James Ensor; Maestro. Tot en met 23 juni in Museum BOZAR, Brussel.

De bizarre wereld van James Ensor; een beetje een prettig gestoorde bohemien dacht ik altijd… Zelf dacht hij er getuige het commentaar op een tekening van een pissende man, kennelijk ook zo over. Een film en tentoongestelde foto’s van een gedistingeerde, keurig in het pak gestoken heer weerleggen dit beeld.

Le Pisseur, 1887. Ets. Collectie KBR. Foto Marina Marijnen

Maar die eerste indruk kun je bij het zien van de vaak knotsgekke geschilderde beelden niet helemaal wegdenken. Ze worden ter gelegenheid van het herdenkingsjaar -het is 75 jaar geleden dat de schilder overleed- op twee locaties in Brussel getoond. Het meest bekend is zijn Intrede van Christus in Brussel uit 1889. Een carnavaleske eigentijdse op 16e -eeuwse ‘blijde incomsten’ geïnspireerde gebeurtenis, waarbij een vorst destijds verwelkomd werd. Het rijdier waarop Christus de stad binnenkomt verwijst naar het Bijbelse moment waarop Jezus in Jeruzalem arriveert. Of iedereen met het bezoek van Jezus aan Brussel blij is, is de vraag. Voor Ensor was Brussel met haar ongekende artistieke mogelijkheden het nieuwe Jeruzalem, maar die heilstaat was voor anderen nog ver weg. Zij streden middels stakingen en betogingen voor een nieuwe maatschappelijke orde. Met leuzen die de demonstranten meedroegen verbeeldde Ensor hun roep om deconfessionalisering van de staat, beter onderwijs en algemeen stemrecht.

James Ensor, Naar Intrede van Christus in Brussel in 1889. Handgeknoopt tapijt. Firma Gibau, 2008. Mu.Zee Oostende. detail, foto: Marina Marijnen

De bezoeker krijgt het originele werk niet te zien. In de eerste zaal hangt een wandkleed. Een ongelooflijk knappe handgeknoopte kopie van het monumentale doek dat zich in het Getty museum in Los Angeles bevindt.

De wonderbare, niet in realistische termen te vangen wereld van Ensor, met lachwekkende en angstaanjagende gemaskerde figuren, skeletten en grijnzende doodskoppen vormen ontegenzeglijk voer voor psychologen. Ensor helpt hen een handje: in de souvenirwinkel van zijn ouders grijnsden de maskers hem van alle kanten toe. Later zag hij ze tijdens het Carnaval in Oostende op straat terug. In een interview vertelde hij over zijn excentrieke grootmoeder. Haar voorliefde voor verkleedpartijen en maskerades had hij van geen vreemde. En ook zijn tante was kennelijk besmet met dit virus!

James ensor, Mijn slapende tante die van monsters droomt. Ca. 1888. Potlood op papier, foto Marina Marijnen

Vanaf 1888 zien we deze invloed terug in Ensors toneelmatige tragikomische, vervreemdende composities, waarin 19-eeuwse artistieke invloeden tot een geheel eigen stijl zijn versmolten.

In het BOZAR wordt zijn werk thematisch gepresenteerd: van Carnaval, Maskerade, Dodendans tot Fantasmagorie en meer!

De expositie werpt ook licht op een minder bekende kant van Ensor; hij was een begaafd musicus en componist. Van zijn hand zie je een reeks bijzonder geestige doeken, waaronder In het conservatorium; een karikaturale verbeelding van een generale repetitie. Terwijl de zangers sputum en vieze adem uitstotend Wagners Walkuren ten gehore brengen, stopt de componist getergd zijn vingers in de oren!

James Ensor, In het Conservatorium, 1903. Doek 55 x 71,5 cm. Musée d’Orsay, Parijs,

Verschillende affiches en doeken zijn gewijd aan het door Ensor gecomponeerde marionettenballet La Gamme d’amour uit 1911 dat je op Youtube nog steeds kunt beluisteren.  

James Ensor, La Gamme d’Amour, 1926. Doek 56 x 45,5 cm. Bonnefantenmuseum, Maastricht foto: Marina Marijnen

Heb je na het zien van zijn hier getoonde schilderijen, prenten en tekeningen nog niet genoeg van Ensor? Wandel dan naar de Koninklijke Bibliotheek (uit het Bozar links en 500 mtr verderop de trappen af) en zet daar op de 3e verdieping je reis door leven en werk van James Ensor voort. Hier zie je nog meer schilderijen, schetsboeken, prenten, ontwerpen voor theaterproducties en foto’s met tekst en uitleg over bevriende families en collega-schilders. Hier is ook aandacht voor de kunstenaarsvereniging Les Vingt, waarvan ‘onze eigen’ Jan Toorop ook lid was. Laat je ogen en-passant gaan over het decor waartegen dit alles getoond wordt: de indrukwekkende trapportalen, de prachtige gestucte plafonds, de stoffering en met kristallen kroonluchters verlichte stijlkamers van het Paleis van Karel van Lotharingen.  

Link: James Ensor: Maestro. BOZAR Brussel, tot 23 juni.
Link: James Ensor inspired by Brussels, Koninklijke Bibliotheek, (tot 2 juni) 

Paestum, Stad van Godinnen, tentoonstelling met topstukken uit Italië te zien t/m 25 augustus 2024 in het RMO, Leiden

Paestum revisited in het RMO…
Ongeveer 50 jaar geleden bezocht ik Paestum aan de golf van Salerno. Weg van het door massatoerisme overspoelde Sorrento bevond ik mij helemaal alleen onder de zinderende zomerzon op deze magische plek. Alleen de wind en het geluid van krekels doorbraken de stilte. Terwijl elders bouwwerken uit de Griekse Oudheid gehavend zijn of met de grond gelijkgemaakt, staan de tempels van Paestum na 2500 jaar nog fier overeind. Opgetrokken in de robuuste Dorische bouwstijl; indrukwekkend in al haar eenvoud.

Hoekverband Dorische zuilen Tempel van Athene Paestum

In de 18e eeuw werd de antieke stad Paestum bij toeval herontdekt door ingenieurs die opdracht hadden het zompige gebied droog te leggen. Deze mededeling wekt wellicht bevreemding. Anders dan onder de onder as en puin bedolven gebouwen van Pompeï domineren de tempels van Paestum immers de wijde omtrek. Dit afgelegen gebied werd destijds echter weinig bereisd.

Op een kopie van een Romeinse wegenkaart, de Tabula Peutingeriana, werd de naam van de onbekende stad gevonden: Pestum.
De immense tempels inspireerden verschillende kunstenaars tot romantische impressies, zoals Edmund Hottenroths, Wasserbuffel in der Campagna; waarin de leveranciers van de tegenwoordig wereldwijd gewaardeerde buffelmozzarella centraal staan.

Edmund Hottenroth, Waterbuffels in de Campagna met zicht op de tempels van Paestum, 1854,
collectie Dorotheum Wenen

Tijdens zijn Italienische Reise deed de dichter Johann Wolfgang von Goethe Paestum eveneens aan. De aanblik van de ‘stumpfen, kegelformigen, enggedrangten Saulenmassen’ die totaal niet pasten in zijn ideeën over de ranke Griekse bouwkunst, ervoer hij als ‘furchtbar’. Eenmaal bekomen van zijn teleurstelling vatte hij toch bewondering op voor deze indrukwekkende voorbeelden van oudheidkundige architectuur, waarna hij zich door J.H.W. Tischbein tegen het decor van de Campagna liet portretteren.

Ook de romanticus William Mallord Turner liet zich op een dag met cattivo tempo letterlijk en figuurlijk overdonderen door de aanblik van Paestum. Het British Museum bezit zijn van rond 1830 daterende indrukwekkende werk Paestum in the Storm.

W.M. Turner, Paestum in the Storm, ca. 1830. British Museum, Londen.

Tot 28 augustus staat Paestum centraal in het RMO. Tijdens een inleiding grapt conservator Ruurd Halbertsma dat de bezoeker hier drie tentoonstellingen krijgt voor de prijs van één.

Poseidonia, zoals de stad door tweede generatie Griekse kolonisten werd gedoopt, kent drie bewoningsstadia. Na de Griekse tijd volgen periodes onder achtereenvolgens Lucanische en Romeinse machthebbers.
Kurkmodellen die reizigers van hun Grand Tour als souvenir meebrachten gaven thuisblijvers destijds een idee van de tempels die zij in Paestum hadden bezocht. In de tentoonstelling zie je daar een voorbeeld van.

Anno nu staan eigentijdse visuele hulpmiddelen ons ten dienste. Fantasie is nauwelijks meer nodig. 3-D prints- en reconstructies van de antieke gebouwen, geplaatst tegen een fotografisch decor van het zuid-Italiaanse landschap brengen de bezoeker 2000 jaar terug in de tijd.

Poseidontempel in Paestum foto RMO

Griekse tempels op Italiaans grondgebied; hoe zit dat?
Het verhaal van Paestum, zoals de Romeinen de stad noemden, begint rond 600 v. Chr. wanneer Griekse kolonisten zich in deze vruchtbare rivierdelta vestigden. Die vroege nog uit tenten en hutten opgebouwde nederzetting noemden zij Poseidonia. De kolonie groeide uit tot een welvarende stad met tempels gewijd aan Poseidon, Hera, Athena en Aphrodite.

De vroegste munten dateren van rond 530 v.Chr. en dragen de beeltenis van de beschermgod van de stad, Poseidon; herkenbaar aan zijn drietand. Een reeks opgegraven munten illustreert alle achtereenvolgende bewoningsstadia van de stad.

Munt (stater) | Poseidon met drietand, Zilver, 30,3 mm, ca. 530-500 v.Chr.,
gevonden in Paestum Collectie en foto: Nationale Numismatische Collectie, Amsterdam

Zo’n vijftig jaar na de stichting van de stad werden tussen 560-550 v. Chr. twee aan Hera gewijde tempels gebouwd. Een binnen- en een buiten de muren van de stad, naast de rivier de Silaris.

Voor de constructie van deze tempels pasten bouwers de in hun moederland gangbare bouwstijl toe. Zware op een rechthoekige plattegrond gebouwde zuilen dragen een houten, met terracotta pannen gedekt dak. De cella, het binnenste van het heiligdom, bood ruimte aan het cultusbeeld. Op altaren voor de tempel werden dieren geofferd, die de gelovigen daarna zelf op aten.

De in oude publicaties als basilica aangeduide tempel in de binnenstad, was te oordelen naar de dubbele cella, zowel aan Hera’s hoedanigheid van moeder- als die van krijgsgodin gewijd.

Tempel van Hera, (Basilica), ca. 550 v. Chr., Foto Leonie van Esser.

Behalve bouwstijlen, tradities en gebruiksvoorwerpen hielden de immigranten ook hun verhalen in ere. Ze brachten de aloude mythologische vertellingen aan op de metopen; de gebeeldhouwde reliëfs die de kroonlijst van de tempels sieren. Zoals het geestige, kort en bondig in beeld gebrachte verhaal van Herakles en de Cercopen, waarvan een afgietsel wordt getoond. De als Cercopen aangeduide broers hadden Herakles wapens gestolen. Ze komen er echter niet mee weg en worden door de mythologische krachtpatser gevangengenomen. Hangend aan een stok voert Herakles hen af. Wanneer de jongens in deze oncomfortabele situatie grappen maken over zijn behaarde billen, ziet de held daar ondanks zichzelf de humor van in en stelt de twee op vrije voeten.  

Metoop met Herakles en de Cercopen. Tempel de Foce del Sele. 560-550 v. Chr. Museum Paestum.
Foto Servaas Nijen.
Odysseus en de Sirenen. Wijnkan. 525-500 v. Chr. Staatliche Museen zu Berlin

Ook het Homerische verhaal van Odysseus die  de klip met de verleidelijke, doch levensgevaarlijke zingende zeemonsters Scylla en Charybdis zonder schipbreuk weet te passeren krijgt, getransporteerd op de zuid-Italiaanse Straat van Messina een nieuw decor. Terwijl hij zijn bemanning opdraagt bijenwas in de oren te stoppen, gaat Odysseus zonder oordoppen vastgebonden aan de mast de confrontatie met de sirenen succesvol aan. Deze scène is afgebeeld op een zwartfigurige vaas. Toen Odysseus doortocht zonder problemen had volbracht maakten de sirenen een eind aan hun leven. Leucosia zou in de baai van Poseidonia zijn aangespoeld.

Beeldje van een sirene | Brons, 5,4 x 5,2 x 2,5cm., 6de eeuw v.Chr., uit zuidelijk heiligdom in Paestum Foto Massimiliano Marino

In de tentoonstelling wordt een bronzen beeldje van zo’n Sirene: een vrouw met het lichaam van een vogel, getoond. In de vitrines is een rijke verzameling beeldjes uitgestald, die geofferd werden aan de tempelgodinnen. Daartussen valt een bronzen vrouwenfiguurtje op. Ogenschijnlijk heft zij haar hand ter begroeting, maar deze ondersteunde oorspronkelijk een verdwenen korenmaat op haar hoofd. Een inscriptie onthult niet alleen haar identiteit maar ook haar intentie: Phillo dochter van Charmylidas, wijdt een tiende (van de oogst) aan Athena. TATHANA FILLO CHARMYLIDA DEKATAN.

Votiefbeeldje voor Athena | Brons, h. 13,1 cm., 500-475 v.Chr., uit Paestum
Collectie: Staatliche Museen zu Berlin – Antikensammlung | © foto Johannes Kramer

De vindplaats van het beeldje wierp bovendien licht op de naam van de godin aan wie de grote tempel ten noorden van Paestum gewijd was: Athena, de godin van de wijsheid en tactische oorlogvoering. Deze eveneens in de Dorische stijl opgetrokken tempel dateert van rond 500 v. Chr. De kapitelen van de acht zuilen in de voorhal zijn echter versierd met zogeheten Ionische kapitelen. De krulvormige voluten sieren ook het voetstuk van het beeldje van Phillo.    

Behalve met complete beeldjes dongen de schenksters met fragmenten van terracotta vrouwenhoofden naar de gunsten van de godinnen. Ook kinderen lieten offergaven achter, daarvan getuigt een terracotta speelgoedpopje.

Om plaats te maken voor nieuwe offergaven werden de oudere schenkingen na verloop van tijd ritueel begraven. Deze depots vormen letterlijk en figuurlijk een ware Fundgrube voor onze kennis omtrent religieuze gebruiken.  

In de jaren 470-460 kwam de tempel die het campagnebeeld siert van de grond. De hier gevonden beeldjes van een godin met een granaatappel duiden erop dat ook deze tempel gewijd was aan Hera. Deze iconologie gaat terug op die van de Peloponnesische vruchtbaarheidsgodin Hera van Argos.   

Met zuilen van ruim twee meter in doorsnede maakt deze tweede tempel van Hera een monumentale indruk. Op deze zuilen rustte een houten, met terracotta pannen gedekt dak. In de tentoonstelling zijn de deel nog beschilderde waterspuwers te zien waarmee het hemelwater werd afgevoerd.

Deze en de andere tempels in Paestum werden opgetrokken van een lokale steensoort: travertijn. Ter imitatie van marmer werd dit materiaal wit gestuct en voorzien van kleurrijke beschilderingen, die in de loop der zijn verdwenen. Toen deze ontdekking in de vorige eeuw gepubliceerd werd konden vakgenoten en bezoekers van Paestum en de Atheense Akropolis niet geloven dat de romantisch ogende, ruïneuze tempels ooit met primaire kleuren beschilderd waren.  

Hera met granaatappel Collectie: Parco Archeologico di Paestum e Velia. Foto: Massimiliano Marino

Ook buiten de muren van Paestum, op de oever van de rivier de Sele zijn, op postume aanwijzingen van de Romeinse auteur Strabo (ca. 64 v.Chr.- ca 24 n.Chr.) de contouren van nog een aan Hera gewijde tempel gevonden. In dit gedeelte werden de eerder besproken metopen met voorstellingen van de mythische helden Heracles en Odysseus gevonden. De tempels die deze reliëfs oorspronkelijk sierden, zijn in de Middeleeuwen voor hergebruik ontmanteld; andere bouwfragmenten verdwenen in kalkovens.  

De vondst van een sculptuurtje van Aphrodite bewijst dat in het dorp Santa Venera ten zuiden van Paestum een aan Aphrodite gewijd heiligdom was. Vermoedelijk werden meisjes hier -analoog aan de geboorte van Venus uit de zee- middels een rituele wassing tot vrouw geïnitieerd. Een offervaasje in de vorm van Aphrodite in haar schelp, verwijst naar de oorsprong van dit ritueel.

Vaas met Aphrodite in schelp | Terracotta, hoogte 21,5 cm., 400-300 v.Chr., uit Paestum
Collectie: Parco Archeologico di Paestum e Velia / Italian Ministry of Culture | © foto: Massimiliano Marino

De eigentijdse kunstenares Samantha Thole geeft in gemengde techniek een impressie van deze heilige gebeurtenis.

Samantha Thole, De Inwijding, Ritorno a Santa Venera, gemende techniek, 2024

Bij het heiligdom van Aphrodite werden ook op ovenwanten lijkende objecten gevonden. Het zijn terracotta modellen van baarmoeders, waarmee de schenksters genezing van vrouwenkwalen en oplossing van vruchtbaarheidsproblemen afsmeekten.

Poseidonia onder de Lucaniërs
Rond 420 v. Chr. komt een nieuwe lokale bevolkingsgroep aan de macht: de Lucaniërs. Volgens Strabo waren zij verwant aan de Samnieten. Met de komst van de Lucaniërs ontstaat een hybride samenleving.

Huwelijksvaas | Terracotta, hoogte 52 cm., 4de eeuw v.Chr., uit Paestum
Collectie: Parco Archeologico di Paestum e Velia | © foto: Massimiliano Marino

Getuige de bebouwing en talrijke archeologische vondsten had Poseidonia zich dankzij landbouw en scheepvaart  een welvarende stad ontwikkeld. Daar kwamen de Lucaniërs, een volk van huurlingen in het zuidwestelijk deel van Italië, op af. Of zij hier op vreedzame wijze of gewapenderhand aan de macht kwamen is onduidelijk, maar afgaande op contemporaine graven woonden zij hier al in de late 5e eeuw. Van die tijd dateren prachtige wandschilderingen en rijke grafgiften in de vorm van serviezen en met mythologische voorstellingen beschilderde waterkruiken – zogeheten hydria’s- en huwelijksvazen, die aan vrouwen werden meegegeven.

De Lucaniërs gaven hun overledenen een grote hoeveelheid eet- en drinkservies mee in de graven. Aan vrouwen in het bijzonder werd een hydria of een lebes gamikos meegegeven. Dit is een ‘huwelijkskruik’ die werd gebruikt bij de rituele voorbereidingen bij de bruiloft. Vaak werden hier mythologische verhalen op afgebeeld.

Bijzonder zijn de vaas- en wandschilderingen in de mannengraven. Zoals de scène waarin een fiere ruiter, die terwijl hij twee krijgsgevangenen meevoert, verwelkomd wordt door een priesteres met louterend water. De schilderingen in deze elitegraven zijn kennelijk in haast, terwijl de tombe nog niet was gedicht, in de fresco techniek aangebracht. Daarop duiden sporen van regendruppels en onvolkomenheden door onbedoelde aanraking.  

Wandschildering uit Lucaans graf | Pleisterwerk op travertijn, 91 x 91 x 15 cm., 4de eeuw v.Chr., uit Tomba del 1937 Andriuolo, Paestum Collectie: Museo e Parco Archeologico di Paestum e Velia
© foto Massimiliano Marino

De lichaamshoudingen en gelaatsuitdrukkingen van de afgebeelde figuren zijn zeer realistisch. Zo ook de kwetsuren die de strijders elkaar hebben toegebracht. Door een tik met een boksbeugel heeft een van hen een bloedneus. Hij heeft zijn opponent eveneens geraakt: het bloed spuit uit een wond die hij hem in de flank heeft toegebracht. Deze voorstellingen geven een indruk van de sportwedstrijden die de Lucaniërs, evenals de naburige Etrusken, ter ere van een overledene organiseerden. Het programma bestond uit wagenrennen, bokswedstrijden en gevechten van man tot man, waarmee de moed van de overledene werd onderstreept.

Vergelijk de vaas-schildering op een Amfoor, waarop een vader en zijn zoontje, gezeten op een pony, terugkeren van de strijd. Ze dragen strijd trofeeën en worden eveneens begroet door een priesteres.

Vaasschildering, vader en zoon keren teruguit de strijd, Poseidonia ca. 360-330 v.C.coll. RMO

Verschillende wand- en vaas-schilderingen geven impressies van het Griekse symposium. Anders dan in de huidige betekenis van het woord, werd met deze term een –men only– drinkgelag aangeduid. Terwijl zij aanliggen genieten ze van de goede dingen van het leven: muziek, wijn en elkaar.

Bij de tachtig teruggevonden rijkversierde Lucaanse graven steken de rechthoekige tombes uit de Griekse periode maar povertjes af. De zogeheten Tomba del Tufatore vormt daarop echter een unieke uitzondering. Op de vier wanden zijn eveneens scènes van een symposium te zien. Op het deksel zie je de naakte schoonspringer aan wie het graf haar naam dankt. De sprong in het diepe staat mogelijk voor meer dan plezier alleen en symboliseert wellicht de overgang van het leven naar de dood. 

Reconstructie graf van de duiker 480-470 v.C.Parco Archeologico di Paestum e Velia.(foto:Arte Selato)

Terug naar de Lucaanse beeldverhalen. Deze weerspiegelen de culturele diversiteit van de Poseidonia, waarin Griekse- en lokale tradities samengaan.

Na de machtswisseling ging het leven kennelijk gewoon door. De kunstenaars bleven in de vertrouwde stijl schilderen en getuige de vele votiefgeschenken bleef de bevolking de drie Griekse godinnen vereren. Afbeeldingen op drinkbekers en zogeheten visborden vullen de kennis over het dagelijks leven in die sinds lang verdwenen multiculturele samenleving aan.

Paestum in de Romeinse tijd.
Na de Derde Samnitische oorlog (298-290 v.Chr.) vond wederom een wisseling van de macht plaats. In 273 v. Chr. komen de Romeinen in het verhaal. De Samnitische oorlogen worden geïllustreerd met vaasschilderingen, een gezicht bedekkende Chalkidische helm, scheenbeschermers en een verbazingwekkend anatomisch correct vormgegeven bronzen borstpantser.  Een marmeren reliëf met geknevelde krijgsgevangenen en wanordelijk neergesmeten trofeeën geeft een chaotische impressie van het moment na de strijd. De boodschap kan niet verkeerd worden begrepen: Rome is de baas!

Wapenrusting | Brons, helm hoogte 24 cm., kuras hoogte 46 cm., 4de eeuw v.Chr., Zuid-Italië (Tarente?)
Collectie en foto: Rijksmuseum van Oudheden
Reliëf, architectuurfragment (fries) met oorlogstrofeeën | Marmer, 44 x 90 x 9 cm., 1ste eeuw na Chr., uit Campanië Collectie: Staatliche Museen zu Berlin – Antikensammlung | © foto Johannes Laurentius

De Romeinen herdopen de stad in Paestum en geven haar niet alleen een nieuwe naam, maar met monumentale nieuwbouw van een forum en een amfitheater ook een ander aanzien. Het Grieks-Lucaanse Poseidonia verdween maar vandaag de dag staat de Romeinse bebouwing ook niet meer overeind.  Alleen de Griekse tempels hebben de tand des tijds doorstaan.
De romanisering van de stad werd krachtig ter hand genomen; Romeinse burgers uit Picenum aan de Adriatische Zee moesten zich hier onder dwang vestigen.

Het uiterlijk van de stad was verand, maar de belangstelling voor de oude Griekse cultuur, zoals het theater, blijft bestaan. Het repertoire van Griekse tragediën wordt  aangevuld met Romeinse kluchten. De ten toon gestelde voorbeelden van komische en tragische toneelmaskers die je terug in de vaasschilderingen. Deze verraden een duidelijke voorliefde voor onderbroekenlol. De acteurs zijn vereeuwigd met dikke buiken, dito billen en wel erg robuuste (namaak)penissen. De stemming steeg kennelijk ten koste van het peil.

Met de kolderieke verbeelding van de heldendaden van Heracles en de avonturen van Odysseus had de Griekse tragedie aldus Halbertsma, plaats gemaakt voor het theater van de lach!

Aanvankelijk floreerde de Romeinse stad, maar daar kwam na de aanleg van de Via Popilia een einde aan. Het zuiden van het voormalig Griekse Italische schiereiland werd in 132 v. Chr. met de aanleg van deze heirweg aangesloten op het Romeinse wegennet. Paestum lag echter uit de route, waardoor de handel een gevoelig klap werd toegebracht.  

Uithangbord met herbergier, reiziger en muilezel | Kalksteen, 96,0 x 60,0 x 36,0 x 423 cm., 75-100 na Chr., uit Aesernia (Samnium) Collectie: Parijs, Musée du Louvre, inv. MA3165 |
© foto: GrandPalaisRmn (musée du Louvre) / Mathieu Rabeau

Van deze periode dateert een stenen uithangbord van een zogeheten Mansio -het motel van de Oudheid- langs antieke ‘autostrada del sole’. De humoristische tekst wil ik u niet onthouden. De eigenaar, op wie de auteur Mary Beard haar Mr. Hotsex baseerde en zijn vrouw informeren de clientèle over de diensten en bijbehorende tarieven die Lucius Calidius Eroticus en Fannia Voluptas hanteren:

‘Lucius Calidius Eroticus plaatste deze steen bij leven voor zichzelf en voor Fannia Voluptas.’
‘Laten we afrekenen: een karaf wijn en brood, één as.

Warme maaltijd, twee as.’ ‘In orde.’
‘Het meisje vannacht, acht as.’
‘Ook in orde.’
‘Hooi voor de muilezel, twee as.’
‘Ik ga nog failliet aan dat verdomde beest!’

De vroegere handel raakte in het slop, maar de inwoners van Paestum zetten een nieuwe tak van nijverheid op; de productie van parfum en glazen flesjes om deze te bottelen. Door het gunstige klimaat bloeien de rozen hier tweemaal per jaar. Niet alleen Vergilius, maar ook Ovidius en Martialis bezingen de heerlijke rozengeur in hun gedichten; je leest ze op de wand.

Toch is niet alles rozengeur en maneschijn. Klimatologische veranderingen maken geleidelijk aan een einde aan Paestum. Door kalkafzetting slibben de rivieren in de 3e eeuw dicht met overstroming en moerasvorming tot gevolg. Geplaagd door malaria zoeken de bewoners het vijf km oostwaarts hogerop. Hier stichtten ze een nieuwe stad Caput Aquae, bron van water, het huidige Capaccio. Ze laten hun huizen en tempels achter, maar nemen de antieke stadsgodin Hera mee. Als de Madonna del Granato ondergaat zij voorzien van het attribuut van haar heidense voorganger, een christelijke transformatie.

Conclusie: ondanks de discontinuïteit aangaande de macht is er al millennia lang continuïteit in de verering van de godinnen.

Link: Paestum Rijksmuseum van Oudheden Leiden

Romeinse Villa’s in Limburg. Tot en met 25 augustus in het RMO Leiden.

Gelijktijdig met de tentoonstelling over Paestum presenteert het RMO een expositie over Romeinse villa’s die tweeduizend jaar geleden in de heuvels van Limburg te vinden waren. Geen vrijstaande woningen op stand, maar grote commerciële akkerbouwbedrijven, die de regio van graan voorzagen. Naast zo’n luxe, zogeheten villa rustica bevonden zich dienstwoningen, opslagruimtes, stallen, werkplaatsen, siertuinen en grote akkers. Deze omschrijving deed me denken aan de locatie waar Bernardo Bertolucci’s film Novecento uit 1976 zich afspeelt. 

Reconstructietekening van de Romeinse villa bij Vlengendaal | © Remy Kooi – Submedia

Van deze Romeinse bewoningsperiode is nu, behalve op foto’s niets meer te zien, maar opgravingen van zo’n twintig Limburgse villa’s bevestigen het bestaan ervan. Wegens geldgebrek is het uitwerken van het archeologisch veldwerk dat tijdens de eerste helft van de vorige eeuw plaats vond, jarenlang blijven liggen. Met steun van het Mondriaanfonds konden de verstofte aantekeningen en materiële resten de afgelopen jaren alsnog worden bestudeerd. De onderzoeksresultaten zijn in een wetenschappelijke uitgave van het RMO verwerkt en voor belangstellenden eveneens toegankelijk gemaakt in een publieksboekje.

Impressie van de Villa Voerendaal- Ten Hove in het Limburgs landschap rond 200 n.C.

De ontdekking van die Romeinse villa’s in Limburg wekte destijds niet alleen belangstelling van wetenschappers, maar getuige een groepsfoto uit die tijd, ook van enkele met Maxima-waardige hoeden getooide dames en zelfs van meneer pastoor!

Belangstellenden tijdens opgraving aan het begin van de twintigste eeuw

Via de collectiezoeker van het RMO kun je allerlei oude opgravingsfoto’s bekijken. Bebaarde werklieden, hun petten diep over de ogen getrokken, houden tijdens het graafwerk even halt om in de lens van de fotograaf te kijken. Kennelijk doordrongen van de ernst van de zaak, want er kan geen lachje af! Op een van de foto’s zie je in de achtergrond de sinds lang uit het landschap verdwenen hooischelven.

Met foto’s, nauwkeurige archeologisch tekeningen en talrijke bodemvondsten worden de verschillende bewoningsperiodes in beeld gebracht. De publicatie geeft toelichting over de historische context en de expansiedrift van de Romeinen. Daarin wordt de lezer ook geïnformeerd over de positie van Limburg binnen het Romeinse Rijk en de relaties met bondgenoten. Deze voegden zich niet altijd naar de Romeinse mores. Tijdens de Bataafse Opstand van 69/70 keerde de lokale bevolking zich tegen de uitheemse machthebbers. In de bodem van ons land zijn bij alle grensforten langs de Limes, de noordgrens van het Romeinse Rijk, brandsporen van deze revolte teruggevonden. Toen na 83 de rust weer was weergekeerd werden de forten herbouwd en bestuurlijke hervormingen doorgevoerd. Limburg kwam onder het bestuur van de nieuwe provincie Germania Inferior, dat vanuit Keulen, destijds voluit: Colonia Claudia Agrippinensium, werd bestuurd.

Germania Inferior was onderverdeeld in kleinere bestuurseenheden, de zogeheten civitates. Noord-Limburg hoorde bij de civitas Batavorum met Nijmegen (Noviomagus) als hoofdstad. De rest van Limburg ressorteerde onder de civitas Traianensium met Colonia Ulpia Traiana (Xanten) als bestuurszetel. De streek rond Maastricht tenslotte viel onder de civitas Tungrorum, het huidige Tongeren.

Bewoningsgeschiedenis en Grafcultuur

Hypocaustu

De vroegste huizen die uit eenvoudige houten constructies bestonden, werden in de loop van de tijd vervangen door stenen woningen. Dankzij de opbrengsten van het graanland konden de eigenaren hun woningen in de late tweede en vroege derde eeuw steeds mooier maken en voorzien van glazen ramen ook comfortabeler. De villa van Voerendaal-Ten Hove kreeg met een zuilengalerij aan de voorzijde zelfs een mediterraan aanzien. Bij enkele villa’s, zoals Kerkrade-Holzkuil, werden sporen van verwarmde badhuizen gevonden. Badderen moet in deze contreien een synoniem geweest zijn voor bibberen, maar daar hadden de Romeinen iets op gevonden. Met een ingenieus vloerverwarmingssysteem, de zogeheten hypocaustum, werd niet alleen het badhuis, maar ook het water verwarmd. Vanuit een stookruimte, het prefurnium, werd hete lucht onder de op kleine gestapelde stenen rustende vloer gebracht.

Voor een idee van zo’n Romeins badhuis hoef je niet naar Rome. In het Thermenmuseum in Heerlen krijg je een perfecte indruk van een zogeheten Balneum.

Badhuis villa Lemiers tijdens de opgraving

In de tentoonstelling zijn verschillende aan het badhuis gerelateerde objecten te zien. Zoals glazen flesjes en een strigilis, een schraper waarmee de op de huid gesmeerde olijfolie van de huid werd gescrubd. Zeep kenden de Romeinen vreemd genoeg nog niet. Tussen de antieke toiletartikelen bevindt zich een bijzonder kleinood: een bronzen flesje voor badolie in de gedaante van Antinoös de geliefde van keizer Hadrianus.

Grafvondst Bocholtz, bronzen flesje in de vorm van Antinoös, de geliefde (m) van keizer Hadrianus

Wie waren de eigenaren van deze villa’s? Onder hen bevonden zich vermoedelijk veteranen uit het Romeinse leger. Na afloop van hun 25-jarig contract ontvingen deze afzwaaiers het Romeinse burgerrecht en een stuk land. Via een netwerk onderhielden de bewoners van deze villa’s onderling contacten. Daarvan getuigt een bronzen plaatje met opschrift dat door een villa eigenaar uit Xanten werd geschonken aan Marcus Vitalinius.

De bewoners van de villa’s waren aan hun grond gehecht en werden veelal op het eigen landgoed begraven. Sommige doden werden bijgezet in eenvoudige vierkante askisten. Anderen vonden hun laatste rustplaats in fraaie sarcofagen, die aan de buitenkant met beeldhouwwerk en graveringen versierd werden. De sarcofaag van Simpelveld is aan de binnenzijde met gebeeldhouwde reliëfs ingericht als een knus huisje. De overleden dame ligt in -requiem aeternam- relaxed op haar rustbed van waar ze zicht heeft op een afbeelding van haar luxueuze villa. Onder het pannendak zie je zelfs de houten luiken naast de kleine glazen kruisvensters.

De Sarcofaag van Simpelveld, Nivelsteiner zandsteen. 228 x 111 x 3 cm. 150-175 n.Chr.
Collectie en foto RMO, Leiden
Binnenzijde sarcofaag van Simpelveld

Door haar in de vitrines getoonde persoonlijke bezittingen, waaronder een parfumflesje en een bronzen make-up doosje, komt deze onbekende vrouw uit het verre verleden heel dichtbij. De 3-D reconstructie van deze sarcofaag die je mag aanraken, maakt deze beleving compleet!

De informatie die de contemporaine Romeinse auteur Columella de lezers in zijn De Re Rustica voorschotelt, completeert het beeld dat de archeologische vondsten van het Romeinse landleven in Limburg ons geven. Via een interactieve verkenning kan de museumbezoeker de verschillende bouwstadia van de villa van Voerendaal over een periode van driehonderd jaar volgen.

In de nabijheid van Heerlen werden eenvoudige askisten gevonden. Deze bevatten naast crematieresten wel een keur aan kostbare grafgiften. Flesjes in de vorm van druiventrossen, een klein flaconnetje met smeedwerk in goud en blauw email versierd.

Grafvondsten Heerlen, eind 2e- 1e helft 3e eeuw. Collectie en foto RMO, Leiden.

De ruim 200 archeologische objecten geven niet alleen een inkijkje in het leven van de bewoners van het luxe hoofdgebouw; er is ook aandacht voor de mensen die het land bewerkten. Het dagelijks leven, wonen en werken wordt behalve met persoonlijke bezittingen, gebruiksvoorwerpen en landbouwwerktuigen ook geïllustreerd met sculpturen, mozaïeken en fragmenten van fresco’s.   

Het interieur van de villa’s en de badhuizen was niet zelden versierd met wandschilderingen; eenvoudige lineaire decoraties en imitaties van marmer. Bij een villa in Maasbracht kwamen zelfs fragmenten met afbeeldingen van gladiatoren en mythologische figuren tevoorschijn en vermoedelijk: portretten van de bewoners. In de tentoonstelling is daarvan een metershoge reconstructie te zien. Maquettes, 3-D reconstructies en de film over Romeinse villa’s in Limburg brengen het verleden tot leven.                                           

Uitsnede uit de reconstructie van een muurschildering uit de villa van Maasbracht 14,5 x 26 cm.
Fresco. 100-200 n.Chr. Collectie en foto: Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburgh

In deze mooie en leerzame tentoonstelling over het onbekende verleden van Limburg doe ik een interessante ontdekking. Als museumdocent in Museum Castellum Hoge Woerd vertel ik dat de bemanning van de hier ondergebrachte Romeinse platbodem zelf brood moest bakken. Nu weet ik waar dat graan, aangevoerd over waterwegen van Maas-, Waal en Rijn, vandaan kwam. In de expositie zijn zelfs enkele minuscule verkoolde graankorrels te zien. De vruchtbare lössgrond vormde een prima voedingsbodem voor het verbouwen van spelt. Het arbeidsintensieve traject van zaaien tot oogsten wordt geïllustreerd met verschillende traditionele en nieuw uitgevonden landbouwwerktuigen. Interessant is een geavanceerde door een man en muildier aangedreven oogstmachine, de zogeheten Vallus. Een tweede, voor het werktuig lopende man, duwde de halmen met een hark in de met scherpe tanden toegeruste bak waarin de afgesneden rijpe aren werden opgevangen.  

Reconstructie van de Vallus, de Romeinse oogstmachine op basis van Reliëfs uit Trier (D) en Buzenol (B)

Op de boerenbedrijven werd niet alleen het door de Romeinen geïmporteerde spelt verbouwd. Er waren ook moestuinen en boomgaarden met eveneens door hen geïntroduceerde appel-, kersen-, noten en abrikozenbomen. De opbrengst vormde een aanvulling op het dagelijks menu. De overproductie werd verhandeld. Ook levende have werd gehouden: koeien, geiten, varkens en schapen en eveneens uit het zuiden meegenomen kippen. De scharreldieren kregen een belletje om, opdat ze niet verloren zouden lopen. Behalve vlees leverden de dieren materiaal om kleding, schoeisel en gebruiksvoorwerpen te maken, waarmee de welvarende Romeinse villa’s grotendeels zelfvoorzienend waren.

Aan het eind van de 2e eeuw begint het tij echter te keren. Brandsporen in de bewoningslaag van die periode duiden op onrust en misschien zelfs opstand van de lokale bevolking. Bodemvondsten van later datum geven aan dat de bewoners deze dip weer te boven kwamen. Ze houden stand, maar ten tijde van de zogeheten soldatenkeizers (284-285) neemt de onrust weer toe. Met bestuurlijke hervormingen en versterkingen van de limes probeerde keizer Diocletianus (284-305) de neergang af te wenden. Daartoe werden in Germanië gerekruteerde hulptroepen, de zogeheten foederati, ingezet. In de bodem van Kessel werd een schat gevonden, bestaande uit 13 gouden munten en een verzilverde deels goud vergulde helm die daar in een onrustige tijd mogelijk in veiligheid werd gebracht. De voorwerpen kunnen echter ook als offer aan de aarde zijn toevertrouwd. In dat geval werpt de vondst interessant licht op de religieuze beleving in die die dagen. Dat de helm, gesierd met het Christusmonogram, een andere god was toegewijd dan die welke de Romeinen vereerden, was kennelijk geen probleem.

Verzilverde en vergulde helm en zes munten uit de schatvondst van Kessel
Haantje brons en email, coll.Limburgs museum

In Limburg werden vaker offers gebracht, ook aan lokale goden. Bij een heiligdom boven Sittard werd een bronzen met email versierd haantje gevonden. De inscriptie onthult dat Ulpius Verinus, veteraan van het zesde legioen in Brittannia, het schonk aan de (lokale ‘Limburgse’) godin Arcanua.

Door externe factoren als binnenvallende volken en interne bestuurlijke problemen en corruptie brokkelde de wijdverspreide macht van Rome geleidelijk aan af. In de late derde eeuw kwam aan de bewoningsgeschiedenis van de Romeinse villa’s in Limburg een einde. De gebouwen werden verwoest, afgebrand en verlaten.

In 476 n. Chr. was het gedaan met de Romeinse oppermacht in West-Europa. Frankische foederati grepen de macht, waarmee het Merovingische Rijk begon. 

Het slotakkoord van de tentoonstelling wordt gevormd door een beker en een beeldje van een beer; objecten die vermoedelijk als ‘verlatingsoffer’ aan de aarde werden toevertrouwd door mensen die huis en haard moesten achterlaten.  

Offervondst uit Kerkrade-Winckelen terracotta beer en spreukbeker aardewerk.

In het Limburgse landschap is er niets meer van de zien, maar de archeologische vondsten leggen een stille getuigenis af van de bloeitijd van de villa rustica in het zuiden van ons land.

De tentoonstelling kwam tot stand in samenwerking met het Limburgs Museum in Venlo en het Thermenmuseum in Heerlen, waar deze na 25 augustus, resp. van oktober tot april- en van juni tot oktober 2025 te zien zal zijn. In Heerlen kun je meteen een kijkje nemen in het welhaast kosmopolitisch badhuis dat hier in eerste aanleg rond 40 n.Chr. werd gebouwd. Behalve baden kon je in Coriovalum ook sporten in de Palaestra, genieten van een massage en na afloop wat eten of  winkelen.

Link: Tentoonstelling Romeinse Villa’s in Limburg RMO Leiden

Aan het Water.  in Museum More, Gorssel, tot en met 8 september

Kasper Niehaus, Zomer aan de Kaag, ongedateerd, collectie Kunsthandel Ivo Bouwman

Nederland Waterland; in de tentoongestelde werken kruipt het water zelfs waar het niet gaan kan.  Soms moet je heel goed kijken om het te ontdekken, maar in de meeste schilderijen, tekeningen en prenten en zelfs in een voorbeeld van naaldkunst is dit fluïde element aanwezig. Aanzwellend in de branding, stromend in een rivier of stilstaand. Het element water heeft menige pen in beweging gebracht, resulterend in dichterlijke mijmeringen waarbij ook woest kolkende gevoelens aanwezig zijn. Zonder luid-sprekende bezoekers kun je de stem van Tommy Wieringa, die een selectie van twaalf watergedichten voordraagt, verstaan.

Onderwijl passeren ca. vijftig werken van Jan Toorop, Edgar Fernhout, Sal Meijer en vele anderen de revue in deze intieme tentoonstelling. De oudste ontstonden eind 19e eeuw, de jongste dragen recente dateringen.

Water, we kunnen niet zonder. Ieder mens heeft het dagelijkse nodig maar daarnaast is water onontbeerlijk voor transport, industriële activiteit en recreatie. Alle gebruiksvormen zijn aanwezig op één na: bad- en zwemwater (of heb ik iets gemist?). Wat hierbij in de buurt komt is een humoresk doek van Ferdinand Erfmann met Baadsters die op het strand liggen te zonnebaden.

Sinds oudtestamentische tijden boezemt water vrees in. Een verbeelding van de Bijbelse zondvloed zag ik niet, maar wel een door mensenhand gecreëerde desastreuze overstroming. In zijn Inundatie uit 1944 gaf Henk Chabot een impressie van de verwoestende kracht van zeewater, dat het land overspoelde nadat de Duitsers de dijken moedwillig hadden gebombardeerd om de opmars van de geallieerden te stoppen.

Het laatste woord over de zegeningen en de gevaren van water is nog niet gezegd. Vrees voor het almaar stijgende zeewaterpeil is groter dan ooit. In weerwil van de overvloedige regenval in dit voorjaar, dreigt paradoxaal genoeg een alarmerend tekort aan water. Er zal echt iets moeten gebeuren; het doorspoelen van het toilet met Spa blauw, zoals de topman van Vitens ons kraanwater noemt zal snel tot het verleden moeten gaan behoren.  

Jan Toorop, Zee, 1899, Kröller-Müller Museum Otterlo, verworven met steun van Vereniging Rembrandt

Terug naar de tentoonstelling waarin je ziet hoe elke kunstenaar de verbeelding van het thema op eigen wijze heeft weergegeven. Figuratief of (bijna) abstract. Alle ‘ismen’ zijn vertegenwoordigd. Van Jan Toorop zie je twee impressies van de Zee. Een vredig pointillistisch doek uit 1899 en een dynamische op Van Gogh geïnspireerde expressionistische variant met een schuimende branding. Ruim vijftig jaar later vertaalde Edgar Fernhout, zoon van Charley Toorop, zijn waarneming van de branding in een welhaast abstract beeld.

Sal Meijer, Oudezijds Achterburgwal, Amsterdam ca. 1910, Museum More


In de tentoonstelling zie je voorbeelden van het stralende luminisme, maar ook realistische, soms enigszins naïeve werken en stadsgezichten in de zogeheten Nieuwe Zakelijkheid, zoals Toon van den Muysenbergs impressie van de Nieuwe Amstelbrug uit 1962. Eerder ontstond Sal Meijers in een monochroom palet gedane impressie van de toen nog verstilde Achterburgwal. Toepasselijk decor voor de film Kruimeltje! Wim Oepts stond in 1932 ook aan een Amsterdamse gracht en gaf zijn waarneming in enigszins naïeve vormen weer. We blijven nog even in Amsterdam en staan stil bij een feeërieke nocturne: Victor de Budt’s Damrak bij nacht uit 1925.

Victor de Budt, Damrak bij nacht, 1925, Pastel op papier, Arnold Ligthart kunsthandel, Amsterdam

Ook poelen en vijvers zijn op het doek beland, zoals Marian Plugs op Monets Lily Pond geïnspireerde Vijver uit 2023. Zij is een van de weinige vrouwen in deze tentoonstelling. Jeanne Bieruma Oosting gaf met haar Vissen in 1976 een impressie van hetgeen zich onder het wateroppervlak bevindt. Christine van Zeegen ging ook kopje onder en bracht met haar borduurwerk Zeeanemoon de diepzeewereld met naald en draad in beeld. In het themanummer Verhalend Textiel van Kunstschrift (april/mei 2024) las ik een bijdrage over deze vergeten vrouwelijke naaldkunstenares die, vaak naar ontwerp van haar broer Janus, de prachtige wandkleden creëerde die tot 16 september in het Drents Museum te zien zijn.

Christina van Zeegen (1890-1973), Zeeanemoon, ongedateerd, geborduurd schilderij, collectie ©Centraal Museum, schenking 2003 foto Ernst Moritz copyrights CMU/ Ernst Moritz 02-2004

Uit de eigen collectie van Museum More zie je Jan Mankes’ mysterieuze Avondschemering.  In dit werk is speelt het element lucht weliswaar de hoofdrol, maar de vaart langs de Woudsterweg rechtvaardigt Mankes deelname aan deze expositie. Van zijn hand zie je verderop in het museum nog meer werken.  

Rein Draijer, Hollands landschap, 1975 particuliere collectie

De geschilderde beelden roepen bij mij ook literaire en muzikale herinneringen op. Bij Rein Draijers Hollands Landschap uit 1975, samengesteld uit enkele gestileerde witte en groene vormen, borrelt Willem Nijhofs gedicht Denkend aan Holland uit een verre declamatieles op. De vrouw van het passerende binnenvaartschip, die psalmodiërend de was op hangt moet je er even bij denken!

Maurice Sys, Zuiderzee

Bepaald nostalgisch tenslotte is Maurice Sys impressie van de Zuiderzee uit 1918  waarin zich aan de horizon in de in elkaar overlopende water- en luchtpartijen twee botters aftekenen. In mijn auditieve geheugen weerklinken de stemmen uit de in 1959 populaire weemoedige Zuiderzee-Ballade.

Link: Museum More, aan ’t water

De Schepping van de Wetenschap. Tot en met 2 juni 2024 in Museum Catharijneconvent.

Religie en wetenschap onverenigbaar? Vergeet het maar!

Earthrise (aardopkomst) is een foto van de Aarde, gemaakt in 1968 door astronaut William Anders tijdens de Apollo 8-missie. De officiële naam van de foto is afbeelding AS8-14-2383. Bron Wikipedia

De tentoonstelling laat zien dat mensen sinds jaar en dag in religie en wetenschap niet alleen antwoorden zoeken op existentiële vragen maar ook op onverklaarbare verschijnselen die hun verwondering wekken. Beide disciplines staan sedert het midden van de 19e eeuw op gespannen -soms zelfs vijandige- voet met elkaar. Althans dat wordt vaak gedacht. Ten onrechte menen de samenstellers van deze expositie, die in samenwerking met Teylers Museum en Rijksmuseum Boerhaave tot stand kwam. Voorafgaand aan de opening laten de conservatoren Lieke Wijnia en Geertje Dekkers zien dat onderzoek van de omringende wereld in het verleden -maar ook nu nog- juist vanuit een religieuze vraagstelling voortkwam!
Zij proberen het stereotype beeld te nuanceren. De gedachte dat wetenschap en religie onverenigbaar zouden zijn komt voort uit de lotgevallen van Galileo Galilei (1564-1642) die rond 1612 durfde te tornen aan het gangbare wereldbeeld. De Rooms Katholieke kerk beschouwde de aarde als het middelpunt van de schepping, zoals ook de oude Grieken hadden gedacht. Daarvan getuigt een kleurrijke verbeelding van de kosmos die de cartograaf Andreas Cellarius in de late 17e eeuw, gebaseerd op de ideeën van Claudius Ptolemaeus (2e eeuw) publiceerde. Sinds mensenheugenis wordt de stand van de hemellichamen bestudeerd. Met de verworven informatie werd vroeger het juiste moment bepaald om gewassen te zaaien. Tegenwoordig is dat niet meer nodig. De data van verschillende religieuze feesten worden nog altijd bepaald aan de hand van de stand van de maan. De stand van de sterren hielp bovendien bij navigatie op zee en over land.

Door eigen waarneming ontdekte Galilei dat de door Nicolaus Copernicus in 1543 gepresenteerde destijds controversiële visie op de relatie tussen de zon en de aarde op waarheid berustte. Copernicus publicatie de Revolutionibus orbium coelestium, ligt in de expositie open bij de afbeelding waarin de zon het middelpunt is van de kosmos. Niet de zon draait om de aarde, maar de aarde draait om de zon!

Met deze wereldschokkende ontdekking veranderde het wereldbeeld van geocentrisch in heliocentrisch. Toen Galileo vasthield aan zijn bewering werd hij door de kerkelijke autoriteiten in 1633 gedwongen om zijn bevindingen te herroepen. Hij veranderde echter niet van gedachten. Volgens een anekdote mompelde hij binnensmonds …e pur’ si muove… [en toch beweegt ze].

Het zou echter nog tot 1992 duren eer Paus Johannes Paulus II Galilei in het gelijk stelde en rehabiliteerde. Geloof en sterrenkunde gaan in de Rooms Katholieke kerk al langer hand in hand, zoals foto’s van religieuze sterrenkundigen laten zien.  

De tentoonstelling werpt nieuw licht op de ontwikkeling van wetenschappen als astronomie, anatomie, biologie en geologie. Deze eeuwenlange geschiedenis is niet los te denken van het christendom. Anders dan vaak gedacht blijkt dat de onderlinge relatie tussen religie en wetenschap tot de huidige dag veeleer dynamisch, veelzijdig èn verrassend is!

Newtoniaanse spiegeltelescoop, 1736. Leiden, Museum Boerhaave.

In de introductiezaal staat een enorme spiegeltelescoop uit 1736. Met zo’n instrument deed Isaac Newton (1643-1727) zijn waarnemingen. In deze ruimte informeert een sympathieke stem met een licht Amsterdams accent de bezoeker over de fascinatie met de ruimte en de hier getoonde objecten. Als ervaringsdeskundige weet astronaut André Kuipers als geen ander waarover hij het heeft!
Ter illustratie van de invloed van de Bijbel op het wetenschappelijk denken wordt een kostbare geïllustreerde Bijbel getoond. Het 13e -eeuwse manuscript ligt open bij het boek Genesis. In de versierde beginletter, een zogeheten gehistorieerde initiaal, worden alle dagen van de schepping in beeld gebracht.

Het spanningsveld tussen geloven en zelf onderzoeken wordt mooi verbeeld in een schilderij van Hendrick ter Brugghen uit 1622. De in het evangelie beschreven ongelovige Thomas doet, door zijn vinger in de zijdewond van Jezus te steken, op empirische wijze onderzoek naar het waarheidsgehalte van diens opstanding uit de dood. De gedachte eerst zien, dan geloven wordt onderstreept door de discipel die er, gewapend met een knijpbril met zijn neus bovenop staat. Ook in zijn optische hulpmiddel komen religie en wetenschap samen.

In het daarnaast getoonde sculptuurtje van Kathrin Schlegel komen verleden en heden samen. Dit eigentijdse kunstwerk -waarvan meer voorbeelden in de expositie te zien zijn- geeft haar betekenis niet een-twee-drie prijs. Als je goed kijkt herken je een in een wond gestoken vinger. Je ziet het niet, maar het werk heeft een extra betekenislaag. Het is gemaakt van een omgesmolten, want overbodige, miskelk!

Kathrin Schlegel, Vessel to flesh, 2023. Coll. Kunstenaar

De expositie is ingericht aan de hand van 4 kijkrichtingen. De blik naar Boven is gericht op de hemel. De blik naar Binnen onderzoekt letterlijk de ‘inwendige’ mens en haar plaats in de wereld. Bij de blik naar Buiten wordt al wat groeit en bloeit bekeken. De blik naar Beneden richt de focus op de aarde. In de laatste sectie ontmoet de bezoeker wellicht het meest indrukwekkende object in deze tentoonstelling: de Homo diluvii testis. Dit fossiel uit de collectie van Teylers Museum werd ooit aangezien voor een tijdens de Bijbelse zondvloed verdronken mens.

In de zalen en kloostergangen van het oude convent maakt de bezoeker een fascinerende reis door de tijd. Door de eeuwen heen stonden religie en wetenschap soms tegenover elkaar, maar ze gingen ook vaak op verrassende wijze samen. Dit laatste wordt onder meer geïllustreerd met een ontroerend filmpje dat in 1968 aan boord van de Apollo 8 werd opgenomen. In de geavanceerde technische bagage van de astronauten bevond zich ook een Bijbel. Deze mannen waren zich ervan bewust dat ze veel konden, maar de grote geheimen van het heelal en het ontstaan van het leven op aarde konden ze niet bevatten. Terwijl zij op kerstavond een rondje om de maan vlogen lazen de crewleden om beurten voor uit het scheppingsverhaal, waarna zij de thuisblijvers op planeet aarde een gelukkig kerstfeest wensten. Van die reis dateert William Anders iconische foto: Earthrise, die de cover van het begeleidende boek siert. Naast deze bijzondere kerstgroet hangt een poster met een heel andere boodschap: Er is geen God! De vrolijke Russische kosmonaut German Titov was tijdens zijn ruimtereis in 1961 God niet tegengekomen en engelen evenmin!

Vladimir Menshikov, Er is Geen God, Affiche, 1975. Clinton, Icon Museum and Study Center

Tijdens een lezing bekende de populaire sterrenkundige Govert Schilling dat astrofysici weliswaar veel, maar tegelijkertijd ook weinig weten. Over het precieze ontstaan van het onmetelijke heelal en het ontstaan van de mens tasten ook de knapste astronomen nog in het duister. De enige zekerheid is dat we van sterrenstof gemaakt zijn en dat we tot stof zullen wederkeren. Saillant detail; de theorie van de oerknal als verklaring van het ontstaan van het heelal, werd door een katholieke priester geformuleerd.

Eerste foto van een zwart gat in de Melkweg,
2019. Event Horizon Telescope Collaboration

Een recent voorbeeld van de synthese tussen religie en wetenschap lees je bij de spectaculaire foto van een zwart gat, waarmee de astrofysicus Heino Falcke en zijn team de wereld in 2019 verraste. Deze knappe kop, die het observatorium regelmatig voor de preekstoel verruilt, omschrijft dit fenomeen als de poort naar de hel. Alles wat daar binnenkomt wordt verzwolgen… Bij dit scenario moest ik denken aan de dichter Dante en zijn metgezel Vergilius, die, zoals beschreven in La Divina Commedia, ruim 700 jaar geleden bij de poorten van de hel werden begroet met de volgende woorden:   

…’lasciate ogni speranza, voi ch’entrate’….  

Virtueel bezoek 
In de spectaculair ingerichte grote zaal zie je diverse hemelglobes en astrolabia, waarmee de stand van de hemellichamen kan worden bestudeerd. Hier ligt ook de oudst bekende rudimentaire telescoop die bij archeologisch graafwerk in Delft aan het licht kwam. In de vitrines liggen de originele publicaties van Copernicus en Galilei. Blikvanger is de indrukwekkende blow-up van de sterrenhemel uit het planetarium van Eyse Eysinga (1744-1828). Deze godvrezende, eenvoudige handwerksman had een bijzondere hobby. In zeven jaar tijd construeerde hij in zijn woonhuis in Franeker een getrouwe weergave van het firmament. Via een ingenieus raderwerk op zolder bewegen alle hemellichamen sinds 1710 tot de dag van vandaag op de minuut nauwkeurig; echt ongelooflijk! Hier gaat de stelling op: achter elke grote man staat een vrouw. Zijn echtgenote vond ook alles maar goed: tot in de bedstede hingen gewichten om de boel in het juiste tempo te laten draaien!
Met vooruitziende blik beschreef Eysinga in een handleiding de correctie die om de 4 jaar handmatig op zolder moest worden uitgevoerd. Dit jaar was het weer zover: de huidige directeur van het Planetarium liet het raderwerk letterlijk en figuurlijk een tandje minder lopen om het systeem van 1 maart terug te zetten naar 29 februari!

Planetarium Eyse Eysinga in zijn woonhuis te Franeker 1710

Niet iedereen was verrukt over de geheimen van het onmetelijke en niet te bevatten heelal. De soms aan angst grenzende verwondering over de verschijnselen aan het firmament wordt treffend geïllustreerd met een 17e -eeuws paneeltje. Lieve Verschuier gaf een impressie van de consternatie die in 1680 in Rotterdam ontstond toen een staartster aan de hemel verscheen. Geprogrammeerd door Bijbelse onheilstijdingen, waaraan hemeltekenen vooraf zouden gaan, kijkt een vrouw angstig weg. Gewapend met een Jacobsstaf kunnen anderen hun ogen niet van de komeet af houden. In 1774 liet een onheilsprofeet van zich horen. Gebaseerd op zijn bestudering van de sterren voorspelde de Friese predikant Eelco Alta het naderende einde der tijden.

Staartster boven Rotterdam, Lieve Verschuier, 1680. Rotterdam, Museum Rotterdam

In deze ruimte bevestigen foto’s van een pater en twee nonnen de zojuist genoemde relatie tussen de Rooms Katholieke kerk en de sterrenkunde. Giuseppe Laïs (1845-1921), lid van de congregatie der Oratorianen, is er even bij gaan liggen om de sterrenhemel door een enorme telescoop te bestuderen. Deze zogeheten Carte de Ciel telescoop staat opgesteld in het astronomische onderzoeksinstituut van het Vaticaan, de Specola Vaticana in Castel Gandolfo. Het ontstaan van dit sterrenkundig instituut dateert uit de tijd waarin Paus Gregorius XIII in 1582 de kerkelijke kalender liet hervormen. De fraters van het Vaticaans instituut doen nog steeds onderzoek, maar niet meer vanaf deze plek. Tegenwoordig richten zij de blik vanuit een observatorium in Mount Graham in de VS hemelwaarts.
In de Specola Vaticana waren in de late 19e en vroege 20e eeuw ook vrouwen werkzaam. In een ongedateerde foto brengen twee kloosterzusters de sterren in kaart. Als tiener zag ik The Nun’s Story, waarin Audrey Hepburn door de hoofdpoort het klooster ingaat om jaren later, bevrijd door de achterdeur weer uit te treden. De beelden wekten mijn misplaatste medelijden met de nonnen die achterbleven. Niet in beslag genomen door de dagelijkse zorg voor man en kinderen genoten zij vrijheid om zich aan onderwijs en studie te wijden.

Relatie tussen religie en wetenschap.
De tentoonstelling maakt de eeuwenlange zoektocht naar kennis en de aftastende en soms schurende relatie tussen religie en wetenschap zichtbaar. De historische objecten, manuscripten en kaarten worden op verrassende wijze gepresenteerd naast eigentijdse artistieke creaties. In zijn Sfeer uit ca. 1916 geeft Theo van Doesburg een [door theosofische ideeën ingegeven] abstracte impressie van de kosmos. Van de vrouwelijke amateurastronoom Rohini Devasher wordt de installatie One Hundred Thousand Suns getoond. Deze presentatie uit 2022 is gebaseerd op waarnemingen die in het Kodaikanal Solar Observatorium in India zijn vastgelegd.

In de volgende zaal krijgt de bezoeker de gelegenheid om de blik naar binnen te richten. De objecten worden tegen een toepasselijke bloedrode achtergrond getoond. Hier zie je Michiel van Mierevelts Anatomische les van Dr. Willem van der Meer uit 1617. Objecten en geschriften illustreren de voortgang van de kennis van de inwendige mens.

De Anatomische les van dr. Willem van der Meer, Michiel Jansz. van Mierevelt, 1617. Delft, Museum Prinsenhof. Schenking van de Reinier de Graaf Groep

Tijdens onze Middeleeuwen stond de geneeskunde in de Arabische wereld op een hoog peil; daarvan getuigen antieke medische geschriften. In de bagage van reizigers belandden deze Arabische medische teksten in Europa. In een 15e -eeuws manuscript uit de Leidse Universiteitsbibliotheek zie je een kleurrijke afbeelding van medische instrumenten. 

Rond 1300 waren artsen al begonnen met empirisch onderzoek van het menselijk lichaam. Religie, astrologie en geneeskunde komen samen in een zestiende-eeuws gebedenboek. In een miniatuur is te zien hoe zo’n anatomische les in zijn werk ging. De toenmalige medische wetenschap was gebaseerd op de ideeën van de Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus (2e eeuw). Hij beschreef hoe een disbalans tussen de lichaamssappen: gele en zwarte gal, bloed en slijm ziekten bij de mens veroorzaakte. Lange tijd werd aangenomen dat de stand van de hemellichamen hier invloed op had, zoals te zien in een van de illustraties.

Anoniem. Getijdenboek, 1513-1527. Antwerpen The Phoebus Collection. Foto Marina Marijnen

De veronderstelling dat het Vaticaan het ontleden van het menselijk lichaam verboden zou hebben lijkt een misvatting. Hoe zou de Katholieke kerk anders aan al die stoffelijke resten van heiligen zijn gekomen? In een laat 15e-eeuwse reliekhouder uit het arsenaal van het Catharijneconvent toont de heilige Laurentius de rib, waarvan een partikel in dit sculptuurtje bewaard wordt. Gelovigen waren er destijds heilig van overtuigd dat relieken wonderdadige krachten bezitten.  

In 2020 legde Laurence Winram een eigentijdse anatomische les vast. Geïnspireerd op Rembrandts Anatomische les van Dr. Tulp memoreerde hij de ontleedsessie van de zogeheten Edinburgh Seven. De eerste vrouwen die in 1869 medicijnen studeerden. Ook Anna Maria van Schurmann (1607-1678) heeft hier een plekje gekregen. De rector van de Utrechtse Universiteit, Gisbertus Voetius, gaf haar toestemming om de colleges vanachter een gordijntje (…) te volgen!  Naast haar portret ligt de dissertatie, waarin zij de stelling verdedigt dat de vrouwelijke geest geschikt is voor intellectuele zaken. Zij zette haar vertoog kracht bij met passages uit de Bijbel.

Iris Kensmil, The contribution of Henrietta Lacks, 2023. Utrecht, Museum Catharijneconvent

Met het uit 2023 daterende postume portret van Henrietta Lacks zijn we terug in de twintigste eeuw. Geïnspireerd op de iconografie van de Heilige Lucia vervaardigde Iris Kensmil de beeltenis van de vrouw die in 1951 overleed aan baarmoederhalskanker. Op het schoteltje in haar hand liggen niet de ogen van de vroegchristelijke martelares, maar haar uitvergrote kankercellen. Ze verwijzen naar een medisch wonder. Artsen brachten deze foute cellen destijds voor onderzoek naar het laboratorium. Tot hun verbazing ontdekten zij dat deze naar haar vernoemde HELA- cellen zich -tot de huidige dag- buiten het lichaam van de overleden patiënt bleven delen. Henrietta Lacks leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Zo werd deze zwarte vrouw een gesanctioneerde ‘modern saint of science!’ Regelgeving rond privacy bestond destijds nog niet, maar de familie is dankbaar dat hun voormoeder op deze wijze een bijdrage aan de wetenschap levert en daardoor voortleeft.

In de volgende ruimte wordt de blik achtereenvolgens naar buiten en beneden gericht. Hier vind je Charles Darwins On the Origin of Species uit 1859. Daarin poneerde hij de stelling dat alle wezens afstammen van voorouders die miljoenen jaren geleden leefden en zich sindsdien verder hebben ontwikkeld. In deze afdeling mag Carolus Clusius (1707-1778) niet ontbreken. Door nauwkeurige bestudering en classificering in soorten en ondersoorten bracht Clusius Gods Schepping ‘als een tweede Adam’ overzichtelijk in beeld. Clusius kan gerekend worden tot de zogeheten fysicotheologen, die de uitkomsten van empirisch onderzoek in overeenstemming trachtten te brengen met Gods schepping. De wonderen van de natuur beschouwden zij als bewijs daarvan. Anderen namen afstand van het scheppingsverhaal. Door eigen bevindingen en de wreedheden die hij in de natuur en de hem omringende wereld waarnam, viel Darwin, die aanvankelijk een gelovig man was, van zijn geloof en werd agnost.

Gerrit Stevens Cramer, Microscoop met afbeelding van een luis en de hand van God. 1729-1755. Leiden Rijksmuseum Boerhaave. Foto Marina Marijnen

De groeiende wetenschappelijke belangstelling wordt geïllustreerd met verschillende 18e en 19e -eeuwse publicaties. Jan Zwammerdams Bijbel der Natuure Of Historie der Insecten (1737-1738) ligt open bij een illustratie waarin hij Gods almacht illustreert aan de hand van de anatomie van een luis. Dit voorbeeld van de ‘minste van Gods schepselen’ is overgesprongen op de ernaast getoonde microscoop. De beschildering van dit optische instrument bewijst dat de maker ervan thuishoort in het kamp van de fysicotheologen. Boven de luis en de onderzoeker bracht hij de hand van God aan!
In deze ruimte nemen de samenstellers van de tentoonstelling je mee naar de flora en fauna van Suriname. Geïnspireerd op de wonderen die Maria Sybilla Merian daar in de vroege 18e eeuw vastlegde, vervaardigde Patricia Kaersenhout een schitterend wandkleed. In het midden van dit geweven drieluik kopieerde zij Merians gedetailleerde weergave van de groeistadia van de bananenplant en de ontwikkeling van een rups tot vlinder. Het boek waaraan Kaersenhout de afbeelding ontleende zie je hier ook: de Metamorfoses Insectorum Surinamensium, 1705.

Patricia Kaersenhout, Of Palimpsests & Erasure, 2022. Tilburg. Collectie kunstenaar.

In het linkerdeel schemeren de portretten van Maria Sybilla en haar inheemse ‘slavin’ Kwasiba, als in een palimpsest [een hergebruikt stuk perkament] door. Een subtiele verwijzing naar het slavernijverleden, dat in de geschiedenisboeken lange tijd onzichtbaar was.  

De ark van Noach, Kasper Bosmans, 2022, Museum Catharijneconvent Utrecht

De verhalen over de schepping en de zondvloed plaatsten al dan niet gelovige lezers van de Bijbel eeuwenlang voor raadsels. In zijn impressie van de Ark van Noach maakt Kasper Bosmans zijn vragen zichtbaar. Bood deze Bijbelse reddingsboot ook plaats aan nietige wormen, insecten en vissen? Aanhakend bij deze vragen over Noach’s grootscheeps evacuatie: sta ik even stil bij de straf die God over de verdorven mensheid uitstortte: de zondvloed. In de tentoonstelling is -in de woorden van Wijnia- de graal van de paleontologie te zien: een fossiel van de zogeheten zondvloedmens. Bij het zien van dit wel heel kleine ‘voorwereldlijke’ mensje [later herkend als een reuzensalamander] verwondert de kijker van nu zich over de goedgelovigheid van de mensen, die deze wetenschappelijke ‘ontdekking’ rond 1735 door de Zwitserse onderzoeker Johann Scheuchzer kregen voorgeschoteld. Hij trachtte de wereld en al wat daarin leefde eveneens vanuit Bijbelse optiek te verklaren.

Reuzensalamander,Homo diluvii testis, Teylers Museum.

Naast deze reuzensalamander worden meer fossielen en ammonieten getoond. Een paar versteende slakken werden als stille getuigen van Bijbelse gebeurtenissen, in de 18e eeuw als reli-souvenier uit het Heilige land meegenomen.   

Naast al die goedgelovigheid weerklonken -vanuit religieuze hoek- ook kritische geluiden. Een bijzondere wetenschappelijke ontdekking sloeg in als een bom. De katholieke priester en sterrenkundige G. Lemaître (1894-1966) was de grondlegger van de theorie van de oerknal. In 1927 lanceerde hij de stelling dat het universum uit een kleine massa ontstond, die geleidelijk aan steeds verder uitdijde. Deze visie op de oorsprong van alle leven op aarde was niet in overeenstemming met het Bijbelse scheppingsverhaal. In het originele notitieboekje waarin Lemaître zijn berekeningen vastlegde -een hersenkrakertje voor wiskundigen- kunt u zijn gedachtegang proberen na te volgen!

Op de duiding van het zwarte gat moet de mensheid nog wachten, maar de bezoeker verlaat de tentoonstelling met een vernieuwde visie op wetenschap en religie. Anders dan het betreden van Dante’s Inferno is een bezoek aan deze tentoonstelling een hoopvolle ervaring. Een absolute aanrader: zowel voor gelovige belangstellenden als atheïsten en agnosten! 

L. Wijnia e.a., De Schepping van de wetenschap, Museum Catharijneconvent Utrecht, 2024.

Link: Museum Catharijneconvent

FRANS HALS tot 10 juni in het Rijksmuseum Amsterdam

De luitspeler, ca. 1623, Olieverf op doek, 70 × 62 cm, Musée du Louvre, Parijs, Département des Peintures

Na overzichtstentoonstellingen die het Rijksmuseum eerder organiseerde over Rembrandt en Vermeer is het nu de beurt aan Frans Hals (1582-1666).
In 2018 kon het Nederlandse publiek zich in het Frans Hals Museum ook al verbazen over de schetsmatige, trefzekere stijl waarmee Frans Hals zijn opdrachtgevers op het schilderslinnen bijna tot leven wekte. In de tentoonstelling Frans Hals en de Modernen was te zien dat de in de loop van de 18e eeuw in vergetelheid geraakte schilder in 1868 door de Franse kunstcriticus Théophile Thorė Bürger uit zijn winterslaap werd gewekt. Modernisten die zijn artikel in de Gazette des Beaux Arts lazen reisden in de 19e eeuw naar Haarlem. Gustav Courbet, Edouard Manet, Claude Monet, Vincent van Gogh en anderen bezochten het Stedelijk Museum -de voorloper van het Frans Hals Museum- dat in 1862 op de zolder van het stadhuis geopend was.
Deze 19e -eeuwse vakgenoten die zich met hun losse schildertrant tegen de academische regels verzetten herkenden in Frans Hals een geestverwant:

                      … ‘mais Frans Hals, c’est un moderne’!..     

Anders dan in 2018 en in de eerdere tentoonstelling Frans Hals Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan uit 2013 heeft Hals nu tot 10 juni het rijk alleen.   

Voorafgaand aan de opening van de huidige tentoonstelling loodste conservator Friso Lammertse zijn gehoor met een sprankelende inleiding door de zalen waar bijna 50 schilderijen te zien zijn. Frans Hals bracht zijn opdrachtgevers zo levensecht in beeld dat ze wel lijken te ademen! Hoe deed hij dat?                                                     Hals werkte a la prima: het waargenomen moment belandde spontaan, zonder ondertekening direct op het paneel of het doek, waardoor het beeld haar spontaniteit behield. Onder zijn handen ontstonden niet alleen beeltenissen van individuen en echtelieden, maar ook groepsportretten, vrolijke al of niet musicerende drinkers en enkele (in de tentoonstelling afwezige) evangelisten.In de tentoonstellingszalen ervaar je het geheim van Frans Hals. De op je netvlies ontvangen in verf gesuggereerde impressie van levensechte personen wordt door het brein afgemaakt.

De lach
Minstens zo vernieuwend is Hals vermogen om zijn figuren te laten lachen. In zijn Groot Schilderboeck schrijft de schilders biograaf Karel van Mander in 1604 dat bij de meeste schilders het verschil tussen huilen en lachen niet te zien is. Bij Frans Hals komt de verbeelding van het werkwoord lachen helemaal uit de verf. Variërend van een aarzelende, flauwe glimlach tot een schalkse, verleidelijke, verliefde, uitzinnige of ronduit gulle- en zelfs een waanzinnige lach. 

In de tentoonstelling wordt het niet genoemd, maar er speelde nog iets. Een portret van een lachend persoon werd lange tijd onbetamelijk gevonden. Sinds vroegchristelijke tijden hielden bijbelgeleerden zich bezig met de in onze ogen lachwekkende vraag of Jezus gelachen zou hebben. De talrijke portretten van mensen die hun gezicht in de plooi houden lijken deze in orthodoxchristelijke kringen voortlevende gedachte te weerspiegelen. Sinds de import van suiker was het waarschijnlijk ook verstandiger om de lippen op elkaar te houden… En dat doen veel van Hals opdrachtgevers dan ook. Zoals de onbekende man met schedel en zijn mooie, enigszins schuchtere echtgenote, die Hals rond 1612 vereeuwigde. Zowel de gladde, precieze penseelvoering als de compositie van dit vroege werk zijn nog traditioneel. Haar identiteit is onbekend, maar te oordelen naar het prachtige purperrode gewaad en de gouden keten rond haar middel is zij een dame van stand. De ostentatief getoonde schedel geeft aan dat de echtelieden zich bewust zijn van de vergankelijkheid van het bestaan.

1. Portret van een man met een schedel, ca. 1612, Olieverf op paneel, 92,8 × 71,2 cm, The Henry Barber Trust, University of Birmingham 2.Frans Hals, Portret van een onbekende vrouw ca 1612, olieverf op paneel, 94,2 x 71,1 cm The Devonshire Collection Chatsworth

…’Zo kan het ook’… moet Hals in 1622 gedacht hebben toen hij het Huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laan vervaardigde. Een glimlachend stel dat in een ongedwongen houding tegen een boom leunt was een compositorische nouveauté in het genre huwelijksportret. Althans in de Noordelijke Nederlanden. Mogelijk deed Hals dit idee op tijdens zijn studiereis naar Antwerpen, waar hij Rubens Zelfportret met zijn echtgenote Isabella Brant uit 1610 gezien zal hebben. Ook dit paar zit in de buitenlucht.   

Huwelijksportret, waarschijnlijk Isaac Abrahamsz Massa en Beatrix van der Laen, ca. 1622, Rijksmuseum

In deze onconventionele compositie gebruikte Hals ook enkele traditionele elementen. Zoals de klimop rond de boom dient een echtgenote zich aan haar man te hechten. De distel links in de voorgrond geeft haar symbolische betekenis in het Duits prijs: ‘Männertreu’. In huwelijksbedreigende situaties moet de man zijn stekels opzetten! Misschien vraagt u zich af waarom Beatrix zo somber gekleed is. Bruiden gingen destijds niet in het wit, maar in gewone, zij het kostbare burgerkleding, naar het altaar.
Bijna vijfentwintig jaar later ontstond een ongedwongen familiegroep. Dit portret is evenals dat van Isaac Massa en zijn echtgenote gesitueerd in de open lucht. Beide echtelieden kijken elkaar licht glimlachend aan, de handen ineengestrengeld in het aan de oudheid ontleende symbool voor huwelijkstrouw: dextrarum iuncio. Nieuw is de zwarte bediende met wie opdrachtgevers zich, als show-off van hun welstand, destijds wel vaker lieten uitbeelden. De anonieme zwarte jongen kijkt de beschouwer recht aan. In de huidige publicatie komt hij close-up in beeld, maar in de catalogus van Hals laatste grote overzichtstentoonstelling in 1989 werd hij nog doodgezwegen.

Frans Hals, Familiegroep in landschap, ca. 1646, Olieverf op doek, 202 × 285 cm, Museo Nacional Thyssen-Bornemisza, Madrid 

De door Hals geschilderde lach kom je in de expositie steeds anders, maar altijd overtuigend tegen. Zoals de dwaze grijns van de door lachende kinderen omgeven Rommelpotspeler. Boontje was, evenals Malle Babbe, in Hals tijd een bekende verschijning in de straten van Haarlem. In het lied waarmee Rob de Nijs in 1975 hoog op de hitlijsten scoorde, wordt zij ten onrechte als een prostituee bezongen. De uil op haar schouder -destijds een symbool van dwaasheid- geeft aan dat zij een vrouw met een verstandelijke beperking is.

1 Frans Hals,Malle Babbe, ca. 1640, Olieverf op doek, 78,5 × 66,2 cm, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn  Frans Hals,
2 De rommelpot- speler, ca. 1620, Olieverf op doek, 106 × 80,3 cm, Kimbell Art Museum, Fort Worth, Texas 

Leven
Frans Hals werd rond 1582 in Antwerpen geboren. Toen de stad in 1585, tijdens de Tachtigjarige oorlog weer in Spaanse -katholieke- handen viel verhuisden zijn ouders om geloofsredenen naar Haarlem. Na zijn leertijd bij Karel van Mander (1548-1606) werd hij in 1610 als meester-schilder ingeschreven bij het St. Lucasgilde. Hij trouwde met Annetje Harmensdochter, die hem twee kinderen schonk. Na haar ontijdige dood in 1615 trouwde Hals in 1617 met Lysbeth Reynier. Zij kregen zeker nog tien, volgens sommige tellingen zelfs 12 of 13 kinderen.

Vanaf 1616 was hij lid van het literaire gezelschap de Wijngaerdtrancken. Onder het genot van een goed glas hielden de rederijkers zich in gedichten en verhalen bezig met taal. Hals was ook lid van de schutterij. Deze fungeerde oorspronkelijk als een soort burgerwacht. De leden waren, als boa’s avant-la-lettre, belast met het handhaven van de rust in de stad. In Hals tijd was de schutterij echter meer een gezelligheidsvereniging, zoals te zien op de impressies die hij gaf van de schuttersmaaltijden.  

In zijn Hooghe Schoole der Schilderkunst doet Arnold Houbraken rond 1720 niet zo’n aardig boekje open over Frans Hals. In 1989 deed conservator Pieter Biesboer Houbrakens informatie nog af als roddelpraat, maar sindsdien zijn archiefstukken opgedoken, die te denken geven. Als stamgast van de kunstenaarskroeg De Coninck van Vranckrijck zal Hals, aangezien er toen nog géén nul procentjes werden geserveerd, wellicht toch wel het door Houbraken genoemde ‘menige pintje’ hebben gedronken. Ook dist hij enkele in drank gedrenkte beweringen en anekdotes op zoals:
’Hals was gemeenlijk allen avond tot de keel toe vol met drank… Toch achten zijn leerlingen hem hoog. Om hem voor ongelukken te behoeden haalden zij hem ’s avonds laat uit de kroeg en hielpen hem naar bed. Hoe beschonken ook Hals sloeg zijn avondgebed nooit over, dat hij steevast besloot met: …Lieve Heer, haal mij vroeg in uwen hoogen hemel’
Zijn leerlingen besloten dit gebed te verhoren, aldus Houbraken. Van de zolder boven zijn bedstee bevestigden zij touwen aan het matras. Na het gebed trokken zij dit omhoog. …’Toen Hals, in den dommel van zijn dronkenschap bemerkte dat zijn gebed verhoord werd riep hij: …zo haastigh niet lieve Heer, zoo haastig niet!’…

Frans Hals, Een schutter die een berkenmeier vasthoudt, bekend als ‘De vrolijke drinker’ ca.1629, Olieverf op doek, 80 × 66,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam

Hals vele werken waarin het glas wordt geheven, zoals in zijn iconische Vrolijke drinker, waarin een schutter de beschouwer met zijn berkenmeier toedrinkt, hielden Hals reputatie in stand.  Drinkebroer of niet… zijn veronderstelde slechte naam vormde geen belemmering voor zijn talrijke opdrachtgevers. Zelfs de 17e -eeuwse filosoof René Descartes wist hem in 1649 te vinden.

Ondanks de vele opdrachten verkeerde Frans Hals een leven lang in geldnood. Uit archiefstukken blijkt dat hij in 1615 door een voedster voor het gerecht werd gedaagd. In 1654 moest hij zelfs een deel van zijn huisraad verkopen om een schuld bij de bakker te voldoen. Het voeden en kleden van zijn talrijke nageslacht zal daar zeker debet aan geweest zijn. In 1661 schold het schilders gilde hem de contributie kwijt. Sinds 1662 tot zijn dood in 1666 ontving Hals van gemeentewege brandstof en een toelage van aanvankelijk f 150,–, later f 200,– per jaar. Op 1 september 1666 werd Hals onder het koor van de St. Bavo begraven. Postuum werd hij in Haarlem geëerd met een standbeeld in het Florapark en gezien zijn voortdurende geldnood, -ironie van het lot- verscheen in 1968 zijn portret op het bankbiljet van tien gulden.

Nog even terug naar Hals kinderen. Een van hen was, zoals dat vroeger werd gezegd niet als een ander. Zoon Pieter belandde als ‘innocent’ in het Haarlemse werkhuis. Hals dochter Sara, die volgens de bronnen niet wilde deugen, kwam daar na twee tienerzwangerschappen, eveneens terecht. Gelukkig had Hals nog meer kinderen. Ik stel me zo voor dat zij elkaar in huis vaak lachend en stoeiend achterna zaten. Stil zitten was er niet bij. Met vaart vastgelegd belandden ze op op de schilderijen van hun vader, zoals het jochie in het Mauritshuis en in de vele impressies van drinkende en musicerende jongens.

Frans Hals, Lachende Jongen, paneel, ca. 1625, Mauritshuis Den Haag

Van de grootste portrettist van de zeventiende eeuw is, afgezien van een kopie in het Metropolitan in New York, geen zelfportret bewaard, maar in het Schuttersstuk met de officieren van Sint-Joris uit 1639 bracht Hals linksboven zijn selfie aan.  

Frans Hals, Officieren en Onderofficieren van het Gilde van de beschermers van St Joris 1639 218 x 421 cm

Langs de portretgalerij
Behalve het weergeven van uitbundige gelaatsuitdrukkingen, verstond Hals de kunst om een zweem van een (glim)lach in beeld te brengen. Zoals in het zeldzame kinderportret van Catharina Hooft. Niet alleen een proefstukje van onvoorwaardelijke genegenheid tussen een meisje van stand en haar kindermeisje, maar ook een staaltje van vakmanschap. Kijk eens naar het consequent herhaalde motief in haar jurkje van goudbrokaat, het gedetailleerd gepenseelde kostbare kant en de schakeltjes van de gouden ketting.  

Frans Hals, Portret van Catharina Hooft met haar min, 1619 – 1620, Olieverf op doek, 91,8 x 68,3 cm, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn

Tussen de velerlei portretten is de beeltenis van dit prinsesje uniek in Hals oeuvre. In de zalen van de Philipsvleugel wandel je langs gedistingeerde of jolige heren die ten voeten uit, in buste- of half portret zijn weergegeven. Achterstevoren zittend of zelfs wippend op een stoel! Ook drinkende en musicerende figuren passeren de revue en echtelieden die hij samenvoegde op één doek of afzonderlijk als pendanten schilderde. Verschillende opdrachtgevers etaleerden hun welstand sans gêne. Anderen zoals de welgestelde doch zonder opsmuk geportretteerde doopsgezinde textielfabrikant Lucas de Clerq en zijn echtgenote Feyntje van Steenkiste liepen met hun welstand niet te koop. 

1. Frans Hals, Portret van Lucas de Clercq, ca. 1635, Olieverf op doek, 121,6 × 91,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1891
2. Frans Hals, Portret van Feyntje van Steenkiste, 1635, Olieverf op doek, 121,9 × 91,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1891

Tieleman Roosterman en Catharina Brugman lieten in hun portret iedere terughoudendheid varen. Zij belichamen het aloude adagium: Ora et Labora. Zolang hard werken gepaard ging met bidden hoefde je je in de 17e eeuw niet te schamen voor je welstand.

1.Frans Hals, Portret van Tieleman Roosterman, 1634, Olieverf op doek, 117 × 87 cm, The Cleveland Museum of Art, Leonard C. Hanna Jr. Fund 2. Frans Hals, Portret van Catharina Brugman, 1634, Olieverf op doek, 115 × 85 cm, Particuliere collectie

Met zijn hand in de zij kijkt hij de beschouwer vermetel aan. De Engelsen hebben daar een leuke, van het oud-Engels afgeleide uitdrukking voor: Akimbo. Op de outfit van zijn eega, die werkelijk alles uit de kast heeft gehaald, kon Hals zich helemaal uitleven. Met haar hand op de door het beeldvlak afgesneden stoel lijkt zij zich staande te houden. In haar linker houdt zij haar bruidshandschoenen.

Die stoere presentatie met de hand in de zij, was voorbehouden aan mannen, maar in de tentoonstelling ontdekte ik ook één vrouw. Cunera van Baersdorp is, evenals haar echtgenoot Michiel de Wael in het pendant ook in die houding afgebeeld. Met een knipoog lijkt het wel of ze, anno nu, in plaats van handen te schudden, klaar staan om elkaars elleboog aan te tikken.

1.Frans Hals, Portret van Michiel de Wael, ca. 1625, Olieverf op doek, 118,8 × 95,3 cm, Taft Museum of Art, Cincinnati, Ohio. Legaat van Charles Phelps en Anna Sinton 2.Frans Hals, Portret van Cunera van Baersdorp, ca. 1625, Olieverf op doek, 123,8 × 95,3 cm, Susan and Matthew Weatherbie Collection

Een van Hals meest bekende werken is de al genoemde Schutter die een berkenmeier vasthoudt. Het thema van vrolijke, musicerende drinkers was geliefd bij de zogeheten Utrechtse Caravaggisten. Zij hadden deze motieven in Rome afgekeken van Michelangelo Merisi da Caravaggio. In de vaste opstelling van het Rijksmuseum zie je daarvan twee voorbeelden: Gerard van Honthorsts Vrolijke Vioolspeler uit 1623. Hals leerling Judith Leyster bracht met haar Serenade in 1629 niet alleen een ode aan haar leermeester, maar ook aan Caravaggio.  

Het aan Hals vrolijke drinkers ontleende predicaat een vrolijke Frans is zeker ook van toepassing op het portret van de joyeuze koopman Pieter van den Broecke; exponent van de tegenwoordig verguisde VOC-mentaliteit.

Frans Hals, Portret van Pieter van den Broecke, 1633. Doek 68 x 55 cm. English Heritage, The Iveagh Bequest (Kenwood, Londen).

De tentoongestelde portretten zijn merendeels indrukwekkend. De monumentale schuttersstukken met de officieren van de Haarlemse St. Jorisschutterij, die Hals in 1616 respectievelijk 1627 vervaardigde zijn de absolute blikvangers. Ook het doek uit de eigen collectie van het Rijks, de zogeheten Magere compagnie spreekt tot de verbeelding. Een coproductie van Frans Hals en de Amsterdamse schilder Pieter Codde, die het werk na onenigheid tussen Hals en de opdrachtgevers, in 1636 voltooide. Weliswaar naar zijn beste vermogen, maar het verschil tussen Hals ongedwongen vlot neergezette figuren en de wat houterige types van Codde is duidelijk.

Frans Hals, Schutters van wijk XI onder leiding van kapitein Reynier Reael, bekend als ‘De magere compagnie’, 1633, (voltooid door Pieter Codde, 1637) Olieverf op doek, 209 × 429 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1885
Frans Hals, Feestmaal van de officieren van de Sint Jorisdoelen, 1616. doek, 175 x 324 cm. Frans Halsmuseum

In oudere schutterstukken, zoals het van 1529 daterende drieluik met een Groep Schutters van Dirck Jacobsz in Rijksmuseum, zijn de leden stijf op een rij in beeld gebracht. In Hals schuttersstuk van 1616 is te zien dat hij ook in dit genre vernieuwing bracht. Met ongeëvenaard talent zette hij de fraai geklede en goed getroffen figuren in een verscheidenheid aan houdingen levendig neer. De bevelhebber met oranje sjerp gaf hij links, doch heraldisch rechts, de belangrijkste plek. Naast hem zit de zogeheten provoost, die over de centjes ging. De kapiteins en luitenants zitten eveneens aan tafel; de vaandeldragers en de knecht zijn staande geportretteerd. De compositie wordt verlevendigd door het diagonaal in de achtergrond geplaatste oranje-witte vaandel. Dit motief paste Hals ruim 10 jaar later nogmaals toe in een tweede versie van het Feestmaal van de officieren van de Sint Joris-Schutterij.

Frans Hals, Feestmaal van de officieren van de St. Jorisschutterij, ca. 1627. Doek 179 x 257,5 cm,
Frans Halsmuseum Haarlem

De figuren zijn in dit doek nog levendiger en met humor in beeld gebracht. De naar de beschouwer toegewende man met het omgekeerde glas heeft nog dorst en vraagt om een refill! De man naast hem reikt naar een schaal met oesters. Aan de rijk voorziene dis van de schutters vloeide de wijn overvloedig!
In de laatste zalen zie je verschillende kleine predikanten- en geleerdenportretten en een destijds bekend toneelkarakter. De Pekelharing bracht dwaze rollen op de planken. Jonas Suyderhoef maakte een prent van de populaire Pekelharing.
In twee interieurstukken van Jan Steen hangt hij ook aan de muur, zoals in een versie van So de ouden songen, pypen de jongen (1663) in de Berlijnse Gemäldegalerie en het Doktersbezoek (1661) in het Wellington Museum in Londen.

Frans Hals, Pekelharing, ca. 1629, doek 75 x 62 cm. Kassel, Museum Schloss Wilhelmshöhe

De een na laatste zaal van de thematisch ingerichte tentoonstelling heeft de titel ‘lefgozers’ meegekregen. Met een hooghartige blik wordt de bezoeker begroet door de eigenaar van de mouw, waarvan je aan het begin van de expositie een blow-up ziet: Jasper Schade, aangenaam!

Een verwaande kwast? Kan zijn, maar hij was dan ook niet zomaar iemand. Even een greep uit de C.V. van de heer van Tull en ’t Waal, de eigenaar van het buiten Oud Zandbergen in Huis ter Heide. Hij was kanunnik en later deken van het kapittel van Oudmunster in Utrecht, dat na de alteratie in 1579 in protestantse handen was overgegaan. In 1672 werd hij gecommitteerde van Utrecht in de Staten Generaal. Sinds 1681 was hij president van het Hof van Utrecht. Toen Hals hem als 22-jarige schilderde was dit alles nog toekomstmuziek. Hals wist niet alleen zijn karakter, maar ook zijn kleding treffend vast te leggen. Kijk maar eens naar de manier waarop hij de mouw, gebruikmakend van de lichtval, met enkele zigzaggende toetsen trefzeker heeft neergezet. Dat geldt ook voor de weergave van het modieuze kostuum van zwart goudbrokaat met de opengewerkte mouwen en de kokette met goudkleurige linten versierde cilindervormige hoed. Zijn voorliefde voor dure kleding was een oom ook al opgevallen. Per brief waarschuwt deze zijn zoon in Parijs om de kleermakersrekening niet zo hoog te laten oplopen als die van neef Jasper!

Frans Hals, Portret van Jasper Schade, 1645, Olieverf op doek, 80 × 67,5 cm, Nationaal Museum, Praag

In deze zaal ontmoeten we nog enkele opmerkelijke types, zoals de Haarlemse textielkoopman Willem van Heythuysen. Elders in de expositie kijkt hij de bezoeker in een imponerend staatsieportret vanuit de hoogte aan, maar het portret dat Hals twintig jaar later van hem maakte is totaal anders van karakter. Over vernieuwing gesproken: hier hangt Van Heythuysen in zijn rijkleding, nonchalant achterover, terwijl hij een beetje zit te wippen op zijn stoel.

Frans Hals, Portret van Willem van Heythuysen, 1653. Paneel 47 x 36 cm., Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Brussel

Dat brengt ons bij een van Hals laatste werken: het portret van een Onbekende man met een slappe hoed, geschilderd in een bijzonder ruige stijl.  Ook deze man hangt in een relaxte houding over de rugleuning van een stoel. Verschillende kunstcritici lieten zich over deze zogeheten ruwe manier van schilderen uit. Karel van Mander was van mening dat deze losse toets niet voor iedereen was weggelegd. Een dergelijke ruwe stijl vroeg om een virtuoze hand. Als voorbeeld noemt hij Titiaan, wiens werk in de tentoonstelling Frans Hals oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan te zien was. Ook al oogstte Hals met deze ruwe stijl in zijn eigen tijd en in de 19e eeuw wederom waardering, toch klonken in de twintigste eeuw nog kritische geluiden! 

Deze manier van werken werd soms afgedaan als Alterstil: het geknoei van een grijsaard met een bevende hand. Inmiddels is vrijwel iedereen het erover eens dat Frans Hals hier het toppunt van zijn artistieke kunnen bereikte!

Frans Hals, Portret van een man met slappe hoed, ca 1660 Olieverf op doek, 79,5 x 66,5 Hessen Kassel Heritage

Hals regentenportretten vormen het slotakkoord van deze mooie tentoonstelling. Bijzonder interessant is Hals portret van de Regenten van het St. Elisabethsgasthuis, uit 1641. Een groep levendig weergegeven heren. Loop nadat je dit portret hebt gezien nog even naar de eregalerij en kijk eens goed naar het portret dat Rembrandt twintig jaar later van de Waardijns van het Amsterdamse Lakengilde, beter bekend als de Staalmeesters, schilderde. Zelfs een autonoom genie als Rembrandt kon nog wel iets van een beroemde voorganger leren!

Frans Hals, Regenten van het St. Elisabethsgasthuis, 1641. Doek 153 x 252 cm. Haarlem, Frans Halsmuseum

We keren nog even terug naar de zojuist opgemerkte kritiek. Ook de Regenten en Regentessen van het Oudemannenhuis moesten het ontgelden.
Anders dan in voornoemde portretten kon er in deze geen lachje af. Logisch, want het besturen van liefdadigheidsinstellingen was, getuige de kasboeken op de tafels een ernstige zaak. De kop van de man met de destijds modieuze scheve hoed in het groepsportret van de Regenten van het Oudemannenhuis uit 1664 vormde in de twintigste eeuw aanleiding tot speculaties. Hij zou onmiskenbaar dronken zijn geweest. Een medicus die dezelfde man eeuwen later aan een denkbeeldig consult onderwierp kwam tot een andere bevinding en diagnosticeerde een halfzijdige aangezichtsverlamming veroorzaakt door een tia. Anderen meenden dat Hals de bestuurders expres zo lelijk had geschilderd, omdat zij hem géén plekje in het Oudemannenhuis gunden. De regentessen, die belast waren met het reilen en zeilen van het Oudemannenhuis, maakten de tongen eveneens los. Alle uitgaven moesten tot de laatste penning worden verantwoord. De vrouw links houdt niet voor niets haar hand op. In de vroege twintigste eeuw omschreef de toenmalige directeur van Museum Boijmans van Beuningen Schmidt Degener hen als gierige oude vrouwen …’zelfingenomen en meedogenloos’, en dat niet alleen, hij heeft het ook over hun …’azijnigheid en schraperigheid’! 

Frans Hals, Regenstessen van het Oudemannenhuis, 1664. Doek 170 x 250 cm. Frans Hals Museum, Haarlem

Honderd jaar later zie ik slechts een paar broze, doch kordate dames, met hun door couperose gecraqueleerde wangen en handen met een huid als perkament. Theophile Thoré Bürger kon er ook niet over uit:  …’Ik ken géén schilderijen die met zoveel élan zijn uitgevoerd!’…   

Uit de mode
In de tweede helft van de 18e eeuw trad onder invloed van de Franse academische schilderkunst een smaakverandering op. Heldere kleuren, fijn gepenseelde en egaal belichte onderwerpen werden geliefd. De losse toets van Hals en het gloeiende palet van Rembrandt raakten uit de mode, tot ze in de 19e eeuw werden herontdekt.

Bibliografie:
B. Cornelis e.a., Frans Hals. Rijksmuseum, Amsterdam. 2024.
S. Slive e.a.       Frans Hals, Frans Hals Museum, Haarlem, 1989.
M. Rikken e.a.,  Frans Hals & de Modernen. Magazine. Haarlem, 2018.

www.uitdekunstmarina.nl : Bespreking Frans Hals en de Modernen en actuele tentoonstellingen.

Link: Rijksmuseum Amsterdam

De tentoonstelling was eerder te zien in de Londense National Gallery en reist na Amsterdam door naar de Gemäldegalerie in Berlijn, waar de expositie van 12 juli t/m 3 november te zien is.

Online tour: Eva van der Gucht presenteert een online ontdekkingstocht: De Geniale streken van Frans Hals in het Nederlands.
Er is ook een Audiotour beschikbaar. Daarin hoort de bezoeker de stem van Tom Waes

Kinderen van de Haagse School Tot 21 mei in Museum Panorama Mesdag, Den Haag

Willem Bastiaan Tholen, Op de boot, marouflé, 32,5 x 17 cm, Particuliere collectie,
courtesy Hein Klaver, foto: Benno Slijkhuis

De titel van de expositie roept beelden op van kinderen die met een bootje spelen of een ezelritje maken op het Scheveningse strand. Deze zonnige kant van het kinderleven in Mesdags tijd wordt speels belicht. De subtitel: spelen, werken, overleven geeft echter aan dat het om meer dan spielerei alleen gaat.

Voor veel kinderen was in de late 19e en vroege 20e eeuw amper ruimte om te spelen. Ook daarvan getuigen de schilders van de Haagse School en hun tijdgenoten. De spruiten van de kunstenaars hadden het beter dan hun arme leeftijdgenoten. De werkende jeugd werd niet zoet spelend of musicerend geportretteerd, maar vereeuwigd als meid, boerenknecht of begeleider van ezeltjes op het strand. De vrolijke impressies die Isaac Israëls daarvan geeft waren voor de jongens die er blootsvoets naast liepen vast minder leuk.  

Isaac Israëls, Ezeltje rijden op het Scheveningse Strand, ca. 1900. Kunstmuseum, Den Haag (buiten tentoonstelling)

De scènes uit het leven van landarbeiders, vissers en hun kinderen appelleerden aan het sentiment van potentiële kopers. De modellen ontvingen weliswaar een kleine vergoeding, maar op een enkele uitzondering na valt van sociale betrokkenheid bij de schilders weinig te merken. De arme sloebers voelden hun marktwaarde goed aan. De ‘Tachtiger’ Frederik van Eden noteerde hoe Larense boeren voor poseer sessies speciaal hun alleroudste en smerigste kleren aantrokken, zodat ze nog aandoenlijker en schilderachtiger uit de verf kwamen!
Wally Moes was als een van de weinigen begaan met het lot van de werkende jeugd. Om brood op de plank te krijgen moesten kinderen van arme families een steentje bijdragen. Hoewel sinds 1901 leerplicht voor kinderen tot 12 jaar bestond, kwam voor hen van schoolgaan niet veel terecht. Wally Moes beijverde zich voor scholing van arme kinderen. Van haar hand zie je een ets van een jongen die de kost verdient als voddenraper en een Murillo-achtig portret van twee haveloos gekledemandenvlechters. De blote voeten van de jongens zullen de werkelijkheid wel benaderen, maar de sinaasappelschillen en het Chinese porselein zijn slechts uit artistiek oogpunt toegevoegd.

Wally Moes, Schaftuurtje, 1885. Doek 97 x 149 cm. Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, foto: Studio Tromp

Op de Middelbare School leerden we dat het Kinderwetje van Van Houten uit 1874 verbetering in de regels rond kinderarbeid bracht. De initiatiefwet van de liberale politicus Samuel van Houten om àlle kinderarbeid te verbieden haalde het echter in de Tweede Kamer niet. In die tijd waren jonge kinderen in veel textiel- en sigarenfabrieken te vinden. Meer dan eens bestond het aantal werknemers voor wel 25% of meer uit kinderen. Ze maakten vaak lange dagen van soms wel vijftien uur en ook ’s nachts moest gewerkt worden. Met zijn novelle Fabriekskinderen bracht de schrijver Jacob Jan Cremer in 1863 hun mensonwaardige werkomstandigheden onder de aandacht van zijn lezers. Ook sprak hij koning Willem III erop aan. Verschillende malen wijdde Cremer krantenartikelen aan dit sociale probleem.  Tijdens lezingen las hij voor uit eigen werk. Wellicht droegen deze acties bij tot bewustwording van het probleem bij Van Houten. Op zijn initiatief werd de ‘Wet Houdende Maatregelen tot het Tegengaan van Overmatigen Arbeid en Verwaarlozing van Kinderen’ in 1874 in sterk herziene vorm aangenomen. De nieuwe regels bepaalden dat kinderen jonger dan 12 jaar niet in fabrieken en werkplaatsen mochten werken. De wet werd echter slecht gehandhaafd en betrof alleen fabrieksarbeid door kinderen tot twaalf jaar. Vanaf 13 jaar mochten ze zelfs nog worden ingezet voor nachtarbeid. Werkzaamheden in huis of veldarbeid vielen niet onder deze wet. De oorzaak van de grootschalige kinderarbeid werd niet aangepakt. Door de lage lonen van hun ouders, moesten kinderen wel meewerken. De invoering van de leerplichtwet in 1901 zou een einde gemaakt hebben aan fabrieksarbeid door kinderen, maar in de tentoonstelling zag ik een foto van meisjes die in 1919 nog werkzaam waren in een Tilburgse sigarenfabriek. Kinderen uit arme gezinnen moesten vaak na schooltijd in huis of op het land nog aan het werk, zoals te zien in het werk van Wally Moes en haar collega’s. Toen zij door reuma niet meer kon werken verruilde zij het penseel voor de pen. De verhalen waarin Moes het geromantiseerde zware plattelandsleven in het Gooi met woorden schilderde verschenen in Elseviers Geïllustreerde Maandschrift. De Wally Moes-vrijwilligersprijs die jaarlijks in de gemeente Laren wordt uitgereikt herinnert aan haar sociale betrokkenheid.

Haagse School 
De schilders van de Haagse School raakten geïnspireerd door de School van Barbizon. Afkerig van de oprukkende verstedelijking en industrialisatie legden kunstenaars als Daubigny, Corot en Millet het ongerepte landschap vast en het ‘pure’ leven van eenvoudige lieden, die Gods aarde bewerkten. Met hun landschappen en scènes uit het leven van arme boeren en vissers bewandelden Hendrik Willem Mesdag, Jozef Israëls, Jacob Maris en tijdgenoten eenzelfde weg. Ze bleven echter wel in hun comfort-zone. Om niet in armetierige huisjes te hoeven werken bootsten Jozef Israëls, Evert Pieters en Bernard Blommers het interieur van een eenvoudig vissershuisje na in hun atelier.     

Kinderen in de hoofdrol
Anders dan in eerdere exposities als Kinderen [uit de hogere kringen] op hun mooist (Frans Halsmuseum, 2000) spelen arme kinderen nu de hoofdrol. Bijna twintig jaar later belichtte de expositie Jong in de 19e eeuw in Teylers Museum hun ontwikkeling van mini-volwassene tot … kind. Het concept van die tentoonstelling was geïnspireerd op het gedachtengoed van de 18e eeuwse schrijver Jean-Jacques Rousseau. Dankzij zijn boek Emile, ou de l’education uit 1762 begonnen opvoedkundige ideeën in de tweede helft van de 18e eeuw te veranderen. In een persbericht werd de inhoud van die tentoonstelling met de volgende woorden toegelicht:  

…’Het was bijvoorbeeld niet meer vanzelfsprekend dat kinderen zo snel mogelijk moesten gaan werken, ze kregen tijd en ruimte voor hun eigen ontwikkeling. […] Anton Mauve, Jacob Maris, George Hendrik Breitner en Jan Toorop schilderden kinderen […] in een eigen wereld, spelend of in gedachten […] Het kind werd als kind erkend’….

Maar dat hing wèl af van de plek waar je wieg had gestaan. Anders dan in onze tijd, waarin jongeren van 18 jaar als meerderjarig worden beschouwd, werden arme kinderen in Mesdags tijd noodgedwongen al veel eerder volwassen -of beter verwoord- als volwassene gezien.                                              

In de huidige expositie is voor het eerst aandacht voor de petite histoire van het kinderleven in de late 19e– en vroege 20e– eeuw. De kloof tussen rijk en arm was destijds onoverbrugbaar. De in 1901 ingestelde leerplicht veranderde daar als gezegd nog niet veel aan.

Haringkade, detail van Panorama van Scheveningen, Hendrik Willem Mesdag, 1881. Museum Panorama Mesdag.

Van zakenman tot kunstschilder  
De tentoonstelling is ondergebracht in de voormalige woning van de schilder Hendrik Willem Mesdag en zijn eveneens schilderende echtgenote Sientje van Houten. In de vaste collectie zie je de schilderijen van het echtpaar. De kroon op hun werk vormt het indrukwekkende Panorama, dat zij in 1881 in samenwerking met Bernard Blommers, Théophile de Bock en George Hendrik Breitner in vier maanden tijd voltooiden. Na mijn bezoek aan de expositie beklom ik de trap naar het Panorama, zoals ik dat 50 jaar geleden tijdens een schoolreisje had gedaan. Als een kind genoot ik weer van het fascinerende rondzicht met impressies van Scheveningen uit Mesdags tijd.

Het Panorama is niet alleen waardevol als document van een lang vervlogen tijd; het is ook een artistiek huzarenstukje. Zittend op het seinpostduin schilderde Mesdag de omgeving op een hier getoonde glazen cilinder. De voorstellingen projecteerde hij vervolgens op enorme doeken, waarna de blow-ups konden worden nageschilderd. Aan de zeezijde zie je behalve vissers, wandelaars en exercerende militairen te paard ook -goed kijken- de vrouw van Hendrik Willem Mesdag. Sientje zit naast een bomschuit, onder een parasolletje aan haar schildersezel.

H.W. Mesdag, Sientje Mesdag met haar zoon Klaasje, ca. 1866. Paneel 51,4 x 39 cm. Museum Panorama Mesdag.

Met haar gaan we terug naar de tentoonstelling. Zij is een van de weinige getrouwde vrouwen die na haar huwelijk doorging met schilderen. Dat was in die dagen zeer ongebruikelijk. Zonder hulp hadden vrouwen een dagtaak aan de verzorging en opvoeding van de vele kinderen, waarmee zij ‘gezegend’ werden. Slechts een enkeling slaagde erin om haar artistieke talent te combineren met het moederschap.

De meeste schilderende vrouwen in deze tentoonstelling kozen voor een ongetrouwd bestaan en bleven kinderloos. Om de handen vrij te hebben bracht Suze Robertson, aan wie Museum Mesdag vorig jaar een overzichtstentoonstelling wijdde, haar dochter onder in een pleeggezin. In de laatste zaal zie je twee portretjes van Robertsons dochter Sara. Daar hangt ook een tekening van de naar de pionier van de kindercrèche vernoemde Femina Muller bewaarschool in de Vinckenstraat in Amsterdam. Henriëtte de Vries geeft daarin een impressie van deze moderne hygiënische plek waar fabrieksarbeidsters hun kroost konden onderbrengen.

Hendrik Willem Mesdag en zijn vrouw Sientje hadden één kind, Klaasje.  Evenals Renoir, Cézanne, Gauguin en Jongkind nam Hendrik Willem Mesdag een moedig besluit. Hij verruilde een leven als zakenman voor dat van kunstschilder. In 1866 verhuisde hij naar Brussel om zich op aanraden van zijn achterneef Lourens Alma Tadema bij landschapschilder Willem Roelofs in het schildersvak te bekwamen. Daar ontstond het huiselijke portret van zijn vrouw en kind.  

Het werk geeft niet alleen een inkijkje in een burgerlijk interieur van die tijd, maar weerspiegelt ook de belevingswereld van een kind uit de gegoede kringen. In de voorgrond zit Klaasje omringd door mooi speelgoed.

In een vitrine liggen enkele ego documentjes: een schetsboekblad met kindertekeningen van Klaasje en een aandoenlijk briefje met nieuwjaarswens dat het jongetje kort voor zijn ontijdige dood aan zijn grootvader schreef. Ter illustratie van de hoge kindersterfte in die tijd wordt een pentekening van Matthijs Maris getoond met een impressie van de uitvaart van het eveneens jonggestorven zoontje van zijn broer Jacob.

In een duinlandschapje vereeuwigde Mesdag zijn zoon Klaas staand naast zijn nichtje Barbara van Houten, die eveneens artistiek getalenteerd was.

H. W. Mesdag, Kinderen in het duin, ca. 1870. Doek, 13 x 23 cm Particuliere collectie

In weerwil van zijn progressieve ideeën ten aanzien van kinderarbeid, was Barbara’s vader Samuel van Houten binnenskamers heel wat minder modern. Hij hield zijn dochter thuis om voor de huishouding en haar halfbroer- en zus te zorgen. Tussen de huiselijke bedrijven door vond Barbara tijd om haar vader en haar halfbroer te portretteren. Voor de poseersessies kreeg ‘broer’ een kwartje als hij voor zich uit moest kijken en een dubbeltje als hij zat te lezen!

Barbara van Houten, Portret van Samuel van Houten, ongedateerd. Doek 121 x 91 cm. Museum Panorama Mesdag

De thematisch ingerichte tentoonstelling vangt aan met vrolijk stemmende werken van kinderen die luieren in een zomerse weide of de Haagse dierentuin bezoeken. Willem Bastiaan Tholen geeft een letterlijk en figuurlijk snelle impressie van sleetje rijdende kinderen vanaf een besneeuwd Scheveningse duin. Het plezier spat ervan af!

Willem Bastiaan Tholen, Winterpret: Sleetje rijden op het strand van Scheveningen, ca. 1917.
Zwart krijt. 52 x 71 cm. Part. Coll

Eveneens met snelle toets ving Barbara van Houten haar nichtje Elizabeth, dat zij getuige haar verhitte gezichtje, midden in haar spel betrapte. Het kind kan nauwelijks stil blijven staan! Goed geobserveerde details als het iets opgewipte vloerkleed en het gefriemel aan haar schortje verraden Barbara’s vakmanschap.

Barbara van Houten, Meisje met pop, ongedateerd. Doek 136 x 81 cm. Museum Panorama Mesdag.

Laat je in deze zaal verrassen door het kleinste strandgezicht ooit! Johannes Evert Akkeringa schilderde het paneeltje van 6,6 x 8 cm voor het poppenhuis van zijn kinderen. Met enkele likjes verf tovert hij de illusie van figuurtjes in de branding.
In een potloodtekening geeft Louis Apol een indruk van de moeilijkheden van zijn in de buitenlucht – en plein-air- werkende collega Karel Klinkenberg. Een betere visualisering van Jacob Cats gezegde Kinderen zijn Hinderen is nauwelijks denkbaar!
In de volgende zaal zien we voorbeelden van de vele vormen van kinderarbeid. De aandoenlijke impressie van een gehandicapt LucifermeisjedoorFloris Arntzenius. Wellicht inspireerde het sprookje van Hans Christian Andersen hem tot het maken van dit werk, maar bedoeld als een sociale aanklacht was het niet. 

Floris Arntzenius, Het lucifermeisje, 1890. Doek, 130 x 75,8 cm. Historisch Museum, Den Haag.

Het ging de schilder naar eigen zeggen om de weergave van karakteristieke straattypes.
Zestien 16 jaar later schilderde Arntzenius een meisje dat onder een gelukkiger gesternte was geboren. In een doek uit 1906 zien we zijn 4-jarige dochter Liesje, die later ook kunstenaar zou worden.
Met Anthon van Rappards impressie van blootsvoets sjouwende kinderen zijn we terug in de harde werkelijkheid. Hij legde het tafereel vast in de Utrechtse steenfabriek Ruimzicht van zijn neef Alexander van Rappard, waar meer dan de helft van de werknemers kind was.
Op mijn vraag of Van Rappard, evenals zijn vriend Vincent van Gogh begaan was met het lot van deze arme mensen, antwoordt conservator Adrienne Quarles van Ufford ontkennend. De briefwisseling tussen beide schilders beperkt zich tot compositorische en coloristische aspecten.

Anthon van Rappard, Fabrieksterrein met arbeiders, 1885. Doek 26 x 45 cm. Centraal Museum, Utrecht

Ook andere kinderberoepen worden getoond: jongens als veehoeder of scheepsmaatje en veel breiende meisjes. Dat deden ze niet, zoals tegenwoordig voor hun plezier, maar uit noodzaak om warme sokken en ondergoed te maken. Zelfs als ze wandelden gingen ze ermee door: … Praten en Breien

Pieter de Josselin de Jong, Schevenings Meisje, ongedateerd. Paneel. Particuliere Collectie.
Courtesy Hein Klaver, Baarn

Ook kleine kinderen werden ingezet bij velerlei klussen als het voeren van de kippen, het pellen van garnalen en het verzamelen van sprokkel- of wrakhout. In een monochroom sneeuwlandschap gaf Sientje Mesdag daar een verstilde ijskoude impressie van, waaraan het rode rokje van het kind een subtiel warm toetsje geeft.

Sientje Mesdag van Houten, Sneeuwlandschap met sprokkelende vrouw, 1878. Doek 41 x 51 cm. Jan Menze van Diepen Stichting.

Op een paneel van Philip Sadee is het spreekwoord ‘van dik hout zaagt met planken’ meer van toepassing. Hij brengt het zware vissersbestaan op (on)dubbelzinnige wijze in beeld. Zowel de angst voor schipbreuk is in beeld gebracht, alsook de kansen die zo’n ramp anderen geeft om brandhout te verzamelen. De een zijn dood is de ander zijn brood.

Joseph Israels, Visserskinderen / Kinderen der Zee, 1863. Doek 85 x 70 cm. Amsterdam Museum

Die angst zit eveneens verstopt in Jozef Israëls ogenschijnlijk vredige scène Kinderen der Zee, waarin twee kinderen met een bootje spelen. Geïnspireerd op Israëls werk voorzag de dichter Carel Vosmaer dit schilderij van een diepere betekenislaag. In zijn vers Zondagmorgen aan het strand schetst de dichter een akelig beeld. Wanneer de jongen een storm nabootst, slaat de roerganger van het  speelgoedbootje overboord, zoals het hun vadertje ook is vergaan.De geschilderde beroepen worden in de tentoonstelling aangevuld met advertenties en foto’s van kinderen in een fabriek of die aan de keukentafel pellend een enorme berg garnalen wegwerken.

Kinderportretten                      
Leuk zijn de portretten die de kunstenaars van hun eigen kinderen vervaardigden. Jacob Maris was gezegend met een grote schare nakomelingen. We ontmoetten hem eerder in droevige omstandigheden, maar de portretjes van zijn dochtertje Henriëtte en zijn 4-jarige zoontje Willem als een 17e -eeuws jongetje stemmen ronduit blij. Dit waren presentjes voor zijn echtgenote. De portretten van zijn musicerende dochters maakte hij voor de kunsthandel.

Jacob Maris, Portret van Willem Maris, 1876. Paneel 14 x 12 cm. Rijksmuseum, Amsterdam

Met het Rembrandteske portret van zijn 7-jarige zoon greep ook Joseph Israëls terug op de 17e eeuw. Anders dan het donkere palet van zijn vader, zou dat van Isaac later worden gekenmerkt door lichte, kleurrijke tinten.

Jozef Israëls, Portret van de jonge Isaac, ca. 1872. Doek. Part. Coll.

Maar het meest origineel is het kinderportret in de expositie is van Albert Roelofs. Hij schilderde de beeltenis van zijn zoontje op een palet. Zoals kantoormensen later een ingelijste foto op hun bureau neerzetten, had Albert Roelofs de beeltenis van zijn zoontje Giele hiermee binnen handbereik.

Albert Roelofs, Schilderspalet, ongedateerd. Paneel, Particuliere collectie.

Vakvrouwen                                                                                                                
De expositie eindigt met werk van vrouwelijke kunstenaars. Aan hen besteedde de museale wereld tot voor kort weinig aandacht, maar in de laatste zaal hebben zij het rijk alleen: Wally Moes, Henriëtte de Vries, Froukje Wartena, Barbara van Houten, Suze Robertson en Thérèse Schwartze. Van laatstgenoemde zie je een liefdevol portret van haar nichtje Thérèse Ansingh. Grappig is de kindertekening van haar zusje Lizzy, waarin ze haar tante Thérèse achter de schildersezel schetste. Jong geleerd oud gedaan: zij werd later ook kunstenaar. Thérèse Schwartze tekende en schilderde zelf ook van jongs af aan. Na het overlijden van haar vader werd zij op haar drieëntwintigste kostwinner van het gezin.

1. Thérèse Schwartze, Portret van Thérèse Ansingh, Doek, 59 x 47 cm. Particuliere collectie, foto: Piet Gispen 2. Lizzy Ansingh (1875-1959), Portret van Thérèse Schwartze en een model. Ongedateerd. Potlood op papier 18 x 23 cm. Rijksmuseum Amsterdam

Verschillende schilderijen in deze zaal tenslotte zijn beelddocumenten van onschatbare waarde. Zoals de krijttekening van de Breischool van Griet in Huizen, waar meisjesbreien en haken leerden. Op het rooster van mijn middelbare school stond ook nog het vak ‘nuttige handwerken’. Behalve een uurtje kletsen zagen wijhet nut daar niet van in, maar destijds was het bittere noodzaak om zelfvoorzienend te zijn in de vervaardiging van warme sokken en ondergoed.  

Wally Moes, Breischool te Huizen, 1891, zwart, bruin en wit krijt op ecru vergé papier

In de laatste zaal kwam nog een verre jeugdherinnering boven. Om te bedaren is een stout meisje in de hoek gezet. Nog na giechelend werpt ze tersluiks een blik achterom.

Wally Moes, Kind in de hoek. Ongedateerd. Paneel. Singer Laren.

De Kinderen van de Haagse School is tot 21 mei te zien. Vanaf 15 maart leuk te combineren met de tentoonstelling Haagse School in een ander licht in het Haagse Kunstmuseum. Hier kom je verschillende van de zojuist besproken schilders ook weer tegen. Enkelen worden zelfs als medeoprichters van het museum ten tonele gevoerd. In 1866 schonken Anton Mauve en Jan Hendrik Weissenbruch werken van eigen hand. In de vaste opstelling zijn deze permanent te zien. De nieuwe expositie werpt letterlijk een ander licht op deze typisch Haagse kunstenaars.

A. Quarles van Ufford & J. Kapelle, Kinderen van de Haagse School. Spelen, Werken, Overleven. Museum Panorama Mesdag, Den Haag. 2023.

https://panorama-mesdag.nl

TEFAF 2024 tot donderdag 14 Maart in MECC Maastricht

In de veronderstelling dat het na het tumultueuze openingsweekend wat rustiger zou zijn bezocht ik op maandag 11 maart de belangrijkste internationale Kunstbeurs van het Europese continent. De belangstelling was toch nog overweldigend. Naar verluid waren er veel kooplustigen. Tenminste 3 schilderijen die ik wilde bekijken waren reeds verkocht en meegenomen. Voorafgaand aan mijn bezoek had ik op de site van de TEFAF vast een route uitgestippeld. Raadzaam want waar moet je beginnen aan een wandeling door 7000 jaar kunstgeschiedenis? Je kunt je uiteraard laten verrassen, maar met een leidmotief kijk je toch relaxter en gerichter.

Als thema koos ik de klassieke oudheid en het Nachleben daarvan tot de huidige dag. Maar toen ik uitsluitend mannelijke kunstenaars tegen kwam, veranderde ik van gedachte. Misschien niet meer zo origineel, maar nog wel actueel besloot ik op zoek te gaan naar vrouwelijk kunstenaars. In deze editie van de TEFAF zijn zij beter vertegenwoordigd dan ooit.

In de TEFAF-catalogus van 2012 staat tussen een eindeloze reeks mannen zegge en schrijve één vrouw: Maria Sybilla Merian (1647-1717). Van haar hand was een aquarel te koop van een opengebarsten granaatappel met rups en daaruit voortgekomen vlinder. De illustratie getuigt niet alleen van groot artistiek vak’man’schap, maar ook van wetenschappelijke interesse in de wonderen der natuur.

Ook voor Merians tijd waren ze er, maar veel vrouwelijke kunstenaars zijn in de mist van het verleden uit beeld geraakt. In het navolgende neem ik u mee op een tijdreis langs vrouwelijke kunstenaars die hun comeback gemaakt hebben.

In de 16e en 17e eeuw kozen zij vaak voor een mythologisch en bijbels onderwerp. Ook ‘typisch vrouwelijke’ genres als bloemstillevens en portretten waren geliefd. In de 19e en 20e eeuw vonden vrouwen ook inspiratie in de natuur. In die tijd ontstonden ook sociaal geëngageerde onderwerpen.

Het vroegste voorbeeld van een religieus werk op de huidige TEFAF dateert van 1575. Een Tenhemelopneming van de Maagd Maria met de Heilige Catherina van Alexandrië en Franciscus van Assisi  door Lavinia Fontana. Op de stand van Maurizio Nobile Fine Art blijkt dat het op koper geschilderde werkje al is ‘weggevlogen’…..

Diverse andere werken waren eveneens verkocht en -om anderen niet teleur te stellen- verplaatst naar een achterkamertje. De volgende werken waren maandag evenwel nog te koop.

Bij Robilant + Voena zag ik een Boetvaardige Magdalena, geschilderd door Artemisia Gentileschi.

Artemisia Gentileschi, Boetvaardige Magdalena, doek 81 x 69 cm. ca. 1625/30.

Dit werk dook enkele jaren geleden op uit een privécollectie in de VS. Door Magdalena als halffiguur neer te zetten bracht Artemisia het drama van de berouwvolle Magdalena, die in het verleden onterecht als vrouw van lichte zeden werd neergezet, dicht bij de beschouwer. In dit compositorische devies is invloed van de Italiaanse kunstenaar Michelangelo Merisi da Caravaggio herkenbaar. Het doek werd in 2021 in New York getoond in de tentoonstelling over vrouwelijke pioniers in de schilderkunst  ‘Ahead of her time’ . In dat jaar maakte ook het Nederlandse publiek in Rijksmuseum Twente kennis met Artemisia Gentileschi.  

Van haar tijdgenote Diana di Rosa, alias Annella di Massimo, wordt bij Porcini een groot doek aangeboden voorstellende de Verkrachting van Europa. Anders dan de titel doet vermoeden heeft Annella dit mythologische onderwerp uiterst terughoudend in beeld gebracht. Om aan de priemende blikken van zijn jaloerse echtgenote te ontsnappen koos de oppergod Zeus, wanneer hij weer eens op vrijersvoeten ging, steeds voor een nieuwe vermomming om zijn  nieuwe liefde te veroveren. Hier presenteert hij zich als een koe…

Diana di Rosa, Rape of Europa, ca. 1640. Doek, 128.5 x 182 cm

In dezelfde galerie zie je een onderwerp dat Gentileschi eveneens ter hand nam. Een fragment van het Bijbelse (apocriefe) verhaal over de moedige weduwe Judith die haar volk tijdens het beleg van de stad, op listige wijze redt. Zij loopt over naar de vijand, brengt het hoofd van de vijandige legeraanvoerder Holofernes op hol en maakt hem daarna een kopje kleiner!

Zowel Artemisia als Diana hadden in hun jonge jaren met seksueel geweld te maken gehad. Diana schilderde haar trauma op terughoudende wijze van zich af. In Artemisia’s  bijbelse moordscènes met Judith en Holofernes spat de boosheid letterlijk en figuurlijk van het doek af! Later werd Diana door haar jaloerse echtgenoot de schilder Agostino Beltrano zelfs vermoord.

Elisabetta Sirani, Judith en het Hoofd van Holofernes, doek, 67 x 109 cm

Na deze dramatische start belanden we met de volgende onderwerpen in romantisch vaarwater. Stair Sainty bood een ‘zoetgevooisd’ romantisch werk Marguerite Gérard aan. Toen ik de stand bezocht was het doek echter al verkocht en weggehangen, maar ik mocht er achter het gordijntje toch nog even naar kijken!

Marguerite Gérard, Souvenir d’Amour, ca. 1801-06, paneel 54 x 43 cm.

Het is een kleine op paneel geschilderde variant van een groter doek dat op de salon van 1801 in Parijs te zien was onder de titel: ‘Deux Jeunes expoux lisant leur correspondance d’amour.  Gérard, leerde de fijne kneepjes van het vak van haar zwager Jean-Honoré Fragonard. Zij exposeerde haar werk sinds 1799 met succes op de Salon van Parijs, waarna haar naam en faam via prenten werden verspreid.

Bij dezelfde galeriehouder zie je een doek met een jonge bedelaar door Hortense (Haudebourt-) Lescot.

Hortense (Haudebourt-) Lescot, De kleine bedelaar (Le petit Mendiant), 1808-09.

Zowel in het onderwerp als in de dramatische belichting zijn Italiaanse invloeden aanwijsbaar. Haar inspiratie deed Hortense dan ook op in Rome. Deze sympathieke, knappe jongen is niet zomaar een bedelaar; aan zijn hanger is hij  herkenbaar als christen. De zorg voor minder bedeelden, een van de werken van barmhartigheid, werd sinds de Middeleeuwen vaak geschilderd. In deze 19e -eeuwse compositie, wordt de beschouwer door de prominent in het beeldvlak geplaatste jongen, emotioneel aangesproken.

We blijven nog even op de romantische toer bij Brun Fine Art zien we een jonge vrouw die in haar mooie jurk kaas staat te maken.

Marie Victoire Lemoine, Jonge vrouw die kaas maakt, 1802. Doek 116 x 88 cm.

Na eerdere portretten en genrestukken begon Marie-Victoire zich toe te leggen op dit soort ‘alledaagse’ voorstellingen, zoals deze ogenschijnlijk realistische impressie. Wellicht bevat het werk een versluierde betekenis, maar in elk geval weerspiegelt de voorstelling de door Jean-Jacques Rousseau (1712-1778)  gepropageerde levenshouding: terug naar de natuur.  In 1777 liet Marie-Antoinette, echtgenote van koning Lodewijk XVI een landelijk optrekje bouwen met een boerderijtje, waar ze volgens de overlevering het boerenleven ‘naspeelde’. In de gezonde rurale omgeving konden ook haar kinderen wat leren over het buitenleven.  

Uit diezelfde tijd dateert een lieflijk werkje van tijdgenoot Victoria Dubourg, Violen in een pot, dat bij de reeds genoemde galerie van Robilant + Voena in een bijna onzichtbaar hoekje wordt getoond. Aan dit eenvoudige bloemstilleven ligt nauwkeurige observatie ten grondslag. Zij gaf de violen met een losse penseelstreek weer. Het werk is gevat in de originele lijst, waarin de Franse kunsthandelaar Goupil het werk destijds aanbood.

Victoria Dubourg, Violen in een pot, ca. 1870’s. Doek 21 x 27 cm

Het wordt gepresenteerd vanwege haar persoonlijke merites, maar de galeriehouder wil wel even kwijt dat zij de echtgenote was van de befaamde bloemenschilder Henri-Fantin-Latour. Tot 1897 -u leest het goed- hadden vrouwen geen toegang tot de Ecole des Beaux Arts. Na de Franse Revoulutie mochten zij in de kunstcollectie van het voormalige koninklijk paleis, het Louvre, wel de kunst van grote voorgangers bestuderen. Voor een project van Napoleon III, die kopieën van grote meesters in overheidsgebouwen liet hangen, ontving zij in 1866 het bedrag van 800 Francs voor een kopie van Pietro da Cortona’ Maagd Maria en Kind. Tijdens een van haar studiesessies in het Louvre ontmoette ze haar toekomstige echtgenoot. Leuke openingsscène voor een filmscenario!  

Liefhebbers van bloemen en planten kunnen bij Agnews repectievelijk Van der Meij Fine Arts terecht voor stemmige landschappen:

Emilie Mediz-Pelikan, Willows at a Creek, 1895. Doek 65 x 85 cm
Bertha Wegmann (1847-1926), Forest Ferns, 1885, doek 54 x 75 cm

Bertha Wegmann is een van de bekendste Deense kunstenaars van het fin-de-siècle. Ze liet zich inspireren door de Franse impressionisten en de kunstenaars van Barbizon.  

Met Käthe Kolwitz betreden we de twintigste eeuw. Bij W&K-Wienerroither & Kohlbacher zag ik een tekening waar je zomaar aan voorbij zou lopen. Het werk werpt echter licht op haar sociaal geëngageerde levenshouding.

Käthe Kolwitz , Sharpening the Scythe, 1905. Potlood op papier, 506 x 347 mm.

Terwijl veel van haar collega’s de figuratie verruilden voor abstractie, bleef Kolwitz trouw aan de realiteit. Geïnspireerd op eigentijdse- en voorbije oorlogen reflecteert zij in haar werk op het leed en de emoties die deze toen en nu veroorzaakten.  Andere thema’s zijn de strijd om het dagelijkse bestaan, moederschap en -ingegeven door de tragische dood van haar zoon- rouw.

Geschoold als schilder legde zij zich steeds meer toe op grafiek, een medium waarin sociaal onrecht aan de kaak kon stellen. In deze tekening van een figuur die met een verbeten uitdrukking zijn/haar zeis aanscherpt, evoceert zij haar eigen strijdvaardigheid.

In het voorbijgaan signaleerde ik bij Galerie Bijl-Van Urk een Wall of Ladies met werk van vrouwelijke 17e eeuwse kunstenaars. Een Portretstudie van Michaelina Wautier en een Fruitstilleven door Rachel Ruysch. De verpersoonlijking van het gezegde waar een wil is  een weg. Zij presteerde om als moeder van tien kinderen toch een geweldig oeuvre te creëren! 

Galerie Patrice Trigano is ingericht met uitsluitend vrouwelijke kunstenaars. Voor zowel figuratieve- als abstracte 20e eeuwse- en eigentijdse kunst kun je hier terecht. Ik zag een Stilleven van Dora Maar uit 1950, een kleurrijke Wuchernde Kampfnatur van Ursula Schultze-Bluhm uit 1963 en een fascinerende uitstalling van met glazen halfedelstenen versierde dierfiguurtjes van de ceramiste Carolein Smit.

In een doek van Maria Helena Vieira da Silva getiteld Normandie uit 1949 meende ik een abstracte impressie te herkennen van de geallieerde landingen, maar ik had het mis. Samen met de galeriehoudster keek ik even later met een andere blik door een keukenraam naar buiten! Nota bene: de potten en pannen rechts in beeld.

Maria Helena Vieira da Silva, Normandie, 1949. Gouache op doek, 40 x 47 cm.

Peter Harrington haalde alles letterlijk uit de kast: hier mocht ik het uitgebreide archief van Itchell Colquhoun inzien.  Het Archiv of Magical writings and original illustrations, (c. 1958-79). Deze enorme verzameling autografen, occulte geschriften, schetsen en correspondentie vormt een ware fundgrube voor een liefhebber die een Master of monografie over deze belangrijke, doch vergeten Engelse vrouwelijke surrealist wil schrijven! Voor 37.500 pond mocht ik het meenemen.

Via deze laat 19e -eeuwse en vroeg 20e eeuwse werken belanden we tijdens deze virtuele rondleiding in het hier en nu!

Bij Patrick Heide, Contemporary Art zocht ik wederom tevergeefs naar een inmiddels verkocht kunstwerk van Minjung Kim. Toen deze kunstenaar op een regenachtige dag vanuit haar raam naar beneden keek, ontstond de inspiratie voor The Street. Dit werk bestaat uit talrijke met de hand vervaardigde parapluutjes. Ze maakte ze met engelengeduld van flinterdunne laagjes zogeheten fijn Koreaans  Mulberry Hanji papier. De lijntjes zijn voornamelijk ingebrand. Het geheel biedt en betoverende aanblik! Niet alleen in reproductie, maar ook in het echt, want ook hier verkreeg ik toegang tot het rommelkamertje op de stand, waar het werk tijdelijk geparkeerd staat in afwachting van verzending naar de nieuwe eigenaar.

Minjung Kim, The Street, 2023. Gemengde techniek op Mulberry Nanji papier, 180 x 130 cm

Een andere versie van dit werk siert de cover van het voor de TEFAF uitgegeven tijdschrift, waarin je een interview met de kunstenares kunt lezen.

Twee nog recentere van 2024 daterende werken beveel ik graag voor zelfstudie aan. Georgia Russell, Silent Stream V, 2024 uigevoerd in Acryl & gouache op organza, Plexiglas. 50 x 32 x 22 cm.  Te zien bij Galerie Karsten Geve AG.
I cut and slash the paper and play with gradations of shaes, rhythemed by the motions of my incisions, through which light filters in’, aldus de kunstenares Georgia Russell. Deze werkwijze resulteert in een soort luchtspiegeling die het midden houdt tussen de realiteit en een illusie.

Bij Galerie Templon tenslotte zag ik een werk van de Japanse kunstenares Chiharu Shiota een tot in het oneindige doorlopende lijn; waar begint het en waar eindigt het [leven]?

Chiharu Shiota, Endless Line, 2024, Draden op doek. 140 x 160 cm.

Dit en nog eindeloos veel meer is tot en met donderdag 14 maart te zien in Maastricht.  Geen tijd of energie om zelf te gaan kijken? Op de site van de TEFAF vind je alle exposanten en kunstwerken terug. Via de volgende links kunt u op mijn website verder lezen over Caravaggio, Artemisia Gentileschi en haar schilderende vrouwelijke collega’s:  Artemisia Gentileschi en Caravaggio

Link: TEFAF 2024

Oog in Oog. De mensen achter mummieportretten tot en met 20 mei in het Allard Pierson Museum, Amsterdam.

Als de dag van gisteren
Tijdens het eerste blok van de studie kunstgeschiedenis maakte ik kennis met mummieportretten uit het oude Egypte. Ze zijn gevonden in de Fajoem, een oase bij een zoetwatermeer dat gevoed werd door de jaarlijkse overstroming van de Nijl. De hier gevonden funeraire portretten van de welgestelde elite dateren van de Romeinse tijd. Bijna twee millennia na hun overlijden kijken de geportretteerde mannen en vrouwen je fris en onbevangen aan; alsof hun beeltenis nog maar gisteren werd vereeuwigd! Een verbijsterende en mogelijk zelfs schokkende ervaring voor degenen die vandaag naar hen kijken.

Wie waren deze mensen?
De beeltenissen op deze portretten behoren toe aan (afstammelingen van) Griekse en Romeinse kolonisten, die destijds in de Romeinse provincie Egypte woonden en werkten. Ik neem u even mee terug in de tijd. De eerste Grieken vestigden zich daar al in de 8e eeuw v. Chr. gevolgd door nieuwkomers die zich hier in de Hellenistische periode na de verovering van Egypte door Alexander de Grote (332 v. Chr.) vestigden. Toen Octavianus, de latere keizer Augustus, zijn rivaal Antonius en de Egyptische koningin Cleopatra in de Slag bij Actium versloeg werd Egypte in 31 v. Chr. een Romeinse Provincie.

De nieuwkomers brachten hun taal en cultuur mee. Alexandrië groeide uit tot een belangrijke culturele hoofdstad. In de beeldhouwkunst ontstond bijvoorbeeld een samengaan van Faraonische- en Griekse tradities. De Egyptische frontaliteit werd verlevendigd met vloeiende contouren van de Grieks-Romeinse stijl. In de eerste eeuwen van onze jaartelling ontstonden ook de realistische bijna modern ogende mummieportretten die nog tot 25 februari in het Allard Pierson Museum te zien zijn. De tentoonstelling licht niet alleen toe wie zij waren, maar beantwoordt ook de vraag hoe en door wie deze portretten gemaakt werden en waarom.

Portretten worden meestal ‘pro memoria’ gemaakt; ter herinnering aan levende- en ter nagedachtenis van overleden personen. Geschilderde portretten zijn vaak enigszins geïdealiseerd, maar mummieportretten lijken  een grote mate van realisme te vertonen. Dat heeft te maken met de functie. Met het oog op het leven na de dood fungeerde het mummieportret oorspronkelijk als baken voor de ziel bij het terugvinden van het bijbehorende lichaam.  

Op oudere sarcofagen werden algemene portretten aangebracht, maar in Romeins Egypte ontstond het gebruik van realistische dodenportretten. Deze werden aan het ‘hoofdeinde’ van de mummie tussen de windselen aangebracht. Voor de bijzetting in een graftombe bleef de kist nog enige tijd in de woning van de overledene staan. Er zijn mummies bekend waarop kindertekeningen zijn aangebracht. Kennelijk een gebruik dat tegenwoordig navolging vindt. Onlangs zag ik een doodskist waarop kindertekeningen voorzien van teksten waren aangebracht. Een vond ik zowel schokkend als geestig: …laat je niet kisten
Om het leven na de dood te waarborgen werd het lichaam gemummificeerd. Een proces dat zo’n 70 dagen duurde. Eerst werden de organen verwijderd, daarna werd de overledene in een bad met natron gelegd. Zo werd het vocht aan het lichaam onttrokken. Daarna werd het lijk met hars en/of bijenwas bedekt en in doeken gewikkeld in een grafkist gelegd. Op de windselen, waarvan je in de tentoonstelling ook enkele voorbeelden ziet, werden spreuken uit het dodenboek -een reisgids voor het hiernamaals- en afbeeldingen van Osiris, de god van het dodenrijk aangebracht.

Realisme 

Portret van Ammonius, 225-250 n. Chr.. Linnen, beschilderd in encaustiek techniek.
Foto Marina Marijnen

In antwoord op de vraag hoe gelijkend deze portretten zijn is wel gesuggereerd dat de kunstenaars gebruik maakten van sjablonen, die zij met een persoonlijk toetsje individualiseerden. Staand voor het portret van een knappe man met baard kan ik daar nog wel in meegaan. Hij lijkt op het ‘portret’ van de apostel Petrus dat ik ooit zag in het Catharinaklooster in de Sinaï. Maar zou het naar een sjabloon vervaardigde portret van Ammonius (225-250 n. Chr.) slechts door toevoeging van een paar afstaande oren geïndividualiseerd zijn? Dat geloof ik niet. Met zijn indringende blik, welgevormde mond en mooie kin met knikje heeft hij in mijn ogen geen algemeen, maar veeleer een specifiek eigen voorkomen.
Dat geldt eveneens voor het uit de late 2e eeuw daterende portret van een man die de wereld met een enigszins verschrikte gelaatsuitdrukking tegemoet blikt. Ook de beeltenis van een lieflijke jonge vrouw uit de vroege 2e eeuw maakt een heel persoonlijke indruk op mij.

Portret van een jonge vrouw, 120-130 n. Chr. Paneel beschilderd in encaustiek techniek. Foto Marina Marijnen.

Encaustiek
De levendige uitstraling van de geportretteerden werd, afhankelijk van de vaardigheid van de portrettist, mede bereikt door de toegepaste schildertechniek. Bij de zogeheten encaustiek worden pigmenten opgelost in verwarmde bijenwas. Omdat het verkregen mengsel vrijwel direct stolt moest de schilder snel te werk gaan, resulterend in een levendig, welhaast impressionistisch effect. De tools die de schilders hierbij hanteerden en monsters van de talrijke pigmenten zijn in de tentoonstelling te zien. Wie waren deze schilders? Meest anonieme slaaf gemaakten. Van een enkeling is de naam bekend: Serapion en Demetrios, die waarschijnlijk in Alexandrië werkzaam waren. Verschillende mummieportretten zijn op een drager van linnen aangebracht, maar de meeste werden op hout geschilderd. In de expositie zie je voorbeelden van de gebruikte houtsoorten. Het uit Europa geïmporteerde lindenhout was wegens de gladde structuur favoriet.                                                                          
Soms voegde de schilder attributen aan het portret toe, terwijl sieraden en lauwerkransen met bladgoud -symbool van de eeuwigheid- werden aangezet.  De presentatie wordt verlevendigd met archeologische vondsten van velerlei aard: reliëfs met grafscènes, godenbeeldjes, sculptuurtjes van bepaalde beroepen, kinderspeelgoed, sieraden en munten en voor de liefhebbers: tekstfragmenten op papyrus met informatie over alle mogelijke transacties.

De geportretteerden zien er opvallend jeugdig uit. Zouden zij allen jong zijn gestorven? De herinnering aan een dode wordt tegenwoordig vaak levend gehouden met een foto van de overledene in een jongere versie van zichzelf. De in overlijdensberichten veelgebruikte wens … ‘herinner mij in de stralende zon, … toen ik alles nog kon’… lijkt ook in het oude Egypte te hebben bestaan.

De geportretteerden in de fajoemportretten zijn en face in beeld gebracht; de ogen stevig gefixeerd op de beschouwer, aldus Bianca Stigter in de NRC van 4 januari 2024. In literatuur, waarin deze portretten als voorlopers van de orthodoxchristelijke iconen worden besproken, wordt deze blik echter anders uitgelegd. De overledenen richten de blik over onze hoofden heen op een voor ons nog onzichtbare wereld. Bij deze explicatie moest ik denken aan de woorden uit 1 Korinthiërs 13: …’Nu immers kijken wij door middel van een spiegel in een raadsel, maar dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht’
Het woord raadsel lees ik ook in een citaat van de Britse kunst criticus John Berger: …’The fayoum portraits touch us, as if they have been painted last month….Why? That is the riddle’… Maar zo raadselachtig is het niet. Mensen van toen en nu haken allen aan het leven en zijn gehecht aan de mensen met wie zij dat leven delen. Door het levensechte mummieportret bleven ze letterlijk en figuurlijk nabij. Eenmaal in het graf kon de ziel het lichaam van de overledene door het realistische portret moeiteloos terugvinden.

De tentoonstelling besluit met informatie over de huidige stand van onderzoek. Sinds de Fajoemportretten na 1887 beschikbaar kwamen, werden deze met kennersblik onderzocht. De onderzoekers van het zogenoemde APPEAR project (Ancient Panel Painting Examination, Analysis and Research) en het onderzoeksproject Face tot Face staan tegenwoordig moderne wetenschappelijke methodes ten dienste. Zoals de RIS (Reflectance Imaging Spectroscopie), waarmee onder de verflagen kan worden gekeken en (macro) röntgenfluorescentie (XRF), waarbij een portret met röntgenstralen wordt onderzocht.

Link: Allard Pierson Museum

Frisse Wind; Impressionisme van het Noorden. Tot 6 mei in Singer Laren.

Peder Severin Krøyer, Anna Ancher en Marie Krøyer op het strand van Skagen , 1893

Na de succesvolle tentoonstelling La Grande Bleu is het alweer feest in Singer Laren. Tijdens de goed bezochte opening van Frisse Wind gaf conservator Anne van Lienden een sprankelende inleiding over de hoofdrolspelers in de expositie, die in samenwerking met het Museum Kunst der Westküste en het Landesmuseum Hannover tot stand kwam.

Evenals hun Franse en Nederlandse kunstbroeders gaven de impressionisten van het Noorden de door hen waargenomen wereld met vlotte, kleurrijke penseelstreken weer. Vergelijkbaar met de toets van Claude Monet, Jan Hendrik Weissenbruch en Johan Barthold Jongkind, maar toch anders!

De benaming van de stroming waartoe de nu getoonde werken gerekend worden begon als scheldwoord. Zo’n 150 jaar geleden gooide een groep Franse kunstenaars het roer om. In plaats van landschappen en portretten in academische stijl brachten Claude Monet, Auguste Renoir, Berthe Morisot, Alfred Sisley, Camille Pissarro en anderen hun onderwerpen met snelle toets in beeld. Traditionele regels ten aanzien van kleur en perspectief werden losgelaten. Het effect van licht speelde een grote rol in hun werk.  Toen zij niet werden toegelaten tot de officiële Salon organiseerden deze modernisten in 1874 een eigen tentoonstelling in de studio van de destijds bekende fotograaf Nadar. Kunstcriticus Louis Leroy vond hetgeen hij daar zag maar niets. Afgaande op een doek met een vage weergave van een zonsopgang door Claude Monet getiteld Impression Soleil Levant, bestempelde Leroy de exposanten als de impressionisten. En dat was niet als compliment bedoeld. De negatieve publiciteit had evenwel een aanzuigende werking. Zo’ n 3500 nieuwsgierige bezoekers hadden er 1 Franc voor over om deze vreemde schilderijen te mogen zien!
Buitenlandse kunstenaars waren wel oprecht geïnteresseerd in deze nieuwe stijl. Al in 1880 was werk van Franse impressionisten in de Hamburgse Kunsthalle te zien. Max Liebermann, Max Slevogt en Lovis Corinth, die de academische regels eveneens loslieten, waren enthousiast.

Het duurde nog even voor het publiek de creaties van deze nieuwlichters kon waarderen, maar in de late 19e en vooral 20e eeuw veroverden de impressionisten de kunstwereld. Niet alleen in Frankrijk en Nederland, maar ook in Denemarken en Duitsland. In de vroege 20e eeuw waren Franse impressionisten al in Duitse musea te zien. Ook de kunstverzameling van Keizer Wilhelm II telde in 1908 al werken van Cézanne, Toulouse-Lautrec, Dégas en Monet.

Alles in de wind
Bijzonder leuk is Max Liebermanns letterlijk en figuurlijk met vaart geschilderde impressie van een vrouw die op een winderige dag de was ophangt.

Max Liebermann (1847-1935) Was drogen – De bleek 1890, Olieverf op paneel 26,5 × 37,5 cm Museum Kunst der Westküste, langdurig bruikleen uit particulier bezit

In de met frisse kleuren geschilderde tentoonstellingszalen is te zien hoe deze Noorderlingen en hun Nederlandse collega’s zich lieten inspireren door thema’s als Licht, Land, Stad, Strand, Reizen en Winter.                                                                      

Behalve doeken van Johan Barthold Jongkind, Anton Mauve, George Hendrik Breitner en Jan Toorop ziet de bezoeker werk van Fritz Mackensen en de reeds genoemde Duitsers. Denemarken is vertegenwoordigd door Anna en Michael Ancher, Peder Severin Krøyer en Viggo Johansen. Elke nationaliteit heeft haar eigen klankkleur. Terwijl de Franse impressionisten vooral in lichte, zonnige tinten werkten, hanteerden de Nederlanders een meer gedempt, soms zelfs somber palet. Het werk van de Noorderlingen is licht van kleur en vaak voorzien van een zweempje blauw. De typische tint van de Deense hemel na zonsondergang en voor het vallen van de avond; het zogeheten blauwe uur.  

Het is goed te zien in het campagnebeeld van de tentoonstelling. Het portret van twee op de rug geziene vrouwen die, niet bezorgd om de zomen van hun japon, langs de vloedlijn wandelen. In 1893 portretteerde Peder Severin Krøyer zijn echtgenote Marie en haar vriendin de kunstenares Anna Ancher tijdens een verblijf op Skagen. Ze waren in deze stad op het noordelijke puntje van Jutland neergestreken om de lokale vissers te schilderen. Het blauw van de lucht en dat van het water, gaat welhaast vertigo veroorzakend in elkaar over. In de japonnen van de dames – welke tint hebben die eigenlijk? – tovert Krøyer met kleur!

Bijzonder is ook de combinatie van dat blauwe uur met de vuurgloed op de gezichten van de figuren in Laurits Tuxens Sint-Jansvuur op het strand dat hij in 1920 eveneens op Skagen schilderde.

Laurits Tuxen (1853-1927) Sint-Jansvuur op het strand van Skagen 1920 Olieverf op doek 110 × 88 cm Museum Kunst der Westküste

Licht en wat dat element doet met kleur is in in de eerste zaal op alle mogelijke manieren te zien. Door de in dialoog gepresenteerde werken laten de Duitse, Deense en Nederlandse meesters zich goed vergelijken. In een typisch Hollands Polderlandschap met molens van Jan Hendrik Weissenbruch raakt de zon de wolken, die in het water worden weerspiegeld, licht aan. Het is een mooi voorbeeld van de invloeden van de School van Barbizon en het Franse impressionisme die Nederland rond 1870 bereikten. Vanuit Parijs brachten Jozef Israëls en andere schilders van de Haagse School ze mee naar huis. In hun poging om een indruk of stemming op het doek te vangen waren zij vooral geboeid door wisselende atmosferische omstandigheden. Daarvan getuigt ook George Hendrik Breitners weergaloze impressie van het natte plaveisel van de Dam met de Nieuwe Kerk uit 1891.

Weissenbruch verwoordde het zo: …’Licht en lucht: dat is de kunst! Ik kan in mijn schilderijen, vooral in de luchten, nooit genoeg licht brengen’…    

Schetsmatige impressies
De stijl van de Nederlandse impressionisten werd geleidelijk aan steeds schetsmatiger. Interessant is het onderlinge contact tussen de Nederlandse, Franse, Duitse en Deense kunstenaars. Jozef Israëls introduceerde Max Liebermann bijvoorbeeld in Laren. En ook Jan Toorop speelt een verbindende rol. Uit de vaste collectie van het museum ziet de bezoeker verschillende doeken met paarden en het lieflijke meisje op klompen, dat in 1897 onder hoge bomen van de Larens Brink naar school liep. Het zonlicht valt, goed waargenomen, door het bladerdak op haar gezicht haar schort en het pad.

Max Liebermann Lopend meisje, 1897

In de expositie worden meer schilderijen getoond die in het kunstenaarsdorp Laren en omstreken tot stand kwamen, zoals de kleurrijke impressie van een Blaricumse boer door Co Breeman. David Schulmans Boerderij in de sneeuw dat in de laatste aan het thema winter gewijde zaal te zien is, ontstond eveneens in Laren. Deze winkelier van schilders benodigdheden aan de Larense Brink nam in 1915 niet onverdienstelijk zelf het penseel ter hand.

David Schulman (1881-1966) Boerderij in de sneeuw, 1915, Olieverf op doek, 52,5 × 72,5 cm Singer Laren

Ook Henry William Singer Jr. de stichter van het Singer Museum kreeg een soortgelijke aanvechting.  Van zijn hand ontdekte ik een Sisley-achtige impressie van de inmiddels onherkenbare tuin van Villa de Witte Zwanen. Singer was geïnspireerd door de tuinschilderijen van de zogeheten Givernisten, die hun ideeën opdeden in de tuin van Claude Monet in Giverney.  
Liefhebbers van groen kunnen in deze expositie hun hart ophalen. Max Liebermann gaf in 1914 met pasteuze toets een welhaast expressionistische impressie van zijn moestuin aan de Wannsee nabij Berlijn. Wie de film Conspiracy zag, gefilmd in een prachtige buitenplaats aan de Wannsee krijgt bij het lezen van deze plaatsnaam wellicht een inktzwarte herinnering. De top van de SS kwam hier bijeen om het ‘Jodenvraagstuk’ te bespreken. Lovis Corinth gaf een nog onstuimiger, woest geschilderde impressie van zijn tuin aan de Walchensee in Beieren, een locatie die minder beladen herinneringen genereert.

1.Max Liebermann (1847-1935) De moestuin in Wannsee naar het noordoosten c. 1929, Olieverf op doek 40 × 50,5 cm Museum Kunst der Westküste
2.Lovis Corinth (1858-1925) Tuin in Urfeld am Walchensee 1923 Olieverf op lindenhout |32,6 × 44,2 cm Landesmuseum Hannover

Het heerlijke portret van een Meisje met zonnehoed situeerde Jo Koster in 1911 voor het decor van een op Vincent Van Goghs tuin van Daubigny geïnspireerde achtergrond. Jo Koster is naast Anna Ancher en Arina Hugenholz een van de weinige vrouwelijke exposanten. Nadat zij de zogenoemde ‘damesschilderklas’ aan de Rijksacademie in Amsterdam had doorlopen begon Arina Hugenholz op advies van Mauve in de openlucht te tekenen. Getuige het idyllische Kinderen aan een hek sloeg zij deze raadgeving niet in de (frisse) wind.  

Arina Hugenholtz (1848-1934) Kinderen aan een hek onged. Olieverf op doek 36 × 46 cm, Singer Laren

Karl Hagemeister tenslotte zoemt in zijn letterlijk en figuurlijk bedwelmende Witte Papaver uit 1881 in op een uitsnede, waarin hij de natuur, zonder menselijke figuren, de hoofdrol geeft.  

Strand- en zeegezichten
Talrijk zijn impressies van Hollandse en Deense strand- en zeegezichten. We keren nog even terug naar Skagen waar Laurits Tuxen in 1908 een betoverende impressie van de zee vastlegde.  In zijn recensie in de NRC van 18 januari jl. noemt Gijsbert van der Wal deze Frisse dag in Juni het mooiste schilderij op de tentoonstelling. Een werk om lang bij stil te staan en dan, heel geestig verwoord: …’als de suppoost even niet kijkt, in weg te zwemmen’… En inderdaad: de branding is zo natuurgetrouw weergegeven dat je er in zou willen duiken!

Laurits Tuxen (1853-1927) Frisse junidag op Skagen 1908 Olieverf op doek 46 × 64 cm Museum Kunst der Westküste

Enkele bekende strandgezichten uit de eigen collectie van Singer Laren zijn ook present, zoals mijn favoriete doek van Ferdinand Hart Nibbrig, waarin hij met pointillistische toets een betoverende impressie geeft van Zeeuwse meisjes in de duinen van Zoutelande. Heel anders van toon en stijl is de schetsmatige impressie die Max Liebermann rond 1899 geeft van badende jongens in Zandvoort. Bijzonder leuk is zijn met schwung geschilderd partijtje tennis op een Noordzeestrand. Een sport die, destijds nog maar net uit Engeland overgewaaid, ook door dames van stand werd beoefend. Wat zullen ze het onder hun hoeden en lange japonnen warm gehad hebben!

Verrassend is een klein schetsmatig strandgezicht met een enkel figuurtje in de branding en aan de horizon het silhouet van de Pier van Scheveningen. Met enig ongeloof ontwaar ik in rood de signatuur van niemand minder dan Kandinsky!  

Wassily Kandinsky (1866-1944) Scheveningen – Strand 1904 Olieverf op doek op board | 23,7 × 32,7 cm Museum Kunst der Westküste

Onder de noemer Stad valt een in grijs en okertonen geschilderd stadsgezicht van Frankfurt op. Beetje saai misschien, maar met het hondje dat de boomstam links als pispaaltje gebruikt, voorzag Max Slevogt het werk van een anekdotisch detail.  

Max Slevogt (1868-1932) Gezicht op Frankfurt, 1911, Olieverf op doek 64,5 × 74,4 cm Landesmuseum Hannover, langdurig bruikleen van de stad Hannover

Van zijn hand zie je ook een bijzonder goed getroffen impressie van een meisje dat in de dierentuin stilstaat bij het leeuwenverblijf. Door het lage standpunt waarmee de schilder de scène in beeld brengt wordt het machtige voorkomen van de koning der dieren, zelfs in liggende houding, benadrukt!  

Max Slevogt (1868-1932) Meisje voor de leeuwenkooi , 1901 Olieverf op doek54,5 × 81,5 cm Landesmuseum Hannover

Ook het thema reizen komt aan bod. Door de aanleg van de spoorwegen werden velerlei gebieden voor reizigers en kunstenaars bereikbaar. Op pittoreske plekken als Laren, Worpswede in Noord-Duitsland en het Deense Skagen ontstonden kunstenaarskolonies.  

In de tentoonstelling brengt het spoor de bezoeker niet alleen daar, maar ook in Amsterdam, Frankfurt, Berlijn, Rome, Pompeï en Zuid-Frankrijk. Vandaar stak Hart Nibbrig zelfs over naar Algerije. Het landschap dat daar in 1905 ontstond was in de vorige tentoonstelling La Grande Bleu ook te zien. 

Het kompas van Louis Apol wees in tegengestelde richting. Een monumentaal doek met een Noors Fjord herinnert aan de Poolexpeditie waar Apol in 1880 aan deelnam.

Louis Apol (1850-1936) Een Noors fjord c. 1880 Olieverf op doek 80 × 121,5 cm Museum Kunst der Westküste

Het laatste thema van de tentoonstelling, Winter, sloot tijdens de opening toepasselijk aan bij de actuele weersgesteldheid van die dag. Hier zie je sneeuwlandschappen van Anton Mauve, Willem Witsen en een knisperend op de 17e -eeuwse wintergezichten van Avercamp geïnspireerd doek met ijsvermaak door Johan Barthold Jongkind. Het doek, waarin hij de houding van de schaatsers goed getroffen heeft en waarin je zelfs heel geestig, een figuur onderuit ziet gaan, is een bruikleen van Museum Kunst der Westküste.

Johan Barthold Jongkind (1819-1891) Schaatsers bij Maassluis , 1866 Olieverf op doek,
33,5 × 51 cm Museum Kunst der Westküste

Bekijk na het zien van Frisse Wind de monumentale met brede toets opgezette Zeegezichten van Jochen Hein in de Van den Brink Galerij. Impressies van een nu eens woest kolkende- en na de storm weer tot rust gekomen gladde zee. De schilder nodigt te kijker uit om de zeegezichten op je netvlies te ontvangen en de beelden in je hoofd af te maken.

Link: Singer Laren, Frisse wind

Geverifieerd door MonsterInsights