Charley Toorop & Pyke Koch. Alles of Niets, Museum More tot en met 25 oktober.

Detail Pyke en Charley uit Charley Toorop, Maaltijd der vrienden, 1932-1933, Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam (Schenking) foto Marina Marijnen

Na de Realismo Magico biedt Museum More een podium aan twee realisten van eigen bodem: Charley Toorop (1891-1955) en Pyke [Pieter] Koch (1901-1991). Zijn bijnaam Pike op een jongensinternaat, adopteerde hij na substitutie van de ‘i’ voor een interessantere ‘y’ als artiestennaam. 

Gastconservatoren Carel Blotkamp en Mieke Rijnders presenteren de bevriende schilders in een parallelle tentoonstelling. Niet alleen de tijd waarin zij leefden en werkten gaat gelijk op, maar ook hun thema’s.  Toorop hanteerde een expressieve realistische toets; Koch werkte in een magisch realistische stijl. Ook al hadden zij geen officiële kunstopleiding genoten, toch – of misschien juist daardoor – ontwikkelden zij een professioneel picturaal handschrift. Charley keek de kunst af van haar vader Jan Toorop. Koch leerde de kneepjes van het schildersvak van zijn vriend de fascist Erich Wichmann.
De band tussen Toorop en Koch wordt omschreven als innig en grillig. De vraag of ze een knipperlicht relatie hadden blijft in de lucht hangen, maar over hun wederzijdse bewondering en beïnvloeding bestaan geen vragen. Dankzij haar contacten in de artistieke wereld hielp Toorop de tien jaar jongere Koch op weg aan het begin van zijn carrière. 

Beiden schilderden landschappen, stillevens, op de klassieke mythologie geïnspireerde werken, maar ook arbeiders, sekswerkers en portretten. Toorops portretten zijn onopgesmukt, meedogenloos direct. Dat geldt niet alleen voor haar schetsen van psychiatrische patiënten, maar ook voor haar zelfportretten. Je krijgt wat je ziet. Bij Koch ligt dat anders: zijn portretten tonen een zekere idealisering. In verschillende op Italiaanse oude meesters geënte schilderijen verwijst hij naar de vergankelijkheid. Andere werken bevatten psychologische-, politieke en nazi-gerelateerde Germaanse referenties. Tijdens een verblijf in het Italië van Mussolini werden zijn rechtse ideeën gevoed, maar naar verluid nam hij in 1941 afstand van het fascistische gedachtegoed.

Waar de onderwerpen van Charley veelal realistisch zijn bevat Kochs oeuvre veel allegorische onderwerpen. Zoals zijn reeks van de vier seizoenen. De Lente wordt gepersonifieerd door een herderin met -grappig detail- een gebroken voortand. De Herfst wordt vertolkt door een mooie dame met een mand druiven op het hoofd. De letter P waarmee Koch de hoofddoek gesigneerd zou hebben kan ik niet ontdekken. Misschien heb ik te veel fantasie, maar zien we wellicht een vage afspiegeling van het gelaat van Christus op de zweetdoek van Veronica?

Pyke Koch, Herfst (1949) olieverf en tempera op doek, 125 x 85 cm
Collectie museum Voorlinden, Wassenaar

In de verte zie je een ladder van het soort dat hij ook gebruikte in zijn monumentale doek de Oogst, waarin werkers in een boomgaard met stokken vruchten uit de bomen slaan. Om welk fruit het gaat is niet te zien. Kochs aan het surrealisme grenzende magisch realistische werken bevatten veel raadselachtige, soms ook humoristische elementen. Zoals het bebloede been dat onder de takken uit steekt of de voetjes die rechts bovenin, zoals in een Middeleeuwse verbeelding van Jezus hemelvaart, nog net zichtbaar zijn. 

Pyke Koch (1901-1991), ‘De oogst’, 1953, olie op doek ING kunstcollectie

Enigszins bevreemdend, maar ook grappig en exemplarisch voor Kochs stijl is de leeuw die in het doek Leeuw in Interieur uit 1929 nog net om het hoekje wegsluipt. Over wat zijn werken te betekenen hebben was Koch overigens zwijgzaam. Hij liet de interpretatie van zijn werk aan de kijker over.  

Humor is Koch niet vreemd. Bepaald geestig is zijn impressie van het Dorpszwembad uit 1953, waarvan hij meerdere versies maakte. Van het zwembad zelf zie je niets. De titel wordt slechts gesuggereerd door een door de lucht zwevende, tot een bal opgerolde zwemmer, die op het punt staat een bommetje te maken. 

Pyke Koch, Dorpszwembad (1)1953 Museum More Gorssel foto Marina Marijnen

Leuk om de verschillen te ontdekken tussen de drie getoonde versies van de Florentijnse tuin. Ook hier is humor -of drama- niet ver weg. In de tweede versie van de eerste lege tuin plaatste Koch een verontruste vrouwelijke gestalte. De speelgoedbal doet vermoeden dat haar kind verdwenen is. In het derde exemplaar zie je een paar zinnenprikkelende in nylons met jarretelles gestoken benen…

Luchtig en tegelijkertijd gecompliceerd is hun beider verbeelding van kermis- en circusattracties. Toorops impressie van de Kermis in Schoorl uit 1926 geeft, wellicht na een ritje in de zweefmolen, een indruk van een letterlijk dolgedraaide kermis. 

Charley Toorop, Kermis, 1926, Stedelijk Museum Amsterdam

Ook Koch leefde zich uit op dit thema. Van zijn hand zie je een welhaast psychedelische verbeelding van de uit talloze momentopnames samengestelde Kermis in Utrecht uit 1928-1929. Een mooi voorbeeld van wederzijdse beïnvloeding. Kennelijk bracht Charley’s schilderij de jonge Koch op het idee om dit onderwerp ook eens ter hand te nemen.   

Pyke Koch, Kermis 1928-1929 Museum Markiezenhof, Bergen op Zoom

In andere werken uit de collectie van het Centraal Museum zoomt Koch in op een enkele figuur, zoals de Koorddanser of de angstaanjagende Vrouw in de schiettent, die je maar beter te vriend kunt houden. Achter haar zie je de ‘doelgroep’: koddige figuurtjes. De als speelse ornamentjes aangebrachte Goudse pijpen werden in de vorige eeuw door kunsthistorici als Eddy de Jong en Louis van Tilborg geïnterpreteerd als Freudiaanse fallussymbolen, maar dat lijkt mij in deze context wat vergezocht. 

                                                                                           
Letterlijk en figuurlijk uit het leven gegrepen is het goed getroffen portret van drie opgedofte prostituees uit het Centraal Museum, die zichzelf met luider stem aanprijzen. Van de zestiger jaren dateren ook de portretten van twee door de wol geverfde, dominante vrouwen: Mercedes de Barcelona en Bertha van Antwerpen.’ Verleidelijk’ weergegeven met een zwarte roos in haar decolleté. Het donkere palet en het harde licht zouden de sfeer van het interbellum weerspiegelen. Het tijdsgewricht dat gekleurd werd door politieke onrust, werkeloosheid en armoede. 

Pyke Koch Bertha van Antwerpen, 1931, Kunstmuseum Den Haag

Geïnspireerd op het portret van Bertha dichtte Martinus Nijhoff in 1934 een vers, dat gezongen werd op het huwelijksfeest van Pyke Koch en freule Heddy de Geer, van wie je in de tentoonstelling een portret kunt zien. De dichter legt Bertha de volgende woorden in de mond: 

…‘Kom hier roep ik schat’…

Eén [van de in dit lied aangesproken heren] gaat niet op Bertha’s avances in, maar neemt haar mee naar zijn atelier, waar zij zichzelf tot haar schrik gevat in een (spiegel)lijst) tegenkomt: 

                              …’Het is ik, die heks,

                                 Het is ik, levensgroot.

                                O mijn oud, oud hoofd’…

Sprekend over vrouwen: Koch zag hen -ik citeer- veeleer als psychologische raadsels, omkleed met erotiek en mystiek. Als ervaringsdeskundige wist Toorop hoe de dagelijkse realiteit -zonder mystiek- er uitzag. 
Die harde werkelijkheid is zoals we zagen ook aanwezig in Kochs portretten van prostituees. Deze tragische types raken wellicht al een gevoelige snaar. Ronduit pijnlijk en ontroerend zijn Toorops portretten van psychiatrische patiënten.  

Charley Toorop, Patiënt van het Willem Arntz Huis, 1924. Doek 96 x 75 cm. Museum Kröller- Müller, Otterloo

Ze schetste hen in de Willem Arntzstichting waar haar man Henk Fernhout  was opgenomen. Van deze periode dateert Stilleven met Geraniums, fles, bord en messen dat vorig jaar te zien was in de tentoonstelling Charley Toorop. De liefde voor van Gogh in het Kröller-Müller.

De onmacht om op rationeel niveau met een geesteszieke om te gaan bracht Toorop dichterbij van Gogh, maar brak haar op in haar huwelijk. Tegen de ellende van de toxische relatie met Fernhout bestond maar één medicijn: schilderen. Volgens de overlevering verwerkte ze in dit stilleven het traumatische voorval waarbij Fernhout haar met een mes te lijf ging.

Ingegeven door haar socialistische levenshouding ontstaan werken die getuigen van Charley’s betrokkenheid met minder bedeelden. Zoals de troosteloze rond een warme potkachel geschaarde types in het Volkslogement uit het van Abbe Museum (1928). In het voetspoor van Vincent van Gogh reisde Charley naar de Borinage. Tussen de arme mijnwerkers ontdekte Toorop wat zij wilde: 

’het leven in z’n volle gestalte te geven – God in iedere stof te zien, hoe dan ook uitgebeeld’… 

Deze woorden echoën ook na in het naargeestige portret van een kroegbazin en haar dochter, waarover je in mijn bespreking van de zojuist genoemde tentoonstelling kunt lezen. Gasten konden in haar etablissement eten, drinken en/of zich vermeien met de dochter des huizes. In de fysionomie heeft Charley de onontkoombare lotsbestemming van beide vrouwen treffend weergegeven. 

Pyke Kochs fascinatie voor de zelfkant van de samenleving en het nachtleven zie je terug in zijn Achterbuurtrhapsodie uit 1929. Een merkwaardig schouwspel met -ja wat eigenlijk- een kar met etalagemateriaal, rijdend in een smalle steeg, met in de verte een Amsterdams grachtenpandje. Deze scène ademt de vervreemdende sfeer van de moderne stad. En de vrouwen? Zijn het straatmadelieven of nachtvlinders? En wat hebben die nummers te betekenen? Typisch voor het magisch realisme, roept het schilderij vooral vragen op.  

Pyke Koch, Achterbuurtrhapsodie, 1929. Stedelijk Museum, Amsterdam foto Marina Marijnen

Deze enigszins beklemmende sfeer straalt ook af van het als Nocturne in beeld gebrachte urinoir. 

In 1924 keert Charley terug naar Zeeland, waar ze als kind vele zomers had doorgebracht. In de tentoonstelling zijn enkele voorbeelden van Charley’s Zeeuwse schilderijen. Een op Vincent Van Goghs Brabantse boerenscènes geïnspireerd doek met Korenschoven in Zeeland en een Stilleven met brood touw en fles, uit 1935. De magisch-realistische doeken ontbreken. Voor de kroegscènes met in klederdracht gestoken Zeeuwse figuren moet je naar het Zeeuws Museum. 

Kort na dit Zeeuwse intermezzo ontstond Toorops monumentale groepsportret Maaltijd der vrienden(1932-33) dat je bij binnenkomst ziet. In dit doek vereeuwigde zij collega-schilders, haar drie kinderen, Gerrit Rietveld, Eva Besnyö en John Rädecker de maker van de sculptuur linksachter. Naast haar zelfportret staat Pyke Koch. In de opgloeiende punt van zijn sigaret vermoeden -in mijn ogen vergezocht-  de samenstellers van de tentoonstelling een verwijzing naar hun ‘ooit meer dan platonische verhouding’.      

Charley Toorop, Maaltijd der vrienden, 1932-1933, Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam (Schenking) foto Studio Buitenhof  

Van Charley’s hand zijn zeventien zelfportretten bekend, waarin zij haar uiterlijk scrutineus vastlegde. Van Kochs hand kennen we slechts drie zelfportretten. Mogelijk waren er meer, want ontevreden over zijn werk heeft hij nogal wat schilderijen vernietigd. Zijn Zelfportret met zwarte doek uit 1937 is het bekendste en – wegens de daarin vermoedde politieke boodschap- meest omstreden exemplaar. 

Pyke Koch, Zelfportret met zwarte doek, 1937. Centraal Museum, Utrecht. Foto Marina Marijnen

Op de site van de D(igitale) B(ibliotheek) N(ederlandse) L(iteratuur) schrijft Arnold Heumakers dat Koch de fascistische ondertoon ontkend heeft. Ontevreden over zijn voorhoofd zou hij de compositie met ‘een ritmische afwisseling tussen licht en donker’ verbeterd hebben. Maar Heumakers laat zich niet om de tuin leiden. Daar Pyke Koch een bewonderaar van Mussolini was, wiens aanhangers een zwart hoofddeksel droegen, ziet hij de zwarte band als ideologisch statement. Dit doet niets af van het goed getroffen, indringende portret, dat evenals Kochs andere werken met een bijzonder fijne toets geschilderd is. Nergens is de penseelstreek zichtbaar. Dat is bij Toorop anders. In haar werk zie je een achtereenvolgens op het impressionisme, kubisme en later op het expressionisme geïnspireerde toets. In de verschillende stillevens en impressies van appels, peren en bloesem spreekt de pasteus opgebrachte verf eveneens in artistieke zin mee. Van beide schilders zie je close-up gepenseelde kleine vruchtenstilleven, waarin verrassende wederzijdse beïnvloeding opvalt. Koch was een perfectionist. Hij werkte langzaam en wat hem niet beviel werd vernield. Vandaar dat hij een relatief klein oeuvre van 120 schilderijen heeft nagelaten. Van Toorops hand zijn ca. 400 schilderijen bekend.  

Charley Toorop, Babyportret van Johnny Fernhout, 1913 foto Marina Marijnen

In de expositie zie je verschillende portretten van Charley’s kinderen. Bij een baby portret werd ik even op het verkeerde been gezet. Het lijkt een werk van Marlene Dumas, maar het is de beeltenis van Charley’s zoontje Johnny, geschilderd in 1913. 

Als een klinkend slotakkoord wordt de expositie afgesloten met een laat zelfportret. Werken die als testament kunnen worden beschouwd. Toorop kijkt de beschouwer over haar schouder aan. Het halfgesloten gordijn lijkt erop te duiden dat het doek bijna gevallen is. 

Op de wand leest de bezoeker het ontroerende verslag van Kochs afscheid van …’het uitgeleefde carcasje van onze goeie ouwe Charley […]’ Haar gezicht …’ dat ook van een of ander onbekend dametje had kunnen zijn’… herkende hij nauwelijks, zoals hij schreef in 1955 aan zijn zus Minie Stärcke-Koch.  

Pyke Koch, stilleven met twee flessen, 1933, foto Marina Marijnen

Kochs eerder besproken Koorddanser wordt eveneens als sluitstuk gepresenteerd. Met een fles op zijn met een zwart kleed bedekte hoofdbalanceert hij voorzichtig op het slappe koord. De fles is in de stillevens van beide schilders geen onbekend rekwisiet. Achter de doeken, waarin de fles een prominente plaats inneemt gaat bij Charley een wereld van tragiek schuil. Of de fles in Koch’s leven ook een belangrijke rol speelde is niet bekend. Al rijst de vraag of zijn soms bizarre beelden ontsproten zijn aan de geest uit de fles.                                                                            

Link: Museum More

De serene blik | 4 realisten, tot en met 13 mei 2018, Museum MORE, Gorssel

Jan Mankes, Bomenrij, 1915, Museum More, Gorssel

Twee jaar geleden bezocht ik de openingstentoonstelling van Museum More. Nog besmet met het virus van onderwaardering voor figuratieve kunst waar ik als kunstgeschiedenisstudent in de jaren ’80 mee in aanraking kwam verwachtte ik niet hier vaak terug te komen. Inmiddels is het tij gekeerd: waardering voor realistische kunst mag weer. Wanneer ik Museum More voor de tweede keer bezoek is Helmantel zelf aanwezig op de tentoonstelling de Serene Blik, waar hij naast Floris Verster, Jan Mankes en Dick Ket een glansrol vertolkt.

Op zaal stellen de samenstellers van de expositie, Ype Koopmans en Frank van de Schoor ons voor aan de tableau de la troupe: Floris Verster (1861-1927), Jan Mankes (1889-1920) Dick Ket (1902-1940) en Henk Helmantel (1945). Het thema van de vergankelijkheid verbeeld in de getoonde stillevens kan niet beter worden geïllustreerd dan met het ontroerende jongensportret van de licht gebogen, grijzende man die hier rondloopt om journalisten te woord te staan.
In het intrigerende Zelfportret met Baret van Dick Ket zie ik nu pas de griezelige duim die door het palet heen steekt. Gelukkig onopvallend op het taartje met dit portret dat ik bij de koffie kreeg.

Elke kunstenaar heeft een eigen zaal en een wand, waarin hij in dialoog met de anderen wordt getoond. Afgezien van zaalteksten wordt weinig uitleg gegeven. De werken spreken voor zich. Ogenschijnlijk is het: What you see is what you get, maar achter de realistisch geschilderde werkelijkheid gaat vaak een diepere betekenis schuil. Veel voorstellingen ontstijgen de werkelijkheid in termen van spiritualiteit en verstilling, vandaar de titel: de serene blik.

De eerste zaal is gewijd aan Floris Verster, werkzaam in de eerste helft van de 20e eeuw. Zijn werk weerspiegelt de belangstelling die kunstenaars toen kregen voor 17e eeuwse genres als stilleven en portret. De aandacht voor detail en stofuitdrukking van hun voorgangers zien we terug in de werken op deze tentoonstelling. Bewondering voor de schilders van de Gouden Eeuw loopt als een rode draad door de expositie.

Floris Vester, Donkere pioenen in aardewerken pot, 1890, Singer Laren

Met zijn spannende vroege composities op –heel modern- monumentaal formaat ontwikkelde Verster een geheel eigen stijl. Zoals het grote in pasteuze toets geschilderde bloemstilleven Donkere pioenen in aardewerken pot uit 1890, waarover Versters echtgenote Jenny Kamerlingh Onnes de volgende woorden noteerde: …’het was een akelig karwei om de achtergrond te realiseren’…
In deze zaal herken ik zijn schilderij uit de tentoonstelling Rumoer in de Stad, Geplukte hanen. Deze bijna abstracte impressie van dood gevogelte is een wat onesthetisch en ongebruikelijk onderwerp in die jaren, maar wat een prachtbeeld van vergankelijkheid.

In Brussel komt Verster in aanraking met het kunstenaars collectief Les Vingt, waartoe Jan Toorop destijds behoorde; ook ziet hij werk van James Ensor. Vanaf 1904 legt Verster zich vooral toe op kleinere, nauwkeurig gepenseelde stillevens van dode kraaien, aardewerk en eieren. Zomaar een paar eieren: voor zowel Verster, Mankes als Helmantel is het genoeg voor een klein stilleven.

Helmantel, kaas en eieren
Henk Helmantel, Stilleven met kaas en eieren, 1987, Museum More

Verster, eieren
Floris Verster, Nap met eieren, 1915, Centraal Museum, Utrecht

Bij Mankes zien we de eieren tussen eenvoudige aan de natuur ontleende onderwerpen terug. Verstilling is hier, meer nog dan bij Verster, het sleutelwoord. Door de wat ‘omfloerste’ beeldtaal krijgen zijn realistische objecten een spirituele meerwaarde. Deze onscherpe beelden zijn geen louter artistieke vinding, maar aldus de conservator, het gevolg van zijn slechte ogen. Hij weigerde een bril op te zetten!

Jan Mankes, Vaas met jasmijn, 1913, Museum Arnhem

Gelukkig maar, want zijn Vaas met Jasmijn krijgt daardoor een welhaast magische uitstraling. Dat geldt ook voor de Bomenrij in de Knijpe, het plaatsje in Friesland, waar zijn echtgenote Anna Zernike als (eerste vrouwelijke) predikant was beroepen. Meer een droombeeld van een eerder realistisch waargenomen bomenrij. Het werk inspireerde Joost Zwagerman tot de volgende woorden…’land en lucht gehuld in een onaards blauw’… De boomkruinen deden hem denken aan reuzenpluizenbollen, waarvan de pluisjes door een bries zijn weggewaaid. Al bij zijn leven verkocht Mankes goed. Dit werk bracht destijds  f200,– op. Door goede contacten in de kunstwereld werd zijn werk en daarmee zijn naam via gravures bekend. Interessant te zien hoe Mankes teruggrijpt op de grote namen van de Gouden Eeuw, zoals in het doek uit 1914, Vrouw voor haar huis, dat onmiskenbaar teruggaat op het Straatje van Vermeer in het Rijksmuseum!

Jan Mankes, zelfportret met uil, 1911, Museum Arnhem

We staan even stil bij Mankes Zelfportret met Uil, symbool van wijsheid zegt Frank van der Schoor, maar het kan evengoed om het 17e eeuwse symbool van de dwaasheid gaan. Hoe dan ook ook dit werk is een mooi voorbeeld van ogenschijnlijk realisme. Opvallend zijn de eenvoudige door Mankes zelf gekozen lijsten. Zonder de goudvergulde krullen, waarin een stilleven met stenen kruikje is gevat, accorderen deze sobere kaders prachtig met de verstilde voorstellingen die zij omlijsten.

 

In 1916 bleek Mankes aan tbc te lijden, waardoor zijn actieradius steeds kleiner werd. Dit wordt weerspiegeld in de vele huisje-boompje-beestje onderwerpen, die hij op meesterlijke wijze wist te uit te beelden. Met zijn sobere, verstilde stijl was Mankes een inspiratiebron voor neo-realisten als Wim Schumacher en Edgar Fernhout, elders in More te zien èn Henk Helmantel, die zelf enkele werken van Mankes bezit.

De tentoonstelling presenteert ook enkele interessante thematische ontmoetingen. Een reeks sneeuwgezichten, waaronder een prachtig ‘Louis-Apol-achtig’ Sneeuwlandschap bij ondergaande zon (1895) van Floris Verster, getoond naast winterlandschappen van zijn confrères. Datzelfde gebeurt met het in dialoog getoonde Stilleven met Kweeperen van Helmantel en een werk met hetzelfde onderwerp van Floris Verster dat weer onmiskenbaar schatplichtig lijkt aan soortgelijk stillevens van Vincent van Gogh. In hun realistische weergave van groente en fruit is de traditionele 17e eeuwse vanitas-gedachte nooit ver weg. De vier realisten uit deze tentoonstelling worden dan ook als fakkeldragers van de grote 17e eeuwse traditie gepresenteerd.

Helmantel, kweeperen
Henk Helmantel, Stilleven met kweeperen, 2012, Museum More

Floris Verster, Kweeperen, 1905, Museum Helmantel, Westeremden

De composities van Dick Ket zijn het meest gewaagd. Anders dan de concentratie op een enkel onderwerp bij Verster of Mankes en de wat brave uitstalling van objecten in Helmantels stillevens, bevatten Kets werken een zekere spanning. Zoals in zijn eigenzinnige Zelfportret met Vaas, waarin de schilder zich, terwijl hij een vaas optilt, in een merkwaardige houding heeft vereeuwigd. Zo te zien een enorme tour de force. Hier, maar ook in zijn andere werk zijn de symptomen zichtbaar van het hartfalen waaraan hij leed: blauwe nagels. In een zelfportret in Boijmans maakt Ket deze subtiele verwijzing expliciet. Door een openvallende borstrok verwijst een blauwe tepel naar zijn hartproblemen. Ook hier een echo van zijn bewondering voor de grote meesters van het verleden. De compositie ontleende hij aan Bartolomeo Veneto’s Flora uit het Städelsches in Frankfurt.

Veneto Flora
Bartolomeo Veneto, Flora, ca.1525, Städel Museum, Frankfurt

Ket Zelfportret
Dick Ket, Zelfportret met blote borst,1932, museum Boijmans, Rotterdam

 

 

 

 

 

 

 

 

Neem de tijd om goed te kijken. Dit geldt voor alle kunstwerken, maar zeker ook voor de vele zelfportretten van Dick Ket. Bij nadere beschouwing blijkt zijn Zelfportret met Bolskruik een knap spiegelbeeld te zijn met een grappig dubbelbeeld van de jeneverkruik. Het fragment van een affiche met stoomboot in de achtergrond zegt iets over Kets ontwikkeling. Op de Academie in Arnhem begon hij met het tekenen van affiches. Zijn zelfportretten, of beter gezichtsstudies, weerspiegelen daarenboven zijn belangstelling voor de 18e eeuwse theorieën van Johan Kaspar Lavater. Deze geleerde dominee was ervan overtuigd dat de fysionomie iets zegt over het karakter van de mens.

Dick Ket, Zelfportret met Bolskruik, 1932, Museum Voorlinden Wassenaar

Dick Ket was een langzame werker. Wegens zijn delicate gezondheid  woonde hij bij zijn ouders in Bennekom. Met de kommen in zijn stillevens verwijst hij met een knipoog naar zijn woonplaats en met de barsten daarin, verleent hij de kommen een diepere betekenis. Aan zijn verloofde Nel Schil schreef hij ‘Ik ben een kom’. De gebarsten kom waar een stukje vanaf is als symbool van zijn gemankeerde gezondheid. Dick Ket die zichzelf ziet als ‘rejected China’…  Bij hem geen twijfel aan een diepere laag achter de zichtbare werkelijkheid. In 1932 schreef hij: …dat er meer is tusschen hemel en aarde, ….daar denk ik dikwijls aan als ik een stilleven schilder ….Juist in deze doode voorwerpen voel ik de aanwezigheid van dit alom-vertegenwoordigde…’
In Kets werk zijn ook invloeden aanwijsbaar van Gino Severini. Vergelijk zijn Stilleven met viool en witte vaas met Severini’s Visual Synthesis of the Idea War 1914. Op zijn beurt beïnvloedde Dick Ket Henk Helmantel bij wie we in de grote zaal uitkomen. Hier hangt een klein juweeltje, Helmantels Distelvink, geïnspireerd op Fabritius beroemde Puttertje in het Mauritshuis. Jammer dat het zo hoog hangt.

Henk Helmantel, Distelvink. 2002, Museum Helmantel, Westeremden

Het africhten van een puttertje is een tegenwoordig niet meer beoefende tak van sport. In de 17e eeuw werden distelvinken het kunstje bijgebracht om kleine emmertjes water te putten teneinde hun dorst te lessen. Het hijsen van het emmertje werd destijds symbolisch in verband gebracht met hijsen; drinken en … dronkenschap. Daarnaast gold het diertje sinds de Oudheid als symbool voor de ziel die na de dood naar de hemel opstijgt. En daarmee houdt de onuitputtelijke symboliek van het puttertje nog niet op. Volgens een legende zou het vogeltje uit mededogen met Christus aan het kruis, een doorn uit diens voorhoofd hebben getrokken, waarna een rode bloedvlek rond zijn snaveltje achterbleef.
In de laatste zaal hangen grote werken van Henk Helmantel. Alle met magistrale stofuitdrukking, zoals het Stilleven met Mangistan vruchten en Gele doos met Witlof, waarvan ik dankzij Helmantel zie hoe dit gewas in de aarde geworteld is, alvorens in de schappen van de groenteman te belanden. Als zoon van een tuinder was Helmantel van jongs af aan geboeid door groei en bloei, maar in zijn stillevens figureert ook ander voedsel zoals het knapperige Brood gebakken in Emden, uit 2007. Zeventiende eeuwse voedselstillevens tonen prêt à consommer. Kaas, boterkrullen, vis, vlees, fruit en aangesneden brood, niet zelden gekoppeld aan vanitasgedachten. Zie bij mijn bespreking van de tentoonstelling Slow Food. Bij Helmantel is het geschilderde voedsel slechts afstandelijke geëtaleerd, compleet en onaangesneden.

In een documentaire van Els Dinnissen vertelt Helmantel dat hij vlotter werkt dan menigeen denkt. In zijn composities, altijd op paneel met een ondertekening in verf, legt hij naar eigen zeggen graag een gevoel van aanwezigheid. Lichtval speelt daarbij een belangrijke rol. Hij is in de weer met de schil van een ui. Hij houdt ‘m eens even tegen het licht en wijst de beschouwer op de weerschijn van het licht door die dunne schil, waarbij de structuur daarvan fraai wordt aangelicht. Vervolgens schikt hij wat uien op een tafelblad. Hier en daar hangt speels wat loof over de rand. Het stilleven ligt er al, ik hoef het alleen nog te schilderen, lacht hij!

Henk Helmantel, Stilleven met uien, Museum Helmantel, Westeremden

Ik moet even denken aan Jacob Cats, de 17e eeuwse Zeeuwse dominee die in een ui inspiratie vond voor een moraliserend boodschap. In een zogenoemd embleem trekt Cats een parallel tussen de ‘rok’ (de schillen) van een ui en een damesrok. In beide gevallen leidt het het afpellen (uittrekken) daarvan tot tranen! Het stilleven met uien zal binnenkort geveild worden. De opbrengst is bestemd voor de restauratie van het orgel in de de Petrus en Pauluskerk in Loppersum.

Bij een stilleven met enkele granaatappels, verklaart Helmantel de wat onduidelijke titel middels het fragment in de achtergrond. Een abstract werk van Kees Stoop. Als realist houdt Helmantel niet van abstracte schilderijen, maar Stoops werk bewondert hij. Vandaar deze Homage aan Kees Stoop. Maar Dick Ket was hier als inspirator ook niet ver weg. Naast stillevens van groot formaat hangen Helmantels voor dit genre toepasselijker monumentale kerkinterieurs. Beide genres geïnspireerd op beroemde 17e eeuwse voorgangers.

Helmantels glad gepenseelde vroege stillevens tonen een intieme, bezielde weergave van de alledaagse materie. Of in Helmantels eigen woorden gehoord tijdens een interview in het radioprogramma nooit meer slapen,..’ik ben geboeid door de verschijningsvorm der dingen. Onze schepper heeft het zo gemaakt dat je je blijft verwonderen‘…

Zijn kerkinterieurs ademen een gewijde sfeer en geestelijke verstilling. Destijds reed Helmantel op zijn bromfiets door Groningen en Duitsland om kerkinterieurs te schetsen. Zijn Kerkinterieur van de Grote kerk in Monnickendam uit 1988 roept associaties op met werken van de 17e eeuwse specialist Pieter Saenredam. Toch is de sfeer anders. Het geschilderde (hemelse) licht is bij Helmantel verbonden met zijn eigen geloof. Hij nodigt de bezoeker uit de geschilderde kerk binnen te gaan. In de film legt Helmantel uit dat een schilderij voor hem geslaagd is als de compositie en de lichtval met elkaar in harmonie zijn gebracht. Wanneer ik even later oog in oog sta met het enigszins vereenvoudigde interieur van de Grote kerk in Monnickendam, wordt het schilderij ineens prachtig aangelicht door een baan echt zonlicht dat tussen de wolken door op het werk valt als een geschenk uit de hemel!

Henk Helmantel, De zuidbeuk van de St. Nicolaaskerk in Monnickendam, 1988, Museum Helmantel, Westeremden

In het Groningse Westeremden toont Helmantel zijn eigen werk en door hem verzamelde werken van Verster, Mankes en Ket in een eigen museum. Ook buiten Groningen en Gorssel is Helmantel te zien. Gelijktijdig met de expositie in Museum Moore loopt een tentoonstelling in het Chimei Museum in Tainan en volgende maand zijn dichter bij huis 30 schilderijen te zien in Museum Gouda, getoond naast werken waarin Helmantel inspiratie vond.

In Taiwan werd 20 jaar geleden zijn werk tentoongesteld. Een van de bezoekers van die expositie is inmiddels directeur van het Chimei Museum geworden. Nu nodigde hij de schilder wederom uit om te exposeren. Tijdens het radio interview vertelde Helmantel dat hij nog nooit zoiets moois had meegemaakt. Alle werken zijn geëxposeerd tegen toepasselijke kleuren en bij de ingang van het museum hangen grote banieren met zijn naam. Er zijn al acht schilderijen verkocht. Op de vraag waarom zijn werk daar zo in trek is, moet Helmantel het antwoord schuldig blijven. Maar zou het niet komen doordat ze in de Aziatische wereld zo goed zijn in het exact kopiëren van bestaande voorwerpen?

Het werk van Helmantel geniet veel bewondering van liefhebbers, maar ondervindt tegenstand bij mensen die ‘ervoor doorgeleerd hebben’, aldus de schilder. Kunsthistorici vinden dat mijn werk niet past in de doorgaande ontwikkeling van de kunstgeschiedenis. In 2004 had Carel Blotkamp in de Volkskrant weinig op met Helmantels keurige, maar onbezielde stillevens; geschilderd alsof hij ‘bezig was met aftelversjes’. Onwillekeurig klinkt in mijn hoofd: …. ‘Iene miene mutte, tien pond grutten, tien pond kaas, Henk Helmantel is de baas’… Zo wordt de kampioen van het hedendaagse realisme in Taiwan wel beschouwd. Veertien jaar na Blotkamps artikel mag Helmantel zich inmiddels ook verheugen in de belangstelling van kunsthistorici. Het kan verkeren: de tentoonstelling in Museum More is tot stand gekomen door toedoen van Carel Blotkamp. Hij deed Museum More het idee aan de hand voor een expositie van Verster, Ket en Mankes, die nog niet eerder in samenhang gepresenteerd waren. Samenstellers van de Serene Blik voegden daar het eigentijdse werk van Henk Helmantel aan toe. Getoond naast Blotkamps favoriete schilders Ket en Mankes. Het lijdt geen twijfel dat de conservatoren bewondering hebben voor Helmantel, maar of Blotkamp er ook zo over denkt blijft de vraag.

Het heeft lang geduurd, maar inmiddels heeft het Groninger Museum ook een schilderij van Helmantel aangekocht. Waarmee deze profeet (…) in eigen land nu ook eindelijk gehoord, en vooral, gezien wordt!

Na geduldig op mijn beurt te hebben gewacht krijg ik de kans Helmantel zelf te spreken. Ik memoreer een gebeurtenis van bijna 40 jaar geleden. Een vriend toonde me een zojuist aangeschaft klein paneeltje met een leeg interieur, waarin een stenen wenteltrap naar een ongeziene verdieping omhoog leidt. In deze leegte zag ik toen niets. Het werkje zou in deze tentoonstelling echter niet misstaan. Mijn toenmalige vriend had, wars van toen heersende opvattingen over abstracte en minimalistische kunst als kenner een vooruitziende blik.

Henk Helmantel, Romaans venster in de Noord muur van de kerk in Marsum, 1995

Wanneer ik opmerk dat zijn schilderijen, afgezien van het pasteuzer geschilderde Romaans venster in de noordmuur van de kerk van Marsum heel fijn en glad gepenseeld zijn, corrigeert Helmantel mij. Dat denkt iedereen, maar kijk daar eens. Hij neemt mij mee naar zijn Romeins glas en Chinese rok op Spaanse tafel. Ik werk ook graag met het paletmes voegt hij eraan toe. En inderdaad als we het stilleven samen bekijken zie ik de pasteus aangebrachte, met het paletmes uitgesmeerde verf. Helmantel een erfgenaam van Rembrandt?

Henk Helmantel, Romeins glas en Chinese rok op Spaanse tafel, 2001, Museum Helmantel, Westeremden

 

Bibliografie:

De serene blik, WBooks, Zwolle Museum More, Gorssel, 2018.
Vier realisten

 

Links:

Museum More

Museum Helmantel, Westeremden

CHIMEI Museum Tainan

Museum Gouda

 

 

 

 

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights