Wonen in de Amsterdamse School (1910-1930); tentoonstelling Stedelijk Amsterdam, t/m 28 augustus 2016.

hetschip_amsterdamse school
Michel de Klerk, Het Schip, in 1919 gebouwd als arbeiderspaleis voor Woningbouwvereniging Eigen Haard. Thans Amsterdamse School Museum

‘De Amsterdamse School’, wie kent de term niet ? In 1916 werd deze geïntroduceerd door architect Jan Gratama in zijn bespreking van het zojuist geopende Scheepvaarthuis. Rijdend door Amsterdam zie je golvende baksteengevels, mooi rond gemetselde hoekoplossingen, decoratief metselwerk met gebeeldhouwde details bijvoorbeeld langs de Holendrechtstraat in de Rivierenbuurt en het Spaarndammerplantsoen. Deze stroming in de architectuur met ontwerpen van Michel de Klerk, J.P. Oud en anderen, wordt toegelicht in het door Michel de Klerk in 1919 gebouwde wereldberoemde ‘arbeiderspaleis’, thans Museum het Schip, dè apotheose van de architectuur volgens de Amsterdamse School.

De komende maanden kan vanaf deze plek worden ingescheept voor een bustocht langs de ‘highlights’ van deze stroming in de architectuur van de jaren ’20 – ’30 van de vorige eeuw, waarbij de focus ligt op het exterieur van de gebouwen.

Sinds 10 april worden ook de resultaten van 10 jaar onderzoek naar het interieur van de Amsterdamse School in het Stedelijk getoond. Anders dan vaak wordt gedacht hoort Berlage er niet meer bij. De architecten van de Amsterdamse School zetten zich zelfs tegen hem af, maar wie goed kijkt ziet dat zij bepaalde stijlelementen toch overnamen. De Amsterdamse School, populair tijdens het tweede kwart van de vorige eeuw, raakte na de Tweede Wereldoorlog uit de gratie, toen de rationele vormentaal van de Stijl en het Bauhaus meer gewaardeerd raakte. Sinds de jaren ‘70 kwam er, aanvankelijk in de VS en Italië, weer waardering voor de architectuur van de Amsterdamse School, waarvan invloed te zien is in eigentijdse ontwerpen van o.a. Liesbeth van der Pol. De bakstenen façade met golvende lijn van een flatgebouw aan het Meerhuizenplein (2002) lijkt geïnspireerd op S.J. Bouma’s gebouw voor Gemeentewerken in Groningen uit 1928.

In de jaren ‘90 volgde ook herwaardering van de binnenhuis architectuur. De tentoonstelling in het Stedelijk legt zich hierop toe met een verrassende veelheid aan ontwerpen van meubelen, lampen, tapijten, accessoires, glas-in-loodramen en …. klokken, heel veel klokken ! Deze zijn in wel 200 verschillende ontwerpen door o.a. Hildo Krop, in de eerste zaal op een piramide tentoongesteld !

02.SM-AMSTERDAMSE SCHOOL 2016-PH.GJ.vanROOIJ
Hildo Krop, klokken in soorten en maten, ca. 1909 e.v. jaren

Pendules die ons terugbrengen in de huiskamers van onze grootmoeders. Herkenning ook bij het zien van de loodzware fauteuils en eetkamerstoelen, die hoe fraai ook, in onze door welvaartziekten als RSI en lage rugpijn geteisterde tijdperk, absoluut niet meer kunnen. Maar fraai zijn deze creaties wel, zoals het interieur van een damesstudeerkamer-ameublement in mahonie en leer uit 1924, ontworpen door Jacques van den Bosch.

03_dames studeerkamer ameublement
Jacq. van den Bosch, Dames studeerkamer-ameublement, 1924. Collectie Grand Hotel Amrâth, Amsterdam

De honderden klokken die na een oproep aangemeld werden, plaatsten de tentoonstellingsmakers even voor ‘n vraagstuk, waarop het antwoord snel werd gevonden. Op 1 mei 1909 werd namelijk de nationale tijd ingevoerd, noodzakelijk voor het spoorboekje bij de ingebruikstelling van de spoorwegen. Voor ons wereldreizigers gewend aan mondiale tijdsverschillen is het nauwelijks voorstelbaar dat de tijd in Nederland toen, naarmate je verder oostwaarts reisde ook verschilde met die in het westen des lands. Je kreeg er geen jet-lag van, maar lastig was het wel.

De talrijke topstukken in de tentoonstelling, grotendeels afkomstig uit particulier bezit, zijn niet afkomstig uit de voornoemde woningen. De architecten van de Amsterdamse School, die van de gemeente opdracht kregen voor sociale woningbouw, mochten zich niet bezighouden met de indeling van de woningen, laat staan met de binnenhuis- architectuur. Wat we in het Stedelijk zien was niet bedoeld voor de eenvoudige binnenkamers van de arbeiders en kleine luiden. Deze ontwerpen sierden aanvankelijk de interieurs van de vrienden en familie van de ontwerpers en later ook kantoren. Veel kunstenaars waren in die tijd bezig met de kleurenleer beschreven door Goethe e.a. Dit is niet alleen in de schilderijen van bijvoorbeeld Van Gogh en Sluyters te zien, maar ook in de binnenhuis ontwerpen van de Amsterdamse School. De meubelen soms voorzien van gebeeldhouwde delen zijn gemaakt van mooie materialen en in uitbundige kleurstellingen uitgevoerd. Ook de veelkleurige tapijten, klokken, de decoratieve glas-in-lood ramen en lampen weerspiegelen deze fascinatie met kleur.

04_indische oceaan
H. van den Eijnde & H. Krop, Entree Scheepvaarthuis met beeldhouw-werk: ‘Indische Oceaan, 1914-15.

Een machtig monument van de Amsterdams School is het Scheepvaarthuis, dat 100 jaar geleden aan de Prins Hendrikkade werd geopend en aanleiding vormt voor de tentoonstelling in het Stedelijk. Joan Melchior van der Meij kreeg in 1912 de opdracht, die hij samen met collega’s Michel de Klerk en Piet Kramer van het architectenbureau Eduard Cuypers -wat de hang naar decoratie verklaart- realiseerde. Het interieur van het Amsterdamse Scheepvaarthuis, thans Grand hotel Amrâth is als Gesamtkunstwerk ontworpen. Meubilair en kasten, kapstokken, wandlampjes en prachtige glas-in-lood ramen door Willem Bogtman en bijbehorende ontwerptekeningen vullen een hele zaal. Onder de rustgevende klanken van Wouter van Bemmels compositie: Italië Tutti nr. 17, is het of de (nationale) tijd hier even heeft stilgestaan en waan je je in de entreehal met het betoverend plafond.

Scheepvaarthuis_lamp_vanderMey
J.M. van der Mey (en/of M. de Klerk) lamp in entreehal van het Scheepvaarthuis, 1914-15. Collectie Grand Hotel Amrâth, Amsterdam.

Een volgende zaal is ingericht met ontwerpen van Hildo Krop (van de klokken) wiens ontwerp van een Faunskop op sokkel uit 1920, in blow-up is afgebeeld op de linker zijwand.  Hier staan salonmeubelen, bekleed met pluche uit Huize de Geer en een salon-ameublement met bijpassend vloerkleed ontworpen voor de familie Polak-Krop. En nog meer loodzware fauteuils met stoelpoten als de glijders van een arrenslee, ontworpen door Michel de Klerk.

bank sledepoten_Michel de Klerk_Ameublement
Michel de Klerk, ameublement + tapijt voor familie Polak-Krop, 1917. Collectie Gemeentemuseum, Den Haag

In deze zaal trok een plafonnière voor het Haarlems postkantoor mijn aandacht. In al haar schoonheid bijna te mooi voor een postkantoor. Daarover schrijvend viel mij een sketchje van Wim Sonneveld te binnen: de man aan het loket, die, had hij in dit postkantoor gestaan, vast minder boos zou zijn geworden. Weliswaar gedateerd, maar bezien in de historische context nog altijd grappig.

reygersnest
P. Vorkink en Jac. Ph. Wormser, Villa het Reygersnest, 1926, Oostvoorne

Ronduit idyllisch is het rietgedekte, sprookjesachtige Reygersnest, vakantiehuis van de familie Hudig. Exterieur en interieur als geheel, ontworpen door P. Vorkink en Jac. Ph. Wormser, 1926.

Een historisch zwart-wit filmpje geeft een gelukkige impressie van spelende kinderen op het gazon en gezellig cautende volwassenen op het terras, daarboven deint vrolijk een vlieger op de wind. De vrouw des huizes zittend op het terrasmuurtje laat -zoals de Prediker toen nog kon dicteren- haar hand niet rusten en is bezig met een nuttig handwerkje. Dan komt er kleur in de film. Een eigentijdse camera (bevestigd aan een drone) geeft in vogelvluchtperspectief een kijkje op de omgeving. Vlak achter de door bomen omzoomde lieflijke villa doemt de Maasvlakte met uitstoot van haar zware industrie op !

Naast de uitbundige art-deco-achtige interieur-ontwerpen (de Amsterdamse school is de Nederlandse variant van de Art Nouveau) kent de Amsterdamse school een strakkere geometrische variant, met een meer architectonisch lijnenspel.  Dit grafische werk met affiches en omslagen van het blad Wendingen; o.a. door Fré Cohen, een van de eerste vrouwelijke ontwerpers, vult een hele zaal. In verschillende kabinetten worden nog meer aspecten van de Amsterdamse School getoond. We zien o.a. het Nederlands Paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1925 in Parijs, waarmee deze stroming in Europa werd verspreid.

Bijzonder interessant is de weerslag van de Amsterdamse School in Nederlands Indië. In het voetspoor van zijn Nederlandse collega’s ontwerpt Liem Bwan Tjie in 1932 een interieur voor de woning van de familie Han Tiauw Tjong  Hij kreeg de opdracht dankzij de hier getoonde eigenhandige aanbevelingsbrief van Michel de Klerk !

AMSTERDAMSE SCHOOL_woning_familie Han Tiauw Tjong
Liem Bwan Tjie, Interieur voor de woning van de familie Han Tiauw Tjong, 1932, Semarang. Collectie Stichting BONAS, Rotterdam.

De Nederlandse ontwerpers namen op hun beurt ook oosterse motieven over, zoals in gebatikte lampenkappen en de expositie toont zelfs een door L. Bogtman ontworpen kast uit 1925 met gebatikt hout. In een ander kabinet zijn we terug in eigen land met de inrichting van de Bijenkorf in Den Haag. Wat een prachtig trappenhuis ontworpen door P.L. Kramer en H.A. van den Eijnde. Een exotisch uitziende hanglamp werd speciaal ontworpen voor de oosterse tapijten-afdeling. Exemplarisch voor het streven naar het ontwerpen van een Gesamtkunstwerk is het door H.L. de Jong ontworpen bioscooptheater Tuschinski (1919-1921). Niet alleen mooi aan de buitenkant, maar evenzeer betoverend van binnen !

Tuschinski_Lamp_amsterdamse school
P. den Besten, Wandschildering & Chr. Bartels wandlamp theaterbioscoop Tuschinsky, Amsterdam, 1921.

Er is een werkplaats waarin historische gereedschappen en materialen worden getoond, ter illustratie van het ideaal van ambachtelijkheid, waarmee door de (binnenhuis)architecten van de Amsterdamse School duurzame, mooie gebruiksvoorwerpen werden gecreëerd. Hier kunnen knutselaars van alle leeftijden een kartonnen pendule met een echt uurwerk in elkaar zetten.  Dan volgt een zaal met kleinoden. Ontwerpen voor serviezen, sieraden en bureau-accessoires. Hier is ook een haardscherm van Marie Kuyken te zien. Zij is, met Tine Baanders en Margaret Kropholler, die de huizen aan de Holendrechtstraat ontwierp, een pionierster in het mannendomein van de (binnenhuis)architectuur.

Haardscherm_amsterdamse school_Marie Kuyken
Marie Kuyken, Haardscherm, ca. 1920. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Na een overdadig ingerichte zaal met glas-in-loodramen en lampen die de interieurs van de Amsterdamse School een betoverend glans verleenden, betreedt de bezoeker de laatste sober ingerichte zaal. Hier is te zien waar de rechtlijnige variant van de Amsterdamse School uiteindelijk toe heeft geleid: de rood-blauwe stoel van Gerrit Rietveld en De Stijl. Maar dat is een ander verhaal. Wie daar meer van wil weten kan terecht in permanente expositie Mondriaan en de Stijl in het Haagse Gemeentemuseum.

I. de Roode & M. Groot, Wonen in de Amsterdamse School: Ontwerpen voor het interieur 1910-1930, Stedelijk Museum Amsterdam, 2016.

H. Janssen en M. White, Het verhaal van de Stijl; van Mondriaan tot van Doesburg, Gemeentemuseum den Haag, 2011.

01_hetschip
Museum Het Schip

LogoStedelijk

 

 

‘Gainsborough in his own words’, Rijksmuseum Twenthe t/m 24 juli 2016

‘Gainsborough (1727-1788) in his own words’

thomas_gainsborough_zelfportret_ca._1787_royal_academy_of_art
Thomas Gainsborough, Self Portrait, ca. 1787, Royal Academy of Arts, London

In de tentoonstelling ‘Gainsborough in his own words’ zijn twee portretten te zien van Gainsboroughs echtgenote Margaret, geschilderd met een interval van 27 jaar. Op het eerste uit 1758, zien we een struise, blozende vrouw met mooi zwart haar.

thomas_gainsborough_portrait_of_the_artists_wife_gemalde_galerie_JfkMlJeYHYXzaQUg
Thomas Gainsborough, portret of the artists wife, 1758, Gemälde Galerie, Berlin

Van het tweede doek uit 1785 kijkt een gekwetste, doch trotse vrouw ons aan. Alsof ze zeggen wil ‘nou, en ?!’ Onder haar muts komen inmiddels grijze haren tevoorschijn. Zo te zien zijn de jaren niet vriendelijk voor haar geweest. En dat lijkt te kloppen, volgens Gainsboroughs eigen woorden.

Mrs Thomas Gainsborough, 1785, Gainsborough House, Sudbury c) Gainsborough's House; Supplied by The Public Catalogue Foundation
Mrs Thomas Gainsborough, 1785, Gainsborough House, Sudbury (c) Gainsborough’s House; Supplied by The Public Catalogue Foundation

Je zult door je echtgenoot maar ‘old Marge’ genoemd worden; voortdurend bedrogen- en met soa’s opgezadeld worden en dan elk jaar ook nog lief moeten opzitten voor een portret… Uit bronnen komt Margaret Gainsborough naar voren als een dominante vrouw, wat de zoektocht van manlief naar uithuizige pleziertjes wellicht verklaart.

Het echtpaar had twee dochters Margaret en Mary, ‘his dear girls’. Zij zijn in de tentoonstelling in een nogal merkwaardig portret aanwezig. Merkwaardig niet alleen wegens de opvallende naad die er doorheen loopt (de zusjes werden ooit gescheiden), maar ook qua compositie en uitstraling.

thomas_gainsborough_the_artists_two_daughters_ca_1758_va
Thomas Gainsborough, the artists two daughters, 1758, Victoria and Albert Museum, Londen

Anders dan het in de audiotekst – er is geen catalogus – gesuggereerde liefdevolle gebaar, lijkt de ene zus de ander veeleer bij een pluk haar vast te grijpen, waardoor het kleintje enigszins verschrikt en hulpeloos de blik naar de beschouwer wendt. Hoe zich dit laat rijmen met de beschrijving van wederom Gainsborough zelf, dat de jongste Marge, een bazig typetje was en daarom de captain werd genoemd, en de zachtaardige oudste Mary, bijgenaamd Molly, weet ik niet….

Als dochters van (maar) een schilder en een moeder die als onwettig kind geboren was, waren ze verloren tussen twee werelden en hoorden ze in de toenmalige Engelse society nergens echt bij. Daarom gaf Gainsborough hen teken- en schilderles, opdat zij zich later een goede positie zouden kunnen verwerven. Daar kwam echter niets van. Hun volwassen leven bracht hen weinig geluk. Mary wordt krankzinnig en het huwelijk van Marge met de musicus Johann Christian Fischer, in portret prominent aanwezig op de tentoonstelling, loopt uit op een fiasco.

thomas_gainsborough_johann_christian_fischer_ca._1780_royal_collection_windsor
Thomas Gainsborough, Johann Christian Fisher, ca.1780, Royal Collection, Windsor

Portretten en landschappen

Behalve familieportretten vervaardigde Gainsborough ook beeltenissen van tijdgenoten. Adellijke en hooggeplaatste personen en al of niet bevriende figuren uit de literaire- en theaterwereld van die dagen. Het genre portret werd door de 17e eeuwse kunsttheoreticus Gerard de Lairesse, hoofdrolspeler in de najaar tentoonstelling van het Twents museum, wegens het kopiëren van de natuur smalend afgedaan als een genre voor zwakke geesten. Zijn tijdgenoot Samuel van Hoogstraten omschreef portretschilders als ‘maer gemene soldaten in het veltleger van de konst’. Ook Gainsborough vond het schilderen van portretten ‘rather boring’, en dat is nog zacht uitgedrukt. Hij schreef: ‘I am sick of portraits, and wish very much to take my Viola da Gamba and walk off to some sweet village where I can paint landskips and enjoy the fag end of life in quietness and ease’.. Elders heeft hij het zelfs over de ‘cursed face business’ ! Maar er moest wel brood op de plank komen.

Voor we Gainsboroughs geliefde landschappen bekijken nu eerst een korte rondgang door Gainsboroughs portretgalerij.

800px-David_Garrick_by_Thomas_Gainsborough
Thomas Gainsborough, David Garrick, 1770, National Portrait Gallery, London

David Garrick, de goodlooking acteur met wie Gainsborough in het culturele centrum Bath bevriend was, heeft hij zeker niet met tegenzin geschilderd. Gainsborough hield het werk na voltooiing geruime tijd in zijn atelier om het te kopiëren. Met zijn bruine ogen kijkt Garrick ons vanonder zijn grijs gepoederde pruik vriendelijk aan.  De levendige portretten die Gainsborough vervaardigde van componist Johann Christian Bach (ja, zoon van) en de operazanger Giusto Ferdinand Tenducci lijken evenmin aan verveling ontsproten. Enigszins verveeld was hij wellicht wel bij het portretteren van Sir Edward Turner of de wat afwezig op haar harp tokkelende Louisa, Lady Clarges.

Het directe, aansprekende portret van zijn vriend John Joshua Kirby kan Gainsborough onmogelijk met tegenzin hebben geschilderd. Kirby, architect en landschapschilder, doceerde niet alleen aan de Royal Academy, maar hij gaf ook schilderles aan de koning George III !

Kirby’s vader schreef een reisgids de ‘Suffolk traveller’. De hedendaagse anglofiel weet dat het landschap van Suffolk betoverend is, niet alleen voor reizigers, maar ook voor schilders. Die betovering wordt in Gainsboroughs oeuvre weerspiegeld en bevestigd in de volgende woorden: ‘Nature was his teacher and the woods of Suffolk his academy’ !

Bij het Boomachtig landschap met rustende herder uit ca. 1745 valt de Hobbema- en Ruisdaelachtige sfeer op in de woeste natuur, de grillige bomen overhuifd door een dramatische wolkenlucht. In A Forest Road is deze parallel nog duidelijker en in Wooded landscap with a Herdsman bereikt deze gelijkenis een absolute climax !

thomas_gainsborough_boomachtig_landschap_ca_1745_rijksmuseum_twenthe_-_kopie
Thomas Gainsborough, boomachtig landschap met een rustende herder bij een zonnig pad en schapen, ca 1745, Rijksmuseum Twenthe

Academische manier

Gainsborough was een verklaard tegenstander van de gelikte academische schildertrant met historische, Bijbelse of mythologische onderwerpen, gestoffeerd met geïdealiseerde personages. Gainsborough liet zich wel door de natuur inspireren, maar volgde een eigen, onopgesmukt schoonheidsideaal, dat hij vertaalde in een losse, soms bijna impressionistische stijl. Hij liet zich echter wel inspireren door bewonderde voorgangers. Ook de academische praktijk van het bestuderen en kopiëren van oude meesters hield hij erin. We zien een Kruisafneming naar het altaarstuk dat Rubens voor de kathedraal van Antwerpen schilderde en van diens leerling Anthony van Dijck, kopieerde hij het Portret van Lord Bernard Stuart.

Aan een beetje academisme ontkwam hij dus niet en van het podium dat de Royal Academy bood om zijn werk tentoon te stellen maakte hij ook dankbaar gebruik !

Historische context

De werken van Gainsborough worden in de historische context gepresenteerd. Uit museum Boerhave zijn objecten te zien die de Engelse Gouden Eeuw, the Age of Reason illustreren. Een ambivalente tijd: niet alleen de rede maar ook het gevoel begon een steeds grotere rol te spelen: sense and sensibility (…), zoals de portretten en landschappen weerspiegelen.

De hoofdrol die Engeland zich in de 18e eeuw op mondiaal niveau had verworven bracht economische voorspoed, waardoor kunsten en wetenschappen bloeiden. De zojuist uitgevonden stoommachine, een gigantische spiegeltelescoop, een elektriseermachine (waarbij de haren je te berge rijzen). Een hemel- en aardglobe illustreren de zich verruimende horizonten. Het Haags Gemeentemuseum stond twee herenkostuums (habits à la Francaise, zie mijn bespreking van The Catwalk) en prachtige japonnen (robes ajustées) af, die corresponderen met de kleding op Gainsboroughs portretten.

Gainsborough maakte zich als eerste Engelse kunstenaar los uit het academische keurslijf. De academische eis van op monumentaal formaat geschilderde historiestukken liet hij varen. Hij bracht de hem omringende wereld in een losse toets op het doek; gewoon kunst omwille van de kunst. Daarmee was hij een verklaard tegenstander van de man van de Royal Academy, Sir Joshua Reynolds (1723-1792) zijn rivaal, eveneens bekend van succesvolle portretten van de toenmalige Britse upper class.

Tot slot: Turner (1775-1851) en Constable (1776-1837) zijn zonder de baanbrekende stappen van Gainsborough ondenkbaar. Ook zij brachten de natuur op monumentaal formaat, met losse penseelstreek in beeld. Waarbij Turner zich als een impressionist- later zelfs abstract-expressionist avant-la-lettre, ontwikkelde, zoals onlangs eveneens in Twenthe (en Zwolle) te zien was.

Landschappen niet langer gestoffeerd met mythologische of Bijbelse figuren, maar met een enkele reiziger, ruiter of herder, waarmee Gainsborough, Turner en Constable overigens teruggrepen op de bewonderde meesters van de Hollandse Gouden Eeuw, dat wel !

Twenthe

Rijksmuseum Twenthe

 

 

Maya’s in het Drents Museum Assen t/m 4 september 2016

Maya’s: heersers van het regenwoud

Hoog boven de uitgestrekte regenwouden van Guatemala en het Mexicaanse schiereiland Yucatan torenen nog de ruïneuze resten van de bouwwerken van de Maya cultuur; andere zijn door het oerwoud helemaal overwoekerd. De hoogstaande beschaving van de tot de verbeelding sprekende Maya’s kende een bloeiperiode van 250 tot 900 volgens onze –zij kenden een andere- jaartelling. Waarom de Maya steden, met piramides, paleizen en sportvelden naar het schijnt plotseling werden verlaten is een van de vragen die in de Drentse expositie centraal staan.

Regenwoud en piramide, Tikal Guatemala, foto Edwin van Steenis

 Om ons onbekende redenen verlieten de Maya’s hun dichtbevolkte steden, waar zoals in Oxul, wel 6.000 mensen woonden. Waar zijn ze gebleven ?

Ze trokken naar de kust en anders dan wel gedacht wordt, bestaan de Maya’s nog steeds. Bij mijn bezoek aan de nog in opbouw zijnde tentoonstelling zag ik nazaten van die oude Maya’s aan het werk !

Door een smalle corridor tussen twee enorme foto’s van het regenwoud, de habitat van de Maya’s, betreedt de bezoeker de tentoonstellingszaal waar langs smalle gangpaden de vitrines met kostbare Maya-objecten staan opgesteld. De kleur van de kasten, een allesoverheersend maïsgeel, verwijst naar de ontstaansgeschiedenis van dit taaie oerwoudvolk: de eerste Maya-mens zou uit een maïskolf geboren zijn ! De maïsgod, een poppetje met een kolf als hoofd, is dan ook op allerlei voorwerpen te zien.

De bewoners van elk continent hebben zo hun eigen ontstaansgeschiedenis, maar deze genese is wel heel origineel !

De cyclus van het zaaien van maïs, de groei, bloei, oogst en wedergeboorte, vormt het leitmotief in de tentoonstelling. Zonder maïs en water was leven in de Maya steden niet mogelijk. Op ingenieuze wijze werd regenwater in ondergrondse holten en in bepleisterde bassins opgevangen en bewaard.

De grote paleizen en hoge piramides spreken nog altijd tot onze verbeelding. In de jaren 80 beklom ik de piramide in Chichen Itza, in Yucatan; een activiteit waarvoor je beslist ‘schwindelfrei’ moest zijn, want de enige houvast was je eigen mentale kompas !

Zelfs waagde ik mij aan een excursie naar het binnenste van de grafkamer, een claustrofobische ervaring !

 

Piramide Chichen Itza (Mexico), foto Drents Museum Assen

De mysterieuze hiëroglyphen waarmee zij communiceerden fascineren evenzeer. Zo’n 800 letter- en beeldtekens komen voor op gedenkzuilen, altaren, aardewerk en voorwerpen van jade, het ‘goud’ van de Maya’s. De duiding van deze mysterieuze tekens is inmiddels voor 90% mogelijk dankzij Maya kenner Prof. Dr. Nikolai Grube, hoogleraar aan de Universiteit van Bonn.

Eveneens fascinerend zijn de bloederige offers en het levensgevaarlijke balspel, waarbij de bal door een kleine, ronde opening moest worden geworpen. De spelers ‘gingen ervoor’ en speelden letterlijk en figuurlijk op leven en dood; het verliezende team werd onthoofd.…

Balspel Chíchen Itzá
Balspel Chíchen Itzá

Van dit alles komt niets ons bekend voor, het enige raakvlak met dit mysterieuze volk is de graagte waarmee zij ‘hot chocolate’ dronken ! Daar waren de Maya’s dol op getuige het deksel van een wierookbrander met een door cacaobonen (zo kostbaar dat ze ook als betaalmiddel fungeerden) bedekt beeld van de godin van de cacaoboon

Deksel van wierookvat met cacaogodin en cacao bonen. Collectie Nationaal Museum voor Archeologie en Etnologie, Guatemala

 Zij is één van de vele goden van de Maya’s. Deze huisden en in de onder-, midden- en bovenwereld. Heilige bomen speelden hierin een belangrijke rol, want de wortels, de stam en de takken waren in elk van deze 3 werelden aanwezig. Ook andere goden werden met een wierook, copal, in voornoemde antropomorfe branders vereerd.

Machtige koningen met goddelijke status, heersten over de verschillende elkaar regelmatig bevechtende stadstaten van het Mayarijk, dat delen van Zuid-Mexico, Guatemala, Belize, Honduras en El Salvador besloeg. De koning fungeerde als intermediair tussen de aardbewoners en de godenwereld. Op diverse stèles in de tentoonstelling zijn hun verdiensten geboekstaafd, zoals op een exemplaar van wel 800 kg ! De directeur van het in Guatemalteekse Archeologisch museum verschaft de menselijke (Maya) maat.

Directeur Daniel Aquino Lara Museo Nacional de Arqueologia y Etnologia, Guatemala met Stèle Foto Drents Museum 

Het koningschap was erfelijk, maar de troonpretendent moest zonder piepen wel een bloederige initiatierite doorstaan. Met een roggestekel werd zijn penis bewerkt, zoals te zien in een een replica van een tempel fresco uit San Bartolo, ‘de Sixtijnse kapel van de Maya’s’

Muurschildering met bloedige rituelen in de piramide San Bartolo Guatemala
Muurschildering met bloedige rituelen in de piramide San Bartolo Guatemala

Met deze tentoonstelling biedt het Drents Museum wederom een spraakmakende archeologische tentoonstelling, aangeprezen met de woorden: …van de makers van het Terracotta Leger…  De expositie toont een fascinerende mix van in Europa nog nooit getoonde bruiklenen uit o.a. Guatemala en Schaffhausen. Tot de absolute topstukken behoort het spectaculaire koningsmasker van Jade, het affiche van de tentoonstelling.

 

Jademasker
Jademasker, vindplaats onbekend, Collectie Fundación La Ruta Maya, foto Drents Museum

Behalve een mooie terugblik op de bloeiperiode van de Maya’s en de artefacten uit hun bestaan, geeft de tentoonstelling suggesties voor antwoorden op hun raadselachtige trek naar de kust.

Wellicht was de grond door monocultuur uitgeput, zeker is dat voorafgaand aan hun vertrek een bevolkingsexplosie plaats vond en dat het gebied in de jaren 810, 860 en 910 n Chr. geteisterd werd door aanhoudende droogte, waardoor de waterbassins opdroogden.

Heel Assen staat in het teken van de Maya’s, op 25 februari was het op het grasveld voor het museum een drukte van belang, daar zal voor de duur van de expositie een heuse piramide verrijzen !

Literatuur:

V.T. van Vilsteren & N. Grube, Maya’s: Heersers van het Regenwoud, tentoonstellingscatalogus Drents Museum, Assen, 2016. (WBOOKS €24,95)

  CR92sPT5