Gerard van Honthorst, in alles anders dan Rembrandt. Tot 14 september 2026 in het Centraal Museum. 

Gerard van Honthorst, de Koppelaarster, 1625. Paneel 71 x 104 cm. Centraal Museum, Utrecht. Persbeeld

Thuis is dit jaar het museale sleutelwoord. Recent kwamen museumbezoekers al thuis bij de Zwolse familie Ter Borch; in Amsterdam keerden ze terug naar de zeventiende eeuw en in de Leidse Lakenhal kun je tot half september thuis zijn bij Jan Steen.

De kosmopoliet Gerard van Honthorst (1592-1656) is nu eveneens thuis in zijn geboortestad, al was hij allerminst een thuisblijver. In de chronologisch ingerichte tentoonstelling volg je de zeventiende-eeuwse meester op zijn reizen. Met ogenschijnlijk gemak, con sprezzatura, zoals voorgeschreven in het ‘Hoe hoort het eigenlijk’ van de Italiaanse auteur Baldassare Castiglione, bewoog hij zich even vanzelfsprekend in Rome, Den Haag als Londen.

Bij het zien van de ruim 60 schilderijen in deze overzichtstentoonstelling wordt duidelijk dat Honthorst een cruciale schakel vormt tussen de Italiaanse en de Nederlandse schilderkunst. De subtitel van de expositie luidt: In alles anders dan Rembrandt. Conservator Liesbeth Helmus benadrukt dat het niet om een wedstrijd gaat, maar het is wel hoog tijd om Honthorst, die lang in Rembrandts schaduw stond, opnieuw te waarderen als een van de grote meesters van zijn tijd.

Die eclips dateert uit de negentiende eeuw. Toen Europese landen na de Franse overheersing op zoek gingen naar een eigen identiteit, werd Rembrandt als nationale held op de Hollandse kaart gezet. Honthorst, die in de zeventiende eeuw ook internationaal veel succesvoller was, raakte daardoor buiten beeld.

Halverwege de tentoonstelling maakt een geïllustreerde tijdlijn de levensloop en artistieke wapenfeiten van beide kunstenaars inzichtelijk. Eén ding hadden zij gemeen: een ongekend talent, dat zij niet voor zichzelf hielden. Beiden hadden een werkplaats met veel leerlingen, die voor hun opleiding honderd gulden per jaar betaalden. Artistiek én qua karakter waren zij elkaars tegenpolen. Rembrandt was eigenzinnig, een non-conformist die zich weinig aantrok van zijn opdrachtgevers. Honthorst daarentegen was beminnelijk en flexibel. Met een corrigerende, flatterende toets kwam hij tegemoet aan de wensen van zijn opdrachtgevers.

Gerard van Honthorst, Zelfportret, 1655. Doek 116 x 93,5 cm Rijksmuseum, Amsterdam

Aan het begin van de tentoonstelling zie je het portret van een stijlvol geklede, zelfverzekerde man met een verzorgd voorkomen. In dit ogenschijnlijk sobere zelfportret, dat Honthorst twee jaar voor zijn dood schilderde, ligt zijn hele carrière besloten. Het getekende portret in zijn hand herinnert aan zijn leertijd bij Abraham Bloemaert, terwijl een Romeinse buste op de achtergrond verwijst naar zijn jaren in Italië. Een aardig detail is de quasinonchalant geschilderde erepenning, die koningin Christina van Zweden hem schonk als dank voor een door hem vervaardigd portret. Met het studiemodel van een gevilde man en de tekenstift in zijn hand presenteert Honthorst zich bovendien minder als schilder dan als tekenaar. Om deze onderbelichte kant van zijn oeuvre voor het voetlicht te brengen, is een interessant kabinet ingericht met veertig tekeningen.

Dit zelfportret wordt geflankeerd door portretten van zijn echtgenote Sophia Coopmans en dochter Eva. Op bijzonder originele wijze vereeuwigde hij haar terwijl zij – zogenaamd – het portret van haar echtgenoot, de Haagse advocaat Jacob van Rosendael, schildert. De engel, symbool van inspiratie, zou je met terugwerkende kracht als een prefiguratie kunnen lezen. Vanaf het doek kijkt Eva de beschouwer blakend van levenslust aan. Drie jaar later overleed zij, vlak voor de geboorte van haar eerste kind. Ars longa, vita brevis.

In het voetspoor van zijn leermeester Abraham Bloemaert vertrok Honthorst in 1612 of 1613 naar Italië. Op een uitvergroting van de in 1593 door Antonio Tempesta ontworpen stadsplattegrond zijn de plaatsen gemarkeerd waar Honthorst zijn sporen in de Eeuwige Stad naliet.

Wie in 2019 de eveneens door Helmus samengestelde tentoonstelling Caravaggio en Europa bezocht, herinnert zich wellicht het eerste werk dat Honthorst bij aankomst in Rome zag: Caravaggio’s Kruisiging van Petrus in de Santa Maria del Popolo. Dat schilderij maakte grote indruk op hem; Honthorst schetste er een vrijwel identieke kopie van.

Gerard van Honthorst, Christus voor de Hogepriester, ca. 1617. Doek 272 x 183 cm. The National Gallery, Londen

Zijn talent bleef niet onopgemerkt. Hij ontving opdrachten van vooraanstaande kunstverzamelaars als Giovanni Battista Longhi en van kardinalen als Francesco del Monte en Scipione Borghese, voor wie hij een altaarstuk met het Visioen van Paulus voor de Santa Maria della Vittoria schilderde. Ook de gebroeders Benedetto en Vincenzo Giustiniani, bij wie hij gastvrijheid genoot, behoorden tot zijn opdrachtgevers. Het voor Vincenzo geschilderde doek met Christus voor de Hogepriester is nu in Utrecht te zien.

De in Italië geschilderde werken weerspiegelen de invloed van barokke tijdgenoten, onder meer in de geëxalteerde verbeelding van heiligen. Van Caravaggio nam Honthorst het realisme en de dramatische licht-donkereffecten over. Zijn bedrevenheid in het schilderen van nachtstukken bezorgde hem in Rome de bijnaam Gherardo delle Notti. Met die beeldmiddelen zou hij op zijn beurt tijdgenoten als Rembrandt, Vermeer en Hals beïnvloeden.

Gerard van Honthorst Oude vrouw dekt kaars af met rechterhand, ca. 1618-1620
Particuliere collectie, Verenigd Koninkrijk

In de figuurstukken die hij na zijn terugkeer in Utrecht in 1620 maakte, blijft Caravaggio’s invloed nog jarenlang zichtbaar. Dat geldt ook voor het werk van andere Italiëgangers als Hendrik Ter Brugghen, Dirck van Baburen en Jan Bijlert, die als de zogeheten Utrechtse Caravaggisten een plaats hebben gekregen in de vaste collectie van het Centraal Museum. Hun halffiguren, geschilderd met dramatische licht-donkereffecten, waren in de eerste decennia van de zeventiende eeuw bijzonder populair. Honthorsts doek Oude vrouw met kaars is daarvan een treffend voorbeeld. In het altaarstuk met de Onthoofding van Johannes de Doper, dat hij in opdracht van Giovanni Battista Longhi schilderde voor diens kapel in de Santa Maria della Scala, figureert zij als metgezel van Salomé.

In Utrecht zijn verschillende indrukwekkende nocturnes te bewonderen, zoals de Bespotting van Christus uit Los Angeles en de Verloochening door Petrus uit Rennes.

Zaalafbeelding: De verloochening door Petrus ca 1616-1617 doek 150 x 197 cm Musée des Beaux Arts Rennes en Bespotting van Christus, ca.1617. Doek 146 x 207 cm. Los Angeles County Museum of Art Foto: Almichael Fraay

In de opstelling zie je enkele monumentale, op Italiaanse leest geschoeide altaarstukken, zoals de Bewening die Honthorst schilderde voor de kapel van bisschop Antoon Triest in de Gentse Sint-Baafskathedraal. In overeenstemming met het credo van de Contrareformatie, volgens welke kunstwerken gelovigen emotioneel moesten aanspreken, voegde Honthorst op verzoek van de opdrachtgever enkele huilende putti toe die de lijdenswerktuigen torsen. Voor zijn compositie baseerde hij zich op een werk van Anthony van Dyck, dat eveneens te zien is.

Gerard Honthorst, Bewening van Christus met huilende Putti, 1633. Doek 400 x 240 cm.
Sint Baafskathedraal, Gent.

Ook in het onlangs verworven grote doek met de Extase van Maria Magdalena uit 1618-1620 past Honthorst het dramatische chiaroscuro toe. Volgens de legende kwam Maria Magdalena na een leven in zonde tot inkeer. Honthorst verbeeldt de extase die zij beleeft wanneer engelen haar naar de hemel begeleiden. Eeuwenlang stond zij ten onrechte te boek als prostituee. In de vijfde eeuw haalde paus Gregorius de Grote drie Bijbelse vrouwen door elkaar: Maria van Magdala, Maria van Bethanië en de zondares die de voeten van Jezus zalfde. Sindsdien regeert de misvatting. In 2016 werd Maria Magdalena door paus Franciscus in ere hersteld met de titel apostel der apostelen: zij was de eerste getuige van Jezus’ opstanding.

Gerard van Honthorst, De extase van Maria Magdalena, ca. 1618-1620. Doek 146 x 119 cm. Centraal Museum.

Met de vaardigheden die hij in het atelier van Abraham Bloemaert en in Italië had opgedaan, ontwikkelde Honthorst zich tot een artistieke alleskunner. Zijn oeuvre omvat Caravaggistische figuurstukken, pastorale scènes, gehistorieerde portretten en historiestukken. Juist die laatste categorie, met historische, bijbelse en mythologische onderwerpen, gold destijds als de hoogste tak van de schilderkunst. Voor andere genres volstonden een scherp waarnemingsvermogen en een vaardig penseel; voor een historiestuk was ook kennis nodig, zowel bij de schilder als bij de beschouwer. Bovendien moest de kunstenaar hartstochten en emoties, de zogenoemde ‘affecten’, overtuigend weten te verbeelden. Nog altijd is het een intellectuele uitdaging het uitgebeelde verhaal te herkennen. Een van Honthorsts beste historiestukken is zijn verbeelding van Suzanna en de ouderlingen, een onderwerp dat in het licht van de MeToo-schandalen opnieuw actueel is geworden, zoals ook bleek uit de aan Susanna gewijde tentoonstelling in Gouda. In dit werk brengt Honthorst niet alleen de gretigheid van de wellustige voyeurs, maar vooral ook de angst van Susanna meesterlijk in beeld. Vijfentwintig jaar na zijn terugkeer uit Italië klinkt in het contrast tussen haar blanke lichaam en bruine handen nog altijd de echo van Caravaggio door.

Zaalbeeld met op de voorgrondSuzanna en de Ouderlingen 1655. Galleria Borghese, Rome
Foto: Almichael Fraay

Na zijn terugkeer in Utrecht maakten religieuze onderwerpen plaats voor genrestukken met musicerende figuren en pastorale scènes. De seksuele grappen in Honthorsts Caravaggistische figuurstukken, zoals De koppelaarster, werden destijds onmiddellijk begrepen, maar vragen tegenwoordig om toelichting. In het beeld van de verleidelijk lachende herderin met haar vogelnestje herkende de goede verstaander een embleem van Jacob Cats. Zijn moraliserende prent van een ontsnapt vogeltje verwees naar het verlies van maagdelijkheid. Ook in andere zeventiende-eeuwse schilderijen verwijzen vogels en gevogelte vaak naar een werkwoord dat toen iedereen kende: vogelen

G. Van Honthorst, De luizenjacht, 1628. Doek 133 x 199 cm. Dayton Art Intstite

In de nocturne De luizenjacht uit 1628 inspecteert een hoerenmadam de sponde van een naakt meisje op de aanwezigheid van schaamluizen. Twee potentiële klanten wachten de uitkomst met belangstelling af.

Ook de betekenis van het onschuldig ogende werkje Kwajongen die kaas onderzoekt zal de contemporaine kijker niet zijn ontgaan. Met wat inlevingsvermogen kun je de opgehangen scamozzi (mozzarellabollen) aanzien voor testikels.

De moraliserende boodschap in het doek waarin een soldaat en een meisje met vuur spelen, is duidelijk: begeerte is als vuur; je kunt je er lelijk aan branden. De catalogus leert dat dit van oorsprong klassieke thema, evenals het pastorale genre waarin de protagonisten heerlijke herdersuurtjes beleven, in de Renaissance nieuw leven werd ingeblazen. Het op P.C. Hoofts gelijknamige toneelstuk gebaseerde doek met Granida en Daifilo is daarvan een mooi voorbeeld. Tot dit pastorale genre behoren ook de als herders en herderinnetjes geportretteerde kinderen van de Winterkoningin Elizabeth van Bohemen: Henriette en Eduard van de Palts.

In de categorie portretten springt het monumentale doek met de beeltenis van Maria de’ Medici in het oog. In de zomer van 1638 werd zij in Amsterdam op grootse wijze ontvangen; schrijver Caspar van Baerle deed daarvan uitvoerig verslag. Op de -inmiddels verdwenen- buitenplaats Honselaarsdijk werd zij ontvangen door Amalia van Solms. ‘Op een regenachtige dag’ kreeg Honthorst opdracht haar te portretteren. Daarbij keek hij de kunst af van een eerder door Van Dyck geschilderd portret van de vorstin, dat hier eveneens te zien is. Er was kennelijk haast bij, want aan het beschilderen van de lege plek links op het doek – waar Van Dyck een stadsgezicht van Antwerpen aanbracht – kwam Honthorst niet meer toe.

G. van Honthorst, Muziekgezelschap op een balkon, 1622. Paneel 309 x 216 cm. Paul Getty Museum, Los Angeles.

Halverwege de expositie zie je, naast de geïllustreerde tijdlijn, een kopie van Honthorsts illusionistische plafondschildering met musicerende figuren uit het Getty Museum. De voorstelling, die hij twee jaar na zijn terugkeer in Utrecht ontwierp, komt geprojecteerd op het grote raam van de Stallen bijzonder mooi tot haar recht.

Op uitnodiging van de Engelse koning reisde Honthorst in 1628 naar Londen. Met portretten van het Engelse koningshuis en de Hollandse Oranjes maakte hij er furore. In datzelfde jaar ontstond het spontane, van dichtbij waargenomen portret van koning Karel I. De monarch, die veertien jaar later met goedkeuring van het Engelse parlement werd geëxecuteerd, heeft het hoofd hier nog stevig op zijn plaats.

Zaalbeeld:G erard van Honthorst, Portret Koning Karel I, 1628, doek 76 x 64 cm. National Portrait Gallery, Londen Foto: Almichael Fraay

In de laatste zalen zie je wand vullende blow-ups van Honthorsts monumentale plafond- en wandschilderingen in The Queen’s Staircase in Hampton Court Palace en de Oranjezaal in Huis ten Bosch (1648-1652).

Gerard van Honthorst, Apollo en Daphne, The Queens Staircase, Hampton Court Palace

Voor we naar Den Haag gaan, waar Honthorst in 1637 een tweede werkplaats opende, blijven we nog even in Engeland. Daar schilderde hij een familieportret van George Villiers, de hertog van Buckingham, met wie koning Karel I bevriend was. In het trappenhuis van Hampton Court Palace beeldde Honthorst hen, samen met hun echtgenotes, af als spelers in een theaterstuk over Apollo en Diana. Het modello, een voorstudie in zwart krijt, is te zien in het kabinet met tekeningen. De uitvergroting op de wand geeft een indruk van het heldere, classicistische en gelijkmatig belichte palet dat Honthorst onder invloed van de Franse smaak inmiddels had overgenomen. Karel I beloonde de schilder met een bedrag van omgerekend drieduizend gulden en een levenslang pensioen. Daarbovenop ontving Honthorst een twaalfdelig zilveren servies, een fraai paard en het Engelse staatsburgerschap.

De allegorische beschilderingen van The Queen’s Staircase en Huis ten Bosch vormen het hoogtepunt van Honthorsts scheppend vermogen. De eerste steen voor Huis ten Bosch werd in 1645 gelegd. Lang hebben Frederik Hendrik en Amalia van Solms niet van dit buitenverblijf kunnen genieten: twee jaar later overleed de stadhouder. Ter nagedachtenis aan haar echtgenoot liet Amalia van Solms de koepelzaal, naar ontwerp van architect Jacob van Campen, beschilderen. In vijf allegorische dubbelportretten wordt niet alleen Frederik Hendrik verheerlijkt; in het iconografische programma liet zij ook een portrait historié opnemen, waarin zij figureert als Artemisia, de voorbeeldige weduwe van de Perzische heerser Mausolos. Door de in wijn opgeloste as van haar gecremeerde echtgenoot te drinken, gaf zij letterlijk en figuurlijk blijk van een echtelijke liefde die de grenzen van de dood overstijgt.

Honthorst, Portret van Amalia van Solms als Artemisia, 1635  Princeton University Art Museum, Princeton. Buiten tentoonstelling

In 1632 stond Amalia ook model voor Honthorst. Eerder dat jaar kreeg Rembrandt opdracht voor een pendant met haar beeltenis bij een door Honthorst vervaardigd portret van Frederik Hendrik. Na voltooiing van dit portret werd Honthorst gevraagd het werk over te doen. Bij het zien van de naast elkaar geplaatste portretten is in één oogopslag duidelijk waarom.

Rembrandt van Rhijn, Portret van Amalia van Solms, 1632 Musée Jacquemart-André en Gerard van Honthorst Portret van Amalia van Solms, 1630 Mauritshuis Foto: Almichael Fraay

  

Het zijn twee van de ruim zestig eigen werken en bruiklenen uit onder meer het Louvre, de Britse Royal Collection en de Galleria Borghese, die tot en met 14 september in het Centraal Museum te zien zijn.

Link: Centraal Museum

Publicatie De Wereld van Gerard van Honthorst door Liesbeth M. Helmus Uitgeverij WBooks

Tentoonstelling Kaarslicht, tot en met 27 maart 2022 in Museum Gouda.

Godfried Schalken, lachende man met kandelaar ca 1695-1700 Part. collectie

Dankzij twee typische producten geniet Gouda bekendheid: kaas en kaars… Het een is op elk ontbijtbuffet van internationale hotelketens als ‘Gouda’ te vinden. Het ander staat tot eind maart centraal in de tentoonstelling Kaarslicht.

Veertig jaar geleden vertelden mijn schoonouders enthousiast over hun bezoek aan de prachtig met kaarsen verlichte vensters van de Goudse Catharina kerk, die traditiegetrouw vanaf 10 december tot 9 januari in de avonduren worden verlicht.
Zonder smartphone hadden zij alleen een herinnering aan- èn woorden voor hun belevenis. Een tekstbord in de huidige tentoonstelling nodigt de bezoeker -overbodig- uit tot het maken van een selfie:

                              …Vereeuwig jezelf in Kaarslicht

Alles gaat voorbij, maar wie schrijft die blijft en dat geldt ook voor schilders. Licht, voor ons is het doodgewoon. Toen de in Gouda getoonde schilderijen ontstonden moest men het doen met dag- en kaarslicht.

Gelukkig zou ik bijna zeggen, want de schilderijen laten zien hoe kunstenaars als Rembrandt van Rijn, Gerard van Honthorst en Godfried Schalcken erin slaagden om de illusie van licht en schaduw op een paneel of doek te suggereren.

Frans van Mieris Jonge vrouw, vlooien vangend bij kaarslicht ca 1660 (1660-1679) part. coll

Soms helder, maar vaker lieten zij diffuus licht schijnen op alledaagse, niet zelden symbolisch geladen voorstellingen. Stadsgezichten, stillevens met vanitas elementen en nachtelijke binnenhuisscènes met drinkende, lezende, geld tellende, bordurende personages en figuren die bezig zijn met een tegenwoordig vrijwel uitgestorven bezigheid: vlooien. Wat een moeite moet het gekost hebben om dit ’s avonds bij kaarslicht te doen. Dat geldt ook voor het lezen van een boek of het priegelen aan een handwerkje. Voor zaken die het daglicht niet konden verdragen, als slempen, een potje tric-trac of bordeelbezoek was schemerlicht juist gunstig. Gerard van Honthorst paste het toe in zijn Vrolijk gezelschap uit 1623 (buiten tentoonstelling).

Gerard van Honthorst, Vrolijk gezelschap, 1623, Alte Pinakothek, München. (buiten tentoonstelling)

Behalve warmte, intimiteit of het scheppen van een broeierige sfeer, kon licht gecombineerd met schaduw ook gebruikt worden om de aandacht op een dramatische gebeurtenis te vestigen, zoals personen tegenwoordig op het toneel nog altijd in de spotlight worden geplaatst.  Vroeg voorbeeld daarvan is Honthorsts Bespotting van Christus uit ca. 1614. Met de toepassing van dit zogenoemde clair-obscur dat hem in Italië de bijnaam Gerardo della Notte bezorgde, zette hij de toon voor soortgelijke nachtstukken van Matthias Stom, Godfried Schalken en Adam de Coster.

Om de museumbezoeker te laten voelen hoe dat vroeger was, is een schaars verlichte zeventiende eeuwse kamer ingericht. Wanneer je de sensatie van deze ‘dark room’ zonder struikelen hebt doorstaan bezie je de volgende schilderijen met andere ogen.

Reconstructie 17e eeuws vertrek bij avond, museum Gouda

Werken waarin de hoofdpersonen, in navolging van Honthorst (die het weer van Caravaggio had) middels dat dramatisch clair-obscur worden belicht. Zoals in Matthias Stoms Maaltijd te Emmaüs. In deze wel doordachte compositie voeren breed gesticulerende handen een spannend schimmenspel op. Het kaarslicht wordt door een van die handen afgeschermd, opdat de kijker er niet door verblind wordt. Wie bijbelvast is herkent het moment waarop de zogenoemde Emmaüsgangers ontdekken wie ze aan tafel hebben uitgenodigd. Wanneer de vreemdeling het brood breekt herkennen zij de opgestane heer aan de -voor de beschouwer onzichtbare- wondtekenen in zijn handen (Lucas 24: 13-15).

Matthias Stom, Detail Maaltijd te Emmaus, ca. 1630. Particuliere collectie

In deze ruimte ziet de bezoeker ook een klassieker uit het Rijksmuseum de Heilige familie bij avond (uit het atelier) van Rembrandt. 

Rembrandt, Heilige familie, 1642 – 1648 Museum het Rembrandthuis, (in langdurige bruikleen van het Rijksmuseum), Amsterdam

Terwijl grootmoeder Anna bij het wiegen van het kindje Jezus zelf in slaap gesukkeld is, zit Maria bij een voor de kijker verborgen lichtbron te lezen. Wat gebeurt er onder de trap? Uitvergroot op mijn beeldscherm doemt een figuur met hoed op. Dit moet Jozef zijn. Zoals vaker in middeleeuwse voorstellingen mogelijk in de weer met een eind hout, een symbolische verwijzing naar het doel waarmee het zoet slapende kindje op aarde is gekomen. Drieëndertig jaar na dato zal hij, ter vergeving van de zonden der mensheid, sterven aan het kruis.

Via schilderijen van de Utrechtse Caravaggisten, prenten van Gesina ter Borch en Sara Troost, belandt de bezoeker uiteindelijk in de 19e eeuw, maar laten we even stilstaan bij het verschijnsel licht.   

Van kaarsen naar gas- en elektrisch licht 
Tot in de vroege 19e eeuw vormden kaars- en petroleumlicht de enige lichtbronnen. De introductie van gaslicht betekende een enorme sprong voorwaarts. Ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zoon met grootvorstin Anna Paulowna ontstak Koning Willem I in 1816 in de Amsterdamse Amstelhof –waar nu de Hermitage gevestigd is- de eerste gaslamp. Rond 1880 was ongeveer een vijfde van de Nederlandse huishoudens aangesloten op de gasleiding. Mijn generatiegenoten herinneren zich vast nog wel de gasfabriek, die in elke stad te vinden was. Velerlei activiteiten konden nu makkelijker in de avonduren worden verricht. Ook kunstenaars maakten langere uren en gas- en het iets later geïntroduceerde elektrisch licht, bood tevens nieuwe artistieke mogelijkheden. Daarvan getuigen de impressies van ballet- en theatervoorstellingen van Edgar Degas en Henry de Toulouse l’Autrec. Het is ook mooi te zien in Vincent van Goghs Nachtcafé uit 1888. 

Vincent van Gogh, Het Nachtcafé, 1888. Doek 70 x 92 cm. Yale University Art Gallery, New Haven, Connecticut.

Begin 20e eeuw zette het elektrische licht Kees van Dongen en Jan Sluijters in vuur en vlam. Gefascineerd door het heldere schijnsel gaven zij kleurige impressies van danslokalen. In Sluijters meesterlijke Bal Tabarin dansen talloze lichtvlekjes mee boven de zwierende figuren.

Jan Sluijters, Bal Tabarin, 1907. Stedelijk Museum Amsterdam.

Deze werken vallen echter buiten het bestek van de tentoonstelling. In Gouda zie je kunstenaars die van de 16e tot in de 19e eeuw toverden met het effect van olielampen, kaars- en toortslicht.  

Terug naar de tentoonstelling.
De vaardigheid om licht op een schilderij te vangen, of liever: de illusie van licht op een paneel of doek te suggereren was een hele kunst. In de expositie zie je werken van zo’n veertig kunstenaars die daarin succesvol waren.  

Zoals  Esaias Boerse’s oude bebrilde vrouw die geconcentreerd zit te borduren. De oudjes van Matthias Stom en Gerard van Honthorst tellen of bestuderen munten. Leuk is Honthorsts portret van een jongeman die tevreden lachend zijn spiegelbeeld bestudeert. Christiaen Jansz. Dusart vereeuwigde een bij kaarslicht lezende jongeman. Deze en andere bezigheden, variërend van schrijfwerk tot nachtelijke wandelingen; kunstenaars brachten het vroeger allemaal in beeld.

Gerard van Honthorst, Grijnzende jongen met Spiegel, ca. 1614-1620. The Spier Collection, Londen. 

De destijds doodgewone taferelen hebben nu documentaire waarde. Ze tonen de vrijetijdsbesteding van mensen van toen: het drinken van een pint, het spelen van een potje tric-trac of bordeelbezoek. Halfdonkere vertrekken waren voor bezigheden die het daglicht niet konden verdragen geen probleem. Om met mijn grootmoeder te spreken: de nacht is voor het ongedierte!

Nocturnes waren in de 17e eeuw erg geliefd. Verschillende schilderijen werden in prent uitgegeven. Zoals Abraham Bloemaerts Heilige Hieronymus die rond 1622-30 door Cornelis Bloemaert (II) in het koper werd gestoken. Datzelfde deed Lucas Vorsterman met Adam Costers Triktrakspelers bij kaarslicht, 1619-1628 uit het Rijksmuseum.

Lucas Vorsterman, Triktrakspelers bij kaarslicht, 1619-1628 , gravure naar Adam Costers uit het Rijksmuseum

Prachtig is Gesina ter Borchs doorvoelde getekende impressie van een verliefd paartje, dat tijdens een nachtelijk wandeling gechaperonneerd wordt door een meid met een enorme lantaarn.

Gesina ter Borch, Liefdespaar met meid bij kaarslicht, ca. 1655. Penseel in grijs en zwart, 12 x 18 cm. Fondation Custodia, collectie Frits Lugt, Parijs

De onbetwiste kampioen van met kaarsen verlichte genrevoorstellingen en historiestukken is zonder twijfel Godfried Schalcken (1643-1706). In het themanummer dat Kunstschrift aan het fenomeen kaarslicht in de kunst wijdt, wordt hij als de grootmeester van het kaarslicht omschreven.  De weerschijn van het licht op welk materiaal ook: een metalen kandelaar, de glanzende textuur van zijde, de menselijke huid, de glimlichtjes in ogen of op de tanden, het is steeds met de grootst mogelijke virtuositeit op het doek gebracht.

In zijn zelfportret uit 1695 kijkt de schilder de beschouwer, wijzend op zijn palet en penselen veelbetekenend aan. De tools waaraan hij zijn met een fraaie mantelspeld en halsketen geëtaleerde welstand dankt.

Veelbetekende blikken worden eveneens gewisseld in het doek, waarin een jonge vrouw een oorhanger in een door haar geliefde opgehouden spiegel bewondert. De mysterieuze sfeer in het door kaarslicht verlichte vertrek, inspireerde de Ierse schrijver Sheridan le Fanu in 1839 tot het schrijven van de gothic novel: ‘Strange Event in the Life of Schalken the Painter’.  In de special van Kunstschrift leest u meer over de in 1979 gerealiseerde verfilming van dit boek.

Godfried Schalcken, Slapende Venus met Cupido, voor 1685. Nationale Galerie, Praag

In het prachtig rood-doorgloeide doek Slapende Venus met Cupido, zien we het (mogelijke) vervolg. De vrouw die in het vorige schilderij verblijd werd met een prachtige parelhanger ligt hier letterlijk en figuurlijk rozig te sluimeren. Wat hieraan vooraf ging laat zich, mede door de Cupido die ons met een schalks gebaar tot stilte maant, raden. Schalcken gaf het lichaam van de schone slaapster op erotiserende wijze weer; de tepels van haar pronte borsten gloeien zacht op in het kaaslicht…    

Schalcken’s succesvolle stijl werd nog eeuwenlang nagevolgd, onder anderen door Petrus van Schendel, die in de tentoonstelling vertegenwoordigd is met een Vismarkt bij avond uit 1841. Dat niet iedereen geporteerd was van Schalckens  rood-opgloeiende palet lees je eveneens in Kunstschrift. De 19e eeuwse Franse kunstcriticus Theophile Thoré was niet erg onder de indruk van de trucjes waarmee de 17e eeuwers en hun 19e eeuwse bewonderaars kaarslichtscènes in beeld brachten.

Extra licht
Om ten volle van het schaarse licht te profiteren, werden de wanden in de woningen van welgestelde burgers voorzien van goudleerbehang. In de kleurrijke in zilver- of bladgoud gevatte florale motieven, werd het kaarslicht weerkaatst. Verzilverde kandelaars, vergulde spiegels en schilderijlijsten zorgden voor een soortgelijk effect. Zoals te zien in de prentenreeks van Sara Troost, waarin zij het verloop van een soirée schetst.

Sara Troost Detail Wie nog lopen kon 1768 Rijksmuseum Amsterdam

De avond begint met een (nog fatsoenlijk) samenzijn van een aantal bepruikte, ogenschijnlijk keurige heren. Maar naar mate de tijd vordert en de wijnflessen leger raken, stijgt de stemming ten koste van het peil! Uitgelaten gasten klimmen op tafels, er worden veelbetekenende blikken gewisseld, terwijl een bediende onverstoorbaar doorgaat met het ontkurken van de volgende fles. De prenten zijn voorzien van geestige Latijnse teksten als Rumor erat in Casa; het werd rumoerig in huis en Ibant qui poterant, qui non poteuere cadebant… wie nog lopen kon ging, wie dat niet meer kon, viel om! En er gebeuren dingen die het daglicht toen nog niet konden verdragen. Bij het afscheid zoenen twee mannen elkaar hartstochtelijk op de mond!

Voor wie van ondeugende plaatjes houdt valt er nog meer te genieten… zoals de in prent uitgebrachte bordeelscènes, die Johann Sadeler (I) naar Joos van Winghe’s Huis van lichte zeden maakte. Een in maniëristische stijl weergegeven bacchanaal. Onder het beeld van een zichzelf betastende naakte Venus geven tempelbezoekers zich over aan een orgie. Musici zorgen voor een vrolijke noot; waarop uitbundig wordt gedanst. Anderen geven zich ongeremd over aan het liefdesspel. Op mijn foto valt een deel van de latijnse tekst weg, maar Fornicatoriis doet het ergste vermoeden.

Johann Sadeler (I), naar Joos van Winghe, Huis van lichte zeden, 1588, Rijksmuseum, Amsterdam.

Naast deze profane scènes zijn in de expositie ook bijbelse en mythologische historiestukken te zien. De hoofdrolspelers zijn vaak in een eigentijds jasje gestoken, zoals Jan Steens Bespotting van Ceres.

De Romeinse godin van de akkerbouw is in het donker op zoek naar haar dochter Proserpina. Wanneer ze de drank, aangeboden door een oud vrouwtje, in een keer naar binnen klokt, wordt ze bespot door een kleine jongen. Voor straf verandert Ceres hem in een hagedis. Anders dan in de eerder getoonde werken geeft Jan Steen zijn lichtbron een prominente plek. De toorts belicht de ontblote borst van Ceres en het Caravaggeske halfnaakte jochie.

Jan Steen, De bespotting van Ceres, ca 1650 Part. Coll.

De achterwand toont een enorme blow-up van een klein prentje van een bebrilde uil, voorzien van een moraliserende tekst: …’Wat baet keers of brill als den uil niet sien en wil’… wat zoiets betekent als het geven van goed advies is nutteloos, wanneer de toehoorder er geen oren naar heeft.

Cornelis Bloemaert naar Hendrick Bloemaert, Uil met bril en boeken, Wat baet keers of brill als den uil niet sien en wil , 1625, Rijksmuseum Amsterdam

De kaars kan ook fungeren als symbool. In een vanitas stilleven van Albert Janszoon van der Schoor verwijst de opbrandende kaars naar de eindigheid van het leven: memento mori; gedenk te sterven.

Geïnspireerd op de woorden van Mattheus 5: 15, staat de kaars ook symbool voor het evangelie. Het licht moet niet onder de korenmaat geplaatst worden, maar zichtbaar voor iedereen op de kandelaar. Een anonieme schilder bracht deze woorden in een ‘spotschilderij’ uit het Catharijneconvent in beeld. Hij posteerde Maarten Luther en zijn volgelingen rond een tafel met een helder brandende kaars.   

Anoniem Maarten Luther en de protestantse hervormers 1660

Aan de andere kant van de tafel probeert een stel “papen” het licht van het ware geloof uit te blazen! Het is wel duidelijk wie hier de good- en de bad guys zijn. Tussen een bisschop, een Jezuïet, een paus en een monnik zit een salamander, symbool van de duivel. Het verhaal gaat dat de vorige eigenaar van dit schilderij het doek uit de lijst liet halen om het op de tafelrand netjes om te vouwen, zodat er geen haan meer kraaide naar deze voor katholieken onkiese voorstelling….

De laatste zaal is gewijd aan de 19e eeuw. Verschillende romantici waren gefascineerd door het werk van hun 17e eeuwse collega’s. Met zijn Vrouw in een nis bij kaarslicht liet Michiel Versteegh zich onmiskenbaar inspireren door Gerard Dou’s Meisje met lamp.

Je ziet hier mooie met fakkels en gaslicht beschenen stads-, markt-, en kermisgezichten van Jan Hendrik van Grootvelt, Johannes Rosierse en Petrus van Schendel alsook een bijzondere nocturne van Jean Jacob Verreyt. In deze religieuze processie vormen de maan, haar weerschijn in de gracht en de meegedragen kaarsen: een symbolische verwijzing naar het kruis van Christus. Ook Sint Nicolaas doet mee. In een Dickensiaanse enscènering staan kinderen te watertanden voor een mooi verlichte etalage met suikergoed.


De nachtelijke voorstellingen van Petrus van Schendel en de Dordse schilder Rosierse zijn niet alleen betoverend van sfeer, maar hebben bovendien grote documentaire waarde. Zo ging je ‘s avonds nog even naar de vismarkt; zo vierden de mensen kermis!

Petrus van Schendel, Vismarkt bij avond, 1841

Bij de tentoonstelling is geen catalogus verschenen, maar Kunstschrift heeft dit najaar een themanummer uitgegeven, waarin de in de expostitie getoonde werken in een bredere context gepresenteerd worden.

In het licht van de Kaars: Kunstschrift, no. 5, oktober/november, 2021.

Utrecht Caravaggio en Europa, tot 24 Maart, Centraal Museum Utrecht

Utrecht Caravaggio en Europa
Hendrick Ter Brugghen, Sebastiaan door Irene verzorgd, 1625. Allen Memorial Art Museum, Oberlin, Ohio

In 2006 werd een dubbeltentoonstelling gewijd aan Rembrandt Harmensz van Rijn (1606-1669) èn Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610), zoals hij voluit heet. Beide kunstenaars zijn befaamd om hun realistische, dramatisch belichte schildering van mythologische en bijbelse episodes. Het dramatische claire-obscur van Rembrandt was Caravaggio’s specialiteit. De stelling van artistiek directeur Bart Rutten …’zonder Caravaggio geen Rembrandt’  is misschien wat te kort door de bocht, maar het is duidelijk dat Rembrandt  Caravaggio’s vindingen, die hij via het werk van Nederlandse Italië-gangers leerde kennen, toepaste. Rutten benadrukt het belang van deze tentoonstelling; hier ligt de bakermat van de schilderkunst van de Gouden Eeuw.

Rembrandt doet in Utrecht niet mee. De hoofdrolspelers in de tentoonstelling Utrecht, Caravaggio en Europa zijn Gerard van Honthorst (1592-1656), Hendrick ter Brugghen (1588-1629) en Dirck van Baburen (1592/93-1624). Middels de thematische inrichting van de tentoonstelling met hun werk naast dat van Italiaanse en Franse meesters, wordt zichtbaar in hoeverre zij Caravaggio navolgden of door hem èn door elkaar werden geïnspireerd.

Veel jonge kunstenaars uit het noorden maakten in de vroege 17e eeuw een reis naar Italië. Het zuidelijke licht en de grote voorbeelden van de Italiaanse Renaissance gaven de finishing touch aan hun opleiding. De drie uit Utrecht arriveerden tussen 1612 en 1615 in Rome. Sinds het heilig jaar -1600- waren behalve pelgrims ook kunstenaars naar de stad gekomen. Voor de aankleding van nieuwe en gerenoveerde kerken was er werk aan de winkel. Wegens de concurrentie moesten kunstenaars hun best doen om door potentiële opdrachtgevers gezien te worden. Door originaliteit of werkend in een beproefde stijl, zoals die van Caravaggio, waarvan zij wisten dat deze bij de hoge heren in de smaak viel.

Caravaggio had Rome in 1606, voortvluchtig na een moord, moeten verlaten, maar zijn artistieke nalatenschap bleef achter in de collecties van kunstverzamelaars en kerken. Bewonderd door bezoekers van de heilige stad. Zoals Gerard van Honthorst, die in de eerste kerk die hij na aankomst in Rome binnenging, de San Pietro in Montorio, de tekening maakte van Caravaggio’s Kruisiging van Petrus, waarmee de de tentoonstelling begint.

Honthorst Kruisiging tekening
Gerard van Honthorst, Getekende kopie van Caravaggio’s Kruisiging van Petrus.

Caravaggio, kruisiging van Petrus
Caravaggio, Kruisiging van Petrus, San Pietro in Montorio,Rome

Met deze expositie gaat het niet zozeer om de overeenkomsten, maar om de verschillen in de manier waarop de bewonderaars Caravaggio’s lessen toepasten, aldus conservator Liesbeth Helmus in Opium op 4 van 18 december jl.  Voor alle duidelijkheid voegt zij toe dat deze expositie géén Caravaggio tentoonstelling is. De nadruk ligt op kunstenaars die in zijn stijl, of op Caravaggio geïnspireerd werkten.

Het zag er naar uit dat Caravaggio zelf zou schitteren door afwezigheid, maar dankzij een genereus gebaar van de beheerder der Vaticaanse collecties was tot en met 13 januari zijn Graflegging te zien. Getoond naast een hierop geïnspireerde versie door Dirck van Baburen. Een Youtube filmpje toont hoe het twee bij drie metende doek onder het toeziend oog van Bart Rutten en conservator Liesbeth Helmus wordt geplaatst. Zij spreekt de kijker streng toe: …’dit gebeurt nooit meer; iedereen moet komen!’… Een oproep waar inmiddels talloze bezoekers gehoor hebben gegeven!

Van Baburens Graflegging is een mooi voorbeeld van het antieke concept van emulatio; het streven van kunstenaars om een bewonderd voorbeeld te evenaren of beter: te overtreffen.

Caravaggio grafleggging
Caravaggio, Graflegging van Christus, 1602-03, Musei Vaticani, Pinacoteca, Vaticaanstad

Van Baburen graflegging
Dirck van Baburen, Graflegging van Christus, 1617-18, Centraal Museum Utrecht

Van Baburen was van de Utrechtse schilders het meest gefascineerd door Caravaggio. Het half weggezakte lichaam van Christus in zijn Graflegging heeft hij waarschijnlijk naar levend model geschilderd. Dit realisme was een van de vernieuwingen van Caravaggio. Arts en kunstverzamelaar Giulio Mancini noteerde rond 1619 in zijn Considerazioni sulla pittura dat Caravaggio zijn modellen liet poseren in een verduisterd atelier. Soms meerdere figuren als in een tableau vivant,  zoals in het Martelaarschap van Mattheus in de San Luigi dei Francesi. In het werken naar levend model konden kunstenaars zich in Rome aan verschillende Accademie dal naturale bekwamen.

Vanaf half januari is weer een echte Caravaggio te zien: de kop van de Medusa uit een particuliere collectie. En tot mijn verrassing ontdekte ik er nog een: de Hieronymus uit Montserrat. De kerkvader die in de vroege 5e eeuw de in omloop zijnde bijbelteksten bundelde tot de zogenoemde Vulgaat, de bijbel die in de RK Kerk nog steeds gebruikt wordt. Het werk illustreert Caravaggio’s  atelierpraktijk; de gedeeltelijk helder belichte figuur doemt vanuit een donkere achtergrond op. Van dit halfnaakte, realistische uitgezakte lichaam en de gerimpelde kop van de heilige zal de bezoeker nog vele echo’s bij Caravaggio’s navolgers ontdekken. Dat geldt ook voor de manier waarop Caravaggio het incarnaat heeft weergegeven. Met contrasten tussen gebruinde koppen en handen naast witte huidpartijen, kenmerkend voor mensen die in de buitenlucht werken. Bij het creëeren van licht-schaduwpartijen op de huid, gebruikten de navolgers hetzelfde procédé als hun bewonderde voorbeeld: door de donkere grondering gedeeltelijk zichtbaar te laten en andere partijen met lichte verf aan te duiden.

Caravaggio Hiëreonymus
Caravaggio, Mediterende Hieronymus, 1605-06, Museu de Montserrat

Het weergeven van heiligen als doodgewone mensen werd Caravaggio’s handelsmerk. De manier waarop hij de wonderdadige maagd Maria in zijn Madonna di Loreto weergaf als een volksvrouw, met een uit de kluiten gewassen kind op haar heup, oogstte niet ieders bijval. De voorstelling met haveloze, knielende pelgrims die hun vieze voeten zó in het gezicht van de toeschouwer steken miste piëteit en decorum. Biograaf en (jaloerse) collega Giovanni Pietro Bellori had geen goed woord voor hem over. Verschillende Romeinse prelaten erkenden Caravaggio’s talent, maar zeiden ze:…’hij misbruikt het!’…

Caravaggio Madonna di Loreto
Caravaggio, Madonna di Loreto, 1603-05. Cappella Cavaletti, Sant’Agostino, Rome

Desondanks hadden Caravaggio en zijn navolgers veel eigentijdse bewonderaars. Bij kardinaal Del Monte en de gebroeders Giustiniani genoten zij onderdak. Van hen en andere belangrijke Romeinse families als de Barberini en de Borghese ontvingen Caravaggio, Van Baburen en Honthorst eveneens opdrachten. In de tentoonstelling worden werken van de  Utrechtse Caravaggisten getoond naast die van  Bartolomeo Manfredi, Orazio Gentileschi, Simon Vouet, Valentin de Boulogne, Nicolas Tournier, Jusepe de Ribera en een Caravaggist van de tweede generatie, Giovanni Serodine. Vooral religieuze onderwerpen met personages aan wie niets menselijks vreemd was. Verhalen over moord en doodslag, oorlogvoering, overspel, list en bedrog; niets nieuws onder de zon!

Hebben deze historiestukken ons in de eenentwintigste eeuw nog wat te vertellen? In het herkennen van de bijbelverhalen zullen de meeste museumbezoekers nu niet ver meer komen, maar de bijbehorende emoties zijn nog altijd herkenbaar. Soms zelfs bijna (in) te voelen. Woede, wreedheid, bloeddorstigheid, wellust, jaloezie, triomf, hoogmoed, spilziekte, maar ook speelsheid en vrolijkheid. Wat deze schilderijen laten zien is -ook los van religieuze betekenis- nog altijd actueel, zoals de woede in Francesco Boneri’s Verdrijving van de geldwisselaars uit de tempel (1610-15).  Voor zover mij bekend het enige moment, waarin de zachtmoedige Zoon van God uit zijn rol schiet.

Boneri Verdrijving van geldwisselaars
Francesco Boneri, ‘Cecco del Caravaggio’, Verdrijving van de geldwisselaars uit de tempel

In deze als een toneelscène neergezette voorstelling deinzen de figuren en masse terug voor zijn boosheid. Het werk hing destijds in het Palazzo Giustiniani, waar Dirck van Baburen, die het thema ook uitbeeldde, het gezien zal hebben. Johannes (2: 14-16) beschrijft hoe handelaren in offerdieren en geldwisselaars  goede zaken deden in de tempel. Jezus geeft ze er met een zweep van langs: …’Maak van het huis van mijn vader geen markt!’ 

 Na de zaal met de Graflegging wordt gekeken naar episodes die aan deze handeling vooraf gingen. Indringende scènes van de Doornenkroning en de Bespotting van Christus, werken met de Verloochening en het Berouw van Petrus. Gevolgd door een flash-back naar de kindertijd van Jezus met voorstellingen van de Twaalfjarige Jezus in de tempel.

Boulogne doornenkroning
Valentin de Boulogne Doornenkroning, met infrarood beeld

Valentin de Boulogne, Doornenkroning

 

 

 

 

 

 

 

 

Interessant om de verschillende resultaten te zien van kunstenaars die alle inspiratie putten uit dezelfde bron. Behalve de variatie die je met het blote oog kunt zien levert lezen van de catalogus ook nog enkele verrassingen, zoals de vierde man in de Doornenkroning van Manfredi. Infrarood reflectografie bracht een overschilderd kardinaalsportret aan het licht. Voor de tentoonstelling zijn veel werken met natuurwetenschappelijke methoden onderzocht. Caravaggio zelf werkte niet met ondertekeningen, maar naar levend model. Anderen, zoals Honthorst maakten voorstudies, waarvan in de catalogus voorbeelden worden getoond.

 In de zaal met de onthoofdingen bereikt het door Caravaggio geïntroduceerde realisme een gruwelijk hoogtepunt in moordscènes met twee bijbelse helden: David en Judith, die het Joodse volk van de vijand redden. De kleine herdersjongen slaagde erin om de reus Goliath met een welgemikte steen uit zijn slinger om te leggen. (1 Samuel 17). Talrijk zijn de verbeeldingen van David met zijn trofee, het hoofd van de overwonnen reus. Judith was de vijand op listige wijze te slim af. De mooie weduwe loopt (zogenaamd) over, brengt de legeraanvoerder Holofornes het hoofd op hol, waarna zij hem in zijn slaap een kopje kleiner maakt. In Valentin de Boulogne’s Judith is te zien hoe haar dat met goedkeuring van de allerhoogste gelukt is.

Jammer is de afwezigheid van de navolger die Caravaggio wellicht het meest nabij kwam: Artemisia Gentileschi. Haar rauw realistische verbeelding van Judith en Holofernes zou hier zeker niet misstaan hebben. Staand voor dit werk deed ik destijds automatisch een stap naar achteren om geen bloedspatten op mijn kleding te krijgen. Deze liquidatie kwam vast voort uit een van de eerste gedocumenteerde MeToo kwesties. Ze werd door haar leermeester Agostino Tassi verkracht. Artemisia’s vader, Orazio, is met een ingetogen versie wel vertegenwoordigd.

Orazio Gentileschi, Judith en Holofernes, 1621-25. Hartford, Wadsworth Atheneum Museum of Art

Artemisia Gentileschi (1593-1653), Judith en Holofernes, 1614-20. Napels, Museo di Capodimonte

Van deze onthoofdingen, symbolische overwinningen van het kwaad, zijn zo’n tien voorbeelden te zien. Enkele gaan terug op Caravaggio’s prototype in de Galleria Borghese. Het gezicht van David weerspiegelt zowel afschuw als compassie. Saillant detail: Caravaggio gaf het gezicht van de gevelde reus zijn eigen gelaatstrekken!

David Goliath
Caravaggio, David met het hoofd van Goliath, 1609-10, Rome, Galleria Borghese. Buiten tentoonstelling

Na Ter Brugghen’s doek waarin David, het hoofd van Goliath nog in de hand, wordt bezongen door de Israëlitische vrouwen, wordt de toon wat vrolijker. Gebruikmakend van Caravaggio’s vindingen creëren de Utrechtse Caravaggisten een ware klank en lichtshow in hun genrestukken met kaartspelers, bordeel-gangers en muzikanten.

Anders dan de Italianen en Fransen, die vasthouden aan Caravaggio’s vrij donkere kleurengamma, gebruiken zij een helder palet. Kleurrijk zetten zij de eveneens aan Caravaggio ontleende figuren in fantasierijke kleding neer, soms op virtuoze wijze opgeleukt met glanzende harnas onderdelen en gevederde baretten. Een terugkerend beeldmiddel is de combinatie van gerimpelde al of niet bebrilde personages naast frisse gladde types.

Gerard van Honthorst’s Liederlijke Student vormt een pars pro toto voor de schilderijen met zaken die God verboden heeft. Bezigheden waar jongemannen, de Utrechtse Italiëgangers niet uitgezonderd, juist zo van houden: wein, weib und gesang. In lokalen met ondubbelzinnige namen als de Osteria della Lupa, aan de zelfkant van de heilige stad, konden zij zich hieraan volop bezondigden. De sleutel tot begrip van deze vrolijke voorstelling wordt gegeven in het epigram in het opengeslagen boek. In de bijbehorende illustratie wordt Pallas Athene, de godin van de wetenschappen en wijsheid, door Bacchus en Amor neergesabeld. Moraal van het verhaal: dit lot staat de student die zich overgeeft aan aardse genoegens, eveneens te wachten!

Honthorst liederlijke student
Gerard van Honthorst, de liederlijke student

Detail ‘De liederlijke student’

Als lid van de zogenoemde Bentveughels, een gezelligheidsvereniging voor kunstenaars trokken ze er hele nachten op uit. Zoals bij eigentijdse studenten-verenigingen ook gebruikelijk kregen de leden een passende bijnaam: die van Dirck van Baburen was biervlieg. Gerard van Honthorst stond bekend als Gherardo della Notte, of in plurale: Gherardo delle Notti, maar dit was meer een erenaam, te danken aan zijn fabelachtige schildering van nachtelijke scènes.

In vrijwel alle kroeg- en bordeelscènes wordt, in navolging van Caravaggio’s Valsspelers uit 1595 een kaartje gelegd. De argeloze hoofdrolspeler heeft niets in de gaten, maar de opmerkzame beschouwer ziet dat het er niet eerlijk aan toe gaat. Omdat een potje kaarten nogal eens eindigde in een vechtpartij, werd dobbelen en kaarten in Rome verboden. De negatieve connotatie waarin speelkaarten gezien werden als het boek van de duivel, deed mij denken aan een hit uit de late jaren ’60. Het parlando lied van ‘cowboy Gerard’ over een soldaat die in de kerk berispt wordt door een superieur omdat hij met speelkaarten in de weer is. De soldaat legt uit dat de speelkaarten voor hem het equivalent vormen van de bijbel. De drie staat voor de heilige Drieëenheid, de boer voor de duivel en de tien voor de 10 geboden. En daar had deze officier natuurlijk niet van terug!

In de laatste zaal ontmoet de bezoeker een reeks solitair weergegeven  muzikanten, waarin de bezoeker de voorbeelden herkent van musicerende en drinkende figuren van Frans Hals en Judith Leyster. Waarmee de woorden van Rutten bewaarheid worden: hier ligt de bakermat van de schilderkunst van de Gouden Eeuw.

Hendrick Ter Brugghen, Vrolijke Drinker, ca. 1625. Utrecht Centraal Museum

Frans Hals, Pekelharing, 1643, Frans Hals Museum Haarlem

 

 

Achterin de laatst zaal hangt als blikvanger en slotakkoord Ter Brugghen’s Annunciatie uit 1629, het jaar van zijn dood. Geschilderd in een ongebruikelijke iconografie. Het moet voor Maria een beangstigende ervaring zijn geweest, toen de aartsengel klapwiekend binnen kwam. Maar van angst geen spoor op het prachtige verstilde gelaat van de toekomstige moeder van Gods zoon. Devoot hoort zij de bijzondere boodschap aan. In de voorstelling zijn twee episodes uit het leven van Maria versmolten: de verkondiging en de uiteindelijke beloning voor bewezen diensten: Maria’s kroning tot hemelkoningin.                                        Voor wie zich afvraagt waarom op de houten constructie geen cache-pot met varen staat; dit is geen piedestal, maar een garenhaspel. Soms uitgelegd als een verwijzing naar het kruishout, waaraan het kind dat hier geconcipieerd wordt zal eindigen. Een andere mogelijkheid staat in het apocriefe proto-evangelie van Jacobus: toen de engel zijn boodschap bracht zat Maria de purperen draad te spinnen voor de voorhang van de tempel, die 34 jaar later zou scheuren op het moment dat Jezus de geest gaf.  Vergezocht? In de symbolische duiding van ogenschijnlijk realistische details is alles mogelijk!

H. ter Brugghen, de Annunciatie, 1629. Diest

Ter Brugghen’s Annunciatie markeert niet alleen het einde van de tentoonstelling, maar ook de bloeiperiode van de Utrechtse Caravaggisten. Dirck van Baburen en Hendrick Ter Brugghen waren in 1630 overleden. Gerard van Honthorst sloeg als hofschilder van Frederik Hendrik en Amalia van Solms en later van Karel I in Engeland andere wegen in; één ervan leidde naar de Oranjezaal van Huis ten Bosch.

Met werk uit de eigen collectie en ruim 60 bruiklenen wordt aanschouwelijk gemaakt hoe de navolgers van Caravaggio zijn realisme en lichtgebruik op hun eigen manier toepasten. De Utrechters zijn met hun poldermodellen echt Hollands. Aan Caravaggio’s repertoire van personages met vieze voeten en gerimpelde koppen voegen zij dooraderde benen toe, tenen met kalknagels, rotte tanden en enorme drankneuzen. In hun werk bereikt het realisme van Caravaggio een absoluut hoogtepunt. Zij werkten in een kleuriger palet, inzoomend op de hoofdvoorstelling, belicht in een contrastrijk claire-obscur. Dat laatste deden de Italiaanse en Franse schilders eveneens, maar in een meer academische en beschaafde stijl bleven zij dichter bij Caravaggio’s donkere palet.

Na Utrecht zal de tentoonstelling vanaf 23 april tot en met 21 juli te zien zijn in Alte Pinakothek, München.

Link: Centraal Museum, Utrecht Caravaggio en Europa

Link: Museo di Capodimonte,  bezit werk van Caravaggio, Artemisia Gentileschi en andere caravaggisten als Manfredi, Jusepe Ribera , Mattia Preti en Simon Vouet.

B. Eberd & L. Helmus, Utrecht, Caravaggio en Europa, tentoonstellingscatalogus, Centraal Museum Utrecht, 2018.

 

 

 

 

 

 

Humor in de Gouden Eeuw, de kunst van het lachen tot en met 18 Maart 2018, Frans Hals Museum, Haarlem

Frans Hals, Pekelharing, ca.1628-1630, MuseumLandschaft Hessen Kassel, Kassel

Tot en met 18 maart is in het Frans Hals Museum een bonte stoet humoristische types te zien in een breed overzicht van humor in de 17e eeuwse Nederlandse schilderkunst. Dwaze boeren, drinkebroers, kwakzalvers, koppelaars, ondeugende kinderen, luie dienstmeiden en wellustige dames. Topstukken van schilders die de kunst van de geschilderde lach verstonden, zoals Frans Hals, zijn broer Dirck, Judith Leyster en haar echtgenoot Jan Miense Molenaer, Jan Steen, Gerard van Honthorst en Rembrandt. Anders dan voor tijdgenoten, is de betekenis van de voorstellingen voor ons niet altijd duidelijk. Bij het zien van Frans Hals Pekelharing herkenden tijdgenoten deze notoire drinkebroer aan zijn lege kan. Zoals zijn naam aangeeft had hij altijd dorst en … vis moet zwemmen!

Frans Hals, Twee lachende jongens, ca.1628, Leerdam Hofje van Aerden

In zijn Twee lachende jongens portretteert Hals twee jongens in de volwassen rol van kannekijker; extra grappig dat zijn eigen kinderen model stonden!  Het thema kinderen die kattenkwaad uithalen vormt een van de hoofdstukken in de tentoonstelling waarin de lach centraal staat. Deze varieert van een geschilderde vette lach om platvloerse humor, een glimlach van genegenheid en soms een wellustig lachje. De alledaagse scènes werkten bij herkenning direct op de lachspieren. Bij historiestukken met een mythologisch of bijbels verhaal liet de lach wellicht even op zich wachten tot een daarin ‘verstopt’ humoristische detail werd herkend. Zoals in Gerard de Lairesses Mercurius gelast Calypo Odysseus te laten gaan, waarin een verrukkelijke putto de beschouwer van onder een veel te grote helm schalks toelacht  (niet in de tentoonstelling).

Gerard de Lairesse, Mercurius gelast Calypo Odysseus te laten gaan, 1676-1682 Rijksmuseum Amsterdam

Haarlem was de bakermat van deze richting in de schilderkunst. Behalve Frans Hals treffen we hier ook andere uit Vlaanderen gevluchte protestantse schilders aan. Zoals de historieschilder Karel van Mander (1548-1606) beter bekend als auteur van het Groot Schilderboeck met kunstenaars-biografieën, dat in 1604 in Haarlem werd gepubliceerd.

De humoristische schilderijen vormen niet alleen een spiegel van alledaagse komische scènes, maar beelden ook spreekwoorden, gezegden en ontleningen aan eigentijdse literatuur uit, al of niet met een moraliserende ondertoon. Doordat de betekenis of herkomst daarvan in de loop der tijd verloren is gegaan, biedt deze spiegel vaak een onscherp beeld. In ons hedendaags taalgebruik komen woorden voor waarvan wij in de 20e eeuw nog geen weet hadden. Dat geldt andersom voor woorden en begrippen die in de 21e eeuw allang vergeten zijn. Bij het aandachtig bekijken van deze expositie verdampt het condens op de beslagen spiegel van het verleden en geven de schilderijen hun oorspronkelijke betekenis prijs. Jammer dat de in (te) kleine letters geschreven bijschriften slecht leesbaar zijn, maar gelukkig is een audiotour beschikbaar.

Vitrine met klucht en moppenboeken

Eenmaal ontraadseld geven de schilderijen indirect inzicht in de toenmalige cultuur. Welke vrijheden kende men, waarop rustte een taboe? Notities in contemporaine reisverslagen vullen de reconstructie van dit beeld aan. Zo omschreef de Italiaan Lodovico Guicciardini Nederlanders in 1612 als seer ghesellich, ende boven al boerdich [vol humor], boetsachtich [grappig] ende kluchtich van woorden, maer somtijdts te veel’.  Geestig volkje hoor die Hollanders, maar soms slaan ze door!  Een Engelsman omschrijft hen zelfs als clowneske lui die in de kroeg graag moppen tappen. Dit lijkt, afgaande op het grote aantal klucht- en moppenboeken uit die tijd, te kloppen. Het meest curieus is de verzameling van de Haagse jurist Arnout van Overbeke, die in zijn Anecdota zo’n 2400 moppen had verzameld.

Deze Hollandse vrolijkheid wordt weerspiegeld in de ongeveer zestig ten toon gestelde schilderijen; gekozen uit een ruime voorselectie van 2500 werken met humoristische inhoud. Een enkele keer is de humor verstopt, maar de meeste beeldgrappen vormen het hoofdonderwerp in platvloerse low-life scènes met boerse-, scatologische- en seksueel getinte humor van o.a. Adriaen Brouwer, Adriaen van Ostade en Jan Steen.  De betekenis van menige voorstelling ging, als gezegd, in de loop der tijd verloren, maar Adriaen Brouwers Herberg interieur met een thans actuele Me-Too scène, behoeft nauwelijks uitleg. Het belaagde meisje trekt de aanrander zo hard aan zijn haar, dat iedereen opkijkt om te zien waar dat geschreeuw vandaan komt.

Adriaen Brouwer, Herbergscene, ca. 1635, National Gallery, Londen

 Soortgelijke scènes zijn op zich al leuk, maar in de loop van de 20e eeuw begon het besef door te dringen dat humoristische onderwerpen in ogenschijnlijk realistische voorstellingen vaak ontleend waren aan contemporaine bronnen. Literatuur, poëzie, medische teksten, moppenboeken en bundels met emblemata bieden nogal eens de sleutel tot het begrip van de voorstelling.

Toen deze wetenschap tot over-interpretatie in moraliserende duiding dreigde, stelden verschillende kunsthistorici eind vorige eeuw dat deze werken ook louter gewaardeerd werden om het visuele genoegen van technisch knap geschilderd werk. Het mogelijke verband tussen literatuur en schilderkunst van die dagen wordt letterlijk geïllustreerd door Jan Miense Molenaers Boerengezelschap uit 1662. Een werk dat alleen al om de leuke, overbevolkte kroegscène waardering genoot, maar de ontdekking dat het een letterlijke schildering was van een lied uit Bredero’s (1585-1618) Groot Lied-boeck zorgde in de jaren ’90 van de vorige eeuw voor opwaardering. In het lied Boerengezelschap worden de lotgevallen van ene Arent Pieter Gijsen en zijn domme boerenvrienden bezongen. In een uitgelaten stemming gaan ze naar Vinckeveen voor een destijds geliefd partijtje ganstrekken. Het uitstapje loopt echter volledig uit de hand en eindigt in een steekpartij met dodelijke afloop.  De zedeprekende Bredero bespot de ongeremdheid van de boeren en geeft zijn gehoor het advies: ‘Gij heren, gij burgers, vroom en welgemoed, mijdt der boerenfeesten, zij zijn zelden zo zoet, of ‘t kost iemand zijn bloed…’

 

Jan Miense Molenaer, Boerengezelschap, 1662, Museum of Fine Arts, Boston

De waardering van komische boerse thema’s gaat terug op de klassieke oudheid en, meer recent, op het werk van Pieter Brueghel de Oude (1525-1569). Ook in Bredero’s literaire werken figureren komische types die in soorten en maten:  harders, boeren, werckluiden, waerden, waerdinnen, snollen, vroedwyven, bootsgezelle, opsnappers, schoisters, en panlickers, op ackers, in bossche, in hutten, in winckels, herberge, kroege…’   In de tentoonstelling zien we ze terug.

Geschilderde grappen en grollen dienden volgens de toenmalige kunsttheorie- en etiquetteboeken aan een zeker decorum te voldoen. Maar in de praktijk werd in deze met twee maten gemeten. Ook in de hogere kringen werd hartelijk gelachen om scatologische grappen en toespelingen op overspel en scènes met leedvermaak om minder bedeelden. Zoals in het schilderij van Jan Miense Molenaer, waarin een dwerg en zijn vrouwtje door een stel rotjongens worden gepest. Van het taboe dat sinds de Oudheid al op leedvermaak rustte trokken kunstenaars zich in die dagen niet veel aan.

Jan Miense Molenaer, jongens pesten een dwerg, ca 1635-1647, Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam (Bruikleen van Abbe Museum)

Het schilderen van een overtuigende voorstelling was nog niet zo eenvoudig. Daarom gaven kunsttheoretici de kluchtschilders enkele tips om vernuftig (geestig en inventief) te werken en hartstocht en emotie op natuurlijke wijze uit te beelden. Zet een humoristische scène zodanig neer, ‘als zaagt gyze gebeuren’ met mensen ‘alsof menze kende’, aldus Samuel van Hoogstraten (1678). Juist die herkenning, identificatie zouden we nu zeggen, versterkte het komische effect.

Alvorens van start te gaan met een virtuele rondleiding door de tentoonstelling nog even iets over het fenomeen lach. Het  uitdrukken van emoties in verf is een héle kunst die niet ieders werk is. Van Mander merkt op dat bij sommige schilders het verschil tussen lachen en huilen niet te zien is.
In de tentoonstelling heb ik er niets over gelezen maar er speelde nog iets. Sinds vroegchristelijke tijden hielden bijbelgeleerden zich bezig met de in onze ogen wellicht lachwekkende vraag of Jezus gelachen zou hebben. In 17e eeuwse orthodoxe kringen meende men van niet en deze overtuiging wordt mogelijk weerspiegeld in talrijke schilderijen waarin de geportretteerden geen spier vertrekken.

Huwelijksportret van Isaäc Massa en Beatrix van der Laen, 1622, Amsterdam, Rijksmuseum. (Buiten tentoonstelling).

Amicitia etiam post mortem dura uit Alciati’s Emblematum libellus, 1534.

‘Zo kan het ook’ lijkt Frans Hals gedacht te hebben toen hij in 1622 het huwelijksportret schilderde van Isaäc Massa en Beatrix van der Laen. Met haar vriendelijke, licht glimlachende gelaatsuitdrukking en ongedwongen pose, leunend tegen een boom, vormt deze manier van uitbeelden een nouveauté in het genre huwelijksportret. Naast onconventionele elementen bevat het portret ook traditionele aspecten, zoals de situering in een liefdestuin en symbolische vegetatie rond het paar. De klimop die zich rond de boom slingert staat voor liefde of vriendschap die ook na de dood voortduurt. Zoals de klimop aan de boom, dient de vrouw zich aan de man te hechten. Het beeld is ontleend aan een destijds bekend embleem, Amicitia etiam post mortem dura uit Alciati’s, Emblematum libellus, 1534.

De ogenschijnlijk onbelangrijke plant in de linkerhoek van het schilderij, een distel, geeft in het Duits haar symbolische betekenis prijs: ‘Männertreu’. Van de gehuwde man wordt ook iets verwacht: en wel dat hij bij dreigend gevaar van overspel zijn stekels opzet!

Terug naar de tentoonstelling. In de 17e eeuw werd ook de heilzame werking van de lach onderkend. In zijn Schat der Gesontheid (1662) beveelt de Dordtse arts Johan van Beverwijk humor aan als medicijn tegen depressie: ‘lachen is gezond’!  Met de enorme hoeveelheid lachopwekkende schilderijen was deze remedie als ‘Van Beverwijk-care’ in de Nederlanden ruim voorhanden.

Gerard van Honthorst, Lachend meisje van lichte zeden dat een obscene miniatuur ophoudt, 1652, St.Louis Art Museum

Zeker ook bedoeld om de lachlust op te wekken schilderde Gerard van Honthorst, (1590-1592), dit vrolijke meisje. Niet zomaar een meisje, maar gezien haar diepe decolleté en de veren op haar hoofddeksel, een meisje van plezier. Met een olijk lachje wijst zij de beschouwer op het kleine paneeltje in haar hand. Op het paneeltje is een wat raadselachtige afbeelding geschilderd van een naakt vrouwtje dat door haar vingers omziet. Wat heeft dit te betekenen? Een tekstje geeft het antwoord:  ‘Wie kent mijn naers van A… eren’ (‘wie kent mijn aars van achteren?’). Het lijkt een toespeling op de naam Cornelis van Aerssen (1600-1662), heer van Sommelsdijk, een kolonel bij de cavalerie, op wie Aernout Overbeke (1634-1672) een schuine mop componeerde:
De heer van Sommelsdijck werd door zijn ‘instrument’ geschooten. Terwijl hij werd behandeld, kwam een vrouw zijn vrouw waarschuwen, en zei: ‘mevrouw, let wel op, want de geneesheer die uw man behandelt, is géén goede meester. Hij zou laatst de vinger van mijn man genezen en hij genas die stijf.’  ‘Die geneesheer is goed, want zo wil ik het hebben,’ antwoordde mevrouw [Van Aerssen].” 

Dit werk vormt een voorbeeld bij uitstek van platvloerse humor bij de elite. Onder invloed van een nieuwe kunststroming lijken de fatsoensnormen in de 2e helft van de 17e eeuw te worden aangescherpt, maar de dubbele moraal blijft. De regels van het classicisme dicteerden mooie kunst, volgens de idealen van schoonheid, fatsoen en gratie. Leden van het literaire gezelschap Nil Volentibus Arduum (vrij vertaald: waar een wil is is een weg) voerden eind 17e eeuw een kruistocht tegen platvloerse kluchten. Samuel van Hoogstraten (1678) en historieschilder Gerard de Lairesse (1707) waren voorvechters van dit ideaal in de schilderkunst. Zij propageerden het weergeven van verheven en bewonderenswaardige onderwerpen uit de geschiedenis, de bijbel of mythologie. Zij beschouwden schilders van stillevens en portretten als ‘gemene soldaten in het veltleger van de const’. Diezelfde De Lairesse was het levende voorbeeld van het meten met twee maten. Privé ging hij volgens de overlevering hoererend en slempend door het leven. Zie elders op deze site bij de bespreking van de tentoonstelling Eindelijk de Lairesse! vorig jaar in RM Twenthe.

Lang niet alle schilders gaven gehoor aan deze verheven classicistische norm. Cornelis Dusart, Caspar Netscher en Godfried Schalcken strijden met de vorige generaties om de voorrang in het weergeven van onbetamelijkheden. Al staken ze die soms wel in een keurig jasje. Zoals Caspar Netscher in zijn Gemaskerde klucht, waarin een man zijn waren bij twee chique geklede, beschaafd ogende dames aanbiedt… Ze hoeven niet bang te zijn dat er niet genoeg is, naast hem, gepresenteerd in een gouden bokaal ligt nog veel meer Een detail in de linker achtergrond onthult de moraal van het beeldverhaal.

Caspar Netscher, Gemaskerde klucht, Museum Landschaft Hessel- Kassel, Kassel

De piskijker was een geliefd thema. Jan Steen bracht hem meermaals in beeld. Het was geen echte arts, maar een charlatan; maar wel expert in het diagnosticeren van zwangerschap. Ook Godfried Schalcken beeldt dit thema verdeeld over twee pendanten uit. Het begint met een niet opgevolgde zedenles: meisje pas op dat het vogeltje niet wegvliegt. In het pendant komen de waterlanders, wanneer de dokter onmiskenbaar een feutje in het urinaal ontdekt. Met een obsceen gebaar licht broerlief de situatie toe: eigen schuld, dikke bult!

Godfried schalken, De nutteloze zedenles, 1680-1685, Mauritshuis Den Haag

Godfried schalken, Het onderzoek van de dokter, 1680-1685, Mauritshuis Den Haag

 

 

 

 

 

 

 

 

De enorme opleving van humor verbeeld in de 17e eeuwse schilderkunst valt niet alleen te verklaren als gevolg van economische voorspoed. In de catalogus wordt het fenomeen lach (met terugwerkende kracht) vanuit antropologische- en psychologische hoek uitgelegd. Wat in een bepaalde culturele context als humoristische wordt ervaren, kan elders niet opgaan. Een ding heeft de lach overal ter wereld echter gemeen: lachen verbindt mensen èn lachen vervult een psychologische functie. In een door de calvinistische moraal beheerste maatschappij kon de lach bevrijdend werken. Juist om situaties die in het eigen leven onwenselijk waren zoals een huishouden van Jan Steen of een officieel eveneens onwenselijke, maar officieus wellicht gedroomwenste pikanterie in de seksueel getinte scènes van Godfried Schalcken of in Pieter van Roestratens Losbandige keukenmeid uit 1665. Een werk dat inzake de seksuele toespelingen nauwelijks toelichting behoeft en een duidelijke illustratie biedt van de eerder besproken relatie tussen emblematische motieven en de schilderkunst.  Het brutale aapje in de voorgrond, symbool voor de aan zijn zonden geketende mens, was in die dagen ook bekend van een eigentijds embleem.

Pieter Gerritz van Roestraten, De losbandige keukenmeid, ca.1665, Frans Hals Museum, Haarlem

Philips Galle, Impudentia (Schaamteloosheid), ca. 1585/1590 Rijksmuseum Amsterdam

Humor fungeerde in de Gouden Eeuw ook als visuele uitlaatklep voor zaken die men, gezien de calvinistische moraal, zelf niet kon of mocht doen! Wat dat betreft zijn we nu niet anders dan vroeger. Een leuke en leerzame tentoonstelling!

Op 31 januari 2018 organiseer ik voor Academische Reizen een ‘Haarlemdag’ rond de tentoonstelling Humor in de Gouden Eeuw; de kunst van het lachen in het Frans Halsmuseum. Ga voor informatie en aanmelden naar www.academischereizen.nl

Biografie:                                                                                                                  R.Dekker en H. Roodenburg,  A. van Overbeke: Anecdota etc. een 17e eeuwse verzameling moppen, Amsterdam 1991
Tummers e.a., De Kunst van het lachen: humor in de Gouden Eeuw, Frans Halsmuseum, Haarlem, 2017. (Tentoonstellingscatalogus)

Link:

Frans Hals Museum, De kunst van het lachen

Eindelijk de Lairesse (artikel over de Lairesse op mijn website)

Geverifieerd door MonsterInsights