Tentoonstelling De Gouden Koets. Tot en met 27 februari in het Amsterdam Museum.

De Gouden Koets wordt over het Amsterdam Museum getakeld. Foto: Jan Kees Steenman

Heeft u de spectaculaire landing van de Gouden koets op de binnenplaats van het Amsterdam Museum gemist? Terugkijken kan, maar een bezoek aan het Amsterdam museum, waar dit vorstelijke rijtuig na een grondige restauratie staat te pronken, is natuurlijk leuker! In de tentoonstelling wordt de rijke geschiedenis van de Gouden Koets letterlijk en figuurlijk van alle kanten belicht. In zes tentoonstellingszalen kan de bezoeker zich verbazen over de pracht en praal van de rijkversierde koets, die in 1898 door het volk van Amsterdam werd aangeboden aan koningin Wilhelmina.

De Gouden Koets, Firma Spijker, Beeldhouwers; Emil van den Bossche (1849-1921), Guillaume Crevels (1855-1916) Schilder; Nicolaas van der Waay, (1855-1936), datering;1898 Koninklijke Verzamelingen, Den Haag

Geschiedenis en restauratie
Het voertuig werd tot 2015 op hoogtijdagen als doop- en huwelijksplechtigheden van stal gehaald. Sinds 1903 laat het staatshoofd zich op Prinsjesdag naar de Ridderzaal rijden. Tijdens deze sprookjesachtige rit worden passagier en koets toegewuifd door talloze belangstellenden. Tot zover het sprookje, want over de koets is wel meer te vertellen.

In de tentoonstelling ontmoet de bezoeker de bedenkers, bouwers en toeschouwers, maar ook demonstranten, nazaten van de mensen die op de koets staan afgebeeld en de gebruikers: de Oranjes. Er wordt onder meer ingegaan op de betekenis van de beschilderde panelen en de symbolische ornamentiek; zoals de ‘spaken’ van de wielen die -ontleend aan de Franse iconografie- als stralen rond de zon draaien. Volgens een eigentijdse waarnemer het symbool van de glans die van het koninklijk huis uitstraalt. De voorstellingen op de beschilderde panelen wekken behalve bewondering ook boosheid. Waarover straks meer.
Tijdens een rondleiding vertelt conservator Thijs Boers in bevlogen bewoordingen over the making of en vooral de restauratie van de Gouden Koets. Zowel bij de bouw, als bij de restauratie waren vele handen betrokken. In de documentaire die 16 juni jl. werd uitgezonden, was te zien hoe diverse losse onderdelen van de gedemonteerde koets naar ateliers in den lande werden gebracht om door experts onder handen te worden genomen.

In de tentoonstelling wordt, na gedetailleerde uitleg over de bouw door de firma Spijker, uitgebreid aandacht besteed aan de noodzaak tot restauratie.

Nicolaas van der Waay, Amsterdamse weesmeisjes aan het werk, rond 1900.

Van de carosserie, het goudvergulde houtsnijwerk, de schilderingen, het fraai bewerkte leder van de treeplankjes en de door nijvere weesmeisjes geborduurde interieurbekleding; werkelijk alles was tot op de draad versleten! Met de plaatsing van de koets op de binnenplaats van het burgerweeshuis is de cirkel rond.

Historisch gezien is de uitgebreid gevisualiseerde kijk op één eeuw Amsterdamse geschiedenis interessanter. Na een boeiende inleiding, waarbij de bezoeker soms al een tantaliserende blik op de koets vergund wordt, bereik je uiteindelijk de binnenplaats waar de koets in een glazen behuizing van alle kanten bezichtigd kan worden.

De Gouden Koets in het Amsterdam Museum foto: Marina Marijnen

De tentoonstelling laat zien hoe in de tweede helft van de twintigste eeuw naar de koets werd gekeken. Velen zullen zich de provocaties en protesten herinneren rond het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg. Rijdend door Amsterdam werd de koets in 1966 door een rookbom aan het zicht onttrokken. Tijdens de huwelijksrit van prins Willem Alexander en zijn Argentijnse bruid spatte in 2002 zelfs een verfbom tegen de koets uiteen…

De expositie laat zien dat er van meet af aan oppositie tegen de plannen voor deze kostbare koets bestond. Om de geraamde kosten, zo’n 7000 gulden, te dekken werden via crowdfunding avant la lettre ‘aandelen’ ter waarde van een kwartje uitgeschreven. Deze werden vooral door arbeiders in de Jordaan gekocht, de buurt waar het idee voor een geschenk in de vorm van een koets was ontstaan. Voor een arme arbeider, die een weeksalaris van f 1,25 ontving, was een kwartje destijds een enorm bedrag.

Bewijs van donatie voor de bouw van de Gouden Koets, Collectie Stadsarchief Amsterdam

Het wekt nog steeds verbazing dat in een stad waar de politieke kleur veeleer rood dan oranje was, juist bij de werkende klasse veel animo bestond voor zo’n duur vorstelijk geschenk. De koets was bedoeld voor de inhuldiging van koningin Wilhelmina, maar op die dag wenste zij het geschenk niet in ontvangst te nemen. Een dag later nam de vorstin de koets alsnog in ontvangst tijdens een bijeenkomst in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam. Op 7 februari 1901 werd het rijtuig voor het eerst gebruikt, tijdens de huwelijksdag van Wilhelmina en prins Hendrik.

Het model, een zogenoemde Berline en de overdadige versieringen zijn geïnspireerd op het rijtuig van Koning Karel X van Frankrijk uit 1825, zoals op afbeeldingen in de expositie te zien is.

Terug naar het hier en nu.
Werden de protesten in het verleden vooral door anti-monarchistische sentimenten gevoed, vandaag de dag komen ze uit de hoek van de BLM beweging, waarbij vooral de beschildering aan de linkerzijde van de koets het moet ontgelden. Het Amsterdam museum biedt een podium aan de meerstemmige kijk op de Gouden Koets toen en nu. In het begeleidend boek gaat Karwan Fatah- Black, universitair  docent aan de Universiteit van Leiden, in op de zwarte kant van deze voorstelling.

Paneel Hulde aan de Koloniën, foto Marina Marijnen

In het door Nicolaas van der Waay beschilderde paneel brengen de koloniën hulde aan het moederland. Rechts van de Hollandse Stedemaagd knielt een zwarte man met bananen voor haar neer. Twee wapenschilden tonen een driemaster met volle zeilen en een met een door een lauwerkrans omhuld zwaard. Een in Romeins gewaad gehulde witte man geeft een leerboek en schrijfstift aan een zwart jongetje, dat door zijn dankbare ouders gepresenteerd wordt. Ter linkerzijde van de Stedemaagd staan Javaanse bedienden. Aan hun voeten een dociel gebogen figuur, met deemoedig gevouwen handen.

Er is niet veel inlevingsvermogen nodig om te begrijpen dat mensen van kleur deze voorstelling, waarin de scheve gezagsverhoudingen overduidelijk zijn, als kwetsend of vernederend ervaren. De voorstelling verbeeldt echter wel geschiedenis. Geschiedenis kun je niet uitwissen, maar historische voorstellingen kun je wel lezen als documenten van een voorbije tijd. Zoals het verleden op de koets verbeeld is werd er in die tijd over kolonialisme gedacht. Zo zagen de Nederlanders hun positie op het toneel van de wereldhandel; zo beschouwden zij hun medemensen op de verre door de Hollanders gekolonialiseerde kusten.  

Velen geloofden destijds in de opdracht om middels educatie, onderricht in het christelijk geloof, gezondheidszorg en aanleg van infrastructuur beschaving in de overzeese gebiedsdelen te brengen. Nu weten we dat het vooral ging om winst te maken voor het vaderland.    

Middels het gewraakte propagandistische paneel Hulde aan de koloniën komt ook het verhaal van het Slavernij verleden in beeld, waarmee de tentoonstelling aansluit bij de nog t/m 31 augustus lopende Slavernij tentoonstelling in het Rijksmuseum. Beide exposities nodigen de bezoeker uit tot reflectie.

Nelson Carrilho, Altaar voor Elisabeth Moendi, 2017. Foto Tom Benavente, Courtesy de kunstenaar.

Evenals in het Rijks liet een aantal eigentijdse kunstenaars met diverse achtergrond zich in het Amsterdam Museum door het slavernijverleden inspireren. Resulterend in bevragende, ontluisterende en soms ook ontroerende creaties. Tijdens de voorbezichtiging stond ik ineens oog in oog met een ‘oude bekende’: Elisabeth Moendi. Haar portret was in de grote Suriname tentoonstelling ook te zien. In de late 19e eeuw ging zij in Paramaribo scheep naar Amsterdam, waar zij in 1883 als bewoner van de kolonie Suriname op het tot Wereldtentoonstelling ingerichte museumplein als een levende bezienswaardigheid werd tentoongesteld. Nelson Carrilho, die in Moendi zijn voormoeder herkende, heeft in de huidige expositie een altaar voor haar opgericht. Haar fotoportret wordt geflankeerd door een schilderij van een gekruisigde zwarte figuur en een drietal bronzen voorouderbeeldjes.

Iswanto Hartono, Colonies, 2017, Collectie Amsterdam Museum. Courtesy de kunstenaar. Foto: Jan-Kees Steenman

De Indonesische kunstenaar Ishwanto Hartono toont in zijn Colonies uit 2017 letterlijk en figuurlijk de schaduwkanten van het koloniale verleden. Daartoe trok hij de lijnen van het paneel Hulde aan de koloniën met staaldraad over; ze werpen een zwarte schaduw op de muur.
Bijtender is de kritiek van AiRich, die in haar eveneens op het Hulde paneel geïnspireerde BLOODY GOLD beelden projecteert, die zij ontleende aan de illustraties uit het boek van ‘slavenjager’ John Gabriel Stedman, Reizen naar Suriname etc.

AiRich, BLOODY GOLD. HULDE AAN DE KOLONIËN / HOE ZIT HET MET DE HERSTELSCHADE? 2021. Collage. Courtesy de kunstenaar en CBK Zuidoost, 2021 Amsterdam-Museum Foto:Jan-Kees-Steenman

Tenslotte
Het is de vraag of de koets in een museum blijft of ooit weer gaat rijden. Dit hangt (mede) af van de discussie. Bezoekers van de tentoonstelling worden uitgenodigd hun mening hierover te geven. De resultaten zullen aan de koning worden aangeboden. Ons staatshoofd, die de restauratie uit eigen middelen betaalde, zal hierover beslissen, aldus het museum. Maar ook jouw stemt telt: bezoek de tentoonstelling en geef je mening! Tentoonstelling de Gouden Koets t/m 27 februari 2022 in het Amsterdam museum.

Beluister ook de podcast van cultuurhistoricus Anne Petterson van NPO De Dag .

Ga voor meer informatie, als het kleurrijke publieksprogramma, met lezingen, een symposium en de online talkshow AM LIVE naar www.amsterdammuseum.nl en/of www.goudenkoets.nl

Ferdinand Bol en Govert Flinck Rembrandts Meesterleerlingen t/m 18 februari 2018 in Amsterdam

Ferdinand Bol en Govert Flinck, de knapste jongens van de klas, tot en met 18 februari in het Rembrandthuis en Amsterdam Museum.

 

Flinck Zelfportret
Govert Flinck, Zelfportret, ca.1640, Wallraf-Richartz Museum (bruikleen part.) Keulen

Bol Zelfportret
Ferdinand Bol, Zelfportret leunend op een balustrade, ca.1647, part.collectie

Rembrandt zelfportret 1640
Rembrandt Zelfportret, 1640, The National Gallery, Londen

 

 

 

 

 

 

Zoals eerder toegezegd kom ik terug op de dubbeltentoonstelling over Govert Flinck (1615-1660) en Ferdinand Bol (1616-1680). Deze kunstenaars treden tot en met 18 februari in het Amsterdam Museum en het Rembrandthuis uit de schaduw van hun leermeester Rembrandt. En dat is getuige een filmpje op Youtube  hard nodig. Aan de hand van twee reproducties opgesteld in de Ferdinand Bolstraat wordt passanten naar de naam van de schilders gevraagd. De antwoorden zijn zelden goed maar leveren wel enige leuke momenten op.

Hoog tijd dus voor herwaardering van Rembrandts beste leerlingen. Hun leertijd wordt in het Rembrandthuis aan de hand van zelfportretten en historiestukken geïllustreerd. De invloed van Rembrandt is nog overduidelijk. In het Amsterdam Museum wordt met portretten van de Amsterdamse elite en monumentale historiestukken het succesvolle vervolg getoond.

De in dialoog gepresenteerde levensloop en artistieke ontwikkeling van beide kunstenaars vormt de rode draad in de tentoonstelling. Volgens een oude zegswijze kan onder grote bomen weinig groeien, maar de tovenaarsleerlingen Bol en Flinck bevestigen de uitzondering op deze regel. Ze staken hun leermeester naar de kroon. In sommige gevallen is hun werk nauwelijks van dat van Rembrandt te onderscheiden en evenmin van elkaar. Maar gaandeweg ontwikkelen ze, geënt op Rembrandts werkwijze een eigen stijl, zoals te zien in het Amsterdam Museum. Bij Flinck, wiens carrière door zijn ontijdige dood kort was, kwam die eigen stijl met helderder kleuren het snelst tot ontwikkeling.

Rond het midden van de 17e eeuw kwam het Classicisme in de mode: met bijbelse-, mythologische en historische onderwerpen geschilderd in heldere kleuren. Om zich van opdrachten te verzekeren brengen Flinck en Bol meer kleur in hun voorheen monochrome Rembrandteske palet. Ook de penseeltoets wordt gladder en het dramatische claire-obscur maakt plaats voor een gelijkmatige belichting.
In het Rembrandthuis ontdekt de bezoeker dat Bol van Rembrandt niet alleen een penseel leerde hanteren, maar ook de burijn. In twee etsen met een beeltenis van Esther is de hand van de meester nauwelijks van die van zijn leerling te onderscheiden.

Bol Esther naar Rembrandt
Ferdinand Bol, Studie naar Rembrandts Esther, ca. 1636, Rijksmuseum, Amsterdam

Rembrandt Esther
Rembrandt, Esther voor haar bezoek aan Ahasveros, 1635, Rijksmuseum, Amsterdam

 

 

 

 

                                      Vakmanschap alleen was niet voldoende om zakelijk succesvol te worden. Het hedendaagse netwerken was ook in de 17e eeuw onontbeerlijk. Of noemen we het maar gewoon vriendjespolitiek?  De doopsgezinde Flinck ontving zijn eerste opdrachten vooral van familieleden, geloofsgenoten en vrienden. Bols huwelijk met achtereenvolgens twee welgestelde weduwes Elisabeth Dell en Anna van Erkel, opende deuren die voorheen voor hem gesloten bleven.

Bol, zelfportret
Ferdinand Bol, Portret van de kunstenaar, 1653, in samenhang met zijn vrouw Elisabeth Dell, 1653, Rijksmuseum Amsterdam, (bruikleen Schroeder Collectie)

Bel, Elisabeth Dell
Ferdinand Boll, Elisabeth Dell, de vrouw van de kunstenaar, 1653, Rijksmuseum Amsterdam (bruikleen Schroeder Collect

De in dialoog gepresenteerde werken bieden behalve de mogelijkheid Bol en Flinck te vergelijken ook inzicht in het leven van de schilders en hun booming woonplaats: Amsterdam. In de snelgroeiende stad was ook toen al iedereen welkom. Kooplieden, drukkers, geleerden en om hun geloof gevluchte joden en protestanten. De nieuwkomers die zich na de val van Antwerpen in 1585 in de Republiek vestigden brachten een potentieel aan kapitaal en kennis mee. Het zwaartepunt van de overzeese handel verplaatste zich van Antwerpen naar Amsterdam, waar dankzij de economische bloei een groeiende afzetmarkt voor schilderijen in alle genres en prijsklassen ontstond. Buitenlanders zagen in de woningen van alle lagen van de bevolking schilderijen. Bij de gegoede burgerij waren dat vooral historiestukken en portretten; genres waar Flinck en Bol in uitblonken. Niet alleen individuele portretten, maar ook groepsportretten, zoals de voor Nederland unieke schutters- en regentenstukken. Voorbeelden daarvan ziet u in het Amsterdam Museum, gevestigd in het voormalige Burgerweeshuis. Langs de binnenplaats herinnert de galerij met ‘kluisjes’ van de weeskinderen nog aan die tijd.
Binnen ziet de bezoeker Bols groepsportretten van de regenten en regentessen van het Amsterdamse Leprozenhuis, waarin zij zich als weldoeners afficheren. Ze zijn nog geschilderd met het ingehouden palet van Rembrandt. De zogenoemde binnenvader brengt een jongen met een vreemde hoofdbedekking binnen. Het lijkt wel een pruik van de leden van het Engelse House of Lords, maar het is iets anders: kletskop, een akelige huidziekte. De bedenkers van de gelijknamige lekkernij kenden deze onsmakelijke betekenis vast niet. Een recente restauratie onthulde dat Bol zich tijdens het schilderen wel eens bedacht. De hoed van de voorzitter verraadt dat diens hoofd aanvankelijk meer naar rechts zat. Met infrarood reflectografie, een methode om onder de verflaag te kijken, werden in het portret van de drie vrouwelijke medebestuursters, de regentessen, nog drastischer zogenoemd pentimenti gevonden. De figuur van de middelste regentes kreeg na haar dood een nieuw hoofd, dat enkele jaren later op haar beurt weer onder een nieuwe verflaag zou verdwijnen!

Bol, de regenten
Ferdinand Bol, De regenten van het Leprozenhuis, 1649, Amsterdam Museum

Bol De regentessen
Ferdinand Bol, De regentessen van het Leprozenhuis, 1667-1670, Rijksmuseum Amsterdam

 

 

 

 

 

 

Behalve groepsportretten zijn individuele portretten te zien, zoals Ferdinand Bols Portret van een oude vrouw, voorheen bekend als Rembrandts portret van Elizabeth Bas. Dit werk illustreert hoezeer Bol zich de stijl van zijn leermeester had toegeëigend.

Bol, Elizabeth Bas
Ferdinand Bol, Portret van een oude vrouw, mogelijk Elisabeth Bas, ca 1640-1645, Rijksmuseum Amsterdam

Een leuk hoofdstuk vormen de portretten waarin opdrachtgevers zich als een voorbeeldig bijbels of mythologisch personage lieten vereeuwigen. Zo lieten Leonard Winnincx en Helena van den Heuvel zich in 1664 door Ferdinand Bol op monumentaal formaat portretteren als het mythologische paar Jason en Medea. De huidige beschouwer is wellicht verbaasd over de halfnaakte pose van Helena, maar functioneel naakt -in het oude Griekenland liepen de dames er nu eenmaal zo bij dacht men- was toegestaan. Meer verbazing wekt de keuze voor dit ongelukkige mythologische koppel. Medea zal, wanneer Jason haar voor een ander verlaat, wraak nemen door hun beider zoontjes te doden. Op Bols portret bevinden zij zich nog in de gelukkige episode van het verhaal.
Dit portret maakt duidelijk waarom historiestukken in de Gouden Eeuw als het belangrijkste genre werden beschouwd. Voor het vervaardigen èn  begrijpen van deze voorstellingen was kennis van de bijbel en de mythologie nodig. Dat geldt ook voor het duiden van een portrait historié. Het was de kunst om een dramatisch kernmoment uit een bijbels-, mythologisch- of historisch verhaal zodanig neer te zetten dat het voor ingewijden herkenbaar is. Het ontdekken daarvan vormde destijds een intellectuele uitdaging voor bewoners van de grachtengordel! ….Kom daar nu nog maar eens om!

Bol Jason en Medea
Ferdinand Bol, Portret van Leonard Winnincx en Helena van den Heuvel als Jason en Medea, 1664, Hermitage Museum, St.Petersburg

Voor zijn kapitale stadspaleis aan de Kloveniersburgwal (het huidige Trippenhuis) bestelde staalmagnaat Louis Trip een historiserend portret van zijn dochters. In de gedaante van Minerva, godin van de wijsheid, onderwijst Margaretha haar zusje Anna Maria. Dat de school voorlopig nog niet klaar is bewijzen twee koddige putti  die met het boek voor de volgende les komen aanzetten. Alleen de achtergrond herinnert aan Rembrandt, wiens stijl de schilder in de kleurrijke hoofdvoorstelling voorgoed heeft afgelegd.

Allegorie op het Onderwijs, Ferdinand Bol
Ferdinand Bol,, Allegorie op het onderwijs, 1663, Koninklijke Academie van Wetenschappen, Trippenhuis (bruikleen Rijksmuseum Amsterdam)

In 1648 portretteerde Bol een echtpaar als het bijbelse koppel Isaäc en Rebecca. In Calvinistische kringen gold zij als het toonbeeld van een ideale echtgenote. Wanneer Abrahams knecht Eliëzer haar als ‘huwelijksmakelaar’ uitkiest voor de zoon van zijn baas, volgt zij hem naar haar onbekende bruidegom. Later blijkt dat Rebecca ook een andere kant had. Flinck bracht die minder mooie latere episode in beeld. Anders dan de blinde Isaäc verwacht, schuift Rebecca haar lievelingszoon Jacob, vermomd als zijn ruw behaarde tweelingbroer Ezau naar voren, waarmee zij hem de vaderlijke zegen zouden ontstelen.

Ferdinand Bol, Echtpaar in een landschap, ca. 1648, Dordrechts museum, Dordrecht

Govert Flinck, Isaac zegent Jacob, ca 1634, Museum Catharijneconvent, Utrecht

 

 

 

 

 

 

 

Bol en Flinck schilderden ook kinderportretten, zoals Flincks portret van een driejarig meisje uit 1640, een van de publiekslievelingen in het Mauritshuis. In datzelfde jaar portretteerde hij zijn achterneef David Leeuw. Hij zette het knaapje neer als miniatuurvolwassene met wandelstok. De ouwelijke verschijning bleek vooruit te wijzen naar zijn toekomstige status; David Leeuw werd een van de rijkste  kooplieden van Amsterdam.

Flinck Portret van David Leeuw
Govert Flinck, portret van David Leeuw, 1640, Birmingham The Barber Institute of Fine Arts

Ferdinand Bol, portret van Frederick Sluijsken, 1652, National Gallery, Londen (Part. Collectie)

Twaalf jaar later schilderde Ferdinand Bol de beeltenis van een tot voor kort onbekende jongen. In  het programma Kunstraadsels van omroep Max werd deze anonieme jongen onlangs overtuigend geïdentificeerd als Frederick Sluysken, zoon van een destijds bekende wijnhandelaar. Het door hem ostentatief omklemde wijnglas vormde de sleutel tot ontdekking.
In 1656 portretteerde Ferdinand Bol nòg een jongetje. Evenals de zojuist genoemde jongens was Otto op dit moment acht jaar oud. Eenmaal de kinderziektes ontgroeid werd deze leeftijd kennelijk geschikt gevonden voor een portret op weg naar volwassenheid. Ook zonder het informatieve bijschrift is verwantschap tussen Otto en Frederik goed te zien.

Bol, Otto van der Waeyen
Ferdinand Bol, portret van Otto van der Waeyen in Pools kostuum, 1656, Museum Boijmans van Beuningen Rotterdam

Anders dan zijn neefje Frederik mocht Otto voor het portret iets opdiepen uit de verkleedkist. Bij zijn keuze van een Pools kostuum rangschikte Bol een grootformaat stilleven gecomponeerd met militaire rekwisieten. Ook gaf hij de jongen een commandostaf in de hand. Dit attribuut zou Otto, in afwijking van de familietraditie, echter nooit hanteren. Hij werd arts.
In het nauwelijks van Rembrandt of Bol te onderscheiden historiestuk met  het wegzenden van Hagar uit 1642 bracht Flinck nòg een jongetje in beeld: Ismaël.
Wanneer de kinderloze Abraham, aangespoord door zijn echtgenote, een zoon verwekt heeft bij haar slavin, wordt Sara jaloers. Zij stookt Abraham op om moeder en zoon de woestijn in te sturen, waarmee hun doodvonnis bezegeld lijkt. Door goddelijk ingrijpen weten Hagar en  Ismaël te overleven. Flinck plaatst de voorstelling in oud-testamentische setting en gaf Ismaël naar joods gebruik een keppeltje, dat hij als stamvader van de Arabieren later zal moeten afleggen.

Flinck, Hagar
Govert Flink, De verstoting van Hagar, 1642, Staatliche Museum zu Berlin, Berlijn

Flinck Offer van Abraham
Govert Flinck en Rembrandt, Het offer van Abraham, 1636, Alte Pinakothek München

 

Bij het zien van een volgende episode uit het verhaal Het offer van Abraham, zou je kunnen denken: God straft direct. Deze geschiedenis doorgaans uitgelegd als test van Abrahams godsvertrouwen, kan ook zo worden geduid: ànders dan andere goden  vraagt de God van Israël géén mensenoffers. Nog in de stijl van zijn leermeester maakt Bol het verdriet en de angst van vader en zoon bijna tastbaar. Nog net op tijd grijpt een engel letterlijk en figuurlijk in. In 1636 schilderde Flinck een bijna-kopie van Rembrandts Offer van Abraham. Deze werken bevinden zich in de Alte Pinakothek in München en de Hermitage St. Petersburg.

Berckheyde Dam
Gerrit Berckheyde, de Dam met het stadhuis, 1673, Amsterdam Museum

In het Amsterdam Museum komen de opdrachten voor het nieuwe stadhuis aan bod. Het nog steeds imposante Paleis op de Dam, maakte in de 17e eeuw op eenieder een onuitwisbare indruk. Het door Jacob van Campen ontworpen classicistische gebouw was niet alleen indrukwekkend aan de buitenkant; ook het interieur ademde de grandeur van de stad. De Burgerzaal, gesierd met sculpturen van Artus Quellinus en de schitterend ingelegde hemel- en wereldkaart in de marmeren vloer zijn nog steeds van een adembenemende schoonheid. Door de toenmalige ‘dichter des vaderlands’ Joost van den Vondel werd het gebouw bezongen als het achtste wereldwonder. Kunstenaars van naam werden uitgenodigd om ontwerpen te leveren voor de aankleding van het interieur. Ferdinand Bol en Govert Flinck behoorden tot de uitverkorenen. Zij mochten schilderijen leveren met bijbelse en historische verhalen waar de burgemeesters zich aan konden spiegelen. Waaronder de reeks van acht monumentale doeken besteld met episodes uit de roemruchte vaderlandse geschiedenis, waarin destijds een parallel werd gezien met de eigen tijd. Zoals de Bataven in opstand waren gekomen tegen de Romeinen, zo hadden de Noordelijke Nederlanden met succes het Spaanse juk afgeworpen.

Flinck ontving opdracht voor in totaal 12 schilderijen. Door zijn ontijdige dood op 2 februari 1660 kwam hij niet verder dan enkele schetsen, waarvan er twee in de expositie te zien zijn. Een ontwerp voor de Samenzwering van Claudius Civilus en Brinio op het schild geheven; twee roemruchte episodes uit de Bataafse opstand.

Govert Flinck, De samenzwering van Claudius Civilis, ca 1659, Kunsthalle Hamburg

Flinck Brinio
Govert Flinck, Brinio op het schild geheven, ca 1659, Kunsthalle Hamburg

De uitvoering van deze werken kwam na Flincks dood in handen van Rembrandt en Jan Lievens. Rembrandts Samenzwering van Claudius Civilis ( nu in de Zweedse Academie voor Schone Kunsten) heeft maar enkele maanden in het Stadhuis gehangen. Het viel wegens de grove toets en prominent in beeld gebrachte lelijke eenogige Claudius kennelijk niet in de inmiddels veranderde smaak. Van Lievens (1607-1674) versie van Brinio op het schild geheven, ca. 1660 wordt een olieverfschets getoond.

Ferdinand Bol, Gaius Fabricius Luscinus in het legerkamp van Pyrrhus, ca. 1655-’56. Amsterdam, Koninklijk Paleis

Ferdinand Bol koos eveneens een onderwerp uit de Romeinse geschiedenis. De de Romeinse consul Gaius Fabricius Luscinus, die zich tijdens een bezoek aan het vijandige legerkamp van koning Pyrrhus door niets en niemand van de wijs laat brengen. Wanneer deze de steekpenningen van Pyrrhus niet wil aannemen probeert hij zijn opponent -tevergeefs- schrik aan te jagen met een  plots ten tonele gevoerde olifant. De hier betoonde standvastigheid respectievelijk onverschrokkenheid van de consul diende de burgemeesters tot voorbeeld te strekken.

 

In het Amsterdam Museum ziet de bezoeker Bols heroïsche portretten van vlootvoogden Michiel de Ruyter en Cornelis Tromp. Van Michiel de Ruyter leverde Bol zes exemplaren; één voor elke vestiging van de Admiraliteit. De man die volgens de overlevering onverschrokken de moeilijke getijdenrivier de Theems was opgevaren om de Engelsen in het maritieme hart te treffen en hen tijdens de Vierdaagse Zeeslag (11-14 juni 1666) had verslagen. Bol plaatste de bevelhebber met commandostaf  in een toepasselijk decor.  In de achtergrond De Ruyters vlaggeschip de Zeven Provinciën dat werd ingeschilderd door de marineschilder  Willem van de Velde de Jonge. De prominente hemelglobe was, als 17e eeuws GPS, onontbeerlijk voor het navigeren op zee.  Bent u verbaast over de wat vrouwelijke hand van de ruwe zeebonk ? Deze is waarschijnlijk van de hand van een leerling.

Ferdinand Bol, Portret van Michael Adriaenszn de Ruyter,1667, Mauritshuis, Den Haag.

Ferdinand Bol, Portret van cornelis tromp, ca 1667, Particuliere Collectie

 

 

 

 

 

 

 

 

In de aanloop naar tentoonstelling kwam een zoekgeraakt portret van Cornelis Tromp in een particuliere collectie boven water. Bol koos in dit  portret voor een soortgelijke enscènering met in de achtergrond Tromps vlaggeschip de Hollandia. De destijds rivaliserende marinemannen hangen nu broederlijk bijeen.

U kunt Bol en Flinck ook nog ontmoeten in het Paleis op de Dam en in Bols voormalige woonhuis aan de Keizersgracht Museum van Loon (tot 8 januari).

Tot en met 27 mei krijgt u tenslotte in de Hermitage Amsterdam een indruk van Ferdinand Bol en Govert Flinck temidden van tijdgenoten. Zo’n 63 werken van Rembrandt en tijdgenoten zijn vanuit St. Petersburg even thuis in Amsterdam.

In verband met een dreigend Stendahl syndroom lijkt een weekend of midweek Amsterdam de beste remedie om van al dit moois ook echt te genieten!

Boek bij de tentoonstelling;
Ferdinand Bol en Govert Flinck Rembrandts meesterleerlingen, W.Books Zwolle in samenwerking met Amsterdam Museum en Rembrandthuis, 2017

Link: Ferdinand Bol en Govert Flinck, wie zijn zij?  

Link: Amsterdam Museum

Link: Het Rembrandthuis

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

100 Jaar Schiphol: ‘klaar voor vertrek’, t/m 7 mei 2017 in het Amsterdam Museum, Amsterdam.

 

Posterbeeld

In het hartje van Amsterdam, binnen de muren van het 16e eeuwse burgerweeshuis is t/m 7 mei de tentoonstelling 100 jaar Schiphol: klaar voor vertrek te zien. Op 19 september was het precies honderd jaar geleden dat het eerste vliegtuig, een Farman f-22, op Schiphol landde. Niet op de huidige polderbaan, maar op een modderige strip in de polder!

Als cadeautje voor 100 jaar trouwe dienst ontving de luchthaven uit handen van koning Willem Alexander het predikaat ‘koninklijk’. Voortaan moeten we dus ‘u’ zeggen tegen de Koninklijke Schiphol Group.

In de expositie krijgt de bezoeker niet alleen een idee van de ‘buitenkant’ van dit enorme bedrijf, maar ook een kijkje achter de schermen. Waar blijft mijn koffer (hopelijk geen overgewicht) na de ‘luggage drop off’; wat doen de mannen van douane en marechaussee? Wat moet die hond aan het begin van de gate bij ‘arrivals’ ? Hoe krijgen de verkeersleiders het voor elkaar om die honderden starts en landingen per dag letterlijk en figuurlijk in goede banen te leiden ?

20160913_105634En evenmin onbelangrijk: hoe vindt de luchtreiziger zijn weg op de grond?  Dat lukt dankzij de heldere bewegwijzering, die in 1962 door Benno Wissing werd uitgedacht en in de jaren ’90 door een nieuw, soortgelijk ontwerp van Bureau Mijksenaar werd vervangen en inmiddels wereldwijd nagevolgd.

U vraagt zich wellicht af: wat moet zo’n eigentijdse expositie in het Amsterdam museum, maar Amsterdam en Schiphol hebben, behalve geluidsoverlast meer gemeen!

Even terug in de tijd. Zes jaar na de doorstart van militaire- naar burger-luchthaven, heeft de gemeente Amsterdam het beheer van Schiphol in 1926 op zich genomen. De roestige sleutels van het eerste ‘stationsgebouw’, een gammele keet, zijn in de expositie te zien.

sleutels_schiphol_lr_rene_gerritsen

Deed  burgemeester Ed van Tijn met de slogan ‘Amsterdam heeft het’ een vergeefse gooi naar het gastheerschap van de  Olympische Spelen van 1992, in 1926 vonden ze hier wèl plaats en dat betekende voor Schiphol een enorme impuls !

paul_huf_maiIn dat jaar verwerkte Schiphol 10.793 passagiers tegen 440 in het eerste jaar van haar bestaan. Vliegen was in die tijd een bijzondere ervaring en ook (g)een koud kunstje. In een van de vitrines ligt een warme voetenzak, voorloper van de deken die je tegenwoordig krijgt aangereikt!

Leuk om te bedenken, dat op deze locatie een door zeelieden gevreesd woest water lag. De Haarlemmermeer was een echte scheepshel; dit is althans een van de verklaringen voor het ontstaan van de naam Schiphol.

Ludolf Bakhuizen, Woelend water (Het Haarlemmermeer), 1655-1675, Amsterdam museum

Na de drooglegging van de Haarlemmermeer in 1852 ontstond een modderige polder; 4 meter onder zeeniveau. Hier ligt thans het kloppend hart van de Nederlandse internationale luchtvaart, met 319 lijndienst bestemmingen en nog eens 23 vrachtbestemmingen. Eindbestemming en hub voor zo’n 60 miljoen passagiers in 2016. Waar ca 500 bedrijven gevestigd zijn met een gezamenlijke werkvloer voor  65.000 werknemers!

In de tentoonstelling worden aan het vliegbedrijf gerelateerde grondberoepen de meeste aandacht besteedt. De cabine bemanning komt er met een kleine modeshow van historische uniformen, waaronder een safari-pakje van Air Kenya,  bekaaider af.

4

Van de piloten, zonder wie Schiphol niet zou bestaan, is afgezien van een grappige vluchtsimulator, geen spoor. Staande op een sweetspot, bewegend met je armen kunnen bezoekers wel zelf proberen een widebody aan de grond te zetten; hetgeen nog niet meevalt!

Het Amsterdamse ontwerpbureau NorthernLight heeft de historische wetenswaardigheden en groeispurten die tot de huidige omvang van Schiphol hebben geleid thematisch-chronologisch prachtig in beeld gebracht. We volgen de ontwikkeling van Schiphol van het prille begin in 1916, tijdens WO II nog een militair veldje, via het nieuwe Schiphol van de jaren ’60 naar Airport City in 1990, waar je kunt werken, wonen, winkelen en zelfs naar het (Rijks)museum kunt gaan. Aan de hand van foto’s, video-presentaties, objecten, hands-on media en spelletjes voor jong en oud op wordt Schiphol dicht bij de bezoeker gebracht.

luchthaven_am_s_ta_39828_1_0

Interessant is het zelfs in onze tijd nog megalomane (niet uitgevoerde) plan van Jan Dellaert. Deze Zeeuwse luchtvaartpionier en latere directeur van Schiphol, leverde in 1956 een ontwerp voor een ster van wel 10 landingsbanen, onder het mom van de in luchtvaarkringen nog steeds gebezigde term the sky is the limit. Dit plan is niet van de grond gekomen. Kritiek was niet van de lucht, maar met de aanleg van de polderbaan werd in 2003 wel een 5e baan gerealiseerd (die baan met een lange taxi-tijd). Dit gebeurde ondanks veel protestacties. Onder meer met de aanplant van bomen -het zogenaamde bulderbosje- werd getracht de plannen tegen te gaan, zoals te zien was in de interessante documentaire 100 jaar Schiphol, uitgezonden op 19 september jl. bij NPO 2.

1487295_435699903226708_1502131391_nNu loop ik echter op de zaken vooruit. In 1963 werd begonnen met de bouw van het Schiphol Centrum. Dit nieuws deed mijn ouders besluiten om op een zondagmiddag eens richting Schiphol te toeren.
In de tentoonstelling wordt de strijd tussen ambitie en praktijk belicht aan de hand van een sculptuur van een citroengele vlinder; het logo van de anti-Schipholbeweging, die in 1968 een krachtig protest, een tegengeluid zogezegd, tegen uitbreiding van Schiphol liet horen. Door verbeterde luchtvaarttechnieken en het laten vallen van de regel dat de ‘plas’ alleen met viermotorige vliegtuigen mocht worden overgestoken, is de geluidshinder weliswaar afgenomen, maar waar gevlogen wordt is geluidshinder, je ontkomt er niet aan. Of je nu dichtbij of verder weg van Schiphol bent.

De luchthaven werd overigens gesticht in een vrijwel onbebouwde polder, maar in omringende gemeenten is de woningbouw, tegen beter weten in, gewoon doorgegaan. In de documentaire 100 Jaar Schiphol komt nog een pionier aan het woord. De agrariër van de boerderij die al in 1902 door zijn overgrootvader werd bewoond. Een tijd zonder vliegtuigen, laat staan een internationale luchthaven in je achtertuin!  De verslaggever moet om de minuut stoppen wegens het oorverdovende lawaai van opstijgende en landende machines. Voor het agrarische bedrijf dat sindsdien van vader op zoon is overgegaan ziet hij nu geen toekomst meer…

Overigens had hij meer geluk dan de bevolking van het dorpje Rijk dat voor de aanleg van de Kaagbaan in 1960 tegen de wil van de bewoners, helemaal werd platgewalst ! Een ‘overlevende’ omschrijft de manier waarop Schiphol hier te werk ging als ‘niet elegant’…

Naast technische en logistieke zaken is in de presentatie ook ruimte voor beleving en tot de verbeelding sprekende zaken. In een klein hoekje is het diploma te vinden van speurhond Caesar, die zijn baasje, de heer Warnies ooit aan een grote vangst heroïne hielp.

Leon Warnies met speurhond Caesar
Leon Warnies met speurhond Caesar

Anders dan ik meende worden de speurhonden die je na aankomst uit Paramaribo besnuffelen, niet verslaafd gemaakt; ze gaan puur op hun reukzin af en moeten, evenals piloten, steeds een ‘proficiency-check’ doen!

20160913_110531_resized
Smokkelboxer met kolibri’s

Naast het diploma van Caesar staat een grote vitrine gevuld met smokkelwaar. Verstopt in (minder slimme) schoenen met plateauzolen, tot meer ingenieus: levende kolibri’s die in een boxershort warmpjes vanuit Suriname werden meegesmokkeld.

 

 

 

En deze geschiedenis houdt in het hier en nu niet op. Bezoekers van de tentoonstelling kunnen hun visie op het reizen in de toekomst kwijt op een instapkaart. Leuk is de video waarin kinderen hierover aan het woord komen. Een van de vele toekomstverwachtingen is ‘teletransportatie’ het fysiek reizen in de geest, dus wel verplaatsing naar een verre bestemming, maar zonder de ongemakken die aan reizen verbonden zijn. Geen jetlag en geen voortdurend huilende of tegen je vliegtuigstoel schoppende kindervoetjes achter je. Thea Beckmann beschreef  in 1973 reeds een machine –de materietransmitter- waarmee reizen in de tijd mogelijk werd voor Dolf, de hoofdrolspeler in het jeugdboek Kruistocht in Spijkerbroek. Voor de ‘fietsenmakers’ in Delft moet het uitvinden van een manier voor teletransportatie toch niet te moeilijk zijn; ze hebben daar immers de ‘teleportatie’ al uitgevonden!

Verder kijken en lezen:

Achtergrondinformatie over groeicijfers en toekomstverwachtingen zie: M. Duursma, Klem in de polder, NRC Weekend, 17 & 18 sept. 2016

Documentaire 100 jaar Schiphol, NPO 2, 19 september 2016

Online tentoonstelling www.100jaarschiphol.nl

www.amsterdammuseum.nl