Pekka Halonen, Winterlandschap in de zon, 1911, Finnish National Gallery Collection. Ateneum Art Museum, Helsinki | Photo: Kansallisgalleria | Finnish National Gallery / Aleks Talve
In deze eerste grote Hollandse overzichtstentoonstelling van Pekka Halonen, waan je je even in Finland. Tot 17 augustus zie je in realistisch-impressionistische toets geschilderde kleurrijke natuuropnames en sneeuwlandschappen, zoals je nog nooit gezien hebt. Zelfs de impressies van gekristalliseerd water zijn in veelkleurige streken neergezet. Een kunstgreep die hem in eigen land de bijnaam sneeuwschilder bezorgde. Halonen was eveneens goed in de karakteristieke weergave van menselijke figuren. Daarvan is de verstilde impressie van een dromerige jongen aan de waterkant een mooi voorbeeld. Het licht van de opkomende zon wordt op Turniaanse wijze weerspiegeld op het water en omkranst het witte haar van de knaap als een aureool. Welkom in de wereld van Pekka Hallonen (1865–1933).
iPekka Halonen, Jongen aan de oever, 1891-1933, Finnish National Gallery. Ateneum Art Museum, Helsinki, Photo: Kansallisgalleria | Finnish National Gallery / Hannu Pakarinen
Heel origineel is het doek met een groep gestileerde houtvesters. De samenstellers van de expositie zien invloeden van de destijds geliefde Japanse prentkunst. Zoals de door de lijst afgesneden bomen en het vogelvluchtprspectief. Het werk deed mij denken aan de beulen in doeken van Italiaanse quattrocento schilders als Piero della Francesca en Antonio del Pollaiuolo. De houding van deze figuren en het eerdergenoemde licht van Turner zijn ongetwijfeld echo’s van de lessen die hij opdeed aan de academie van Helsinki en werken die hij in het Louvre zag tijdens zijn verblijf in Parijs. In 1900 nam hij daar deel aan de Wereldtentoonstelling. In 1890 werkte hij zelfs enige tijd samen met Paul Gauguin. Maar sindsdien is hij in onze contreien in de vergetelheid geraakt.
Pekka Halonen, Pioniers in Karelië, 1900. Houthakkers. Finnish National Gallery Collection. Ateneum Art Museum, Helsinki
Na zijn Franse avontuur trok hij zich terug aan het meer van Tuusula. De verstilde, landelijke omgeving ten noorden van Helsinki, trok kunstenaars van velerlei disciplines. Ver van de geïndustrialiseerde wereld vonden schilders, schrijvers en de componist Jean Sibelius inspiratie in de hier ontstane kunstenaarskolonie. Halosenniemi, het door Halonen eigenhandig gebouwde huis, werd een zoete inval voor de culturele elite van het land.
In de verstilde natuur kon Halonen zich helemaal overgeven aan het credo, waarvoor hij behalve het raamwerk, geen woorden kon vinden:
“De natuur vormt het geraamte van mijn schilderijen, maar de sfeer is de inhoud, het hoofdgedeelte. Of deze sfeer van buitenaf komt of uit mijzelf, weet ik niet echt. Ik denk liever niet na over zulke problemen, maar op een mooie dag zal ik vinden wat ik zoek, en dan hoef ik het alleen nog maar op doek vast te leggen.”
Het resultaat van deze niet in woorden te vangen inspiratie is te zien in de 94 geëxposeerde bruiklenen uit het Ateneum Art Museum in Helsinki en andere musea. Enkele authentieke schilders attributen verlenen de expositie een persoonlijke toets.
Pekka Halonen, Man die een boot teert II, 1908, Tampere Art Museum collection, Tampere, schenking van Tor, Joe en Pentti Borg
De tentoonstelling, waarin zijn ontwikeling mooi te volgen is, vangt aan met vroeg, deels nog in Parijs ontstaan werk. Gevolgd door doeken die aan het Tuusula meer ontstonden. Met scènes uit het dagelijks leven wist hij de Finse identiteit treffend in beeld te brengen.
De goede verstaander herkent daarin ook signalen van de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen van die tijd. In de vroege 20e eeuw dreigde Finland haar autonomie te verliezen. In het eerdergenoemde doek met de pioniers zie je een groep Finse mannen die een boom vellen in een besneeuwd landschap. Plaats van handeling is het grensgebeid tussen Finland en Rusland. Destijds probeerde tsaar Nicolaas II Finland binnen Russische invloedssfeer te brengen. De door Halonen neergezette sterke mannen symboliseren het krachtige verzet van het Finse volk.
Angst voor een herhaling van deze dreiging zal de hedendaagse Finnen niet vreemd zijn. In zijn landschappen spreekt een sterk nationalistisch zelfbewustzijn. De apotheose wordt gevormd met de al genoemde betoverende door het Finse licht beschenen door sneeuwlandschappen, waarin de stilte en de koude bijna zintuiglijk waarneembaar zijn.
Pekka Halonen, Winterlandschap, Myllykylä, 1896, Finnish National Gallery,Ateneum Art Museum, Helsinki, Antell Collectie | Photo: Kansallisgalleria | Finnish National Gallery / Aleks Talve
Ga gauw kijken naar deze unieke tentoonstelling. Op woensdag en zondagmiddag kun je deelnemen aan een instaprondleiding door de wondere wereld van Pekka Halonen.
Amrita Sher-Gil, Zelfportret, Parijs, circa 1930. National Gallery of Modern Art, New Delhi.
Eindelijk is het zover! Met deze woordenopent het persbericht waarmee het Drents Museum de tentoonstelling van de Hongaars-Indiase kunstenaar Amrita Sher-Gil (1913-1941) aankondigde. Vertraagd door de geopolitieke situatie zijn de bruiklenen uit de National Gallery of Moderna Art in New Delhi inmiddels toch in Assen gearriveerd. Toen bleek dat de schilderijen niet konden afreizen richtte het Drents museum allerijl een alternatieve expositie in met modernisten uit Nederlandse collecties. Deze Ode aan Amrita Sher-Gilwas geïnspireerd op haar eigen woorden: Europa is van Picasso, Matisse, Braque en vele anderen. India is alleen van mij.”
De surrogaat tentoonstelling is voorbij, maar drie van de daarin getoonde stand-ins zijn nog te zien:de Sybille (1929) van Picassoen stillevens vanMatisse enBraque uit Kunstmuseum Den Haag. Hun werk isbij het publiek heel wat bekender dan de Indiase ster die nu schittert in de Drentse museumzalen.
Goed mogelijk dat je nog nooit hebt gehoord van de kunstenares die wegens haar baanbrekende werk en vrijgevochten levensstijl wel wordt omschreven als de Indiase Frida Kahlo. Evenals de Mexicaanse legde ook zij met compassie de ziel van de lokale bevolking vast. Dankzij haar kunst wordt Amrita Sher Gil in haar vaderland als grondlegger van de moderne Indiase kunst beschouwd.
Amrita werd in 1913 in als kind van een Indiase aristocraat en Hongaarse operazangeres in Boedapest, geboren. In 1921 vertrok zij met haar familie naar Shimla, een stad aan de voet van de Himalaya. Terug in Europa volgde Amrita kunst- en schilderlessen in Florence en Parijs. Aan de École des Beaux Arts zag ze werk van modernisten als Paul Cézanne, Suzanne Valadon en Paul Gauguin. Zijn invloed herken je niet alleen in het onderwerp, maar ook in het als Slaap getitelde zelfportret als Tahitiaanse uit 1933.
Amrita Sher Gil, Jonge Vrouwen, Parijs. 193. National Gallery of Modern Art, New Delhi. Zelfportret, Parijs, circa 1930. National Gallery of Modern Art, New Delhi.
Behalve (zelf)portretten en stillevens schilderde Sher-Gil impressies van het dagelijks leven in Parijs. Haar naam roept tegenwoordig weinig herkenning op, maar haar talent bleef destijds niet onopgemerkt. Met het doek Jonge Vrouwen won ze op de Parijse Salon in 1933 een gouden medaille.
Amrita Sher-Gil, Drie meisjes, Amritsar (India), januari 1935. National Gallery of Modern Art, New Delh
Ook al had ze veel succes in Parijs, de fascinatie voor het land van haar vader bleef trekken. Toen een docent haar erop attendeerde dat zij met haar rijke kleurenpalet niet thuishoorde in de grijze ateliers van het Westen, besloot ze in 1934 terug te keren naar de stad waar ze in 1921 als achtjarig meisje gewoond had. In Shimla combineerde zij de artistieke Europese vaardigheden met traditionele Indiase elementen. Haar werk weerspiegeld de indrukken die zij tijdens haar reizen door het onmetelijke land had opgedaan. Prachtig zijn de op de grotschilderingen van Ajanta en Mogol-miniaturen geïnspireerde werken. Dat geldt ook voor de impressies van het eenvoudige dagelijks leven. Boeren, arme vrouwen en paria’s vonden hun weg naar haar doeken. Vastgelegd in de aardkleuren van de kruiden die op de markten lagen uitgestald. Amrita gaf een stem aan de armen en liet hen stralen in het Indiase licht. Vooral vrouwen komen in haar werk opvallend krachtig uit de verf. Verschillende Indiase steden boden haar een podium voor een tentoonstelling. Ze won zelfs een prijs voor beste vrouwelijke kunstenaar, maar het ergert haar dat ze in deze categorie genoemd wordt.
Amrita Sher Gil, de Vrolijke begraafplaats, Zebegény (Hongarije), 1939. National Gallery of Modern Art, New Delhi.
In 1938 was ze terug in Hongarije, waar ze trouwt met haar neef Victor. In deze jaren verdiepte zij zich in de Hongaarse volkskunst. Van deze periode dateert het doek met een impressie van een vrolijke begraafplaats.
Wanneer de grond hen in het steeds fascistischer wordende land te heet onder de voeten wordt keren Victor en de Joodse Amrita terug naar India. Met haar werk raakte Amrita bekend tot in de hoogste kringen. Ze onderhield vriendschappelijke betrekkingen met Jawaharlal Nehru, die als politicus en later als premier met Mahatma Ghandi een belangrijke rol zou spelen in de weg naar onafhankelijkheid. In 1941 werd in Lahore een grote solotentoonstelling georganiseerd, hier was onder andere haar impressie van de Kurkuma malers te zien; een werk, waarin zij experimenteert met vorm en kleur.
Amrita Sher-Gil, Haldi geelwortel (of kurkuma) malers, Saraya (India), circa 1940. National Gallery of Modern Art, New Delhi
In datzelfde jaar kwam een abrupt einde aan haar avontuurlijke en succesvolle leven. Zij werd slechts 28 jaar. Haar doodsoorzaak is nooit bekend gemaakt, maar verondersteld wordt dat zij is overleden aan de gevolgen van een abortus. Amrita Sher-Gil vond haar laatste rustplaats in Lahore, het huidige Pakistan.
Bij de expositie is een mooi publieksboek verschenen: Annemiek Rens & Berber van der Veer, Amrita-SherGil: Europa is van Picasso: India is alleen van mij. Tentoonstellingscatalogus Drents Museum, Assen. 2026.
Tot en met 27 september is in het Stedelijk Museum Schiedam een overzicht te zien van het kleurrijke, sociaal bewogen oeuvre van Lou Loeber (1894–1983). Haar naam roept wellicht niet meteen herkenning op, maar binnen de Nederlandse moderne kunst neemt zij een bijzondere positie in. Met haar tegenwoordig actuele ideeën over gelijkwaardigheid en toegankelijkheid was zij haar tijd ver vooruit. Geïnspireerd op deze idealen ontwikkelde ze in de jaren twintig een heel eigen harmonieuze stijl, waarmee ze wilde bijdragen aan een evenwichtigere, socialere wereld. In haar interieurs, landschappen, stillevens en portretten vertaalt zij de waargenomen werkelijkheid naar abstracte vormen, maar het onderwerp blijft herkenbaar. Invloed van Wassily Kandinsky en De Stijl is niet ver weg. Loeber vindt dat haar werk toegankelijk moet zijn voor iedereen. Haar composities worden gekenmerkt door een uitgebalanceerd evenwicht tussen kleur en vorm. Met wat fantasie herken je bloemen in een stilleven van 1928, terwijl deze in het paneel met Aronskelken uit 1928 overduidelijk aanwezig zijn.
Uit de schaduw. Te lang stond Lou Loeber in de schaduw van tijdgenoten als Piet Mondriaan, Theo van Doesburg en Bart van der Leck, daarin brengt deze tentoonstelling verandering. In Loebers paneel met Man bij de kachel (1947) is invloed van Van der Leck niet te missen. Vergevorderde stilering paste ze ook toe in haar geestige impressie van Slapenden, dat zij in 1925 in zeefdruk uitgaf.
Lou Loeber, Slapenden, 1925. Zeefdruk, 65 x 65 cm. Drukker Rolf Henderson, 1974. Stedelijk Museum, Schiedam. c/o Pictoright Amsterdam, 2026.
In deze eerste van een reeks aan vrouwelijke kunstenaars gewijde exposities belicht het Schiedamse Museum Loebers rol als een van de belangrijksre wegbereiders voor abstracte kunst. Omdat zij vond dat haar werk voor iedereen bereikbaar moest zijn, maakte zij -in navolging van de Franse kunstenaar Albert Gleizes- meerdere in verschillende media uitgevoerde versies. Wie geen geld had om haar werk te kopen kon terecht in de kunstuitleen die zij in 1932 samen met haar echtgenoot Dirk Koning had opgericht.
Lou Loeber, Molen (versie 4), 1922. Gouache op papier 73 x 55 cm. Centraal Museum, Utrecht. c/o Pictoright Amsterdam, 2026.
In de expositie wordt haar ontwikkeling van figuratie naar abstractie inzichtelijk gemaakt. Aan de hand van drie impressies van Schiedamse Molen de Walvisch kun je dit proces volgen. De wieken van de ter plaatse geschetste molen werden door haar gereduceerd tot geometrische vormen. De nog zeer herkenbare dijkhuisjes lijken door een klap van de wieken om te vallen. Steeds ontvankelijk voor nieuwe ontwikkelingen slaat zij ruim dertig jaar later een nieuwe weg in. Geïnspireerd op het werk van Russische constructivisten en de kubist Fernand Leger, die gefascineerd zijn door de technologische ontwikkelingen van de nieuwe tijd, ontstaat in 1954 haar paneel met Gasfabriek in Arnhem.
De overzichtstentoonstelling schetst niet alleen haar artistieke ontwikkeling maar ook de veelzijdigheid van een vrouw die op 60-jarige leeftijd nog overstapte naar de abstract-geometrische stijl van de constructivisten.
Eveneens in Stedelijk Museum Schiedam is tot en met 25 oktober eveneens een verrassend overzicht te zien van de Frans-Nederlandse kunstenaarsfamilie Klein. Vader Frits en zoon Yves zijn het meest bekend, maar ook hun respectievelijke partners Marie Raymond en Rotraut Ueker maakten kunst van formaat.
Het vernieuwde Valkhof in Nijmegen met ruiterstandbeeld van Fernando Sanchez Castillo (artist impression)
Donderdag 4 juni werd het vernieuwde Valkhof op feestelijke wijze geopend door koningin Maxima. In de Ochtend van NPO klassiek lichtte scheidend directeur Hedwig Saam de vernieuwde presentatie toe. Het exterieur van het in 1999 door Architect Ben van Berkel ontworpen gebouw onderging onder zijn handen een metamorfose. Ineke Hans tekende voor de make-over van het interieur.
Na een grootschalige renovatie voldoet het museum aan de eisen van de tijd. Dat geldt niet alleen voor de klimaatbeheersing, maar ook voor de presentatie van de eeuwenoude objecten. Het sleutelwoord van de vernieuwing, zowel van het interieur als van het exterieur, is verbinding. Met een caféterras aan het Kelfkensbosplein wordt de voorheen gesloten kunsttempel aan de buitenzijde letterlijk met de stad verbonden. Ook binnen gaat het museum een verbinding aan met het heden. Niet alleen met de presentatie van de vaste collectie, maar vooral met de tijdelijke tentoonstellingen.
Mens op de grens, Romeinse gezichtshelm, 2e helft 1ste eeuw, Valkhof Museum, foto Ivar Pel
Toen en Nu. Zo’n 25 jaar geleden bezocht ik met mijn tienerzoon de indrukwekkende materiële erfenis van de Romeinen. Zij slaagden er in de 1e eeuw na Chr. in de grenzen van hun immense imperium tot in de Lage Landen uit te breiden. We bewonderden de archeologische resten van Castrum Noviomagus. Ook op de nabijgelegen plek waar ooit een paleis van Karel de Grote had gestaan was verwondering over het verre verleden onze belangrijkste emotie. Nu gaat het niet langer alleen maar over kijken naar mooie en interessante objecten uit het verre verleden. Door geschiedenis en kunst te verbinden met de huidige tijd ontstaan andere perspectieven. Een betere plek voor dit nieuwe concept is nauwelijks denkbaar, want in Nijmegen komen sindsde Romeinse tijd vele levens en verhalen samen. In de uitgebreide kelderverdieping zijn archeologische vondsten te zien, waaronder bezittingen van soldaten die uit alle delen van het Romeinse imperium in Noviomagus waren gestationeerd.
Power of the people, Fernando Sanchez Castillo, 2026, Valkhof Museum
Geschiedenis is geen voltooid verleden tijd. Het verleden werkt door in het heden. Door geschiedenis, kunst en actuele thema’s met elkaar te verbinden biedt het museum de bezoekers een handreiking om met een andere blik naar zichzelf en de hen omringende wereld te kijken. Dit nieuwe uitgangspunt werd tijdens de opening treffend verbeeld door koningin Maxima. Op symbolische wijze draaide zij een schaalmodel om van het ruiterstandbeeld dat in op monumentaal formaat een plek zal krijgen op het museumplein. De sculptuur is gemaakt door de Spaanse beeldhouwer Fernando Sanchez Castillo aan wie de openingstentoonstelling gewijd is.
Power of the People In deze expositie zie je tal van geschilderde en gebeeldhouwde ontwerpen van Sanchez Castillo. Verschillende sculpturen zullen straks eveneens een plek op het voorplein krijgen. Beelden waarin hij wederom de rollen letterlijk en figuurlijk omdraait. Mensen die zich tegen het establishment verzetten worden op een voetstuk geplaatst, terwijl machthebbers als keizer Augustus en Vespasianus daar vanaf vallen. Sanchez Castillo heeft kennelijk plezier in deze omgekeerde wereld; met het plaatsen van een schommel tussen de armen van de soldatenkeizer Vespasianus slaat zijn fantasie op humoristische wijze op hol!
Verzet hoort niet alleen bij de beeldtaal van Sanchez, maar ook bij de stad waar zijn werk nu getoond wordt. Rebellie tegen binnen- en buitenlandse machthebbers loopt als een rode draad door de geschiedenis van Nijmegen. Het begon al in de Romeinse tijd. Dit vroege verzet wordt verbeeld met de kop van Julius Claudius Civilis, de leider van de Bataafse opstand (69/70) tegen het Romeinse gezag. Zijn markante gezicht steekt hier letterlijk en figuurlijk de kop op. Ook hier steekt Sanchez de draak met machthebbers: de mantel van de Bataafse opstandeling zal dienst gaan doen als glijbaan!
Fernando Sanchez Castillo, Power of the People, Julius Claudius Civilus, 2026
In de 15e eeuw keerde de Nijmeegse bevolking zich tegen landsheer Karel van Gelre. Tijdens de 80-jarige oorlog werkte de katholieke Spaansgezinde bevolking de bevrijding door prins Maurits en het Staatse leger tegen. De kiem van verzet vlamde in de jaren ’60 en ’80 weer op; respectievelijk tijdens de bezetting van de Nijmeegse universiteit en de zogehetenPiersonrellen, waarbij krakers het aan de stok kregen met de ME. De schilderingen waarin Sanchez reflecteert op de gelijktijdige studentenprotesten in Mexico-stad, vormen eveneens een voorbeeld van verbinding.
In het hier en nu krijgt het publiek de kans om een reactie achter te laten bij zijn op het Chinese terracottaleger geïnspireerde installatie met honderden beeldjes. De machthebbers van nu gebruiken nog steeds dezelfde controlemiddelen als het China van toen, aldus het bijschrift. De installatie is een eerbetoon aan de Dwaze Moeders die sinds 1977 op het Plaza de Mayo in Buenos Aires nog dagelijks vragen om gerechtigheid voor de kinderen die ten tijde van de Argentijnse dictator generaal Videla verdwenen zijn.
Power of the people, Fernando Sanchez Castillo, Valkhof Museum, foto Ivar Pel
Power of the people, Fernando Sanchez Castillo, Valkhof Museum, foto Ivar Pel
Ook hier wordt verbinding met de museumbezoekers gezocht. Zij worden uitgenodigd om een op onrecht geïnspireerde hartenkreet achter te laten. Als aandenken mag de bezoeker een van de beeldjes meenemen. Aan de zijlijn laat een in marmer uitgevoerde man met plastic boodschappentassen zijn blik gaan over de installatie. Met dit van 2016 daterende standbeeld zijn we even in China. Het is een eerbetoon aan de iconische Tankman, die in 1989 op het Plein van de Hemelse Vrede moedig standhield voor de tanks van het Chinese leger.
Mens op de Grens De presentatie Mens op de Grens vertelt verhalen over 40.000 jaar menselijke bewoning. Aan de hand van thema’s als macht en onmacht, opstand en migratie wordt verduidelijkt hoe historische- en hedendaagse gebeurtenissen met elkaar verweven zijn. Ter illustratie worden onder meer een beroemde Romeinse gezichtshelm en -enigszins als Fremkörper- een kijkdoos met impressie van een Surinaamse plantage getoond. Ter illustratie van vervagende grenzen maakte hedendaagse kunstenaar Lynne Leegte een sculpturaal landschap waarin lijnen rivieren en grenzen aangeven.
Van binnenuit, Faces, fotowand 34 Nijmegenaren, Robin de Puy, 2026, Valkhof Museum, foto Ivar Pel
De foto’s die Robin de Puy maakte van 34 Nijmegenaren, bieden een actueel voorbeeld van verbinding met de stad. De beeltenissen weerspiegelen emoties als vreugde, woede, verdriet en verbazing. gemoedsgesteldheden vormen ook de inspiratiebron voor vijf hedendaagse kunstenaars. Met hun creaties reflecteren Nick Verstand, het duo Gijs Frieling en Job Wouters op werken uit de vaste collectie. Breekbaar is het sleutelwoord dat emoties met glas verbindt. Deze gesteldheid wordt treffend geëtaleerd met een installatie van gebroken aardewerk dat door de glazen sculpturen wordt omhuld. Ter illustratie van de verloren connectie met zijn vaderland presenteert kunstenaar Narges Mohammadi glazen objecten uit Afghanistan.
Installatie Cavities, 2026
Naast de Romeinse, Middeleeuwse en latere museumcollecties biedt het vernieuwde Valkhof ook een breed podium aan hedendaagse kunstenaars. Op vindingrijke, indringende en soms speelse wijze bouwen zij voort op het rijke verleden van de stad.
Louise Hollandine van de Palts, Zelfportret met hoed. Paneel 75 x 59 cm. Particuliere collectie
Op de valreep bezocht ik de indrukwekkende tentoonstelling Onvergetelijk: Vrouwelijke kunstenaars in het Gentse Museum voor Schone Kunsten. De expositie was tot 31 mei te zien. Om te voorkomen dat de herontdekte vrouwen weer vergeten worden en omdat ik het een interessant verhaal vind bied ik deze terugblik. De uitstekend gedocumenteerde en geïllustreerde catalogus maakt een virtueel bezoek aan de expositie alsnog mogelijk.
Letterlijk en figuurlijk een onvergetelijke ervaring! Een tentoonstelling waarin vrijwel uitsluitend vrouwelijke merendeels vergeten kunstenaars te zien waren. Vrouwen speelden in de zeventiende en achttiende eeuw een belangrijke rol in het artistieke leven, maar tot voor kort werden zij in de traditionele kunstgeschiedenis genegeerd. De onzichtbaarheid is veroorzaakt door een combinatie van maatschappelijke- en door moeder natuur bepaalde factoren. Tenzij jouw vader of broer kunstenaar was waren de mogelijkheden om het schildersvak te leren beperkt. Zelfs als je toegang had tot een familie atelier, voorzagen mannen jouw schilderij niet zelden van hun hun signatuur!
Met pakkende leuzen brachten posters de expositie onder de aandacht: Art history skipped a chapter; Geen voetnoot maar een hoofdstuk; Old masters were women too! Zij schilderde, hij signeerde.
De catalogus geeft antwoord op de vraag waarom het verhaal van deze vergeten vrouwen lang versluierd is gebleven. Zij waren niet alleen vaardig in traditioneel vrouwelijke genres als kantklossen of de papierknipkunst, maar ook in teken- en schilderkunst.
Vanuit verschillende invalshoeken wordt hun leven en werk belicht. Hoe getalenteerd ook: door sociale verwachtingen, huwelijk en moederschap werd hun artistieke stem vaak in de kiem gesmoord. Slechts een enkeling lukte het om gehoor te blijven geven aan de innerlijke noodzaak. Rachel Ruysch vond als moeder van 9 kinderen toch mogelijkheden om te blijven schilderen, maar Anna, die niet voor haar zus onder blijkt te doen, stopte na haar huwelijk.
1.Anna Ruysch, Bloemstilleven met pioenen, anjers, tulpen. Koper 44 x 34 cm. Courtesy Y.D.C 2.Rachel Ruysch, Bloemstilleven met maïskolf, ca. 1742. Doek 50 x 40 cm. National Gallery of Ireland, Dublin
De handen van de veelzijdige Judith Leyster waren na haar huwelijk met Jan Miense Molenaer en de komst van vijf kinderen eveneens gebonden. Naast het bestieren van het huishouden en het bijhouden van de financiën, schilderde zij nog maar een enkel doek. Van haar hand werden niet alleen kunstig gecomponeerde bloemstillevens getoond, maar ook humoristische genretaferelen en goed getroffen zelfportretten. De losse toets en de glimlach op het gelaat van menige figuur verraden onmiskenbaar invloed van Frans Hals. In de vrolijk musicerende figuren in het Concert uit Washington vereeuwigde Leyster haar echtgenoot en zichzelf.
Judith Leyster, Het concert, ca. 1633. Doek 61 x 87 cm. National Museum of Women in the arts, Washington DC
De meeste vrouwelijk kunstenaars legden zich toe op bloemstillevens. Dit genre werd behalve door Judith Leyster, Rachel en Anna Ruysch ook beoefend door Clara Peeters, Maria van Oosterwijck, Josina Margaretha Weenix, Cornelia van der Mijn, Margaretha Haverman en Jacoba Maria van Nickelen. Ook al zien deze bloemstillevens er natuurgetrouw uit, realistisch zijn ze niet. Wie groene vingers heeft ziet dat het niet klopt. De uit voorjaars- en zomerbloeiers samengestelde natuurlijk ogend boeketten zijn in werkelijkheid onbestaanbaar.
Anderen combineerden bloemen met fruit en voegden daar iets extra’s aan toe, zoals Maria Theresia van Thielen in haar Stilleven met papegaai of Catharina II Yfkens, die binnen een guirlande van fruit en bloemen het portret verwerkte van een gitaar spelende vrouw.
Genrestukken en (zelf)portretten behoorden eveneens tot het vrouwelijke repertoire. Soms presenteerden zij zich zelfbewust als kunstenaar, zoals Judith Leyster op een paneel uit de National Gallery, Washington en Maria Schalcken, die de beschouwer in haar Zelfportret in het atelier attendeert op het landschap op haar ezel.
Maria Schalcken, Zelfportret in het atelier ‘ 1680. Paneel 44 x 34 cm. Museum of Fine Arts, Boston
Ook prinses Louise Hollandine (1622-1709) aanschouwt de wereld zelfbewust, zelfs een tikkeltje hooghartig. De dochter van Frederik V van de Palts en zijn vrouw Elizabeth Stuart -de winterkoning en winterkoningin van Bohemen- was een leerling van Gerard van Honthorst aan wie de zomertentoonstelling van het Utrechtse Centraal Museum gewijd is. Louise Hollandine schilderde voor haar plezier en niet voor de verkoop. Nadat zij de sluier had aangenomen liet het kloosterleven haar alle ruimte om door te gaan met schilderen. In deze levensfase ontstond haar Zelfportret als Benedictijnse non. Haar werk bleef achter gesloten deuren eeuwenlang onzichtbaar, maar met het hierboven afgebeelde zelfportret dat als campagnebeeld fungeert, treedt zij uit de vergetelheid.
Louise Hollandine, Zelfportret als benedictijnse non, ca. 1655-75. Doek 128 x 93 cm. Particuliere collectie.
Clara Peeters en Johanna Helena Herolt maakten heel bescheiden een zoekplaatje van hun portret. In Stilleven met bloemen verstopte Peeters haar beeltenis nauwelijks zichtbaar in de reflectie op een glas. In de Bloemenvaas op de cover van het publieksboek paste Herolt een soortgelijk kunstje toe.
Johanna Helena Herolt, Bloemenvaas met zelfportret, 1698. Gouache op papier, Herzog Anton Ulrich-Museum, Braunschweig
Vrouwen hadden de hoofdrol, maar in de expositie zag je ook enkele door mannen geportretteerde kunstenaressen. Niet zelden dochters of zussen van bekende namen, zoals de al genoemde Anna Ruysch en Maria Schalcken, van wie het doek Jonge Vrouw die druiven aanneemt van een [veelbetekenend kijkende] jongen te zien was. Haar signatuur werd overschilderd met de naam van haar bekendere -en daarmee beter verkopende- broer Godfried. Van Alida, dochter van Matthias Withoos, was een in de stijl van haar vader geschilderd Bosstilleven met muis en vlinders te zien. Op buitenplaats de Vijverhof aan de Vecht, schilderde zij verschillende door haar opdrachtgeefster Agnes Block gekweekte uitheemse soorten, waaronder een tomatenplant. Jan Weenix vereeuwigde Agnes Block en haar gezin temidden van door haar verzamelde voortbrengselen der natuur en door mensenhand gemaakte artefacten. De door Block gekweekte ananas heeft daarin een prominente plek gekregen. Maria Sybilla Merian, die ook enige tijd op de Vijverhof verbleef maakte daar diverse botanische tekeningen, waaronder een ananas. De exotische vrucht figureert ook op een door Agnes Block zelf bestelde erepenning, waarop zij zich trots en zelfbewust als Flora Batava liet afbeelden.
Maria Sybilla Merian, Ananas omringd door kakkerlakken. 1719 uit Dissertatio de generatione et metamorphosibus insectorum Surinamensium, 1719. National Museum of Women in the Arts, Washington DC
Het bovenstaande is een impressie die ik graag met je wil delen. Ga voor meer informatie naar de websites van het Gentse MSK en het National Museum of Women in the Arts in Washington welke betrokken was bij de samenstelling van de tentoonstelling.
Verder lezen:
Virginia Treanor e.a., Onvergetelijk. Vrouwelijke kunstenaars van Antwerpen tot Amsterdam, 1600-1750., Museum voor Schone Kunsten Gent/National Museum of Women in the Arts Washington DC, 2025. (Hannibal Books, Veurne).
Gerard van Honthorst, de Koppelaarster, 1625. Paneel 71 x 104 cm. Centraal Museum, Utrecht. Persbeeld
Thuis is dit jaar het museale sleutelwoord. Recent kwamen museumbezoekers al thuis bij de Zwolse familie Ter Borch; in Amsterdam keerden ze terug naar de zeventiende eeuw en in de Leidse Lakenhal kun je tot half september thuis zijn bij Jan Steen.
De kosmopoliet Gerard van Honthorst (1592-1656) is nu eveneens thuis in zijn geboortestad, al was hij allerminst een thuisblijver. In de chronologisch ingerichte tentoonstelling volg je de zeventiende-eeuwse meester op zijn reizen. Met ogenschijnlijk gemak, con sprezzatura, zoals voorgeschreven in het ‘Hoe hoort het eigenlijk’ van de Italiaanse auteur Baldassare Castiglione, bewoog hij zich even vanzelfsprekend in Rome, Den Haag als Londen.
Bij het zien van de ruim 60 schilderijen in deze overzichtstentoonstelling wordt duidelijk dat Honthorst een cruciale schakel vormt tussen de Italiaanse en de Nederlandse schilderkunst. De subtitel van de expositie luidt: In alles anders dan Rembrandt. Conservator Liesbeth Helmus benadrukt dat het niet om een wedstrijd gaat, maar het is wel hoog tijd om Honthorst, die lang in Rembrandts schaduw stond, opnieuw te waarderen als een van de grote meesters van zijn tijd.
Die eclips dateert uit de negentiende eeuw. Toen Europese landen na de Franse overheersing op zoek gingen naar een eigen identiteit, werd Rembrandt als nationale held op de Hollandse kaart gezet. Honthorst, die in de zeventiende eeuw ook internationaal veel succesvoller was, raakte daardoor buiten beeld.
Halverwege de tentoonstelling maakt een geïllustreerde tijdlijn de levensloop en artistieke wapenfeiten van beide kunstenaars inzichtelijk. Eén ding hadden zij gemeen: een ongekend talent, dat zij niet voor zichzelf hielden. Beiden hadden een werkplaats met veel leerlingen, die voor hun opleiding honderd gulden per jaar betaalden. Artistiek én qua karakter waren zij elkaars tegenpolen. Rembrandt was eigenzinnig, een non-conformist die zich weinig aantrok van zijn opdrachtgevers. Honthorst daarentegen was beminnelijk en flexibel. Met een corrigerende, flatterende toets kwam hij tegemoet aan de wensen van zijn opdrachtgevers.
Gerard van Honthorst, Zelfportret, 1655. Doek 116 x 93,5 cm Rijksmuseum, Amsterdam
Aan het begin van de tentoonstelling zie je het portret van een stijlvol geklede, zelfverzekerde man met een verzorgd voorkomen. In dit ogenschijnlijk sobere zelfportret, dat Honthorst twee jaar voor zijn dood schilderde, ligt zijn hele carrière besloten. Het getekende portret in zijn hand herinnert aan zijn leertijd bij Abraham Bloemaert, terwijl een Romeinse buste op de achtergrond verwijst naar zijn jaren in Italië. Een aardig detail is de quasinonchalant geschilderde erepenning, die koningin Christina van Zweden hem schonk als dank voor een door hem vervaardigd portret. Met het studiemodel van een gevilde man en de tekenstift in zijn hand presenteert Honthorst zich bovendien minder als schilder dan als tekenaar. Om deze onderbelichte kant van zijn oeuvre voor het voetlicht te brengen, is een interessant kabinet ingericht met veertig tekeningen.
Dit zelfportret wordt geflankeerd door portretten van zijn echtgenote Sophia Coopmans en dochter Eva. Op bijzonder originele wijze vereeuwigde hij haar terwijl zij – zogenaamd – het portret van haar echtgenoot, de Haagse advocaat Jacob van Rosendael, schildert. De engel, symbool van inspiratie, zou je met terugwerkende kracht als een prefiguratie kunnen lezen. Vanaf het doek kijkt Eva de beschouwer blakend van levenslust aan. Drie jaar later overleed zij, vlak voor de geboorte van haar eerste kind. Ars longa, vita brevis.
In het voetspoor van zijn leermeester Abraham Bloemaert vertrok Honthorst in 1612 of 1613 naar Italië. Op een uitvergroting van de in 1593 door Antonio Tempesta ontworpen stadsplattegrond zijn de plaatsen gemarkeerd waar Honthorst zijn sporen in de Eeuwige Stad naliet.
Wie in 2019 de eveneens door Helmus samengestelde tentoonstelling Caravaggio en Europa bezocht, herinnert zich wellicht het eerste werk dat Honthorst bij aankomst in Rome zag: Caravaggio’s Kruisiging van Petrus in de Santa Maria del Popolo. Dat schilderij maakte grote indruk op hem; Honthorst schetste er een vrijwel identieke kopie van.
Gerard van Honthorst, Christus voor de Hogepriester, ca. 1617. Doek 272 x 183 cm. The National Gallery, Londen
Zijn talent bleef niet onopgemerkt. Hij ontving opdrachten van vooraanstaande kunstverzamelaars als Giovanni Battista Longhi en van kardinalen als Francesco del Monte en Scipione Borghese, voor wie hij een altaarstuk met het Visioen van Paulus voor de Santa Maria della Vittoria schilderde. Ook de gebroeders Benedetto en Vincenzo Giustiniani, bij wie hij gastvrijheid genoot, behoorden tot zijn opdrachtgevers. Het voor Vincenzo geschilderde doek met Christus voor de Hogepriester is nu in Utrecht te zien.
De in Italië geschilderde werken weerspiegelen de invloed van barokke tijdgenoten, onder meer in de geëxalteerde verbeelding van heiligen. Van Caravaggio nam Honthorst het realisme en de dramatische licht-donkereffecten over. Zijn bedrevenheid in het schilderen van nachtstukken bezorgde hem in Rome de bijnaam Gherardo delle Notti. Met die beeldmiddelen zou hij op zijn beurt tijdgenoten als Rembrandt, Vermeer en Hals beïnvloeden.
Gerard van Honthorst Oude vrouw dekt kaars af met rechterhand, ca. 1618-1620 Particuliere collectie, Verenigd Koninkrijk
In de figuurstukken die hij na zijn terugkeer in Utrecht in 1620 maakte, blijft Caravaggio’s invloed nog jarenlang zichtbaar. Dat geldt ook voor het werk van andere Italiëgangers als Hendrik Ter Brugghen, Dirck van Baburen en Jan Bijlert, die als de zogeheten Utrechtse Caravaggisten een plaats hebben gekregen in de vaste collectie van het Centraal Museum. Hun halffiguren, geschilderd met dramatische licht-donkereffecten, waren in de eerste decennia van de zeventiende eeuw bijzonder populair. Honthorsts doek Oude vrouw met kaars is daarvan een treffend voorbeeld. In het altaarstuk met de Onthoofding van Johannes de Doper, dat hij in opdracht van Giovanni Battista Longhi schilderde voor diens kapel in de Santa Maria della Scala, figureert zij als metgezel van Salomé.
In Utrecht zijn verschillende indrukwekkende nocturnes te bewonderen, zoals de Bespotting van Christus uit Los Angeles en de Verloochening door Petrus uit Rennes.
Zaalafbeelding: De verloochening door Petrus ca 1616-1617 doek 150 x 197 cm Musée des Beaux Arts Rennes en Bespotting van Christus, ca.1617. Doek 146 x 207 cm. Los Angeles County Museum of Art Foto: Almichael Fraay
In de opstelling zie je enkele monumentale, op Italiaanse leest geschoeide altaarstukken, zoals de Bewening die Honthorst schilderde voor de kapel van bisschop Antoon Triest in de Gentse Sint-Baafskathedraal. In overeenstemming met het credo van de Contrareformatie, volgens welke kunstwerken gelovigen emotioneel moesten aanspreken, voegde Honthorst op verzoek van de opdrachtgever enkele huilende putti toe die de lijdenswerktuigen torsen. Voor zijn compositie baseerde hij zich op een werk van Anthony van Dyck, dat eveneens te zien is.
Gerard Honthorst, Bewening van Christus met huilende Putti, 1633. Doek 400 x 240 cm. Sint Baafskathedraal, Gent.
Ook in het onlangs verworven grote doek met de Extase van Maria Magdalena uit 1618-1620 past Honthorst het dramatische chiaroscuro toe. Volgens de legende kwam Maria Magdalena na een leven in zonde tot inkeer. Honthorst verbeeldt de extase die zij beleeft wanneer engelen haar naar de hemel begeleiden. Eeuwenlang stond zij ten onrechte te boek als prostituee. In de vijfde eeuw haalde paus Gregorius de Grote drie Bijbelse vrouwen door elkaar: Maria van Magdala, Maria van Bethanië en de zondares die de voeten van Jezus zalfde. Sindsdien regeert de misvatting. In 2016 werd Maria Magdalena door paus Franciscus in ere hersteld met de titel apostel der apostelen: zij was de eerste getuige van Jezus’ opstanding.
Gerard van Honthorst, De extase van Maria Magdalena, ca. 1618-1620. Doek 146 x 119 cm. Centraal Museum.
Met de vaardigheden die hij in het atelier van Abraham Bloemaert en in Italië had opgedaan, ontwikkelde Honthorst zich tot een artistieke alleskunner. Zijn oeuvre omvat Caravaggistische figuurstukken, pastorale scènes, gehistorieerde portretten en historiestukken. Juist die laatste categorie, met historische, bijbelse en mythologische onderwerpen, gold destijds als de hoogste tak van de schilderkunst. Voor andere genres volstonden een scherp waarnemingsvermogen en een vaardig penseel; voor een historiestuk was ook kennis nodig, zowel bij de schilder als bij de beschouwer. Bovendien moest de kunstenaar hartstochten en emoties, de zogenoemde ‘affecten’, overtuigend weten te verbeelden. Nog altijd is het een intellectuele uitdaging het uitgebeelde verhaal te herkennen. Een van Honthorsts beste historiestukken is zijn verbeelding van Suzanna en de ouderlingen, een onderwerp dat in het licht van de MeToo-schandalen opnieuw actueel is geworden, zoals ook bleek uit de aan Susanna gewijde tentoonstelling in Gouda. In dit werk brengt Honthorst niet alleen de gretigheid van de wellustige voyeurs, maar vooral ook de angst van Susanna meesterlijk in beeld. Vijfentwintig jaar na zijn terugkeer uit Italië klinkt in het contrast tussen haar blanke lichaam en bruine handen nog altijd de echo van Caravaggio door.
Zaalbeeld met op de voorgrondSuzanna en de Ouderlingen 1655. Galleria Borghese, Rome Foto: Almichael Fraay
Na zijn terugkeer in Utrecht maakten religieuze onderwerpen plaats voor genrestukken met musicerende figuren en pastorale scènes. De seksuele grappen in Honthorsts Caravaggistische figuurstukken, zoals De koppelaarster, werden destijds onmiddellijk begrepen, maar vragen tegenwoordig om toelichting. In het beeld van de verleidelijk lachende herderin met haar vogelnestje herkende de goede verstaander een embleem van Jacob Cats. Zijn moraliserende prent van een ontsnapt vogeltje verwees naar het verlies van maagdelijkheid. Ook in andere zeventiende-eeuwse schilderijen verwijzen vogels en gevogelte vaak naar een werkwoord dat toen iedereen kende: vogelen…
G. Van Honthorst, De luizenjacht, 1628. Doek 133 x 199 cm. Dayton Art Intstite
In de nocturne De luizenjacht uit 1628 inspecteert een hoerenmadam de sponde van een naakt meisje op de aanwezigheid van schaamluizen. Twee potentiële klanten wachten de uitkomst met belangstelling af.
Ook de betekenis van het onschuldig ogende werkje Kwajongen die kaas onderzoekt zal de contemporaine kijker niet zijn ontgaan. Met wat inlevingsvermogen kun je de opgehangen scamozzi (mozzarellabollen) aanzien voor testikels.
De moraliserende boodschap in het doek waarin een soldaat en een meisje met vuur spelen, is duidelijk: begeerte is als vuur; je kunt je er lelijk aan branden. De catalogus leert dat dit van oorsprong klassieke thema, evenals het pastorale genre waarin de protagonisten heerlijke herdersuurtjes beleven, in de Renaissance nieuw leven werd ingeblazen. Het op P.C. Hoofts gelijknamige toneelstuk gebaseerde doek met Granida en Daifilo is daarvan een mooi voorbeeld. Tot dit pastorale genre behoren ook de als herders en herderinnetjes geportretteerde kinderen van de Winterkoningin Elizabeth van Bohemen: Henriette en Eduard van de Palts.
In de categorie portretten springt het monumentale doek met de beeltenis van Maria de’ Medici in het oog. In de zomer van 1638 werd zij in Amsterdam op grootse wijze ontvangen; schrijver Caspar van Baerle deed daarvan uitvoerig verslag. Op de -inmiddels verdwenen- buitenplaats Honselaarsdijk werd zij ontvangen door Amalia van Solms. ‘Op een regenachtige dag’ kreeg Honthorst opdracht haar te portretteren. Daarbij keek hij de kunst af van een eerder door Van Dyck geschilderd portret van de vorstin, dat hier eveneens te zien is. Er was kennelijk haast bij, want aan het beschilderen van de lege plek links op het doek – waar Van Dyck een stadsgezicht van Antwerpen aanbracht – kwam Honthorst niet meer toe.
G. van Honthorst, Muziekgezelschap op een balkon, 1622. Paneel 309 x 216 cm. Paul Getty Museum, Los Angeles.
Halverwege de expositie zie je, naast de geïllustreerde tijdlijn, een kopie van Honthorsts illusionistische plafondschildering met musicerende figuren uit het Getty Museum. De voorstelling, die hij twee jaar na zijn terugkeer in Utrecht ontwierp, komt geprojecteerd op het grote raam van de Stallen bijzonder mooi tot haar recht.
Op uitnodiging van de Engelse koning reisde Honthorst in 1628 naar Londen. Met portretten van het Engelse koningshuis en de Hollandse Oranjes maakte hij er furore. In datzelfde jaar ontstond het spontane, van dichtbij waargenomen portret van koning Karel I. De monarch, die veertien jaar later met goedkeuring van het Engelse parlement werd geëxecuteerd, heeft het hoofd hier nog stevig op zijn plaats.
Zaalbeeld:G erard van Honthorst, Portret Koning Karel I, 1628, doek 76 x 64 cm. National Portrait Gallery, Londen Foto: Almichael Fraay
In de laatste zalen zie je wand vullende blow-ups van Honthorsts monumentale plafond- en wandschilderingen in The Queen’s Staircase in Hampton Court Palace en de Oranjezaal in Huis ten Bosch (1648-1652).
Gerard van Honthorst, Apollo en Daphne, The Queens Staircase, Hampton Court Palace
Voor we naar Den Haag gaan, waar Honthorst in 1637 een tweede werkplaats opende, blijven we nog even in Engeland. Daar schilderde hij een familieportret van George Villiers, de hertog van Buckingham, met wie koning Karel I bevriend was. In het trappenhuis van Hampton Court Palace beeldde Honthorst hen, samen met hun echtgenotes, af als spelers in een theaterstuk over Apollo en Diana. Het modello, een voorstudie in zwart krijt, is te zien in het kabinet met tekeningen. De uitvergroting op de wand geeft een indruk van het heldere, classicistische en gelijkmatig belichte palet dat Honthorst onder invloed van de Franse smaak inmiddels had overgenomen. Karel I beloonde de schilder met een bedrag van omgerekend drieduizend gulden en een levenslang pensioen. Daarbovenop ontving Honthorst een twaalfdelig zilveren servies, een fraai paard en het Engelse staatsburgerschap.
De allegorische beschilderingen van The Queen’s Staircase en Huis ten Bosch vormen het hoogtepunt van Honthorsts scheppend vermogen. De eerste steen voor Huis ten Bosch werd in 1645 gelegd. Lang hebben Frederik Hendrik en Amalia van Solms niet van dit buitenverblijf kunnen genieten: twee jaar later overleed de stadhouder. Ter nagedachtenis aan haar echtgenoot liet Amalia van Solms de koepelzaal, naar ontwerp van architect Jacob van Campen, beschilderen. In vijf allegorische dubbelportretten wordt niet alleen Frederik Hendrik verheerlijkt; in het iconografische programma liet zij ook een portrait historié opnemen, waarin zij figureert als Artemisia, de voorbeeldige weduwe van de Perzische heerser Mausolos. Door de in wijn opgeloste as van haar gecremeerde echtgenoot te drinken, gaf zij letterlijk en figuurlijk blijk van een echtelijke liefde die de grenzen van de dood overstijgt.
Honthorst, Portret van Amalia van Solms als Artemisia, 1635 Princeton University Art Museum, Princeton. Buiten tentoonstelling
In 1632 stond Amalia ook model voor Honthorst. Eerder dat jaar kreeg Rembrandt opdracht voor een pendant met haar beeltenis bij een door Honthorst vervaardigd portret van Frederik Hendrik. Na voltooiing van dit portret werd Honthorst gevraagd het werk over te doen. Bij het zien van de naast elkaar geplaatste portretten is in één oogopslag duidelijk waarom.
Rembrandt van Rhijn, Portret van Amalia van Solms, 1632 Musée Jacquemart-André en Gerard van Honthorst Portret van Amalia van Solms, 1630 Mauritshuis Foto: Almichael Fraay
Het zijn twee van de ruim zestig eigen werken en bruiklenen uit onder meer het Louvre, de Britse Royal Collection en de Galleria Borghese, die tot en met 14 september in het Centraal Museum te zien zijn.
De Slapende Hermaphroditus. Het Romeinse beeld (2de eeuw n.Chr.) werd in het voorjaar van 1618 opgegraven. Later heeft de Italiaanse beeldhouwer Gian Lorenzo Bernini (1598—1680) het liggende beeld een passend voetstuk gegeven. Louvre Parijs
In samenwerking met de Galleria Borghese organiseert het Rijksmuseum dit voorjaar een expositie over gedaanteverwisselingen. Tachtig topstukken bieden een veelvormige staalkaart van mooie en minder mooie menselijke drijfveren. In schilderijen van Titiaan, Correggio, Cellini, Caravaggio en Rubens herken je passie, verlangen, wellust, jaloezie, bedrog en, zoals in Caravaggio’s Narcissus, buitensporige eigenliefde.
Micelangelo Merisi da Caravaggio, Narcissus, ca. 1597-1598. Doek 113 x 97 cm. Gallerie Nazionali di Arte Antica di Roma, Palazzo Barberini
Sentimenten die nog altijd bestaan. De kunstwerken zijn geïnspireerd op de Metamorfosen van de Romeinse dichter Publius Ovidius Naso (8 n. Chr.). Verhalen uit een eeuwenoude, dode taal inspireren nog steeds kunstenaars schrijvers, fotografen en cineasten. Met een vooruitziende blik voorspelde Ovidius:
…alles verandert, maar niets gaat teloor!…
In onaards mooie dichtregels vertelt de auteur over chaos, kosmos en wonderlijke transformaties van goden en stervelingen. Gedreven door liefde, wellust of angst, nemen zij op cruciale momenten een andere gedaante aan. Om hun doel te bereiken deinsden de goden op pre-Machiavelliaanse wijze niet terug voor geweld en bedrog, zoals te zien in Luca Giordano’s bloedstollende verbeelding van Apollo en Marsyas. De satyr die Apollo tijdens een muziekwedstrijd naar de kroon had gestoken werd levend gevild. Kwestie van perceptie: dit vreselijke einde werd in de Renaissance uitgelegd als een troostrijke transitie; de ziel werd immers uit het lichaam bevrijd.
Luca Giordano (1634–1705), Marsyas Apollo, Madrid, 1696. Doek. Patrimonio Nacional. Colecciones Reales. Real Monasterio de San Lorenzo de El Escorial
Dit schilderij wordt in de laatste zaal gespiegeld door Magritte’s surrealistische Modèle Rouge III uit 1937, waarin twee enkellaarsjes op griezelige wijze veranderen in blote voeten of is het andersom? Met deze stille metamorfose maakt Magritte voelbaar hoe broos en veranderlijk onze werkelijkheid is, aldus het bijschrift.
De museale reis door het rijk geaccidenteerde dichterlijke landschap van Ovidius begint lieflijk. Ter illustratie van de bron waaruit Ovidius putte wordt een doek getoond van Nicolas Poussin, waarin Apollo, de god van de poëzie, de dichter laat drinken uit een met inspiratie gevulde gouden beker. In de aangrenzende vitrine staat een fonkelende 17e -eeuwse bokaal met een in emailverf en goud aangebrachte voorstelling van Orpheus die mensen en dieren met zijn muziek betoverde.
Nicolas Poussin, De Inspiratie van de dichter, Rome, 1628. Doek 94 x 69 cm. Niedersächsisches Landesnuseum, Hannover
In de volgende ruimte ontdek je een verrassende parallel tussen het christelijke scheppingsverhaal en Ovidius visie op de ontstaansgeschiedenis van de aarde. Op een visueel welhaast onnavolgbare wijze bracht de Vlaamse Caravaggist Louis Finson het Ovidiaanse begin van de wereld in beeld. De personificaties van de elementen vuur, lucht, water en aarde zijn verwikkeld in een woeste worsteling. Alleen het visueel ontwarren van de afzonderlijke, tot één kluwen gecomponeerde lichamen, is al een hele puzzel.
Louis Finson (1570/1578–1617), Chaos of de strijd van de Vier Elementen. Napels, 1611. Doek 179 x 169 cm. Sarah Campbell Blaffer Foundation, Houston
Deze krachtmeting resulteert uiteindelijk in orde. De Titaan Prometheus, die in Ovidius scheppingsverhaal uit klei de eerste mens schiep, is vertegenwoordigd met een eivormig sculptuurtje van Constantin Brancusi. Wie onlangs de aan hem gewijde tentoonstelling in H’ART museum bezocht herkent zijn minimalistische stijl.
Jupiters wegen zijn ondoorgrondelijk. Na deze introductie wordt het genieten van vindingrijkheid. Niet alleen van Ovidius en de oppergod Jupiter, maar ook van de op hen geïnspireerde creaties van talloze oude- en hedendaagse kunstenaars, want Ovidius is een blijvende inspiratiebron.
Hoofdrolspeler is de oppergod Jupiter. Wellicht gevoed door eigen onderdrukte wensen tot escapisme, waren Jupiters amoureuze avonturen populair bij kunstenaars. Om zich, onttrokken aan de blik van zijn jaloerse echtgenote Hera, ongestoord te kunnen wijden aan zijn buitenechtelijke escapades veranderde Jupiter nogal eens van gedaante. Vermomd als stier, zwaan of, zoals in schilderijen van Titiaan en Hendrick Goltzius, een wolk van goudenregen, vierde hij zijn lusten bot. Hoe Jupiter Leda, de vrouw van de koning van Sparta, in de gedaante van een zwaan tot de zijne maakt is door de eeuwen heen veelvuldig in beeld gebracht.
Michele Tosini, detto Michele di Ridolfo del Ghirlandaio (1503-1577), Leda en de Zwaan, ca. 1560-70. Galleria Borghese, Rome
Isamu Noguchi (1904–1988), Leda. Parijs, 1928. Aluminium brons en messing, marmer. The Isamu Noguchi Foundation & Garden Museum, NY
Meestal herkenbaar, zoals in het campagnebeeld met Michele Tosini’s Leda, maar soms ook cryptisch, zoals bij Isamu Noguchi (1904-1988), die het verhaal tweemaal in beeld bracht. Voor zijn impressie van 1928 gebruikte hij aluminium, brons en messing. In 1942, tijdens zijn leertijd bij Brancusi, ontstond een in blank albast vormgegeven poëtisch-erotische versie.
Om zich ongestoord te kunnen verpozen met de Fenicische koningsdochter Europa, vermomde Jupiter zich als stier. Ook dit verhaal kom je in velerlei variaties tegen onder meer in een gobelin naar ontwerp van Laurent de la Hyre uit het midden van de 17e-eeuw.
Europa op de stier, ontwerp: Laurent de la Hyre (1606–1656) door Manufacture des Gobelins, Parijs, 1650–1670. Wol en zijde. Fondation Toms Pauli, Lausanne
In andere verhalen bleef Jupiter zichzelf. Om te ontsnappen aan de blik van Hera, betoverde hij de door hem begeerde vrouwen. In een doek van Correggio bemint hij de beeldschone priesteres Io in de gedaante van een koe.
Om te ontsnappen aan ongewenste intimiteiten kozen vrouwen soms zelf voor een verdwijntruc. Voordat zij ten prooi dreigde te vallen aan de avances van Apollo, veranderde Daphne, de dochter van de riviergod Peneüs, net op tijd in een laurierboom. Deze transformatie is ook vaak in beeld gebracht, onder meer door Dosso Dossi. Terwijl hij de strijkstok van zijn -anachronistische- viool na zijn serenade heft, voltrekt zich de metamorfose van Daphne. In een Nederlandse vertaling uit 1557 met ‘Excellente figueren ghesneden vuyten vppersten poëte Ovidius’ wordt dit verhaal geïllustreerd met een houtsnede, waarin zij als innocent Maechden haar vader omwille van haar virginiteyt om compassie smeekt. Leuk detail: de afbeelding in dit gedrukte boek is nog op middeleeuwse wijze omkaderd met margeversieringen uit handgeschreven boeken.
De in eigentijdse bewoordingen omschreven metamorfose van Daphne prikkelde de verbeelding van menige kunstenaar: … ‘Amper heeft Daphne haar gebed beëindigd of een zware verstarring trekt over haar lichaam, dun schors omgeeft haar borsten, haren veranderen in gebladerte, armen worden takken, de voeten net nog zo snel, zitten vast met taaie wortels, haar hoofd is een boomtop, van haar persoon rest alleen nog de schittering’…
Giovanni di Niccolo de Luteri, detto Dosso Dossi, Apollo, ca, 1525. Doek 191 x 116 cm. Galleria Borghese, Rome
Met zijn in marmer verbeelde impressie van deze transitie bereikte Gian Lorenzo Bernini in 1625 een absolute apotheose. Het beeld, waarin de vingers van Daphne in kleine bebladerde takjes veranderen en haar teennagels wortel schieten, moest thuisblijven, maar Bernini’s evenzeer levensechte Ontvoering van Proserpina uit de Galleria Borghese is wel te zien.
Gian Lorenzo Bernini, Apollo en Daphne, 1622-25. Marmer, h. 243 cm. Galleria Borghese, Rome
Minotaurus. Wit marmer. 1e eeuw. 68 cm. Vaticaanse Musea. Vaticaanstad
In de tentoonstelling vind je meer indrukwekkende creaties in marmer, zoals een antiek beeld dat de Minotaurus van het labyrint van Kreta voorstelt. Om dit hybride monster, geboren uit de weerzinwekkende verbintenis van koningin Pasiphaë met een sneeuwwitte stier, zoet te houden werden hem jaarlijks veertien jongens en meisjes voorgeschoteld. Aan deze wreedheden werd door Perseus een einde gemaakt.
Ook de beroemdste beeldhouwer van de 19e eeuw, Auguste Rodin, is vertegenwoordigd. Onder de verwonderde blikken van de legendarische beeldhouwer Pygmalion komt het beeld dat hij zojuist voltooid heeft op wonderbare wijze tot leven. Geïnspireerd op het overigens door Michelangelo -onbedoelde- non-finito liet Rodin het marmer gedeeltelijk onbewerkt.
Auguste Rodin (1840-1917), Galatea die onder de handen van Pigmalion tot leven komt. Parijs, 1889. Uitvoering in marmer door Victor Peter in 1908-1909 afm. 97 x 89 x 77 cm. Metropolitan Museum, New York
Het herkennen van Ovidius verhalen vormt een leuke uitdaging. Vooral moderne en hedendaagse creaties zijn verrassend. In 1974 was kunstenaar Ulay, de partner van Marina Abramovic, zijn tijd vooruit. Het tegenwoordig actuele thema van gendergelijkheid inspireerde hem tot zijn als S’He gedoopte dubbelbeelden.
Luciano Garbat, Medusa het hoofd van Perseus, brons, h. 225 cm, 2008. New York City, Collect Pond Park, 2020.
De met echte slangen omringde kop in Juul Kraijers video Spawn (2019) roept associaties op met de metamorfose van de mooie Medusa, die met haar blik eenieder deed verstenen. Met zijn levensgrote beeld van Perseusmet het hoofd van Medusa (ca. 1590) bracht Hubert Gerhard het slotakkoord van deze horrorstory in beeld. In 2008 draaide Luciano Garbat de rollen om. In zijn sculptuur houdt Medusa het hoofd van Perseus in de hand. Tijdens de zaak tegen zedendelinquent Harvey Weinstein werd dit beeld, dat door de MeToo-beweging werd geadopteerd, demonstratief voor het gerechtshof van New York geplaatst.
Vergelijk tot slot de vele interpretaties van de metamorfose van Arachne, wier vaardigheid aan het weegetouw haar fataal werd. De jaloerse Minerva verandert haar in een spin. Als wever van kleurrijke verhalen voelde Ovidus verwantschap met het creatieve weefstertje. In een laat zestiende-eeuwse versie geeft Tintoretto haar vanuit een verrassende invalshoek, van onderaf weer. Broedend op haar boze plannen kijkt Minerva in deze versie toe. Luca Giordano brengt het begin van de metamorfose in beeld. Vol afschuw ziet Arachne hoe haar in spinnenpootjes veranderde vingers ijverig beginnen aan het weven van een web.
Jacopo Robusti, detto Tintoretto, Minerva en Arachne, ca. 1575-1585. Doek 145 x 272 cm. Gallerie degli Ufizi, Florence
In een olieverfschets van Peter Paul Rubens zien we het trieste einde. Bij het zien van de prachtig geweven geschiedenis van Europa en de stier gaat Minerva, als gestoken door een angel, haar met een weefspoel te lijf. Het slotakkoord van dit verhaal wordt gesymboliseerd door de enorme ijzeren spin die Louise Bourgeois in 2003, geïnspireerd op dit verhaal, creëerde.
In de één-na-laatste verduisterde zaal wachten de bezoeker twee verrassingen. Op een enigszins doorgelegen matras sluimert een vrouw. Als je om het beeld heenloopt ontdek je dat de schone slaapster ook een man is. Deze verbeelding van de door Ovidius beschreven metamorfose van de bronnimf Salmacis en godenzoon Hermaphroditus had zó onder de handen van Bernini kunnen ontstaan, maar dateert van de 2e eeuw. Voor het destijds opgegraven antieke beeld maakte Bernini een comfortabel bedje, zoals te zien is in de openingsdia van dit artikel.
Verder lezen: F. Capelletti en F. Scholten, Metamorfosen; Ovidius en de Kunsten. Tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum/Galleria Borghese, Amsterdam. 2026.
Jan Steen, De bestolen vioolspeler, ca. 1670-1672, langdurig bruikleen Museum De Lakenhal
Na Zwolle (Thuis bij Ter Borch), Amsterdam (Thuis in de 17e eeuw) komen museumbezoekers nu Thuis bij Jan Steen in Leiden. Ter gelegenheid van het 400ste geboortejaar van misschien wel de vrolijkste kunstenaar van de 17e eeuw is het feest in de stad waar hij werd geboren en begraven. Daarvoor zijn geen slingers, maar wel 28 schilderijen van zijn hand opgehangen, naast werken van bevriende tijdgenoten. Onder wie de Leidse fijnschilders Frans van Mieris, Ary de Vois, Gabriel Metsu en Quiringh van Brekelenkam, met wie hij graag een pint dronk. Allen waren lid van de Leidse kunstenaarsvereniging St. Lucas. Hun invloed is in Steens oeuvre herkenbaar. Van Jan van Goyen, de vader van Jan Steens echtgenote Grietje, zie je een Gezicht op Leiden. Steens Landschap met een zandweg uit 1648 weerspiegelt invloed van deze leermeester. In zijn soms boertige genrestukken en dorpsscènes herken je ook invloed van zijn leermeester Adriaen van Ostade. Aansprekende scènes en details van de werken worden op de wand uitvergroot.
Briljant verhalenverteller De samensteller van de tentoonstelling Lea van der Vinde karakteriseert Steen als een briljante verhalenverteller. Met een scherp oog voor detail legde hij het alledaagse leven vast. Met humor in de ware betekenis van het woord: een lach in een traan. Tegenwoordig ligt dat anders, maar destijds begreep de goede verstaander de versluierde verwijzingen naar de onderliggende betekenis. Deze tentoonstelling, de eerste sinds 1926, maakt duidelijk dat het predicaat briljant niet alleen opgaat voor Steens narratieve talent, maar ook voor zijn veelzijdigheid in onderwerpkeuze en techniek. Terwijl de meeste 17e -eeuwse schilders zich toelegden op één tak van schilderkunst, zoals het portret of het landschap, beoefende Steen tal van genres. Behalve de overbekende interieurstukken en herbergscènes schilderde hij monumentale historiestukken met mythologische- en Bijbelse onderwerpen, zoals het doek waarin Christus de geldwisselaars bepaald niet zachtzinnig uit de tempel verjaagt. Wanneer Hij na de intocht in Jeruzalem de tempel bezoekt, treft Hij daar geen stilte maar een oorverdovende bende aan. Het gaat er -evenals in een door Steen bewonderde prent van Rembrandt- heftig aan toe. Hij is des duivels! Naar de letter van de Bijbel (Mattheus 21: 12 e.v.) worden de tafels en stoelen van de geldwisselaars en verkopers omvergegooid. Uitroepend dat zij van zijn vaders huis een rovershol hebben gemaakt toont Gods zoon zijn menselijke kant.
Detail: Jan Steen, Christus verdrijft de geldwisselaars uit de tempel., 1675. Doek 80 x 109 cm. Museum de Lakenhal Foto Marina Marijnen
Anders dan zijn jolige zelfportretten met geheven glas wellicht doen vermoeden bezat Jan Steen ook een serieuze kant. Hij doorliep de Latijnse School en stond ingeschreven bij de Leidse universiteit. Hij kende zijn klassieken. Het thema van de Bespotting van Ceres ontleende hij aan Ovidius Metamorfosen (1e eeuw). Hoe deze Romeinse dichter ook anderen, zelfs tot de huidige dag inspireerde, is tot 27 augustus in het Rijksmuseum te zien. Deze wat raadselachtige nocturne, met invloed van de Utrechtse Caravaggisten is een voorbeeld van het in de 17e eeuw hogelijk gewaardeerde historiestuk. Voor het herkennen van de daarin verbeelde voorstellingen was kennis nodig. De korenaren in het haar van de drinkende vrouw vormen de sleutel tot het begrip van de voorstelling. Ze zijn het attribuut van Ceres, de godin van de vruchtbaarheid. Tijdens de rusteloze zoektocht naar haar dochter Proserpina lest ze haar dorst. Het meisje is ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld. Het lachen zal de kleine spotter snel vergaan. Voor straf verandert Ceres hem in een onderkruipsel. Voortaan zal hij zijn dagen slijten als hagedis. Met zijn originele verbeelding van dit verhaal betoont Steen zich een briljant verteller.
Jan Steen, De bespotting van Ceres, ca. 1665-1670. Particuliere collectie, door bemiddeling van de Hoogsteder Museum Stichting
Thuis bij Jan Steen In zijn huiselijke scènes en historiestukken wisselde Steen een minutieuze, fijne penseelstreek af met losse, levendige toetsen. Evenals Frans Hals liet ook Jan Steen zijn echtgenotes en kinderen vaak poseren. Als beschouwer kom je inderdaad meer dan eens letterlijk… thuis bij Jan Steen. Het bekende gezegde een huishouden van Jan Steen is gebaseerd op de wanorde in zijn huiselijke scènes. Voor opruimen had hij geen tijd: als vader van 8 kinderen moest hij zijn aandacht verdelen tussen zijn schilderwerk en zijn taken als bierbrouwer en herbergier. In die laatste hoedanigheid hief hij graag het glas met bevriende collega-schilders de Leidse fijnschilders, Gerard Dou en Frans van Mieris, die in de thematisch ingerichte tentoonstelling eveneens getoond worden. De aan hen ontleende verfijnde toets en aandacht voor detail herken je in het geestige paneel met de Piskijker (1663-65). Onder het toeziend oog van de patiënt en haar moeder bestudeert een gewichtig doende chirurgijn de inhoud van een urinaal. Wat is hier aan de hand? De sleutel aan de wand geeft, samen met het schilderij in het schilderij, het antwoord. De hedendaagse kijker ontgaat de betekenis, maar tijdgenoten zagen het meteen. Soms verraadt een minuscuul feutje in het glas dat het meisje zwanger is. In andere gevallen, zoals hier, lijdt ze aan minnepijn. Het verlangen naar de liefde kon zo sterk zijn dat -hoe verzonnen ze het- de baarmoeder van de vrouw ging zwerven. Trouwen was de beste remedie. Bij gebrek aan een huwelijkskandidaat probeerde de chirurgijn de baarmoeder door de geur van het in het testje brandende lont weer op z’n plaats te krijgen.
Jan Steen, De Piskijker, 1663-1665. Particuliere collectie in langdurige bruikleen aan Museum de Lakenhal
De tentoonstelling laat zien dat Steen letterlijk en figuurlijk van alle schilderkunstige markten thuis was. In de eerste zaal wordt de bezoeker begroet door bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina. Beide zijn goedgemutst, want versgebakken koeken en broden liggen op de toonbank. De bakkersknecht, voor wie Steens zoon Thaddeus model stond, blaast op de hoorn om klanten te lokken. Dit signaal was kennelijk gebruikelijk. In de marge van Suzanna van Steenwijcks impressie van de Lakenhal blaast een bakker eveneens op zijn hoorn.
Jan Steen, Bakkersechtpaar Arent Oostwaard en Catharina Keizerswaard, 1658, collectie Rijksmuseum
Met voornoemde werken, maar ook met Brueghelliaanse boerenkermissen en bruiloftsscènes als het Spaanse bruidje, waarin het thema spel en satire verwerkt is, had Steen veel succes. Dat geldt ook voor het niet van zelfspot verstoken paneel met de Bestolen Vioolspeler, in wie de schilder herkenbaar is. Getuige de positie van zijn pijpje hebben de verleidingskunsten van de jonge vrouw effect. Leuk dat de kijker meer ziet dan de onnozelaar die zich onder zijn eigen ogen door haar laat bestelen.
Onder de noemer Kinderen Vreugde en Verdriet voert Steen zijn eigen kroost op. Thaddeus, Eva, Catharina en Cornelis treden meer dan eens op als figurant. Met plezier halen ze kattenkwaad uit, zoals in de scène, waarin ze een kat laten dansen. In het Sint Nicolaasfeest, waarvan twee versies getoond worden, zie je beide sentimenten. Een meisje klemt haar cadeau, een pop in de gedaante van Johannes de Doper (…), innig in de armen. Haar broer huilt omdat hij de roe heeft gekregen. Het leed is echter gauw geleden. Grootmoeder wenkt hem omdat ze iets voor hem heeft bewaard. Zowel het onderwerp van dit paneel als de pop van het meisje verraden dat Jan Steen na de Reformatie Rooms-Katholiek is gebleven.
Jan Steen, Het Sint-Nicolaasfeest, ca. 1665-1668, collectie Rijksmuseum
Ook Steens echtgenotes stonden model. Voor een zogeheten portrait historié van zijn tweede vrouw Maria van Egmond koos Steen het Bijbelse verhaal van Bathseba. Nietsvermoedend wekte zij, badend in haar tuin, de begeerte van Koning David. In de achtergrond zie je hem vanaf zijn paleis gluren in de tuin van de buren. Haar besluit om gehoor te geven aan zijn schriftelijke uitnodiging, had verstrekkende gevolgen. Van het een kwam het ander… (2 Samuel: 11). Naar verluidt was Steens echtgenote niet erg ingenomen met de haar toebedeelde verleidelijke rol. Anders dan een meer ingetogen pose, zoals in Rembrandts versie uit 1654 in het Louvre, heeft Steen haar -zoals ze het zelf zei, neergezet als een ‘geyle snol’.
Jan Steen, Bathsheba, ca. 1673, particuliere collectie
Van zijn eerste vrouw, Grietje van Goyen, maakte Steen in 1662 ook een portret. Als Cisterspelende vrouw uit 1662 bracht hij haar ogenschijnlijk heel braaf in beeld. Haar kleding is gedaan in de losse Haarlemse penseelstreek, terwijl de precieze toets van de van de Leidse fijnschilders zichtbaar is in haar gezicht, handen en de cister. Maar ook al zit ze er warmpjes bij, de blik van de musicienne spreekt boekdelen. Het snaarinstrument had in de 17e eeuw een erotische connotatie, die afhankelijk van de context overigens voor tweeërlei uitleg vatbaar was. Soms staat het beeld voor harmonieuze liefde. In kroeg- en bordeelscènes heeft de Cister, evenals de luit een negatieve bijklank van het destijds bekende gezegde verkeren met haren en snaren… En hier? Terwijl zij de snaren zachtjes beroert kijkt de vrouw ons ook met een indringende, enigszins verleidelijke blik aan, of is dat hedendaagse invulling?
Jan Steen, Cisterspelende vrouw, c. 1662, collectie Mauritshuis.
Met het bovenstaande licht ik slechts een tipje op van de sluier. Er valt voor jong en oud veel te genieten in de tentoonstelling. Let bij je bezoek aan de Lakenhal ook op de parallelle bijschriften. Verschillende werken inspireerden basisschoolleerlingen tot frisse observaties.
Plaquette met Moddervis. 18e eeuw, brons, 43 x 18 cm. Hof van de Oba, Benin. Foto Martijn Schmidt.
De kleurrijke tentoonstelling in de Fundatie werpt een blik op de koloniale periode, waarin het land te boek stond als het koninkrijk Benin. Aanleiding voor de expositie vormt de teruggave van een eeuwenoude bronzen plaquette uit de museumcollectie. Videobeelden nemen de bezoeker mee naar Nigeria, waar de directeur van de Fundatie Beatrice von Bormann verschillende kunstenaars die nu in Zwolle te zien zijn ontmoet. Zij lieten zich inspireren door het koloniale verleden.
Phil Omodamwen, Bronzen bel. 2025 Foto Marina
Sinds de discussies over restitutie van de in 1897 door de Britten geroofde Benin Bronzen, staat de geschiedenis en de kunst van Benin weer in de belangstelling. In deze video demonstreren eigentijdse bronsgieters hoe zij hun ambacht, de cire perdue methode nog steeds op traditionele wijze beoefenen. Een met bijenwas bekleed model wordt, ingepakt in rode klei, in een houtvuurtje verhit. In de holle ruimte die na het smelten van de was tussen het model en de omhullende klei ontstaat, wordt vloeibaar brons gegoten. Na afkoeling wordt de klei eraf getikt en komt de creatie tevoorschijn. Deze bel is in de museumwinkel te koop.
Von Borrmann was niet alleen op werkbezoek. De video toont ook het plechtige moment waarop de overdracht van de Ama O Ghe Ehen, de met een moddervis gesierde bronzen plaquette, officieel wordt bekrachtigd. Behalve vertegenwoordigers uit de museumwereld zijn ook twee afgevaardigden van het koninklijk paleis aanwezig. Het oude paleis werd in de late 19e eeuw weliswaar door de Britten leeggeroofd en platgebrand, maar het vorstenhuis van Benin bestaat nog steeds. De huidige in 2016 gekroonde zogeheten Oba Ewuare II fungeert niet als soeverein staatshoofd, maar als hoeder van de cultuur van het oorspronkelijke Edo-volk.
De begeleidende catalogus geeft antwoord op vragen rond de herkomstgeschiedenis van de plaquette, die in 1932 door directeur Dirk Hannema werd aangekocht. Foto’s in oude tentoonstellingscatalogi getuigen van de omzwervingen van dit object dat via Parijs, New York en Amsterdam uiteindelijk in Zwolle terechtkwam. Pas in 2020 kwam de discussie rondom de teruggave van koloniaal erfgoed daadwerkelijk op gang. De restitutie van de bronzen plaat uit de Fundatie markeert een belangrijke stap in de bewustwording over de bedenkelijke kanten van het koloniale verleden. Von Borrmann houdt zich al langer bezig met deze kwestie. In 2021 was zij betrokken bij de tentoonstelling Kirchner en Nolde: Expressionisme. Kolonialisme. In het Amsterdamse Stedelijk werden enkele in 1897 door de Britten geroofde Benin Bronzen getoond.
Geïnspireerd op de teruggave van de plaquette zijn tien Nigeriaanse kunstenaars een dialoog aangegaan met de geschiedenis, de symboliek en de cultuur van het oude Benin. In de ruim ingerichte zalen zijn behalve objecten van brons ook schilderijen en monumentale textiele werken te bewonderen. Aan de hand van oude foto’s en documenten wordt de koloniale geschiedenis in beeld gebracht.
Het oudste document is Olfert Dappers kopergravure met impressie van de stad Benin in Naukeurige Bschrijvinghe der Afrikaense gewesten, 1668.
Het koninkrijk Benin werd zo’n 1000 jaar geleden gesticht in het zuiden van Nigeria. Aan het hoofd stonden de Oba’s, goddelijke vorsten, die hun grondgebied gewapenderhand uitbreidden. Onder Oba Ewuare de Grote groeide de hoofdstad Edo in de 15e eeuw uit tot een belangrijk handelscentrum dat vanaf zee via de rivier de Niger bereikbaar was. Europeanen haalden er peper, ivoor, rubber en palmolie. Om de stad tegen indringers te beschermen werden de zogeheten Grote muren van Edo opgeworpen. Deze lemen wallen, waarvan je in een video de sporen nog ziet, werden in 1897 grotendeels door de Britten verwoest. Uit het Paleis van Edo roofden zij enorme hoeveelheden bronzen beelden en plaquettes. Behalve deze bronzen beelden getuigen ook fraaie uit ivoor en hout gesneden objecten en textiele kunstwerken van een hoogstaande cultuur. De nu als kunstwerken beschouwde objecten werden destijds pro memoria gemaakt; bedoeld om specifieke gebeurtenissen vast te leggen.
Geïnspireerd op deze traditionele artistieke uitingen èn de plaquette met de moddervis, gingen de tien eerdergenoemde hedendaagse kunstenaars aan de slag. In de expositie zie je de werken die onder de handen van Leo Asemoto, Enotie Ogbebor, Taiye Idahor, Phil Omodamwen en 6 anderen tot stand kwamen.
Phil Omodamwen, Restitution, 2022. Lox-wax techniek. 81 x 61 cm. Courtesy kunstenaar.
Een bronzen als Restitution gepresenteerde plaquette weerspiegelt Phil Omodamwens jarenlange inzet voor teruggave van de Benin Bronzen. De voorstelling brengt de eerste teruggave van regalia en koninklijke objecten die in 1938 plaats vond.
De installatie van Enotie Ogbebor is eveneens in brons uitgevoerd. Het is een meditatie op het menselijk bestaan, waarin aardse en spirituele aspecten verwerkt zijn. Het werk is gebaseerd op Oba Ohen, die rond het midden van de 14e eeuw aan de macht was. Aan de heersers van Benin werden zowel aardse als spirituele eigenschappen toegekend. Deze dubbele identiteit is als bij een Janusfiguur aan voor en achterzijde verwerkt.
Geprojecteerd op een oude kaart van West-Afrika brengt Osaze Amadasun Oba Osolua de Veroveraar (1483-1504) als een Romeinse keizer op een vurig paard in beeld. Teruggrijpend op een ander hoofdstuk uit de Nigeriaanse geschiedenis, wordt een object getoond dat te maken heeft met de Europese veroveraars. Een eigentijdse fantasierijke liniaal, die Leo Asemota vervaardigde naar het model van de 17e -eeuwse parallellinialen die de zeevaarders gebruikten om hun koers op zee te berekenen.
Osaze Amadasun, Oba Osolua de Veroveraar, acryl op houtskoolbord, 2020. 97 x 69 cm. Courtesy kunstenaar
Ook vrouwen hebben een plek in de expositie. Met een trotse in brons gegoten buste van Koningin Idia brachtPhil Omodamwen een ode aan de vorstin die in de vroege 16e -eeuw een belangrijke rol speelde in Benin. Van Taiye Idahor zie je ‘Waden in het Water’. Met haar golvende beweging staat dit meterlange gordijn voor de oceaan. De katoenen drager is bedrukt met talloze in het water dobberende vrouwelijke figuurtjes.
Het element water staat in de Nigeriaanse cultuur voor het vrouwelijke. Van Idahors hand wordt ook een acrylschilderij getoond, waarop een vogel met oranje ogen zich neerbuigt over het hoofd van een vrouw met het lichaam van een slag en haren die uitgroeien tot een boom.
Taiye Idahor, De vogel met de Oranje ogen, uit serie het temen van ahianmwen, 2022. Gemengde techniek, acryl en laserprintcollage. Courtesy kunstenaar
In een volgende zaal valt een op het eerste gezicht weinig zeggend monumentaal wandkleed op. Het blijkt een zandschildering van rode aarde op geweven textiel. Bij nadere beschouwing kom je tussen de tintallen daarop geappliqueerde bronzen plaatjes voorouderlijke koppen, luipaarden en krokodillen ook het moddervisje, weer tegen, die zowel in het water als op het land kan leven. Met dit werk dat de titel Gepantserd draagt, verwijst Osaru Obaseki’s naar de Grote Muren van Benin.
Osaru Obaseki, Gepantserd, zandschildering op textiel met bronzen plaatjes met moddervis, 2025. 320 x 430 cm. Courtesy kunstenaar
Ik besluit met Victor Ehikhamenors betoverende creatie de Kathedraal van de Geest. Een mooi slotakkoord waarin metChristelijke en lokale tradities, Oost en West samenkomen. Dit staaltje van multicultureel monnikenwerk is vervaardigd met talloze draden, kant-, aardewerk en duizenden rozenkransen. Voor de gotische kerkramen vliegt een duif, symbool van de Heilige Geest en van vrede. Achter deze façade vind je een anoniem, ongedateerd beeldje van de regengod uit de Dogon cultuur.
Victor Ehikhamenor, Kathedraal van de Geest, rozenkrans, draden, kant krijt, aardewerk, 2023.
Met deze eigentijdse op het koloniale verleden geënte tentoonstelling levert de Fundatie een belangrijke bijdrage aan de discussie over restitutie van roofkunst. Door de teruggave van de plaquette met de Moddervis is het museum beloond met een mooie en betekenisvolle tentoonstelling.
J. Toorop, Zelfportret met rode baret, 1881. Waterverf op aquarelpapier, 29 x 19 cm. Singer Laren. Bruikleen uit particulier bezit
In de zomers van de vroege twintigste eeuw was Jan Toorop (1858-1928) steevast in het landelijke Domburg te vinden. Weg van de grote stad en de oprukkende industrialisatie. Bij het horen van de naam Toorop denken kunstliefhebbers wellicht aan deze episode uit zijn carrière. In deze jaren schilderde de sociaal geëngageerde kunstenaar het eenvoudige leven van hardwerkende boeren en struise boerinnen.
In de tentoonstelling Jacoba van Heemskerck x Marie Tak van Poortvliet besteedde het Haagse Kunstmuseum onlangs ook aandacht aan Toorop en bevriende avant-gardisten als Piet Mondriaan en Ferdinand Hart Nibbrig, die eveneens inspiratie vonden in de Zeeuwse badplaats. Gezamenlijk organiseerden zij exposities in een door Toorop ontworpen tentoonstellingsgebouwtje. Tijdens een winterstorm in 1921 werd het zogenoemde ‘kotje’ van Toorop omvergeblazen. In 1994 werd het herbouwd als het Marie Tak van Poortvliet Museum.
Jan Toorop, De vissersvloot van Veere, 1907. Karton 47,7 x 62,2 cm. Centraal Museum Utrecht
Met zijn Zeeuwse- en vroegere symbolistische werken heeft hij naam gemaakt. De tentoonstelling in Laren laat zien dat Toorop vrijwel alle avant-garde stromingen heeft geprobeerd. Je ziet schilderijen neergezet in een impressionistische-, pointillistische- en divisionistische toets en werken in de Art Nouveau of Jugendstil. Wegens deze experimenten is hij wel gekarakteriseerd als een kameleon. In de overzichtstentoonstelling die het Haagse Kunstmuseum in 2016 organiseerde, waren deze uiteenlopende stijlen te zien, maar één ding ontbrak. Met aandacht voor een onderbelichte kant van de kunstenaar heeft conservator Suzanne Veldink dit hiaat opgevuld.
Indische jongen
Jan Toorop, Zelfportret, 1881. Waterverf, krijt op papier. Rijksmuseum, Amsterdam
Jan Toorop werd op 20 december 1858 op Java geboren. Zijn vader was een Hollander in dienst van de staat der Nederlanden. Zijn moeder was van gemengde afkomst. Jan was in het taalgebruik van die dagen een Indo. Zoals veel kinderen van ambtenaren in het voormalig Nederlands-Indië werd Jan als 10-jarige voor scholing naar Nederland gestuurd.
Na de HBS studeerde hij een paar jaar aan de Polytechnische School in Delft, maar omdat zijn hart elders lag verlegde hij zijn koers. Aan de Kunstacademies van Amsterdam en Brussel bekwaamde hij zich in de teken- en schilderkunst. In Machelen nabij Brussel werkte hij samen met de symbolist William Degouve Nuncques. In 1885 werd hij lid van de kunstenaarsgroep Les XX. In het gezelschap van avant-gardistische schrijvers en kunstenaars als Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Fernand Khnopff en James Ensor voelde Toorop zich als een vis in het water. Nadat hij in Parijs kennis had gemaakt met het pointillisme van Georges Seurat en Paul Signac sloeg ook hij aan het stippelen.
Tot nu toe werd Toorop in de kunsthistorische literatuur beschreven als een vernieuwende Nederlandse kunstenaar, maar in zijn vroege zelfportretten komt hij veeleer als een Indische jongen uit de verf. Zijn Aziatische afkomst is decennialang ‘witgewassen’, aldus Veldink. Met begrippen als ‘koloniale migrant’ en ‘man van kleur’ wordt zijn profiel naar hedendaagse criteria geactualiseerd. De tentoonstelling geeftToorop zijn …’deels Javaanse en Chinese identiteit terug’…
Met correspondentie, werk van tijdgenoten en navolgers wordt de historische context geschetst.
Dankzij zijn beminnelijke aard en exotische voorkomen werd Toorop door velen bewonderd, maar in een door ras-denken gedomineerde Nederlandse samenleving hielden verschillende vrienden bepaalde reserves, aldus Veldink. Frederik van Eden, voor wiens boek Eucharistia. Verbum Pacis Toorop in 1924 de illustraties verzorgde, noteerde in zijn dagboek: …’Ik mag hem graag, maar voel eenig ras-verschil in zijn karakter’…
Met ruim tachtig schilderijen en tekeningen wordt een nieuw perspectief geboden op de Javaans-Nederlandse avant-gardist.
De beelden spreken voor zich. In zijn Zelfportretmet Javaans gewaad uit de vroege tachtiger jaren, beeldde hij zich af tijdens het mandiën, Maleis voor badderen. Naast het portret wordt een antieke doek met soortgelijke gebatikte motieven getoond. De baan met langwerpige driehoeken is samengesteld uit zogeheten Tumpal motieven. De dragers van magische krachten, waarover Louis Couperus schrijft in De Stille Kracht. In de op deze roman gebaseerde televisieserie uit 1974, waarin Pleuni Touw als echtgenote van de resident, overspel pleegt met Willem Nijholt als haar stiefzoon, vinden in het washok beangstigende, door onzichtbare krachten in gang gezette gebeurtenissen plaats.
Jan Toorop, Zelfportret met Javaans gewaad,1880-1883. Doek op paneel, 26 x 18 cm. Part. Coll.
Ook in Toorops werk uit de negentiger jaren zijn herinneringen aan zijn geboorteland aanwijsbaar. De in beweeglijke lijnen vormgegeven symbolistische creaties vertonen echo’s van het met wajangpoppen gespeelde Indische schimmenspel. Deze invloed is ook herkenbaar in de door hem ontworpen boekomslag van Louis Couperus roman Metamorfoze. AanTooropsreclameaffiche voor Delftsche Slaolie dankt de Art Nouveau in ons land haar naam slaolie-stijl.
Jan Toorop, Delftsche Slaolie, 1894. Litho 95 x 63 cm. Rijksmuseum Amsterdam
De vernieuwde kijk op Toorop is in samenwerking met Museum Sophiahof tot stand gekomen. Deze Haagse instelling bewaart en bestudeert de culturele en historische erfenis van Nederlands-Indië. De kennis over de voormalige kolonie en de Indische Nederlanders die naar Holland kwamen begint te vervagen. Na zeventig jaar hebben deze verhalen plaats gemaakt voor die van nieuwe immigranten. De ooit populaire Indische romans van Hella Haasse (Oeroeg) en Yvonne Keuls (Indische tantes) en de humoristische sketches van Wieteke van Dordt als Tante Lien zijn inmiddels niet meer van deze tijd.
Artistieke omnivoor In de kleurrijke expositie verandert Toorop van ongrijpbare kameleon in een veelzijdige artistieke omnivoor. Naast de al genoemde invloeden vond hij inspiratie bij Paul Gauguin en James McNeil Whistler. In Londen zag Toorop Whistlers als Symphonies in White aangeduide vrouwenportretten. Daarop geïnspireerd ontstond in 1885 het portret van zijn in het wit geklede verloofde Annie Hall, met wie Toorop in 1886 zou trouwen. Deze stijl sprak ook Menno Kamerlingh Onnes aan. Hij portretteerde zijn zuster Jenny ook in het wit. Evenals Toorop modelleerde hij de japon in robuuste met het paletmes aangebrachte streken.
J. Toorop, Portret van Annie-Hall in Lissadell, 1885. Doek 99 x 73 cm. Stedelijk Museum Amsterdam
Voor de beeldvullende weergave van de woelige baren die Toorop in navolging van Hendrik Willem Mesdag en James Ensor schilderde, nam hij het paletmes eveneens ter hand.
Jan Toorop, De zee, 1887,olieverf op doek, 74,4 x 65,9 cm Bruikleen van het Rijksmuseum, Amsterdam. Schenking van mevrouw I. Lohr, Baze
Geïnspireerd door tijdgenoten ontwikkelde Toorop een eigen unieke beeldtaal, waarin Europese- en Javaanse elementen samen komen.
Charley Toorop, Drie generaties, 1941-1950. Doek 200 x 121 cm. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Foto Studio Tromp
De in Laren gepresenteerde historische context zorgt voor een beter begrip van Toorop in de rol van vernieuwer. Als een netwerker avant-la-lettre onderhield Toorop vriendschappelijke contacten met tal van tijdgenoten. In de chronologisch ingedeelde zalen ontmoet je de schrijver Arthur van Schendel en collega-schilder William De Gouve Nunques, die beide door Toorop geportretteerd werden. Vrienden uit latere periodes zijn eveneens vertegenwoordigd: Floris Verster, Jan Veth, Thorn Prikker, Piet Mondriaan, Leo Gestel, Jan Verkade en Jan Sluijters. Ook Toorops dochter Charley heeft met een zelfportret een plek gekregen. Geflankeerd door haar zoon Edgar Fernhout en haar vader kijkt zij de beschouwer vastberaden aan. Het door haar geschilderde busteportret dat Johan Rädecker van Jan Toorop maakte is in dezelfde zaal te zien.
Religieus bevlogen kunstenaar Tenslotte wordt een belangrijk aspect van Toorops persoonlijke leven belicht. In 1905 gaan Jan en Charley in navolging van Annie, over tot het Rooms-Katholieke geloof. De 47-jarige Toorop zocht kennelijk houvast in tijden van afnemende gezondheid en toenemende huwelijksproblemen. Gedreven door ‘altijd een onzichtbare engel die mij voortstuurt’ legt Toorop zich toe op religieus werk, waarin hij zijn missie letterlijk en figuurlijk rechtlijnig evoceert, zoals in De Pelgrim uit museum Catharijneconvent.
Jan Toorop, De Elfde Statie, Christus wordt aan het kruis genageld, 1916-1918. Krijt op paneel, 64 x 76 cm. Sint Bernulphuskerk, Oosterbeek. Foto Cathy Otten.
In deze levensfase was Toorop bevriend met de veel jongere streng katholieke dichteres Miek Janssen, in wie hij een geestverwant vond. Zij inspireerde hem tot het vervaardigen van veertien kuiswegstaties voor de St. Bernulphuskerk in Oosterbeek. De tussen 1916-1918 vervaardigde reeks is in zijn geheel in de Van den Brink Galerij te zien.
Jan Toorop, Oh, grave where is thy victory, 1892. Potlood en krijt op papier, 60 x 75 cm. Rijksmuseum, Amsterdam.
Het portret dat Toorop van zijn muze tekende en haar publicatie over zijn kruiswegstaties worden hier getoond. Wanneer Toorop ten gevolge van een vergevorderde staat van syfillis in een rolstoel belandt is Miek zijn steun en toeverlaat. Bij het zien van de welhaast psychedelisch aandoende, grijpende figuren in Toorops symbolistische Oh, Grave where is thy victory rijst de vraag of deze beangstigende beelden slechts gebaseerd zijn op een ongebreidelde fantasie of het gevolg zijn van neurosyfilis waarin de patiënt wordt geplaagd door hallucinaties en paranoia.
In de zaal met stemmige, monotoon getinte religieuze werken lijken enkele vrolijk gekleurde Zeeuwse doeken uit de toon te vallen. Schijn bedriegt. Via de markante kop van een Zeeuwse boer, geplaatst voor de façade van een Gotische kerk met Bijbelse scènes, wordt de relatie duidelijk. In Domburg raakte Toorop gefascineerd door de vroomheid van de Zeeuwen.
Jan Toorop (1858-1928), Het hoofd van een man van Walcheren, staand voor een Gotisch reliëf, 1904. Houtskool & krijt op papier. Part. collectie. Foto: Marina Marijnen
Gelet op de fijne detaillering van de gerimpelde kop, de blauwe ogen en de kleuraccenten verdient Toorop wellicht als tekenaar nog meer bewondering dan als schilder. Het stroblonde kapsel van de man, model polka, is naar de toenmalige mode zeer modern, maar of de aan zijn knopen herkenbare Zeeuwse boer echt een paars jasje droeg…
Jan Toorop (1858-1928), De appelplukkers, 1905. Detail. Olieverf op doek. Particuliere collectie. Foto: Marina Marijnen
Met de prominent in beeld gebrachtwerkhanden van de Rustende boer en de ogenschijnlijk idyllische in divisionistische toets geschilderde Appelplukkers brengt Toorop de door hem geïdealiseerde Christen-arbeid in beeld. Van hun godsdienstige levenshouding en de werken hunner handen plukken zij de vruchten.
De expositie besluit met een aantal kleurrijke, luministische werken die Toorop en tijdgenoten rond 1910 schilderden. Ze werden eerst in Domburg en later bij de Moderne Kunstkring in Amsterdam getoond. Een Zonsopgang van Jan Sluijters en een Herfstboom van Leo Gestel, waar de kleuren van afspatten. Bijzonder is Toorops in expressionistische stijl geschilderde beeltenis van Prof. Dr. J.H. Schrörs. Zijn krachtige karakter lijkt goed getroffen, maar de hooggeleerde Schrörs dacht er zelf anders over. Met Piet Mondriaans geabstraheerde impressie van Zee na zonsondergang uit 1909 ving in Domburg een nieuw hoofdstuk in de Nederlandse kunstgeschiedenis aan. Dit verhaal wordt vervolgd in de aan Mondriaan gewijde zalen van het Haagse Kunstmuseum.
Piet Mondriaan, Zee na zonsondergang, 1909. Karton 63 x 75 cm. Kunstmuseum Den Haag.
Verder lezen:
S. Veldink e.a., De Werelden van Jan Toorop, Singer Laren, 2026.