Museum Castellum Hoge Woerd, De Meern

Overzicht Castellum Hoge Woerd met de oude Rijnloop, weergegeven door golvende grasheuvels
Ontwerp Skets Architectuurstudio 2015

Na veertig jaar parkeer ik mijn auto naast de boomgaard aan de Hoge Woerd. De plek waar ik vier decennia terug als archeologiestudent meewerkte aan een van de eerste opgravingen in de Vinexlocatie Leidsche Rijn. Voor het Romeinse bodemarchief door nieuwbouw onleesbaar zou worden kreeg de Archeologische faculteit van de Universiteit Utrecht toestemming voor een noodopgraving. Dat was een gunst, want het van 1992 daterende Verdrag van Malta, dat de bodemverstoorder verplicht om met tijd en financiële middelen mee te werken aan archeologisch onderzoek, bestond in 1982 nog niet. De destijds beoogde nieuwbouw is er niet gekomen. De geheimen die de aarde toen en bij latere opgravingen prijsgaf waren zo bijzonder dat in 2015 het door Skets Archtitectuurstudio ontworpen Museum Hoge Woerd werd gerealiseerd. Een reconstructie van het Romeinse Castellum, dat hier bijna 2000 jaar geleden stond. Ook de Romeinse wachttoren, waarvan resten iets verderop gevonden werden, is herbouwd. Op oud ijs vriest het licht. Met mijn werkzaamheden als museumdocent in het Castellum Hoge Woerd is de cirkel van mijn arbeidzame leven rond

Studenten archeologie werken in de Meern 1982/1983 foto: Cees Kalee

In de ijskoude winter van 1982-1983 schaafden wij, zoekend naar bewoningssporen en concrete vondsten voorzichtig de bodem af. Brandend van wetenschappelijke nieuwsgierigheid gemengd met een vleugje schatgraverslust en koffie geserveerd door professor Isings bleven we warm. In haar persoonlijkheid gingen eruditie en moederlijke zorg hand in hand. Uit bronnen en archeologische vondsten, waarvan de Utrechtse humanist Aernout van Buchel in de late 16e eeuw al melding maakte, werd Romeinse bewoning vermoed. Dat hier ooit een groot grensfort had gestaan tartte echter iedere verbeelding…

Tijdens deze opgraving kwamen de resten van een Romeinse weg aan het licht, paalsporen van wat vermoedelijk soldatenbarakken waren geweest, een haardplaats en een hoofdpantser van een paard met opengewerkte oogkorven.  

Chamfron, hoofdpantser van een paard met opengewerkte oogkorven opgraving 1982/1983

Ook fragmenten van amforen kwamen bovengronds, scherven van het verfijnde zogenoemde terra sigilata (het wedgwood van de oudheid) en dakpannen. Je zou denken, een dakpan, maar de inscripties bevatten informatie over plaats waar ze werden gebakken. Soms geeft zo’n dakpanstempel bijzondere informatie, zoals het exemplaar met de summiere inscriptie: C.H.I.CLASSIC.P.F.D. dat voluit staat voor: Cohors I Classica Pia fidelis Domitiana; ‘toegewijd en trouw aan Domitianus’. Als dank voor ondersteuning bij het neerslaan van een opstand in Mainz ontving de vlooteenheid I deze eretitel van keizer Domitianus aan wie het Leidse RMO onlangs een tentoonstelling wijdde. Klik hier voor mijn bespreking van deze tentoonstelling. Van deze vondst wordt afgeleid dat dit cohort tijdens Domitianus bewind (89-96) in de Meern gestationeerd was en dat hier bouwactiviteiten plaats vonden. Dit accordeert met informatie uit geschreven bronnen die melding maken van uitbreiding van de versterkingen langs de Rijn, de zogenoemde Limes. Rond het jaar 85 had Domitianus deze definitief als noordgrens tussen het opgegeven Germania Superior en onze streken, Germania Inferior, bestempeld.

Keizer Caligula’s plan voor een invasie van Brittannia werd in het jaar 43 onder keizer Claudius uitgevoerd. De forten aan de Rijndelta dienden niet alleen ter consolidatie, maar fungeerden vooral ter beveiliging van de route naar het grondstofrijke Brittannia.

In de muurtorens van het museum worden objecten getoond die op die plek gevonden zijn. In de Flumentoren, genoemd naar de voormalige rivier, zijn onder meer voorwerpen van terra sigilata te zien en de besproken dakpan van de eerste vlooteenheid.

Romeinse dakpan met stempel foto: Marina Marijnen
Make-up palet, hout, 10 x 15 cm,

Mijn vondst van een ogenschijnlijk onbeduidend houten voorwerp wekte destijds de lachlust van archeoloog Cees Kalee. Hij floot op zijn vingers, waarop alle studenten hun schep, troffel of kwastje uit hun handen lieten vallen. Lachend hield hij het object omhoog: ‘dat zij dat nou uitgerekend moet vinden!’ Het dingetje van niks bleek een make-up paletje, dat door de vindplaats in de soldatenbarakken betekenis kreeg. Romeinse soldaten mochten niet trouwen en aanwezigheid van vrouwen was in de soldatenvertrekken niet toegestaan. Blijkbaar lapte het liefje van een van de soldaten dit verbod aan haar laars, maar vergat na gedane zaken haar toiletspullen.

In de televisieserie Het Verhaal van Nederland kijkt acteur Daan Schuurmans als voyeur toe naar een spelend kind en haar moeder in de vicus, het kampdorp naast een Romeinse legerpost. Terwijl hij de kijker veel betekenend toeknikt licht hij toe: …’het mocht eigenlijk niet, maar ze namen gewoon hun gezin mee’… Wat niet helemaal klopt. Romeinse soldaten mocht niet trouwen, maar door hun contacten met lokale vrouwen ontstonden gezinnen.

Reconstructie en nieuwe bestemmingen Romeins Castellum
Een selectie van de vondsten die tijdens de aanleg van Leidsche Rijn in de jaren ’90 gedaan zijn geeft een idee van het leven in en nabij deze Romeinse grenspost. Het Castellum, gelegen aan een afslag van de Romeinse grensweg, vormde een schakel in de lange keten van verdedigingswerken langs de noordgrens van het Romeinse rijk. De uitvalsweg naar die hoofdweg, de Limes, liep door de gereconstrueerde moestuinen achter de Hortustoren van het huidige museumcomplex. De Neder-Germaanse Limes staat sinds juli 2021 op de Werelderfgoedlijst van Unesco.

De loop van de Limes volgt min of meer de rivier de Rijn

Onderzoek heeft uitgewezen dat hier niet één, maar wel vier achtereenvolgende militaire nederzettingen lagen. Dankzij muntvondsten met de beeltenis van keizer Caligula (37-41) weten we dat de eerste aanleg van het Castellum van rond het jaar 40 n. Chr. dateert. Deze was evenals het tweede fort uit hout opgetrokken. Na de Bataafse Opstand in het jaar 69/70 werd het Castellum in steen herbouwd. Wegens interne problemen van het Romeinse Rijk en externe factoren als binnenvallende stammen, werden de castella langs de Germaanse Limes aan het eind van de 3e eeuw verlaten.

Romeinen in Nederland
Het boek De Bello Gallico van de Romeinse veldheer Julius Caesar (100-44 v.Chr.) verschaft informatie over zijn veroveringstochten, de geografische gesteldheid van onze streken en de bewoners. In zijn ogen waren het agressieve barbaren. Caesar had zijn zinnen gezet op de gebieden ten noorden van de Rijn. Zijn pogingen om de Germaanse stammen te bedwingen stuitten echter op hevig verzet. De ambitie om het Romeinse Rijk tot de Elbe uit te breiden werd onder keizer Claudius (41-54) opgegeven. Voortaan werd de noordgrens van het rijk gemarkeerd door de Rijn. De mensen die hier woonden pasten zich aan de Romeinse zeden aan en leverden (soms onder dwang) rekruten voor het Romeinse leger.

Naast het provinciaal Romeinse verleden is in de opstelling van het museum ook aandacht voor de periode voor en na de komst van de Romeinen. Via een met bodemvondsten en foto’s geïllustreerde tijdlijn wandel je langs 3000 jaar bewoningsgeschiedenis van het gebied dat nu bekend staat als Leidsche Rijn. Over de prehistorische bewoners is weinig bekend. Ze kenden het schrift nog niet, maar daar kwam met de komst van de Romeinen verandering in. In een 360º film komt de geschiedenis van de prehistorie tot de moderne tijd tot leven.

Reconstructie Castellum De Meern

Binnen de omwalling van het gereconstrueerde Romeinse fort herinnert alleen de bestrating nog aan de tijden van weleer. De weg die van de entree naar de achteringang loopt: de noord-zuid georiënteerde cardo en de van oost naar west lopende decumanus tref je in elke Romeinse legerplaats of stad aan. Op de kruising bevond zich de woning van de commandant. De nu met een grasmat bedekte binnenruimte ter grootte van een voetbalveld, was destijds volgebouwd met utiliteitsgebouwen en soldatenbarakken voor een cohort; een legereenheid van 480 man.
Archeologen zouden de spade hier graag in de grond willen steken, maar dat is verboden. Opgraven is alleen toegestaan wanneer het bodemarchief door bebouwing voorgoed verstoord of toegedekt dreigt te worden.

Binnen de omwalling is -fantasierijk geïnspireerd op het Romeinse verleden- aan de zuidoostzijde een educatieve stadsboerderij ingericht met kleine en grote huisdieren. Via de onderdoorgang van de Hortustoren bereik je de moestuinen. De bewoners van het fort konden zo beschikken over vers vlees en groenten. Voedingsmiddelen als graan, olijfolie en wijn werden met schepen over de rivier aangevoerd.
In de burgernederzetting naast het fort waren winkeltjes, werkplaatsen en herbergen te vinden. Op de plek waar in de Romeinse tijd de keukens lagen, vind je nu het museum café; daarboven bevindt zich theater Podium Hoge Woerd. 

Voor een idee van de oorspronkelijke standaard inrichting van een Romeinse grenspost moet je naar Valkenburg (Z.H.) dat wel is opgegraven. De contouren van dit fort, dat dateert van dezelfde tijd als Castellum Hoge Woerd, zijn in het plaveisel van het Castellumplein aangegeven. In de op ware grootte gereconstrueerde plattegrond van het grotere Fort Fectio bij Bunnik, worden alle gebouwen met hun Latijnse namen benoemd. In de voorhal van het aangrenzende Waterliniemuseum worden archeologische vondsten getoond. Je ziet er ook een replica van de zogenoemde Tabula Peutingeriana. Op deze Middeleeuwse kopie van een Romeinse wegenkaartkaart, zoek je tevergeefs naar het kleine grensfort in de Meern. Dat het daar gelegen heeft staat echter onomstotelijk vast.

De Meern 1 in Museum Hoge Woerd foto’s: Marina Marijnen


Ontdekking van het Romeinse vrachtschip schip De Meern 1 en het Badhuis.
Dè publiekstrekker in De Meern vormt het enorme schip dat in 1997 bij toeval aan het licht kwam. Tijdens het opgraven van een fragment van de Romeinse limesweg in de wijk Balije stuitten archeologen bij het wegpompen van grondwater op een stuk hout, dat onderdeel bleek te zijn van een schip van 25 meter. Nader onderzoek wees uit dat het in de bedding lag van een oude, sinds lang verdwenen zuidelijke vertakking van de Rijn.

De rivierbocht geprojecteerd op de wijk Balie met scheepsvondsten de Meern 1 – 5.

Dankzij de vochtige bodemgesteldheid was deze Romeinse platbodem, compleet met inventaris, wonderwel bewaard.  Drieduizend jaar bewoningsgeschiedenis verdient al een museum, maar dit als De Meern 1 gedoopte schip, vormde de directe aanleiding voor de bouw van het museum Hoge woerd.

Zoals gezegd proberen archeologen het bodemarchief zo min mogelijk te verstoren. Vroeger werd gebruik gemaakt van luchtfoto’s, waarop soms de contouren van onder het oppervlak liggende gebouwen te zien waren. Met proefsleuven en sondes werd in de grond gekeken, alvorens te gaan graven. Met moderne beeldvormingstechnieken kan de bodem tegenwoordig ongeschonden worden onderzocht. Een geweldige vinding, want met weerstandsonderzoek kwam zonder een grootschalige opgraving, in 1991 de omvang van de Romeinse nederzetting in beeld. Met behulp van elektroden kan de weerstand veroorzaakt door gebouwen of objecten onder de grond gemeten worden. Even kort door de bocht: daarbij wordt de weerstand die twee in de grond gebrachte elektroden ondervinden gemeten. Deze handeling wordt in een regelmatig meetnet uitgevoerd zodat verschillen in weerstand, veroorzaakt door muren of grondsporen in beeld komen.

Contouren van het Romeinse badhuis als lijnenspel van siergras en corten-staal foto: Erfgoed Utrecht

Toen het Romeinse badhuis, dat al voor WOII ontdekt was, door de aanleg van een weg in 2006 voorgoed onder het asfalt dreigde te verdwijnen werden de contouren daarvan met behulp van grondradar in kaart gebracht. Bij deze techniek worden elektromagnetische pulsen met hoge frequentie de bodem ingestuurd. Deze worden door muren of andere objecten als haardplaatsen of harde kleilagen gereflecteerd. De snelheid van de terugkaatsing zegt iets over de diepte van de muur. Gebruikmakend van deze techniek werden ook de genoemde elkaar kruisende wegen van het fort gelokaliseerd.  

Van het nog volledig in de bodem verscholen badhuis is niets te zien. De landschappelijke met planten ingekleurde plattegrond geeft een impressie van de verschillende baden en andere ruimtes. In de Balneum toren worden aan het badhuis gerelateerde objecten getoond. Een kruikje voor olie dat, vermengd met zand -de badgel- van de Romeinen- met een strigilis van de huid gescrubd werd. Aan de hand van een stapel ronde stenen wordt uitleg gegeven over de Romeinse vloerverwarming, het zogenoemde hypocaustum. Vanuit het praefurnium, de stookplaats, werd hete lucht tussen de wanden en onder de vloeren gebracht om het water en het badhuis te verwarmen.

Landschappelijke plattegrond badhuis Foto: Marina Marijnen

Berging en conservering van De Meern 1.
Wanneer genoemde beeldvormingstechnieken voldoende informatie hebben opgeleverd houden archeologen het, overeenkomstig het motto ‘…laat maar zitten… wellicht met spijt voor gezien. Zodat toekomstige generaties met geavanceerdere middelen ook naar antwoorden op hun vragen kunnen zoeken.

Het in 1997 ontdekte schip kon, sprekend in jargon niet in situ blijven zitten. Blootgesteld aan verschillende zuurstofrijke grondwaterstromen dreigde het voorgoed verloren te gaan. Om te voorkomen dat het schip, dat eeuwenlang ‘luchtdicht verpakt’ geweest was door blootstelling aan zuurstof uit elkaar zou vallen werd een grootscheepse reddingsoperatie op touw gezet.

Het schip wordt in een stalen kooi opgehesen, Foto: Nol de Wit

In een speciaal daarvoor geconstrueerde stalen mand werd het schip in 2003 opgetakeld en naar het restauratieatelier Batavialand in Lelystad gebracht. Om het hout voor desintegratie te behoeden moest het worden ondergedompeld in een warm bad met een wasachtige substantie: polyethyleenglycol (PEG). Omdat een bassin van 25 meter niet voorhanden was werd het schip doormidden gezaagd. Tijdens een jarenlang conserveringsproces werden de vermolmde houtcellen op deze manier verstevigd. In 2011 was de behandeling voltooid en sinds 2015 is het schip in Castellum Hoge Woerd te bewonderen. Staand op de omloop rond het schip zie je hier en daar nog witte sporen van het op kaarsvet lijkende conserveringsmateriaal.

Archeologen en andere wetenschappers probeerden de vele vragen die het schip opriep te beantwoorden. Hoe werd het schip voortbewogen? Met een klein hulpzeiltje aan de 5 meter hoge mast kwam een zwaarbeladen schip nauwelijks vooruit. Met een aan de mast bevestigd touw kon de schuit door een man of paard op de kant worden voortgetrokken. Voor beantwoording van de vraag waarom en hoe het schip gezonken is geeft de merkwaardige kromming in het voorschip een hint. Vermoedelijk is het in een bocht per ongeluk tegen de oever gevaren, waarna de schuit met de stroom mee is omgedraaid, gekapseisd en gezonken. Na eeuwenlang in deze ongemakkelijke houding te hebben gelegen is het schip vervormd. Kennelijk zonk het schip snel, want alle bezittingen en werktuigen gingen mee naar de kelder. Zo is een tijdcapsule van onschatbare waarde ontstaan.

De schijnbaar onbeduidende schoenzolen die werden opgediept bleken belangrijke betekenisdragers. Een grote en een kleinere maat doen vermoeden dat behalve de schipper ook zijn vrouw of scheepsmaatje aan boord was. Afgaande op modellen van die tijd kan zelfs bij benadering gezegd worden wanneer de boot gezonken is. Sandalen van dit model, met een extra ruimte voor de kleine teen -de Birckenstock van de Romeinse Oudheid- waren rond 180-190 in de mode. De andere zool is het restant van een schoen met een dubbele rij spijkertjes, een model dat eveneens tijdens het laatste kwart van de 2e eeuw gangbaar was.

Linkerzool van een sandaal met rechts enige kromme spijkers en boven een scherf in situ foto: Erfgoed Utrecht

Ook andere spullen verschaffen informatie over de opvarenden. De schrijfstift -stilus- waarmee je op een met was bestreken plankje kon schrijven en de ‘kroontjespen’ verraden dat de schipper een geletterd man was. Dat was tweeduizend jaar geleden in onze streken nog bijzonder. Soldaten in het Romeinse leger moesten leren lezen en schrijven, anders konden ze geen bevelen opvolgen of verslagen maken. Ook boerenjongens die vòòr de Bataafse opstand in 69/70 nog uit de lokale bevolking voor het Romeinse leger werden gerekruteerd moesten dit kunnen. Mogelijk was de schipper een veteraan uit het Romeinse leger die, toen zijn diensttijd van 25 jaar erop zat, met dit schip, als klusjesman langs de forten van de Limes voer. Dit wordt afgeleid uit de de goed gevulde gereedschapskist in de inventaris van het schip. Schepen van dit type werden oorspronkelijk gebruikt voor de aanvoer van bouwmaterialen, graan, olijfolie en wijn, maar deze zaken waren ten tijde van de schipbreuk niet aan boord.

Het gezonken schip is ook een fundgrube voor informatie over het leven aan boord. In de kleine kajuit bevond zich een (uit resthout) getimmerd bed op gedraaide pootjes, een kastje dat op slot kon -de sleutel ligt eveneens in de vitrine- en tal van gebruiksvoorwerpen. Het menu van de opvarenden zal biologen, voedingsdeskundigen en misschien ook kookgekken interesseren. Er zijn botrestjes van kip, snoek, rund en de kolgans gevonden. De doorsnee lezer zegt het waarschijnlijk niets, maar voor de bioloog en de archeoloog is deze laatstgenoemde vondst van groot belang. De kolgans overwintert tussen oktober en maart in onze contreien. Deze vondst bevat dus een indicatie van het jaargetijde waarin de De Meern 1 is gezonken.

Het vlees werd in een grote pot gestoofd op een als ‘ceramische plaat’ gebruikte Romeinse dakpan. In de bodem van de boot verraadt zwartgeblakerd hout waar deze kookplaat lag. De maalsteen geeft aan dat de opvarenden zelf brood moesten bakken. Nadat ze het graan hadden gemalen werd het met een scheut water met een handgarde tot een beslag gemengd. Deze Romeinse ‘staafmixer’ wordt ook getoond. 
Het meest spectaculair was echter de vondst van een dankzij het vochtige klimaat, volledig intact gebleven gereedschapskist. Belangstellenden komen er vanuit de hele wereld naar kijken.  Ook ik ben verwonderd. Het zien van de millennia oude objecten brengt mij terug naar het schuurtje van mijn grootvader, waar ik in de jaren ’60 van de vorige eeuw net zo’n blokschaaf, handzaag en klauwhamer als de hier getoonde bijna 2000 jaar oude exemplaren zag. Niets nieuws onder de zon!

Uit de gereedschapskist, blokschaven en zaag Foto: Marina Marijnen

Tenslotte vraag je je als lezer wellicht af: wat deed dat schip hier tweeduizend jaar geleden? Het antwoord wekt vast verbazing. Castellum Hoge Woerd was destijds een belangrijke haven aan een honderd meter brede zuidelijke vertakking van de Rijn. Behalve door de natuur veroorzaakte veranderingen wordt de loop van waterwegen soms ook door menselijk ingrijpen beïnvloed. Een van de vertakkingen van de Rijn, de zogenoemde Kromme Rijn, werd in 1122 bij Wijk bij Duurstede ingedamd om het nabijgelegen moerasland te kunnen ontginnen. Bijgevolg stroomde er minder water in de zuidelijke- ook wel Oude Rijn genoemde- vertakking waaraan Castellum Hoge Woerd lag. Mede door verzanding is deze uiteindelijk verdwenen.

Bij de reconstructie van het Castellum heeft de landschapsarchitect de loop van de verdwenen rivier op suggestieve wijze met golven in het gras gemarkeerd. De Romeinse haven, die met een houten pad naast de westkant van het Castellum is aangegeven, fungeerde ooit als aanlegplaats voor passanten en bij de eerste aanleg als thuishaven voor de voornoemde vlooteenheid Classis I. In de bodem van Leidsche Rijn zijn nog meer schepen gevonden, maar die moesten de archeologen zoals eerder gezegd letterlijk en figuurlijk wèl … laten zitten!

Overzicht Castellum Hoge Woerd met de oude Rijnloop, weergegeven door golvende grasheuvels
Ontwerp Skets Architectuurstudio 2015

Nog even terug naar de datering van het schip zelf.
Dendrochronologisch onderzoek dat zich baseert op het patroon van jaarringen, heeft uitgewezen dat het hout waarvan de boot gemaakt is rond het jaar 148 in de omgeving van het Zeeuwse Borsele gekapt is. De boot is rond 150 gebouwd met het hout van drie woudreuzen van ca. 35 meter.

Voorbeeld van jaarringen zoals gezien op een massieve bank geplaatst op de Marker Wadden

Vanaf de omgang kun je zien dat de spanten, met zogenoemde klimstukken, uit één stuk gemaakt zijn. De planken van de bodem zijn om en om met grote spijkers vastgezet. De boot werd waterdicht gemaakt door de kieren tussen de grote planken met lisdodden te dichten. Deze werden met duizenden kleine kruiselings geplaatste spijkertjes op hun plaats gehouden. Het water dat desondanks naar binnen sijpelde werd met de hoosschep verwijderd die in een van de vitrines naast andere scheepsmaterialen te zien is. In de hal rechts van het schip bevindt zich een educatief speelhuisje in de vorm van een kajuit. Hier vinden jong en oud niet alleen informatie over het schip, maar ook over de uitrusting van een Romeinse voetsoldaat.
Achter het speelhuisje wordt een interessante film getoond, waarin gemeentelijk archeoloog Erik Graafstal op bevlogen wijze tekst en uitleg geeft bij het vinden, bergen en conserveren van het vlaggenschip van het museum de De Meern 1.

Roy de Villevoye’s installatie de Propeller van Leidsche Rijn, foto: Marina Marijnen

Vlak naast de ingang van het museum komen verleden en heden samen in Roy de Villevoye’s intrigerende installatie de Propeller van Leidsche Rijn. Overblijfsel van een gevechtsvliegtuig van het type Junkers 88, dat op 10 mei 1940 door Nederlands luchtafweer werd geraakt. In de 360º film die in de ruimte achter de tijdlijn wordt getoond is de crash, op enkele kilometers van het Castellum, op spectaculaire wijze in beeld gebracht. De propeller wordt bewonderd door twee in hyperrealistische stijl uitgevoerde beelden van Bataafse vrouwen. Remie Bakker van Manimalworks vormde de lichamen in polyurethaanschuim met een epoxylaag. Voor de huid werden siliconen gebruikt; de kapsels zijn van echt mensenhaar. Ze vergapen zich aan een voor hen futuristisch object.

Met deze verwonderde vrouwen uit de Romeinse tijd geeft de kunstenaar een twist aan het fenomeen perceptie. Zoals de hedendaagse mens met belangstelling de blik op het verleden richt, kijken deze vrouwen aan de andere kant van de caleidoscoop naar een voorwerp in de toekomst. Het kunstwerk lijkt te zeggen dat mensen, ondanks veranderde tijden in wezen hetzelfde zijn. Een universeel aspect van de condition humaine toen en nu is belangstelling voor de ons omringende wereld en de mensen die daarin leven.

Ga voor informatie over (gratis) rondleidingen, educatieve projecten voor de basisschool, voortgezet onderwijs, bso en meer naar: www.castellumhogewoerd.nl

Film over Castellum Hoge Woerd

Bibliografie:
E. Graafstal, Castellum Hoge Woerd, Parel aan de Limes, Utrecht, 2020.
P. Van de Heijden e.a., De Romeinse Limes in Nederland, RomeinenNU 2016

www.Romeinen.nu

Met een replica van de De Meern 1 kun je een rondvaart door Utrecht maken.

La Superba

Cultureel nazomeren aan de Ligurische kust  

Rubaldo Merello, Portofino, 1905-06. Galleria d’Arte Moderna, Nervi. Foto Marina Marijnen.

La Suberba stond laag op mijn bucketlist tot ik uit betrouwbare bron vernam dat een reis naar Genua echt de moeite waard was. Moeite kostte het inderdaad. Na de lockdown wilde heel Nederland blijkbaar uitvliegen, wat ook in september 2021 al voor de inmiddels overbekende chaotische taferelen op Schiphol zorgde. Tot zover het slechte nieuws…

Terwijl herfstbuien Nederland teisterden, wachtte ons een heerlijke nazomer aan de Ligurische kust. In het navolgende lees je een impressie van een bliksembezoek aan la Superba; de stad van Columbus en Ilja.

Genua draagt sinds de Middeleeuwen de bijnaam La Superba en onderscheidt zich zo in haar wedijver met die andere havenstad, Venetië, bijgenaamd la Serenissima. La Superba de trotse, de hoogmoedige tegenover la Serenissima de meest serene, ingetogene.
Op cultureel gebied hebben de Genuese musea veel te bieden, maar daarbuiten is trots tegenwoordig misplaatst. Naast de hooggelegen snelweg, de Sopraelevata, die de stad langs de oude haven doorsnijdt herinneren prachtige palazzi aan de glorie van weleer, maar de aanblik ervan wordt ontsierd door latere bebouwing. 

Het Palazzo San Giorgio aan de Porto Antico is daar een voorbeeld van. In dit fraaie onderkomen van de Bank van San Giorgio zetelde in vroeger tijden het stadsbestuur. Voor liefhebbers van de verhalen van Marco Polo: in het van oorsprong van de 13e eeuw daterende gebouw vertelde hij zijn avonturen aan een celgenoot, Rustichello da Pisa, waarna ze wereldkundig werden.  

Palazzo San Giorgio met de hoge snelweg Foto Marina Marijnen

Nabij de als bezienswaardigheid aangeprezen Porto Antico wordt de bezoeker letterlijk en figuurlijk een (reuzen)rad voor ogen gedraaid.
Maar in het Museo Galata Mare waar de maritieme geschiedenis van de stad getoond wordt is trots wèl gepast. Hier wordt de ontwikkeling van de scheepvaart, van roeispaan tot oceaanstomer in beeld gebracht. De expositie begint met een zaal gewijd aan Cristoforo Colombo (1451-1506), waarbij prangende vragen gesteld worden: als is-tie nou echt in Genua geboren of niet en hoe zag hij eruit? Op grond van beschrijvingen van Columbus zoon Fernando maakte Ridolfo di Dominico Bigordi het postume, overbekende portret van de zeevaarder.

Ridolfo di Dominico Bigordi, Portret Christoforo Colombo, Museo Galata Mare, Genua

Met authentieke documenten en scheepsmodellen van de Santa Maria, de Pina en de Nina, waarmee Columbus van wal stak, wordt zijn -vanuit Europees perspectief- ‘ontdekking van Amerika’ geïllustreerd. Een kanttekening is hier tegenwoordig wel op zijn plaats, want voor de oorspronkelijk bewoners viel er niets te ontdekken. Voor hen betekende de komst van de Europeanen vooral onderdrukking en narigheid.

Ik ontdekte dat mijn kennis van dit hoofdstuk uit de wereldgeschiedenis een beetje was weggezakt. Behalve dè veelbeschreven reis van 1492 maakte Columbus nog vier reizen. Hij meende de reeds bekende ‘Indias’ te hebben bereikt, maar nu bezeild vanuit het Westen.  

Amerigo Vespucci besefte in 1499-1500 dat hij, in het kielzog van Columbus, nìet Indië, maar een voor Europeanen onbekende wereld had bereikt. Korte tijd later werd deze nieuwe wereld in 1507 en 1538 door de cartografen Waldseemüller en Mercator als Terra Americi op de kaart werd gezet.  

Een andere Genuese held is Andrea Doria, wiens naam beter bekend is van het ongeluksschip dat in 1956 op weg naar New York na een aanvaring in dichte mist verging. Zijn faam stamt echter uit een ander verhaal. Andrea Doria (1466-1560), lid van een destijds verarmde adellijke familie, ging noodgedwongen in militaire dienst. Hij klom op tot admiraal van de Genuese vloot. Een volgende stap in zijn carrière bracht hem in 1528 in dienst van Karel V, waarmee de Gouden Eeuw van Genua begon. Je komt zijn naam ook in andere Genuese musea doorlopend tegen. In de crypte van de Chiesa di San Matteo vond hij zijn laatste rustplaats. Het Palazzo del Principe, zijn in renaissancestijl opgetrokken woonstede, is met wandtapijten en fresco’s met zeeslagen zeer bezienswaardig. Dat geldt ook voor de eveneens met zijn familienaam verbonden Galleria Doria Pamphilij in Rome, waarover u elders op deze site kunt lezen.

We zijn echter nog in het maritieme museum, waar je wandelend door de geschiedenis ziet hoe Genua van een klein vissersplaatsje uitgroeide tot een wereldhaven van formaat. Je kunt een kijkje nemen in een op ware grootte gereconstrueerde galei, voortbewogen door slaven. Geketend aan een zittend bestaan kregen deze, in politiek correct Italiaans: ‘schiavizzati’ toch voldoende beweging. Tijd en gelegenheid voor een rustig genoten maaltijd of sanitaire ontspanning was er niet. De arme drommels moesten uit een gezamenlijke schaal snel (door)eten anders kwamen ze niet aan de bak. Zowel het foerageren als het defeceren vond op dezelfde zitplaats plaats… Het was voor een galei met oorlogsplannen dan ook vrijwel onmogelijk om de vijand onopgemerkt te naderen, want het schip stonk een uur in de wind!
Ik doe nog een ontdekking. Om hun concurrenten op zee en dus economisch gebied een slag voor te blijven ontwikkelden de Genuezen een supergroot voorzeil… Nooit stilgestaan bij de historische herkomst van de benaming van dit zeil dat ik zo vaak heb gehesen!

Galley, Museo Galata Mare, Genova

Vlak voordat ik mijn lezing over Artemisia Gentileschi zou geven, zag ik hier een schilderij met een in aanbouw zijnde galei, geschilderd door de man die Artemisia met geweld tot de zijne maakte: Agostino Tassi (1605-1644). Het vak, waarin hij Artemisia op verzoek van haar vader Orazio lesgaf, is ook in deze afbeelding van een galei, perfect toegepast: het perspectief. Link: Artikel Artemisia Gentileschi

Indrukwekkend is de reconstructie van een passagierschip, waarop talloze Italiaanse emigranten in de late 19e en vroege 20e eeuw, hopend op een betere toekomst, scheepgingen. Loketten bemand door strenge douanebeambten, een scheepsruim vol met ijzeren bedden en foto’s van bange, verwachtingsvolle en blije emigranten brengen zo’n reis in beeld.  Verderop wordt ruim aandacht besteed aan de eigentijdse vluchtelingstromen, waarmee Italië van alle kanten wordt overspoeld.

Wind in de zeilen
Tenslotte wandelt de bezoeker door een zaal met realistisch en impressionistische havengezichten en scheepsportretten. Leuk om hier twee schilderende landgenoten te ontdekken. Vissers die hun netten binnenhalen door Ludolph Georg Julius Berkemeyer (1864-1931) en een impressie van de Haven van Rotterdam door de in ons land weinig bekende Marinus Johannes Drulman detto de Jongere (1912-1977).

Met wat “kruip door sluip door” smalle straten en steegjes bereiken we het Museo di Palazzo Reale een van de grootste en mooiste woonstedes van de Genuese ricchi . Rond het midden van de 17e eeuw werd het huis, dat sinds 2006 op de werelderfgoedlijst van Unesco staat, in opdracht van de zijdehandelaar Stefano Balbi gebouwd. Na hem betrok de bankiersfamilie Durazzi het Palazzo. Voor de inrichting en aankleding werden kosten noch moeite gespaard. In handen van de koning van Sardinië Carlo Felice, die het paleis in 1824 kocht, kreeg het toch al vorstelijke gebouw koninklijke allures. Zijn goud vergulde met purperkleurig fluweel beklede troon en kroon zijn te bewonderen.

Troon en Kroon van Carlo Felice. Museo di Palazzo Reale. Genua. Foto Marina Marijnen.

In het paleis met zalen vol antieke sculpturen zijn ook talrijke barokke schilderijen te zien zoals Tintoretto’s Portret van een Edelvrouw met een handschoen, een Portret van Caterina Balbi Durazzo en een Gekruisigde Christus door Antoon van Dyck, De strijd tussen Perseus en Phineas door Luca Giordano om enkele namen te noemen. Ook onze eigen Gerrit van Honthorst is aanwezig met een in prachtig chiaro-scuro weergegeven Bewening. Aan zijn vaardigheid om te toveren met licht en schaduw dankte de uit Utrecht afkomstige schilder zijn bijnaam Gherardo delle notti.

Gerard van Honthorst, bewening van Christus, 1612-1613, Palazzo Reale Genua

Na een rondgang door de zalen met adembenemende inrichting en duizelingwekkende plafondschilderingen is het leuk om vanaf de cortile d’onore nog even een oogverblindende blik op het levendige Genua te werpen. Kom daarna op adem in de daaronder gelegen heerlijke stadstuin met ‘antieke’ mozaïeken.

Palazzo Reale tuin met impressie van de omgeving, Foto Marina Marijnen

Hierna vinden wij onze weg naar het Palazzo Spinola, het onderkomen van de Gallerie Nazionali. Het werd sinds de 16e eeuw eveneens door gefortuneerde families bewoond: de Grimaldi’s, de Doria’s en de Spinola’s. Met 17e en 18e-eeuwse meubelstukken, objecten van toegepaste kunst, prachtige fresco’s en plafondschilderingen is ook hier het predicaat adembenemend niet misplaatst. De bezoeker komt zichzelf in de schitterende spiegelzaal meermaals tegen. En dan hebben we het alIeen nog maar over het decor waartegen de kunstwerken van schilders van internationale naam en faam mooi uitkomen. Zoals het door Antoon van Dijck ten voeten uit geschilderde Portret van Ansaldo Pallavicino en zijn zoon van wie ook een lieflijk fragment met een speels wegkijkend klein jongetje te zien is. Uit de werkplaats van Van Dijcks leermeester Peter Paul Rubens bezit het museum de Madonna della Cesta en Guido Reni tekende voor een schilderij met Amor Sacro en Amor profano, de heilige en profane liefde.

Guido Reni, Amor Sacro en Amor profano, de heilige en profane liefde, foto Sailko, Wikimedia

Een Rembrandtesk Offer van Abraham van de hand van Orazio Gentileschi, zag ik in 2018 nog in de Utrechtse tentoonstelling Caravaggio en Europa. Van de gevierde Siciliaanse meester Antonello da Messina tenslotte wordt een deerniswekkende Ecce Homo getoond. Na deze emotievolle schilderijen en barokke overdaad komt de bezoeker in de historische keuken met 19e -eeuwse inrichting weer met beide benen op de grond. Ook al zijn we in Italië, het is niet moeilijk om je hier even in de sfeer van upstairs downstairs van de succesvolle serie Downton Abbey te wanen. Met wat fantasie komen de kok Mrs. Patmore en butler Carson zo binnenlopen!

Museumpark Nervi
De rust van het aan zee gelegen museumpark van Nervi, een voorstad van Genua, staat in schril contrast met de enerverende bedrijvigheid in het centro storico van Genua. Ook als je de in het park gelegen musea overslaat is het een bezoek waard. Je kunt een heerlijke wandeling door het park en over de hoog boven de rotsen aangelegde promenade, de passeggiata Anita Garibaldi maken.

Passeggiata Anita Garibaldi, Nervi. Foto Marina Marijnen

Het wekt geen verbazing dat verschillende gefortuneerde families hun oog hier op een bouwkavel lieten vallen. Onder wuivende palmen en metershoge exoten zijn de Villa Saluzzo Serra, de Villa Grimaldi en de Villa Luxoro met een combi-ticket te bezoeken. De eerste huisvest de Galleria d’Arte Moderne, in de Villa Grimaldi ziet men de verzameling Frugone en in het vlak aan zee gelegen Museo Giannettino Luxoro worden uurwerken en voorwerpen van decoratieve kunst getoond.

Vlakbij de Galleria d’Arte Moderne vind je het vierde museum in dit park: de collectie Wolfsonia. In dit moderne gebouw is de collectie van Mitchell Wolfson Jr. ondergebracht. De in Miami geboren diplomaat, kunsthistoricus en mecenas verpandde zijn hart, dat hij al eerder verloren had in Genua, aan kunsten en wetenschappen. Het museum herbergt verschillende stijlkamers. Een met prachtig houtsnijwerk uitgevoerd slaapkamer met een pyramide bed in oriëntaalse stijl door Alberto en Fabio Fabbi uit ca. 1890. De in art nouveau uitgevoerde salon werd in 1902 ontworpen door Luigi Fontana. Bijzonder leuk en uniek is de bewaard gebleven kinderkamer die in 1921 werd ingericht door Antonio Rubino. Educatieve wandplaten met pedagogische strekking ondersteunen de levenslessen die kindermeisjes moesten uitdragen. Een afbeelding van een bambino cattivo toont hoe het niet-, en een van een bambino buono laat zien hoe het wèl hoort!

Antonio Rubino, Interieur kinderkamer, 1921. Collectie Wolfsoniana, Nervi. Foto Marina Marijnen.

Reclame- en publiciteitsaffiches uit het fin de siècle en de vooroorlogse jaren geven een interessant tijdsbeeld. Mooie dames in badpak adverteren een heerlijk verblijf in Rapallo en Santa Margherita Ligure, waar je van juni tot september in zee kunt zwemmen. Op andere affiches wordt reclame gemaakt voor de eerste Fiat modellen, aangeprezen door een in fascistisch kinderuniform gestoken jochie. En tekenend voor het tijdsgewricht: koloniale affiches waarmee rekruten worden opgeroepen voor dienst in Eritrea en Abessinië. Interessant als documenten van de technologische vooruitgang in de vooroorlogse jaren zijn ook de affiches van Ernesto (Michahelles) Thayaht’s Grande Nocchiere uit 1939, waarop een futuristische roerganger, geflankeerd door een eskader vliegtuigen, op koers blijft.

Daarnaast geven ook gebruiksvoorwerpen in vooroorlogs design een beeld van lang vervlogen tijden en vergeten gewaande herinneringen. Zoals de denkbeeldige raket, een metaalblauwe stofzuiger, waarop ik als klein meisje wegvloog.   

Bijzonder zijn ook de sculpturen van twee Baci (kussen) die ik hier ontdek. In de smaakvol ingerichte Bagno zie ik mijn beeltenis in een spiegel die omlijst wordt door een kussend stel. Niets bijzonders, maar met de bronzen sculptuur van twee elkaar op de mond zoenende vrouwen, Il Bacio was Alimondo Ciampi’s in 1926 zijn tijd ver vooruit.

Alimondo Ciampi, Bacio, 1926 .


Graag neem ik u last but not least, nog even mee voor een virtueel bezoek aan de Galleria d’Arte Moderna in de naar de voormalige eigenaren genoemde Villa Saluzzo Serra. Genrestukken, historiestukken, Romantische, Impressionistische en Futuristische 19e en 20e eeuwse werken geven een goede indruk van de schilder- en beeldhouwkunst aan de Ligurische kust. In de eerste zaal maakt een verrassend doek, het onmogelijke mogelijk: visit Italy in one day!  In zijn monumentale Veduta Fantastica dei Principali Monumenti d’Italia uit 1858 creëerde de in Amsterdam geboren in Nederland weinig bekende Petrus Henricus Theodor Tetar van Elven (1828-1908) een gedroomde contaminatie van alle landschappelijke en architectonische hoogtepunten van Bel Paese. Boven de grillige kustlijn van Genua verheft zich op majestueze wijze de dom van Milaan, geflankeerd door de Venetiaanse kathedraal van San Marco. Ook Palladio’s Villa Rotunda is weergegeven naast de cupola van Brunnelleschi en het torentje van Pisa. Daarnaast, het paste nog net, tekenen de zuil van Trajanus en de Sint Pieter zich af tegen het decor van de Vesuvius.

Petrus Henricus Theodor Tetar van Elven (1828-1908), Veduta Fantastica dei Principali Monumenti d’Italia, 1858.

Het zou zomaar een manifest kunnen zijn van voorstanders van de Italiaanse eenwording, die in de ontstaanstijd van dit werk actueel was. Deze wens kreeg ook gestalte in Enrico Gamba’s Il Voto di Annessione Dell’Abruzzo, plebiscito Nella Campagna Romana uit 1861. Het doek was twee jaar geleden in de tentoonstelling Sprezzatura in het Drents Museum in Assen te zien. Gewapend met de Italiaanse driekleur trekt een groep voorstanders van de Italiaanse eenwording aan het oog van de beschouwer voorbij. In 1861 was het zogenoemde Risorgimento, althans op papier, een feit. Maar de aldus verenigde Italianen waren er nog lang niet. In mijn bespreking van die tentoonstelling, citeerde ik de woorden van politicus en schilder Massimo d’Azeglio …..’de eenheid van Italië is een feit…nu de Italianen nog’…  Link: Sprezzatura

Serafin Avendaño, Riviera di Genova Lo Scoglio Di Quarto, 1881
Alberto Issel, Jugendstil interieur

In de smaakvol ingericht voormalige woonvertrekken van de Villa Saluzzo Serra zie je prachtige landschappen van Tammar Luxoro en Boudin en een Jongkind-achtig kustgezicht van Serafin Avendaño uit 1881. Verrassend is Alberto Issel’s Breitnerachtige scène met een bivak soldaten die zich rond een vuur verwarmen uit 1870 en enkele impressionistische landschapjes. Nog verrassender is het door dezelfde kunstenaar in Jugendstil ontworpen meubilair. Getroffen door blindheid boog hij zijn artistieke talenten, getuige een met groene zijde beklede bank en een bijpassende buffetkast, op verdienstelijke wijze om.

De groten van de Italiaanse geschiedenis, met wie u al kennismaakte: Cristoforo Columbus, Andrea Doria en Nicolò Paganini hebben hier met hun portret ook een plek gevonden.

Verderop ontdek ik nog meer helden van de Sprezzatura tentoonstelling: Plinio Nomellini met een monumentale impressie van een schip in aanbouw, The Worksite uit 1907, en een eveneens monumentaal doek met de veelzeggende titel New People, dat in geëxalteerde symbolistische vormentaal en kleurstelling de nieuwe Italiaanse mens van de eenwording in beeld brengt.

Hoogtepunt van het Italiaanse Impressionisme, vormt een reeks kleurrijke impressies van schilderachtige plekjes aan de Ligurische kust, door één van de zogenoemde Machiaioli (de vlekkenmakers): Rubaldo Merello, waarmee een aparte ruimte is gevuld.

Rubaldo Merello, Land- en kustgezichten Ligurië, Nervi. Foto Marina Marijnen.
Alessandro Milesi, Al Cafè

Bij het Palazzo Grimaldi Fassio, met de verzameling van de gebroeders  Frugone, stonden we voor een gesloten deur, maar na enig kloppen ging die toch van het slot en werden we uiterst vriendelijk ontvangen. Tussen de portretten, genrestukken, landschappen en sculpturen zagen we bekende Hollandse taferelen met molini en ragazze Olandese van Richard Miller. En meer voorbeelden van op zeventiende eeuwse èn recente voorbeelden van Hollandse schilderkunst geïnspireerde werken, zoals een Theo van Rijselberghe-achtige dame in de tuin, In Giardino en een op Manet geïnspireerd doek van Alessandro Milesi, Al Cafè.

Ook hier zie ik enkele bekende namen uit de Drentse tentoonstelling terug: Tranquillo Cremona, met portret van l’Amico Roberti in de stijl van Frans Hals. Alsook werken van Giuseppe De Nittis, en een pikante Donna Coricata en een Signora in Bianco nel Giardino, en een verstilde impressie van enkele dukdalven nabij Venetië uit 1902.

Giuseppe De Nittis, Dukdalven bij Venetië 1902

Dat we tenslotte, na het zien van bovenbeschreven collecties bij het Museum Luxoro ook voor een gesloten deur stonden, voelde als een opluchting. Verlangend naar een welverdiende Spritz en een Birra Moretti wachtte ons toch een teleurstelling, want bars en ristorantes waren hier, begin oktober, met heerlijk nazomerweer, -einde seizoen- al gesloten! Gelukkig hadden we ons gelaafd aan alle kunstwerken!


In de ban van de Ararat – Schatten uit het oude Armenië. Drents Museum tot en met 30 oktober.

Na eerdere spraakmakende archeologie tentoonstellingen presenteert het Drents Museum tot en met 30 oktober de expositie In de ban van de Ararat. De voor Armeniërs heilige berg tekent zich -ver achter de grens tussen Turkije en Armenië- tantaliserend af aan de horizon. Bij het grensverleggende verdrag van Kars (1921) verdween de berg van de Armeense landkaart. In de vierde aflevering van de documentaire serie Jezus van Nazareth verovert de wereld (2020) spreekt presentator Kefah Allush met een groepje Armeniërs die over het grenshek heen foto’s maakten van de imposante berg.

Waarom? De Armeniërs zien zichzelf als afstammelingen van Hayk, een achter-achterkleinzoon van Noach, wiens Ark tijdens de Bijbelse zondvloed op de Ararat gestrand zou zijn. Het land dat wereldwijd bekend staat als Armenië, noemen zij naar hem Hayastan.

In de tentoonstelling maakt de bezoeker een tijdreis door de millennia lange, cultuurrijke geschiedenis van het bergachtige, letterlijk steenrijke Armenië.

Laat je door deze tijdspanne niet ontmoedigen; duidelijke zaalteksten leiden je moeiteloos door de overzichtelijke opstelling. Het verhaal, waarin zowel creationisten als Darwinianen worden bediend, wordt geïllustreerd met 170 objecten. Deze dateren van de prehistorie tot vondsten van rond 1500 v. Chr. toen heersers zich in monumentale grafheuvels lieten bijzetten, gevolgd door objecten uit de tijd waarin het christendom werd geïntroduceerd.  

Armenië is niet alleen een Mekka voor mensen die geloof hechten aan de Bijbel, maar ook voor liefhebbers van wijn en archeologie, zoals uit het navolgende zal blijken.

Armenië: steenland

Ten tijde van de schepping zouden de vroegste bewoners van deze streek geduldig hun beurt hebben afgewacht, waardoor zij het laatst overgebleven, slechtste land toebedeeld kregen. Hun bescheidenheid werd echter beloond, want ondanks de stenen bleek het land zeer geschikt voor wijnbouw. De archeologische vondst van een wijnpers en wijnkruiken van 4000 jaar v. Chr. lijken deze legende te bevestigen. Ook de oudtestamentische episode over de dronkenschap van Noach past in dit verhaal.  

In het zuidoosten van Armenië, werd ook de oudste veterschoen van Eurazië gevonden, daterend van 3627-3377 v. Chr. Deze vondst schittert door afwezigheid, maar in de expositie is wel een andere schoen in de vorm van een ceramisch rijglaarsje te zien.  

Vrijwel alle millennia oude archeologische voorwerpen worden gesierd met een verscheidenheid aan gestileerde, soms ook realistische dierfiguren. Zou het dan toch waar zijn, dat mooie verhaal van Noach, die met zijn schip enkele uitverkorenen en alle dieren van de allesvernietigende zondvloed redde?

De Armeniërs geloven er heilig in: het wapen van Armenië wordt gesierd met een gestileerde afbeelding van de door water omzoomde Ararat met de Ark van Noach in top.

De vormgevers van de expositie lieten zich inspireren door Noachs beestenboel. Tegen het alomtegenwoordige decor van de machtige Ararat plaatsten zij enorme in hout ‘opgezette’ dieren.

Meermaals gingen archeologen op zoek naar resten van dit Bijbelse schip, maar het ‘enige echte’ restant van de ark werd in de 4e eeuw aan de voet van de Ararat opgeraapt door de heilige Jacob van Nisibis (338). Deze vondst van onschatbare waarde wordt met een afbeelding van de heilige op een van de Armeense bankbiljetten gememoreerd. Het in een fraaie reliekhouder gevatte houtfragment is in Assen te zien. Tijdens de voorbezichtiging was de koerier van de bruikleengever, de kathedraal van Etchmiadzin -de Sint-Pieter van Armenië- aanwezig om vragen van de pers te beantwoorden. De directeur van het Drents Museum, Harry Tupan, sprak de man Gods uit Armenië’ respectvol toe als ‘father’.  

Reliekhouder met houtfragment van de Ark van Noach. 1800-1900. Kathedraal Etchmiadzin. Links voorzijde Rechts achterzijde. Foto Marina Marijnen

Een andere (niet getoonde) reliekhouder toont de duif die met een levensteken bij Noach terugkomt. Niet met een olijftak, maar -kleine variatie op het Bijbelverhaal- met een twijg van een druivenwingerd in zijn snavel. Verwijzend naar een minder heroïsche episode uit het leven van de Bijbelse held. Wie bekend is met de Bijbelse verhalen weet dat aan de protagonisten niets menselijks vreemd was. Sterker nog: velen doen alles wat God verboden heeft, maar de meeste komen bijtijds tot inkeer. In de verhalen waarin het perspectief nogal eens wisselt is altijd hoop. En zo konden de Armeniërs met hun beroemde wijnen ook een positieve draai geven aan de dronkenschap van Noach.  

De bezoeker wandelt met zevenmijlslaarzen door de lange -een half miljoen jaar bestrijkende- geschiedenis van Armenië. Een geschiedenis die getekend is door veel oorlogen en wisselende landsgrenzen. Het grondgebied van Armenië dat zich ooit over een groot deel van Centraal Azië uitstrekte, beslaat tegenwoordig een oppervlak zo klein als driekwart van Nederland. Maar gebleven zijn de talrijke objecten, waarin de verschillende overheersers hun sporen hebben nagelaten; Armenië is een smeltkroes van alle omliggende volken.

Millennia lange Armeense geschiedenis
Het verhaal begint met sporen van de eerste bewoners uit de steentijd. De homo-sapiens verscheen ca 40.000 jaar geleden. Deze leefde van de jacht en het verzamelen van voedsel. Vanaf 6000 v. Chr. worden akkerbouw en veeteelt belangrijker. Van deze tijd dateren werktuigen gemaakt van obsidiaan, een vulkanische glassoort. Vanaf 5000 v. Chr. dateren koperen gebruiksvoorwerpen en sieraden.

In de zuidelijke Kaukasus ontstaat ca 3500 v Chr. de zogenoemde Kura-Arax cultuur. Het leefgebied van de half nomadisch bevolking strekt zich uit tot in Israël, Palestina en het noordoosten van Iran. Van deze periode dateert glanzend zwart aardewerk met een rode binnenkant, versierd met abstracte figuren. Opvallend zijn de keramische haarden in de vorm van een klaverblad, in twee modellen: een verplaatsbare versierd met ramskoppen en een ‘inbouwmodel’, waarop verzonken in de bodem, gekookt kon worden.

Twee typen haarden van de Kura-Arax-cultuur: de ‘inbouwhaard’ en de verplaatsbare vuurbok, versierd met ramskoppen. De eerste is afkomstig uit Shengavit, de andere uit Karnut. 3de millennium v.Chr.

In de bronstijd, van 2400 – 1100 v. Chr. ontstaan grote grafheuvels, de zogenoemde koergans. Vooraanstaande doden kregen talrijke grafgiften mee, variërend van beschilderde voorraadpotten en gouden sieraden. Behalve metalen wapens, vaatwerk en meubilair vonden archeologen zilveren en gouden bekers, versierd met jachtscènes en leeuwen. Nabij Lchashen, in het droogvallende Sevan-meer in Oost-Armenië, kwam zeventig jaar geleden een hele ‘dodenstad’ boven water. In de geopende grafkamers werden twee- en vierwielige houten ossenwagens aangetroffen.

Halssieraad, goud met kralen van kornalijn en een geslepen ovale agaat. 2200-2000 v. Chr. Foto Marina Marijnen Gouden kom met leeuwen, 21e – 19e eeuw voor Chr. Foto Marina Marijnen

Imposant zijn de enorme stenen koppen daterend van 1000-800 v.Chr. en een fallus van basalt van rond 1200-1000 v. Chr., zoals deze bij diverse grafvelden werden gevonden.

De volgende stappen brengt de bezoeker in het koninkrijk Urartu, dat zich van het huidige Oost-Turkije uitstrekte tot Noordwest-Iran. Koningen met mysterieuze namen als Argisti I en Rusa II verschansten zich in hooggelegen, uit enorme steenblokken en kleitichels opgetrokken citadels, zoals die in Teishebani. Hier legden archeologen magazijnen bloot en grote ingegraven voorraadpotten, voor het bewaren van voedsel en wijn.  

In deze tijd ontstaan fraaie ceramische voorwerpen en drinkbekers. Een absolute blikvanger is de al genoemde drinkbeker in de vorm van een rijglaars, compleet met beschilderde veters en vetergaten, daterend van de 7e eeuw v. Chr. De porfieriet kom, waarvan replica’s het als theekop in de museumshop goed zouden doen, spreekt eveneens tot de verbeelding. Wie zou dit drinkgerei ooit naar de mond hebben gebracht? 

Kom van porfieriet met meanderend motief, diameter 11,2 cm. foto Marina Marijnen Drinkbeker in de vorm van een Rijglaars foto Marina Marijnen

Na de onderdanen van Urartu ontmoeten we, volgens het zaalopschrift,  de ‘eerste echte Armeniërs’. Na de val van het koninkrijk Urartu nemen de Meden het roer korte tijd over, waarna het gebied rond 550 v. Chr. op gaat in het oud-Perzische rijk der Achaemeniden. Na de veroveringen van Alexander de Grote ontwikkelt zich een onafhankelijk koninkrijk Armenië geregeerd door drie achtereenvolgende dynastieën: de Yervandiden, de Artashediden en de Arshakuni. Onder Tigran de Grote (95-55 v. Chr.) bereikt dit koninkrijk haar grootste omvang; het gebied strekte zich uit van West-Turkije tot Noord-Iran. Met de deling tussen het Byzantijnse- en Perzische rijk der Sassaniden verliest dit enorme rijk in de 4e eeuw n. Chr. haar zelfstandigheid.  

Sinds de tijd van keizer Augustus (27 v. Chr. – 14 n. Chr.) betraden ook de Romeinen het Armeens grondgebied. Daarvan getuigen diverse vondsten, zoals een zilveren denarius met veelzeggende oneliner: Armenia Capta (18-19 v. Chr.). Met deze munt memoreerde keizer Augustus de diplomatieke overwinning ter gelegenheid van de aanstelling van koning Tigran III als vazal. De Romeinse geschiedschrijver Cassius Dio noemt de namen van Trajanus, die Armenië in 114 n. Chr. annexeerde, onder Hadrianus werd de verliesgevende provincie in 117 afgestoten, maar dit werd door zijn opvolgers weer ongedaan gemaakt. Ook Lucius Verus, Septimus Severus en Caracalla (211-219) lieten hun sporen na. Van laatstgenoemde zie je een schitterend glazen kruikje gevormd naar zijn portret. Nabij Garni in centraal Armenië, is zelfs een reconstructie van een Romeinse tempel te zien.  

Glazen kruikje (h. 17,5 cm) in de vorm van het portret van de Romeinse keizer Caracalla (regeerperiode van 211-217). Het toont een oudere man met krullend haar, een baard, opvallende huidplooien boven zijn oogleden en samengeknepen lippen. Dit uitzonderlijke kruikje is met behulp van een driedelige mal geblazen. Afkomstig uit Tigranakert.

Hierna belandt de bezoeker in de eindfase, althans van de periode waarop de tentoonstelling gebaseerd is. Van 287 tot 33 na Chr. staat koning Trdat III aan het roer. Tijdens zijn regime maakten de oude goden plaats voor Een nieuwe God: de God van het Christendom. Maar dat ging niet vanzelf. De geschiedenis kent meer voorbeelden van christenvervolgers die het roer aan het eind van hun leven omgooiden. Trdat is een van hen. Zijn persoonlijke secretaris, de tot het christendom bekeerde Grigor sluit hij 13 jaar lang op in een put, omdat hij weigert de godin Anahit te vereren. Voor zijn euveldaden wordt de koning kennelijk gestraft. Wanneer koning Trdat krankzinnig wordt geneest Grigor hem. Deze wonderbare genezing betekent een omslagpunt; de koning laat zich tot het christendom bekeren en hij stelt het christelijk geloof als staatsgodsdienst in. In Vagharshapat laat Grigor een kathedraal bouwen; de eerste van vele duizenden godshuizen in Armenië.

De kerstening van Armenië wordt in de tentoonstelling op diverse stèles met afbeeldingen van Grigor en de Maagd Maria met het kindje Jezus gememoreerd.

Stèle met afbeelding van de Maagd Maria met het kindje Jezus. (400-600). foto Marina Marijnen.

Met de tijd van koning Trdat III (287-330 n. Chr.) houdt de tijdlijn van de expositie op. Voor de geschiedenis van Armenië betekent dit geenszins het einde van het verhaal. De geschiedenis van het land vervolgde haar grillige loop. In de op Netflix te vinden film The Promise staat een schrijnend aspect van de Armeense geschiedenis centraal. De door de Ottomanen gepleegde genocide van 1915-1923, waarbij anderhalf miljoen Armeniërs vermoord werden. Een misdaad tegen de menselijkheid, die tot de huidige dag door de aanstichter daarvan, Turkije wordt ontkend.

Buiten de tentoonstelling maken we even een flashforward. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 verlieten veel Armeniërs hun land. Zij vestigden zich ook in Nederland, waarmee de geschiedenis zich in zekere zin herhaalde. Want dat gebeurde in de 17e eeuw eveneens. In Amsterdam vonden zij godsdienstvrijheid en een vrije drukpers. In een van de vitrines ligt de Armeense bijbel, die daar tussen 1666-1668 in opdracht van Voskan Jerevantsi werd gedrukt. Het boek ligt open bij een illustratie van de Ark van Noach door Christoffel van Sichem. Noach en twee vrouwen gaan op weg naar de ark, waar een zwerm vogels en een paar landdieren op het punt staan om aan boord te gaan. De rest is geschiedenis.

Armeense Bijbel, Amsterdam 1666-1668. History Museum of Armenia, Jerevan. Foto Marina Marijnen

Drents Museum Assen, In de ban van de Ararat

 

Rome revisited; een rondgang langs de kunstverzamelingen van aristocratische families.

Niet voor de eerste keer bezocht ik Rome. Na het zien van de tentoonstelling over keizer Domitianus móest ik terug maar al voor vertrek kreeg ik het benauwd. Beter dan Willemijn van Dijk deze gesteldheid door de Italiaanse prinses laat verwoorden in haar gelijknamige roman kan ik het niet zeggen:” … Toen ze zelf door Rome dwaalde werd ze vooral betoverd door de terloopse schoonheid van de stad…..maar nu ineens drukte het op haar, al die cultuur en geschiedenis. Achter ieder stukje marmer …. ging weer een andere, nog oudere steen schuil… De beelden, de stenen, de fonteinen en de  koepels die ze eerder bewonderde leken nu wel valluiken… de grond verdween onder haar voeten… “
Daarom een ingetogen selectie die toont dat Rome meer biedt dan oudheden en Vaticaanse musea. Naar de Capitolijnse Musea lieten we ons via het Forum Romanum nog wèl op de toeristenstroom meevoeren, maar in de Galleria Doria Pamphilj, het Palazzo Barberini en het Museo Nazionale Romano belandden we in oases van rust. Zelfs in de populaire, prachtig in het groen gelegen Galleria Borghese kregen we, dankzij vooraf geboekte slottijden, de ruimte. Elders bleken E-tickets in het voorjaar niet nodig, maar hier waren alle kaartjes die dag uitverkocht.

Lido di Ostia als uitvalsbasis bleek voor ons een goede keuze. ’s Morgens zwemmen in de voor Italianen nog veel te koude zee; daarna met bus, trein en metro op pad naar de Città eterna. We hopen dat de ‘mascherina obbligatoria’ haar werk doet, want in het OV zaten we als haringen in een ton, of op z’n Italiaans: sardientjes in een blik. Als je niet in zee wil kun je echter beter in Rome logeren.  

Ostia Antica
Tussen het moderne Ostia en Rome ligt Ostia Antica. In de Oudheid lag deze welvarende havenstad aan de monding (ostium) van de Tiber. Hier losten schepen uit alle windstreken hun handelswaar. Een muurschildering toont hoe graan uit Egypte aan boord wordt gebracht. In de loop van de tijd verzandde de haven. De Tiber nam een andere loop en na een malaria uitbraak veranderde Ostia in de 4e eeuw in een spookstad en daarna in een bouwmarkt.

Romeins theater Ostia Antica foto: Marina Marijnen

In het uitgestrekte archeologische park was het voor Romeinse begrippen niet druk. Behalve wat toeristen zagen en hoorden we veel scholieren. Enthousiaste docenten trachtten hun liefde voor de (resten van) de klassieke oudheid op hun pupillen over te brengen, maar de selfies leken het toch te winnen van de aandacht voor de oudheden. Tja, al die muurresten, wat moet je ermee?

‘ci vuole un pò di fantasia’…. hoorde ik een van de begeleiders zeggen. In de reisgids lees ik het ook: met een beetje verbeeldingskracht kun je het geratel van de karren op het plaveisel en het geschreeuw van de voerlieden horen. En…als je goed je best doet, zie je in de decumanus maximus, de hoofdstraat, wellicht ook nog de in toga’s gehulde burgers en zich voort haastende slaven en slavinnen.

Het theater, de pakhuizen uit de Republikeinse tijd, de vloermozaïeken in de Thermen van Neptunus en in de handelskantoren aan het Piazza delle Corporazioni (plein van de gilden) helpen de fantasie een handje. Met voorstellingen van schepen en de goederen die ze vervoerden, zoals een olifant!
Hele woonblokken van oorspronkelijk wel drie of vier verdiepingen, de zogenoemde insulae, staan ook nog gedeeltelijk overeind. De sociale woningbouw van de Romeinse Oudheid. Je wil niet weten hoe het plebs hier woonde, in ‘appartementen’ die slechts via de woning van de buren bereikbaar waren. Ze mochten hier niet koken, maar onder het huis van Diana bevond zich een zogenoemd thermopolium,

Thermopolium onder het Huis van Diana foto Marina Marijnen

de snackbar van de oudheid compleet met toonbank en een reusachtige amfoor. Een muurschildering prijst de hapjes aan vervaardigd van verse wortelen en perziken. Dit reclamebord zou niet misstaan in de Vega Bar waar wij de volgende dag een smoothie van verse groenten en vruchten lieten samenstellen.

Sporen van keizer Domitianus
In Rome gaan we op zoek naar de man die in mijn meest recente lezing de hoofdrol vervulde: keizer Domitianus (81-96). Bij de uitgang van metrohalte Colosseo worden we met de overrompelende aanblik van het amfitheater van de Flaviërs meteen met hem geconfronteerd. Het stadion waar 50.000 toeschouwers konden genieten van spektakelstukken, executies en niet in de laatste plaats gladiatorengevechten werd in opdracht van keizer Vespasianus (69-79) gebouwd en door zijn zoon Domitianus met een extra verdieping voltooid. Op de begane grond worden de bogen geflankeerd door pilasters in de Dorische stijl. Aan de façade van de tweede en derde verdieping zijn deze voorzien van kapitelen in de Ionische en Korinthische stijl. In een oogopslag zie ik dat de door Domitianus toegevoegde bovenste ring, waarmee extra staanplaatsen werden gecreëerd, eigenlijk detoneert met het van oorsprong harmonieuze ontwerp. De doorsnee toerist heeft hier geen idee van, maar het enorme theater werd als politiek statement in de tuin van de verguisde keizer Nero opgetrokken. Met het aantreden van de ‘soldatenkeizer’ Vespasianus werd Nero letterlijk en figuurlijk onder geschoffeld!

Colosseum 2020 Wikimedia Commons

Voor atletiekwedstrijden en wagenrennen liet Domitianus nog een stadion bouwen. Het bood plaats bood aan wel 30.000 toeschouwers. Onder de tribunes bevonden zich winkels en bordelen, waar bezoekers na een opwindende wedstrijd even konden relaxen. In de vorm van het Piazza Navona, nu beter bekend van Bernini’s Fontana dei quattro Fiumi, is de voormalige renbaan nog duidelijk herkenbaar. Ook in de naam van de kerk Sant’Agnese in Agone weerklinkt het verleden: in ‘agone’ betekent in het strijdperk. De naam van het Piazza Navona is daar een verbastering van.  

Luchtfoto Piazza Navona, waarin de vorm van het oude stadion duidelijk herkenbaar is.

Onder de Flaviërs kwamen ook de boog van Titus, de Templum Pacis en de Templum Gentis Flaviae van de grond, waarover u elders op deze site kunt lezen.

Op de Palatijn, naast de overblijfselen van de bescheidener woningen van keizer Augustus en zijn vrouw Livia, liet Domitianus een enorm woon-werkpaleis bouwen. De glans van de door architect Rabirius ontworpen gebouwen is verdwenen, maar de omvang van het complex, dat vrijwel de hele top van de Palatijn bedekt is nog altijd indrukwekkend; evenals het uitzicht. Dwalend door de schamele resten heb je ook hier wel wat verbeeldingskracht nodig. Het gidsje Roma passato e presente, met transparante impressies van de oorspronkelijke situatie over de afbeeldingen van de ruïnes, helpt daarbij. In haar nieuwe roman Julia beschrijft Rosita Steenbeek een kleurrijke avondvoorstelling met 3 d-projecties op de ruïnes van het Forum Romanum, waarmee de tijd van keizer Augustus tot leven komt. De pracht en praal van de met marmer beklede wanden en vloeren van de keizerlijke vertrekken spraken niet alleen tot de verbeelding van ooggetuigen, maar inspireerden eigentijdse bouwkundig tekenaars tot het maken van reconstructies van Domitianus’ paleis.

Reconstructie van de Domus Flavia, Domitianus’ paleis op de Palatijn 
© AKG Images 301773_Peter Connolly .
Reconstructie triclinium in paleis Domitianus, Rome
© image supplied by and copyright 2021 Learning Sites, Inc.

Voor het verhaal achter de afgebrokkelde muren van het Forum en de Palatijn moet je in het Museo Nazionale Romanum en de Capitolijnse Musea aan het Campidoglio zijn. Hier vind je antieke beelden die sinds de 15e eeuw zijn teruggevonden. Het Campidoglio en het Palazzo Nuovo zijn, geïnspireerd op de bouwstijl van de oude Romeinen, ontworpen door Michelangelo; de uomo universale die zijn talrijke sporen ook elders in de stad, zoals in de Sint Pieter en de Sixtijnse kapel achterliet.

Met oeroude uit het bronzen tijdperk daterende archeologische vondsten tot objecten die recent bovengronds kwamen wordt de geschiedenis van de plek waar Rome gesticht zou zijn door de legendarische koning Romulus in beeld gebracht. Muurresten van de oude tempel van Jupiter zijn in de opstelling achter glas zichtbaar gelaten. Indrukwekkend zijn de vele antieke sculpturen, mozaïeken en wereldberoemde schilderijen die door verschillende Renaissancepausen werden verzameld. Te veel om op te noemen, daarom enkele hoogtepunten.  

Een meer dan levensgroot verguld bronzen hellenistisch beeld van de mythologische krachtpatser Hercules, daterend van de 2e eeuw v. Chr. Een aandoenlijk, realistisch beeld van een dronken oude vrouw. Opdat niemand haar elixer zal afpakken, klemt ze de kruik tegen haar magere borst. Dit beeld is, evenals veel andere, een Romeinse kopie naar een Grieks voorbeeld.

We zien de veel als tuinbeeld gekopieerde Discuswerper en de Capitolijnse Venus, die kuis haar schaamte bedekt. Ook zie ik Bernini’s kop van de Medusa terug, die tijdens de op deze site besproken tentoonstelling Caravaggio en Bernini in 2020 het Rijksmuseum te zien was.

Capitolijnse Venus

In het Palazzo dei Conservatori troont Bernini’s monumentale beeld van Paus Urbanus VIII (1623-1644), die vóór zijn uitverkiezing als Maffeo Barberini door het leven ging. Met zijn in marmer gehouwen levendige, gebiedende handgebaren en de op virtuoze wijze weergegeven plooien in zijn gewaad bereikte Bernini een ongeëvenaard realistisch effect. In de fraai gedrapeerde koorkap verwerkte hij het wapen van de familie Barberini: drie honingbijen. Bij het Palazzo Barberini zien we ze terug. Maffeo Barberini verving de weinig elegante paardenvliegen in het oude familiewapen door nijvere bijen. Voorzien van het devies: Sponte Favos, Aegre Spicula: gaarne geef ik honing, node de angel. 

Bernini paus Urban III Capitolijnse Musea

Wekt dit levensechte in koud marmer vervaardigde 17e eeuwse beeld al bewondering, bij het zien van de antieke bronzen sculpturen val ik stil. Onvoorstelbaar dat de Spinario, een volkomen gaaf ogende naakte jongen die een doorn uit zijn voet peutert, in de 1e eeuw van onze jaartelling werd samengesteld uit oudere hellenistische onderdelen. Nog ouder is het bronzen beeld van de uit de 5e eeuw v. Chr. daterende Capitolijnse wolf met de overigens pas later toegevoegde tweeling Romulus en Remus. Indrukwekkend ook zijn de kolossale onderdelen van een uiteengevallen monumentaal beeld van keizer Constantijn.

Spinario , brons, eerste eeuw bc Capitolijns museum Palazzo dei Conservatore

Het absolute hoogtepunt in de Capitolijnse collectie vormt het unieke uit de Oudheid daterende ruiterstandbeeld van keizer Marcus Aurelius (161-180); het enige dat is ontkomen aan de smeltoven. De verhouding man en paard klopt niet helemaal, maar een kniesoor die daar op let. De imposante kop van de keizer die als filosoof de geschiedenis is ingegaan, is evenals het hoofd van het paard van een prachtig patina voorzien.

Ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius, brons, Palazzo dei Conservatori

Bij het zien van zoveel vakmanschap rijst de vraag: hoe déden ze het? Bij een volkomen gaaf bewaard levensgroot Grieks-Hellenistische beeld van een rustende bokser (1e eeuw v. Chr.) in het Museo Nazionale Romano lees ik de volgende dag het antwoord. Zijn prachtige gespierde lichaam, de ooit gebroken neus en talloze littekens op gezicht en lichaam, verraden zijn beroep. De lippen en de tepels van de bokser zijn met koper geaccentueerd, alsook de bloeddruppels en de wonden. Het realisme wordt nog versterkt door de houding van zijn hoofd: hij lijkt even op te kijken om te luisteren naar hetgeen een denkbeeldig persoon tegen hem zegt.  

De bronzen beelden werden met de zogenoemde cire-perdue methode in onderdelen vervaardigd. Even kort door de bocht: een in was gemodelleerde figuur of delen daarvan, werd met een laag klei omkleed, waarna de was werd gesmolten. In de aldus ontstane mal werd het brons -een legering van koper, tin en lood- gegoten.

Grieks-Hellenistische beeld van een rustende bokser (1e eeuw v. Chr.) in het Museo Nazionale Romano Foto: Marina Marijnen

De collectie van de Capitolijnse musea telt ook een groot aantal schilderijen. Niet alleen van bekende Italiaanse, maar ook Hollandse en Vlaamse meesters. Tijdens zijn verblijf in Italië gaf Pieter Paul Rubens (1577-1640) een in mijn ogen geestige impressie van de mythische tweeling Romulus en Remus, weergegeven als twee hoogblonde Rubensiaanse putti!

Pieter Paul rubens Romulus en Remus 1612

Caravaggio Johannes de Doper in de woestijn, 1602, Capitolijnse Musea

Overal in de stad, kom je werken van die andere Michelangelo tegen, beter bekend als Caravaggio. Zijn betoverende Waarzegster uit 1595 en de sensuele Johannes de Doper uit 1602 worden in een mini expositie in dialoog gepresenteerd met werk van Zurbaran en Velazquez uit het Saint Louis Art Museum. Dankzij een 3-D print en een tekstbord in braïlle kunnen blinden en slechtzienden deze eveneens ervaren. 

In het Palazzo Massimo, een van de vier locaties van het Museo Nazionale Romano, worden eveneens honderden antieke beelden getoond: anonieme voorouderportretten en identificeerbare keizersportretten en hun echtgenotes. De zorgvuldig in marmer gebeitelde kapsels geven een indruk van de wisselende haarstijlen in die tijd. Ineens stond ik oog in oog met de Flavische keizers over wie ik geïnspireerd op de tentoonstelling Domitianus God op Aarde gesproken en geschreven heb: Vespasianus, Titus en Domitianus. Boven een lege sokkel lees ik dat Domitianus op reis is naar…. Olanda. Eind juli wordt hij terugverwacht in de Italiaanse versie van de tentoonstelling die tot en met eind mei 2023 te zien zal zijn in Palazzo Villa Caffarelli.

Tussen antieke beelden valt een op zijn buik slapende sensuele figuur op. Het blijkt een kopie van de Hermafrodiet van de Griekse beeldhouwer Polycles (2e e. v. Chr.). De dichter Publius Ovidius Naso (1e eeuw) stelde het verhaal van de metamorfose van de mooie zoon van Hermes en Aphrodite op schrift. De goden verhoren de bede van de tot over haar oren verliefde nimf Salmacis en laten haar versmelten met haar geliefde. Wanneer je om het beeld heenloopt zie je aan de voorzijde de tekenen van u mag kiezen: zijn/haar/hun letterlijke tweeslachtigheid.

Palazzo Massimo slapende Hermafrodiet

In het Palazzo Massimo zijn ook muurschilderingen en mozaïeken, uit de diverse publieke Romeinse badhuizen te zien. Behalve badderen konden de bezoekers zich daar ook anderszins ontspannen en ze fungeerden als ontmoetingsplek voor zowel zakelijke als privé afspraken. De van de 4e eeuw daterende Thermen van Diocletianus, de grootste van de Romeinse Oudheid, zijn met een combi ticket van het Museo Nazionale Romano eveneens te bezoeken. Ook hier liet de alleskunner Michelangelo zijn sporen achter. Met het ontwerp van de Basilica van Santa Maria degli Angeli gaf hij een deel van het profane antieke badhuis een nieuwe sacrale functie.

Tuinkamer (fresco) villa Livia foto: Marina Marijnen

De muurschilderingen uit de tuinkamer van de Villa van Livia a Prima Porta vormen een onbetwist hoogtepunt. Bij het betreden van deze zaal stuit ik op een grote groep studenten. Ze luisteren letterlijk en figuurlijk ademloos naar een docent met een zwaar Amerikaans accent. De temperatuur en luchtvochtigheid in de benauwde ruimte doen de kwetsbare schilderingen èn de aanwezigen vast geen goed. Met de opdracht nog eens goed te kijken zijn de studenten gelukkig snel klaar en even later sta ik helemaal alleen in de nagebootste paradijselijk tuin van Livia. Er zitten vogels in de bomen en struiken en in het gras zie ik zelfs een vogelkooi. Ingericht in het souterrain van haar woning op de Palatijn (naast Domitianus latere paleis) wist Livia haar gasten 2000 jaar geleden maar ook huidige bezoekers met dit enorme trompe-l’oeil te verbluffen!

Verderop zie ik nog meer fresco’s met idyllische scènes. Ze sieren een columbarium, dat in 1929 werd ontdekt in het park bij de Villa Doria Pamphilj. (Niet te verwarren met de gelijknamige Galleria, waarover straks meer). Met soortgelijke bouwsels verschaften welgestelde families hun slaven en vrijgelatenen een laatste rustplaats. In de schilderingen zien we de overledenen genieten van een maaltijd of handenklappend dansen. Eindelijk bevrijd van het aardse slavenjuk, gaan ze in het hiernamaals helemaal uit hun dak! Ook hier vraag ik mij af hoe die fresco’s heelhuids in het museum zijn beland. In 1929 werden ze nog via de nu verouderde stacco methode met een deel van de muur losgebeiteld, c.q. gezaagd. Tegenwoordig worden fresco’s middels de zogenoemde strappo techniek van de muur verwijderd. Daartoe wordt de voorstelling op een met lijm bedekte linnen doek, zachtjes met een rubber hamer losgeklopt en op een stevige drager overgebracht, zoals in een youtube fimpje van Museo Benozzo Gozzoli te zien. Een link vindt u onder dit artikel.

Spiegelzaal Galleria Doria Pamphilj Foto: Marina Marijnen

Van dit columbarium uit de Villa Doria Pamphilj neem ik u mee naar de Galleria Doria Pamphilj. Door de toegangspoort aan de Via del Corso bereikt de bezoeker het voor publiek opengestelde stadspaleis. Bij het zien van de in de corridor geparkeerde Ferrari Testa Rossa (van de directeur of een nazaat van de beroemde Genuese generaal Andrea Doria?) zou ik de klok 25 jaar terug willen zetten; wat zou ons zoontje dit leuk hebben gevonden! Eenmaal binnen is deze gedachte snel verdwenen. Niet alleen de wanden van de schitterende bal- en spiegelzaal, maar ook die van de andere vertrekken, zijn van de plinten tot de fraai beschilderde plafonds, volgehangen met schilderijen.

Jan van Scorel, portret van Agatha van Schoonhoven

Het is onbegonnen werk om alles in je op te nemen. Er zijn Italiaanse, Franse en Spaanse meesters. De vier Caravaggio’s in deze collectie kun je moeilijk missen, maar voor de zekerheid wijst een pijl de weg. Na wat huiswerk kijk ik uit naar een klein damesportretje van Jan van Scorel. Op dit paneeltje vereeuwigde hij zijn levensgezellin: Agatha van Schoonhoven. Kijk in de eerste zaal meteen rechts omhoog, want je loopt er zo aan voorbij! Jan van Scorel reisde in 1518 via Italië naar het heilige land. Tijdens de terugreis deed hij in 1522 Rome aan, waar de Nederlandse paus Adriaan VI, aan wie het Catharijneconvent deze zomer een tentoonstelling wijdt, zojuist tot paus was gekozen. Deze stelde van Scorel aan als conservator van de pauselijke collecties met werken van Rafael en Michelangelo. Na Adrianus ontijdige dood, nam Van Scorel de opgedane kennis mee naar huis en introduceerde de Renaissance in de Lage Landen. Nog even terug naar Scorel’s lieflijke damesportretje. Als kanunnik van de Utrechtse Mariakerk diende hij celibatair te leven, maar een geestelijke is ook maar een mens. Agatha schonk hem vier zonen en twee dochters.

In een aparte nis ziet de bezoeker het portret dat Velazquez vervaardigde van de beroemdste bewoner van dit imponerende palazzo: Giovanni Battista Pamphilj (1574-1655). In 1644 werd hij als Innocentius X tot paus gekozen. Van zijn looks moest hij het niet hebben. Tijdgenoten omschrijven zijn uiterlijk als het …’piu difforme di volto che fosse mai nato tra gli uomini’ …het meest misvormde van alle ooit geboren mannen. Toch heeft Velazquez er iets moois van weten te maken. Met een scala aan warme en koele offwhite tinten in de soutane en het welhaast iriserende rozerood van de als een kapmantel op zijn schouders rustende mozetta, ligt een heel palet verscholen. Deze tinten corresponderen niet alleen met het pauselijke hoofddeksel, de solideo, maar ook met het inkarnaat en de lippen van de grimmig kijkende pontifex.   

Velazquez, portret van Paus Innocentius X

We volgen de pijl en bereiken Caravaggio’s onorthodoxe weergave van het aloude thema de Rust op de Vlucht naar Egypte. Het verschil wordt duidelijk wanneer je verderop Annibale Carracci’s weidse Landschap met hetzelfde onderwerp beziet. Caravaggio concentreert zich op de hoofdrolspelers. Terwijl Maria met haar kindje is ingedommeld houdt Jozef de partituur op voor een bevallige engel. Met zijn vioolspel zorgt deze voor een vrolijke noot tijdens de barre voetreis naar Egypte. Verbazingwekkend dat de woest en gevaarlijk levende Caravaggio (zie elders op dit blog) tot zulke lieflijke scènes in staat was. In het ernaast getoonde doek met de Berouwvolle Maria Magdalena zie ik een echo van de tedere Madonna. Het handelsmerk van Caravaggio, sensueel weergegeven jongens, is niet alleen in de engel, maar ook in de enigszins spottende, uitdagende Johannes de Doper, herkenbaar. Even vrees ik te lijden aan het Stendhal syndroom: want dit werk heb ik toch ook al in de Pinacotheek van de Capitolijnse Musea gezien? Het tekstbordje stelt gerust; het betreft hier een tweede, door Caravaggio zelfgeschilderde kopie.

Caravaggio, Rust op de Vlucht naar Egypte 1595-1597

Voor werken van Caravaggio zit je in Rome goed. Al was niet iedereen geporteerd van de onconventionele, soms rauw realistische stijl waarin hij Bijbelse figuren weergaf. Verschillende prinsen en prelaten, gewend aan zoetgevooisde barokke voorstellingen, erkenden dat hij talent had, maar zij betreurden dat hij zijn gave misbruikte. Anderen, onder wie Kardinaal Scipione Borghese (1577-1633) bewonderden hem. Toen hij weer eens in de penarie zat trad de man Gods als zijn beschermheer op.

Bernini Portretbuste Scipione Borghese, 1632, Galleria Borghese

De rijke collectie van de Galleria Borghese, telt maar liefst zeven werken van Caravaggio. Scipione Borghese en zijn oom Camillo verzamelden ook 16e en 17e eeuwse Italiaanse, Vlaamse, Duitse en Hollandse Meesters met klinkende namen als Lucas Cranach, Giovanni Bellini, Sandro Botticelli, Rafael, Guercino, Titiaan, Veronese, Rubens en anderen.  

In een van de eerste zalen zijn de Caravaggio’s te zien: zijn Zelfportret als Bacchus, een Jongen met een Fruitmand, een Heilige Hieronymus, de deerniswekkende David met het hoofd van Goliath en een Johannes de doper met een ram, verwijzend naar het lam Gods dat geofferd zal worden. Hier hangt ook de prachtige, enigszins raadselachtige Madonna dei Palafrenieri, dat hij schilderde voor de kapel van de broederschap van Sant’Anna: de zogenoemde Palafrenieri. Het Christuskind, weergegeven als een doodgewone uit de kluiten gewassen blote jongen, vertrapt samen met zijn moeder een slang, symbool van het kwaad. Wegens het gemis aan decorum werd het doek na korte tijd uit de kapel verwijderd.

Caravaggio, Madonna dei Palafrenieri 1605/1606 Galleria Borghese

Ook voor Bernini had de kardinaal grote bewondering. In de opstelling zijn een groot aantal topstukken van zijn hand te zien, waaronder busteportretten van Camillo en Scipione Borghese. Zij hadden nauwe banden met de kerk. Scipione werd in 1605  tot kardinaal verheven. Dit had hij te danken aan zijn oom Camillo (1550-1621) die in 1605 als Paolo V tot paus werd gekozen.
Indrukwekkender zijn Bernini’s beeldengroepen van Bijbelse en antieke onderwerpen, zoals de Ontvoering van Proserpina (1621-22), de Vlucht van Aeneas, Anchises en Ascanius, een acrobatisch huzarenstukje, waarin Bernini de lichamen kunstig opeenstapelde en de David, die in opperste concentratie op het punt staat de steen richting de reus Goliath te lanceren. De in marmer uitgehouwen figuren lijken er met hun perfect uitgewerkte anatomie en treffend weergegeven fysionomie niet slechts op, maar zij zìjn mensen van vlees en bloed!  De voor Apollo wegvluchtende Daphne spreekt mij het meest aan. In zijn Metamorfosen beschrijft Ovidius dit antieke #metoo verhaal, waarin Daphne door goddelijk ingrijpen gered wordt van de man die haar wil overweldigen. Tijdens een wilde achtervolging verandert zij langzaam in een laurierboom. Bernini gaf het begin van haar transformatie met de groei van kleine bebladerde takjes aan haar vingers subtiel aan. Tegelijkertijd beginnen ook haar welgevormde tenen in kleine boomwortels uit te lopen. Een ongelooflijk poëtische vertelling verbeeld in marmer! 


Bij het zien van nóg een verleidelijk neergevlijde Hermafrodiet in deze collectie ben ik weer even in de war. Dit beeld heb ik gisteren toch ook al gezien? Het blijkt geen vergissing. In het Palazzo Massimo bevindt zich een uit de 2e eeuw na Chr. daterende kopie. En er is er zelfs nog een. Het Louvre-Lens bezit de kopie welke Napoleon als roofkunst meenam uit de collectie van de Borgheses. Die Hermafrodiet rust op een door Bernini vervaardigd marmeren matras.   

Antonio Canova Paolina Borghese Bonaparte als Venus Victrix 1805 – 1808

Sprekend over de Borgheses, Napoleon en op marmeren matrassen liggende figuren kan het portret dat Antonio Canova in de vroege 19e eeuw van Napoleons zuster Pauline Bonaparte vervaardigde niet ongenoemd blijven. Bevrijd uit blank carara marmer poseert de echtgenote van (nog een) Camillo Borghese naakt als Venus Victrix. Onder het matras bevond zich een mechaniek, waarmee de op haar dagbed rustende Française kon ronddraaien!

Maderno / Bernini Palazzo Barberini 1625 – 1629

Tot slot nog een impressie van ons bezoek aan het Palazzo Barberini. Er is veel ten nadele van de Renaissancepausen te zeggen, maar oog voor kunst hadden ze. Voor Maffeo Barberini, de zojuist genoemde latere paus Urbanus VIII, ontwierp architect Carlo Maderno een landelijke villa aan de rand van de stad. Ten gevolge van urbanisatie (…) is deze door Bernini voltooide plattelandsvilla inmiddels ingesloten door latere bebouwing. Ook dit Palazzo herbergt een enorme kunstcollectie met topstukken daterend van de 13e tot de 18e eeuw. Behalve de genoemde kunstenaars ontdek ik ook nieuwe namen. Orazio Gentileschi, Giovanni Baglione, met zijn Sacrale en Profane liefde, Guercino’s Saul en David en vele anderen, waaronder twee enorme doeken van El Greco, met de Aanbidding der herders en de Doop van Christus. En, een beetje een vreemde eend in de bijt, Hans Holbein’s portret van Koning Henry VIII.

Op billboards in de stad hadden we haar al gezien, Rafaels verleidelijke Fornarina de mooie met geheimzinnigheid omgeven geliefde van Rafael. Vermoedelijk gaat achter deze bijnaam de ‘bakkersdochter’ Margherita Luti schuil. Na de ontijdige dood van de schilder zou ze de sluier hebben aangenomen, maar in 1520 kon Rafael haar mooie lichaam, nog niet gehinderd door de monastieke regel van kuisheid, nog onverhuld vereeuwigen.

Raphael Sanzio Fornaria 1520

Ook de Barberini wisten Caravaggio’s rauw realistische, maar soms ook poëtische werk te waarderen, waarvan zijn Narcissus een voorbeeld is. Gestraft voor het afwijzen van de nimf Echo werd Narcissus verliefd op zijn eigen spiegelbeeld. Een beetje eigenliefde kan geen kwaad. Erasmus, elders in deze opstelling aanwezig in een portret door Quinten Matsys, wist al: wie niet van zichzelf houdt, kan niet van anderen houden, maar hopeloos verliefd op jezelf, dat geeft problemen!  

Bijbelse vrouwen in meer of minder deugdzame rollen, vormden in de 16e en 17e eeuw geliefde onderwerpen. Esther, Rebecca, Bathseba en Suzanna, maar ook moordvrouwen als Delila en Salomé. Jaël en Judith onderscheiden zich in dit rijtje. Met het doden van de vijanden van het Joodse volk verwierven zij een heldinnen status. Caravaggio creëerde een gruwelijke scène, waarin de Joodse weduwe Judith, geholpen door haar dienstmeid, Holofernes, de legeraanvoerder van de vijand, op onverschrokken wijze letterlijk een kopje kleiner maakt. Staand voor het enorme doek, doe ik ongemerkt een stap achteruit om geen bloedspetters op mijn zomerjurk te krijgen.

Caravaggio bracht de emoties van de twee vrouwen en hun slachtoffer op onnavolgbare wijze in beeld. Het gelaat van Judith weerspiegelt zowel afkeer als vastberadenheid, dat van de dienstbode een en al concentratie. Klaarstaand met de zak om het hoofd mee naar huis te nemen. Zie ook hoe treffend Caravaggio de agonie van de in doodsnood verkerende Holofernes in beeld heeft gebracht.  

Caravaggio, Judith onthoofdt Holofernes, 1598-1599, Galleria Nazionale d’ Arte Antica, Rome

In de Cornaro kapel van de nabijgelegen Santa Maria della Vittoria staan we even later oog in oog met Bernini’s Extase van de Heilige Theresia. In de tentoonstelling Caravaggio en Bernini was twee jaar geleden de bozzetto te zien, waarin Bernini zijn eerste idee van de in zwijm vallende Spaanse non uit Avila in terracotta had vormgegeven. Het als een wonder beschouwde goddelijke visioen werd waarschijnlijk veroorzaakt door versterving. De non nam alleen nog maar hosties tot zich. Een kleine engel doorboort haar hart, waardoor ze één wordt met haar hemelse bruidegom. Deze mystieke ervaring wordt benadrukt met vanuit de hemel neerdalende gouden stralen. In de loges naast de beeldengroep wisselen leden van de Cornaro familie van gedachten over het wonder waarvan ze getuige zijn. En ik ben even terug in de collegebanken; vanuit een ver verleden resoneert de ondeugende opmerking van een sceptische kunsthistoricus:

’if this is godly ecstasy, I know it very well’…

Bernini De Extase van Theresia 1646 in de Santa Maria della Vittoria kerk in Rome.

Het youtube filmpje waarin het verwijderen en verplaatsen van fresco’s wordt getoond:

Youtube filmpje van Museeo Benozzo Gozzoli:

Ook interessant:

Domitianus God op aarde

Utrecht Caravaggio en Europa

Caravaggio en Bernini

Van God Los: de onstuimige jaren zestig, Catharijneconvent Utrecht, tot en met 28 augustus 2022.

Posterbeeld Van God los? De onstuimige jaren zestig, ontwerp Fabrique

Onder de enigszins schertsende titel Van God Los? presenteert het Catharijneconvent een boeiende historische tentoonstelling over de onstuimige jaren ’60. Anno 2022 is het nauwelijks meer voor te stellen, maar in 1960 was Nederland een van de meest christelijke landen van Europa. Deze expositie laat zien hoe daar in korte tijd verandering in kwam. Tijdens een inleiding laat conservator Tanja Kootte beelden zien van hasj rokende jongeren die gehuld in afgedankte misgewaden hun eigen Woodstock beleefden in het Rotterdamse Kralingse bos.

Een volgende dia toont een impressie van de ‘tweede beeldenstorm’, die tijdens de secularisering sinds de jaren ’60 in Nederland plaats vond. Heiligenbeelden werden de kerk uitgedragen, maar anders dan in 1566 niet kapotgeslagen. Een handgeschreven bord kondigt de uitverkoop van religieuze kunst aan: kruisbeelden, madonna’s, heilig hartbeelden, wijwaterkruikjes; alles voor de halve prijs!
Geïnspireerd door deze uitverkoop liet kunstenaar Jacques Frencken zich in 1965 inspireren tot zijn uit een veelvoud van verzaagde Mariabeelden samengestelde Blauwe Madonna

Jacques Frenken, Blauwe Madonna, ca.1965, foto Ruben de Heer, Museum Catharijneconvent

In zijn als ‘een gebed zonder end’ gepresenteerde Litanie van het Heilig Hart bezorgt Frencken de eveneens op straat belande Heilig Hart beelden een afterlife, al werd dit anno 1966 door praktiserende katholieken niet gewaardeerd!

Jacques Frencken Litanie van het H. Hart, 1966, Privécollectie (Agnes en Frits Becht, Amsterdam)]
Foto Mike Bink

Niet alleen deze (ont)roerende stukken, maar ook onroerend goed moest eraan geloven. Een poster roept op tot protest tegen de sloop van de Rotterdamse Koninginnekerk:  …’ Wat de nazi’s lieten staan, dat gaat er nu wel aan’…

Tweestromenland
De naoorlogse decennia werden enerzijds gekenmerkt door een behoudende, door religie bepaalde levenshouding, deels voortkomend uit dankbaarheid voor de herkregen vrede en welvaart. Anderzijds ontstond verzet tegen de gevestigde religieuze orde en het establishment in het algemeen. Beelden van happenings, beatmissen, protesterende studenten en provo’s zullen bij 60-plussers heel wat los maken. 
Tegenwoordig worden wij via sociale media non-stop overspoeld met wereldnieuws. In de naoorlogse jaren kwam dat via de krant en de radio nog gedoseerd binnen. In de verspreiding van wereldnieuws en moderne ideeën ging de televisie in de jaren ’60 een belangrijke rol spelen.    
Beelden van de Vietnamoorlog, honger in Afrika, de rassenstrijd in Amerika en de moord op dominee Martin Luther King dwongen de kijkers om na te denken over actuele politieke en levensbeschouwelijke vragen. En ze zaaiden twijfel aan de voorheen als almachtig beschouwde God, die dit allemaal liet gebeuren. De televisie droeg er zelfs aan bij dat God van zijn voetstuk werd gehaald!
In archiefbeelden van het destijds spraakmakende programma Mies en Scène laat schrijver Godfried Bomans zijn licht schijnen op het veranderende godsbeeld: …’God is verhuisd… naar cafés, naar huiskamers, de straat op’… en …‘hij is aardiger geworden’…
Bomans was niet de enige die het zo zag, maar niet iedereen ervoer het vertrek van God als bevrijding. Het loslaten van de oude vertrouwde zekerheden, waarbij het leven van wieg tot graf, zowel voor katholieken als protestanten was ingebed in het geloof, betekende voor anderen verlies. In de kloostergang van het museum krijg je daarvan een indruk. Tussen de spulletjes in het verzorgingsmandje voor een katholieke baby herinnert een met een engeltje versierd wiegenkruisje hier nog aan.  
Andere tijden
Het tij was echter niet meer te keren. De destijds populaire zanger Bob Dylan zong het ook …’ The times they are a-changing’

Katholieke geestelijken klaar voor vertrek naar het tweede Vaticaans Concilie

Er kwamen andere tijden, zowel binnen als buiten de kerken. In de grote expositiezaal markeert een foto van katholieke geestelijken letterlijk en figuurlijk het startpunt. Voor ze in het vliegtuig stappen om deel te nemen aan het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1965) poseren ze nog even voor de verzamelde pers. Het fotomoment legt niet alleen het begin van hun reis vast, maar ook de aanvang van grote veranderingen binnen de Rooms-Katholieke kerk. vernieuwingen waarbij Nederland voorop zou lopen. Doelstellig van deze internationale kerkvergadering, waar meer dan 2000 prelaten en waarnemers aan deel namen, was in bondig Italiaans: ‘Aggiornamento’; het ‘bij de tijd brengen’ van de kerk.  Met het afschaffen van de Latijnse mis en verschillende andere vernieuwingen begon een frisse wind te waaien. Het concretiseren van de plannen is, denkend aan het celibaat en de rol van vrouwen in de kerk is meer dan 50 jaar later echter nog steeds niet voltooid.

Het gepresenteerde kantelende tijdsbeeld zal iets oudere bezoekers zeker aanspreken en meer losmaken dan alleen maar herinneringen. Er komt ook emotie bij. Van een jonger publiek wordt wel wat inlevingsvermogen gevraagd, maar geholpen door interessante radio- en televisiefragmenten wordt voor hen een ongekende wereld ontsloten. Liepen onze oma’s (ja, die waren ooit ook jong!) er echt zó bij: in minirok of hotpants (huh?) met daarboven een beha-loos naveltruitje?!
In de jaren die op het Concilie volgden, tekent zich een streven af om de ramen open te zetten. In de grote zaal hangen portretten van katholieke voormannen. Peer van den Molengraft legde het vriendelijke voorkomen van Wilhelmus Marinus Bekkers vast; een boerenzoon die het tot bisschop van ’s-Hertogenbosch schopte (1960-1966).

Hij moet een zegen geweest zijn voor het vrouwelijk deel der katholieke natie. De kerk van Rome verbood het, maar bisschop Bekkers stelde dat het gebruik van de anticonceptiepil een kwestie van het eigen geweten was. Dit bericht werd in 1963 in het actualiteitenprogramma Brandpunt gecommuniceerd en… nog meer goed nieuws: bij opvolging van dit advies werd je niet geëxcommuniceerd!
In de katholieke volksmond ging de pil, aangeduid als ‘Lekkers van Bekkers’, van mond tot mond. Een opluchting voor ouders die al gebukt gingen onder de last van een (te) grote kinderschare en jongeren die eens wat verder wilden gaan…

Een katholieke vriendin weet nog dat meneer pastoor haar moeder ieder jaar kwam vragen hoe ‘het’ zat… Om de procreatie te bevorderen adviseerde hij haar om zich een beetje aantrekkelijk te presenteren. Met 13 kinderen was dit gezin uiteindelijk compleet en… verdeeld. De oudsten waren bij de geboorte van de jongste het huis al uit en hadden zelf alweer kinderen. Wat soms resulteerde in bizarre familierelaties: met oomzeggertjes van een nog jonger familielid!
In de galerij van vooruitstrevende katholieke voormannen hangt ook een portret van de latere bisschop van Utrecht (1974-1983) Jo Willebrants. In zijn functie van Vaticaans secretaris reisde hij in 1964 als de ‘vliegende Hollander’ de wereld rond om onderlinge samenwerking te prediken. Ook Kardinaal Alfrink was niet wars van vernieuwingen. In zijn boek Nieuw Babylon stelt onderzoeker James Kennedy dat niet het volk van Nederland, maar de katholieke leiders de motor achter de veranderingen waren.

Jan Noyons, Liturgisch vaatwerk voor de Lucaskerk in ’s Hertogenbosch, 1964

Naast vereenvoudiging van de liturgie volgden ook versobering in de inrichting van de voorheen rijk versierde katholieke godshuizen en van het liturgische vaatwerk.

Rome was niet blij met al die nieuwlichterij. Met de benoeming van de behoudende bisschop van Rotterdam trok Rome in 1970 krachtig aan de noodrem. Adrianus Simonis wilde van de pratende kerk weer een biddende kerk maken. Afgezien van een sobere slechts met een ivoren krul bekroonde bisschopsstaf, moest hij niets hebben van vernieuwingen. De moderne herdersstaf ten spijt, wist Simonis de kudde niet bijeen te houden.

Gelovigen nemen stelling in eigen bolwerk
Zowel de rooms-katholieke als de protestantse kerk oefende veel invloed uit op het dagelijks leven. Op de vraag van de hoofdmeester van mijn christelijke lagere school in Hilversum was maar één antwoord mogelijk: als er bij jullie in de buurt een katholieke en een gereformeerde bakker zit, waar koop je dan je brood?

De zogenoemde verzuiling dicteerde niet alleen naar welke kerk, school of sportvereniging je ging, maar ook wiens brood je at! Een nieuwe ringschroef voor mijn tol kocht ik bij ijzerwarenhandel de Volharding. Al besefte ik als kind niet dat naam een sleutelwoord was uit de brieven van Paulus. 

Ook vrouwen volhardden op de weg naar bevrijding.  Tijdens de tweede feministische golf beklommen de hervormde Thea Barnard en de gereformeerde Nora van Egmond respectievelijk in 1968 en 1970 als eerste vrouwelijke predikanten de kansel.  

Nonnen met moderne en ouderwetse habijt

In de katholieke kerk hadden vrouwen sinds de Middeleeuwen weliswaar een belangrijke rol gespeeld in het onderwijs en de verpleging, maar niet als voorganger. Een foto waarop de ontwikkeling van het saaie vormloze habijt tot een ‘hippe’ getailleerde kloosterjurk door lachende nonnen wordt getoond, illustreert dat de jaren ’60 ook voor de veelal aan strenge regels gebonden nonnen verandering brachten.

Een vrolijke noot, gezongen door de gitaar spelende Soeur Sourire was geen wanklank geweest. 60 jaar na dato klinkt het via YouTube nog net zo aanstekelijk: …’Dominique, nique, nique…! Dat zij de stichter van haar kloosterorde Dominicus Guzman bezingt zal misschien niet tot elke luisteraar zijn doorgedrongen, maar de zingende zuster scoorde wereldwijd hoog op de hitparades.

Bij het zien van Wim Sonneveld als de zingende Frater Venantius opende zich een reservoir aan lang vergeten jeugdherinneringen: …’Zeg maar ja tegen ‘t leven, ja tegen ‘t leven van je amen, van je gloria joechee!’… Het deed me ook denken aan het grappig sketchje over ‘die verrekte non’ die in het café jenever besteld met de woorden: …’doe ’t maar in een koffiekopje’…

Er klinken nog meer bekende klanken. Het lied Zolang er mensen zijn op aarde, gedicht door de ex-priester Huub Oosterhuis en getoonzet door Tera de Marez Oyens. De moeder van mijn schoolvriendinnetje op het Nieuwe Lyceum. We kregen haar maar weinig te zien, want zei ze: mijn moeder is componiste. Als 12-jarige uit een amuzikaal gezin had ik géén idee, tot ik haar naam jaren later onder dit lied op de liturgie zag staan.

In die tijd waaide vanuit Amerika het verschijnsel van massaal bezochte evangelisatie bijeenkomsten over. De goed van de tongriem gesneden predikant Johan Maasbach kreeg in 1966 de handen van velen letterlijk en figuurlijk op elkaar!   

Evangelisatie campagne Johan Maasbach, Den Haag,1966, foto Koen Wessing, IISG Amsterda

Wie de jeugd heeft heeft de toekomst. Onder dit motto werden ook religieuze activiteiten voor jongeren georganiseerd. Tijdens een zomer in Zeeland liep ik, aangelokt door gitaarmuziek, de tent van Youth for Christ binnen. De herinnering hieraan kwam weer boven toen ik onlangs Jonathan Franzen’s Crossroads las.

Ook al was God, om met de auteur Geert Mak te spreken, uit Jorwerd vertrokken, in grote delen van ons land is hij gebleven. Religiositeit kende in de jaren ’80 zelfs een opleving, zoals in de tentoonstelling Bij ons in de Biblebelt te zien was.

In de orthodoxe gelederen van de gereformeerde kerk weken predikanten en gelovigen, overtuigd van Gods almacht, niet van hun koers. Een uitbraak van polio onder niet gevaccineerde kinderen werd in Elspeet als beproeving aanvaard en niet als aansporing om de kinderen in te enten. Deerniswekkend is de foto van een door polio verlamde man die de schijnbaar ongeinteresseerde kerkgangers vanuit zijn rolstoel met een tekstbord oproept: Doe dit uw kinderen niet aan!

Kerkgangers lopen achteloos voorbij aan een demonstrant die oproept kinderen in te enten tegen polio, Elspeet 1966, ANP

Veranderingen op religieus en maatschappelijk terrein waren zowel in rooms als protestants Nederland echter niet meer te stoppen. Affiches roepen op tot kennismaking met de ander(sdenkenden) en tot samenwerking: van kerken tot kerk. Niet alleen tussen de verschillende richtingen van de protestantse kerken, maar wereldwijd, aangeduid als oecumene, ook tussen protestanten en katholieken. Al ging dat niet vanzelf!

Op mijn grootmoeders keukentafel lag het hervormde kerkblaadje open bij een bericht over beoogde samenwerking tussen de plaatselijke hervormde en gereformeerde kerken. Samen op weg, maar ik ga niet mee, was haar reactie! Van de strenge levensstijl van de (oud)gereformeerden had zij een grondige afkeer. “Op zondag moesten ze twee keer naar de kerk en verder mogen ze niets”!, lichtte zij toe.

De jaren ’60 en ‘70 stonden niet alleen in het teken van afbraak; er werd ook opgebouwd en niet alleen aan interkerkelijke relaties. In de Utrechtse nieuwbouwwijken Kanaleneiland en Overvecht verrezen kerken, die door verschillende geloofsrichtingen gedeeld werden. Nadat katholieken om negen uur de mis hadden bijgewoond, konden om half elf protestantse gelovigen terecht. Onder hetzelfde dak kon ieder tot zijn of haar eigen god bidden! 

In oecumenische zin ging het de goede kant op, maar bij voorgenomen gemengde huwelijken klonk nog wel de waarschuwing: twee geloven op een kussen, daar rust de duivel tussen. Een probleem dat in orthodoxchristelijke kerken niet of minder speelde. In die kringen werd en wordt onder elkaar getrouwd, maar dat wil niet zeggen dat er geen problemen waren. Terwijl de hervormde kerk ten aanzien van het homohuwelijk uiteindelijk overstag ging, kunnen paren van hetzelfde geslacht in behoudende christelijke kringen niet op begrip rekenen. In de tweede expositieruimte weerklinkt de stem van de destijds populaire radiodominee Alje Klamer. In een ontroerend radiopraatje uit 1961 (!) spreekt hij homo’s bemoedigend toe: … ‘Ook al hebben uw eigen ouders, uw vrienden, uw kerk u afgewezen, ook al zwijgen ze u dood, God aanvaardt u zoals u bent. Dank God voor de liefde die u als homoseksueel kunt en mag beleven’

Gerard Reve’s bekering tot het katholieke geloof wekte in 1966, toen velen van hun geloof af vielen, wel enige verbazing. Kwam het voort uit religieuze overtuiging of was het een publiciteitsstunt? De twijfel hierover wordt gevoed, wanneer hij voor een als blasfemisch ervaren verhaal over seks met god in de gedaante van ezel voor het gerecht wordt gedaagd. Dit zogenoemde Ezelproces inspireerde de kunstenaar Aldert Koop in 1973 tot het opmerkelijke Slangenburgtafereel, waarop Reve liggend in habijt zijn boek Lieve jongens leest, waarvan er twee in hun blootje kerkgangers koelte toe wuiven!

Albert Koop, Slangenburgtafereel, 1973 privécollectie

De kwestie ontlokte de schrijver de volgenden woorden: Mijn God is kennelijk niet de god van Nederland. Een veelzeggende uitspraak. In die jaren gaan meer mensen op zoek naar hun ‘eigen god’ of zelfs naar een alternatieve god. En er komt belangstelling voor andere vormen van spiritualiteit.

God bestaat niet, althans…
De tijden veranderden en volgens sommigen moest het niet gekker worden. Er stond zelfs een gereformeerde predikant op die het bestaan van God ontkende. God zou slechts bestaan in het denken van mensen. Omdat hun publicaties merendeels buiten het tijdsbestek van de tentoonstelling vallen wordt aan auteurs die deze overtuiging uitdragen in de tentoonstelling slechts op bescheiden wijze aandacht besteed. In een van de vitrines ligt een publicatie van de atheïstische dominee: Harry Kuitert, Verstaat gij wat gij leest? Een in 1970 verschenen ‘leeswijzer’ voor het interpreteren van de bijbel. Hoe? In elk geval niet als een waargebeurd verhaal. Tot ontzetting van de een en opluchting van de ander! God bestaat aldus Kuitert alleen in de verhalen van mensen. Daar kun je …’veel, en ook spiritualiteit uit halen. Maar meer niet’, aldus de van zijn geloof gevallen gereformeerde predikant. In Kuiterts voetspoor publiceerde Klaas Hendrikse in 2007 zijn verhandeling Geloven in een God die niet bestaat.

Ook in het katholieke kamp werd het traditionele godsbeeld tegen het licht gehouden. De dominicaan pater Edward Schillebeeckx zocht God ook niet meer ‘in den hoge’. Hij was van mening dat de ontmoeting tussen de mens en God niet meer per se in de persoon van Christus hoefde plaats te vinden. In de bestseller Jezus het verhaal van een levende; maakte Schillebeeckx zijn spirituele zoektocht naar Jezus van Nazareth in 1974 wereldkundig: wie was hij en wie is hij vandaag de dag. 

God, maar dan anders
Ideeën over een veranderend godsbeeld vinden eveneens hun weg naar beeldende kunst en literatuur. In de laatste zaal zie je hoe schrijver en kunstenaar Simon Vinkenoog, de ‘verpersoonlijking van de hippie generatie’, er in 1966 over dacht. In zijn kennelijk speels op de apostel Paulus geïnspireerde ’zendbrief aan christenen’ stelt hij: God is dood: hoe staat het met jou?
Ook Jan Wolkers, die in een streng gereformeerd gezin opgroeide, gelooft het wel. In de roman Terug naar Oegstgeest, schrijft hij zijn jeugdtrauma’s van zich af.

Kees Buurman, Dubbelkruis, 1967, Rijksdienst voor het cultureel erfgoed Amersfoort

Wolkers is niet de enige. De van huis uit gereformeerde kunstenaar Kees Buurman keert het geloof van zijn jeugd eveneens de rug toe. Hij geeft zijn Dubbelkruis vorm in het liturgische vocabulaire van het oosterse orthodox christendom. …‘Het kruis waaraan Christus is opgehangen is het kruispunt van alle horizontalen en verticalen’, aldus Buurman, die ter verduidelijking […] vervolgt: …’De aan het kruis genagelde mens staat voor wanhoop, maar het kruis is zijns inziens ook …’het teken van de allergrootste openheid en van de uitersten van het kennen, van de centralisatie van het kruispunt’ … Kunt u het nog volgen?

Wim de Haan, God 1962, Stedelijk Museum de Lakenhal

Verschillende andere kunstenaars gaven hun (visie op) god eveneens in sculpturen weer.  De god van Wim de Haan is samengesteld uit sloophout…. Menige bezoeker zal hier wellicht schouderophalend voorbijlopen, maar als je goed kijkt zie je onderaan het beeld een veelzeggend detail. Een naar beneden gerichte vinger verwijst naar de hierboven aangehaalde opvattingen van de atheïstische theoloog Kuitert: …’alle spreken over boven komt van beneden’… Waarmee, even kort door de bocht bedoeld wordt: god is bedacht door mensen.

Pierre de Grauw, Lijdende Christus, 1966

Ook de beeldhouwer Pierre de Grauw maakt zich metterdaad los. Als uitgetreden Augustijner monnik gaat hij bevrijd, maar niet ‘van god los’ verder. Overtuigd van een nieuwe levenshouding: De mens hoeft met gelukkig worden niet te wachten tot hij in de hemel komt. Het mag ook al in het hier en nu!

In de laatste expositiezalen zie je meer voorbeelden van het soms kantelende, maar vaker radicaal omvallende godsbeeld. De popart kunstenaar Woody van Amen bewerkte de ansichtkaart met beeltenis van de paus, die zijn grootmoeder ooit als devotieprent uit Rome meebracht tot een pop(e)-art kunstwerk.

Maar niet iedere kunstenaar keerde in deze onstuimige jaren God de rug toe. De schilderende Afrikaanse missiepater Tamis Wever geeft in een moderne reeks kruiswegstaties in 1963 zijn visie op Jezus.

Woody van Amen, pope art, 1964-1975 foto Mike Bink

Anderen zochten hun heil verder oostwaarts. In 1968 bezongen zij nog de op de Bijbelse moeder Maria geïnspireerde Lady Madonna als hommage aan alle moeders. In datzelfde jaar reisden de Beatles naar Rishikesh in India om deel te nemen aan een cursus Transcendente Meditatie bij Maharishi Mahes Yogi. Na eerdere pogingen om met geestverruimende middelen mentale verlichting te verkrijgen kozen zij in India voor de meditatieve weg. En het werkte: in India ontstonden veel succesvolle songteksten. Iets later zochten ook andere niet zelden hoogopgeleide personen, hun heil bij Indiase goeroes. De destijds bekende psychiater Jan Foudraine en ‘onze eigen’ Ramses Shaffy reisden in de jaren ’70 af naar Bhagwan Shree Rajneesh in Poona. De verlichting belovende en gelukbrengende levenslessen legden deze goeroes geen windeieren, maar verschillende volgelingen hielden er een blijvende psychische stoornis of een nare bijsmaak aan over.

De bevrijding van knellende godsdienstige en maatschappelijke banden bereikte de campus van de universiteit; ook studenten braken los! In 1969 volgden zij in Tilburg het voorbeeld van hun Parijse leeftijdgenoten. Ze bezetten het gebouw van de (toen nog) Katholieke Hogeschool. Als brave leerling van het Koning Willem II Lyceum ging ik (inmiddels verhuisd) na schooltijd met een ondernemend vriendinnetje mee naar het op destijds ‘alternatieve en ludieke’ wijze fonetisch aangeduide trefpunt voor studenten Posjet. Met deze verbastering van het accessoire dat ‘keurige’ bourgeois heren in hun vestzak droegen verwees de naam naar het door hen, de communistische studenten, verfoeide establishment. Het studentenprotest in de Brabantse provinciestad haalde de voorpagina’s niet, maar die van de hoofdstedelijke bezetting in 1968 van het Maagdenhuis kwam uitgebreid in het nieuws.  

Op de lossere moraal en de daaruit voortgekomen nieuwe leef- en woonvorm van de commune, waarin alles en iedereen met elkaar gedeeld werd, gaat de expositie niet in. Een kunstenaar die deze vrijheden samen met niet minder dan vier echtgenotes omarmde is wel vertegenwoordigd. Tussen de besproken crucifixen hangt Anton Heyboers Gekruisigde Christus uit 1963.

Met het laatste werk van de expositie, Target, schiet Jacques Frencken letterlijk en figuurlijk in de roos. Op deze schietschijf vormt een beeldje van de gekruisigde Christus het mikpunt!  Een replica met echte pijltjes zou om in stijl van de jaren ’60 te blijven, een ludiek slotakkoord geweest zijn, maar blasfemie past niet binnen de aloude gerespecteerde muren van het van oorsprong religieuze convent.    

Jacques Frenken, Jezus als schietschijf, 1966, foto Arnold Verplancke, Museum Krona

Bij de expositie is geen catalogus verschenen, maar het februarinummer van het museummagazine de Catharijne is aan deze niet alleen informatieve, maar ook mooie expositie gewijd. Een uitgebreid randprogramma met lezingen en podcasts biedt mogelijkheden om je verder te verdiepen in de grote religieuze en maatschappelijke veranderingen die in de jaren zestig plaats vonden. Zo wordt op 23 april in Tivoli Vredenburg een talkshow georganiseerd over- en voor kinderen van uitgetreden priesters. Zou Trijntje Oosterhuis haar stem daar ook laten horen?

Bibliografie

Tanja Kootte e.a., Van God Los; de onstuimige jaren ’60 in: Februarinummer Catharijne, 2022.

Idem, Bij ons in de Biblebelt, Museum Catharijneconvent, Utrecht, 2019.

Enne Koops, Harry Kuitert (1924-2017): spraakmakend protestants theoloog in: Historiek, 2 december 2019. 

Museum Catharijneconvent; Van God los, de onstuimige jaren 60

God op Aarde. Keizer Domitianus. Tot en met 22 mei 2022 in het Rijksmuseum van Oudheden, Leiden

Campagnebeeld tentoonstelling ‘God op aarde. Keizer Domitianus’ Rijksmuseum van Oudheden

Keizer Domitianus had er tijdens zijn regeringsperiode (81-96 AD) juist alles aan gedaan om zijn herinnering levend te houden. Hij was populair bij zijn manschappen en het volk. Toch staat hij tegenwoordig te boek als een vergeten keizer.   

Het Colosseum kent iedereen, maar dat Domitianus het door zijn vader Vespasianus begonnen amfitheater liet voltooien is weinig bekend. Dit enorme theater is slechts één van de vele gebouwen die in Domitianus tijd van de grond kwamen. Hoe komt het dat bijna niemand dit weet, terwijl we de naam van Domitianus aannemers nog wel kennen? Het grafmonument van deze bouwers, de Haterii, is in de tentoonstelling te zien. Met in reliëf gebeitelde afbeeldingen van de voor de keizer gerealiseerde projecten: de boog van Titus, het Colosseum, de Templum Pacis  en de Templum Gens Flavis.

Bouwwerken in Rome op grafreliëf Marmer, 43 x 163 x 24 cm., Rome, 100-120 na Chr.Collectie: Vaticaanse Musea, Museo Gregoriano Profano ex Lateranense, inv. 9997 Foto: © Servaas Neijens
Rome..Colosseum © Foto Servaas Neijens

Middels een door de Senaat opgelegde damnatio memoriae werd Domitianus uit het collectieve geheugen weggevaagd. Althans dat was de bedoeling.

Zijn naam werd van officiële gebouwen verwijderd en munten werden van zijn beeltenis ontdaan. In een iconoclastische furie werden beelden van hun sokkel getrokken, vernield of in de Tiber gegooid. Voorzien van een prachtig patina werd een bronzen busteportret daar eeuwen later weer uit opgevist. (Bijna) niets ontsnapte aan de aandacht van de beeldenstormers.

Keizer Domitianus Brons, h. 15 cm., gevonden in de Tiber, Rome, 88-96 na ChrCollectie en foto: © Ny Carlsberg Glyptotek, Copenhagen Denmark

Niet alleen in Rome, maar tot in de periferie van het Romeinse Rijk gingen de zij tekeer. In een aan hemzelf gewijde tempel in Efeze zijn brokstukken van een kolossaal Domitianus beeld gevonden. Zelfs van een in Engeland gevonden korenmaat werd zijn naam geschrapt.     

Marmeren portretbustes werden omgebeiteld tot de tanige kop van zijn opvolger Nerva. Het recyclen van keizerportretten was overigens niet ongebruikelijk. Met vaardige hand werden bustes van keizer Nero omgetoverd in die van Vespasianus.  

Portret van Vespasianus gerecycled uit een portret van Nero. Museo Nazionale Roma

Na deze damnatio memoriae werd er alleen nog in negatieve bewoordingen over Domitianus geschreven. De eigentijdse dichters Martialis en Juvenalis bewierookten hem wegens zijn bouwkundige opdrachten, militaire prestaties, het organiseren van literaire festivals en atletiekwedstrijden. Na zijn dood verweten ze hem dat hij bij bouwkundige restauratie-opdrachten de naam van de oorspronkelijke bouwheren achterwege liet. 

Munt met beeltenis van (Domitanus weggevijld) en Domitia Dupontius, Romeinse Rijk, 96 na Chr. Collectie en foto: © De Nederlandse Bank/Nationale Numismatische Collectie, inv. DNB-30723 en inv. DNB-35223

De samenstellers van de tentoonstelling zijn op zoek gegaan naar het waaròm van de damnatio memoriae. Ze namen de veelal gekleurde literaire bronnen onder de loep: de geschriften van Suetonius, Tacitus, Plinius de jongere, Flavius Josephus en de dichters Statius en Martialis. De inhoud toetsten zij aan informatie gewonnen uit archeologische vondsten.

In zijn Vita Caesarum beschreef Gaius Suetonius Tranquillus in het jaar 120 de levens van de eerste twaalf Romeinse keizers. Een 19e eeuwse juwelier smeedde een reeks munten aaneen tot een armband met de beeltenis van Julius Caesar en de Julisch-Claudische keizers: Augustus, Tiberius, Caligula en Nero gevolgd door de keizers uit het vierkeizerjaar (69): Galba, Otho, Vitellius en de Flaviërs: Vespasianus, Titus en Domitianus.

De eerste twaalf Romeinse keizers Armbanden van gouden aurei met amethyst, l. 19,7 cm., 46 v.Chr.-96 na Chr.Collectie en foto: © The Metropolitan Museum of Art, New York, inv. 67.265.7a-f en 67.265.8a-f

 

Munt met beeltenis van Domitianus Aureus, goud, 82-83 na Chr. Collectie en foto: © De Nederlandse Bank Amsterdam/Nationale Numismatische collectie,

Het is de samenstellers van de tentoonstelling gebleken dat je niet kunt blindvaren op de literaire bronnen, want uit het vergelijkende onderzoek komt een àndere Domitianus naar voren, dan de man die ons door de geschiedschrijving is overgeleverd. Zij concluderen dat Domitianus niet beter of slechter was dan andere keizers, maar …’op sommige punten voerde hij innovaties door die voor de senaat te ver gingen….’ aldus Claire Stocks van de Universiteit van Newcastle. Aangezien …’de senatoriële elite de geschiedenis schreef’…is Domitianus de geschiedenis in gegaan als een slechte keizer. Dat had hij overigens wel gedeeltelijk aan zichzelf te danken. Zijn hoogmoedswaan heeft de negatieve beeldvorming beïnvloed. Een zoon had de eer van zijn vader wellicht hoog kunnen houden, maar Domitianus enige zoon was jong gestorven.

Met het verstrijken der tijd wisselt de kijk op het verleden. Zoals alles in het leven, beweegt ook geschiedenis en de perceptie van historische gebeurtenissen mee op de golven van de tijd.

Ontmoet de Flaviërs
De samenstellers van de tentoonstelling hebben alles uit de kast gehaald om de tijd van Domitianus, zijn vader Vespasianus, zijn broer Titus en hun vrouwen te laten herleven. De expositie biedt weliswaar een genuanceerde kijk op Domitianus, maar deze is niet als rehabilitatie bedoeld, aldus Nathalie de Haan van de Radboud Universiteit. De bijgestelde blik laat onverlet dat hij een nare man was met een onberekenbaar karakter. Hij maakte korte metten met zijn tegenstanders en hij speelde, tot grote ergernis van de senaat, voor eigen rechter. Een van onkuisheid verdachte Vestaalse Maagd liet hij levend begraven, terwijl hij zelf een incestueuze relatie had met de Julia Titi, de dochter van zijn broer. 

In zijn als historisch verantwoord bedoelde 19e eeuwse projectie van De Triomf van Titus presenteert Sir Lourens Alma Tadema de Flaviërs. Hij plaatst keizer Vespasianus prominent in beeld, gevolgd door Titus, Julia Titi en Domitianus. In de achtergrond zie je een vroeg voorbeeld van roofkunst: de Menora die de Romeinen na het neerslaan van de Joodse opstand in 69 n. Chr. uit de tempel van Jeruzalem meenamen.

Sir Lawrence Alma-Tadema, RA, OM – The Triumph of Titus – The Flavians 1885, Walters art museum
Keizer Domitianus Marmer, (Met enscenering dolk RMO) , Rome, 81-96 na Chr.Collectie: Napels, Museo Archeologico Nazionale, Foto: Marina Marijne

Bij het betreden van de expositie word je meteen geconfronteerd met het einde: de moord op Domitianus. De perfecte moord. Juist toen hij opgelucht ademhaalde, omdat de voorspelling dat hij die ochtend zou sterven, de-goden-zij-dank, nietwas uitgekomen, gebeurde het toch! Misleid door zijn bediende die de klok een uur vooruit had gezet, trok Domitianus zich terug om zich te verkleden. In de stilte van zijn slaapvertrek wist de dood hem in de gedaante van de verrader Stephanus alsnog te vinden. Op 18 september van het jaar 96 kwam Domitianus door steekwonden om het leven. Kwade tongen beweerden dat zijn echtgenote, Domitia Longina bij het moordplan betrokken was. Van munten en een camee van chalcedon is ook haar beeltenis bekend.

Domitia Longina, gedragen door een pauw Camee, chalcedoon, h. 8 cm., Romeinse Rijk, 81-96 na Ch Collectie British Museum, Londen, inv. 1899,0722.4 Foto: © Courtesy The Trustees of the British Museum

Na deze schokkende entree geven thematisch gepresenteerde flash-backs een indruk van Domitianus leven en zijn tijd. Op 24 oktober van het jaar 51 werd hij als derde kind van Vespasianus en Domitilla in de Granaatappelstraat geboren…Via een levensgroot geprojecteerd beeld van het atrium van zijn (fictieve) geboortehuis, stap je onder een bloeiende boom Domitianus wereld binnen…

Reconstructie: kijkje in het geboortehuis van Domitianus, Granaatappelstraat, Rome © Image supplied by and copyright 2021 Learning Sites, Inc.

Een wereld gekleurd door intriges, machtswellust, militaire acties en religie. Met welgekozen thema’s wordt daarvan een kleurrijk beeld geschetst. Domitianus was een nakomertje. Zijn broer Titus (39-81) was 12 jaar ouder.
Domitianus kinder- en adolescententijd worden geïllustreerd met het beeld van een jongetje met een zogenoemde bula, een kwaadafwerend amulet en een portretbuste van een jongeling met de typische haardracht die in de tijd van keizer Nero (54-68) in de mode was. Toen deze zelfmoord pleegde was Domitianus 17 jaar.

Bronze portrait bust of a young boy, ca. A.D. 50–68 Roman, Early Imperial, Julio-Claudian Bronze, silver; H. 11 1/2 in. (29.2 cm) The Metropolitan Museum of Art, New York, Funds from various donors, 1966 (66.11.5) http://www.metmuseum.org/Collections/search-the-collections/255215

Game of thrones
Onder de geactualiseerde noemer Game of thrones wordt de opvolgingsstrijd toegelicht die na keizer Nero’s zelfmoord in 68 los brandde. In het zogenoemde vierkeizerjaar streden vier mannen om de macht. Munten tonen de beeltenis van de vechtersbazen. Galba werd door de Senaat in Rome meteen tot keizer uitgeroepen. Hij werd verslagen door Otho, die op zijn beurt werd overwonnen door Vitellius. Toen bleven nog twee troonpretendenten over.

Nadat hij zijn rivaal Vitellius had uitgeschakeld werd generaal Vespasianus op 1 juli van het jaar 69 in Alexandrië door zijn troepen tot keizer uitgeroepen. De gevechten die hieraan voorafgingen worden geïllustreerd met een fragment van een vloermozaïek uit een huis dat in de strijd in vlammen op ging.

Vespasianus regeerde van 69 tot 79. Na hem kwam Titus kortstondig aan de macht. Van 81 tot 96 opgevolgd door Domitianus.

Vloermozaïek Nymphaeum, de kamer van Ariadne, eerste helft eerste eeuw Cremona Museo San Lorenzo

Domitianus betreedt het toneel
Domitianus groeide op in de schaduw van zijn vader en broer. Zij maakten naam met het -vanuit Romeins oogpunt- succesvol neerslaan van de Joodse Opstand in 79. Naast hun militaire successen zijn Vespasianus en Titus ook de geschiedenis in gegaan als opdrachtgevers van nog altijd gezichtsbepalende gebouwen in Rome.

Anders dan zijn voorgangers spendeerde Domitianus géén pecunia aan dure expansie oorlogen. Afgezien van een treffen met opstandelingen in Dacië (het huidige Roemenië) volstond hij met het consolideren van de rijksgrenzen. Deze werden in Europa gemarkeerd door de loop van de Donau en de Rijn. De zogenoemde Limes staat sinds 2021 op de werelderfgoedlijst van UNESCO. 

Domitianus stak wèl veel geld in de wederopbouw na de brand van Rome in het jaar 80. Daarmee investeerde hij tevens in populariteit onder het volk. Hij breidde het door zijn vader gebouwde Amphitheatrum Flavium uit en gaf opdracht tot de bouw van een stadion annex theater voor atletiek- en literatuurwedstrijden; de zogenoemde Capitolia. In de vorm van het Piazza Navona, tegenwoordig beter bekend van Bernini’s Fontana dei quattro Fiumi, is het sportveld nog te herkennen.

De fontein wordt bekroond met een Egyptische obelisk. Een inscriptie waarin Domitianus in hiëroglyfen geprezen wordt is aan de aandacht van de beeldenstormers ontsnapt!

Met twee verdiepingen bood het stadion plaats aan 30.000 toeschouwers. Onder de tribunes kon het publiek winkelen of na een opwindende voorstelling, even relaxen in een van de daar gesitueerde bordelen. De naam van het Piazza Navona is een verbastering van de woorden ‘in agone’, dat ‘in het strijdperk’ betekent.

In het aangrenzende odeon kon worden genoten van literatuurvoordrachten en muziek. Resten van dit overdekte theater zijn nog zichtbaar aan de gevel van het Palazzo Massimo alle colonne.

Met een ontroerende grafstèle van een 11-jarige jongen worden deze literatuurwedstrijden in de tentoonstelling gememoreerd. In het jaar 96 was Quintus Sulpicius Maximus de jongste deelnemer. Met zijn in het Grieks voorgedragen geïmproviseerde verzen viel hij niet in de prijzen, maar hij ontving wel een eervolle vermelding.  

Grafaltaar van een 11 jarige jongen; Quintus Sulpicius Maximus; Centrale Montemartini copyright Roma Capitale, Sovrintendenza Capitolina ai Beni Culturali

Niet alleen met de organisatie van deze spelen, maar zoals wij op de middelbare school al leerden, ook met graanuitdelingen maakte Domitianus zich populair bij het volk. Geef het volk brood en spelen: panem et circenses: om met de Romeinse dichter Juvenalis te spreken.

De graanuitdelingen vonden plaats in de zuilengangen van de zogenoemde Porticus die Domitianus na de brand van Rome op het Marsveld had laten herbouwen. Er is niet veel meer van over dan een aanduiding op een fragment van een in marmer gegraveerde stadsplattegrond. Behalve met ‘brood en spelen’ zette Domitianus zich als zelfbenoemd censor eveneens in voor de noden van het volk.

Het reeds genoemde Amfitheatrum Flavium, gebouwd voor spektakelstukken, executies en gladiatorengevechten, bood plaats aan wel 50.000 toeschouwers! Om deze enorme stroom bezoekers in goede banen te leiden waren de 76 ingangen met Romeinse cijfers gemarkeerd. Via deze zogenoemde vomaria konden zij in een mum van tijd na de voorstelling -letterlijk- weer worden uitgebraakt.

Domitianus breidde het toch al enorme gebouw, dat van onder tot boven gesierd is met Dorische, Ionische en Korinthische halfzuilen, uit met een boven- en benedenverdieping. Met deze verbouwing werden respectievelijk extra staanplaatsen gecreëerd en in de ondergrondse ‘carcere’, kwamen utiliteitsruimtes en hokken voor dieren.
Het Colosseum dankt haar (bij)naam aan het enorme beeld, de Colossus, dat in de aanpalende tuin van keizer Nero nog overeind stond. Vespasianus had zijn amfitheater –als statement- bovenop een meer in die tuin laten bouwen. Met het aantreden van de Flaviërs was Nero op die manier ondergeschoffeld!
De feestelijke inwijding van het theater met spelen die 100 dagen duurden, wordt gememoreerd op een bronzen munt.                                                                                                                                                             Overal in het Romeinse rijk waren theaters te vinden. In Nijmegen werd, naast sporen van een amfitheater uit de vroege 2e eeuw ook een met gladiatoren versierde aardewerk beker gevonden.

DIA Bronzen munt (sestertius) in het jaar 80 geslagen ter herinnering aan de opening van het Colosseum door Titus
Aardewerk beker met gladiatoren gevonden in Romeins Nijmegen, 2e eeuw Nijmegen, Valkhof Museum

Uit talrijke schilderijen en 19e eeuwse souvenirs blijkt dat het Colosseum eeuwen na de bouw nog steeds tot de verbeelding spreekt. Op internet vond ik zelfs een kunstig 19e eeuws micromozaïekje, dat voor een kleine 28.000 euro wordt aangeboden. 

Niet bij brood en spelen alleen…
Evenals zijn voorgangers de Julisch-Claudische keizers zette Domitianus zich in voor de beschikbaarheid van nog een eerste levensbehoefte: water. Dit werd via grote aquaducten aangevoerd naar openbare fonteinen en badhuizen. Enigszins verbaast lees ik dat elke inwoner in Rome per etmaal 67 liter water kon gebruiken! Dat moet je wel ruim opvatten; het meeste water stroomde naar de keizerlijke thermen, waar dagelijks duizenden bezoekers gebruik van maakten.

Aqua Claudia, Roma

Keizerinnenkapsels
De vrouwen uit Domitianus tijd zijn in Leiden prominent aanwezig. Met hun hoog opgetaste krullen zetten zij, als influencers avant la lettre de toon voor de haarmode in het hele Romeinse rijk. De kunstig in marmer gebeitelde krullen zitten na twee millennia nog perfect in model. Ook toiletartikelen en juwelen worden getoond: spiegels, haarpinnen, parfum- en zalfpotjes.

Domitianus gaf zijn echtgenote Domitia Longina niet alleen mooie spullen, maar hij schonk haar ook de titel Augusta, de ‘verhevene’. Zijn nicht en minnares Julia Titi had dit predikaat van haar vergoddelijkte vader keizer Titus geërfd. Om gedoe te voorkomen liet Domitianus munten slaan, waarop beide vrouwen gelijkwaardig zijn afgebeeld.

Wonen als een vorst….
Ook het luxe leven van keizer Domitianus wordt breed uitgemeten. Naar ontwerp van meester-architect Rabirius werd in slechts twee jaar tijd een enorm woon-werkpaleis op de Palatijn opgeleverd met een siertuin in de vorm van een paardenrenbaan. De vloeren en de wanden van de vergaderruimtes, de bibliotheek en de schitterende eetzaal waren met kostbaar marmer bekleed. Na een verijdelde moordaanslag liet Domitianus deze wanden letterlijk spiegelglad polijsten, zodat hij van alle kanten kon zien of iemand het op hem gemunt had!  Blow-ups van fresco’s en uitgestalde archeologische vondsten geven een idee van de sfeer in het triclinium, de eetzaal. Je ziet een (kopie) van de zilverschat van Heidelberg, geëtaleerd naast origineel Romeins glaswerk, waaronder een kunstig geblazen drinkhoorn. De man in de muurschildering brengt een soortgelijk exemplaar naar de mond. De Romeinse dichter Statius was aanwezig bij een gastmaal in de Domus Flavia, dat met meer dan 100 zuilen veeleer op een tempel dan een paleis leek. Het moment waarop  Domitianus, uitgemonsterd als de oppergod Jupiter, plaats nam op de troon, ontlokte de dichter de volgende woorden: …’Het leek alsof ik met Jupiter tussen de sterren zat en onsterfelijke nectar dronk’….

Reconstruktie van de Domus Flavia, Domitianus’ paleis op de Palatijn © AKG Images Aquarell von Peter Connolly (1935–2012).
Reconstructie: het triclinium in de Domus Flavia, Rome (diverse uitsnedes ) © Image supplied by and copyright 2021 Learning Sites, Inc.

Met kopieën van muurschilderingen, sculpturen en architectuurfragmenten wordt eveneens aandacht besteed aan Domitianus buitenhuizen, zoals villa Alba Longa, bij het huidige Castel Gandolfo. Op een perceel van zes vierkante kilometer bevonden zich een renbaan, een theater en koele half onderaardse wandelgangen. Fris water werd via aquaducten aangevoerd.  De Romeinse schrijvers Martialis, Suetonius en Plinius beschrijven deze heerlijkheid, waar de keizer o.a. het boogschieten beoefende en spectaculaire feesten organiseerde met boten op het meer. Van dit glansrijk gedocumenteerde verleden getuigen nog enkele tastbare brokstukken en een beeld van een jonge atleet

Boog van Titus en nog meer Flavische bouwwerken
In het publieke domein herinnert de Boog van Titus aan de tijd van Domitianus. Na diens ontijdige dood opgericht ter herinnering aan het neerslaan van de Joodse Opstand. De reliëfs tonen de overwinnaar op zijn zegewagen, gevolgd door een optocht, waarin de uit de tempel van Jeruzalem geroofde trofeeën in triomf worden meegedragen: de Menora, de Ark van het Verbond en twee rituele bazuinen. Met de opbrengst van deze roofkunst werden de Flavische bouwprojecten bekostigd. 

Anders dan dit postuum eerbetoon doet vermoeden, boterde het niet erg tussen Domitianus en zijn succesvolle oudere broer. Dit aspect wordt in de tentoonstelling geïllustreerd met een beeldje van twee om bikkels vechtende jongens. Verschillende bronnen melden dat Domitianus een reeks complotten tegen zijn broer smeedde. Wellicht had Domitianus zelfs de hand in diens dood, maar ‘dat laten de bronnen in het midden’, aldus het publieksboek.

De bouw van de Templum Pacis (71-75) stond eveneens in het licht van de overwinning in Judea. Vanuit Romeins standpunt was de vrede hersteld. De overwonnen Judeërs, en zeker degenen die als dwangarbeiders bij de Flavische bouwprojecten werden ingezet, dachten daar natuurlijk anders over. In de Templum Pacis waren behalve de Joodse trofeeën ook de kunstcollectie uit Nero’s Domus Aurea te zien.

Rome. Templum Pacis, zuidelijke zuilengalerij

De bouw van nòg een tempel, de Templum Gentis Flaviae opgetrokken ter meerdere glorie van zichzelf, werd door de Senaat niet gewaardeerd. Het feit dat Domitianus zichzelf ‘dominus et deus’ noemde, schoot de senatoren in het verkeerde keelgat. Domitianus maakte daarmee duidelijk dat hij zich boven de senatoren verheven voelde. Augustus bedoelde mogelijk hetzelfde, maar hij had zich destijds als primus inter pares…. als de eerste onder gelijken, bescheidener opgesteld. Doordat Domitianus zich nadrukkelijk boven anderen plaatste keerde de Romeinse elite zich definitief tegen hem.

Toen hij zich ook als een Egyptische Farao liet afbeelden èn vereren, was de maat voor de senatoren vol. Tot ergernis van de Senaat ontpopte Domitianus zich steeds meer tot een autoritaire alleenheerser. Hij was geliefd bij het volk, maar gehaat bij de Senaat. Deze ontwikkeling leidde uiteindelijk naar zijn ondergang.

Domitianus als farao Amphiboliet, h. 18 cm., Campanië, Benevento, Lombardische muren. Origineel uit Isis-tempel van Isis, 88-89 na Chr.Collectie: Museo del Sannio di Benevento, Sezione Egizia, inv. 1901. Foto: © Simone Foresta

Aan de kop van dit beeld dat afkomstig uit het Isis Heiligdom in Benevento, zie je Domitianus identiteit niet af, maar zijn naam staat er in hiërogliefen op.
Zoals vele usurpators voor en na hem liet Domitianus tegenstanders uit de weg ruimen, maar de angst bleef. Na een verijdeld complot besloot Domitianus zijn vijanden wat schrik aan te jagen. Hij nodigde hen uit voor een speciaal diner dat plaats vond in een verduisterd vertrek. De tafelschikking was met van hun naam voorziene grafzerken geregeld. Nadat zij hun plaats hadden gevonden kregen de genodigden zwarte gerechten voorgeschoteld. Geserveerd op zwart servies dat hen werd aangereikt door zwartgemaakte naakte jongens. Terwijl een dinner in the dark tegenwoordig hip is, stierven Domitianus gasten tijdens een ijzingwekkende tafelrede duizend doden.
De volgende dag kregen zij de zerk en delen van het zwarte servies thuis  bezorgd. Het is niet helemaal zeker of het zwarte diner ook echt heeft plaats gevonden, maar se non è vero, è ben trovato, zoals ze in Italië zeggen!

En met dit zwartgallige verhaal zijn we terug bij af. Op de plek van Domitianus geboortehuis stond nu de Templum Flavis. Na de moord op de door de Senaat gehate keizer, werd Domitianus lichaam allerijl in het geheim gecremeerd. Zijn oude voedster Phillis nam de resten mee naar de familie tempel, waar zij deze, vermengd met die van zijn geliefde Julia Titi, bijzette. Ashes to Ashes.

Niet alleen zijn reis naar het hiernamaals was begonnen, maar ook die naar het land der vergetelheid. In het RMO is hij weer tot leven gewekt.

God op Aarde. Keizer Domitianus’ tot en met 22 mei in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden; daarna in Rome te zien.

Bibliografie:

N. De Haan & E. Moormann, God op aarde: Keizer Domitianus, Rijksmuseum van Oudheden, Leiden, 2021.

A. Raimondi Cominesi e.a., God on Earth: Emperor Domitian, Rijksmuseum van Oudheden, Leiden, 2021.

link: Rijks Museum van Oudheden

Tentoonstelling Kaarslicht, tot en met 27 maart 2022 in Museum Gouda.

Godfried Schalken, lachende man met kandelaar ca 1695-1700 Part. collectie

Dankzij twee typische producten geniet Gouda bekendheid: kaas en kaars… Het een is op elk ontbijtbuffet van internationale hotelketens als ‘Gouda’ te vinden. Het ander staat tot eind maart centraal in de tentoonstelling Kaarslicht.

Veertig jaar geleden vertelden mijn schoonouders enthousiast over hun bezoek aan de prachtig met kaarsen verlichte vensters van de Goudse Catharina kerk, die traditiegetrouw vanaf 10 december tot 9 januari in de avonduren worden verlicht.
Zonder smartphone hadden zij alleen een herinnering aan- èn woorden voor hun belevenis. Een tekstbord in de huidige tentoonstelling nodigt de bezoeker -overbodig- uit tot het maken van een selfie:

                              …Vereeuwig jezelf in Kaarslicht

Alles gaat voorbij, maar wie schrijft die blijft en dat geldt ook voor schilders. Licht, voor ons is het doodgewoon. Toen de in Gouda getoonde schilderijen ontstonden moest men het doen met dag- en kaarslicht.

Gelukkig zou ik bijna zeggen, want de schilderijen laten zien hoe kunstenaars als Rembrandt van Rijn, Gerard van Honthorst en Godfried Schalcken erin slaagden om de illusie van licht en schaduw op een paneel of doek te suggereren.

Frans van Mieris Jonge vrouw, vlooien vangend bij kaarslicht ca 1660 (1660-1679) part. coll

Soms helder, maar vaker lieten zij diffuus licht schijnen op alledaagse, niet zelden symbolisch geladen voorstellingen. Stadsgezichten, stillevens met vanitas elementen en nachtelijke binnenhuisscènes met drinkende, lezende, geld tellende, bordurende personages en figuren die bezig zijn met een tegenwoordig vrijwel uitgestorven bezigheid: vlooien. Wat een moeite moet het gekost hebben om dit ’s avonds bij kaarslicht te doen. Dat geldt ook voor het lezen van een boek of het priegelen aan een handwerkje. Voor zaken die het daglicht niet konden verdragen, als slempen, een potje tric-trac of bordeelbezoek was schemerlicht juist gunstig. Gerard van Honthorst paste het toe in zijn Vrolijk gezelschap uit 1623 (buiten tentoonstelling).

Gerard van Honthorst, Vrolijk gezelschap, 1623, Alte Pinakothek, München. (buiten tentoonstelling)

Behalve warmte, intimiteit of het scheppen van een broeierige sfeer, kon licht gecombineerd met schaduw ook gebruikt worden om de aandacht op een dramatische gebeurtenis te vestigen, zoals personen tegenwoordig op het toneel nog altijd in de spotlight worden geplaatst.  Vroeg voorbeeld daarvan is Honthorsts Bespotting van Christus uit ca. 1614. Met de toepassing van dit zogenoemde clair-obscur dat hem in Italië de bijnaam Gerardo della Notte bezorgde, zette hij de toon voor soortgelijke nachtstukken van Matthias Stom, Godfried Schalken en Adam de Coster.

Om de museumbezoeker te laten voelen hoe dat vroeger was, is een schaars verlichte zeventiende eeuwse kamer ingericht. Wanneer je de sensatie van deze ‘dark room’ zonder struikelen hebt doorstaan bezie je de volgende schilderijen met andere ogen.

Reconstructie 17e eeuws vertrek bij avond, museum Gouda

Werken waarin de hoofdpersonen, in navolging van Honthorst (die het weer van Caravaggio had) middels dat dramatisch clair-obscur worden belicht. Zoals in Matthias Stoms Maaltijd te Emmaüs. In deze wel doordachte compositie voeren breed gesticulerende handen een spannend schimmenspel op. Het kaarslicht wordt door een van die handen afgeschermd, opdat de kijker er niet door verblind wordt. Wie bijbelvast is herkent het moment waarop de zogenoemde Emmaüsgangers ontdekken wie ze aan tafel hebben uitgenodigd. Wanneer de vreemdeling het brood breekt herkennen zij de opgestane heer aan de -voor de beschouwer onzichtbare- wondtekenen in zijn handen (Lucas 24: 13-15).

Matthias Stom, Detail Maaltijd te Emmaus, ca. 1630. Particuliere collectie

In deze ruimte ziet de bezoeker ook een klassieker uit het Rijksmuseum de Heilige familie bij avond (uit het atelier) van Rembrandt. 

Rembrandt, Heilige familie, 1642 – 1648 Museum het Rembrandthuis, (in langdurige bruikleen van het Rijksmuseum), Amsterdam

Terwijl grootmoeder Anna bij het wiegen van het kindje Jezus zelf in slaap gesukkeld is, zit Maria bij een voor de kijker verborgen lichtbron te lezen. Wat gebeurt er onder de trap? Uitvergroot op mijn beeldscherm doemt een figuur met hoed op. Dit moet Jozef zijn. Zoals vaker in middeleeuwse voorstellingen mogelijk in de weer met een eind hout, een symbolische verwijzing naar het doel waarmee het zoet slapende kindje op aarde is gekomen. Drieëndertig jaar na dato zal hij, ter vergeving van de zonden der mensheid, sterven aan het kruis.

Via schilderijen van de Utrechtse Caravaggisten, prenten van Gesina ter Borch en Sara Troost, belandt de bezoeker uiteindelijk in de 19e eeuw, maar laten we even stilstaan bij het verschijnsel licht.   

Van kaarsen naar gas- en elektrisch licht 
Tot in de vroege 19e eeuw vormden kaars- en petroleumlicht de enige lichtbronnen. De introductie van gaslicht betekende een enorme sprong voorwaarts. Ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zoon met grootvorstin Anna Paulowna ontstak Koning Willem I in 1816 in de Amsterdamse Amstelhof –waar nu de Hermitage gevestigd is- de eerste gaslamp. Rond 1880 was ongeveer een vijfde van de Nederlandse huishoudens aangesloten op de gasleiding. Mijn generatiegenoten herinneren zich vast nog wel de gasfabriek, die in elke stad te vinden was. Velerlei activiteiten konden nu makkelijker in de avonduren worden verricht. Ook kunstenaars maakten langere uren en gas- en het iets later geïntroduceerde elektrisch licht, bood tevens nieuwe artistieke mogelijkheden. Daarvan getuigen de impressies van ballet- en theatervoorstellingen van Edgar Degas en Henry de Toulouse l’Autrec. Het is ook mooi te zien in Vincent van Goghs Nachtcafé uit 1888. 

Vincent van Gogh, Het Nachtcafé, 1888. Doek 70 x 92 cm. Yale University Art Gallery, New Haven, Connecticut.

Begin 20e eeuw zette het elektrische licht Kees van Dongen en Jan Sluijters in vuur en vlam. Gefascineerd door het heldere schijnsel gaven zij kleurige impressies van danslokalen. In Sluijters meesterlijke Bal Tabarin dansen talloze lichtvlekjes mee boven de zwierende figuren.

Jan Sluijters, Bal Tabarin, 1907. Stedelijk Museum Amsterdam.

Deze werken vallen echter buiten het bestek van de tentoonstelling. In Gouda zie je kunstenaars die van de 16e tot in de 19e eeuw toverden met het effect van olielampen, kaars- en toortslicht.  

Terug naar de tentoonstelling.
De vaardigheid om licht op een schilderij te vangen, of liever: de illusie van licht op een paneel of doek te suggereren was een hele kunst. In de expositie zie je werken van zo’n veertig kunstenaars die daarin succesvol waren.  

Zoals  Esaias Boerse’s oude bebrilde vrouw die geconcentreerd zit te borduren. De oudjes van Matthias Stom en Gerard van Honthorst tellen of bestuderen munten. Leuk is Honthorsts portret van een jongeman die tevreden lachend zijn spiegelbeeld bestudeert. Christiaen Jansz. Dusart vereeuwigde een bij kaarslicht lezende jongeman. Deze en andere bezigheden, variërend van schrijfwerk tot nachtelijke wandelingen; kunstenaars brachten het vroeger allemaal in beeld.

Gerard van Honthorst, Grijnzende jongen met Spiegel, ca. 1614-1620. The Spier Collection, Londen. 

De destijds doodgewone taferelen hebben nu documentaire waarde. Ze tonen de vrijetijdsbesteding van mensen van toen: het drinken van een pint, het spelen van een potje tric-trac of bordeelbezoek. Halfdonkere vertrekken waren voor bezigheden die het daglicht niet konden verdragen geen probleem. Om met mijn grootmoeder te spreken: de nacht is voor het ongedierte!

Nocturnes waren in de 17e eeuw erg geliefd. Verschillende schilderijen werden in prent uitgegeven. Zoals Abraham Bloemaerts Heilige Hieronymus die rond 1622-30 door Cornelis Bloemaert (II) in het koper werd gestoken. Datzelfde deed Lucas Vorsterman met Adam Costers Triktrakspelers bij kaarslicht, 1619-1628 uit het Rijksmuseum.

Lucas Vorsterman, Triktrakspelers bij kaarslicht, 1619-1628 , gravure naar Adam Costers uit het Rijksmuseum

Prachtig is Gesina ter Borchs doorvoelde getekende impressie van een verliefd paartje, dat tijdens een nachtelijk wandeling gechaperonneerd wordt door een meid met een enorme lantaarn.

Gesina ter Borch, Liefdespaar met meid bij kaarslicht, ca. 1655. Penseel in grijs en zwart, 12 x 18 cm. Fondation Custodia, collectie Frits Lugt, Parijs

De onbetwiste kampioen van met kaarsen verlichte genrevoorstellingen en historiestukken is zonder twijfel Godfried Schalcken (1643-1706). In het themanummer dat Kunstschrift aan het fenomeen kaarslicht in de kunst wijdt, wordt hij als de grootmeester van het kaarslicht omschreven.  De weerschijn van het licht op welk materiaal ook: een metalen kandelaar, de glanzende textuur van zijde, de menselijke huid, de glimlichtjes in ogen of op de tanden, het is steeds met de grootst mogelijke virtuositeit op het doek gebracht.

In zijn zelfportret uit 1695 kijkt de schilder de beschouwer, wijzend op zijn palet en penselen veelbetekenend aan. De tools waaraan hij zijn met een fraaie mantelspeld en halsketen geëtaleerde welstand dankt.

Veelbetekende blikken worden eveneens gewisseld in het doek, waarin een jonge vrouw een oorhanger in een door haar geliefde opgehouden spiegel bewondert. De mysterieuze sfeer in het door kaarslicht verlichte vertrek, inspireerde de Ierse schrijver Sheridan le Fanu in 1839 tot het schrijven van de gothic novel: ‘Strange Event in the Life of Schalken the Painter’.  In de special van Kunstschrift leest u meer over de in 1979 gerealiseerde verfilming van dit boek.

Godfried Schalcken, Slapende Venus met Cupido, voor 1685. Nationale Galerie, Praag

In het prachtig rood-doorgloeide doek Slapende Venus met Cupido, zien we het (mogelijke) vervolg. De vrouw die in het vorige schilderij verblijd werd met een prachtige parelhanger ligt hier letterlijk en figuurlijk rozig te sluimeren. Wat hieraan vooraf ging laat zich, mede door de Cupido die ons met een schalks gebaar tot stilte maant, raden. Schalcken gaf het lichaam van de schone slaapster op erotiserende wijze weer; de tepels van haar pronte borsten gloeien zacht op in het kaaslicht…    

Schalcken’s succesvolle stijl werd nog eeuwenlang nagevolgd, onder anderen door Petrus van Schendel, die in de tentoonstelling vertegenwoordigd is met een Vismarkt bij avond uit 1841. Dat niet iedereen geporteerd was van Schalckens  rood-opgloeiende palet lees je eveneens in Kunstschrift. De 19e eeuwse Franse kunstcriticus Theophile Thoré was niet erg onder de indruk van de trucjes waarmee de 17e eeuwers en hun 19e eeuwse bewonderaars kaarslichtscènes in beeld brachten.

Extra licht
Om ten volle van het schaarse licht te profiteren, werden de wanden in de woningen van welgestelde burgers voorzien van goudleerbehang. In de kleurrijke in zilver- of bladgoud gevatte florale motieven, werd het kaarslicht weerkaatst. Verzilverde kandelaars, vergulde spiegels en schilderijlijsten zorgden voor een soortgelijk effect. Zoals te zien in de prentenreeks van Sara Troost, waarin zij het verloop van een soirée schetst.

Sara Troost Detail Wie nog lopen kon 1768 Rijksmuseum Amsterdam

De avond begint met een (nog fatsoenlijk) samenzijn van een aantal bepruikte, ogenschijnlijk keurige heren. Maar naar mate de tijd vordert en de wijnflessen leger raken, stijgt de stemming ten koste van het peil! Uitgelaten gasten klimmen op tafels, er worden veelbetekenende blikken gewisseld, terwijl een bediende onverstoorbaar doorgaat met het ontkurken van de volgende fles. De prenten zijn voorzien van geestige Latijnse teksten als Rumor erat in Casa; het werd rumoerig in huis en Ibant qui poterant, qui non poteuere cadebant… wie nog lopen kon ging, wie dat niet meer kon, viel om! En er gebeuren dingen die het daglicht toen nog niet konden verdragen. Bij het afscheid zoenen twee mannen elkaar hartstochtelijk op de mond!

Voor wie van ondeugende plaatjes houdt valt er nog meer te genieten… zoals de in prent uitgebrachte bordeelscènes, die Johann Sadeler (I) naar Joos van Winghe’s Huis van lichte zeden maakte. Een in maniëristische stijl weergegeven bacchanaal. Onder het beeld van een zichzelf betastende naakte Venus geven tempelbezoekers zich over aan een orgie. Musici zorgen voor een vrolijke noot; waarop uitbundig wordt gedanst. Anderen geven zich ongeremd over aan het liefdesspel. Op mijn foto valt een deel van de latijnse tekst weg, maar Fornicatoriis doet het ergste vermoeden.

Johann Sadeler (I), naar Joos van Winghe, Huis van lichte zeden, 1588, Rijksmuseum, Amsterdam.

Naast deze profane scènes zijn in de expositie ook bijbelse en mythologische historiestukken te zien. De hoofdrolspelers zijn vaak in een eigentijds jasje gestoken, zoals Jan Steens Bespotting van Ceres.

De Romeinse godin van de akkerbouw is in het donker op zoek naar haar dochter Proserpina. Wanneer ze de drank, aangeboden door een oud vrouwtje, in een keer naar binnen klokt, wordt ze bespot door een kleine jongen. Voor straf verandert Ceres hem in een hagedis. Anders dan in de eerder getoonde werken geeft Jan Steen zijn lichtbron een prominente plek. De toorts belicht de ontblote borst van Ceres en het Caravaggeske halfnaakte jochie.

Jan Steen, De bespotting van Ceres, ca 1650 Part. Coll.

De achterwand toont een enorme blow-up van een klein prentje van een bebrilde uil, voorzien van een moraliserende tekst: …’Wat baet keers of brill als den uil niet sien en wil’… wat zoiets betekent als het geven van goed advies is nutteloos, wanneer de toehoorder er geen oren naar heeft.

Cornelis Bloemaert naar Hendrick Bloemaert, Uil met bril en boeken, Wat baet keers of brill als den uil niet sien en wil , 1625, Rijksmuseum Amsterdam

De kaars kan ook fungeren als symbool. In een vanitas stilleven van Albert Janszoon van der Schoor verwijst de opbrandende kaars naar de eindigheid van het leven: memento mori; gedenk te sterven.

Geïnspireerd op de woorden van Mattheus 5: 15, staat de kaars ook symbool voor het evangelie. Het licht moet niet onder de korenmaat geplaatst worden, maar zichtbaar voor iedereen op de kandelaar. Een anonieme schilder bracht deze woorden in een ‘spotschilderij’ uit het Catharijneconvent in beeld. Hij posteerde Maarten Luther en zijn volgelingen rond een tafel met een helder brandende kaars.   

Anoniem Maarten Luther en de protestantse hervormers 1660

Aan de andere kant van de tafel probeert een stel “papen” het licht van het ware geloof uit te blazen! Het is wel duidelijk wie hier de good- en de bad guys zijn. Tussen een bisschop, een Jezuïet, een paus en een monnik zit een salamander, symbool van de duivel. Het verhaal gaat dat de vorige eigenaar van dit schilderij het doek uit de lijst liet halen om het op de tafelrand netjes om te vouwen, zodat er geen haan meer kraaide naar deze voor katholieken onkiese voorstelling….

De laatste zaal is gewijd aan de 19e eeuw. Verschillende romantici waren gefascineerd door het werk van hun 17e eeuwse collega’s. Met zijn Vrouw in een nis bij kaarslicht liet Michiel Versteegh zich onmiskenbaar inspireren door Gerard Dou’s Meisje met lamp.

Je ziet hier mooie met fakkels en gaslicht beschenen stads-, markt-, en kermisgezichten van Jan Hendrik van Grootvelt, Johannes Rosierse en Petrus van Schendel alsook een bijzondere nocturne van Jean Jacob Verreyt. In deze religieuze processie vormen de maan, haar weerschijn in de gracht en de meegedragen kaarsen: een symbolische verwijzing naar het kruis van Christus. Ook Sint Nicolaas doet mee. In een Dickensiaanse enscènering staan kinderen te watertanden voor een mooi verlichte etalage met suikergoed.


De nachtelijke voorstellingen van Petrus van Schendel en de Dordse schilder Rosierse zijn niet alleen betoverend van sfeer, maar hebben bovendien grote documentaire waarde. Zo ging je ‘s avonds nog even naar de vismarkt; zo vierden de mensen kermis!

Petrus van Schendel, Vismarkt bij avond, 1841

Bij de tentoonstelling is geen catalogus verschenen, maar Kunstschrift heeft dit najaar een themanummer uitgegeven, waarin de in de expostitie getoonde werken in een bredere context gepresenteerd worden.

In het licht van de Kaars: Kunstschrift, no. 5, oktober/november, 2021.

Tentoonstelling Thuis bij Jordaens, tot en met 8 mei in het Frans Hals Museum in Haarlem.

Jacob Jordaens, Zo de ouden zongen, zo piepen de jongen, c. 1640/45, © The Phoebus Foundation, Antwerpen

Hij is minder bekend dan Pieter Paul Rubens (1577-1640) en Antoon van Dyck (1599-1641), maar met zijn genretaferelen, historiestukken en portretten doet Jacob Jordaens (1593-1678) niet voor hen onder. Hoog tijd dat Jordaens uit de schaduw treedt van deze Vlaamse reuzen! 
Het Frans Hals Museum vormt hiervoor de locatie bij uitstek. Leven en werk van Jacob Jordaens èn Frans Hals vertonen opvallende parallellen. Ze hadden Vlaamse roots en hanteerden een vlotte toets die zowel door aristocraten als burgers gewaardeerd werd. Wie een blockbuster verwacht komt bedrogen uit, maar in de intieme tentoonstelling die in samenwerking met The Phoebus Foundation tot stand is gekomen, valt veel te genieten. Hoogtepunt vormt de reconstructie van de schitterende ontvangstzaal van het Jordaenshuis.      

Antwerpen in Jordaens dagen
Alvorens deze ruimte denkbeeldig binnen te gaan, neem ik u even mee naar de tijd van Jordaens. In de 16e eeuw was de strategisch gelegen havenstad uitgegroeid tot een metropool van politieke, economische en culturele betekenis. In de begeleidende publicatie van The Phoebus Foundation wordt de geschiedenis van Antwerpen in beeldende Vlaamse bewoordingen toegelicht. Op de in 1531 geopende Antwerpse beurs -de eerste ter wereld- waren behalve Vlaams laken en kant producten uit alle windstreken verkrijgbaar. In zijn publicatie over de Lage Landen nam de Italiaanse reiziger Lodovico Guicciardini in 1588 een afbeelding van de bursa op. Met een woordspeling op het handelsmerk van het Romeinse Rijk: S.P.Q.R. benadrukte hij het belang. Deze letters waren destijds op alle overheidsbezittingen, tot en met putdeksels, te vinden. Aan de afkorting van de woorden: Senatus Populusque Romanus, veranderde Guiucciardini één letter S.P.Q.A.: de senaat en het volk van Antwerpen.

Beurs van Antwerpen: Lodovico Guicciardini, Descrittione di tutti i Paesi Bassi, Antwerpen 1588 © The Phoebus Foundation, Antwerpen

Dankzij de economische welvaart floreerden kunsten en wetenschappen. Tot welstand gekomen burgers wilden schilderijen aan de muur en boeken op de plank. Vlaamse kunstenaars zorgden voor het een; de uitgever Christoffel Plantijn voor het ander. Tijdens de tweede helft van de 16e eeuw begint verzet te groeien tegen de privileges van de adel en de kerk. Ingegeven door nieuwe religieuze ideeën èn honger komen gistende onlustgevoelens in 1566 tot ontlading in de (eerste) Beeldenstorm. De noordelijke provincies komen in 1568 in opstand tegen de katholieke Spaanse koning Filips II. Na het wapenfeit dat vanuit Noord-Nederlands perspectief als de Val van Antwerpen wordt omschreven, vluchtten duizenden protestantse Vlamingen na 1585 naar Haarlem. Daar gaven zij niet alleen een impuls aan de lakenindustrie, maar ook aan kunsten en wetenschappen. De ‘vissershaven Amsterdam groeit in geen tijd uit tot het Antwerpen van het Noorden’, waarmee de Gouden Eeuw van de Noordelijke Nederlanden wordt ingezet aldus voornoemde publicatie.

Het katholieke geloof als bindmiddel 
Voor het zover was trachtte Filips II de noordelijke gebieden te behouden. Zijn dochter Isabella (1566-1633) en haar gemaal Albrecht (1559-1621) slaagden echter niet in die missie. Beeldende kunst werd ingezet om gelovigen te imponeren en afgedwaalde schapen voor het katholieke geloof te behouden. Kleurrijke barokke bijbelse taferelen moesten de beschouwer emotioneel aanspreken of op z’n Vlaams…’omver blazen en tot tranen toe bewegen’…        

Hier komen Rubens, Van Dyck en Jordaens in het verhaal. Rubens en Van Dyck hanteerden een enigszins verheven beeldtaal. In Jordaens historiestukken figureren ook gewone mensen, voor wie zijn familieleden vaak model stonden. 

Waar de werken van Rubens en van Van Dyck bewondering oogsten, ontlokken die van Jordaens veeleer een glimlach. Zijn (vr)olijke op moraliserende spreekwoorden of mythologische onderwerpen gebaseerde voorstellingen kruidde hij vaak met een vleugje humor! Rond het midden van de 17e eeuw was Jordaens befaamd in binnen- en buitenland. En hij stond inmiddels in de Quote 400 van Antwerpen. Toen zijn dochter naar Den Haag verhuisde, kocht hij ‘op een boogscheut van Den Haag’ een buitenverblijf in Voorburg. Zo zat hij niet alleen dicht bij zijn dochter, maar ook bij opdrachten in de Hollandse residentie. Aan het decoratieprogramma van Huis ten Bosch heeft Jordaens ook een bijdrage geleverd.

Evenals Rubens en Rembrandt had Jordaens een atelier met leerjongens. Met een finishing touch werd hun werk tot een authentieke Jordaens opgewaardeerd. De doorsnee koper merkte het misschien niet, maar een kenner zag dat heus wel, zoals in de Bordeelscène met trictracspelers, dat zich eveneens in de Phoebus collectie bevindt.  

Laten we dan nu een kijkje nemen bij Jordaens Thuis!

Jacob Jordaens, Portret van de dochter van de kunstenaar, Elisabeth Jordaens 1637-1645 © The Phoebus Foundation, Antwerpen

In de eerste zaal wordt de bezoeker verwelkomd door Jordaens welvarende, modieus geklede dochter Elisabeth. Haar zonnehoed is versierd met een takje welriekende kamperfoelie. Met een mand verschijnt zij en trompe-l’oeil in of voor een geopend venster. Ze is nooit getrouwd en bleef altijd bij haar vader wonen, aldus conservator Marrigje Rikken. Aan haar looks en welgevormde figuur kan het niet gelegen hebben.
In dezelfde ruimte worden ook twee portretten door Rubens en Antoon Van Dyck getoond.

Van Dycks Portret van een dame komt me bekend voor. Het bijschrift leert dat de onbekende dame getuige haar kleding vermoedelijk uit Genua komt. En dat klopt want in de Galleria Nazionale van Genua zag ik onlangs een soortgelijk Ritratto di dama van zijn hand.
Ter vergelijking wordt Rubens sobere in olieverf geschetste Portret van de weduwe Anna Anthonis, getoond. Met nietsontziend realisme schetste Rubens de gerimpelde huid, de gelaatstuitdrukking met neergetrokken mondhoeken, de roodomrande ogen en haar perkamentachtige gevouwen handen. Een studie voor een memoriestuk in de kathedraal van Antwerpen, dat zich tegenwoordig in het Musée des Beaux Arts in Tours bevindt.
In de hoop het hemelrijk te mogen betreden presenteert zij zich onopgesmukt in eeuwigdurende aanbidding van de (buiten tentoonstelling) Maagd Maria met kind.  Middels haar beeltenis riep de weduwe beschouwers van haar portret op om voor haar zielenheil te bidden.

Peter Paul Rubens, Madonna met kind en de opdrachtgevers Alexander Goubeau en zijn vrouw Anne Antonis, 1608-1621, Musée des Beaux-Arts Tours.

Na deze portretgalerij betreedt de bezoeker de pronkkamer van huize Jordaens; de ‘showroom’ waar hij zijn bezoekers en potentiële kopers ontving. Met blow-ups van getekende idyllische wanddecoraties, twee beschilderde deurpanelen en een reeks gerestaureerde plafondschilderingen is deze nagebootst. Om nekkrampen te voorkomen is de ruimte voorzien van een spiegelvloer, waarin de bezoeker een duizelingwekkende indruk krijgt van de love-story van Psyche en Amor.  

Jordaens pronkkamer, 3D evocatie, Timothy de Paepe,© The Phoebus Foundation, Antwerpen
Jacob Jordaens, Trompe l’oeil. deurstuk een dienstmeisje, een jongen die zijn hoed afneemt en een hond 640-1645. © The Phoebus Foundation, Antwerpen

Bij het betreden van dit vertrek blijkt dat je niet de enige bezoeker bent. Op een en trompe l’oeil geschilderd deurstuk neemt een over de drempel stappende jongeman ter begroeting zijn hoed af. De voorstelling is op tweeërlei wijze bedrieglijk; deze illusionistische voorstelling was oorspronkelijk op een èchte deur aangebracht. Het andere deurstuk toont een jonge vrouw en een oude man. De ongelijke liefde was een bekend thema in de Vlaamse schilderkunst. Ongelijkheid speelt eveneens in het verhaal van Psyche en Amor, dat Jordaens in negen scènes als een stripverhaal in beeld brengt. Gedreven door jaloezie geeft Venus haar zoon Amor opdracht om Psyche ongelukkig te maken in een huwelijk met een monsterlijke grijsaard. Maar het loopt anders, want Amor wordt zelf verliefd op Psyche. De kwade bedoelingen van Venus zijn ook al bekend bij het orakel van Apollo. Wanneer hij daar kennis van neemt heft Psyche’s vader zijn handen vertwijfeld ten hemel. Maar Zephyrus, de god van de westenwind, schiet te hulp.


Jacob Jordaens, Orakel van Apollo, 1652,© The Phoebus Foundation, Antwerpen

Om aan de uitvoering van die voorspelling te ontkomen wordt Psyche door Zephyrus naar het paleis van Amor ontvoerd, waar zij in een dark room gouden uren beleeft met een ongeziene minnaar. Ze mag haar minnaar niet zien….  Brandend van liefde en nieuwsgierigheid ontsteekt zij toch een lamp en ziet een zoet slapende peuter; Amor, de vroegrijpe god van de liefde. Dit is echt op het randje; evenals –leuk detail- de eveneens op het randje van de voorstelling balancerende nachtspiegel, die herinnert aan het aardse gestel van Psyche!

Jacob Jordaens, Nieuwsgierigheid van Psyche, ca 1652,© The Phoebus Foundation, Antwerpen

De betovering is verbroken, maar in de volgende episode is te zien dat de goden hen goedgezind zijn. Moeilijk te zien hoe deze geschilderde vleesklomp in elkaar steekt, maar Mercurius, de boodschapper der goden neemt Psyche op zijn nek en schouders mee naar de Olympus. Daar overhandigt Jupiter haar de beker der onsterfelijkheid. Dit happy end vormt de kern van een draaikolk aan bewegende hemelbewoners.

Nadat ook hij van de beker der onsterfelijkheid heeft gedronken wordt Amor nu ook volwassen. In het slottafereel geniet het paar, weergegeven met kolossale lijven, van een roemer wijn. Na alle belevenissen hebben ze vast trek gekregen. Het feestmaal in de vorm van een pauwenpastei, staat klaar en … ze leefden nog lang en gelukkig!

De goden volgens Jordaens 
De bezoeker ontmoet nog meer olympische- en mythologische figuren. Beweeglijke personages met weelderige vormen, omgeven door guirlandes en mollige putti. In het doek met Venus en Adonis is de beschouwer getuige van de ontijdige dood van de mooie jager. Nadat hij gespietst is op de slagtanden van een wild zwijn ligt hij met wegdraaiende ogen, letterlijk te zieltogen in de armen van zijn geliefde. Dit verhaal was nog wel herkenbaar, maar conform de receptuur voor een geslaagd historiestuk verstond Jordaens de kunst om het geschilderde onderwerp niet meteen prijs te geven. Zo bleef er voor de in mythologische en bijbelse verhalen onderlegde verstaander nog iets te raden.

Jacob Jordaens, Venus en Adonis, c. 1615,© The Phoebus Foundation, Antwerpen

Zoals ook in het doek met de Slapende Antiope, dat Jordaens ontleende aan de  Metamorfosen van Ovidius. Om niet herkend te worden door zijn jaloerse echtgenote verschijnt de oppergod Jupiterals een lelijke sater aan het bed van de slapende Antiope. Hierbij gaf Jordaens het verhaal niet meteen prijs, maar de door wellust gedreven Jupiter had daar geen boodschap aan. Met een bruusk gebaar trekt hij het laken van de zorgeloos slapende Antiope weg. Kenners van het verhaal zien aan zijn attribuut, de adelaar, met wie zij hier van doen hebben. De Thebaanse prinses Antiope, verkeert nog in zalige onwetendheid. Een sater, die al voelt welke kant het op zal gaan, heft quasi vermanend een moraliserende vinger.
Schilderijen als deze waren bedoeld tot lering en vermaak. Of andersom: zoals in het Midasoordeel waarin een sater die zijn handen niet kan thuishouden. Waarmee Jordaens het verhaal van een pikante toets voorziet.  

Jacob Jordaens, Slapende Antiope benaderd door Jupiter, 1660,© The Phoebus Foundation, Antwerpen

Religie in Jordaens dagen. 
Wanneer de Noord-Nederlandse steden rond 1580 overgaan tot het Calvinisme wordt de openlijke uitoefening van het katholieke geloof verboden. In de Zuidelijke Nederlanden bleven velen de kerk van Rome trouw. Daar was afvalligheid strafbaar. Toch ging Jordaens over tot het protestantse geloof. Als schilder van naam kon hij zich deze keuze kennelijk permitteren want het bleef bij enkele boetes. Na zijn dood moest hij letterlijk het veld ruimen. Omdat er voor protestanten in katholieke kerken en dodenakkers geen plaats was werden Jordaens en zijn vrouw over de grens, in Putte, op een protestants kerkhof begraven.                                                               
Ook al had hij de Roomse leer afgezworen; met werken voor katholieke opdrachtgevers had Jordaens geen probleem. In de expositie zijn enkele religieuze stukken te zien, zoals de Triomferende Christus en de negen boetelingen(1635-40). Terwijl Maria Magdalena in de gelijknamige tentoonstelling in Museum Catharijneconvent gerehabiliteerd is, wordt zij hier nog omschreven als …’de losbandige Maria Magdalena’… maar Christus vergeeft haar. Jordaens zette de bijbelse figuren als eigentijdse Antwerpenaren neer; sommige zelfs met karikaturale koppen. Jezus komt er, afgezien van een paar knotsknieën nog heilig van af, maar de lichamen van anderen zijn met een overdreven, maniëristische musculatuur neergezet. Deze uit Italië overgewaaide schildertrant werd door de schildersbiograaf Vasari omschreven als …’la bella maniera’. Kunstenaars die de perspectivische en anatomische verworvenheden van de Italiaanse Renaissance onder de knie hadden, demonstreerden er hun vaardigheid mee.

In deze zaal valt het postume portret van de Heilige Begga (ca. 620-593) op. De beschermheilige van de zogenoemde begijntjes was al 1000 jaar dood toen Jordaens het schilderij in 1635 vervaardigde. Zou een van Jordaens zusters model hebben gestaan voor dit devotiestuk?  Elisabeth en Magdalena Jordaens leefden in de Antwerpse begijnhof waar vrouwen een vroom leven konden leiden, zonder kloostergelofte.

Kunst om vrolijk van te worden 
Onder deze noemer wordt een groot keukenstuk gepresenteerd. Een co-productie tussen Jordaens en Paul de Vos. Jordaens nam de grijnzende kok voor zijn rekening: de Vos schilderde de etenswaren; en hoe! De veren van de vogel, de aaibare vacht van het konijn en de harde schaal van de gekookte kreeft; het is allemaal zeer goed getroffen.

Jacob Jordaens en Paul de Vos, Kok die een haas vasthoudt, c. 1640/50,© The Phoebus Foundation, Antwerpen
Jan Steen ‘Soo voer gesongen, soo na gepepen’ c. 1668-1670, Mauritshuis Den Haag

Bij het zien van Jordaens doek Zoo de ouden songen piepen de jongen uit 1644 zou je kunnen denken dat je naar een doek van Jan Steen kijkt. De twijfel is begrijpelijk. Twintig jaar na dato inspireerde dit werk Jan Steen tot het schilderen van een (bijna) gelijknamig werk in de collectie van het Mauritshuis. Jordaens bracht een destijds bekend gezegde uit een spreekwoordenboek van Jacob Cats in beeld. De betekenis die de moralist beoogde was: ouders pas op, want kinderen nemen slechte gewoontes over. Maar anders dan in Jan Steens latere versie, waarin de drinkende en rokende ouders hun kinderen het slechte voorbeeld geven, wordt er bij Jordaens alleen maar fluit gespeeld en gezongen. In samen musiceren schuilt toch geen kwaad? Jordaens bebrilde schoonvader Abraham van Noort zingt en slaat de maat. De schilder zelf blaast met bolle wangen op een fluit en ook het kleintje op moeders schoot blaast zijn partijtje mee. Jan Steens Soo voer gesongen, soo na gepepen is niet louter een vrije imitatie, maar een voorbeeld van het antieke begrip aemulatio, waarmee hij zijn bewonderde voorganger probeert te overtreffen. Afgezien van enkele compositorische overeenkomsten is de ondertoon hier echter anders. Daarop duidt de papegaai met zijn vermogen tot na-apen. En dat is precies wat Jan Steens kinderen doen. In navolging van hun ouders staan ze te roken en te drinken!

Jacob Jordaens, De wijze en de zot, c. 1650,© The Phoebus Foundation, Antwerpen

De expositie besluit met een laatste moraliserende opsteker, De wijze en de zot van rond 1650. Jordaens ontleende het thema eveneens aan het spreekwoordenboek van Jacob Cats, Spiegel van den Ouden ende Nieuwen tijdt uit 1632. Op geraffineerde wijze gaf Jordaens dit duo en trompe l’oeil in een geopend venster weer. De dwaas getooid met een zotskap, lacht de beschouwer toe. Hij maakt de bebrilde kamergeleerde met zijn boekenwijsheid belachelijk. Maar Cats denkt daar anders over: een dwaas zal wel met de wijzen spotten, maar een wijs man nooit met de zotten’.

Na een bezoek aan deze tentoonstelling vraagt u zich wellicht af waarom Frans Hals ontbreekt? De samenstellers van de tentoonstelling nodigen u uit om in de semi permanente opstelling Haarlemse Helden en andere meesters zelf op zoek te gaan naar Frans Hals en zijn tijdgenoten. In de laatste expositiezaal geeft een schema inzicht in de vraag wie in de late 16e en 17e eeuw door wie beïnvloed werd. Frans Hals is daarin als een spin in het web weergegeven. Van hem gaan pijltjes uit naar Judith Leyster, haar echtgenoot Jan Miense Molenaer, Adriaen van Ostade, Dirck Hals en anderen.

Bibliografie:

N. Gritsaj e.a., Rubens, Van Dyck en Jordaens: Vlaamse schilders uit de Hermitage, Hermitage, Amsterdam, 2011.

L. Kelchtermans e.a., Thuis bij Jordaens, The Phoebus Foundation & Frans Hals Museum, Haarlem, 2021

Id., Portrait of Elisabeth Jordaens: Jacob Jordaens (1593-1678) Tribute to his eldest Daughhter and Country Life, The Phoebus Foundation, Antwerpen, 2020.

Link: Frans Hals Museum, Haarlem.

Artemisia Gentileschi: Vrouw en Macht. Rijksmuseum Twenthe, t/m 27 maart 2022.

Artemisia Gentileschi Jaël en Sisera, 1620, Szépmüvészeti Múzeum/ Museum of Fine Arts, Boedapest

In de najaars-tentoonstellingen spelen drie vrouwen een hoofdrol. De bijbelse Maria Magdalena, de 17e eeuwse barokschilderes Artemisia Gentileschi (1593- 1656?) en haar 20e eeuwse Mexicaanse collega Frida Kahlo (…). Hoe verschillend ook, zij hebben een ding gemeen: zij veroverden een plaats in een door mannen gedomineerde wereld.

Frida Kahlo genoot volop publieke belangstelling, maar dat gold tot voor kort niet voor Artemisia Gentileschi. Zij is pas eind vorige eeuw herontdekt. Tot en met 23 januari zijn haar historiestukken en portretten naast werken van tijdgenoten te bewonderen. Orazio Gentileschi, Giovanni Francesco Barbieri (‘Il Guercino’), Giovanni Baglione, Gerard van Honthorst, Matteo Loves en Giuseppe Ribera waren in de tentoonstelling Caravaggio en Europa in 2018 ook te zien. Maar de vanuit feminien oogpunt belangrijkste navolger van Caravaggio, Artemisia Gentileschi, schitterde toen door afwezigheid. Haar Judith onthoofdt Holofernes uit de Uffizi had daar niet misstaan. Tijdgenoten en latere critici konden niet geloven dat dit een creatie van een vrouw was. In dit werk resoneert onmiskenbaar Caravaggio’s gelijknamige werk uit het Palazzo Barberini. Bij het zien van dit werk in de tentoonstelling Rembrandt en Caravaggio deed ik in 2006 automatisch een stap naar achteren!  

Na zijn ontijdige dood bleven de moeder en echtgenote van de groothertog van Toscane Cosimo II tot hun ongenoegen met Artemisia’s doek zitten. Onder uitroepen als …’het is èrger dan Caravaggio en ik kan er niet naar kijken’… zouden zij opdracht hebben gegeven om het werk weg te stoppen in de kelder.


Vormde een #MeToo voorval in Artemisia’s jeugd de aanleiding voor deze hardvochtige afrekening? Mogelijk. De met haar vader bevriende schilder Agostino Tassi had Artemisia als jong meisje met geweld tot de zijne gemaakt. Maar bijbelse heldinnen waren destijds geliefd. Zij figureren veelvuldig in Artemisia’s werk: Suzanna, Bathseba en Maria Magdalena. In het campagnebeeld ontmoeten we nòg een bijbelse heldin. We betrappen Jaël op heterdaad. Nadat zij hem vriendelijk heeft onthaald, berooft zij de Kanaänitische hoofdman Sisera met een welgemikte hamerslag van het leven, waarmee zij een heldenstatus verwerft. Een rondgang door de expositie leert dat er in de 17e eeuw veel meer koppen rolden!

Artemisia Gentileschi Jaël en Sisera, 1620, Szépmüvészeti Múzeum/ Museum of Fine Arts, Boedapest

Ook andere moordscènes waren populair. We zien Gerard van Honthorsts Dood van Seneca. Aan Gerardo della Notte, zoals hij in Rome genoemd werd, ontleende Artemisia het kaarslicht motief. Artemisia bracht de  zelfdoding van de Egyptische koningin Cleopatra meermaals in beeld. De houding en aankleding variëren, maar de gifslang die op het punt staat toe te bijten vormt daarin de constante. Het doek waarin zij Cleopatra, gehuld in een azuurblauwe japon ten voeten uit weergaf, is een absolute blikvanger.

Bij Artemisia’s verbeelding van het apocriefe verhaal van Suzanna en de ouderlingen lijkt de verkrachting uit haar jeugd nog niet vergeten. Terwijl zij niets vermoedend geniet van een verfrissend bad, schrikt Suzanna op van twee mannen die niet veel goeds in de zin hebben. Ouderlingen nog wel, die haar proberen te verleiden. Wanneer ze niet op hun avances ingaat strooien ze het praatje rond dat ze een affaire heeft met een jongeman. Op grond van hun tegenstrijdige verklaringen weet de profeet Daniël hen als bedriegers te ontmaskeren. Zo wordt de kuise Suzanna van steniging gered.
Het trauma uit haar jeugd blijft Artemisia blijkbaar achtervolgen. Na eerdere versies uit 1610 en 1622 neemt Artemisia dit thema in 1652 nogmaals ter hand. In de tentoonstelling zie je ook enkele versies van tijdgenoten.

Geschilderde en getekende autobiografie
Tussen de vele wetenschappelijke publicaties vond ik een in 2019 verschenen graphic novel van Gina Siciliano: I Know what I Am: The Life and Times of Artemisia Gentileschi.  Niet zomaar een strip, maar een op gedegen bronnenonderzoek gebaseerd beeldverhaal, waarin Siciliano de lezer letterlijk en figuurlijk meeneemt naar Artemisia’s tijd. Samen met haar vader Orazio stapt de lezer in 1600 de Contarelli kapel binnen. Het zien van Caravaggio’s Roeping van Mattheus zou zijn leven en dat van zijn dochter en andere kunstenaars voorgoed veranderen!

In het werk van vader en dochter Gentileschi en tijdgenoten zie je vele ontleningen aan dit voor die tijd baanbrekende werk. Anders dan de enigszins verheven beeldtaal voor bijbelse voorstellingen, maakte Caravaggio gebruik van alledaagse, door dramatisch clair-obscur belichte figuren, die hij zonder decorum in een onduidelijk gedefinieerde ruimte.

Gina Siciliano, Schavot voor de Engelenburcht, uit ‘I Know What I Am: The Life and Times of Artemisia Gentileschi’ grahic novel by Gina Siciliano

In Siciliano’s stripverhaal ontdek ik de mogelijke inspiratiebron voor de talrijke 17e eeuwse geschilderde onthoofdingen. Een historisch verantwoorde schets van een publieke executie die in 1599 –het jaar waarin Caravaggio zijn Judith onthoofdt Holofernes schilderde- voor de Engelenburcht in Rome plaats vond.

Goede wijn behoeft geen krans’

Of in Artemisia’s woorden: …’Ik zal u niet langer vervelen met mijn vrouwelijke kletspraatjes: de werken spreken voor zichzelf’, zoals ze schreef aan de kunstverzamelaar Don Antonio Ruffo van wie zij een opdracht hoopte te krijgen.

Artemisia Gentileschi Allegorie op de roem, zelfportret als Clio, ca. 1630-1635 The Bennett Collection of Women Realists, San Antonio

In de halfdonkere eerste zaal staat de bezoeker meteen oog in oog met Artemisia Gentileschi. Niet gehinderd door enige vorm van bescheidenheid portretteerde zij zichzelf in de gedaante van Clio, de Griekse muze van de faam. En bescheidenheid is ook niet nodig: ere wie ere toekomt!  Artemisia is de eerste 17e eeuwse vrouwelijke kunstenaar die indertijd tot ver buiten de eigen landsgrenzen beroemd werd. Haar Zelfportret als Pittura, de personificatie van de schilderkunst, werd door koning Karel I van Engeland aangekocht.

Artemisia Gentileschi Allegorie op de schilderkunst, 1638-1639 Royal Collection, Londen

Aan de wand van de tentoonstellingszalen worden veelzeggende zinsneden uit Artemisia’s brieven, die wonderwel vierhonderd jaar bewaard zijn gebleven, geciteerd. Ze geven een inkijkje in het gevoelsleven van deze vooruitstrevende vrouw en haar inspanningen om zich in een door mannen gedomineerde wereld staande te houden. Hoe deed ze dat? Moest zij zich middels een opgeplakte snor vermommen als man? In deze uitmonstering werd zij door de in Rome woonachtige Leonard Bramer op een geinige manier geportretteerd. Ook zonder snor, maar bepaald manmoedig, veroverde zij een plaats in de galerij der grote barokkunstenaars.  

Leonaert Bramer Portret van Artemisia als man met snor, ca. 1620, Koninklijk Musea voor Schone Kunsten van België, Brussel

In de expositie wordt dit portret geflankeerd door de koppen van Dirk van Baburen en Gerard van Honthorst, met wie zij bevriend was. Samen waren ze lid van de Romeinse Accademia dei Lincei; een genootschap waar poëzie, historie en wetenschappen werden beoefend. Ook Simon Vouet, Pierre Dumonstier en Jerome David gaven met portretten van de Italiaanse kunstenares uitdrukking aan hun bewondering voor Artemisia. In zijn gravure naar een verloren gegaan zelfportret van Artemisia lezen we: Invidendum Facilius Quam Imitandum. Haar te benijden is makkelijker dan haar te imiteren!

(Her)Waardering         
Hoewel ze lange tijd in de schaduw van haar vader Orazio Gentileschi en anderen stond genoot Artemisia in de 17e eeuw in binnen en buitenland al bekendheid. In de kunstenaarsbiografiën van Giovanni Baglione (1566-1643) en Joachim von Sandrart (1606-1688) wordt haar naam genoemd. Ze kreeg opdrachten van de groothertog van Toscane, Cosimo II, Michelangelo de Jongere èn Koning Karel I van Engeland. In de late 18e en 19e eeuw raakte ze, door een algemene smaakverandering geleidelijk aan buiten beeld. Het donkere Caravaggeske palet maakte plaats voor heldere gelijkmatig belichte voorstellingen. Ook werd haar werk soms aangezien voor dat van mannelijke tijdgenoten, voor wie ze met haar techniek en overtuigende stofuitdrukking blijkbaar niet onder deed. Haar figuren worden met een dramatisch clair-obscur belicht èn vanuit het perspectief van een vrouw met emotie weergegeven. En dit zonder officiële opleiding!

Omdat vrouwen niet werden toegelaten tot de academie moest Artemisia de kunst afkijken van haar vader en mannen als Caravaggio en Agostino Tassi.

De betrekkelijke onzichtbaarheid van Artemisia en haar weinige vrouwelijke collega’s heeft sinds het einde van de vorige eeuw heel wat pennen in beweging gezet. Op internet kwam ik teksten van feministische kunsthistorici tegen die in de jaren ’80 beweerden dat in H.W. Janson’s gezaghebbende Wereldgeschiedenis van de kunst …’geen enkele vrouwelijke kunstenaar voorkomt’… Toen ik mijn editie erop na sloeg zag ik dat vrouwen weliswaar ver in de minderheid zijn, maar degenen wier naam niet in het zwarte gat van de geschiedenis zijn verdwenen, noemt hij wel degelijk. Aan Artemisia Gentileschi besteedt Janson zelfs evenveel woorden als aan haar beroemde voorganger Caravaggio. En -even terzijde- bij ‘onze eigen’ Judith Leyster (1609-1660) memoreert Janson, het moederschap als voornaamste oorzaak van de afwezigheid van vrouwen. Al zijn er uitzonderingen. Rachel Ruysch zette 10 kinderen op de wereld en liet ook nog een prachtig geschilderd oeuvre na. Artemisia kreeg 5 kinderen, van wie alleen haar dochter Prudenzia de volwassen leeftijd bereikte. Zij leerde haar dochter het schildersvak, maar er zijn geen werken van Prudenzia’s hand bekend.

In de 20e eeuw werd Artemisia door de Italiaanse kunsthistoricus Roberto Longhi uit een lange winterslaap gewekt. In 1916 publiceerde hij zijn biografie Gentileschi padre e figlia. In Longhi’s ogen was Artemisia ’de enige vrouw in Italië die ooit heeft begrepen wat schilderkunst is’… Ook Longhi’s echtgenote Anna Banti, raakte in de ban van Artemisia. In de jaren ’50 publiceerde zij een biografische roman over Artemisia wier leven in 1997 werd verfilmd. En in 2002 verscheen een historische roman door Susan Vreeland. 

Feministische hordenloop 
Ook feministische kunsthistorici kregen oog voor Artemisia. In The Obstacle Race (1979) beschrijft Germaine Greer de hordenloop van vrouwelijke kunstenaars. Artemisia’s Portret van een vaandeldrager in de Pinacotheca van Bologna wekte niet alleen haar belangstelling voor de vergeten kunstenares; het werk bracht ook de overtuiging: … you can do it, girls!…Greers boek markeerde het begin van een blijvende herwaardering van Artemisia Gentileschi.

Tien jaar later deden de Guerilla Girls met een ludieke actie ook een feministische duit in het zakje. Op de stadsbussen van New York lazen voorbijgangers: …’Do women have to be naked to get into the MET?…

Evenredig aan de herwonnen museale aandacht, nam ook de financiële interesse voor Artemisia’s werk toe. In 2018 kocht de Londense National Gallery Artemisia’s Zelfportret als heilige Catharina van Alexandrië (1615-1617) voor 4.7 miljoen dollar. Dat was de ‘wake-upcall’ voor de internationale kunstmarkt. Bij het Franse veilinghuis Arturial werd vorig jaar een Lucretia voor bijna 5 miljoen euro afgehamerd.

Artemisia Gentileschu, Zelfportret als Catharina van Alexandrië, 1616, National Gallery, Londen

Meme Artemisia door MeToo

È vero, È vero, È vero!
Onder tortuur schreeuwde Artemisia deze woorden uit tijdens het proces dat haar vader Orazio in 1612 had aangespannen tegen de man aan wie hij zijn dochter voor perspectieflessen had toevertrouwd maar die dat vertrouwen zo ernstig had beschaamd. Tassi beloofde met haar te trouwen, maar hij kwam zijn trouwbelofte niet na. Dat kon ook niet, want hij was al getrouwd. Artemisia’s vingers werden met een scherp aangetrokken touw gepijnigd en ze werd middels een vaginaal touché, onderworpen aan een vernederend lichamelijk onderzoek. Tassi werd schuldig bevonden en verbannen, maar kon niettemin ongestraft in Rome blijven. Het juridische verslag van dit wellicht vroegst geboekstaafde #MeToo voorval was in 2018 in de Artemisia tentoonstelling in Londen te zien. De #MeToo beweging heeft Artemisia’s portret als meme geadopteerd.

Artemisia Gentileschi personificatie van de Inclinatie, 1615-1616, Casa Buonarroti, Florence

Na een gearrangeerd huwelijk met Pierantonio Stiattesi vertrok Artemisia toen zelf maar naar Florence. Over haar echtgenoot weet de geschiedenis niet veel meer te melden dan dat hij goed was in het opmaken van Artemisia’s geld. In Florence begon haar ster te rijzen. Zij werd -uitzonderlijk voor een vrouw- toegelaten tot de Accademia dell’Arte del Disegno. Ze ontving opdrachten van Cosimo II de’Medici. Via hem openden zich deuren die voor anderen gesloten bleven. Ze raakte bevriend met Galileo Galileï en van Michelangelo de Jongere ontving ze de opdracht voor het schilderen van een Personificatie van de Inclinatie, dat zich nog altijd in Casa Buonarotti bevindt. En ze ontmoet de edelman Francesco di Niccolo Maringhi. Met de vondst van een aantal onthullende brieven kwam deze affaire in 2011 aan het licht.

De personificatie, voor wie Artemisia zelf model stond, laat zich leiden door haar attribuut, een kompas en een ster aan het firmament.  Elementen die zij via haar vriendschap met Galileo Galilei in haar repertoire had opgenomen.

Thema’s
Wandteksten met citaten uit Artemisia’s brieven lichten de thema’s in de tentoonstelling toe. Het thema Vrouw in de Mannenwereld wordt geïllustreerd met de woorden die ze in 1649 schreef aan Don Antonio Ruffo:

Ik denk niet dat u enig verlies zal lijden als u met mij in zee gaat. En u zult de geest van Caesar in de ziel van een vrouw vinden….

Rembrandt, Aristoteles met de buste van Homerus, 1653, Metropolitan Museum of Art

Bij Rembrandtkenners gaat bij het horen van deze naam wellicht een belletje rinkelen. Ja, ook Rembrandt correspondeerde met deze Siciliaanse kunstverzamelaar, voor wie hij het doek Aristoteles met de buste van Homerus schilderde, dat zich thans in het Metropolitan museum in New York bevindt.

Bij Het lichaam van een Vrouw: worden Averardo de’Medici’s woorden aangehaald: …Bij wijze van spreken kun je de zachtheid van haar prachtige huid bijna met je handen voelen….
Bij het thema Getekende Levens ventileert ze haar ongenoegen over de ongelijke financiële behandeling die haar als vrouw ten deel valt. En onder de noemer de Rollen omgedraaid prijst ze zichzelf met aan als: …’een vrouw met een overvloed aan talent, een vrouw die ieder onderwerp elke keer op een andere manier schildert.

Behalve in Florence werkte Artemisia in Genua, Rome, Venetië en Engeland. Tussen 1637-1639 werkte ze met haar vader in Greenwich aan plafondschilderingen in the Queens House die nu in Marlborough House te zien zijn.

Na het Engelse avontuur woonde ze in Napels, waar ze soms samen werkte met Massimo Stanzione en Viviano Codazzi. In de kathedraal van Pozzuoli bevindt zich een Heilige Januarius van haar hand.
In 1656 loopt haar levensspoor dood. Vermoedelijk is zij tijdens de pestepidemie van dat jaar overleden. Na lange tijd onzichtbaar te zijn geweest is Artemisia Gentileschi weer helemaal in the picture. Met de artistieke èn financiële waardering voor haar werk zit het anno 2021 ook wel snor!

Link: Rijksmuseum Twenthe: Artemisia. vrouw en macht

J. Keizer e.a., Artemisia Vrouw en Macht, Rijksmuseum Twenthe, Enschede, 2021.

B. Eberd & L. Helmus, UtrechtCaravaggio en Europa, tentoonstellingscatalogus, Centraal Museum Utrecht, 2018.

G. Siciliano, I Know What I Am: The Life and Times of Artemisia Gentileschi, Fantagraphics Books, Seattle, 2019.   

(Ook in Nederland verkrijgbaar)

Viva la Frida! Life and art of Frida Kahlo, tot en met 27 maart 2022 in het Drents Museum.

Viva la Frida op het Drents Museum Assen

Tijdens de voorbezichtiging van de tentoonstelling Viva la Frida Life and art of Frida Kahlo doet een dolgelukkige museumdirecteur Harry Tupan verslag van de aanloop naar deze spectaculaire tentoonstelling. Toen na jarenlang lobbyen en zorgvuldig opgebouwde contacten met bruikleengevers en sponsoren de plannen voor deze droomtentoonstelling eindelijk werkelijkheid leken te worden gooide de pandemie roet in het eten. De tentoonstelling moest worden uitgesteld, maar nu is het eindelijk zover …’and we’re glad to have you here, Frida!…

Ook hoofdconservator Annemiek Rens is blij. Als tiener raakte ze in de ban van Frida Kahlo en dit is nooit meer overgegaan. Het maken van deze tentoonstelling heeft zij als een ‘droomopdracht’ ervaren. Rens licht het bijzondere leven van de Mexicaanse kunstenares toe. Haar wens om dokter te worden ging door een ernstig verkeersongeval op in rook. Als arts had ze wellicht heel wat patiënten kunnen helpen, maar het aantal mensen dat zij met haar kunst en vrijgevochten ideeën vandaag de dag wereldwijd bereikt overtreft deze veronderstelling vele malen.

Frida Kahlo en Diego Rivera rond 1930, foto Peter A. Juley and Son

Frida Kahlo stond, zoals veel van haar seksegenoten, lang in de schaduw van mannen. Vooral in die van haar kolossale echtgenoot de bekende muralist Diego Rivera. In de vooroorlogse jaren verhinderde hij de medewerking van de getalenteerde vrouwelijke collega Maria Isquierdo aan muurschilderingen in het stadskantoor van Mexicostad. Een vrouw zou dat vast niet kunnen. Dit macho-gedrag demonstreerde Diego aanvankelijk ook jegens Frida. Aan een vriendin schreef ze:  …’as you can observe, I have painted. Which is already something, since I have spent my life until now loving Diego and being a good-for-nothing with respect to work’

Maar daar komt in 1938 verandering in. Na een solotentoonstelling in New York volgen exposities in Parijs (1939) en San Francisco (1940). Uiteindelijk krijgt ze ook van Diego erkenning. In zijn muurschildering met de Pan Amerikaanse eenheid uit 1940 zet hij Frida als kunstenaar neer. In eigen land kreeg zij in 1953, pas één jaar voor haar dood, met een solo tentoonstelling de erkenning die zij verdiende. Bij de opening was, ze liggend in bed, aanwezig.

Maar zover was het in 1932 nog niet. In dat jaar voegt Frida zich in haar Zelfportret op de grens tussen Mexico en de VS  nog in de voor echtgenotes gebruikelijke volgzame modus: zij signeert het werk met  ‘Carmen Rivera’. In dit enigszins surrealistische zelfportret plaatst Frida zichzelf maar op een voetstuk, gewapend met Mexicaanse vlag en onafscheidelijke sigaret. Mise-en-scène: Detroit, waar Diego aan muurschilderingen voor de Ford Motor Company werkt. 

Staand op de grens brengt zij haar heimwee naar Mexico in beeld, met links een pre-Columbiaanse tempel en rechts de skyline van het gehate Detroit, waar ze wegens een miskraam in het Henry Ford Hospital belandde. Impressies van deze nare ervaring zijn in verschillende schilderijen te zien.

Frida Kahlo, Zelfportret op de grens tussen Mexico en de VS, 1932, olieverf op metaal, 31 x 35 cm, Modern Art International Foundation (Courtesy Maria and Manuel Reyero) © 2021 Banco de México Diego Rivera & Frida Kahlo Museums Trust, Mexico Stad/ reproductie toegestaan door het Instituto Nacional de Bellas Artes y Literatura, 2021

Ondanks haar vele fysieke beperkingen schilderde zij een groot deel van haar oeuvre ongemakkelijk liggend in een bed dat met een schildersezel en een daarboven aangebrachte spiegel een klein atelier werd. In Assen worden 28 schilderijen en 14 tekeningen tegen de toepasselijke kleur van haar geboortehuis Casa Azul getoond. Ter voorbereiding op uw ontmoeting met Frida biedt de korte film Meet Frida een goede introductie.

Haar getekende en geschilderde werk laat zich lezen als een ijzingwekkende autobiografie. Wat de schilderijen niet vertellen wordt in de tentoonstelling aangevuld met foto’s, documenten, persoonlijke bezittingen, medische en orthopedische hulpmiddelen. Het enige object dat ontbreekt is haar rolstoel, waarvan je op verschillende foto’s een glimp opvangt. Frida’s persoonlijke bezittingen waren na haar dood door Diego Rivera niet, zoals vaker na een sterfgeval, opgeruimd of weggegooid, maar opgeslagen in de badkamer van Casa Azul. Pas in 2004 kwamen ze 50 jaar na dato, tevoorschijn. En nu zijn ze, door een bizarre speling van het lot of beter: de inspanningen van een ondernemende museumdirecteur en zijn medewerkers, als tastbare relieken van een bijkans pseudo-heilige in een –met alle respect- afgelegen Nederlandse provincie te zien!
In de expositie is de complete collectie van het Dolores Olmeda Museum te zien, aangevuld met werken uit het Frida Kahlo Museum en andere bruiklenen. Beide musea in Mexico-stad worden beheerd door Carlos Philips, zoon van Frida’s erfgename Dolores Olmeda.

Terwijl wij in het museumcafé genieten van een typisch Mexicaans broodje Pingo, zijn strak geregisseerde technici druk in de weer om de opening voor te bereiden. De volgende dag blijkt dat een fantastisch spektakelstuk te zijn. Online zien we hoe een stralende Maxima met een Mexicaans frutsel in haar opgestoken haar in Assen arriveert. Ze betreedt het museum niet over de voor hoogwaardigheidsbekleders gebruikelijke rode- maar een regenboogkleurige loper geflankeerd door een kleurrijke geklede Jetta Kleinsma. In het Drents museum worden opvattingen over inclusiviteit en gender mede geïnspireerd door de persoon van Frida Kahlo, uitgedragen.

Voor de lens van tevreden fotografen drukt Maxima het verlegen meisje met een opgetekende doorlopende wenkbrauwlijn dat een boeket aanbiedt even aan haar hart. Na dit fotomoment rent het beduusde kind snel terug in de armen van haar in de coulissen wachtende moeder. Voor de oranjeklanten was dit moment wellicht al de moeite waard. Binnen de muren van het museum volgt een spectaculaire op de Dia de las Muertos geïnspireerde openingsshow. Een genderfluïde vioolspelende personificatie van de dood betreedt, onder raspende en opzwepende tonen, het toneel. Geframed in schilderijlijsten voeren figuren ontleend aan Frida’s werk, naar idee van modeontwerper Sergio Cruz een bizarre dodendans uit.

Daarna werd het publiek vergast op een letterlijk en figuurlijk adembenemend optreden van breakdancer Redouan Ait Chitt. Ondanks het gemis van zes lichaamsdelen, gaf hij een wervelende, acrobatische dans ten beste. Een tour de force waarvan hij, alvorens de vragen van de presentatrice te beantwoorden, even moest bijkomen!

Na lovende woorden van de Mexicaanse ambassadeur gaf de Mariachi band van Joris Linssens met Aiaiai Caramba een vrolijke mix van het oerhollandse volkslied met een echo van de Zangeres Zonder Naam gegoten in een Mexicaans jasje. Ook voor niet-Spaanssprekende gasten goed te volgen met sleutelwoorden als: arriva, tequila, Viva Mexico, Viva la Frida en …. Viva la Reina, die het hele gebeuren met een welwillende professionele glimlach aanschouwde.

Even terug naar de vorige dag. Na de introductie dwaalde ik via de prachtig ingerichte tentoonstellingszalen door het leven en werk van Frida Kahlo. Deze zomer had ik in het Cobra Museum al kennis met haar gemaakt. In de tentoonstelling Frida & Diego schitterde zij ‘als een diamant’ tussen Mexicaanse tijdgenoten uit de Gelman collectie. In Assen is zij de enige ster. Behalve enkele werken die ik in Amstelveen zag, zie ik veel nieuwe werken, waarover straks meer.

Tijdens de Engelse online preview volg ik Annemiek Rens die met gast curatoren Gannit Ankori en Circe Henestrosa langs enkele topstukken wandelt.

Ankori, hoofdconservator van het Rose Art Museum in Waltham Massachusetts staat stil bij haar favoriet, Mijn voedster en ik uit 1937. Een klein werkje op metaal van slechts 30 x 35 cm, waarin Frida als volwassen vrouw, maar met het lichaam van een kind gevoed wordt door een reusachtige wetnurse. Haar vreemde zwarte gezicht wordt gevormd door een masker uit Teotihuacan uit de 3e--7e eeuw.

Frida Kahlo Mijn voedster en ik, 1937, 30,5 x 35 cm, Museo Dolores Olmedo, Xochimilco, Mexico © 2021 Banco de México Diego Rivera & Frida Kahlo Museums Trust, Mexico Stad/ reproductie toegestaan door het Instituto Nacional de Bellas Artes y Literatura, 2021

Hier gaat Frida terug naar haar prille jeugd, waarin zij de moederborst moest afstaan aan haar nieuwe zusje. Zelf werd ze naar een inheemse min gestuurd. Volgens Ankori zie je hier al de eerste tekenen van Frida’s voor die tijd vooruitstrevende ideeën ten aanzien van gender; de voedster heeft onmiskenbaar mannelijke gelaatstrekken.

Vervolgens bespreekt Ankori het frontaal weergegeven halfportret van een Mexicaanse meisje. Zij kijkt de beschouwer onbewogen aan. Het meisje Virginia heeft met haar doorlopende wenkbrauwlijn en het zwarte dons op haar bovenlip veel weg van Frida zelf. Op de keerzijde van dit werk zien we Frida in dezelfde houding. Dit vroege zelfportret  schetste ze in 1929 met behulp van een spiegel liggend in bed.


Een van de meest dramatische werken is Frida’s zelfportret de Gebroken Zuil, uit 1944. Ook al is het ongeluk dat haar in 1925 overkwam al vele jaren verleden tijd, de gevolgen ervan ervaart Frida in 1944 nog dagelijks. Weergegeven als een op meer plaatsen gebroken Ionische zuil bracht zij de verschillende fracturen van haar wervelkolom in beeld. Met een reeks chirurgische ingrepen werd getracht haar op te lappen, maar deze operaties en de haar toegemeten orthopedische korsetten konden de pijn en het ongemak niet wegnemen. De barsten in de aarde van het achterliggende Mexicaanse landschap vormen een echo van de breuken in haar lichaam. De talloze spijkers in haar huid herinneren aan de (slechts) drie exemplaren waarmee Christus aan het kruis werd genageld. Maar ook aan de pijlen waarmee de heilige Sebastiaan werd gemarteld. Met een gezicht nat van tranen vraagt zij als een vrouwelijke Ecce Homo om mededogen.

Frida Kahlo (1907-1954), De gebroken zuil, 1944, olieverf op doek op masoniet, 39,8 x 30,5 cm, Museo Dolores Olmedo, Xochimilco, Mexico © 2021 Banco de México Diego Rivera & Frida Kahlo Museums Trust, Mexico Stad/ reproductie toegestaan door het Instituto Nacional de Bellas Artes y Literatura, 2021

In deze voorstelling vormen de geprononceerde  borsten een opmerkelijke blikvanger. Ze zijn, getuige een foto mooier dan in werkelijkheid. Frida lijkt te willen zeggen: ook al ben ik geschonden, ik mag er nog wel wezen!

Door haar vele handicaps en wellicht door het veelal bedlegerige bestaan was Frida zeer gepreoccupeerd met haar lichamelijkheid. En ondanks haar fysieke beperkingen was ze seksueel, zowel in hetero als homoseksuele relaties zeer actief.

Na dit schilderij volgt de camera Circe Henestrosa, Hoofd van de School of Fashion Lasalle College of Arts in Singapore, naar de vitrine met medische korsetten. Hier ziet de bezoeker het uit staal en katoen vervaardigde exemplaar dat Frida in 1944 droeg.

Frida Kahlo, 1941

Ook werd haar torso meermaals gevangen in gipskorsetten. Henestrosa benadrukt dat zij deze nooit publiekelijk getoond zou hebben als niet Frida zelf deze met veelzeggende beelden beschilderd had tot een kunstwerk, dat door anderen gezien mocht worden. In een foto gemaakt door de bevriende fotograaf en schilder Florence Arquin (1900-1974) houdt Frida haar tuniek omhoog zodat je middels de hamer en sikkel kennis kan nemen van haar politieke overtuiging en het feit dat zij zwanger is. Op een ander woest beschilderd gipskorset is de symbolische gebroken zuil weer prominent afgebeeld.

Daarna wordt de vitrine met Frida’s vrolijk beschilderde schoeisel gefilmd. Frida’s in een frivool rood rijglaarsje gestoken kunstbeen komt op mij wat luguber over. In mijn auditieve verbeelding hoor ik haar, begeleid door het gerinkel van de eraan bevestigde  belletjes, aankomen…

Beenprothese met laars voorzien van vetersluiting 1953-1954, Mexico Metaal, leer, geborduurde zijde en lint Museo Frida Kahlo / Banco de México Diego Rivera & Frida Kahlo Museums Trust, Mexico City

Vlakbij ziet de bezoeker het getekende zelfportret getiteld Las apariencias engañan, schijn bedriegt, dat ik in mijn bespreking van de Frida Kahlo tentoonstelling in Amstelveen ook laat zien. Dwars door het kleurrijke textiel is de beenprothese zichtbaar. Een goed uitgangspunt om te gaan kijken in de zaal waarin de vele authentieke, door Frida zelf gedragen Mexicaanse rokken en bijpassende tuniekjes, de huipils getoond worden. Hier hebben de samenstellers van de expositie alles uit de (Frida’s) kast gehaald om een indruk te geven van haar kleurrijke garderobe.


Ze verstond de kunst de aandacht van haar handicap af te leiden middels veelkleurige kleding, sieraden en ingewikkelde kapsels. Met name die ingewikkelde ‘hairdo’ was een echte blikvanger!

Bijzonder fraai is de dracht van de vrouwen in Tehuana, naast hun veelkleurige rokken dragen zij ook een indrukwekkende hoofdtooi, waarmee Frida zichzelf in het iconische portret dat deze zomer in het Cobra Museum te zien was, portretteerde.

Frida Kahlo, Diego on my mind (Self-portrait as Tehuana), 1943 Courtesy of The Jacques and Natasha Gelman Collection of 20th Century Mexican Art and The Vergel Foundation/INBAL-Secretaría de Cultura. © 2021 Banco de Mexico Diego Rivera Frida Kahlo Museums Trust, Mexico DF c/o Pictoright Amsterdam 2021
Lemetten, vóór 1500 Ketting samengesteld door Frida Kahlo, midden 20e eeuw

Behalve eigentijdse sieraden droeg Frida ook graag snoeren van archeologische kralen van Jade en een door haarzelf van pre-Columbiaanse lemetten samengesteld halssieraad.

Door deze met zorg gekozen kleurrijke representaties wist ze vooral in de VS en Parijs de aandacht op zich te vestigen. Een vorm van zelfpromotie waarmee ze haar tijd ver vooruit was. Haar zelfportretten met de aapjes doen het in dit verband goed. Gevraagd naar haar favoriet antwoordt Annemiek Rens het Zelfportret met aapjes. In het Casa Azul omringde ze zich met allerlei als huisdier gehouden beesten, aapjes en Mexicaanse naakthonden.

Frida Kahlo (1907-1954), Zelfportret met aapje, 1945, olieverf op doek, 56 x 41,5 cm, Museo Dolores Olmedo, Xochimilco, Mexico © 2021 Banco de México Diego Rivera & Frida Kahlo Museums Trust, Mexico Stad/ reproductie toegestaan door het Instituto Nacional de Bellas Artes y Literatura, 2021
Fotograaf onbekend, Frida bij aankomst in New York, 1938, foto, 16,8 x 11,2 cm, Museo Dolores Olmedo, Xochimilco, Mexico / © Archive of the Dolores Olmedo Muse

Na deze speelse impressie volgt hier een korte toelichting van de opbouw van de tentoonstelling. Aan de hand van de volgende thema’s wordt de wereld van Frida Kahlo geschetst. Beginnend met haar tot museum ingerichte geboortehuis. Middels documenten en foto’s kom je dichtbij haar en maak je kennis met familie en vrienden. In het hoofdstuk over het door haar snierend als Gringolandia aangeduide Amerika, volgt de bezoeker haar naar de VS. In Detroit, Los Angeles en New York werkte Diego Rivera aan muurschilderingen. Onder de noemers Kracht en Kunst en Kunst en Mode worden werken en foto’s getoond, waarin te zien is dat Kahlo fysiek gebroken was. Zij liet zich echter door alle lichamelijke pijn en daaruit voortkomende psychische ellende niet kapot maken. Integendeel, hoewel ze soms echt niet meer kon, bleef ze geïnspireerd door al die tegenspoed geholpen door pijnstillers en alcohol, toch schilderen. En hoe!

Het fraai uitgegeven begeleidende boek, dat veel meer is dan een catalogus, informeert de bezoeker over de historische context, Frida’s strijd voor gelijkheid en haar vrijgevochten, taboe-doorbrekende opvattingen. Verschillende auteurs trekken deze door naar eigentijdse standpunten inzake gender identiteit, feminisme en women empowerment.

Bijzonder leuk zijn de hoofdstukken over de invloed van Frida op  beeldende kunst, fotografie en -onder de noemer ‘van medisch naar modisch’- mode. Dit laatste wordt mooi geïllustreerd met prêt-à-porters van de Chinese modeontwerpster Jade Lai uit 2017. Eerder had de Engelse modeontwerper Dai Rees zich ook laten inspireren door Frida’s korsetten.

Het werk van Frida Kahlo overschrijdt niet alleen het kader van het schilderij, maar ook de Zeitgeist, aldus modeontwerper Kris van Assche in zijn bijdrage aan het boek bij de tentoonstelling. In 2008 ontwierp hij een op Frida –die zichzelf regelmatig in een driedelig herenkostuum stak- geïnspireerde collectie voor vrouwen.
Talrijk zijn de beeldend kunstenaars die in het voetspoor van- of  geïnspireerd door het werk van Frida hun creatieve fantasie de vrije loop lieten. Het zou interessant geweest zijn om werk van Arie van der Geest, Kiki Smith, Rosa Loy of Wawi Navarozza naast Frida’s werk te zien. Een idee voor een volgende tentoonstelling? 

Daarin zou dan ook de naklank van Frida’s kunst in de wereld van de muziek een plaats kunnen krijgen. In de catalogus kom ik een bekende tegenwoordig als albumcover aangeduide platenhoes van Coldplay tegen; in 2008 de favoriet van mijn tienerdochter. De heldin van de Franse Revolutie, Marianne gaat met ontblote borst en rode banier strijdlustig voort onder de leus Viva la Vida, ontleend aan het gelijknamige stilleven met watermeloenen van Frida Kahlo. En ook Madonna en de Mexicaanse popdiva Belinda voor wie Frida eveneens een inspiratiebron was, zouden daar niet misstaan.


Lees hierover meer in mijn eerder gepubliceerde bespreking van de tentoonstelling Frida & Diego A Love Revolution.

En ga kijken in Assen, naar deze tentoonstelling van internationaal allure. Uit de openingstijden spreekt een kosmopolitische aanpak, waaraan grootstedelijke musea een voorbeeld zouden kunnen nemen. In Assen kan de bezoeker tot en met 27 maart zeven dagen per week van 10.00 tot 18.00 terecht en op vrijdag zelfs tot 22.00 uur. Ook wordt een uitgebreid activiteitenprogramma geboden, met lezingen, een festival, een podcastserie en een spectaculaire viering van nationale feestdag de Dia de Muertes, die op Allerzielen op 2 november a.s. en het eraan voorafgaande weekend in Assen wordt gevierd.

Bibliografie en meer:

A. Rens e.a., Viva la Frida Life and art of Frida Kahlo, Drents Museum Assen, 2021.

Link:  activiteitenprogramma Drents Museum

Documentaire op NPO start+ : Frida Kahlo

Link artikel op deze site over de tentoonstelling in Amstelveen, Frida Kahlo & Diego Rivera: A Love Revolution.

Bekijk ook de Introductiefilm Meet Frida (duur 9 minuten) in de Abdijkerk van het Drents Museum als inleiding op de tentoonstelling.

Naast de tentoonstelling organiseert het Drents Museum een uitgebreid activiteitenprogramma met: Te Gast-lezingen, een festival, een podcastserie en een evenement rond de Mexicaanse feestdag Día de Muertos (Allerzielen, 2 november). Hiervoor werkt het Drents Museum onder meer samen met Eva Koreman, Hedy d’Ancona, Cathelijne Blok, Redouan Ait Chitt, Gerda Lenten Havertong en Nadia Moussaid.