Hockney – Van Gogh: The Joy of Nature. Van Gogh Museum tot en met 26 Mei 2019.

Ook al gebeuren hier nieuwe dingen: het is nog steeds het Van Gogh Museum, stelt Axel Rügen, scheidend directeur de aanwezigen gerust. De afgelopen jaren hebben we verschillende tentoonstellingen gemaakt over een moderne kunstenaar in relatie tot Vincent van Gogh. Deze keer valt de eer te beurt aan een nog levende kunstenaar. Dat is heel bijzonder. Dankzij de genereuze steun van de Hockney Foundation heeft hoofdconservator Edwin Becker een prachtige tentoonstelling kunnen maken.

Vincent van Gogh, De Stoel, 1888. National Gallery, Londen
David Hockney, Vincent’s Stoel en pijp, 1988. Foundation Vincent van Gogh, Arles

In de tentoonstelling ontbreekt bovenstaand werk, maar in de catalogus is Hockney’s hommage aan zijn bewonderde voorbeeld, Vincent’s Stoel uit 1888 wel afgebeeld. In Amsterdam staan in Yorkshire ontstane landschappen centraal. Indrukwekkend en groots, het lijkt of je er zo in kunt stappen!  

In de presentatie staat steeds een werk van Van Gogh centraal; daaromheen is  het monumentale werk van Hockney geplaatst. De expositie opent met een recent fotoportret door Rineke Dijkstra en een interview met de nog altijd hippe 81-jarige kunstenaar. Zijn voor een man van zijn leeftijd wat extravagante bril en onafscheidelijke sigaret roepen een verre naklank op aan de exorbitante jongeman van weleer. 

Rineke Dijkstra, David Hockney, Londen, 6 november 2018

Hoe David Hockney geïnspireerd werd door Vincent van Gogh is tot en met 26 mei te zien in het Van Gogh Museum. Een prachtig samenspel tussen schilderijen en enkele tekeningen van Van Gogh en de monumentale getekende, geaquarelleerde, geschilderde en in video’s vastgelegde impressies van de natuur van Hockney. Bij velen beter bekend van zijn Californische zwembadscènes, waarvan er eind vorig jaar nog één, het Portrait of an Artist (Pool with two figures) uit 1972, werd afgehamerd voor bijna 80 miljoen euro! Het hoogste bedrag dat ooit voor een levende kunstenaar werd betaald!

David Hockney, Portrait of an artist (pool with two figures), 1972

In een video vertelt Hockney, zijn woorden zorgvuldig kiezend, over zijn inspiratiebron. Dezelfde die ook Vincent van Gogh tot zijn creaties bracht: de natuur: ‘…you cannot be bored by nature, can you?…color is the road….’ Dubbelzinnig bezingt hij de ‘gaiety’ of nature’, de natuur die na de winter weer tot leven komt….‘Nature has an erection…with everything upright…nature sprinkled with champagne’...Tja…de herinnering blijft. Was gay het sleutelwoord bij zijn Californische zwembadscėnes, in de Yorkshire landscapes gaat het om die andere Joy of Nature!

Nog vol van de kleurrijke, monumentale natuurimpressies die ik op 27 februari in het Van Gogh Museum zag, hoor ik ’s avonds nogmaals de stem van Edwin Becker. In Opium op 4, licht hij Hockney’s fascinatie voor Van Gogh en hun wederzijdse liefde voor de natuur toe vertaald in monumentale schilderingen van lommer- en bloemrijke bospaden, wijdse zonbeschenen landschappen en een serie lieflijke kleine landschapjes. Impressies van good old England, Yorkshire, waar David Hockney eind jaren ’90 terugkwam om zijn zieke moeder te bezoeken. Googelend kwam ik haar portret tegen; een keurige grijze dame in een lichtblauwe jurk, naast haar in de krant verdiepte man.

De tentoonstelling gaat als gezegd niet over zijn Califonische werk of de overweldigende impressies van de Grand Canyon, waarin de opmerkzame beschouwer citaten herkent van Piet Mondriaan, maar over de lieflijke natuur. Het raakvlak tussen Van Gogh en Hockney, die een levenslange bewondering voor de Hollandse schilder koestert. Hij herinnert zich de eerste keer dat hij diens kleurrijke werk zag nog goed. Met school bezocht hij in 1955 een Van Gogh tentoonstelling in Manchester. Bij het zien van de pasteuze toets dacht hij, wat moet die man rijk geweest zijn, om zich zo kwistig met dure verf te kunnen uitleven!

David Hockney “The Arrival of Spring in Woldgate, East Yorkshire” in 2011 © David Hockney Photo Credit: Richard Schmidt

Later kwam hij er achter dat de werkelijkheid wel anders was. Hij ontdekte de  precisie waarmee Van Gogh allerlei details uit de natuur tekende of regelrecht in verf vertaalde. Becker wees het tijdens de rondleiding al aan, maar in het interview hoor ik het weer: kijk eens naar het licht dat door de bomen op het kreupelhout valt en de gedetailleerd weergegeven grassprieten en bloemen, die Hockney, evenals Van Gogh, en plein air schilderde. In weerwil van hoe ‘de’ mensen in Londen erover dachten:…’ you cannot paint landscapes anymore; landscapes are boring’…trok Hockney naar buiten om de natuur vast te leggen. Zoals in de verschillende versies van de vier jaargetijden in Woldgate Woods, geschilderd op zes losse panelen, zodat hij ze later makkelijk de trap mee kon opnemen om ze tot een groot werk samen te stellen. Dat hij ze buiten schilderde bewijzen de kleine vliegjes, zaadjes en zandkorreltjes die zich in de verf hebben genesteld. In The Arrival of Spring in Woldgate uit 2011, een orgie van kleur samengesteld uit 32 losse doeken, bereikt Hockney’s joy of nature een absolute climax!

David Hockney, Under the trees bigger 2010 – 2011 © David Hockney, photo credit: Richard Schmid (355 cm x 610 cm)

In het struweel en gras creëert Hockney de verbluffende illusie van een 3-d effect door tegen de groene achtergrond een rij op paaltjes gelijkende rode boomstammen of bloemstelen te schilderen. Deze optische illusie zie je eveneens in zijn uit 20 doeken samengestelde Under the Trees, Bigger, 2010-1011 en verderop ook in Hockney’s recent geschilderde After Hobbema (Useful knowlegde) uit 2017. Dit effect is op de tentoonstelling, staand voor het werk sterk zichtbaar, maar kijkend naar de illustraties in het boek, ervaar je deze gewaarwording niet. Naar Amsterdam dus!  

David Hockney “After Hobbema (Useful Knowledge) 2017“© David Hockney Photo Credit: Richard Schmidt ( 6 doeken totaal 118 x 277 cm)

Nog even terug naar the Arrival of Spring uit 2011. Het langwerpige formaat ontleende Hockney aan Chinese landschapschilderingen, gemaakt op een doorlopende rol, zoals het 13e eeuwse Vergezicht van rivieren en bergen uit het National Palace Museum Taipei.

Xia Gui Vergezicht van rivieren en bergen, 13e eeuw uit het National Palace Museum Taipei. (afmeting 46,5 x 889 cm)

Het werk kent geen verdwijnpunt, maar het oog scrollt door het panoramisch weergegeven landschap. Hockney vindt kijken erg belangrijk; Vincent deed dat ook. Hockney’s devies: goed zelf kijken, dan zie je meer dan met fotografie. Hij schreef er zelfs een boek over: David Hockney, Kijken voor kinderen. Jong geleerd oud gedaan. Hij heeft ook een andere dan de sinds de Renaissance gebruikelijke kijk op perspectief. Het in Italië uitgevonden centraal perspectief pint je als kijker vast op één punt, aldus Hockney. Het fixeert je in de tijd, zet je ogen stil, maar in het leven is alles in beweging. Daarom schept hij nieuwe ruimte. Hij bevrijdt zich van het perspectief, waarover hij spreekt als: the hell of perspective. Dat zie je letterlijk en figuurlijk ook in zijn grote werk in de laatste zaal. Naast zijn zelfportret: voegde hij een klein spotschilderijtje op het lineaire perspectief toe met een rode bomenrij eindigend in een zwart gat! 

Becker brengt ook de verticale lijnen in Hockney’s compositie onder de aandacht. Hij zegt het niet, maar zijn werk en met name de prachtig verlopende lijnen van de omgezaagde boomstammen, roepen ook duidelijk herinneringen op aan het werk van Edvard Munch, dat het Van Gogh Museum in een eerdere dubbeltentoonstelling samen met de naamgever van het museum presenteerde.

David Hockney, Felled Totem, 2009, Collectie David Hockney
Edward Munch, De gele boomstronk, 1912 ©Edward Munch.org
David Hockney, More Felled Trees on Woldgate, 2008. Collectie David Hockney

Dat Hockney schatplichtig is aan Van Gogh’s kleurrijke Provencaalse schilderijen is in een oogopslag zichtbaar. Van Gogh’s De Oogst uit 1888 en Hockney’s zomerse landelijke impressies, worden geraffineerd gepresenteerd tegen een mintgroene achtergrond.

Vincent van Gogh, De oogst, 1888. Van Gogh Museum

David Hockney, Woldgate Vista, 27 july 2005 ©David Hockney.
David Hockney, Kilham to Langtoft II, 27 july 2005 ©David Hockney

Zaalimpressie

Van Gogh’s vlot gearceerde, deels gestippelde en uiterst gedetailleerd weergegeven natuurobservaties zie je in Hockney’s schetsen met streepjes en stippeltjes ‘à la Van Gogh’ eveneens terug.

Vincent van Gogh, Distels langs een weg, 1888, van Gogh museum
Hockney, Yorkshire, April 4 april 2004. David Hockney foundation

Vincent van Gogh, korenveld met patrijs 1887, Van Gogh Museum, Amsterdam

Beide kunstenaars hielden van experimenteren. Van Gogh lapte de gevestigde academische regels ten aanzien van perspectief en weergave van de anatomie van het menselijk lichaam aan zijn laars. Noodgedwongen, dat wel. Het lukte hem niet zo best. Voor Van Gogh kwam het te laat, maar kort na zijn dood werd dit niet meer belangrijk gevonden. Door vrijelijk te experimenteren met eigentijdse stijlen als het impressionisme, pointillisme en realisme bereikte Van Gogh zijn eigen expressieve beeldtaal. Hockney heeft ook maling aan perspectief en ook hij experimenteert graag met eigentijdse media. Op zijn I-pad maakt hij tekeningen en schilderijen. In de tentoonstelling is de wording van zo’n kunstwerk op video te volgen. Wederom een voorjaars landschap in Woldgate. Er schuin tegenover hangt het geprinte eindresultaat. How on earth deed hij dat, het vervaardigen van zo’n enorme print? Als je ervoor staat zie je dat het werk uit zes geprinte onderdelen bestaat.

David Hockney Arrival of Spring inWoldgate, 2011, The David Hockney Foundation (6 prints)

Origineel zijn ook Hockney’s op het eerste gezicht vrij gewone natuur opnames van The Four Seasons. In totaal 36 digitale video’s van hetzelfde boslaantje. Vier impressies, die bij nadere beschouwing zijn samengesteld uit negen bewegende natuurbeelden. Hockney trok er met een terreinwagen voorzien van negen camera’s op uit. Het resultaat heeft een heel special effect. De winter wordt verbeeld met een zonnige impressie van het besneeuwde pad. De opnames van de zomer zijn een beetje mysterieus. Het bospad lost hier in een heïige einder op. In een van Hockney’s monumentale schilderingen herken ik dit mistige bospad.

David Hockney, Winter, een van de The Four Seasons, Woldgate Woods, getoond op
9 monitoren.
David Hockney, Summer, een van de The Four Seasons, Woldgate Woods, getoond op
9 monitoren.

Waarom deze dialoog tussen Van Gogh en Hockney? De museumbezoeker kan het antwoord zelf wel zien, maar Becker vat het nog even samen. Beide zijn zeer populair, ze hebben een icoonstatus. Hun beider werk wordt voor torenhoge prijzen verkocht, maar voor Van Gogh kwam het succes helaas te laat. Na zijn dood, maalde niemand meer om het juiste perspectief, het correct weergeven van de menselijke anatomie of een mooie academische schildertrant. Kleur en expressie, daar ging het om. Met deze beeldmiddelen blijven zowel van Gogh als Hockney je verrassen. Je wordt er vrolijk van!

Zonlicht is nóg een bindend element. Van Gogh, reisde verlangend naar zon en licht naar Arles. Hockney verruilde het zonnige Californië voor zijn geboortegrond in Yorkshire, waar hij de seizoenen weer ontdekte. De tentoonstelling nodigt de bezoeker uit om in navolging van Van Gogh en Hockney te genieten van the arrival of spring, die toevalligerwijs en ongebruikelijk voor 27 februari ook buiten de muren van het museum is losgebarsten.  

Van de vier seizoenen is het voorjaar favoriet. In zijn uitbundige weergave van weelderig groen en explosieve kleuren zie ik ook Matisse-achtige en zelfs surrealistische elementen. Bomen die uit het niets omhoog lijken te komen, weergegeven in een pasteuze toets die weer sterk aan Van Gogh doet denken.

Hockney Van Gogh Zaalimpressie The Joy of Nature

In de bovenzaal wordt de bezoeker verrast door de reeks van 36 kleine aquarellen, die Hockney zonder ondertekening maakte. Met inmiddels vertrouwde beeldelementen en echo’s van Van Gogh, zoals in de derde aquarel bovenaan rechts, met minutieus gestippelde vegetatie. Impressies, nu eens close-up waargenomen, dan weer breed uitwaaierende gezichten op het lieflijke, landelijke Engeland van weleer. Intieme impressies van de elders op monumentaal formaat geschilderde arrival of spring.

David Hockney “In the Studio, December 2017″ Photographic drawing printed on 7 sheets of paper (109 1/2 x 42 3/4″ each), mounted on 7 sheets of Dibond Edition of 12 109 1/2 x 299 1/4” overall © David Hockney Photo Credit: Richard Schmidt

Verderop staat de bezoeker oog in oog met het slotakkoord van de expositie. Een visuele samenvatting van Hockney’s experimentele en kleurrijke carrière, In the Studio, December 2017. Fotografische tekening, gedrukt op 7 vellen papier (278 x 109 cm). Dit wandvullende werk kwam tot stand in samenwerking met Jonathan Wilkinson met behulp van een speciaal sofware pakket. Rond zijn zelfportret plaatste hij alledaagse objecten; een luie stoel, een Perzisch tapijt, krukjes, schildersezels met eigen werk, reproducties en citaten uit de kunstgeschiedenis. Fra Angelico’s Annunciatie uit het klooster van San Marco in Florence (1437-46) naast een impressie van een slaapkamer met een copulerend paar. Daaronder het reeds genoemde Laantje van Hobbema, dat ernaast in de originele versie te zien is. Rechtsboven enkele figuurtjes op een Maurits Escher-achtige trap. Hier ziet de beschouwer het werkje dat verwijst naar het stokpaardje van Hockney: de in duivels rood geschetste in een zwart gat eindigende bomenrij met onderschrift:…’perspective is tunnel vision’, waarover Hockney in de introductie video zegt: …’perspective is strangling nature’!

Hockney is voorlopig nog niet van plan te stoppen met schilderen. Hans den Hartog Jager tekende deze uitspraak op tijdens een interview op een herfstachtige dag in Londen. In de door Den Hartog geschreven catalogus is het vraaggesprek gepubliceerd, waarvan de NRC op 21 februari jl. een samenvatting gaf.  Hockney vertelt dat hij het schilderij waaraan hij werkt ‘s avonds meeneemt naar zijn slaapkamer. Hij staat er dus letterlijk mee op en gaat ermee naar bed. Hoe ouder en lelijker ik word hoe liever ik schilder! Werken, werken en nog eens werken is zijn devies. Schreef Van Gogh niet ook iets dergelijks aan zijn broer Theo?

Link;

Van Gogh Museum, The Joy of Nature

Catalogus; Hockney – van Gogh, The Joy of Nature, Hans den Hartog Jager,Van Gogh Museum Amsterdam, Uitgeverij TIJDSBEELD, Gent, 2019

Gauguin en Laval op Martinique. Tot en met 13 januari te zien in het Van Gogh Museum, Amsterdam.

Gauguin zelfportret
Paul Gauguin, Zelfportret (les Misérables) met zelfportret van Emile Bernard, 1888 Van Gogh Museum Amsterdam.

Laval zelfportret
Charles Laval, Zelfportret 1888,van Gogh Museum, Amsterdam

 

 

 

 

 

 

“Was ik maar wat jonger geweest, dan zou ik het wel hebben geweten”, schrijft Vincent van Gogh aan zijn broer Theo. Hij is op bezoek geweest bij Gauguin, die was teruggekeerd van zijn verblijf op het Caraïbische eiland Martinique. In zijn bagage bracht hij niet alleen schetsen en schilderijen mee, maar ook prachtige verhalen. ‘Ce que Gauguin racconte des tropiques, me semble merveilleux’.

Niet iedereen heeft de vrijheid om huis en haard te verlaten voor zo’n avontuur, maar  Gauguin deed het gewoon. Hij liet zijn Deense vrouw met vijf kinderen achter in Kopenhagen; riep …’Je m’en vais’ en weg was hij. Volgens de overlevering om het ‘mondaine leven in Parijs te verruilen voor een eenvoudiger, vrijer bestaan’, maar het lijkt er meer op dat Gauguin zijn verantwoordelijkheden als echtgenoot en huisvader ontliep.

Het Van Gogh Museum vindt altijd weer nieuwe onderwerpen, die meestal zichtbaar en soms associatief gerelateerd zijn aan de naamgever van het museum. Zoals de nieuwe expositie over Paul Gauguin (1848-1903) en zijn minder bekende collega Charles Laval (1861-1894), die in 1887 samen afreisden naar Martinique.

Paul Gauguin, Kustlandschap van Martinique (De baai van Saint Pierre), 1887 , Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen

Laval werd lange tijd als leerling van Gauguin beschouwd, maar in deze tentoonstelling is hij gepromoveerd tot autonoom kunstenaar. De periode in Martinique is een onderbelichte, maar essentiële fase in de loopbaan van beide kunstenaars, van wie in totaal 81 werken te zien zijn. Enthousiast gemaakt door reisverslagen en gedichten van de eigentijdse auteur Charles Beaudelaire smeedden de twee hun plan om naar de Caraïben te vertrekken.
Op zoek naar een plek ’zonder zorgen voor vandaag of morgen’. Gauguin hoopte met nieuwe exotische onderwerpen eindelijk erkenning en brood op de plank te krijgen. Hij nam verf en penselen mee om naar eigen zeggen ‘als een wilde te leven’. Dit idee lag in het verlengde van het gedachtengoed van Jean Jacques Rousseau over ‘terug naar de natuur en de ‘goede wilde’.

Hoe wild? Nou, op het oog ongerept, maar het liefst wel in de comfort zone van de Franse taal, wetten, cultuur en ….met een croissantje bij het ontbijt!

De Franse kolonie Martinique was overigens niet het eerste doel van hun reis; ze scheepten in voor Panama. Beiden hoopten in bedrijven van overzeese familieleden wat geld voor hun verdere verblijf te verdienen. Dit liep op niets uit. De twee keerden terug naar Martinique, waarvan ze op doorreis een tantaliserende indruk hadden gekregen. Op een van de plantages namen ze hun intrek in een negerhutje, een ‘case a nègre’, waar ze gefascineerd raakten door de mooie profielen van de zwarte vrouwen die daar als slaaf vanuit Afrika waren beland.

Paul Gauguin, Hoofd van een vrouw uit Martinique, 1887. (Krijt op papier). Van Gogh Museum. Amsterdam

Hier ontstonden Gauguin en Laval’s kleurrijke idyllische impressies van de kust en het binnenland.  Zoals het Kustlandschap van Martinique met de baai van de hoofdstad Saint Pierre. Gepenseeld in grote, decoratieve kleurvlakken zonder dieptewerking, geplaatst onder een hoge horizon. Landschappen met het roestbruin van de rode aarde en veel groen van de papaya en mangobomen, gestoffeerd met enkele dieren en Afrikaanse vrouwen. Ze hadden slechts oog voor de mooie kant van het bestaan. De slavernij was in deze Franse kolonie in 1848 -vijftien jaar eerder dan in Suriname- al afgeschaft, maar het werk moest toch gedaan worden. Voor de uit slavernij bevrijde zwarte bevolking veranderde er niet veel. Laval en Gauguin maakten vele schetsen van de karakteristieke koppen van de vrouwen, getooid met de voor de goede verstaander in symbolische taal geknoopte hoofddoeken. Deze en andere beeldelementen zie je terug in hun schilderijen zoals in Gauguin’s Mangobomen. Theo van Gogh kocht het werk met vooruitziende blik voor 400 francs. Het equivalent in toenmalige guldens is conservator Maite van Dijk niet bekend. Ze vertelt dat een porteuse, een draagster van koopwaar, op Martinique 1 f per dag verdiende. Kunsthandelaar Theo van Gogh, die het werk van Gauguin promootte kocht ook: Aan de oever van de rivier, Martinique.

Paul Gauguin, De Mangobomen, Martinique 1887,Van Gogh Museum. Amsterdam

PaulGauguin, Martinikaanse vrouwen, 1887. (Potlood, zwartkrijt en pastel)  Privé collectie.

 

 

 

 

 

 

Laval, Vrouwen aan de kust
Charles Laval, Vrouwen aan de kust, 1887-1888, Musee d’Orsay, Parijs, bruikleen aan Musée Toulouse Lautrec, Albi

Minder bekend zijn Gauguin’s objecten van toegepaste kunst. De Cleopatrapot van geglazuurd aardewerk (ca. 1888) met een Martinikaans naakt. En een houtgesneden flapkan, die je eerder zou verwachten in handen van een dapper lachende, doch zichtbaar teleurgestelde bezoeker van Tussen Kunst & Kitsch. Geldt ook voor een met primitief houtsnijwerk versierd kastje, een co-productie van Gauguin en Emile Bernard met een hybride mix aan exotische- en Bretonse motieven als de witgekapte vrouwen uit Pont Aven.

Gauguin Bierpul
Paul Gauguin, Houten kan in de vorm van een bierpul, ca. 1887-1890, Privé collectie

Gauguin Bernard Kast
Paul Gauguin en Emile Bernard, Aards Paradijs, 1888, Kastanjehout en vurenhout kastje, The art institute of Chicago.

Gauguin en Laval waren niet de enigen die hun artistieke geluk in de tropen hebben gezocht. In de 17e eeuw hadden Frans Post en Albert Eckhout in dienst van graaf Johan Maurits als eerste Europeanen de flora, fauna en bewoners van Nederlands Brazilië in beeld gebracht. In de 19e eeuw kozen Emile Goury en Pisarro, die geboren was op St. Thomas, eveneens tropische onderwerpen. In deze traditie passen Gauguin en Laval, maar anders dan de ‘gemanicuurde’ schilderachtige impressies van Goury, brengen zij de tropische natuur, mensen en dieren in een vernieuwende losse post-impressionistische toets in beeld.

Emile Goury, Basse-Terre
Emile Goury, Zicht op de Basse-Terre, Guadeloupe, 1839, privé collectie (Buiten tentoonstelling)

Ook al had Gauguin zijn tropisch paradijs hier gevonden, in brieven naar zijn vrouw klaagde hij steen en been over de omstandigheden waarin hij terecht was gekomen. Misschien deed hij een beetje zielig: …Jij hebt het misschien niet makkelijk; maar voor mij valt het ook niet mee…

Terug in Frankrijk reisde Gauguin niet naar zijn gezin, maar naar Pont Aven. Hier ontstond het plan om met Laval en Emile Bernard bij Vincent van Gogh te gaan wonen en werken. Uiteindelijke zou alleen Gauguin in 1888 naar Arles vertrekken. Vincent adopteert Gauguin’s manier van werken; voorstellingen met platte kleurvlakken, omlijnd door donkere contouren en geplaatst onder een hoge horizon. Zoals te zien in Van Goghs in Herinnering aan de tuin in Etten uit 1888. De samenwerking loopt echter stuk op verschil van inzicht. Gauguin werkte uit zijn verbeelding en dringt deze werkwijze op aan Vincent, die liever een zichtbaar onderwerp in verf vertaald. De temperamentvolle karakters botsten. Na de zoveelste ruzie ging  Gauguin vlak voor kerst van dat jaar terug naar Parijs. Van Gogh was zo van streek dat hij zijn oor afsneed.…. de rest is geschiedenis.

Van Gogh, tuin Etten
Vincent van Gogh, herinnering aan de tuin in Etten, 1888, Van Gogh Museum Amsterdam (Buiten tentoonstelling).

Vincent’s gedroomde kunstenaarscommune was van de baan. Gauguin en Laval werkten nog even samen in Pont Aven. Laval hanteerde daar zijn Martinikaanse stijl en palet. Zijn Badende Vrouwen schilderde hij in een losse toets met weinig dieptewerking. Dit geldt ook voor Gauguin’s exotisch ogende close-up geschilderde Vissers en baders in de Aven, waarop zelfs de horizon ontbreekt. Hiermee eindigt de gezamenlijke periode. Vijf jaar later zou Laval overlijden; Gauguin vertrok in 1891 naar Tahiti. Een aantal van de daar ontstane werken was in 2010 in het Van Gogh Museum te zien.

Charles Laval, Badende vrouwen, 1888, Kunsthalle Bremen, Der Kunstverein Bremen

Gauguin vissers en baders
Paul Gauguin, Vissers en baders aan de Aven, 1888, Privé collectie

 

 

 

 

 

 

 

De catalogus biedt veel informatie en afbeeldingen met interessante vergelijkingen.

M. van Dijk en J. van der Hoeven, Gauguin en Laval op Martinique, Van Gogh Museum Amsterdam, 2018.

Link; Van Gogh Museum, Amsterdam

 

 

 

Nederlanders in Parijs, 1789-1914. Van Gogh museum, Amsterdam, tot en met 7 januari 2018.

 

Kees van Dongen, De Blauwe Japon, 1911, Van Gogh Museum Amsterdam

Van Barbizon, eerder op deze site besproken, reizen we naar Parijs, het centrum van de toenmalige kunstwereld. De stad met befaamde kunstopleidingen en tentoonstellingen was een artistieke kraamkamer en oefende aantrekkingskracht uit op kunstenaars uit alle windstreken. Voorheen was de reis per diligence een hele onderneming, maar sinds 1847 werd de gang naar la ville lumière dankzij het spoor tot een dagreis teruggebracht. In de lange periode die de Parijse tak van de dubbeltentoonstelling beslaat is op artistiek gebied veel gebeurd. Te veel om deze thematisch-chronologisch in te delen, licht conservator en samenstelster van de expositie Mayken Jonkman tijdens een interview bij Opium op 4 toe. Daartoe werden acht kunstenaars als uitgangspunt gekozen. Aan de hand van hun werk, getoond in samenhang met hun Franse kunstbroeders, worden de belangrijke thema’s van die jaren behandeld.

Gerard van Spaendonck, Bloemen in een albasten vaas en vruchten op een marmeren blad, 1781, Het Noordbrabants Museum, Den Bosch

Zo wordt bij Gerard van Spaendonck (1746-1822) de eerste Nederlander die destijds naar Parijs trok en medeoprichter was van het Institut de France, de kunstopleiding behandeld. Kunstenaars konden uit verschillende academies kiezen, maar de belangrijkste was de École des Beaux Arts. Hier moest je zijn voor de nieuwste artistieke ontwikkelingen. In zijn atelier in de Jardin des Plantes leerde Van Spaendonck, die het tot hofschilder van koning Lodewijk XVI had gebracht, zijn Franse leerlingen het schilderen van bloemstillevens in de stijl van de Hollandse Gouden Eeuw. Zijn meest succesvolle leerlingen waren Bessa, Redouté en Van Dael. Behalve op de academies leerden schilders ook veel door hun ogen op de Salons en in de stad de kost te geven. Maar de tentoonstelling laat zien ook dat deze Franse invloed op Nederlandse kunstenaars geen eenrichtingsverkeer was, verschillende Nederlanders drukten, zoals we zullen ontdekken, hun stempel op de Franse kunst.

Ary Scheffer, Francesca da Rimini en Paolo Malatesta aanschouwd door Dante en Vergilius, 1854, Kunsthalle Hamburg

Ook Ary Scheffer (1795-1858) belandde al vroeg in Parijs. Zijn moeder had een vooruitziende blik toen zij zich met haar zoons in Parijs vestigde. Ary werd beroemd en verkeerde in de hoogste kringen. Bij zijn werk krijgt de bezoeker informatie over de Salon en alternatieve tentoonstellingen. Wanneer aankomend kunstenaars als Rousseau en Huet in 1836 door de jury van de Salon geweigerd worden, biedt Ary hen expositieruimte aan in zijn atelier. Hier vonden Franz Liszt en Frederic Chopin eveneens een podium en Charles Dickens las bij Ary Scheffer voor uit eigen werk. Met zijn vroeg-romantische maar nog wel in academische toets geschilderd werk, zet Scheffer zich, evenals Ingres en Delacroix, af tegen het traditionele classicisme. Scheffers, thans veelal als sentimenteel beoordeelde werk, genoot in de vroege 18e eeuw veel waardering. Dat geldt ook voor zijn ‘society’ portretten; een richting waarmee Kees van Dongen in de 19e eeuw eveneens succesvol zou worden.

Jacob Maris, De schilder Frederick Hendrik Kaemmerer aan het werk in Oosterbeek ca. 1863, Dordrechts Museum, Dordrecht

In de presentatie van Frederik Hendrik Kaemmerer (1839-1902) wordt de bezoeker geïnformeerd over de Kunsthandel in die dagen. Hij wordt als schoolvoorbeeld gepresenteerd van dè Salonkunstenaar. Deze thans minder bekende Nederlander was destijds een van de best verkopende kunstenaars in Parijs. Hij inspireerde tal van landgenoten tot het schilderen van mondaine scènes. In het portret dat Jacob Maris rond  1863 van hem schilderde zien we hem heel geestig zittend op een boomstam aan het werk in de bossen van Oosterbeek.

Coen Metselaar, Het atelier van de kunstenaar Frederik Hendrik Kaemmerer aan de Boulevard Vaugirard 126 bis 1877-1878, prive collectie Oss

Coen Metzelaar portretteerde hem rond 1878 in zijn Parijse atelier, te midden van rekwisieten bezig aan een impressionistisch werkje, waarin we de stijl van Isaäc Israëls latere vlot gepenseelde impressies van soortgelijke (op een ezel rijdende) figuurtjes herkennen.

Bij Jongkind (1819-1891) komen –heel toepasselijk- de Parijse café’s als ontmoetingsplaats en inspiratiebron in beeld. Jongkind hield van de Franse levensstijl: het savoire vivre. Het genieten van een goed glas wijn ontbrak daarbij niet; een gewoonte die hem uiteindelijk op zou breken. Anders dan vaak gedacht wordt leerde Jongkind de impressionistische toets niet van Claude Monet; het was nèt andersom. Gezamenlijk schilderend aan de Seine deed Jongkind dit kunstje niet alleen voor aan Monet, maar ook Boudin en Sisley namen Jongkinds toets over! Voor wie hieraan twijfelt citeer ik Monets eigen woorden: …’c’est à lui que je dois l’éducation definitive de mon oeil’.. (van hem –Jongkind- leerde ik goed te kijken).

Johan Barthold Jongkind, Rue des Franc-Bourgeois St. Marcel, 1868, Gemeentemuseum Den Haag

Claude Monet, Vétheuil 1879, Triton Foundation

Deze vroege Nederlanders in Parijs, hebben een plek gekregen op de benedenverdieping van het museum. In Jongkinds vluchtige impressie van de Rue des Franc-Bourgeiois St. Marcel uit 1868 is de vlotte, los gepenseelde toets die het handelsmerk van de impressionisten zou worden, goed te herkennen.

In de  bovenzaal ontmoet de bezoeker Vincent Van Gogh, George Hendrik Breitner, Kees van Dongen en Mondriaan.

Ter illustratie van de vraag wat leerden kunstenaars in Parijs van elkaar worden de Nederlanders in samenhang getoond met de Fransen. Van Gogh (1853-1890) probeerde in Parijs de verschillende stijlen van Monet, Pisarro en Signac uit. Een dialoog verduidelijkt hoe Breitner schatplichtig was aan Degas.

George Hendrik Breitner (1827-1923), door Jonkman gekenschetst als een verlegen man, was maar korte tijd in Parijs, maar hij absorbeerde en verwerkte de invloeden die hij daar opdeed op een bijzondere manier. Deze leerschool wordt mooi geïllustreerd met twee schetsen van danseressen; één van Degas en één van Breitner.

Edgar Degas, Ontbijten na het baden ca. 1894, Houtskool en pastel op papier,
Bruikleen Triton Foundation

George Hendrik Breitner, Het model zoekt haar kleren bijeen, 1888, privécollectie, Den Haag

 

 

 

 

 

 

 

 

De vernieuwende manier waarop Breitner het vrouwelijk naakt in beeld brengt is zonder Degas ondenkbaar. Zij hebben elkaar niet ontmoet, maar Breitner zag zijn werk en trok er lering uit. In de tentoonstelling Rumoer in de stad werd deze invloed ook al getoond (zie elders op deze site). Op zijn beurt gaf Breitner dit weer door aan Isaäc Israëls en Willem de Zwart.
Even terug naar de hyper-sensitieve Van Gogh, die het in Parijs bij zijn broer Theo, iets langer uithield dan Breitner. Over Vincents zielenroerselen in die periode is weinig bekend, want de broers schreven elkaar toen geen brieven. Zijn schilderijen spreken echter voor zich. Geen kunstenaar heeft in slechts een half jaar zo’n grote ontwikkeling doorgemaakt. Dit wordt prachtig geïllustreerd aan de hand van twee schilderijen met Uitzicht uit mijn atelier. Het eerste, direct na aankomst gemaakt is nog gehuld in zilverachtig licht, het tweede vertoont het goudkleurige licht dat kenmerkend is voor Parijs, aldus Jonkman. Daarbij gaat van Gogh, geïnspireerd door Seurat en Signac, over op het gebruik van ongemengde kleuren, die hij in talrijke toetsjes naast elkaar opbrengt.

Vincent van Gogh ,Gezicht vanuit Theo’s appartement, 1887,Van Gogh Museum, Amsterdam

Claude Monet, Vétheuil 1879, Triton Foundation

 

 

 

 

 

 

 Zijn donkere palet klaarde in la ville lumière aanzienlijk op, maar zijn gemoed werd door de vele grootstedelijke prikkels steeds somberder en onrustiger. Februari 1888 vertrekt Van Gogh naar Arles waar in korte tijd een groot aantal kleurrijke werken ontstaat. De rest is historie. In zijn eigen tijd vrijwel onopgemerkt, weet Van Gogh kunstenaars en filmproducenten tot de huidige dag te inspireren. Daarvan getuigen de Jackson Pollock-achtige schilderijen van de Chinese kunstenaar Zeng Fanzhi die nog tot en met 5 maart in het Van Gogh Museum te zien zijn en de recente animatiefilm Loving Vincent, van de Poolse cineaste Dorota Kobiela. Gemaakt als eerbetoon aan de geestelijk gekwelde  schilder van wie zij zelf, lijdend aan een depressie, veel is gaan houden. Vincents schilderijen zijn door een leger van kunstschilders geframed en komen in prachtige gemanipuleerde beelden langs. De opgeklopte verhaallijn (‘whodunnit’) dat Van Gogh vermoord is, moet de kijker voor lief nemen.
Terug naar de Nederlanders in Parijs, waar Kees van Dongen (1877-1968) niet kan ontbreken. Bij hem komen de thema’ssociaal engagement en sensuele vrouwen’ aan bod. Van Dongen voelt zich in Parijs als een vis in het water en verwerft in korte tijd een positie in de Parijse beau monde. In de Art Deco tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum draait een film, waarin we Van Dongen zien in gezelschap van couturier Paul Poiret, de spil van de Haagse tentoonstelling. Boven diens bed hangt een versie van Van Dongens Inquiétude, met twee prachtig gestroomlijnde roodgloeiend aaneengesmede lichamen. (zie de Art Deco tentoonstelling,op deze site).

Kees van Dongen was een non-conformist; hij begon zijn carrière zelfs als anarchist. Hij wilde geen schilderijen voor de elite maken, maar alleen getekend werk dat voor iedereen bereikbaar was. Wanneer hij echter eenmaal van succes en geldelijk gewin geproefd heeft, laat hij deze instelling varen. Hij gaat schilderen… en hoe!

Zijn kleurrijke door kunstlicht beschenen scènes van het nachtelijke uitgaansleven, konden niet iedereen bekoren. De daarin figurerende arbeidersvrouwen, die slempend de nacht doorbrengen worden door een kunstcriticus wegens de oorlogskleuren op hun gezicht, afkeurend omschreven als ‘Apachemeiden’. Heren en vooral dames uit de upper-class vragen evenwel al snel om geportretteerd te worden. In prachtige kleuren, niet zelden sensueel, brengt hij hen in beeld. De sjieke Comtesse Anna de Noialles met een (goed kijken) ondeugend toetsje en Madame Jasmy, wier portret in de actuele Haagse Art Deco tentoonstelling als steunafbeelding fungeert bij de avondjaponnen van Paul Poiret. Deze dames van stand zette hij een tikkeltje ondeugend neer, maar met het meeste gemak maakte Van Dongen van een ondeugend bartypetje een dame door haar een mooie hoed op te zetten.

Kees van Dongen, Dame met zwarte hoed 1912

Kees van Dongen, Comtesse Anna de Noialles, 1931, Amsterdam Stedelijk Museum

 

 

 

 

 

 

 

 

In deze tentoonstelling vormt Piet Mondriaan het sluitstuk. Het aan zijn naam gekoppelde thema: Kubisme als katalysator: de behoedzame zoektocht naar het universele, geeft aan dat met zijn werk het laatste woord over moderne eigentijdse kunst nog niet is gezegd. Integendeel: Mondriaans figuratief begonnen werk vindt in Parijs een nieuw begin. Even aangeraakt door het kubisme verlaat hij de figuratie geleidelijk aan, op weg naar een nieuw begin; de weg naar volledige abstractie, maar dat is een ander verhaal, waarover ik onlangs onder de titel de Ontdekking van Mondriaan heb beschreven.

Kees van Dongen, Herinnering aan het Russische operaseizoen 1909, National Gallery of Canada, Ottowa

De in Parijs werkzame kunstenaars putten in die jaren ook inspiratie uit theater- en dansvoorstellingen, zoals ‘Cleopatra’ van de Ballets Russes, waarmee ik even terugkom op de genoemde uitzending van Opium. Uit dit ballet, dat als een ‘salade van nationale [Russische] componisten’ getoonzet werd, maakte Mayke Jonkman een toepasselijke muziek keuze: de wonderschone bijdrage van Modest Moessorski.

Tenslotte: zoals de Haagse tentoonstelling Rumoer in de Stad vooral de stedelijke bedrijvigheid in Nederland toonde, zo laat de huidige tentoonstelling zien hoe kunstenaars in Parijs de dynamiek van de Franse hoofdstad in al haar facetten in beeld brachten. De bezoeker ziet de fraai aangelegde boulevards van Haussmann, de kleurrijke parken, impressies van het pittoreske Montmartre en nieuwe uitgaansgelegenheden als de Moulin Rouge en de Moulin de la Galette. Met zo’n 120 eigen schilderijen en bruiklenen uit heel de wereld, biedt het Van Goghmuseum niet alleen een kleurrijk beeld van een voorbije wereld, maar tot en met 7 januari tevens een aanschouwelijk college in de ontwikkeling van de 19e eeuwse schilderkunst. Warm aanbevolen voor de kerstvakantie!

Bibliografie:

Jonkman e.a., Nederlanders in Parijs, tentoonstellingscatalogus Van Goghmuseum, Amsterdam, 2017.

Themanummer Kunstschrift, Een Nederlander in Frankrijk: Jongkind en de anderen, oktober/november 2017.

Link: Nederlanders in Parijs 1789-1914

 

Daubigny, Monet en Van Gogh: Impressies van het Landschap. t/m 29 januari 2017 in het Van Goghmuseum, Amsterdam

 

Van Gogh, tuin van Daubigny
Vincent van Gogh, De tuin van Daubigny, 1890, collection R.Staechlin

Oud nieuws… het verhaal over Van Goghs Tuin van Daubigny geschilderd op een theedoek? Voor wie deze anekdote eerder hoorde misschien wel, maar leuk voor wie het verhaal niet kent. Wanneer Vincent van Gogh, enigszins hersteld van zijn waanzin, in 1890 verhuist om rust te vinden en een nieuwe arts te bezoeken, komt hij terecht in Auvers-sur-Oise.

Van Gogh, De tuin van Daubigny,1890, Van Gogh Museum Amsterdam
Van Gogh, De tuin van Daubigny,1890, Van Gogh Museum Amsterdam

Het dorp waar Charles Daubigny in 1878 was overleden. Daar klopt hij aan bij Daubigny’s weduwe met de vraag of hij de tuin mag zien. Wanneer hij een aanvechting krijgt om de rijkelijk bloeiende tuin te schilderen legt hij de kleurenpracht -bij gebrek aan schilderslinnen- vast op de vierkante theedoek die mevrouw Daubigny hem geeft. Dit werk hangt bij de laatste schilderijen van zijn hand in de bovenzaal van de expositie, nabij een ander doek van Daubigny’s tuin.

Driehoeksverhouding

Er is altijd wel een tentoonstelling te bedenken waarin Monet, in relatie tot een andere kunstenaar van naam, gepresenteerd kan worden. In Tate Britain zag ik in 2005 de tentoonstelling Turner, Whistler, Monet, met voorbeelden van wederzijdse beïnvloeding. Nu doet Monet weer mee in de tentoonstelling Daubigny, Monet, Van Gogh gepresenteerd als een nimmer bedoelde driehoeksverhouding. Hun werk wordt in een ‘tegelijkertijd terughoudende en aanwezige’ setting door Studio Berry Slik  gepresenteerd. De inrichting is aangevuld met groot geprojecteerde filmbeelden van land, water en lucht; de elementen van het landschap. Directeur Axel Rügen licht toe: het beleid van ons museum is niet alleen Vincent Van Gogh te tonen, maar ook zijn voorlopers, tijdgenoten en navolgers. Hij noemt het een prettige bijkomstigheid dat ‘ons andere museum’, Museum Mesdag, de grootste verzameling werken van Daubigny bezit.

In de tentoonstelling wordt Daubigny’s vernieuwende invloed op Claude Monet en Vincent Van Gogh belicht en aanschouwelijk gemaakt door hun werken naast elkaar te presenteren. Behalve van Daubigny’s invloed op Monet was ook sprake van wisselwerking tussen beide. Bij sommige werken vraag je je zelfs af: wie beïnvloedde nou wie?

Daubigny, appelbloesem
Daubigny, Appelbloesems, 1873, The Metropolitan Museum of Art, New York

In de laatste expositiezaal komt Van Gogh in beeld. Hij koesterde een levenslange fascinatie voor het werk van Daubigny, waarmee hij als jongeman in dienst van kunsthandel Goupil, al kennis had gemaakt. Toen Van Gogh besloten had om schilder te worden schreef hij aan zijn broer Theo dat hij geïnspireerd werd door Daubigny ’Ik zag een Daubigny in de bloeiende boom’. In de expositie hangen ze bij elkaar: een realistisch vorm gegeven traditionele bloeiende boom van Daubigny, Appelbloesems uit 1873 en een van de doeken met bloeiende bomen van Van Gogh, de Witte boomgaard uit 1888.

Van Gogh, boomgaard
Vincent van Gogh, de witte boomgaard, 1888, Van Gogh museum, Amsterdam

De boomgaard waarin Van Gogh later inzoomde op de Bloesemboom, geschilderd voor Theo bij de geboorte van diens zoontje Vincent Willem. Bij deze bloesembomen hangt ook, als traîte-d’union, een doek met bloeiende fruitbomen, Lente, van Monet uit 1873,  dat wel in een heel ander perspectief geschilderd is dan de appelbloesems van Daubigny. Het is alsof je zo die zonnige boomgaard zo

Monet, Lente, spring, printemps
Claude Monet, Lente (fruitbomen in bloei), 1873 The metropolitan Museum of Art, New York

kunt binnenstappen. Met enig
inlevingsvermogen ruik je zelfs de zoete bloesemgeur; l’air du (prin)temps!

Trouwens, ook Camille Pissarro liet zich door Daubigny’s inspireren met zijn Bloeiende Boomgaard in Louveciennes.

 

 

In deze zaal hangen drie schilderijen met klaprozen. Daubigny’s Velden in juni, 1874;  Claude Monets Veld met Klaprozen uit 1881 en Vincent van Goghs gelijknamige versie, uit 1890.

Daubigny, velden, Juni
Daubigny, Velden in Juni, 1874, Herbert F. Johnson Museum of Art, Ithaca

Monet, klaprozen
Claude Monet, Veld met klaprozen, 1881, Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam

 

 

Gogh, klaprozen
Vincent van Gogh, veld met klaprozen, auvers sur Oise, 1890, Gem. Museum den Haag, Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed

 

 

 

 

Hier is hun uiteenlopende benadering van hetzelfde onderwerp goed te zien. De eerste geeft een tamelijk glad gepenseelde impressie van werkers die nog tot laat in het veld staan; de zon zakt al weg achter de wolken en er tekent zich een maansikkeltje af. De tweede is een impressionistische scène op klaarlichte dag, waarin de horizon iets hoger ligt. Daarnaast het veld met dynamisch weergegeven klaprozen van Van Gogh, waar we middenin staan. In de achtergrond een dorpje en boven een bomenrij een stukje zinderende lucht, dat hier nog minder dan een derde van het doek inneemt.

Daubigny, ondergaande zon, Villerville
Daubigny, Ondergaande zon bij Villerville, c. 1876, De Mesdag Collectie, den Haag

In dezelfde ruimte bevinden zich enkele zonsondergangen die Daubigny, vanuit hetzelfde standpunt, in de loop van de jaren ’70 schilderde. De verschillen zijn miniem. Twee versies van Ondergaande zon bij Villerville – waarvan er een gebruikt wordt als het  posterbeeld van de tentoonstelling –  worden vergeleken met een ondergaande zon van Monet.

 

Turner, Calais, low water,collecting bate
Turner, Calais sands at low water poissards collecting bait, 1832, Bury Art Museum, Bury Greater Manchester

De Ondergaande zon bij Villerville met de twee wandelende figuurtjes, doet mij eerder denken aan William Mallord Turner’s Calais sands at low water poissards collecting Bait uit 1830, dat hij zeker gezien moet hebben. Ook Daubigny’s Strand bij eb uit 1876 , wijst in in dezelfde richting, maar de onmiskenbare invloed van de revolutionaire Brit wordt niet genoemd.

Monet, soleil couchant, zonsondergang
Claude Monet Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt, wintereffect, 1880. Musée des Beaux-Arts de la Ville de Paris, Petit Palais.

Ze worden, als gezegd, vergeleken met een werk van Claude Monet, Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt, uit 1880, als substituut voor diens veel bekendere Impression Soleil Levant dat de tentoonstellingsmakers in verband met de naam impressionisten die daarvan is afgeleid, liever, hadden getoond, maar dat het Musée Marmottan Paris niet mag verlaten.

Monet Impression soleil levante
Monet, Impression soleil levante, Musee Marmottan Monet, Paris

Gevraagd naar de titel van het naamloze werk dat Monet had ingezonden op de Salon des Refusé’s van 1873 antwoordde Monet: noem het maar Impression Soleil Levant, waarmee de (scheld)-naam van een nieuwe stroming was geboren: de impressionisten. De criticus die dit schreef bedoelde het beslist niet als compliment!

 

De tentoonstelling eindigt met impressies van het landschap rond Auvers-sur-Oise, waar Vincent van Gogh zich op 27 juli 1890 het fatale schot toebracht. Werken met boerderijen en korenvelden illustreren deze laatste periode van Van Goghs arbeidzame leven. Voor meer informatie over Vincent van Gogh, zie mijn bijdrage op dit blog.

Na-Aper
Kent u de atelierboot van Monet? Het drijvende atelier waarmee hij vanaf de jaren ‘60 prachtige impressies van het omringende landschap schilderde.

Monet, atelierboot
Claude Monet, De atelierboot, 1874, Museum Kroller Muller, Otterlo

Het bestaan van Monets schilderboot is diep verankerd in het collectieve geheugen van kunstliefhebbers, maar wist u dat Charles-Francois Daubigny al eerder op dit idee kwam? Verknocht aan water was hij met zijn atelierboot Le Botin vaak op de Franse rivieren te vinden. Aan boord werkte hij niet alleen, maar hij gebruikte daar ook de maaltijd, die getuige een ets uit Middagmaal op de boot niet uit een simpele baguette met brie bestond!
Zo rustig als het oogt in de prent, was het overigens lang niet altijd. Wanneer een stoomboot langs komt gaat het bootje  flink heen en weer!

Daubigny, ets, middagmaal, boot
Daubigny, Middagmaal op de boot (uit Reis met de boot), 1862, Bibliotheque nationale de France, Parijs

Daubigny, stoomboten, ets,
Daubigny, Kijk uit voor de stoomboten (Reis met de boot) 1862, ets, Bibliotheque nationale de France, Parijs

 

 

 

 

 

 

Daubigny, atelierboot
Daubigny, de Atelierboot, 1862, Rijksmuseum, Amsterdam

In de expositie zijn niet alleen prenten van de boot te zien, maar de atelierboot van Daubigny is, compleet met schilder attributen, in replica aanwezig. Vanaf een bankje ziet de bezoeker een film over het werken vanaf het water. Langs de wand van deze zaal hangen prenten met landschappen gemaakt vanaf de boot. Op zoek naar nieuwe gezichtspunten werd ‘Le Botin’ door een sleepboot verplaatst of als trekschuit voortgetrokken, zoals wanneer je  goed kijkt te zien is in het schilderij Jaagpad aan de oevers van de Oise, ca. 1875.

Daubigny, jaagpad, oise
Daubigny, Jaagpad aan de oevers van de Oise, ca. 1875, De Mesdag collectie, Den Haag

Op een grote rivierenkaart zijn de plekken gemarkeerd waar Daubigny met zijn boot gewerkt heeft. Het landschap  waargenomen vanaf het water leverde verrassende werken op. Het ven van Gylieus uit 1853, leverde hem tijdens de Salon zelfs een medaille opEen soortgelijk landschap mooi gespiegeld in het verstilde Riviergezicht met eenden uit 1859, in National Gallery, waarop je rechts nog net Le Botin kunt zien. 

Daubigny, ven, Gylieu
Daubigny, Het ven van Gylieu, 1853, Cincinnati Art Museum, Cincinnati OH

Daubigny, riviergezicht met eenden, le Botin
Daubigny, Riviergezicht met eenden, (en ‘le Botin’), 1859, The National Gallery, Londen

 

 

 

 

 

Mooi, maar niet iedereen was enthousiast: critici vonden deze werken onvoltooid. Toch vonden Daubigny’s frisse, schetsmatige impressies van het landschap al snel kopers, zelfs tot in Amerika aan toe.

Hoewel het schilderen van onbeduidende stukjes landschap ongebruikelijk was, stonden Daubigny en Monet in hun onderwerpkeuze niet alleen. Steeds meer kunstenaars stapten af van het academische devies om historiestukken, werken met bijbelse, mythologische of historische onderwerpen, te schilderen. Nu trokken zij er op uit om de natuur ‘en plein air’ vast te leggen. Schilders van de School van Barbizon, zoals Theodore Rousseau, Jean-Baptiste Corot en Johan Barthold Jongkind deden dat sinds 1830 ook al. Het werken in de open lucht werd bevorderd door het gemak van kant-en-klare verf in tubes en de

Daubigny, het vertrek
Daubigny, Het vertrek (uit Reis met de boot), 1862, ets Bibliotheque nationale de France, Parijs

mogelijkheid om sinds de aanleg van de eerste spoorwegen eenvoudiger te reizen. Zie de prent Het vertrek, waarin reizigers de waarschuwing om niet uit de ramen te hangen negerend, de ouderwetse vervoermiddelen over water lijken uit te wuiven ! Daubigny, Monet en Van Gogh trokken er ook op uit om buiten te werken. Ondanks dat de gezaghebbende 19e eeuwse kunstcriticus Theophile Gautier de landelijke impressies van Daubigny ruw en onvoltooid vond werden zijn verrichtingen met veel belangstelling gevolgd door de impressionisten Pissarro en Sisley, van wie eveneens werk te zien is. Daubigny wordt als de pionier van de impressionisten gezien. In diezelfde periode was in Nederland ook een kunstenaar werkzaam die verzot was op water: Hendrik Willem Mesdag. Dankzij diens enthousiasme voor Daubigny bezit Museum Mesdag nu een grote collectie werk van deze kunstenaar.
Het is bijzonder dat ook Van Gogh, als tijdgenoot en daarom nog niet vanuit ons perspectief, in Daubigny, al het ‘begin der groote revolutie in de kunst’ zag, zoals hij schrijft aan zijn broer Theo. Dat geldt niet alleen voor de reeds genoemde bloesembomen en klaprozen, maar ook voor Daubigny’s monochrome landschap onder een zwaar bewolkte lucht in Maaiers, waarvan we in Vincents Korenveld onder onweerslucht uit 1890, een echo zien. Hij waardeerde Daubigny omdat deze niet alleen met zijn oog, maar ook met zijn hart schilderde, en daarmee emotie wist over te brengen; ook Vincent Van Gogh’s drijfveer.

Korenveld onder onweerslucht, 1890
Vincent van Gogh, korenveld onder onweerslucht, 1890, Van Gogh Museum , Amsterdam

Daubigny, de maaiers
Daubigny, De maaiers, ongedateerd, Museum Gouda

Vroeg werk
De tentoonstelling laat voorbeelden zien van Daubigny’s vroege stijl met academische historiestukken en Italiaanse landschapjes op klein formaat, die wortelen in de classicistische landschapstraditie. Zoals De Kruising bij le Nid de l’Aigle, bos van Fontainebleau, 1843. Ook zien we verwantschap met 17e eeuwse meesters als Philips de Konink en Ruysdael van wie Daubigny de befaamde dreigende wolkenluchten overnam. De 17e eeuwse inspiratiebron voor zijn Veerboot bij Bonnieres-sur-Seine uit 1861 DIA blz. 84 laat zich gemakkelijk raden. Voor wie dit niet meteen paraat heeft, denk aan Het Ponteveer door Esaias van de Velde, uit het Rijksmuseum.

Daubigny, veerboot, Bonnieres
Daubigny, Veerboot bij Bonnieres, 1864, Museum der bildenden Kunste, Leipzig

Vooruitlopend op mijn latere opmerkingen over wisselwerking tussen deze kunstenaars, komen we hetzelfde onderwerp, een veerboot, eveneens tegen in Pissarro’s De Marne bij Chennevières uit 1864-65.
Daubigny’s vroege dramatisch belichte Italianiserende landschappen, als Landschap bij Crémieu, van ca. 1849, zijn veeleer idyllisch dan realistisch van sfeer. Gaandeweg wordt  Daubigny’s toets losser en hij gaat experimenteren met kleur en verf, dat hij, zoals Rembrandt, bewerkt met zijn paletmes. Mooi te zien in zijn Rotsen bij Villerville (1864-72)  dat beschouwd wordt zijn eerste (deels) en plein air geschilderde werk. De in de verf zichtbare sporen van een paletmes worden toegeschreven aan een aanvaring met de hoorns van een rund!

Daubigny, rotsen, Villerville
Daubigny, rotsen bij Villerville, 1864-1872, De Mesdag collectie, den Haag

Deze vernieuwende schilder, was ook een kind van zijn tijd. Hij was werkzaam als restaurateur in het Louvre en hij was lid van de jury van het gevestigde instituut de Salon. Dit was niet onbelangrijk, want in die functie kon hij in 1868 een goed woordje voor de impressionisten doen!

 

Wisselwerking
Sinds de jaren ’70 wordt zelfs een wisselwerking zichtbaar tussen de impressionisten en Daubigny. Hij hanteert, onder invloed van Monet, een lichter palet in vluchtige natuur impressies. Zoals we konden zien in zijn Ondergaande zon bij Villerville, uit 1874 en Monets Zonsondergang op de Seine bij Lavacourt, 1880. Niet alleen Monet, maar ook Pisarro raakt onder de indruk van Daubigny. Zij hebben contact met elkaar in Londen , waar zij wegens het uitbreken van de Frans-Pruisische oorlog in 1870 als refugiés verbleven. Zakelijk ontmoetten zij elkaar ook bij de toonaangevende kunsthandelaar Durand Ruel. Op de paarse wanden zijn de werken uit de Londense periode tentoongesteld. Op de aangrenzende wand krijgt de bezoeker een impressie van de Hollandse werken.

Daubigny, molens, Dordrecht
Daubigny,Molens bij Dordrecht, Salon van 1872, Detroit Institute of Ar

Monet, molens, zaandam
Claude Monet, Molens bij Zaandam,1871, Ashmolean Museum, Oxford

 

 

 

 

 

Daubigny en Monet reisden na Londen namelijk gezamenlijk naar Holland. Waar water en molens op het programma stonden. In deze zaal hangt Daubigny’s Molens bij Dordrecht uit 1872, gedaan in een Rembrandtesk palet van bruintonen, dat weer opgepikt werd door Van Gogh in zijn Brabantse fase en Monets Molen bij Zaandam, uit 1871. Hetzelfde onderwerp, maar wat een verschil in uitvoering!

Vergelijk tenslotte ook Monets Pointe de la Heve, dat hij in navolging van Daubigny aan het strand van St. Adresse schilderde, met Daubigny’s Rotsen bij Villerville, 1864-72. Behalve deze geschilderde landschappen worden in het prentenkabinet van het museum schetsen en tekeningen getoond die het drietal in de open lucht hebben gemaakt.

Perspectiefwisseling
Anders dan Van Gogh was Daubigny tijdens zijn leven al succesvol; terwijl Vincent tijdens zijn leven maar een enkel werk verkocht. Maatschappelijk gezien was Daubigny, anders dan Van Gogh, ook gearriveerd. Hij had vrouw en kinderen, waarvan Vincent, die voortdurend blauwtjes liep, alleen maar van kon dromen. Dat brave leventje van Daubigny levert echter geen boeiend scenario voor een film, terwijl het leven van Vincent van Gogh haast niet te filmen is!

Over Daubigny’s leven en werk is tot heden slechts een inmiddels verouderde biografie geschreven. Terwijl het aantal publicaties over Van Gogh, thans de beroemdste 19e eeuwse schilder, ontelbaar zijn. Deze week werd weer een, zij het dubieus, exemplaar over de vondst van een onbekend schetsboek, aan de rij toegevoegd. Daubigny, die in deze tentoonstelling een prominente rol speelt, is lang in de vergetelheid geweest. Hoe dat komt? Conservator Maite van Dijk meent dat Daubigny na zijn dood in 1878 ondergesneeuwd is door het succes van de impressionisten. Veel van zijn werk was bovendien in Europa uit beeld geraakt, want verkocht aan Amerikanen.

Conclusie

Het was in Daubigny’s tijd, waarin de academische stijl nog bon ton was, ongebruikelijk om doodgewone landelijke onderwerpen te schilderen. Een bloeiende fruitboom of het binnenhalen van de oogst als autonoom onderwerp en dan ook nog met schetsmatige, vlotte toets neergezet was ondenkbaar! Critici hadden er aanvankelijk geen goed woord voor over, maar voorstanders en kunstbroeders als Monet en Pissarro zagen in hem een voorbeeld. Vincent van Gogh waardeerde Daubigny’s stijl en onderwerpkeuze omdat hij niet alleen met het oog, maar ook met het hart schilderde! In Daubigny’s losse schilderwijze  zouden de impressionisten Monet en Pissarro en later Vincent van Gogh zich, zoals we bij de bloesembomen en klaprozen zagen, helemaal uitleven !

De vrije penseelvoering van Daubigny leidt bij Van Gogh tot navolging met een kleurrijke expressieve manier van schilderen, zoals te zien in zijn laatste werken waarin korenvelden, onder dreigende luchten.

Link: Van Gogh Museum

Link: het schetsboek van Van Gogh

 

 

 

 

Lichte Zeden in het Van Gogh Museum Amsterdam t/m 19 Juni 2016

Lichte Zeden; prostitutie in de Franse kunst 1850-1910.

Bed, na 1860, Ville de Neuilly-sur-Seine. Vermoedelijk afkomstig uit bordeel

19e eeuws bed, na 1860, beschilderd, verguld en bewerkt hout. Ville de Neuilly-sur-Seine. Foto Jan-Kees Steenman.

‘Alles wat u ooit wilde weten over (betaalde) liefde in de 19e eeuw, maar nooit durfde te vragen’.. U ziet het in de tentoonstelling Lichte Zeden: t/m 19 juni in het Van Gogh Museum.

Conservator Nienke Bakker stuitte in haar bestudering van de brieven van Vincent van Gogh nogal eens op passages, waarin hij vertelt over zijn regelmatige bordeelbezoek. Om in balans te blijven minstens eenmaal per 14 dagen voor maar 3 Francs.

Wat moest een ongetrouwd man in die dagen anders ?

Dit vormde het uitgangspunt voor deze tentoonstelling die in samenwerking met het Musée d’Orsay tot stand is gekomen en daar al te zien is geweest onder de titel Splendeurs et Misères.

 Noodzakelijk kwaad

Prostitutie werd in de tweede helft van de 19e en vroege 20e eeuw gezien als een maatschappelijk geaccepteerd noodzakelijk kwaad.

Officieel alleen toegestaan achter de gesloten deuren van maisons closes. Pas als de gaslantaarns aangingen mochten de dames ook de straat op…

De overheid zorgde voor medische controles, maar afgaande op brieven, romans en dagboekfragmenten over kunstenaars in die dagen, haalden die niet veel uit. Syfilis was wijd verspreid en genezing was nog niet mogelijk. Foto’s van hoertjes met een door deze ziekte geschonden aangezicht zijn in de tentoonstelling te zien. In het Utrechtse Universiteitsmuseum staat een vrouwenkopje op sterk water met sporen van deze vernietigende ziekte: de neus is afgevallen…

De tentoonstelling geeft antwoord op vele vragen: sleutelwoorden daarbij zijn: lust, en -met een anachronisme- glitter, leed en… misère !

De eerste zaal toont schilderijen van mooie dames, die hun ware aard op het eerste gezicht niet prijsgeven. Een gesoigneerd vrouwtje dat haar hond uitlaat, door Ernest Ange Duez en een chique ogende dame aan wie een heer op straat de weg vraagt of gaat het over iets anders ?

Jean Béraud, het voorstel of de afspraak in de rue Chateaubriand, 1885
Jean Béraud, het voorstel of de afspraak in de rue Chateaubriand, 1885

Het moderne leven

Het weergeven van straatmadelieven, nachtvlinders en meisjes van plezier werd in de tweede helft van de 19e eeuw een ware rage bij de avant-garde kunstenaars in Parijs.

Zij wilden, anders dan de Académie destijds voorschreef, geen historiestukken meer schilderen met verheven thema’s ontleend aan de geschiedenis, de mythologie of de bijbel, neergezet in mooi in elkaar overvloeiende harmonieuze, gemengde tinten. Zij verzetten zich niet alleen tegen de gevestigde onderwerpkeuze, maar ook tegen de gelikte academische stijl. Daartoe aangespoord door Baudelaire, die meende dat kunst het moderne leven moest weergeven, verkozen zij thema’s uit het dagelijkse leven en uit hèt leven. Schaars- of niet geklede modellen; dat was nog wel conform de academische praktijk, maar de manier waarop was totaal anders. In een palet van felle, contrasterende ongemengde kleuren (conform ideeën over de moderne kleurenleer) gaven Frantisek Kupka, André Dérain, Jan Sluijters en Kees van Dongen hun modellen weer. Model of prostituee; het was vaak een synoniem.

Love-boat

In de tentoonstellingszalen wordt de wereld van de lichte zeden in ca. 150 objecten getoond; schilderijen, prenten, curieuze documenten en pornografisch fotomateriaal.

Een sponde als een slagschip, met omgewoelde lakens vormt de blikvanger in de eerste zaal. Een idyllische schildering van Leda en de Zwaan boven het hoofdeinde en goud vergulde musicerende cupido’s als vrolijke wachters op de hoeken; de love-boat van een top-courtisane. Het luttele bedrag van 3 Francs dat Vincent van Gogh als liggeld betaalde, zal hier niet hebben volstaan …

 

Carolus Dural, portret van Julia Tahl, 1876,Petit Palais,Musée de Beaux-Arts de la Ville de Paris
Carolus Dural, portret van Julia Tahl, 1876, Petit Palais, Musée de Beaux-Arts de la Ville de Paris

Zweepje

Pracht en praal van courtisanes wordt ook geïllustreerd met portretten van Julia Tahl door Carolus-Duran en een foto van La Païva. Deze dochter van een arme Joodse emigrant, had zich via contacten met hoge heren weten op te werken tot een succesvolle courtisane.

Na gedane arbeid onthaalde zij haar cliënten en gasten op extravagante feesten in haar prachtige huis aan de Champs Elysées. Schrijvers als Gustave Flaubert en Emile Zola waren hier ook te vinden.

In een van de vitrines ligt het zweepje van haar eveneens beroemde collega Valtesse de la Bigne, als stille getuige van martelgenot. In dit segment van de branche was het leven minder beroerd dan in de gewone bordelen. Over dat top-segment deed de inmiddels 72-jarige Xaviera Hollander, die in 1971 de bestseller de Happy Hooker publiceerde, onlangs in de NRC opnieuw een boekje open… ….

Olympia

Naar Edouard Manets, destijds als zeer obsceen gerecenseerde Olympia, uit 1863 en zijn lieflijke Nana zult u hier tevergeefs zoeken. Het in bruikleen vragen van deze doeken zou een even grote faux-pas zijn het verzoek om de Nachtwacht door het Musée d’Orsay !

Wat in het Van Goghmuseum wel te zien is zal uw nieuwsgierigheid zeker bevredigen. Topstukken van ervaringsdeskundigen als Edgar Dégas, Henri de Toulouse-Lautrec, Pablo Picasso, Kees van Dongen, Frantisek Kupka, Vincent van Gogh, e.a. vullen de thematisch ingedeelde tentoonstellingszalen, beginnend met de reeds besproken werken onder de noemer Onzekerheid en dubbel-zinnigheid: is ze er nou een of niet ?

Onder de noemer Pracht en Praal passeren de sterren van de haute prostitution de revue, daarna doen we bij het thema In het bordeel: van afwachten tot verleiden een stapje terug op de maatschappelijke ladder. De branche kende luxe- en werkpaardjes…

Hier ontmoeten we niet alleen de gevallen vrouwen en meisjes van (twijfelachtig) plezier, maar ook slecht betaalde bloemen- en winkelmeisjes die om den brode tot prostitutie gedwongen waren.

Het leven van alledag achter de huis clos van de bordelen… Het tot vervelens toe wachten, was- en kleedscènes inspireerde Henri de Toulouse L’Autrec, Vincent van Gogh e.a. tot talloze creaties, zoals Forains, De klant uit 1878 en het aandoenlijke doek van Edvard Munch, Kerstmis in het bordeel.

Edward Munch, kerstmis in het bordeel, 1903-1904
Edward Munch, kerstmis in het bordeel, 1903-1904

Hier dragen de meeste dames al een minder vrolijke gelaatsuitdrukking, zoals in Picasso’s Melancholie en de Absintdrinkster van Edgar Dégas. Op een werk van Béraud staan balletdanseresjes, die in de coulissen opgewacht worden door besnorde oudere ‘heren van stand’.

Edgar Dégas behoorde qua financiële status ook tot die categorie. Na zijn dood kwam een geheime erfenis boven water. Een reeks erotische monotypen van prostituees. Deze worden nu, samen met een nieuwe aanwinst van zijn hand, Het toilet, lezen na het bad, getoond in een speciaal met pikanterieën ingericht hoekje. In nog zo’n hoekje zijn de vroegst bewaarde onzedelijke fotografische beelden te zien; met ware hoogstandjes van pornografische groeps-acrobatiek !

Onder de noemer Uitspattingen in kleur en vorm ontmoeten we schaars of niet geklede dames van o.a. André Dérain, Jan Sluiters, expressieve, grootogige blote dames van Kees van Dongen en Franticek Kupka’s Meisje van Gallien, het posterbeeld van de tentoonstelling.

Op de vraag hoe aan klandizie te komen wanneer de meisjes van jouw etablissement alleen achter gesloten deuren te vinden zijn hadden de hoerenmadams en pooiers wat gevonden. Bij de zojuist geopende spoorwegstations kregen mannelijke reizigers door loopjongens iets in de hand gedrukt; een muntje te verzilveren in een van de huizen van plezier !

De branche kende nog geen beroepsvereniging als de tegenwoordige Rode Draad (wie kent nog de Bijbelse herkomst van deze naam ?), maar er waren wèl wetten en reglementen.

In de expositie ligt een bizar politiedossier met beschrijvingen en portretten van dames van lichte zeden. Je vraagt je af of dit boekwerk uitsluitend de zaak van de goede zeden diende of als catalogus ook het plezier van de dienaren van de Hermandad …

Een schilderij van Jean Béraud toont een droefgeestige ruimte waar gearresteerde zieke prostituées, onder supervisie van enkele nonnen worden vastgehouden. Soms mooi, boeiend, maar vaak ook droefgeestig zijn de getoonde werken, die ons 21e eeuwse voyeurs, een openhartig inkijkje geven in de wereld van de prostitutie en de spelers op dit intrigerende toneel, de door ons nog altijd bejubelde kunstenaars van de Parijse avant-garde.

Literatuur:

R. Thomson e.a., Lichte Zeden: prostitutie in de Franse kunst 1850-1910, tentoonstellingscatalogus van Gogh Museum Amsterdam, 2016.

Tentoonstelling Lichte Zeden, van Gogh Museum