora van deze op de oevers van de Ganges en de Golf van Bengalen van hun vrijheid beroofde mensen. Het levensverhaal van Rosette, Baron en hun tweejarige zoontje Filander van Bengalen is een film waardig. Door een bizarre speling van het lot kwamen zij in 1689 vanuit Bengalen in Alkmaar en uiteindelijk in Dokkum terecht. In 1697 werkt Filander bij Sara van den Broecke nog in de bediening. Als dienaar van de Hermandad schopt hij het in zijn volwassen leven zelfs tot hoofd van politie. Een huwelijk met een Friezin die hem vijf kinderen schonk maakt dit sprookje compleet!

Filander van Baron bedient samen met twee andere bedienden Sara van den Broecke en Julius Schelto van AItzema. Rechts op de achtergrond staat waarschijnlijk zijn moeder Rosette van Sambauwa, Gerard Wigmana, 1697, Stadhuis van Dokkum

Een andere telg uit het ‘geslacht’ Van Bengalen, Augustus, belandde op het nog altijd bestaande Zuid-Afrikaanse landgoed Groot Constantia van wijnboer Hendrik Cloete. Na gedane arbeid was zijn werkgever kennelijk te moe om nog een pijp te roken!

Augustus van Bengalen houdt de pijp van slavenhouder Hendrik Cloete vast, ca. 1778

Tussen 1624-1665 werden naar schatting 26.885 Bengaalse slaven naar Batavia gebracht. Een aantal van hen werd -vergelijkbaar met het de huidige praktijken in Quatar- ingezet voor de bouw van het hoofdkwartier van de VOC in Batavia. Gebouwd op de puinhopen van het door J.P. Coen verwoeste Jakatra.

Bouwarbeiders in Batavia, een aantal van hen aan elkaar geketend Wouter Schouten, ca. 1660

Kolonialen gingen in de tropen de deur niet uit zonder een parasol. In het familieportret van de opperkoopman van Batavia Pieter Cnoll wordt deze pajong gedragen door Surapati (1660-1706). Deze jongeman is op tweeërlei wijze uit de coulissen van het slavernijverleden getreden. Als romanfiguur in een affaire met de dochter des huizes. Maar interessanter nog, in de gedaante van zijn alter ego, Untung Surpati. Als opstandeling ontwikkelde hij zich van bediende, minnaar en VOC soldaat tot vorst van een eigen koninkrijk. In de strijd tegen de VOC sneuvelde hij, maar als de eerste nationalistische verzetsheld van Indonesië is Surapati onsterfelijk geworden.

Surapati en een vrouwelijke tot slaaf gemaakte bediende vereeuwigd op het portret van de familie Cnoll, Jacob Coeman, 1665, Rijksmuseum Amsterdam

Paradoxaal genoeg fungeerden slaafgemaakten, die hiërarchisch de laagste sport van de maatschappelijke ladder innamen, niet zelden als statussymbool in de huishoudens van de Hollandse elite. In die hoedanigheid zijn zij meestal anoniem als bijwerk toegevoegd aan portretten, zoals dat van Maurits graaf van Nassau le Lecqu. Als zwarte man was je in de Republiek heel wat beter af dan op een overzeese plantage. De zwarte bediende van mevrouw Le Lecqu promoveerde tot tamboer in het leger van de prins. Getuige een notitie in een huwelijksregister trad ‘Paulus Maurits, paukenist’ op 11 juni 1694 zelfs in het huwelijk.

Een cavalerieregiment met voorop een paukenist te paard die op pauken het loopritme aangeeft, Cornelis Troost, 1742, Rijksmuseum Amsterdam
Halsband van messing, 1689, Rijksmuseum Amsterdam

Het verhaal van Paulus Maurus wordt aan de hand van een wel heel bizar voorwerp verteld. Een tot voor kort als hondenhalsband geïnventariseerd object met de wapens van de familie Le Lecq werd -naar oud-Romeins en eigentijds Engels gebruik- mogelijk door Paulus de Moor gedragen.

Jacobus Capitein (1717-1747). Uit: Staatkundig-godgeleerd onderzoekschrift Te Leyden, by Philippus Bonk, 1742

Is de levensloop van deze trommelaar al bijzonder; ronduit verbijsterend is het verhaal van de zwarte jongen die in 1728 in Nederland belandde. Gepromoveerd op de stelling dat Slavernij niet strijdig is met het christelijk geloof werd Jacobus Elisa Johannes Capitein de eerste zwarte gereformeerde predikant. Beroepen op het slavenfort El Mina viel hij, gewantrouwd door zowel de witten als de zwarten, echter tussen wal en schip.

In de loop van de 17e eeuw voerden Nederlandse predikanten de zogenoemde vloek van Noach aan ter legitimering van slavernij. Wegens diens commentaar op zijn vaders dronkenschap, vervloekte Noach zijn zoon Cham: …’gaat heen, voortaan zullen jij en je nakomelingen een knecht der knechten zijn’….(Gen. 9: 20-27). Zo werd het zwarte schaap van de familie de oervader van de slaafgemaakten.     

J.G. Stedman, Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam

Een van de eerste critici van de slavernij is John Gabriel Stedman (1744-1797). In zijn Narrative of a five years’ expedition against the revolted negroes of Surinam beschrijft hij zijn ervaringen als ‘slavenjager’ in dienst van de WIC. Ingegeven door zijn liefde voor ‘het slavenmeisje’ Joanna propageerde Stedman een mildere behandeling van de slaafgemaakten, maar een voorstander van afschaffing was hij niet.

Ook al betekende het leven van Stedmans ‘revolted negroes’  een ware survival tocht, toch verkozen in 1762 zo’n 7.000 weglopers (10% van de totale bevolking) dit lot boven een leven in slavernij. Voor gereedschap, gebruiksvoorwerpen en -zoals eertijds bij de Sabijnse maagdenroof- vrouwen pleegden weglopers overvallen op hun oude plantages.

John Gabriel Stedman, 1744-1797, Joanna, Tropenmuseum Amsterdam

De lotgevallen van deze zogenoemde marrons (verbastering van het Portugese cimarron= weggelopen vee) worden geïllustreerd met het verhaal van de opstandeling Wally. Het afschaffen van de vrije zaterdag vormde voor de slaafgemaakten op plantage Palmeneribo de druppel die de emmer deed overlopen. Voor het aanstichten tot verzet werden hij en zijn medestanders veroordeeld tot de ‘dood door langzame, levende verbranding’.

De dansfeesten in de schilderijen van Dirk Valkenburg (1676-1715) geven een impressie van de vrijetijdsbesteding op de plantage. De schilder, die de plantages van Jonas Witsen moest vastleggen, trad op Palmeneribo tevens op als zaakwaarnemer. Zijn schilderijen getuigen van een scherp waarnemingsvermogen. Toen de conflicten escaleerden en er met stenen werd gegooid stopte Dirk met (toe)kijken; hij kwam in actie en gaf Wally ‘een clap voor sijn beck’, omdat hij …’ soo lang het verderf geweest [was] van soo braave negers’, die nu moeten boeten voor het gedrag van de slechten. Kijkend naar het schilderij vraag ik mij af wie van de feestgangers luistert naar de naam Wally… 

Dansfeest op een van de suikerplantages van Jonas Witsen, Dirk Valkenburg, 1708

Ook Gerrit Schouten geeft een impressie van zo’n dansfeest. In zijn Diorama met Du is de tijd als een still uit een hedendaagse film even stil blijven staan. We zien een traditionele Winti dans ter ere van goden en voorouders. Een vertelster levert en passant kritiek op het koloniale gezag, dat gepersonifieerd wordt door het rode figuurtje. Uiteindelijk vallen de in trance geraakte dansers uitgeput neer. Vindt de Surinaamse uitnodiging om te dansen tot Bam hier zijn oorsprong?

Diorama van een du, dansfeest op de plantage, Gerrit Schouten, 1830

Gerelateerd aan de figuur van Wally vertelt kickbokser Remy Bonjasky over het bezoek dat hij voor het tv-programma de Plantage van mijn voorouders bracht aan het marrondorp van zijn moeder, waar de weglopers van Palmeneribo destijds een veilig heenkomen hadden gevonden. Wanneer hij van het vonnis hoort dat op 11 augustus 1707 over Wally werd geveld: langzame verbranding tot de dood erop volgt, welt woede in hem op. Woede die hem de kracht gaf om driemaal wereldkampioen kickboksen te worden!

Susi en Simba Mosis wier roots eveneens bij de gevluchte marrons liggen, vertellen in de autiotour over hun oermoeder Ma Sapali. Tijdens de overtocht naar Zuid-Amerika smokkelde zij rijstkorrels in haar kapsel mee, zodat er aan de overkant te eten zou zijn. Het Surinaamse rijstmerk Sapali brengt haar daadkracht nog dagelijks in herinnering.

Voor en na Stedman spraken verschillende eigentijdse auteurs zich uit over de legitimiteit van slavernij. In zijn De Iure bellis ac Pacis (1625) stelt Hugo de Groot dat krijgsgevangenen slaaf gemaakt mogen worden. Van etniciteit is geen sprake.  Dat is anders bij Olfert Dapper. In zijn Naukeurige Beschrijvingen der Afrikaensche Gewesten wordt slavernij in 1668 gerechtvaardigd met de bewering dat de betreffende bevolking een ‘natuurlijk geneigdheid’ tot dienstbaarheid heeft…   Het liberale kamerlid de predikant Wolter Robert baron van Hoëvell (1812-1879) neemt met zijn Slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet in 1853 heel duidelijk stelling tegen de slavernij.

De publieke opinie over slavernij in de voorgaande eeuwen is moeilijk te achterhalen, maar de verontschuldiging ‘Wir haben es nicht gewusst’ lijkt niet vol te houden. Door nieuwsbrieven werden de thuisblijvers van de ‘successen’ inzake de overzeese expansie geïnformeerd. De kopers van aandelen konden ook weten waar ze hun geld in belegden. Aan de prenten met Braziliaanse suikermolens naar Frans Post  zag je de hardships op de plantages niet direct af, maar dat het werk door geïmporteerde zwarte arbeiders werd gedaan, omdat anderen er niet tegen bestand waren, moet bekend zijn geweest.  

Suikermolen, aangedreven door ossen naar Frans Post, ca. 1640

Door Harriet Beecher Stowe’s veelgelezen Uncle Tom’s Cabin (1853) nam in de tweede helft van de 19e eeuw de kritiek op de slavernij toe. Vanaf 1842 zette de Nederlandse Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing van de Slavernij (NMBAS) zich metterdaad in voor dit doel. Ook werden damescomité’s opgericht om te protesteren. Met de verkoop van handwerkproducten bekostigden zij leningen voor manumissie. Met hetzelfde doel bracht Josiah Wedgwood sinds 1787 aardewerk op de markt voorzien van het embleem van de Abolition Party: een geketende smekeling met opschrift ‘Am I not a Man and a Brother’.

Georganiseerd verzet 
Gesterkt door uit Europa overgewaaide idealen van gelijkheid en broederschap èn de succesvolle vrijheidsstrijd van slaafgemaakten op Martinique durfde Tula in 1795 op Curacao om zijn vrijheid te vragen. De eigenaar van Plantage Knip, Caspar Lodewijk van Uytrecht had daar geen oren naar. Daarop trok Tula letterlijk en figuurlijk als een nieuwe Spartacus met 2000 man naar de gouverneur in Willemstad. Maar ook dit verhaal liep slecht af.

Museum Tula landhuis Knip in 2014 Foto: Marina Marijnen

Ter herinnering werd in 2010 in Landhuis Knip een museum gesticht. In de herziene Canon van Nederland heeft Tula naast de twintigste eeuwse Surinaamse auteur Anton de Kom vorig jaar ook een plek gekregen. Een opstand in Suriname onder leiding van Adyako Benti Basiton, alias Boston Band, had meer succes. Zijn bemiddeling met het koloniale bewind resulteerde op 10 oktober 1760 in een verdrag met ‘de bevreedigde boschneegers achter Auka’.

In de collectie van het Rijks zijn weinig objecten te vinden die direct aan de slavernijgeschiedenis herinneren. Maar met wat vindingrijkheid werden wel objecten gevonden die daar indirect mee kunnen worden verbonden. Zo keert Rembrandts huwelijksportret van Oopjen Copit uit 1934 in een verrassende hoofdrol terug. Als huwelijks geschenk ontving zij met haar echtgenoot Marten Soolmans een bedrag van 47.000 gulden. Zelfs niet omgerekend naar huidige maatstaven ook nog een vorstelijk bedrag!

Waar kwam al dat het geld vandaan?
Martens welstand was te danken aan zijn vaders handel in Braziliaanse suiker, die in de suikerbakkerij  ’t Vagevuur in Amsterdam werd geraffineerd.  Een toepasselijke bedrijfsnaam, want het gebruiksklaar maken van ruwe suiker ging gepaard met veel hitte en stonk ‘als de hel’. Een concurrent prees zìjn suiker aan met:   …’Hier is de Hel. Daar is het wel. Al is het wat duur. Nog is het beter hier als in ’t Vagevuur’!…

Op veel schilderijen en prenten van Frans Post is de oogst en verwerking van suikerriet afgebeeld. In de expositie zijn ook de enorme kapmessen, waarmee het riet werd gesneden, te zien. In de suikermolens werden de stengels gekneusd; een gevaarlijk werkje, dat de oververmoeide slaafgemaakte nog wel eens een hand kostte. Daarna werd het opgevangen sap gekookt en gezuiverd in het kookhuis. In de tentoonstelling kunt u zo’n zogenoemde kappa zien. Bedenk daarbij dat de plantagehouder bij de productie van suiker geheel afhankelijk was van de kennis van de zwarte arbeiders. In de vorm van kegels werd de ruwe suiker voor verdere behandeling naar Nederland vervoerd.

Portret van Oopjen Coppit Rembrandt, 1634, Rijksmuseum Amsterdam

En hoe zat het met Oopjen? Naast de opgeplakte tache de beauté werd op Oopjen’s blazoen ook een smet gevonden. Haar tweede echtgenoot Maerten Dey had tijdens zijn verblijf in Nederlands Brazilië slaven gehouden en dat niet alleen. Getuige de notulen van de kerkenraad (…) van Paraïba werd hij in 1635 –overigens ongestraft- aangeklaagd voor mishandeling en verkrachting van de tot slaaf gemaakte Francesca. Met wie hij ook een kind had. Wanneer zij tijdens de rondleiding van de koning stilstaat bij Oopjens portret vraagt Evelien Sint Nicolaas zich hardop af of Oopjen dat zou hebben geweten…

Na bezoek aan de suikerplantage van zijn voorouders spreekt kunsthistoricus Gijs Stork met plaatsvervangende schaamte over zijn (koloniale) familie geschiedenis. De tijden dat je trots was op een dergelijke pedigree zijn verleden. Een ooit letterlijk als ballast naar Suriname vervoerde baksteen nam hij als tastbaar herinnering aan de schuldige grond mee terug naar huis.

In de audiotour geeft Stork zijn stem aan regentenzoon Dirk van Hogendorp (1761 – 1822). Deze windvaan wisselde niet alleen verschillende malen van politieke kleur, maar hij ontwikkelde zich opmerkelijk genoeg van abolitionist tot slavenhouder.  Na de val van Napoleon begon hij in 1817 op de uitlopers van de Corcovado bij Rio de Janeiro een plantage. In zijn jonge jaren had Van Hogendorp in zijn toneelstuk Kraspoekol nog stelling genomen tegen slavernij, maar op zijn plantage werkten naast vrije- ook slaafgemaakte mensen.

Christoph Suhr, Portret van Dirk van Hogendorp, met een buste van Napoleon , ca. 1813, Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde, Leiden

Dirk van Hogendorp op Novo Sion, ca. 1820

Tot slot keren we nog even terug naar de West. Waar, in weerwil van haar naam, de vlucht van de slaafgemaakte Luckey dramatisch eindigde. Wanneer boven de bergen van Sint Maarten een wolkje hangt horen kinderen tweehonderd jaar na dato het grimmige sprookje over One-Tete, een gevluchte slaafgemaakte vrouw, die daar een potje zit te koken!

Misschien meer nog dan elders verlangden slaafgemaakten op Sint Maarten naar vrijheid, die op het Franse deel van het eiland tantaliserend dichtbij was. Luckey vluchtte de bergen in, maar ze werd gevangen. Haar naam, in de loop der tijd verbasterd tot One-Tete Lohkay, verwijst naar de prijs die ze voor haar vlucht moest betalen. Voor straf werd een van haar borsten geamputeerd. In een document dat in 2005 boven water kwam, waaruit blijkt dat zij echt heeft bestaan, wordt nòg een prijs genoemd. Voor 240 gulden wisselde zij van eigenaar.

Plantage The Retreat in Cul de Sac Samuel Fahlberg, 1816

In 1848 vluchtten slaafgemaakten op Sint Maarten naar de Franse kant van het eiland waar de slavernij was afgeschaft. Meer om praktische dan menslievende overwegingen vroegen de Nederlandse planters bij het gouvernement tevergeefs om afschaffing van de slavernij. Toen strenge straffen op het traineren van werkzaamheden en weglopen niets uithaalden bleef hen geen andere keus dan de slaafgemaakten hun vrijheid te schenken. Lang voor de afschaffing van de slavernij door Nederland. 

Engeland, Zweden, Frankrijk en Denemarken waren daartoe al in resp. 1834, 1847 en 1848 overgegaan. In dit rijtje neemt Nederland in 1863 een beschamende laatste plaats in.                                                                                                                
Nog beschamender zijn de woorden van het danklied dat de gezagsgetrouwe vrijgelatenen in Suriname ten gehore moesten brengen na het aanhoren van de proclamatie. De gouverneur sprak daarbij de hoop uit dat zij zich deze weldaad waardig zullen betonen.

Des konings naam zij hooggeacht
Den koning dank gebracht…..
(…)
Hij maakte ons, arme Negers vrij 
van schande en slavernij
God zegen Koning Willem Drie
Voor zoveel gunstbewijs..

Maar na deze officiële invrijheidsstelling waren de betrokkenen allerminst vrij.  Zij waren verplicht nog 10 jaar op de plantages te blijven werken. Ook daarna was het nog niet gedaan met de structurele ongelijkheid die tot de dag van vandaag voortduurt. De samenstellers van de tentoonstelling hopen dat deze zal bijdragen aan een vollediger beeld van de geschiedenis en beter onderling begrip. Met dat doel worden tal van activiteiten georganiseerd, zoals een wekelijkse Talskshow onder leiding van Jörgen Raymann, rondleidingen met gebarentaal en zelfs een zogenoemde prikkelarme avondopenstelling.   

Literatuur:

E. Sint Nicolaas e.a., Slavernij, Rijksmuseum, Amsterdam, 2020

R, van Gelder, Dichter in de Jungle, biografie over John Gabriel Stedman, Amsterdam, 2020

Links:

Bezoek het Rijksmuseum

Aan slavernij gerelateerde artikelen van Marina:

Schipperen tussen zwart en wit, 2001. Reformatorisch Dagblad. 

HIER. Zwart in Rembrandts tijd.

Johan Maurits; bewogen beeld

Tentoonstelling Slavernij, eerder artikel over dit onderwerp op deze site

Johan Maurits, Bewogen Beeld, Mauritshuis tot en met 7 juli 2019.

Atlas Johannes Blau, 1665, Prefectuur De Caraibo et Rio Grande

In eerdere exposities (1953, 1979, 2004) werden de verdiensten van ‘Maurits de Braziliaan’, bouwheer van het Mauritshuis, vooral bezongen. Dankzij een door hem gesponsorde publicatie van Caspar Barlaeus, Rerum per octennium in Brasilia […], 1647, stond Johan Maurits van Nassau-Siegen (1604-1679) tot voor kort te boek als een verlicht bestuurder. Als gouverneur van Nederlands Brazilië (1636-1644) moest hij het op de Portugezen veroverde noordoostelijk deel van Brazilië consolideren en profijtelijk maken. Hij vestigde zich in de streek Pernambuco. Als liefhebber van kunsten en wetenschappen besteedde hij veel tijd en geld aan de opbouw van zijn kolonie. Het kleine dorpje Recife groeide uit tot een dichtbevolkte stad en op het eiland Antonio Vaz verrees Mauritsstad (Mauritia), waarvan de ‘skyline’ gedomineerd werd door paleis Vrijburg.

Barleus, naar Frans Post, Paleis Vrijburg in Mauritsstad (Recife), 1647

Aan de westkant van het eiland verrees het buitenhuis van de gouverneur, Boa Vista, dat tevens als verdedigingswerk fungeerde. In de miljoenenstad Recife herinnert het gelijknamige stadsdeel nog aan de Hollandse periode, die hier anders dan in Nederland niet is vergeten. Waar ooit paleis Vrijburg stond is nu Johan Maurits standbeeld te vinden en voor schoolkinderen is de zogenoemde ‘Tempo dos Flamengos’ verplichte stof. Wegens de economische omstandigheden zou de huidige bevolking regelmatig verzuchten: waren de Hollanders maar gebleven, terwijl burgemeesters bij hun ambtsaanvaarding beloven te regeren als een tweede Johan Maurits. Er lopen zelfs heel wat jongens rond die luisteren naar de naam Joao Mauricio.

Braziliaanse erfenis van de hand gedaan
Economisch gewin was de hoofdreden van zijn komst, maar Johan Maurits had ook belangstelling voor de verschillende bevolkingsgroepen en de natuurlijke gesteldheid van het wingewest. ‘Natuurvorsers’, cartografen, geografen en schilders brachten het land letterlijk en figuurlijk in kaart. Frans Post (1612-1680) schilderde landschappen gestoffeerd met kleine figuurtjes.

Frans Post, Gezicht op het eiland Itamaraca, 1637, Mauritshuis

Albert Eckhout (ca 1610- 1666) bracht de Braziliaanse flora, fauna en bevolking op monumentaal formaat gedetailleerd in beeld. Deze portretten zijn in de tentoonstelling slechts in geprojecteerde beelden te zien. Hoewel van onschatbare etnografische en documentaire waarde, schitteren deze vroegste natuurgetrouwe beelden van de nieuwe wereld door afwezigheid. Ten onrechte. Albert Eckhout stond lange tijd in de schaduw van Frans Post, die na terugkeer de kunstmarkt overspoelde met honderden tot in den treure herhaalde Braziliaanse landschappen. Doordat Johan Maurits Eckhout’s Braziliaanse werk van de hand deed raakte diens artistieke nalatenschap in ons land tot 2004 in de vergetelheid. Een map met honderden tekeningen verkocht hij in 1652 aan de keurvorst van Brandenburg, deze bevinden zich thans in de Jagiellonbibliotheek in Krakau. In 1679 schonk Johan Maurits diverse Braziliaanse tekeningen aan de koning van Frankrijk, Lodewijk XIV. Deze stonden model voor een serie wandtapijten, de zogenoemde Tentures des Indes, waarvan de bezoeker ook geprojecteerde beelden ziet langs komen.

Albert Eckhout , Dans van de Tarairiu indianen, National Museum Kopenhagen

De acht monumentale doeken met Eckhout’s paarsgewijze portretten van de Braziliaanse bevolkingsgroepen, een doek met dansende Tarairiu Indianen, drie portretten van gezanten uit Congo en twaalf stillevens met tropische gewassen deed Johan Maurits in 1654 cadeau aan koning Frederik III van Denemarken. In ruil wenste hij de eervolle onderscheiding van de orde van de Witte Olifant te ontvangen. De zilveren ster op Jan de Baen’s portret en de epauletten in de vorm van olifantjes op het borstbeeld van de graaf bewijzen de toekenning daarvan. Eckhout’s schilderijen bevinden zich thans in het Nationaal Museum in Kopenhagen.

Kantelend beeld

Zacharias Wagner, Mensenhandel in Recife, ca. 1637-1641

Werd Johan Maurits in het verleden nog bewierookt, anno 2019 is de tijd rijp om de eenzijdig belichte Nederlands-Braziliaanse geschiedenis te herschrijven. Daartoe nodigt het Mauritshuis onderzoekers van verschillende disciplines en nationaliteiten uit. Enkele jaren geleden deed de historicus Zihni Özdil een geëmotioneerde aanval op het ontstaan van het Mauritshuis, dat gefinancierd zou zijn ‘over de ruggen van de zwarte slaven’ die arbeid verrichten op de Braziliaanse suikerplantages. Daarna is de bal gaan rollen. Het jargon is aangepast, tegenwoordig spreken we liever over ‘tot slaaf gemaakten’. De teneur van de op I-pads te lezen toelichting bij de objecten in de tentoonstelling is kritisch van toon. Begrijpelijk en veelal terecht, maar er is weinig aandacht voor de historische context. Enige nuance vind ik in de teksten van voormalig directeur van het Mauritshuis Frits Duparc en kenner van de overzeese geschiedenis historicus Piet Emmer. Van wiens hand ik mij de relativerende reactie herinner op Özdils verwijt: ‘Mauritshuis verzwijgt duister verleden’, waarin Emmer dat verleden in historisch perspectief plaatst. De link naar beide stukken treft u aan bij de bibliografie.

De slavenhandel waarin Portugezen, Denen, Engelsen en Nederlanders een aandeel hadden vormt een zwarte bladzijde in de Europese geschiedenis. Het is niet algemeen bekend dat deze mensonterende praktijk in Afrika sinds mensenheugenis en – o.a. in Mali – nog steeds plaats vindt. Zwarte koningen namen destijds hele dorpen gevangen. En brachten hun rasgenoten naar Fort Elmina op de kust van Ghana tot er genoeg waren om een scheepslading van de Europeanen te vullen. Daar zou je tegenin kunnen werpen: ja, maar als die er niet geweest waren…. In de 17e en 18e eeuw werd de markt bepaald door vraag èn aanbod. Onder de titel “schipperen tussen zwart en wit” publiceerde ik in het Nederlands Dagblad een artikel bij de tentoonstelling die het Scheepvaartmuseum in 2002 organiseerde over Slavernij.

Johannes Vingboons, Gezicht op het Casteel van Mina, 1665, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

In 1637 veroverde Johan Maurits het Portugese slavenfort El Mina waarmee hij daadwerkelijk betrokken raakte bij de slavenhandel. Paradoxaal genoeg lag aan deze mensonterende handel een menslievend advies van de 16e eeuwse bisschop Bartolomeus de Las Casas ten grondslag. Uit medelijden met de indianen, die niet bestand waren tegen het zware werk, adviseerde hij de Spaanse kroon om voor het plantagewerk de sterkere zwarten uit Afrika te importeren.

In de huidige expositie ligt de focus op de slavernij in het verleden, maar slavernij is van alle tijden. Nederlandse boeren en fabrieksarbeiders gingen vroeger eveneens gebukt onder wat je nu ‘slavernij’ zou noemen. Dat geldt vandaag de dag ook nog voor de talloze Aziatische arbeidskrachten die buiten hun land worden uitgebuit. Aan deze vormen van moderne slavernij wordt hopelijk aandacht besteed in de voor 2020 in het Rijksmuseum geprogrammeerde tentoonstelling Slavernij.

Barthelomeus Eggers, Borstbeeld van Johan Maurits, 1664

Na de verwijdering vorig jaar van het borstbeeld van Johan Maurits uit de entreehal van het Mauritshuis kwam een storm van reacties los. Positieve, maar ook negatieve. Historische gebeurtenissen kunnen niet worden veranderd, maar de beeldvorming wel. Met die doelstelling is de huidige tentoonstelling samengesteld als startpunt van een langlopend onderzoekstraject, waarin vertegenwoordigers van velerlei disciplines en landen zijn uitgenodigd om de revisie van Johan Maurits gestalte te geven. De volgende stap is een symposium dat in juni plaats zal vinden in het Mauritshuis.

Het is interessant om ‘het’ verleden van tijd tot tijd met hedendaagse ogen te bekijken. Verschillende historische helden zijn daarbij letterlijk en figuurlijk al van hun voetstuk gevallen.

Slavernij op school?

De meeste van mijn generatiegenoten hoorden op school, afgezien van de leestip de Hut van Oom Tom, niets over de transatlantische handel in zwarte arbeidskrachten. Tijdens de voorbezichtiging deelde een van de onderzoekers mij de (niet nagetrokken) informatie mee, dat de leerstof over de slavenhandel op veel scholen nog steeds marginaal is.

Toen de slavenhandel nog in handen van de Portugezen was bestempelden de Nederlanders deze nog als onchristelijk. Dit veranderde toen de West Indische Compagnie vanaf 1621 ook een aandeel in deze handel nam. Calvinistische predikanten en kooplieden trachtten de mensonterende praktijk aan de hand van een bijbeltekst goed te praten. Noach, die tijdens de zondvloed een heldenrol vervulde, had eens onmatig van de opbrengst van zijn wijngaard genoten. Terwijl hij in kennelijke staat zijn roes lag uit te slapen wees diens zoon Cham zijn broers op deze schaamteloze vertoning. Toen Noach ontwaakte vervloekte hij Cham zeggende: …’gaat heen voortaan zul jij en je nageslacht een knecht der knechten zijn’….of woorden van gelijke strekking. (Gen. 9: 20-27). Op grond van deze bijbelpassage zijn Noach’s zonen de geschiedenis in gegaan als stamvaders van de rassen. Als het zwarte schaap van de familie werd Cham de oervader der zwarten.

Mauritshuis als Suikerpaleis op de tentoonstelling

Expositie
In de kleine expositie staat een replica van het Mauritshuis gebouwd met suikerklontjes, verwijzend naar de 17e eeuwse bijnaam van het stadspaleis, dat door de afgunstige bewindhebbers van de WIC werd aangeduid als het palais du sucre. De bouw van het door Jacob van Campen ontworpen classicistische stadspaleis, was gefinancierd met verdiensten uit Johan Maurits Braziliaanse periode. Het onderzoek van Erik Odegard, een van de samenstellers van de tentoonstelling, richt zich op dit aspect van Johan Maurits carrière.
Tijdens de bouw verbleef Johan Maurits in Brazilië. Zijn buurman Constantijn Huyghens hield een oogje in het zeil. De tuin aan de voorzijde van het huis, waar nu het plein ligt, grensde aan die van Huyghens, wiens woning gesitueerd was op de plek van het huidige gerechtsgebouw. Niet alleen het exterieur, maar ook het interieur was fraai.

Albert Eckhout , Studie van twee Braziliaanse schildpadden

Een ooggetuige zag schilderijen van Braziliaanse landschappen met haar bewoners, de flora en fauna, alsook Johan Maurits verzameling Afrikaanse en Braziliaanse etnografische voorwerpen: assegaaien, bijlen en opgezette uitheemse dieren, een krokodil, een waterslang, een rinoceros, een kleine olifant en Braziliaanse schildpadden. Een realistische impressie van twee vechtende Braziliaanse schildpadden door Albert Eckhout is in de tentoonstelling te zien.

Kort na terugkeer in Nederland verraste Johan Maurits zijn gasten tijdens een soirée met een groep naakte Braziliaanse indianen die tot verbijstering en wellicht verrukking van de aanwezige Haagse dames een woeste dans uitvoerden. Zoiets was in Den Haag nog nooit vertoond! Op een van Eckhouts schilderijen is een soortgelijke ‘stampvoetersdans’ in beeld gebracht. Tussen de geprojecteerde beelden ontbreekt deze ‘dans van de Tapoeiers’, zoals de Tapuya Indianen door de Hollanders genoemd werden.

Barlaeus en Nieuhof (Gedenkweerdige Brasiliaense lant- en zeereise, 1682), informeren de lezers dat de dans, die gepaard ging met grote drinkgelagen, in het leven van de Indianen een belangrijke plaats in nam.

Eckhout, Tapuya Indiaan ca 1640 Kupferstichkabinett Berlijn

Niet alleen de indianen maar ook de zwarte arbeids-krachten wekten Eckhouts artistieke belangstelling. Tussen de geprojecteerde beelden flitst zijn portret van een Zwarte vrouw met zoontje langs. Speciaal voor het portret is ze fraai uitgedost. Een tot slaaf gemaakte vrouw droeg geen mooie hoed en zeker geen sieraden. Zwarte vrouwen van de kusten van Guinee tot Sierra Leone werden om hun properheid dikwijls als huisslavin aangesteld. Hoewel predikanten het ‘bouleren met zwartinnen’ ernstig afkeurden, kozen WIC-dienaren zich vaak een zwarte bijzit. Het vogeltje van haar zoontje, dat duidelijk een tintje lichter is dan zijn moeder, verwijst symbolisch naar deze gewoonten. De geportretteerde vrouw is waarschijnlijk een huisslavin. De zeilschepen in de achtergrond van het schilderij verwijzen naar haar komst van overzee.

Albert Eckhout, Vrouw met kind, 1641, National Museum Kopenhagen

Vanuit mijn ooghoek zie ik een soortgelijke zwarte vrouw geschetst door een Duitser in dienst van Johan Maurits, Zacharias Wagner, met één opvallend verschil. Anders dan Eckhout’s vrouw draagt zij een brandmerk boven haar linkerborst.

Zacharias Wagner, Jonge vrouw met kind, 1641, Kupferstich Kabinett, Dresden
Detail brandmerk, Zacharias Wagner, Vrouw met kind, 1641

Hij mag dan bekend staan als een menslievend en humaan bestuurder, maar Johan Maurits was een kind van zijn tijd. In zijn Politiek Testament noteerde hij de volgende aanbeveling: ‘daarom zou ik willen dat de lichamen der negers van het merk der Compagnie voorzien werden, opdat het bedrieglijk volk geen schlechteren voor betere in de plaats stelle’

Albert Eckhout, Portret van een Tarairiu man, 1641, en pendant van een Tarairiu vrouw National Museum Kopenhagen

In de strijd om de macht die na de Nederlandse verovering losbarstte, verzekerden zowel de Portugezen als de Nederlanders zich van de steun van lokale bondgenoten. De geciviliseerde Tupinamba indianen stonden aan Portugese zijde, de Nederlanders werden bijgestaan door de niets-ontziende Tarairiu indianen. Joan Nieuhof verklaart de Nederlandse keuze: ‘Zij zijn ongemeen sterk en kunnen eenen stier ter neer vellen.’ Maar ook zij konden niet verhinderen dat Nederlands Brazilië in 1654 weer in Portugese handen viel. De wat raadselachtige ‘string’ in Eckhout’s meer dan levensgrote portret van een Tapoeier, verklaart Nieuhof als volgt: … ‘Alle tapoeiers gaan bijna moedernaekt: …’alleenlijk hebben zij de roede van hunne mannelijkheid ingetrokken …en binden het met zeker bantje vast’… De Tarairiu zwommen graag in de rivier. Het touwtje fungeerde als ‘voorbehoedsmiddel’ tegen het binnendringen van kleine waterdiertjes.  

Het pendant heeft eveneens interessante antropologische documentaire waarde. Stappend over een paar stenen kijkt een Tarairiu vrouw even in de lens van een denkbeeldige archaïsche fotograaf. De proviand die de schilder speels uit haar mandjes laat steken, verwijst naar het kannibalisme van deze stam. Zij aten niet alleen hun gedode vijanden, schrijft Barlaeus, maar ook de lichamen van hun overleden stamgenoten. Dit laatste in een daad van uiterste toewijding: hun dierbaren konden nergens beter rusten. Albert Eckhout’s etnografische portretten behoren tot de vroegste uitingen van een 17de-eeuwse stroming in kunsten en wetenschappen: het wetenschappelijk naturalisme. Ze leveren de vroegste bijdrage aan de beeldvorming van de Nieuwe Wereld en haar bewoners.

Onder deze projecties zijn echte objecten en schilderijen tentoongesteld. Zoals het portret van Johan Maurits door Joan de Baen, een brief van zijn hand en een bloemstilleven met een Wanli vaas en Braziliaanse schelpen door Balthasar van der Ast.

Even vraag je je af wat Govert Flinck’s portret van een meisje hier doet, maar bij nadere beschouwing zie je dat ze haar handje uitstrekt naar wat suikergoed op haar kinderstoel.

Govert Flinck, Meisje bij kinderstoel, 1640 , Mauritshuis

Suiker was, naast het als kleurstof gebruikte brazielhout het belangrijkste Braziliaanse exportproduct. Met de persoonlijke visie van de samenstellers is Bewogen Beeld een mooie en informatieve tentoonstelling geworden. Over deze bijzondere periode in de gedeelde geschiedenis van Nederland en Brazilië is het laatste woord nog niet gezegd. Naar aanleiding van het wetenschappelijk onderzoek zullen weer nieuwe meningen worden gevormd.

Wie nu verder wil lezen kan dat doen via de links direct onder de tekst:

In 2016 publiceerde ik een review over de kleine expositie die het Rijksmuseum aan Frans Post wijdde. In 2004 publiceerde ik ter gelegenheid van de tentoonstelling over Albert Eckhout, een uitgebreid artikel, in Spieghel Historiael (thans Geschiedenis Magazine), nr. 2, jaargang 2004.

De hierin verwerkte informatie is een samenvatting van mijn doctoraal scriptie uit 1985, Albert Eckhout, hofschilder van Johan Maurits, die nog wel in de bibliotheek van het Mauritshuis en de RKD te vinden is.

Diverse Links :

Bij expositie Frans Post in het Rijksmuseum

Artikel over Nederlands Brazilië uit Spieghel Historiael

Schipperen tussen zwart en wit uit het Nederlands Dagblad

Stille getuigen van de Nederlands Braziliaanse periode

Historiek, het slavernijverleden van het Mauritshuis

Den Haag FM ; Mauritshuis verzwijgt duister verleden

Een vandaag, Johan Maurits weg uit foyer

Frans Post, dieren in Brazilië, tot en met 8 januari in het Rijksmuseum Amsterdam

Frans Post en Albert Eckhout met Johan Maurits in de tropen, bij de tentoonstelling  ‘Frans Post, dieren in Brazilië, tot en met 8 januari in het Rijksmuseum Amsterdam

Pieter Soutman. Johan Maurits, 1647, Rijksprentenkabinet Rijksmuseum, Amsterdam
Pieter Soutman. Johan Maurits, 1647, Rijksprentenkabinet Rijksmuseum, Amsterdam

Op 23 januari 1637 arriveerde graaf Johan Maurits van Nassau Siegen (1604-1679) met zijn vloot op de kust van Recife. De Heren XIX van de West Indische Compagnie (WIC) hadden hem opdracht gegeven om het op de Portugezen veroverde gebied te consolideren en winstgevend te maken. Dat deze missie geen succesverhaal zou worden heeft niet aan de inzet van Maurits de Braziliaan gelegen. Mislukte suikeroogsten en de geringe steun van de bewindhebbers van de WIC waren er debet aan dat de kolonie in 1654 aan de Portugezen terugviel. Van deze Hollandse periode in Brazilië is echter een interessante nalatenschap bewaard gebleven: zowel archeologisch, historisch als kunstzinnig.

Nedelands Brazilië
Nederlands Brazilie, in 1643

Schilderijen, tekeningen en prenten met Braziliaanse landschappen, haar bewoners, de flora en fauna en afbeeldingen van Johan Maurits Braziliaanse woonstedes getuigen daarvan. En niet te vergeten: het Haagse Mauritshuis. Naast natuurvorsers, geografen, cartografen en andere wetenschappers vergezelden de schilders Albert Eckhout (1610-1680) en zijn collega Frans Post (ca 1612-1680) Johan Maurits. Aan hen de taak de nieuwe kolonie letterlijk en figuurlijk in kaart te brengen. In 2004 stond Albert Eckhout -de protagonist van mijn afstudeerscriptie- centraal in een tentoonstelling in het Mauritshuis. Nu speelt Frans Post de hoofdrol in het Rijksmuseum. Anders dan in Nederland is in Recife de Nederlandse periode niet vergeten. De stad is gebouwd op Hollandse fundamenten. Op het plein waar ooit het paleis Vrijburg stond, is Johan Maurits standbeeld te vinden en voor schoolkinderen is de ‘Tempo dos Flamengos’ verplichte stof. Wegens de economische omstandigheden zou de huidige bevolking regelmatig verzuchten: waren de Hollanders maar gebleven, terwijl burgemeesters bij hun ambtsaanvaarding beloven te regeren als een tweede Johan Maurits. Er lopen zelfs heel wat jongens rond die luisteren naar de naam Joao Mauricio!
Voor we ons verdiepen in deze geschiedenis gaan we nog even langs in Den Haag. Hier liet Johan Maurits naar ontwerp van Jacob van Campen (1596-1657) een huis in classicistische stijl bouwen: het Mauritshuis dat in de volksmond smalend het Suikerpaleis werd genoemd, wegens de financiering uit de handel in suiker. In een brief aan Constantijn Huyghens omschrijft Johan Maurits deze woning als ’la belle, très belle et bellisime maison’.

Jan de BisschopMauritshuis
Jan de Bisschop, Het Mauritshuis, ca 1660,Kupferstich Kabinett der Staatlichen Kunstsammlungen, Dresden

Aan de wanden zag een ooggetuige schilderingen van Braziliaanse landschappen gestoffeerd met haar bewoners, de flora en fauna. De woning herbergde ook een verzameling; voornamelijk Braziliaanse rariteiten: assegaaien, bijlen, etnografische voorwerpen en opgezette uitheemse dieren, waaronder een krokodil, een waterslang, schildpadden, een rinoceros en zelfs een kleine olifant. Ooit zagen genodigden er zelfs een aantal naakte indianen die tot verbijstering en wellicht verrukking van de aanwezige Haagse dames, een woeste dans uitvoerden. Zoiets was in Den Haag nog nooit vertoond!

Eckhout_Tapuya indianen
Albert Eckhout, Dans van de Tapuya-indianen, ca.1640, Nationalmuseet, Kopenhagen

 

Gouverneur in Brazilië

Post_Mauritsstad_Recife
Frans Post, Mauritsstad en Recife, 1657

Johan Maurits had een warme belangstelling voor het land en haar oorspronkelijke bewoners de Tupinamba- en Tarairiu indianen. De Europese bevolking, welke bestond uit circa 2700 katholieke Portugezen, plantagehouders, mulatten, uit Spanje gevluchte joden en Hollanders. Met hen ging hij regelmatig om de tafel zitten, maar het bleef onrustig in de kolonie. Sinds 1624 hadden de Nederlanders geprobeerd hun positie in dit gebied te consolideren, maar een niet aflatende guerrillastrijd belemmerde hen bij het rendabel maken van het wingewest. Alleen in de kuststreken van Pernambuco konden zij zich handhaven door hun overmacht op zee. Hier begon Johan Maurits aan de opbouw van de kolonie. Fortificaties, wegen, bruggen en kanalen werden aangelegd. Het kleine dorpje Recife groeide uit tot een dichtbevolkte stad. Op het eiland Antonio Vaz verrees Mauritsstad, het ‘culturele centrum’ van de Nieuwe Wereld, waarvan de ‘skyline’ gedomineerd werd door paleis Vrijburg.

Post_Vrijburg
Naar Frans Post, Paleis Vrijburg, residentie Johan Maurits in Recife, Amsterdam, 1647

Hier bevond zich een menagerie met lokale en Afrikaanse dieren, die met de slavenschepen waren meegekomen: zoals ‘tigers’, miereneters, tapirs, apen, schapen uit Angola, papegaaien en zelfs een olifant! Aan de westkant van het eiland bouwde Johan Maurits een buitenhuis, Boa Vista, dat door zijn strategische ligging naast de brug naar het vasteland tevens als verdedigingswerk fungeerde. Tegenwoordig herinnert de naam van het stadsdeel Boa Vista nog steeds aan deze 17e eeuwse bebouwing.

Post_Boa Vista
Frans Post, Boa Vista, na 1643, British Museum Londen

Bij Boa Vista was een observatorium, waar Georg Marcgraf (1619-1644), een wetenschappelijke omnivoor, zijn waarnemingen deed. Hier was ook een rariteitenkabinet, met naturalia, een verzameling voortbrengselen der natuur, en artificialia, door mensenhand gemaakte objecten. De bewindhebbers van de WIC, waren niet erg ingenomen met deze geldverslindende bouwactiviteiten. Reprimandes enerzijds en onvrede van de graaf over de geringe militaire en financiële steun anderzijds, resulteerden in Johan Maurits zelfverkozen ontslag. In 1644 kwam hij  terug in het vaderland. Zijn vertrek werd in Brazilië onder alle bevolkingsgroepen zeer betreurd. Caspar Barlaeus, auteur van het belangrijkste boek over deze periode beschrijft de emotionele taferelen die zich bij zijn afscheid afspeelden.
Aan het aantal verdedigingswerken heeft het verlies van de kolonie niet gelegen: archeologen van de New Holland Foundation ontdekten maar liefst 80 Hollandse forten. In verschillende van Posts schilderijen zijn ze afgebeeld. Op de fundamenten van Fortaleza, het grote fort in het Noordoosten, verrees de gelijknamige miljoenenstad, waar de Avenida dos Holandeses nog aan de Hollandse periode herinnert.

Tapoeiers
In de strijd om de macht in Brazilië verzekerden zowel Portugezen als Nederlanders zich van de steun van lokale bondgenoten. De meer geciviliseerde Tupinamba indianen stonden aan Portugese zijde. De Nederlanders werden bijgestaan door de nietsontziende Tarairiu indianen, door hen ‘Tapoeiers’ genoemd. In zijn Gedenkweerdige Brasiliaense lant- en zeereise (1682), licht Joan Nieuhof de Nederlandse keuze toe: ‘Zij zijn ongemeen sterk en kunnen eenen stier ter neer vellen.’ Toch kon deze coalitie niet verhinderen dat Nederlands Brazilië in 1654 weer in Portugese handen viel. Over de Tapoeiers meldt Nieuhof ook: ‘Alle tapoeiers gaan bijna moedernaekt: alleenlijk hebben zij de roede van hunne mannelijkheid ingetrokken en bewonden in een beurse of netje,…en binden het met zeker bantje vast’, waarmee de wat raadselachtige string van Albert Eckhouts Tarairiu man verklaard is.

Eckhout_Tapuya-man
Albert Eckhout, Tarairiu-man met speren, speerwerper en een knots, 1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Eckhout_Tapuya vrouw
Albert Eckhout, Tarairiu-vrouw, die afgehakte hand vasthoudt en afgehakte voet in een mand draagt ,1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Het pendant toont een Tarairiu vrouw. Stappend over een paar stenen steekt zij een beekje over en lijkt even stil te houden voor de lens van de archaïsche fotograaf. De proviand die de schilder speels uit haar mandje laat steken, een mensenvoet, verwijst naar het kannibalisme van de Tarairiu. Zij aten niet alleen hun gedode vijanden, schrijft Barlaeus, maar ook de lichamen van hun overleden stamgenoten als daad van uiterste toewijding. Hun dierbaren konden nergens beter rusten.

Deze twee meer dan levensgrote doeken maken deel uit van de reeks nauwkeurig waargenomen etnografische portretten, die Albert Eckhout in Brazilië schilderde. Frans Post concentreerde zich op Braziliaanse landschappen met suikerrietplantages en suikermolens, waarin mensen als kleine, onduidelijke figuurtjes zijn weergegeven. Albert Eckhout bracht niet alleen flora en fauna, maar ook de bewoners heel gedetailleerd en realistisch in beeld. Dit realisme staat in scherp contrast met de gangbare beeldvorming van bewoners van de Nieuwe Wereld, die veelal door fantasie en mythe gekleurd was. Eeuwenlang werd de Europese visie op ‘de’ Indiaan door twee uit de oudheid en Middeleeuwen daterende stereotypen bepaald: de Indiaan als ‘tabula rasa’, een onbeschreven blad, of de Indiaan als ‘duivelsaanbidder’: de Indiaan als ‘goede’ dan wel als slechte’ wilde.

Het belang van Eckhouts realistische werken moet vooral gezocht worden in de documentaire waarde. Ze verschaffen biologische, zoölogische, antropologische en etnografische informatie. De nadruk ligt op de fysionomische raskenmerken. Terwijl de koppen goed geschilderd zijn valt op dat anatomische details in enkele gevallen minder goed gelukt zijn. Dit kan worden verklaard uit het feit dat Eckhout koppen en lichamen van de uitgebeelde figuren afzonderlijk naar het leven schetste, waarna hij deze in zijn atelier componeerde tot monumentale portretten. Met het uitvergroten’ van deze kleine schetsen tot meer dan levensgroot formaat, de schilderijen meten 2.60 x 1.60 m, had hij kennelijk moeite.

Eckhout_Indiaan
Albert Eckhout, Tapuya indiaan, ca. 1640, Kupferstichkabinett, Staatlichen Museen zu Berlin

Ook de zwarte slaven wekten Eckhouts artistieke belangstelling. Zij werden sinds 1637, na Johan Maurits verovering van het Portugese slavenfort El Mina, als arbeidskrachten naar de West-Indische plantages gebracht. Aan deze mensonterende handel lag het advies van de 16e eeuwse bisschop Bartolomeus de Las Casas ten grondslag. Uit medelijden met de indianen, die niet bestand waren tegen het zware werk, adviseerde hij de Spaanse kroon om voor het plantagewerk de sterkere zwarten uit Afrika te importeren. In de discussie over deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis hoor je zelden dat Afrikaanse koningen de bewoners van naburige gevangen namen en in de krochten van het slavenfort opspaarden tot een scheepsruim gevuld kon worden. In 2002 verscheen hierover een artikel van mijn hand in het Nederlands Dagblad.

Eckhout portretteerde ook een zwarte vrouw met haar zoontje.

Eckhout_Zwarte vrouw
Albert Eckhout, Zwarte vrouw met mand en kind, 1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Zacharias Wagner, detail Zwarte slavin met brandmerk.
Zacharias Wagner, detail naar Eckhout Zwarte slavin met brandmerk.

 

 

 

 

 

 

Voor deze gelegenheid is zij mooi toegerust. Een huisslavin droeg geen mooie hoed en zeker geen sieraden. Hoewel predikanten het bouleren met zwartinnen’ ernstig afgekeurden lijkt haar zoontje met de iets lichtere huidskleur van cafelatte, uit een verbintenis met een blanke geboren te zijn. De zeilschepen in de achtergrond van het schilderij verwijzen naar haar komst van overzee; zij is een zogenoemde zoutwaterslavin. Op een schets in Zacharias Wagners Thierbuch, bevindt zich een kopie naar Albert Eckhout van dezelfde vrouw met één verschil: boven haar linkerborst is duidelijk het brandmerk van Johan Maurits te zien. Hoe menslievend en humaan hij als bestuurder van Nederlands Brazilië ook te boek staat, Johan Maurits was een kind van zijn tijd. In zijn Politiek Testament noteerde hij de volgende aanbeveling: ‘daarom zou ik willen dat de lichamen der negers van het merk der Compagnie voorzien werden, opdat het bedrieglijk volk geen schlechteren voor betere in de plaats stelle’.

Diplomatieke geschenken
In 1654 schonk Johan Maurits Eckhouts etnografische portretreeks en een serie Braziliaanse stillevens aan de Deense koning Frederik III. In ruil daarvoor ontving hij de eervolle onderscheiding van de Orde van de Witte Olifant, waaraan een jaargeld verbonden was. Ook de zonnekoning, Lodewijk XIV (1643-1715), werd in 1679 bedacht met een schenking van schilderijen door Frans Post en tekeningen van Albert Eckhout, die model stonden voor een serie wandtapijten met Braziliaanse onderwerpen, de Tentures des Indes (Mobilier National te Parijs).
Een verzameling van ca. 800 Braziliaanse olieverfschetsen en tekeningen, merendeels van Eckhouts hand, belandde als de Libri Picturati, in 1652 in de bibliotheek van de keurvorst van Brandenburg, Frederik Wilhelm. Nadat deze sinds 1945 spoorloos waren, doken ze in 1977 op in de Jagiellonska Universiteits Bibliotheek in Krakau.
Eenzelfde wonder geschiedde enkele jaren geleden. Bij digitaliseer-werkzaamheden stuitte archivaris Alexander de Bruin in het Haarlemse stadsarchief op een map anonieme tekeningen. De daarop afgebeelde dieren bleken identiek aan geschilderde soorten in Braziliaanse schilderijen van Frans Post.

Post_Llama
Frans Post, Llama, Noord Hollands Archief, Haarlem

Deze tekeningen en schilderijen zijn in de tentoonstelling niet alleen tweedimensionaal, maar dankzij een bruikleen van Naturalis, ook ten voeten uit aanwezig. Zo worden zij niet alleen herkenbaar, maar zelfs aaibaar! Dat laatste is echter niet toegestaan. Voor wie het niet laten kan staat er een lama, wiens mottige vacht toch al kale plekken vertoont! De andere dieren zijn in de museumwinkel als knuffels te koop.

Frans Post

Hals_Post
Frans Hals, Frans Post, ca.1655, Particuliere collectie

Frans Post vertrok op 23-jarige leeftijd naar Brazilië. De reis moet een onvergetelijke indruk op hem hebben gemaakt. Na zijn terugkeer in 1644 bleef hij voortdurend voortborduren op zijn Braziliaanse artistieke vocabulaire. In 1646 werd hij lid van het Haarlemse St. Lucasgilde, waar hij in de diverse bestuursfuncties bekleedde. Hij trad in 1650 in het huwelijk met Jannetje Bogaert (1627-1664). Zij overleed op 37-jarige leeftijd aan de pest, waarna de schilder achterbleef met de zorg voor 9 kinderen. Mogelijk groeiden verdriet en zorgen hem boven het hoofd. Uit latere berichten valt op te maken dat hij aan lager wal geraakt is. Wanneer Johan Maurits in 1679 het idee opvat om Post als koerier en explicateur mee te sturen met het diplomatieke geschenk voor Lodewijk XIV (1643-1715), raadt Maurits financiële adviseur Jacob Cohen dat af, aangezien Frans Post is ‘… vervallen tot den dronk en beevende’….
Een jaar later overleed hij, twee maanden na de dood van de man met wie hij in zijn jonge jaren zijn Braziliaanse avontuur had beleefd.  

Verwantschap diertekeningen en schilderijen

Post, Sao Francisco, fort Maurits
Frans Post, zicht op de rivier Sao Francisco en fort Maurits, Brazilie, met een Capybara, 1639, Musee du Louvre Paris

Post_Capybara
Frans Post, Capybara, Stadsarchief Haarlem

 

 

 

 

 

 

Bij het zien van Frans Posts Gezicht op de Sao Franciscorivier, met aan de overzijde Fort Maurits uit 1639,  is de relatie tussen de gevonden tekeningen en Posts schilderijen direct duidelijk. Prominent in de voorgrond staat een fouragerende Capybara, een waterzwijn, die vrijwel identiek is aan de twee die door Post zijn getekend. Een draagt een halsband. Kennelijk een gedomesticeerd exemplaar uit de menagerie van Johan Maurits. Aan de linkerzijde van het doek schilderde Post een grote cactus. De Bruins suggestie dat Post deze, naar een voorbeeld van een andere kunstenaar deed klopt. Van deze vruchtdragende cactus vond ik een houtskooltekening van Albert Eckhout in de Archives du Manufacture Nationale de Ceramique, Sèvres. Een zelfde cactus figureert ook in een plafondschildering met Braziliaanse vogels, een oranje trupiale en een zwartkeelspecht van Eckhouts hand in slot Hoflösnitz nabij Dresden, waar Albert Eckhout op aanbeveling van graaf Johan Maurits van 1653 tot 1664 als hofschilder van keurprins Johann Georg van Saksen in dienst was.

cactus_kleur
Albert Eckhout, detail plafondschildering Schloss Hoflossnitz, Dresden

In Frans Posts Braziliaanse landschap met Suikermolen, in New York,  en nog prominenter in het Braziliaanse landschap met Suikermolen uit de National Gallery of Ireland herkennen we nog meer dieren uit de Haarlem tekeningen: een kaaiman, een gordeldier, een wasbeer, een tamandua of kleine miereneter, een voor dood liggende luiaard en een Braziliaans stekelvarken en de capybara.

Post-Landschap
Frans Post, Braziliaans landschap met suikermolen, National Gallery, Dublin

Deze hele menagerie passeert wederom de revue in het Kathedraal van Olinda uit het Rijksmuseum, dat nog gevat is in de originele houtgesneden lijst met een hagedis en een sprinkhaan. Dezelfde dieren figureren ook samen of  solitair in Posts andere schilderijen.

Post_Olinda
Frans Post, Zicht op Olinda, Brazilie. 1662, Rijksmuseum Amsterdam

gordeldier
Frans Post, zesbandige Armadillo, Noord-Hollands archief, Haarlem

 

 

 

 

 

 

In zijn publicatie over de gevonden Haarlem tekeningen merkt de Bruin op dat het nu zoeken is naar de missing link van voorstudies voor de ananas en kalebas in de voorgrond van Posts Gezicht op Olinda en het Braziliaanse Landschap uit 1652, die zich beide in het Rijksmuseum bevinden. Zoeken hoeft niet meer; ik heb ze gevonden tussen Eckhouts olieverfschetsen in voornoemde Libri Picturati in Krakau. Ze komen eveneens voor in Stilleven met Ananas en watermeloen en Stilleven met Kalebassen in het National Museet in Kopenhagen.

Eckhout_Stilleven met watermeloen
Albert Eckhout, Stilleven met watermeloen, ananas en ander fruit, ca. 1640, Nationalmuseet Kopenhagen

Eckhout_Stilleven met fleskalebas
Albert Eckhout, Stilleven met fleskalebas en divers fruit, ca.1640, Nationalmuseet Kopenhagen

 

 

 

 

 

 

 

Van 1648 dateert een Fremdkörper in het oeuvre van Frans Post: het oudtestamentische Offer van Manoah uit 1648.  Voor zover mij bekend zijn enige historiestuk. De toekomstige ouders van de oudtestamentische krachtpatser Samson offeren een bokje uit dankbaarheid voor de hen aangezegde geboorte van een zoon. Samson: die dankzij de kracht verkregen uit zijn nimmer geknipte hoofdhaar, de Filistijnen zou verslaan, maar zichzelf door zijn blinde liefde voor Delila, ten gronde richtte. (Richteren/Rechters 13: 1 e.v.).

Post, Offer van Manoah
Frans Post, Braziliaans landschap met offering van Manoah, 1648, Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam

Het landschap is onmiskenbaar van Frans Post, maar de goed geschilderde, fraai geklede figuren en het glanzende vaatwerk zijn dat duidelijk niet. Deze zijn door een kunstenaar uit de omgeving van Rembrandt, mogelijk Ferdinand Bol, ingeschilderd. Hier treffen we het gordeldier, de leguaan en de kalebas uit bovengenoemde schilderijen weer aan.

Ook Caspar Schmalkalden (1616-1673), Willem Piso (1611-1678) en Georg Marcgraf (1619-1644) noteerden en illustreerden hun Braziliaanse wetenschappelijke observaties. Deze zijn samen met werk van Post en Eckhout opgenomen in publicaties die een ware fundgrube vormen voor de Nederlandse periode in Brazilië.  Het letterlijk en figuurlijk gewichtige standaardwerk van Caspar Barlaeus (1584-1648), Rerum in Brasilia etc. uit 1647. In de decoratieve motieven en cartouches van de daarin opgenomen deelkaarten van Georg Marcgraf, die in 1643 werden samengevoegd tot een grote kaart: Brasilia qua parte paret Belgis figureren de de landschappen, suikermolens en dieren van Frans Post.

kaart-2
Georg Marcgraff, Brasilia qua parte paret Belgis, 1643, Pinacoteca de Sao Paulo.

Marcgraf_kaart met decoratieve motieven
Georg Marcgraf (decoratieve motieven naar Frans Post,1643, Instituto Ricardo Brennand, Recife

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1648 verscheen Willem Piso en Georg Marcgrafs, Historia Naturalis Brasiliae.  In deze publicaties komen we naast de lama, de tapir en de capybara een jaguar en nog drie oude bekenden tegen: de grote miereneter, de luiaard en het Braziliaanse stekelvarken. Uit het feit dat deze soorten voorkomen in deze publicaties kan worden afgeleid dat Post ze maakte in Brazilië. De kleine scènes op Marcgrafs kaart met hacienda’s, suikermolens en vechtende en jagende indianen in de achtergrond herkennen we eveneens in Posts schilderijen. In een gedetailleerd getekend Braziliaans Landschap uit Boedapest dat gelukkigerwijs thans in de tentoonstelling Topstukken uit Boedapest in het Frans Halsmuseum te zien is komen we een soortgelijke scène tegen. Zie bespreking van deze tentoonstelling op deze site.

In de hoogzit onder de centraal afgebeelde strijdende indianen tenslotte, herkennen we de kreek met het rif en daarvoor de uitkijkpost uit de achtergrond van Eckhouts etnografische portret van de zwarte slavin met haar zoontje.

Campen-Triomftocht
Jacob van Campen, Triomftocht met geschenken uit Oost en West,1649-1651, Oranjezaal Paleis Huis ten Bosch

Met het vertrek van de Nederlanders uit Brazilië was het laatste woord over deze periode niet gezegd. De Braziliaanse mand met vruchten van Eckhouts zwarte slavin kent een interessant Nachleben. In museum Flehite in Amersfoort, bevindt zich een door Jacob van Campen geschilderd paneel met identieke mand. Dezelfde mand zag u wellicht ook tijdens de exclusieve openstelling van de Oranjezaal in Huis ten Bosch. In Jacob van Campens Triomftocht van Oost en West draagt de Nederlandse Stedenmaagd eenzelfde rijkelijk met fruit gevulde Braziliaanse mand.

Conclusie:
Op grond van de grote verwantschap tussen de dieren in Frans Posts schilderijen en gravures naar zijn werk in Barlaeus èn de dieren in de kaart van Marcgraf, kunnen de anonieme Haarlem tekeningen worden toegeschreven aan Frans Post. Anders dan de tekeningen die Johan Maurits als diplomatiek geschenk weggaf, nam Frans Post zijn tekeningen mee naar zijn woonplaats Haarlem, waar ze uiteindelijk in het stadsarchief zijn beland. Nu deze diertekeningen overtuigend met soorten in Posts schilderijen in verband zijn gebracht was het aldus de vinder, De Bruin, tijd om op zoek te gaan naar de missing link waar het de natuurgetrouw weergegeven cactusplant, de ananassen en kalebassen betreft. Uit het voorgaande is gebleken dat deze gevonden zijn tussen de tekeningen en schilderijen van Albert Eckhout.

 

‘Schipperen tussen zwart en wit’, Nederlands Dagblad, 2 juli 2002.

Plafondschilderingen Albert Eckhout in Schloss Hoflössnitz

Tentoonstelling: Frans Post: Dieren in Brazilië t/m 8 januari 2017, Rijksmuseum Amsterdam

Bespreking: Hollandse Meesters uit Boedapest in het Frans Hals Museum, Haarlem, tot 13 februari 2017