Ravenna revisited , impressie van een zomerreis naar Ravenna

Drinkschaal met duiven, Mausoleum van Galla Placidia, 5e eeuw

Als kind bezocht ik met mijn ouders de mozaïeken van Ravenna. Prachtig vond ik al die uit kleurrijke steentjes samengestelde figuren en dieren. Hoe deden ze het?! Destijds had ik geen idee, maar inmiddels weet ik dat vaardige handwerkslieden hun voorstellingen aan de hand van ontwerptekeningen in de met cement bedekte wanden aanbrachten. Voor de ornamenten gebruikten ze sjablonen. Door de marmeren en glazen steentjes een beetje schuin in het cement te duwen gingen de voorstellingen door de reflectie van het licht, letterlijk stralen. En dat doen ze bijna 1500 jaar na dato nog steeds!                                                                                        

Om de doorstroming te bevorderen, maar ook om ervoor te zorgen dat toekomstige belangstellenden van deze kleurenpracht kunnen genieten mogen bezoekers van het kleine Mausoleum van Galla Placidia en het Battistero Neoniano maar 5 minuten binnenblijven.

Anders dan wel gedacht is de als opus tessallatum aangeduide kunstvorm geen Romeinse uitvinding. In de 8e eeuw v.Chr. werden in Klein-Azië al eenvoudige vloermozaïeken gelegd. De Grieken vervaardigden in de 5e eeuw v. Chr. ook al figuratieve mozaïeken van kiezelstenen. Handwerkslieden uit Byzantium brachten hun kennis en vaardigheid naar Ravenna, dat van de 6e tot de 8e eeuw onder Byzantijnse heerschappij stond. In de beeldtaal van deze mozaïeken komen de laatantieke Romeinse en Byzantijnse tradities samen.

Terwijl het aan de overzijde van de rivier de Rubicon gelegen Rimini zwaar geleden heeft tijdens WOII zijn de eeuwenoude vroegchristelijke bezienswaardigheden van Ravenna gespaard gebleven. In de naoorlogse jaren heeft deze historische stad op economisch gebied een enorme industriële sprong voorwaarts gemaakt. Dat is de omgeving van Ravenna niet ten goede gekomen. Advies: gewoon de andere kant op kijken! Dat is in Ravenna geen probleem: de stad herbergt een schat aan interessante vroegchristelijke gebouwen. De oudste dateren van de tijd waarin Ravenna onder keizer Honorius, de hoofdstad van het West Romeinse Rijk was. Zijn vader, keizer Theodosius besloot in 395 tot tweedeling van het immense gebied. Zijn zoon Arcadius heerste in het Oost-Romeinse Rijk. Honorius zwaaide van 393 tot 423 de scepter over het westelijke deel. In 402 vestigde hij zich in Ravenna. In de geschiedenis van deze periode komen we zijn naam en die van zijn halfzuster Galla Placidia (ca. 388-450) veelvuldig tegen. Na de ontijdige dood van haar echtgenoot Keizer Constantius III trad zij op als regentes voor haar zoon Valentinianus III. Galla Placidia’s bizarre levensloop, die buiten het bestek van dit stukje valt, is een filmscript waardig.

Einde West-Romeinse Rijk                                                          
Met de inval van de Germaanse generaal Odoaker kwam in 476 een einde aan het door corruptie en wanbestuur verzwakte West-Romeinse Rijk. Zijn heerschappij was echter van korte duur. Odoaker werd in 493 door de Ostrogotische koning Theodorik (454-526) op lafhartige wijze vermoord. Ook deze potentaat was geen blijvertje, maar de bouwwerken die hij liet verrijzen staan nog steeds overeind. Na Theodorik komt de Byzantijnse keizer Justinianus in het verhaal. Hij nam met succes de wapenen op tegen de Goten en zou van 527-565 aan de macht blijven. Ze zijn allang tot stof vergaan, maar de herinneringen aan Justinianus, zijn voorgangers en de ‘barbaarse’ heersers zijn nog springlevend.  Daarvan getuigen acht op de werelderfgoedlijst van UNESCO genoteerde monumenten. Het bekendst zijn de mozaïeken van Ravenna, die, dat is wellicht minder bekend, voor het merendeel aangebracht zijn in de gebouwen die uit Theodoriks tijd dateren.

De mozaïeken van de kerken in Ravenna zijn prachtig, maar de bouwgeschiedenis is ook interessant. De ‘barbaarse’ vorst Theodorik was niet alleen de bouwheer van zijn eigen Mausoleum; hij gaf ook opdracht tot de bouw van de San Vitale, de Sant’Appolinare Nuovo en de Sant’Apollinare in Classe. In deze kerken liet Justinianus I (527-565) de mozaïeken aanbrengen waar we in het navolgende naar gaan kijken.

Behalve het imposante Mausoleum van Theodorik, de San Apollinare in Classe en de Sant’Appolinare Nuovo liggen alle bezienswaardigheden op loopafstand in het oude centrum.


Wie was Justinianus?
Zijn naam is niet alleen verbonden met de mozaïeken van Ravenna, hij is ook de bouwheer van de Haghia Sophia in Constantinopel. Na de verovering van de door Constantijn de Grote gestichte hoofdstad van het Oost-Romeinse Rijk door Mehmet II veranderde deze vroegchristelijke kerk in 1453 in een islamitisch gebedshuis. Justinianus vestigde zijn macht niet alleen in Ravenna, maar heroverde ook grote delen van het Romeinse Rijk die in handen van de oorspronkelijke bewoners waren gevallen. Daarenboven is Justinianus de geschiedenis ingegaan als de man achter het eerste burgerlijk wetboek: het Corpus Iuris Civilis

Julius Caesar                                                                           
Je ziet er niets meer van, maar verder terug in de tijd werd in de streek rond Ravenna ook al geschiedenis geschreven. In 49 v. Chr. stak de Romeinse veldheer Julius Caesar de Rubicon over, een riviertje tussen Ravenna en Rimini. De woorden die hij daarbij sprak: alea iacta est; de teerling is geworpen, waren veelbetekenend. Met deze provocerende handeling ging hij niet alleen over een geografische-, maar ook over een politieke- en psychologische grens! Caesar daagde zijn rivaal consul Pompeius uit. Diens bevel om zijn troepen te ontbinden, had Caesar genegeerd. Geschrokken nam Pompeius de wijk naar Griekenland, waar hij door Caesar werd verslagen. De rest is geschiedenis, zoals in de aan Caesar gewijde tentoonstelling in Museum H’ART onlangs te zien was.  

Anders dan soms gedacht, was Caesar zelf geen keizer. Met zijn optreden plaveide hij echter wel de weg naar het erfelijk keizerschap. Zijn adoptiefzoon Octavianus zou als keizer Augustus een belangrijk hoofdstuk vullen in de geschiedenis van het Romeinse Rijk. Ook bij Ravenna liet hij zijn sporen na. Als thuisbasis van de vloot, de Classis, liet Augustus een haven aanleggen. In de loop der tijd is deze verzand, maar de naam van het plaatsje Classe herinnert nog aan de dagen van weleer. Door talrijke overzeese contacten ontstond hier een multiculturele gemeenschap, waar plaats was voor Grieken, Syriërs, Armeniërs, Joden en Christenen. Rond het jaar 44 stichtte Apollonaris, het bisdom Ravenna. Met Apollinaris, wiens naam je in Ravenna veelvuldig tegenkomt, begint het navolgende virtuele bezoek aan de mozaïeken van Ravenna. We starten in Classe op enkele kilometers buiten het centrum.

San Apollinare in Classe
In de voorhof van deze kerk wordt de stichter van de haven gememoreerd met een kopie van het beroemde standbeeld van Augustus van Prima Porta, dat in de 19e eeuw werd gevonden bij de Villa van Livia in Rome.

Aartsbischop San Appolinare temidden van lammeren. Basiliek Sant’Apollinare in Classe

De in 549 gewijde kerk is boven het graf van de martelaar Apollinaris gebouwd. De voor de regio karakteristieke campanile dateert van de 10e eeuw. In het muurvlak boven de zuilen zijn in de 17e eeuw de portretten van de bisschoppen van Ravenna aangebracht. Interessant, maar daar zijn we niet voor gekomen. Evenals de gebouwen in de binnenstad is ook deze kerk gesierd met schitterende mozaïeken. In het betoverende apsis mozaïek is Appolinaris prominent aanwezig. Vanuit een paradijselijke weide kijkt hij over de grazende lammeren, naar de schapen in de kerk. Zijn handen in antieke orante houding geheven in een gebed zonder eind. De schapen zijn voor meerdere uitleg vatbaar. Ze kunnen geduid worden als de stammen Israëls, de 12 apostelen en als gelovigen in het algemeen.
Boven Apollinaris is een symbolische interpretatie van de Transfiguratie op de berg Tabor te zien. Bij deze in het Nieuwe Testament op drie plaatsen beschreven wonderlijke ‘transitie’ van Christus, zouden de Oudtestamentische figuren Mozes en Elia verschenen zijn. Het wonder wordt symbolisch verbeeld door een met edelstenen bezet kruis. De drie lammeren staan voor de discipelen die Jezus op de berg vergezelden: Johannes, Petrus en Jacobus. De dadelpalmen in de pendentieven neigen hun kruinen naar de hoofdvoorstelling.

Basiliek van St. Appolinare in Classe , met edelstenen bezet kruis met in het medaillon
een ‘portret’ van Christus

Onder de aartsengelen Michaël en Gabriël bevinden zich de apostelen en evangelisten. Rechts zie je een gecomprimeerde voorstelling van de drie Oudtestamentische offerscènes van Abel, Melchisedek en Abraham die in de christelijke leer als voorafbeeldingen worden gezien van de offerdood die Jezus voor de mensheid bracht.

Langs de Via di Roma gaan we in noordelijke richting naar de eveneens aan Apolinaris gewijde Sant’Apollinare Nuovo.

Detail Draperieën met niet weggeschilderde handen in Theodoric’s paleiskapel

Basilica di Sant’Apollinare Nuovo                                                  In deze kerk bereikt de mozaïekkunst een ware apotheose. De Sant’Apollinare Nuovo werd in 490 gebouwd als paleiskapel van Theodorik de Grote (454-526). Een tiental meters verderop zijn nog enkele reminiscenties van het cosidetto, maar onbewezen, Palazzo di Teodorico te zien. Evenals bij de andere vroegchristelijke kerken van Ravenna, verraadt het sobere exterieur niets van de pracht die de bezoeker binnen te wachten staat. Deze kerk is een mooi voorbeeld van een vroegchristelijke basilica. Zo’n door twee zuilenrijen geflankeerde rechthoekige ruimte met een halfronde nis tegenover de ingang had in voorchristelijke tijden een publieke functie. Na Theodoriks tijd werd deze kerk opnieuw gewijd. Dat was nodig, want de Ostrogotische heerser was een volgeling van de dissident Arius (256-336), die -even kort door de bocht- de goddelijke drie-eenheid ontkende. Arius aanvaardde God, maar ontkende de goddelijke natuur van Jezus. Om deze reden werden hij en zijn volgelingen door de kerk als ketters beschouwd. Bisschop Agnellus liet rond het midden van de 6e eeuw afbeeldingen van Theodorik en zijn hofhouding uit het decoratieschema van de kerk verwijderen. Degenen die met deze taak belast waren maakten zich er kennelijk snel van af.  Als je goed kijkt kun je in de voorstelling van Theodoriks paleis met zuilen en voorhangen boven de zij ingang nog enkele ‘vergeten’ handen van in orante houding biddende figuren uit Theodoriks tijd zien.

Zuilen en draperieën van Theodoriks paleis met reminiscenties van orante figuren.

Het rijkversierde interieur zorgt voor een letterlijk en figuurlijk duizelingwekkende ervaring. Hier geen overweldigend apsis mozaïek, maar een barok altaar dat ik voor gezien houd. Aan de in drie lagen aangebrachte mozaïeken op de zijwanden hebben we onze handen, of liever, onze ogen al vol! In de bovenste rij zie je scènes uit het leven van Jezus en de wonderen die hij verrichtte. Na enig speuren ontdek ik de opwekking van Lazarus en, precies zoals ik het mij van een kleurplaat op de lagere school herinner: de genezing van een verlamde man. Omdat er door de voordeur geen bijkomen aan was, lieten enkele mannen een lamme man op draagbed aan touwen door het dak voor de voeten van Jezus neerdalen.  

Het neerlaten van de verlamde man in Capernaum

Onder deze reeks staan heiligen en profeten prominent in het gelid. De daar weer onder aangebrachte processies springen echter het meest in het oog. Links van het altaar staan over de hele lengte van het schip 22 devote in het wit geklede maagden. Voorzien van hun naam volgen ze de wijzen uit het Oosten die hen voorgaan naar de in Byzantijnse stijl weergegeven tronende Moeder Gods met haar kind.

Drie wijzen uit het Oosten Basiliek St. Apollinaris Nuovo

Op de tegenoverliggende wand wordt de optocht van de maagden gespiegeld in een processie van 26 in witte toga’s gehulde martelaren. Zij zijn op weg naar een knappe tronende Christusfiguur, van wie ook niet-gelovigen terstond gaan houden!

Christus op de troon

Achter de maagden gaf de anonieme mozaïekkunstenaar een interessante contemporaine impressie van de haven van Classe. Voor de twee vuurtorens en de ommuurde stad liggen enkele schepen voor anker.

Mausoleum van Theodorik                                                
Buiten het centrum kun je (op een combi-ticket) het Mausoleum van Theodorik bezoeken. Het massieve uit enorme kubieke blokken steen opgetrokken bouwwerk staat 1500 jaar nadat het eind 19e eeuw letterlijk uit de drassige bodem boven water kwam, weer fier in het landschap. Opnieuw rijst de (onbeantwoorde) vraag hoe deden ze het?! Dat geldt vooral voor de 300 ton wegende uit Istrië afkomstige steen die de koepel vormt van het tienhoekige, twee verdiepingen tellende bouwwerk. De verstilde atmosfeer van de indrukwekkende lege en koele ruimte wordt verhoogd door de stemmige tonen van Albinoni’s Adagio in G minor. 

Via een buitentrap bereik je de bovenverdieping. Laat hier je fantasie even werken bij de aanblik van de enorme op een badkuip gelijkende porfieren sarcofaag. Hierin vond Theodorik volgens de overlevering zijn laatste rustplaats. Het is dat er een bordje non toccare hangt, maar anders…

Na de bezichtiging van deze buiten de stad liggende monumenten keren we terug naar het centro storico, waar Galla Placidia in de eeuw voor Theodorik en Justinianus ook haar sporen achterliet.

Christus de Goede Herder. Mausoleum Galla Placida

Mausoleum van Galla Placidia
Volgens de overlevering gaf Galla Placidia (390-450), dochter van keizer Theodosius I en zus van keizer Honorius opdracht voor de bouw van het naar haar genoemde Mausoleum. Ook hier geeft het eenvoudige exterieur niets prijs van het met prachtige mozaïeken versierde interieur. Onder een blauwe sterrenhemel staan drie sarcofagen, waarin de stoffelijke resten van Galla Placidia, haar tweede echtgenoot Keizer Constantius III en keizer Honorius of Placidia’ s zoon Valentinus zouden zijn bijgezet. Deze in de jaren ‘80 door George Zarnecki, een autoriteit op het gebied van de vroegchristelijke kunst, geopperde ‘wetenschap’ lijkt inmiddels achterhaald. Dat de in Rome overleden Galla Placidia hier haar laatste rustplaats vond wordt tegenwoordig betwijfeld. Dit doet niets af aan de pracht van deze vermoedelijk aan de martelaar Laurentius gewijde kapel. In de apsis tegenover de ingang herken je hem aan zijn attribuut, het rooster, waarop de onfortuinlijke man levend werd verbrand. Naast hem staat een op een eigentijds zogeheten minibiebje gelijkend kastje met de geschriften van de evangelisten: neem en lees!

Laurentius met rooster en Minibiebje. Apsis, Mausoleum van Galla Placidia

Het schaarse licht dat door de albasten vensters binnenvalt zorgt voor een mysterieuze sfeer. Maar gelukkig worden de mozaïeken met sterke lampen aangelicht. Anders dan de overige iets latere vroegchristelijke mozaïeken in Ravenna zijn deze nog zonder Byzantijnse invloed in de laatantieke Romeinse stijl gemaakt. Opvallend is het realisme dat niet alleen de figuren, maar ook het landschap kenmerkt. Het centrale kruis in de koepel symboliseert Christus; de symbolen in de pendentieven verwijzen naar de schrijvers van de boeken in het kastje: de 4 evangelisten. De leeuw voor Marcus, de adelaar voor Johannes, de os voor Lucas en de gevleugelde mens voor Mattheus.

Het mozaïek boven de ingang toont het iconische beeld van Christus als de Goede Herder, zoals beschreven in Johannes 10: 11-14. e.v.  De drinkende herten en duiven verwijzen naar Psalm 42, ’t Hijgend hert, der jacht ontkomen!…

San Vitale
Naast het Mausoleum van Galla Placidia bevindt zich de achthoekige Basilica di San Vitale. De bouw van de naar de martelaar Vitalis genoemde kerk ving nog tijdens Theodoriks bewind aan en werd in 548 toen Justinianus aan de macht was door bisschop Ecclesius gewijd. De heilige Vitalis zou ten tijde van de christenvervolgingen onder keizer Diocletianus rond het jaar 304 levend begraven zijn. De kerk weerspiegelt de overgang van de klassieke naar de Byzantijnse bouwkunst. In de apsis troont Christus op een blauwe wereldbol, geflankeerd door de heilige Vitalis en bisschop Ecclesius. Op de wanden daarnaast vind je de reeds genoemde beeltenissen van Keizer Justinianus en zijn gemalin met hun hun gevolg. Opmerkelijk voor die tijd zijn de portretmatige gezichten. Let ook op het prachtige detail in de zoom van Theodora’s gewaad: een minuscule afspiegeling van de Driekoningen die we eerder in de San Apollinare Nuovo zagen! Rechts van Justinianus heeft aartsbisschop Maximianus een plekje gekregen.

In de apsis zien we het aandachtspunt van de gelovigen: Christus die de gaven van Justinianus en zijn vrouw in ontvangst neemt. Ook hier zien we de al besproken oudtestamentische prefiguraties van Jezus offerdood. Interessant terzijde: mocht je ooit een bezoek brengen aan de Paltskapel die Keizer Karel de Grote rond 800 in Aken liet bouwen, dan zie je in één oogopslag dat deze geïnspireerd is op de San Vitale.

Naast de San Vitale vind je het Museo Nazionale, ondergebracht in een voormalige Benedictijnerklooster. De collectie bestaat uit Romeinse en vroegchristelijke objecten, waaronder reliëfs uit de Byzantijnse tijd, munten, iconen uit de Venetiaans-Kretenzische school en schilderijen van onder anderen Paolo Veneziano.

Battistero Neoniano                                                                          
Een bezoek aan het historische centrum van Ravenna is niet compleet zonder een kijkje te nemen in het Byzantijnse Battistero Neoniano, ook aangeduid als de battistero degli Ortodossi, waarmee bedoeld wordt dat deze anders dan de Battistero degli Ariani, niet-Ariaans is.In 458 gaf bisschop Orso opdracht voor de bouw, die onder de naamgever van de kapel, bisschop Neone werd voltooid. De oorspronkelijke vloer, die ver onder het huidige straatniveau ligt, is achter een hekje zichtbaar gelaten. De wanden van de 8-hoekige binnenruimte zijn verdeeld in 2 boven elkaar geplaatste bogenrijen. De achthoekige vorm verwijst symbolisch naar de zeven scheppingsdagen en de dag van het Laatste Oordeel. Het interieur is eveneens bekleed met mozaïeken. Op het plafond prijkt een mozaïek vanJohannes de Doper die Jezus, staand in de rivier, onder het toeziend oog van de twaalf discipelen, doopt.

De doop van Christus , Battistero degli Ariani

Van Theodorik ‘s tijd dateert nog een achthoekige doopkapel: het Battistero degli Ariani.  Ook hier is de doop van Christus in de Jordaan in het koepel mozaïek afgebeeld. Door het water zie je zijn ontblote onderlichaam. Anders dan de in de Bijbel genoemde ‘kemelharen’ mantel is Johannes hier gehuld in een luipaardvel. De oude man naast de doopscène staat, conform de klassieke iconologie, als stroomgod voor de rivier de Jordaan. De witte duif boven hen staat voor de Heilige Geest die na de doop neerdaalde uit de hemel terwijl de stem van God volgens Mattheus 3: 13-17 klonk: …’dit is mijn geliefde zoon in wie ik vreugde vind’

Museo Arcivescovile                                                                                       
Na het bezichtigen van deze monumenten kun je je kennis over de periodes waarin ze gebouwd en versierd werden verdiepen in het Museo Nazionale en het Museo Arcivescovile – het aartsbisschoppelijk Museum, dat ondergebracht is in het achter de Dom gelegen aartsbisschoppelijk paleis. Hier zie je nog meer mozaïeken, sculpturen, kunstvoorwerpen uit de oude dom, een marmeren sarcofaag en een (onthoofd) porfieren standbeeld van vermoedelijk keizer Justinianus. Niet te missen hoogtepunt is de in een glazen vitrine geplaatste ivoren troon van bisschop Maximianus. Neem even de tijd om de gedetailleerde reliëfs met bijbelse scènes te bekijken. De zetel werd in de 6e eeuw in Alexandrië gemaakt. Aan de voorzijde zie je panelen met Johannes de Doper en 4 evangelisten. De achterzijde vertoont scènes uit het leven van Jezus.

Troon van bisschop Maximianus

Met het aantreden van Justinianus beleefde Ravenna een bloeiperiode. De dood van de keizer in 565 vormde het begin van het einde. Zoals elders in de Romeinse wereld werd ook de teloorgang van Ravenna bespoedigd door factoren als wanbestuur en corruptie. Met de verovering door de Longobarden was het in 751 met Ravenna als hoofdstad van het Byzantijnse rijk gedaan. In latere tijden viel de stad achtereenvolgens onder Venetiaans- en Vaticaans bestuur. De talrijke architecturale en artistieke overblijfselen getuigen van deze bloemrijke verschillende hoofdstukken uit de lange geschiedenis van Ravenna.

                                 

Breitner herontdekking van een Oerkunstenaar. Tot en met 8 september in Singer Laren.

George Hendrik Breitner, Cavalerie, 1883-1888. Kunstmuseum Den Haag.

Denkend aan George Hendrik Breitner (1857-1923) zie ik een indrukwekkende scène van exercerende cavaleristen op het strand. In mijn fantasie hoor ik het gedreun van de paardenhoeven! Voor mijn geestesoog doemt een meisje op in een rode kimono. Zij vlijt zich neer op een dag-bed. Ik dacht dat Geesje Kwak model stond voor de kimonomeisjes. Het tienermeisje poseerde regelmatig voor Breitner maar in het bijschrift van het in Laren getoonde schilderij lees ik een andere naam: Anna.                                                                  

In de boeiende expositie Breitner versus Israëls die het Haagse Kunstmuseum in 2020 presenteerde, las ik dat beide kunstenaars destijds om Geesje vochten! Besteld door Breitner zou Israëls -met wie hij destijds onder een dak woonde- het model op de overloop van hem hebben weggekaapt. Wat hij met haar gedaan heeft weet ik niet. In het oeuvre van Israëls neb ik haar niet terug kunnen vinden.

George Hendrik Breitner, Meisje in rode kimono. Kunstmuseum Den Haag

In Laren worden deze zomer zeventig schilderijen en werken op papier van Breitners hand getoond. De expositie begint met een keur aan studies en schilderijen met paarden, zoals de monumentale impressie van de aanstormende Cavalerie. In de volgende zalen zie je diverse in een somber palet geschilderde stadsgezichten. Nocturnes van dromerige trekkers van de paardentram en een regenachtige impressie van De Dam uit 1896. Aan de door Breitner goed getroffen sfeer van een regenachtige dag, zou de uitdrukking Breitnerweer ontsproten zijn. Niet zelden wordt Breitner getypeerd als de ‘Nederlandse impressionist’, maar in vorm en kleur komt Breitner eerder als een expressionist uit de verf. Met zijn krachtige uitdrukkingsvolle toets was hij zijn tijd vooruit. Evenals de iets latere expressionisten gaf Breitner de werkelijkheid in vaak heftige kleuren en vervormde beelden weer. Deze manier van werken werd overigens niet door iedereen gewaardeerd: ook al was de sfeer goed getroffen, critici met een academische bril verweten Breitner gebrek aan techniek.

Tot heden werd zijn werk veelal vanuit zijn stedelijke onderwerpen en zijn fotografie belicht, maar in de huidige tentoonstelling ligt de focus op zijn artistieke kwaliteiten.

G.H. Breitner, De Dam, 1896. Stedelijk Museum, Amsterdam.

Anders dan de vroege, in gedempte tonen geschilderde impressies van militairen en stadsgezichten hanteerde Breitner voor zijn latere werken een kleurrijker palet.

De catalogus onthult dat Breitner tijdens een ziekenhuisopname tijd had voor reflectie. Behalve het overdenken van zijn zonden -hij had een geslachtsziekte opgelopen- dacht hij na over zijn toekomstige carrière. Hij besloot de ingeslagen weg van historieschilder te verlaten en zich voortaan, evenals collega-schilders van de Haagse School, toe te leggen op scènes uit het hier en nu. Tijdens een gezamenlijke klus, het schilderen van Panorama Mesdag had Breitner kennis kunnen maken met hun kunstzinnige ideeën.

De X-factor
Om succesvol te worden had een schilder behalve de nodige artistieke vaardigheden en verbeeldingskracht nòg iets nodig: de X-factor. Het staat er echt! Ten onrechte dacht ik dat dit ongrijpbare ingrediënt sinds de gelijknamige op de teevee getoonde talentenjacht een nieuwerwetse notie was. In 1882 benoemde Breitner deze mysterieuze component echter al in een brief aan zijn beschermheer Adriaan Pieter van der Stolk. Wat dit ook mag wezen… Breitner had het!

Dit dus, artistieke skills, maar ook invloeden van collega-schilders. Terwijl ik door de expositiezalen dwaalde meende ik invloeden te ontdekken van o.a. Antonio Mancini, Edgar Dégas en Vincent van Gogh, met wie Breitner in het ziekenhuis kennis had gemaakt. Breitners mysterieuze impressie van een maan beschenen landschap, roept een herinnering op aan Van Goghs Onkruid verbrandende boer uit 1883. Echo’s van dit vuur kom je in de achtergrond van Breitners Maannacht, tegen. Kennelijk heb ik dit goed gezien, het bijschrijft leert dat Breitner het in 1885 in Drenthe schilderde. Tussen de talrijke epistels van Van Gogh vonden de samenstellers van de tentoonstelling een toepasselijke van dit contact getuigende opmerking: …’hij [Breitner] tekent heel handig!’…

George Hendrik Breitner, Maannacht, 1885, olieverf op doek, 70,5 × 100,5 cm, Musée d’Orsay, Parijs

Gastcurator Suzanne Veldink, die eerder de tentoonstelling over Suze Robertson samenstelde, licht toe dat Breitner in zijn jonge jaren nog zoekende was. In Parijs raakte Breitner inderdaad onder de indruk van werken van Edgar Dégas en Edouard Manet. In Breitners straatscènes en naaktschilderingen zijn zowel thematisch als technisch invloeden van deze kunstenaars aanwijsbaar. Een daarvan de zogeheten ‘tache’; een krachtige puntige toets, kun je ook zonder ongeoefend kunsthistorisch oog zien  in het doek Aan Boord.  

George Hendrik Breitner, Aan boord, ca. 1897, olieverf op doek, 57 × 59 cm, Stedelijk Museum Amsterdam, schenking Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam (VVHK)

Het ging Breitner, aldus Veldink, niet zozeer om de onderwerpen dan wel om de manier waarop hij die in beeld bracht. Hij experimenteerde daarbij met expressief kleur- en lijngebruik. De in zijn werk gesuggereerde beweging en het ontbreken van details doen vermoeden dat hij deze in een mum van tijd heeft opgezet. Onderzoek van voorstudies en foto’s wijst echter uit dat aan de totstandkoming van zijn werk een doordacht proces voorafging. Dat Breitners werken de indruk wekken niet af te zijn is geen probleem. Het op het netvlies ontvangen ogenschijnlijk onvoltooide beeld wordt door het brein van de beschouwer afgemaakt!

In de catalogus wordt een link gelegd naar het gedachtengoed van de Tachtigers. Een kring van jonge schrijvers en kunstenaars als Jan Veth, Willem Witsen, Jacques  Van Looy en Lodewijk van Deyssel. Zij streefden naar een nieuwe van academische richtlijnen bevrijde kunst. Kunst omwille van de kunst, niet gedicteerd door regels van esthetiek en moraal. In de catalogus lees je hoe de non-conformist Breitner perfect paste bij de vrijgevochten idealen van de Tachtigers.

Breitner was niet de enige die het over een andere boeg gooide. Ook collega-schilders Anton Mauve, Jacob en Willem Maris experimenteerden met vorm en kleur. Maar met zijn niet zelden verrassende perspectieven en invalshoeken onderscheidt Breitner zich. Zijn blik was gekleurd door de destijds in opkomst zijnde fotografie. Bij een snelle snapshot worden vaak onbedoeld bepaalde delen van het gefotografeerde onderwerp afgesneden. Evenals zijn Franse collega’s paste ook Breitner dit gegeven bewust als artistieke nouveauté in zijn composities toe.  

Dit kan nauwelijks beter worden geïllustreerd dan met de krachtige voorstelling van een deels door de lijst afgesneden jonge vrouw, die met haar mand op weg is naar de markt. Het doek Naar de markt van ca. 1897 is sinds kort in permanent bruikleen van de RCE in de vaste opstelling van Singer Laren te zien.  

George Hendrik Breitner, Naar de markt, ca. 1897. Singer Laren. Permanente bruikleen van de RCE.

Behalve de reeds genoemde vermaarde werken worden in deze expositie ook minder bekende schilderijen uit privécollecties getoond.
Opzienbarend -toen en nu- zijn Breitners doeken met levensgrote naakten. Een genre waarin ook zijn jongere collega Jan Sluijters zich meermaals heeft uitgeleefd. Maar anders dan Sluijters bereikt Breitner daarin de ultieme suggestie van -goed kijken- een volumineus vrouwelijk lichaam. Het doek Naakt met zwarte kousen op een bed vormt in zijn oeuvre en in dit genre in het algemeen een absoluut hoogtepunt. Deze krachtige, kleurrijke schilderwijze bezorgde Breitner de in de subtitel genoemde bijnaam ‘schilderbeest’. Dat dit predicaat in 1941 door een criticus niet aan Breitner, maar aan de woest schilderende Jan Sluijters werd toegedicht doet er niet toe. Ook Breitner ging in vorm en kleur vaak beestachtig te werk!

Oordeelt u zelf: dat kan nog de hele zomer tot en met 8 september!

George Hendrik Breitner, Naakt met zwarte kousen op een bed, ca. 1889-1890,
olieverf op paneel,20,3 × 30,5 cm, Fondation Custodia, Collectie Frits Lught, Parijs

Link: Singer Laren Breitner

Veertig jaar Tussen Kunst en Kitsch, tentoonstelling in Kasteel Ruurlo, tot en met 3 november.

Kasteel Ruurlo foto: Marina Marijnen

Tussen Kunst en Kitsch. Twee generaties groeiden ermee op en presentatrice Nelleke van der Krogt heeft er zelfs grijze haren van gekregen! In de introductiefilm zie je hoe deze enthousiaste voorganger van Frits Sissing met de verwachtingsvolle aanbieder van het object en de expert rond de tafel zit. Na het aanhoren van het verhaal achter het materiaal, dat Nelleke niet zelden van een humoristische toets voorziet, komt het antwoord op de vraag… en wat is het waard?  

Het programma is met op winst en sensatiebeluste bezoekers niet alleen vermakelijk, maar ook leerzaam. De hele mondiale kunst- (en kitsch) geschiedenis is de afgelopen veertig jaar voorbijgekomen.  Daarmee is het programma, lang voordat musea belangstelling kregen voor niet-Westerse kunst, haar tijd vooruit!
Zelf hield ik vaak een notitieboekje bij de hand om wetenswaardigheden te noteren. Zeker als vader en zoon Hoogsteder hun licht op oude schilderijen lieten schijnen of wanneer Jan Polak een boekje opendeed over Aziatische kunst. Het antwoord op de vraag “hoe komt u hieraan? “ is heel divers …’mijn overgrootvader was een hoge piet in ‘ons’ Indië’…, ‘ik heb het geërfd van een oude tante’… of …’voor een habbekrats gekocht op marktplaats of op een vlooienmarkt’…

Als kijker voelde je de teleurstelling wanneer het meegebrachte object als kitsch werd afgedaan en vreugde wanneer iemand die kwam met een schilderij van een tientje naar huis ging met een werk dat ineens drie nullen meer waard bleek te zijn!

Twee Delfts blauwe kandelaren Ca. 1760 Aardewerk (Delft)

Soms komen uit plastic tassen ook zaken tevoorschijn, waarvan het hart van de expert sneller gaat kloppen of zelfs een slag overslaat! Dat overkwam Robert Aronson toen een dame hem een Delfts blauwe kandelaar ter beoordeling aanbood. De kandelaar in de stijl van Lodewijk XVI, bestaande uit een kelkje op een speels gedraaide voet, bleek uniek in zijn soort. Rond 1760 gemaakt in de Porcelijne Lampetkan; een van de talrijke de aardewerkfabrieken in Delft. Van dit model zijn geen andere exemplaren bekend, maar de eigenaresse diepte nog een exemplaar op uit haar tas. Voor geen goud wilde ze deze verkopen, maar beide zijn nu in de eetzaal van kasteel Ruurlo te zien. 

Museum More grijpt het 40-jarig jubileum van het AVROTROS tv-programma aan voor een feestje op kasteel Ruurlo.  In vijf themazalen worden 75 highlights uit de geschiedenis van het programma gepresenteerd.  Vaak eeuwenoude, maar ook recentere gebruiks- en verzamelobjecten afkomstig uit alle windstreken.  

Sinds de 15e eeuw is kasteel Ruurlo verbonden met het riddergeslacht Van Heekeren; een bekende naam in de regio. Recentelijk maakte restauratiearchitect Hubert-Jan Henket het gebouw geschikt voor museale doeleinden. Ook bij dit architectonische kunststukje kun je de vraag stellen: is het kunst of kitsch? Overigens heeft het programma geleerd dat als kitsch bestempelde objecten ook mooi of interessant en als exponent van een bepaalde periode in ieder geval waardevol kunnen zijn!

Themakamers 
De verschillende vertrekken van het kasteel zijn als themakamers ingericht. De bezoeker wandelt via de oorspronkelijke inmiddels onherkenbare badkamer naar een Eetkamer, een Bibliotheek annex Wapenkamer en een zogeheten Wunderkammer. Hier kun je je verwonderen over door de natuur- en mensenhand vervaardigde objecten: naturalia en arteficialia. De verwondering houdt in de volgende ruimte niet op: in de gecombineerde Kinder/Slaapkamer zie je een keur aan objecten die, met wat fantasie, aan kinderen gerelateerd zijn.

Uit de welgekozen presentatie van schilderijen, luxe objecten van zilver of porselein, prenten, kaarten, sculpturen, maar ook doodgewone gebruiksvoorwerpen laat ik een korte bloemlezing volgen.

Houten stilletje of gemaksdoos ca. 1860 Hout (Nijmegen)

In de vorige eeuw kon je oud-Indiëgangers nog wel eens horen vragen naar de ‘gemakken’. Daar moest ik aan denken bij de omschrijving van een zogeheten gemaksdoos in de ‘badkamer’. Het is nauwelijks voorstelbaar en naar huidige maatstaven hilarisch, maar dit object stond ten behoeve van voor gemakzuchtige (…) dinergasten opgesteld in de eetkamer!

In de als eetzaal ingerichte ruimte zie je behalve vitrines vol tafelzilver een prachtig met vogels beschilderd porseleinen tafelservies van Meissen, dat rond 1770 werd vervaardigd. Eeuwenlang wisten porseleinbakkers in China en Japan het procedé geheim te houden. Toen aardewerkfabrikanten ontdekten dat het flinterdunne porselein van kaolien aarde werd gemaakt, ontstonden ook in Europa prachtige voorwerpen zoals dit servies.

Meissen servies ca. 1770 Porselein (Duitsland)

Van diezelfde tijd dateert een aantrekkelijk damesportret. De hamvraag “is het een authentieke Angelika Kaufmann?” werd helaas voor de eigenaar ontkennend beantwoord. Het portret van deze onbekende dame werd gemaakt door de Duitse society-schilder Johann Heinrich Schröder, maar het is er niet minder mooi om!

Schilderij toegeschreven aan Johan Heinrich Schröder 1775-1800

Interessant zijn de verschillende luxueuze voorwerpen behorend bij de oudhollandse theeceremonie. Je ziet zilveren theebusjes en een zogeheten bouilloire, een ketel op een komfoor, waarop theewater in de tweede helft van de 18e eeuw op temperatuur werd gehouden. De volgende objecten zouden leuke instinkers zijn bij een denkbeeldige quiz: een op een theepot gelijkende wijnpot, die gebruikt werd voor het schenken van warme rijstwijn. En, niet gespeend van Britse humor, een bloemkool met een tuit, waaruit in Engeland thee werd geschonken.  

Schilderij van Rien Poortvliet Twee herten met een vos 1978 Olieverf op doek

In de bibliotheek/wapenkamer vind je onder meer enkele aan de jacht gerelateerde objecten, waaronder een prehistorische vuistbijl. Om het predicaat kitsch waar te maken hangt hier ook een koddige jachtscène van Piet van der Hem en een in het algemeen niet als Kunst met een grote K gewaardeerde schildering van Rien Poortvliet. Ik herken de omslag van het boek dat ik mijn opa ooit cadeau deed: De Vossen hebben holen. Kunst of Kitsch? Doet er niet toe: ze zijn goed getroffen! 

Kaartjeshouder ca. 1820 Ivoor (Kanton, China)

Je ziet het haast over het hoofd, maar hier ligt ook een ongelooflijk fijn gesneden ivoren kaartjeshouder, die rond 1820 in China werd vervaardigd. Even zonder vergrootglas: het lijkt een tuinscène, gadegeslagen door een figuur aan een venster.
Wat zou de inhoud zijn van het vuistdikke van sloten voorziene boek? Wanneer je meent dat het een bijbel is ben je warm, maar geen bijbel in de religieuze zin van het woord. Het is een verzameld werk van de zedeprekende zeventiende -eeuwse Zeeuwse dichter Jacob Cats. In de Wunderkammer vind je educatief materiaal van een geheel andere orde. Een Japanse rolschildering met gedetailleerde, acrobatische tekeningen, aan de hand waarvan jonge vrouwen op aanschouwelijke wijze de kneepjes van de erotiek werden bijgebracht.  Zo’n rol werd een Shunga-rol genoemd.

Shunga schildering ca. 1680 Papier op zijde (Japan)

In deze ruimte zie je een met de woorden Hansje in de kelder gegraveerd glas en een zilveren drinkschaal, die met dezelfde term werd aangeduid. Met deze objecten gaf een zwangere vrouw op een feest of tijdens familiebezoek haar zojuist ontdekte geheim prijs.  Was de drinkschaal leeggedronken, dan kwam heel verrassend een klein poppetje tevoorschijn; woorden waren overbodig!

Glas ‘Hansje in de kelder’ 1720 Glas (Nederland)

Te midden van al deze oude objecten bevindt zich een bedrieglijk moderne aquamarijnkleurige glazen karaf. Het kostbare object is afkomstig uit het bezit van de Leidse lakenhandelaar Willem Jacobsz. Van Heemskerck, die er in 1686 de volgende boodschap in graveerde: …’gebruik elk ding tot nut’…  Dit object heeft met recht een plekje in de Wunderkammer gekregen. Wonder boven wonder heeft dit kleinood de eeuwen getrotseerd, temeer daar de eigenaresse vertelde dat de karaf thuis op de schoorsteenmantel stond ‘terwijl haar katten er langs jakkerden’.

Tussen de vele anonieme en door mannen gemaakte objecten staat ook een fraai gestileerde sculptuur van twee elkaar kozende parkieten van Gra Rueb. Zij was de eerste vrouwelijke beeldhouwer van Nederland. Vrouwen werden destijds niet geschikt gevonden voor het beroep van beeldhouwer, maar Rueb bewees dat dit onzin was!  

Sculptuur van Gra Rueb Twee parkieten 1935. Gepatineerd brons, Bronsgieterij de Plastiek

In een van de vitrines ligt zelfs een kostbaar vroeg zestiende -eeuws getijdenboek. Tijdens een kampeervakantie vond de eigenaar het werkje op een rommelmarkt. Inmiddels weet hij dat het museumwaardige werkje 500 jaar geleden door de toenmalige eigenaar voor privé devotie werd gebruikt. Misschien niet voor alle getijden, de acht vaste bidstonden van een etmaal, maar op zelfgekozen meditatieve momenten.

Schilderij toegeschreven aan Adriaan de Lelie Familieportret van familie Rochussen 1815 Olieverf op doek

In de slaap/kinderkamer tenslotte zijn onder het toeziend oog van moeder Rochussen en haar kroost aan het kinderleven gerelateerde objecten tentoongesteld. In 1815 maakte Adriaan de Lelie deze lieflijke impressie van een welgesteld gezin. Leuk terzijde: de zuigeling zou uitgroeien tot de bekende schilder Charles Rochussen.

Poppenhuis 1922-1933 Multiplex, triplex en beukenhout (Nederland)

Heel bijzonder is een poppenhuis uit de vroege twintigste eeuw, waarvan de inrichting gedaan is van de Stijl en de meubels van Gerrit Rietveld.

Winkelblik vliegtuig 1924 Blik

Erg leuk is het winkelblik in de vorm van een KLM machine uit 1924. Het stond, gevuld met pepermunt op de toonbank van een snoepwinkel.  Het vliegtuig is gepresenteerd in de nabijheid van het een-na-oudste archeologische object in deze ruimte: een scherf van Romeins aardewerk.  Het dateert van de eerste eeuw van onze jaartelling en is gesierd met een afbeelding van met hoepels spelende kinderen. Het roodbakkende zogenoemde terra sigilata, met gestempeld decoratieve motieven, werd door prof. Isings tijdens haar colleges Provinciaal Romeins als het Wedgwood van de Oudheid bestempeld. De scherven werden door een tuinman in Zwammerdam bij toeval opgegraven

Fragment van een Romeinse kom met de afbeelding van een kinderspel, 1e eeuw n. Chr.
Terra sigillata aardewerk (Trier)

De voorwerpen zijn niet voorzien van objectteksten, maar een virtuele rondleiding op de site van het museum geeft informatie over de getoonde highlights. Door de verhalen achter de getoonde objecten kom je veel te weten over het (soms vergeten) gebruik daarvan. Met wat fantasie komen ook de oorspronkelijke- en latere eigenaren tot leven. Bij de expositie is een informatief boekje verschenen.  

Je komt ogen te kort in deze bijzonder tentoonstelling over 40 jaar Kunst & Kitsch die tot en met 3 november te zien is!

Link: Museum More Kasteel Ruurlo

James Ensor; Maestro. Tot en met 23 juni in Museum BOZAR, Brussel.

De bizarre wereld van James Ensor; een beetje een prettig gestoorde bohemien dacht ik altijd… Zelf dacht hij er getuige het commentaar op een tekening van een pissende man, kennelijk ook zo over. Een film en tentoongestelde foto’s van een gedistingeerde, keurig in het pak gestoken heer weerleggen dit beeld.

Le Pisseur, 1887. Ets. Collectie KBR. Foto Marina Marijnen

Maar die eerste indruk kun je bij het zien van de vaak knotsgekke geschilderde beelden niet helemaal wegdenken. Ze worden ter gelegenheid van het herdenkingsjaar -het is 75 jaar geleden dat de schilder overleed- op twee locaties in Brussel getoond. Het meest bekend is zijn Intrede van Christus in Brussel uit 1889. Een carnavaleske eigentijdse op 16e -eeuwse ‘blijde incomsten’ geïnspireerde gebeurtenis, waarbij een vorst destijds verwelkomd werd. Het rijdier waarop Christus de stad binnenkomt verwijst naar het Bijbelse moment waarop Jezus in Jeruzalem arriveert. Of iedereen met het bezoek van Jezus aan Brussel blij is, is de vraag. Voor Ensor was Brussel met haar ongekende artistieke mogelijkheden het nieuwe Jeruzalem, maar die heilstaat was voor anderen nog ver weg. Zij streden middels stakingen en betogingen voor een nieuwe maatschappelijke orde. Met leuzen die de demonstranten meedroegen verbeeldde Ensor hun roep om deconfessionalisering van de staat, beter onderwijs en algemeen stemrecht.

James Ensor, Naar Intrede van Christus in Brussel in 1889. Handgeknoopt tapijt. Firma Gibau, 2008. Mu.Zee Oostende. detail, foto: Marina Marijnen

De bezoeker krijgt het originele werk niet te zien. In de eerste zaal hangt een wandkleed. Een ongelooflijk knappe handgeknoopte kopie van het monumentale doek dat zich in het Getty museum in Los Angeles bevindt.

De wonderbare, niet in realistische termen te vangen wereld van Ensor, met lachwekkende en angstaanjagende gemaskerde figuren, skeletten en grijnzende doodskoppen vormen ontegenzeglijk voer voor psychologen. Ensor helpt hen een handje: in de souvenirwinkel van zijn ouders grijnsden de maskers hem van alle kanten toe. Later zag hij ze tijdens het Carnaval in Oostende op straat terug. In een interview vertelde hij over zijn excentrieke grootmoeder. Haar voorliefde voor verkleedpartijen en maskerades had hij van geen vreemde. En ook zijn tante was kennelijk besmet met dit virus!

James ensor, Mijn slapende tante die van monsters droomt. Ca. 1888. Potlood op papier, foto Marina Marijnen

Vanaf 1888 zien we deze invloed terug in Ensors toneelmatige tragikomische, vervreemdende composities, waarin 19-eeuwse artistieke invloeden tot een geheel eigen stijl zijn versmolten.

In het BOZAR wordt zijn werk thematisch gepresenteerd: van Carnaval, Maskerade, Dodendans tot Fantasmagorie en meer!

De expositie werpt ook licht op een minder bekende kant van Ensor; hij was een begaafd musicus en componist. Van zijn hand zie je een reeks bijzonder geestige doeken, waaronder In het conservatorium; een karikaturale verbeelding van een generale repetitie. Terwijl de zangers sputum en vieze adem uitstotend Wagners Walkuren ten gehore brengen, stopt de componist getergd zijn vingers in de oren!

James Ensor, In het Conservatorium, 1903. Doek 55 x 71,5 cm. Musée d’Orsay, Parijs,

Verschillende affiches en doeken zijn gewijd aan het door Ensor gecomponeerde marionettenballet La Gamme d’amour uit 1911 dat je op Youtube nog steeds kunt beluisteren.  

James Ensor, La Gamme d’Amour, 1926. Doek 56 x 45,5 cm. Bonnefantenmuseum, Maastricht foto: Marina Marijnen

Heb je na het zien van zijn hier getoonde schilderijen, prenten en tekeningen nog niet genoeg van Ensor? Wandel dan naar de Koninklijke Bibliotheek (uit het Bozar links en 500 mtr verderop de trappen af) en zet daar op de 3e verdieping je reis door leven en werk van James Ensor voort. Hier zie je nog meer schilderijen, schetsboeken, prenten, ontwerpen voor theaterproducties en foto’s met tekst en uitleg over bevriende families en collega-schilders. Hier is ook aandacht voor de kunstenaarsvereniging Les Vingt, waarvan ‘onze eigen’ Jan Toorop ook lid was. Laat je ogen en-passant gaan over het decor waartegen dit alles getoond wordt: de indrukwekkende trapportalen, de prachtige gestucte plafonds, de stoffering en met kristallen kroonluchters verlichte stijlkamers van het Paleis van Karel van Lotharingen.  

Link: James Ensor: Maestro. BOZAR Brussel, tot 23 juni.
Link: James Ensor inspired by Brussels, Koninklijke Bibliotheek, (tot 2 juni) 

Paestum, Stad van Godinnen, tentoonstelling met topstukken uit Italië te zien t/m 25 augustus 2024 in het RMO, Leiden

Paestum revisited in het RMO…
Ongeveer 50 jaar geleden bezocht ik Paestum aan de golf van Salerno. Weg van het door massatoerisme overspoelde Sorrento bevond ik mij helemaal alleen onder de zinderende zomerzon op deze magische plek. Alleen de wind en het geluid van krekels doorbraken de stilte. Terwijl elders bouwwerken uit de Griekse Oudheid gehavend zijn of met de grond gelijkgemaakt, staan de tempels van Paestum na 2500 jaar nog fier overeind. Opgetrokken in de robuuste Dorische bouwstijl; indrukwekkend in al haar eenvoud.

Hoekverband Dorische zuilen Tempel van Athene Paestum

In de 18e eeuw werd de antieke stad Paestum bij toeval herontdekt door ingenieurs die opdracht hadden het zompige gebied droog te leggen. Deze mededeling wekt wellicht bevreemding. Anders dan onder de onder as en puin bedolven gebouwen van Pompeï domineren de tempels van Paestum immers de wijde omtrek. Dit afgelegen gebied werd destijds echter weinig bereisd.

Op een kopie van een Romeinse wegenkaart, de Tabula Peutingeriana, werd de naam van de onbekende stad gevonden: Pestum.
De immense tempels inspireerden verschillende kunstenaars tot romantische impressies, zoals Edmund Hottenroths, Wasserbuffel in der Campagna; waarin de leveranciers van de tegenwoordig wereldwijd gewaardeerde buffelmozzarella centraal staan.

Edmund Hottenroth, Waterbuffels in de Campagna met zicht op de tempels van Paestum, 1854,
collectie Dorotheum Wenen

Tijdens zijn Italienische Reise deed de dichter Johann Wolfgang von Goethe Paestum eveneens aan. De aanblik van de ‘stumpfen, kegelformigen, enggedrangten Saulenmassen’ die totaal niet pasten in zijn ideeën over de ranke Griekse bouwkunst, ervoer hij als ‘furchtbar’. Eenmaal bekomen van zijn teleurstelling vatte hij toch bewondering op voor deze indrukwekkende voorbeelden van oudheidkundige architectuur, waarna hij zich door J.H.W. Tischbein tegen het decor van de Campagna liet portretteren.

Ook de romanticus William Mallord Turner liet zich op een dag met cattivo tempo letterlijk en figuurlijk overdonderen door de aanblik van Paestum. Het British Museum bezit zijn van rond 1830 daterende indrukwekkende werk Paestum in the Storm.

W.M. Turner, Paestum in the Storm, ca. 1830. British Museum, Londen.

Tot 28 augustus staat Paestum centraal in het RMO. Tijdens een inleiding grapt conservator Ruurd Halbertsma dat de bezoeker hier drie tentoonstellingen krijgt voor de prijs van één.

Poseidonia, zoals de stad door tweede generatie Griekse kolonisten werd gedoopt, kent drie bewoningsstadia. Na de Griekse tijd volgen periodes onder achtereenvolgens Lucanische en Romeinse machthebbers.
Kurkmodellen die reizigers van hun Grand Tour als souvenir meebrachten gaven thuisblijvers destijds een idee van de tempels die zij in Paestum hadden bezocht. In de tentoonstelling zie je daar een voorbeeld van.

Anno nu staan eigentijdse visuele hulpmiddelen ons ten dienste. Fantasie is nauwelijks meer nodig. 3-D prints- en reconstructies van de antieke gebouwen, geplaatst tegen een fotografisch decor van het zuid-Italiaanse landschap brengen de bezoeker 2000 jaar terug in de tijd.

Poseidontempel in Paestum foto RMO

Griekse tempels op Italiaans grondgebied; hoe zit dat?
Het verhaal van Paestum, zoals de Romeinen de stad noemden, begint rond 600 v. Chr. wanneer Griekse kolonisten zich in deze vruchtbare rivierdelta vestigden. Die vroege nog uit tenten en hutten opgebouwde nederzetting noemden zij Poseidonia. De kolonie groeide uit tot een welvarende stad met tempels gewijd aan Poseidon, Hera, Athena en Aphrodite.

De vroegste munten dateren van rond 530 v.Chr. en dragen de beeltenis van de beschermgod van de stad, Poseidon; herkenbaar aan zijn drietand. Een reeks opgegraven munten illustreert alle achtereenvolgende bewoningsstadia van de stad.

Munt (stater) | Poseidon met drietand, Zilver, 30,3 mm, ca. 530-500 v.Chr.,
gevonden in Paestum Collectie en foto: Nationale Numismatische Collectie, Amsterdam

Zo’n vijftig jaar na de stichting van de stad werden tussen 560-550 v. Chr. twee aan Hera gewijde tempels gebouwd. Een binnen- en een buiten de muren van de stad, naast de rivier de Silaris.

Voor de constructie van deze tempels pasten bouwers de in hun moederland gangbare bouwstijl toe. Zware op een rechthoekige plattegrond gebouwde zuilen dragen een houten, met terracotta pannen gedekt dak. De cella, het binnenste van het heiligdom, bood ruimte aan het cultusbeeld. Op altaren voor de tempel werden dieren geofferd, die de gelovigen daarna zelf op aten.

De in oude publicaties als basilica aangeduide tempel in de binnenstad, was te oordelen naar de dubbele cella, zowel aan Hera’s hoedanigheid van moeder- als die van krijgsgodin gewijd.

Tempel van Hera, (Basilica), ca. 550 v. Chr., Foto Leonie van Esser.

Behalve bouwstijlen, tradities en gebruiksvoorwerpen hielden de immigranten ook hun verhalen in ere. Ze brachten de aloude mythologische vertellingen aan op de metopen; de gebeeldhouwde reliëfs die de kroonlijst van de tempels sieren. Zoals het geestige, kort en bondig in beeld gebrachte verhaal van Herakles en de Cercopen, waarvan een afgietsel wordt getoond. De als Cercopen aangeduide broers hadden Herakles wapens gestolen. Ze komen er echter niet mee weg en worden door de mythologische krachtpatser gevangengenomen. Hangend aan een stok voert Herakles hen af. Wanneer de jongens in deze oncomfortabele situatie grappen maken over zijn behaarde billen, ziet de held daar ondanks zichzelf de humor van in en stelt de twee op vrije voeten.  

Metoop met Herakles en de Cercopen. Tempel de Foce del Sele. 560-550 v. Chr. Museum Paestum.
Foto Servaas Nijen.
Odysseus en de Sirenen. Wijnkan. 525-500 v. Chr. Staatliche Museen zu Berlin

Ook het Homerische verhaal van Odysseus die  de klip met de verleidelijke, doch levensgevaarlijke zingende zeemonsters Scylla en Charybdis zonder schipbreuk weet te passeren krijgt, getransporteerd op de zuid-Italiaanse Straat van Messina een nieuw decor. Terwijl hij zijn bemanning opdraagt bijenwas in de oren te stoppen, gaat Odysseus zonder oordoppen vastgebonden aan de mast de confrontatie met de sirenen succesvol aan. Deze scène is afgebeeld op een zwartfigurige vaas. Toen Odysseus doortocht zonder problemen had volbracht maakten de sirenen een eind aan hun leven. Leucosia zou in de baai van Poseidonia zijn aangespoeld.

Beeldje van een sirene | Brons, 5,4 x 5,2 x 2,5cm., 6de eeuw v.Chr., uit zuidelijk heiligdom in Paestum Foto Massimiliano Marino

In de tentoonstelling wordt een bronzen beeldje van zo’n Sirene: een vrouw met het lichaam van een vogel, getoond. In de vitrines is een rijke verzameling beeldjes uitgestald, die geofferd werden aan de tempelgodinnen. Daartussen valt een bronzen vrouwenfiguurtje op. Ogenschijnlijk heft zij haar hand ter begroeting, maar deze ondersteunde oorspronkelijk een verdwenen korenmaat op haar hoofd. Een inscriptie onthult niet alleen haar identiteit maar ook haar intentie: Phillo dochter van Charmylidas, wijdt een tiende (van de oogst) aan Athena. TATHANA FILLO CHARMYLIDA DEKATAN.

Votiefbeeldje voor Athena | Brons, h. 13,1 cm., 500-475 v.Chr., uit Paestum
Collectie: Staatliche Museen zu Berlin – Antikensammlung | © foto Johannes Kramer

De vindplaats van het beeldje wierp bovendien licht op de naam van de godin aan wie de grote tempel ten noorden van Paestum gewijd was: Athena, de godin van de wijsheid en tactische oorlogvoering. Deze eveneens in de Dorische stijl opgetrokken tempel dateert van rond 500 v. Chr. De kapitelen van de acht zuilen in de voorhal zijn echter versierd met zogeheten Ionische kapitelen. De krulvormige voluten sieren ook het voetstuk van het beeldje van Phillo.    

Behalve met complete beeldjes dongen de schenksters met fragmenten van terracotta vrouwenhoofden naar de gunsten van de godinnen. Ook kinderen lieten offergaven achter, daarvan getuigt een terracotta speelgoedpopje.

Om plaats te maken voor nieuwe offergaven werden de oudere schenkingen na verloop van tijd ritueel begraven. Deze depots vormen letterlijk en figuurlijk een ware Fundgrube voor onze kennis omtrent religieuze gebruiken.  

In de jaren 470-460 kwam de tempel die het campagnebeeld siert van de grond. De hier gevonden beeldjes van een godin met een granaatappel duiden erop dat ook deze tempel gewijd was aan Hera. Deze iconologie gaat terug op die van de Peloponnesische vruchtbaarheidsgodin Hera van Argos.   

Met zuilen van ruim twee meter in doorsnede maakt deze tweede tempel van Hera een monumentale indruk. Op deze zuilen rustte een houten, met terracotta pannen gedekt dak. In de tentoonstelling zijn de deel nog beschilderde waterspuwers te zien waarmee het hemelwater werd afgevoerd.

Deze en de andere tempels in Paestum werden opgetrokken van een lokale steensoort: travertijn. Ter imitatie van marmer werd dit materiaal wit gestuct en voorzien van kleurrijke beschilderingen, die in de loop der zijn verdwenen. Toen deze ontdekking in de vorige eeuw gepubliceerd werd konden vakgenoten en bezoekers van Paestum en de Atheense Akropolis niet geloven dat de romantisch ogende, ruïneuze tempels ooit met primaire kleuren beschilderd waren.  

Hera met granaatappel Collectie: Parco Archeologico di Paestum e Velia. Foto: Massimiliano Marino

Ook buiten de muren van Paestum, op de oever van de rivier de Sele zijn, op postume aanwijzingen van de Romeinse auteur Strabo (ca. 64 v.Chr.- ca 24 n.Chr.) de contouren van nog een aan Hera gewijde tempel gevonden. In dit gedeelte werden de eerder besproken metopen met voorstellingen van de mythische helden Heracles en Odysseus gevonden. De tempels die deze reliëfs oorspronkelijk sierden, zijn in de Middeleeuwen voor hergebruik ontmanteld; andere bouwfragmenten verdwenen in kalkovens.  

De vondst van een sculptuurtje van Aphrodite bewijst dat in het dorp Santa Venera ten zuiden van Paestum een aan Aphrodite gewijd heiligdom was. Vermoedelijk werden meisjes hier -analoog aan de geboorte van Venus uit de zee- middels een rituele wassing tot vrouw geïnitieerd. Een offervaasje in de vorm van Aphrodite in haar schelp, verwijst naar de oorsprong van dit ritueel.

Vaas met Aphrodite in schelp | Terracotta, hoogte 21,5 cm., 400-300 v.Chr., uit Paestum
Collectie: Parco Archeologico di Paestum e Velia / Italian Ministry of Culture | © foto: Massimiliano Marino

De eigentijdse kunstenares Samantha Thole geeft in gemengde techniek een impressie van deze heilige gebeurtenis.

Samantha Thole, De Inwijding, Ritorno a Santa Venera, gemende techniek, 2024

Bij het heiligdom van Aphrodite werden ook op ovenwanten lijkende objecten gevonden. Het zijn terracotta modellen van baarmoeders, waarmee de schenksters genezing van vrouwenkwalen en oplossing van vruchtbaarheidsproblemen afsmeekten.

Poseidonia onder de Lucaniërs
Rond 420 v. Chr. komt een nieuwe lokale bevolkingsgroep aan de macht: de Lucaniërs. Volgens Strabo waren zij verwant aan de Samnieten. Met de komst van de Lucaniërs ontstaat een hybride samenleving.

Huwelijksvaas | Terracotta, hoogte 52 cm., 4de eeuw v.Chr., uit Paestum
Collectie: Parco Archeologico di Paestum e Velia | © foto: Massimiliano Marino

Getuige de bebouwing en talrijke archeologische vondsten had Poseidonia zich dankzij landbouw en scheepvaart  een welvarende stad ontwikkeld. Daar kwamen de Lucaniërs, een volk van huurlingen in het zuidwestelijk deel van Italië, op af. Of zij hier op vreedzame wijze of gewapenderhand aan de macht kwamen is onduidelijk, maar afgaande op contemporaine graven woonden zij hier al in de late 5e eeuw. Van die tijd dateren prachtige wandschilderingen en rijke grafgiften in de vorm van serviezen en met mythologische voorstellingen beschilderde waterkruiken – zogeheten hydria’s- en huwelijksvazen, die aan vrouwen werden meegegeven.

De Lucaniërs gaven hun overledenen een grote hoeveelheid eet- en drinkservies mee in de graven. Aan vrouwen in het bijzonder werd een hydria of een lebes gamikos meegegeven. Dit is een ‘huwelijkskruik’ die werd gebruikt bij de rituele voorbereidingen bij de bruiloft. Vaak werden hier mythologische verhalen op afgebeeld.

Bijzonder zijn de vaas- en wandschilderingen in de mannengraven. Zoals de scène waarin een fiere ruiter, die terwijl hij twee krijgsgevangenen meevoert, verwelkomd wordt door een priesteres met louterend water. De schilderingen in deze elitegraven zijn kennelijk in haast, terwijl de tombe nog niet was gedicht, in de fresco techniek aangebracht. Daarop duiden sporen van regendruppels en onvolkomenheden door onbedoelde aanraking.  

Wandschildering uit Lucaans graf | Pleisterwerk op travertijn, 91 x 91 x 15 cm., 4de eeuw v.Chr., uit Tomba del 1937 Andriuolo, Paestum Collectie: Museo e Parco Archeologico di Paestum e Velia
© foto Massimiliano Marino

De lichaamshoudingen en gelaatsuitdrukkingen van de afgebeelde figuren zijn zeer realistisch. Zo ook de kwetsuren die de strijders elkaar hebben toegebracht. Door een tik met een boksbeugel heeft een van hen een bloedneus. Hij heeft zijn opponent eveneens geraakt: het bloed spuit uit een wond die hij hem in de flank heeft toegebracht. Deze voorstellingen geven een indruk van de sportwedstrijden die de Lucaniërs, evenals de naburige Etrusken, ter ere van een overledene organiseerden. Het programma bestond uit wagenrennen, bokswedstrijden en gevechten van man tot man, waarmee de moed van de overledene werd onderstreept.

Vergelijk de vaas-schildering op een Amfoor, waarop een vader en zijn zoontje, gezeten op een pony, terugkeren van de strijd. Ze dragen strijd trofeeën en worden eveneens begroet door een priesteres.

Vaasschildering, vader en zoon keren teruguit de strijd, Poseidonia ca. 360-330 v.C.coll. RMO

Verschillende wand- en vaas-schilderingen geven impressies van het Griekse symposium. Anders dan in de huidige betekenis van het woord, werd met deze term een –men only– drinkgelag aangeduid. Terwijl zij aanliggen genieten ze van de goede dingen van het leven: muziek, wijn en elkaar.

Bij de tachtig teruggevonden rijkversierde Lucaanse graven steken de rechthoekige tombes uit de Griekse periode maar povertjes af. De zogeheten Tomba del Tufatore vormt daarop echter een unieke uitzondering. Op de vier wanden zijn eveneens scènes van een symposium te zien. Op het deksel zie je de naakte schoonspringer aan wie het graf haar naam dankt. De sprong in het diepe staat mogelijk voor meer dan plezier alleen en symboliseert wellicht de overgang van het leven naar de dood. 

Reconstructie graf van de duiker 480-470 v.C.Parco Archeologico di Paestum e Velia.(foto:Arte Selato)

Terug naar de Lucaanse beeldverhalen. Deze weerspiegelen de culturele diversiteit van de Poseidonia, waarin Griekse- en lokale tradities samengaan.

Na de machtswisseling ging het leven kennelijk gewoon door. De kunstenaars bleven in de vertrouwde stijl schilderen en getuige de vele votiefgeschenken bleef de bevolking de drie Griekse godinnen vereren. Afbeeldingen op drinkbekers en zogeheten visborden vullen de kennis over het dagelijks leven in die sinds lang verdwenen multiculturele samenleving aan.

Paestum in de Romeinse tijd.
Na de Derde Samnitische oorlog (298-290 v.Chr.) vond wederom een wisseling van de macht plaats. In 273 v. Chr. komen de Romeinen in het verhaal. De Samnitische oorlogen worden geïllustreerd met vaasschilderingen, een gezicht bedekkende Chalkidische helm, scheenbeschermers en een verbazingwekkend anatomisch correct vormgegeven bronzen borstpantser.  Een marmeren reliëf met geknevelde krijgsgevangenen en wanordelijk neergesmeten trofeeën geeft een chaotische impressie van het moment na de strijd. De boodschap kan niet verkeerd worden begrepen: Rome is de baas!

Wapenrusting | Brons, helm hoogte 24 cm., kuras hoogte 46 cm., 4de eeuw v.Chr., Zuid-Italië (Tarente?)
Collectie en foto: Rijksmuseum van Oudheden
Reliëf, architectuurfragment (fries) met oorlogstrofeeën | Marmer, 44 x 90 x 9 cm., 1ste eeuw na Chr., uit Campanië Collectie: Staatliche Museen zu Berlin – Antikensammlung | © foto Johannes Laurentius

De Romeinen herdopen de stad in Paestum en geven haar niet alleen een nieuwe naam, maar met monumentale nieuwbouw van een forum en een amfitheater ook een ander aanzien. Het Grieks-Lucaanse Poseidonia verdween maar vandaag de dag staat de Romeinse bebouwing ook niet meer overeind.  Alleen de Griekse tempels hebben de tand des tijds doorstaan.
De romanisering van de stad werd krachtig ter hand genomen; Romeinse burgers uit Picenum aan de Adriatische Zee moesten zich hier onder dwang vestigen.

Het uiterlijk van de stad was verand, maar de belangstelling voor de oude Griekse cultuur, zoals het theater, blijft bestaan. Het repertoire van Griekse tragediën wordt  aangevuld met Romeinse kluchten. De ten toon gestelde voorbeelden van komische en tragische toneelmaskers die je terug in de vaasschilderingen. Deze verraden een duidelijke voorliefde voor onderbroekenlol. De acteurs zijn vereeuwigd met dikke buiken, dito billen en wel erg robuuste (namaak)penissen. De stemming steeg kennelijk ten koste van het peil.

Met de kolderieke verbeelding van de heldendaden van Heracles en de avonturen van Odysseus had de Griekse tragedie aldus Halbertsma, plaats gemaakt voor het theater van de lach!

Aanvankelijk floreerde de Romeinse stad, maar daar kwam na de aanleg van de Via Popilia een einde aan. Het zuiden van het voormalig Griekse Italische schiereiland werd in 132 v. Chr. met de aanleg van deze heirweg aangesloten op het Romeinse wegennet. Paestum lag echter uit de route, waardoor de handel een gevoelig klap werd toegebracht.  

Uithangbord met herbergier, reiziger en muilezel | Kalksteen, 96,0 x 60,0 x 36,0 x 423 cm., 75-100 na Chr., uit Aesernia (Samnium) Collectie: Parijs, Musée du Louvre, inv. MA3165 |
© foto: GrandPalaisRmn (musée du Louvre) / Mathieu Rabeau

Van deze periode dateert een stenen uithangbord van een zogeheten Mansio -het motel van de Oudheid- langs antieke ‘autostrada del sole’. De humoristische tekst wil ik u niet onthouden. De eigenaar, op wie de auteur Mary Beard haar Mr. Hotsex baseerde en zijn vrouw informeren de clientèle over de diensten en bijbehorende tarieven die Lucius Calidius Eroticus en Fannia Voluptas hanteren:

‘Lucius Calidius Eroticus plaatste deze steen bij leven voor zichzelf en voor Fannia Voluptas.’
‘Laten we afrekenen: een karaf wijn en brood, één as.

Warme maaltijd, twee as.’ ‘In orde.’
‘Het meisje vannacht, acht as.’
‘Ook in orde.’
‘Hooi voor de muilezel, twee as.’
‘Ik ga nog failliet aan dat verdomde beest!’

De vroegere handel raakte in het slop, maar de inwoners van Paestum zetten een nieuwe tak van nijverheid op; de productie van parfum en glazen flesjes om deze te bottelen. Door het gunstige klimaat bloeien de rozen hier tweemaal per jaar. Niet alleen Vergilius, maar ook Ovidius en Martialis bezingen de heerlijke rozengeur in hun gedichten; je leest ze op de wand.

Toch is niet alles rozengeur en maneschijn. Klimatologische veranderingen maken geleidelijk aan een einde aan Paestum. Door kalkafzetting slibben de rivieren in de 3e eeuw dicht met overstroming en moerasvorming tot gevolg. Geplaagd door malaria zoeken de bewoners het vijf km oostwaarts hogerop. Hier stichtten ze een nieuwe stad Caput Aquae, bron van water, het huidige Capaccio. Ze laten hun huizen en tempels achter, maar nemen de antieke stadsgodin Hera mee. Als de Madonna del Granato ondergaat zij voorzien van het attribuut van haar heidense voorganger, een christelijke transformatie.

Conclusie: ondanks de discontinuïteit aangaande de macht is er al millennia lang continuïteit in de verering van de godinnen.

Link: Paestum Rijksmuseum van Oudheden Leiden

Romeinse Villa’s in Limburg. Tot en met 25 augustus in het RMO Leiden.

Gelijktijdig met de tentoonstelling over Paestum presenteert het RMO een expositie over Romeinse villa’s die tweeduizend jaar geleden in de heuvels van Limburg te vinden waren. Geen vrijstaande woningen op stand, maar grote commerciële akkerbouwbedrijven, die de regio van graan voorzagen. Naast zo’n luxe, zogeheten villa rustica bevonden zich dienstwoningen, opslagruimtes, stallen, werkplaatsen, siertuinen en grote akkers. Deze omschrijving deed me denken aan de locatie waar Bernardo Bertolucci’s film Novecento uit 1976 zich afspeelt. 

Reconstructietekening van de Romeinse villa bij Vlengendaal | © Remy Kooi – Submedia

Van deze Romeinse bewoningsperiode is nu, behalve op foto’s niets meer te zien, maar opgravingen van zo’n twintig Limburgse villa’s bevestigen het bestaan ervan. Wegens geldgebrek is het uitwerken van het archeologisch veldwerk dat tijdens de eerste helft van de vorige eeuw plaats vond, jarenlang blijven liggen. Met steun van het Mondriaanfonds konden de verstofte aantekeningen en materiële resten de afgelopen jaren alsnog worden bestudeerd. De onderzoeksresultaten zijn in een wetenschappelijke uitgave van het RMO verwerkt en voor belangstellenden eveneens toegankelijk gemaakt in een publieksboekje.

Impressie van de Villa Voerendaal- Ten Hove in het Limburgs landschap rond 200 n.C.

De ontdekking van die Romeinse villa’s in Limburg wekte destijds niet alleen belangstelling van wetenschappers, maar getuige een groepsfoto uit die tijd, ook van enkele met Maxima-waardige hoeden getooide dames en zelfs van meneer pastoor!

Belangstellenden tijdens opgraving aan het begin van de twintigste eeuw

Via de collectiezoeker van het RMO kun je allerlei oude opgravingsfoto’s bekijken. Bebaarde werklieden, hun petten diep over de ogen getrokken, houden tijdens het graafwerk even halt om in de lens van de fotograaf te kijken. Kennelijk doordrongen van de ernst van de zaak, want er kan geen lachje af! Op een van de foto’s zie je in de achtergrond de sinds lang uit het landschap verdwenen hooischelven.

Met foto’s, nauwkeurige archeologisch tekeningen en talrijke bodemvondsten worden de verschillende bewoningsperiodes in beeld gebracht. De publicatie geeft toelichting over de historische context en de expansiedrift van de Romeinen. Daarin wordt de lezer ook geïnformeerd over de positie van Limburg binnen het Romeinse Rijk en de relaties met bondgenoten. Deze voegden zich niet altijd naar de Romeinse mores. Tijdens de Bataafse Opstand van 69/70 keerde de lokale bevolking zich tegen de uitheemse machthebbers. In de bodem van ons land zijn bij alle grensforten langs de Limes, de noordgrens van het Romeinse Rijk, brandsporen van deze revolte teruggevonden. Toen na 83 de rust weer was weergekeerd werden de forten herbouwd en bestuurlijke hervormingen doorgevoerd. Limburg kwam onder het bestuur van de nieuwe provincie Germania Inferior, dat vanuit Keulen, destijds voluit: Colonia Claudia Agrippinensium, werd bestuurd.

Germania Inferior was onderverdeeld in kleinere bestuurseenheden, de zogeheten civitates. Noord-Limburg hoorde bij de civitas Batavorum met Nijmegen (Noviomagus) als hoofdstad. De rest van Limburg ressorteerde onder de civitas Traianensium met Colonia Ulpia Traiana (Xanten) als bestuurszetel. De streek rond Maastricht tenslotte viel onder de civitas Tungrorum, het huidige Tongeren.

Bewoningsgeschiedenis en Grafcultuur

Hypocaustu

De vroegste huizen die uit eenvoudige houten constructies bestonden, werden in de loop van de tijd vervangen door stenen woningen. Dankzij de opbrengsten van het graanland konden de eigenaren hun woningen in de late tweede en vroege derde eeuw steeds mooier maken en voorzien van glazen ramen ook comfortabeler. De villa van Voerendaal-Ten Hove kreeg met een zuilengalerij aan de voorzijde zelfs een mediterraan aanzien. Bij enkele villa’s, zoals Kerkrade-Holzkuil, werden sporen van verwarmde badhuizen gevonden. Badderen moet in deze contreien een synoniem geweest zijn voor bibberen, maar daar hadden de Romeinen iets op gevonden. Met een ingenieus vloerverwarmingssysteem, de zogeheten hypocaustum, werd niet alleen het badhuis, maar ook het water verwarmd. Vanuit een stookruimte, het prefurnium, werd hete lucht onder de op kleine gestapelde stenen rustende vloer gebracht.

Voor een idee van zo’n Romeins badhuis hoef je niet naar Rome. In het Thermenmuseum in Heerlen krijg je een perfecte indruk van een zogeheten Balneum.

Badhuis villa Lemiers tijdens de opgraving

In de tentoonstelling zijn verschillende aan het badhuis gerelateerde objecten te zien. Zoals glazen flesjes en een strigilis, een schraper waarmee de op de huid gesmeerde olijfolie van de huid werd gescrubd. Zeep kenden de Romeinen vreemd genoeg nog niet. Tussen de antieke toiletartikelen bevindt zich een bijzonder kleinood: een bronzen flesje voor badolie in de gedaante van Antinoös de geliefde van keizer Hadrianus.

Grafvondst Bocholtz, bronzen flesje in de vorm van Antinoös, de geliefde (m) van keizer Hadrianus

Wie waren de eigenaren van deze villa’s? Onder hen bevonden zich vermoedelijk veteranen uit het Romeinse leger. Na afloop van hun 25-jarig contract ontvingen deze afzwaaiers het Romeinse burgerrecht en een stuk land. Via een netwerk onderhielden de bewoners van deze villa’s onderling contacten. Daarvan getuigt een bronzen plaatje met opschrift dat door een villa eigenaar uit Xanten werd geschonken aan Marcus Vitalinius.

De bewoners van de villa’s waren aan hun grond gehecht en werden veelal op het eigen landgoed begraven. Sommige doden werden bijgezet in eenvoudige vierkante askisten. Anderen vonden hun laatste rustplaats in fraaie sarcofagen, die aan de buitenkant met beeldhouwwerk en graveringen versierd werden. De sarcofaag van Simpelveld is aan de binnenzijde met gebeeldhouwde reliëfs ingericht als een knus huisje. De overleden dame ligt in -requiem aeternam- relaxed op haar rustbed van waar ze zicht heeft op een afbeelding van haar luxueuze villa. Onder het pannendak zie je zelfs de houten luiken naast de kleine glazen kruisvensters.

De Sarcofaag van Simpelveld, Nivelsteiner zandsteen. 228 x 111 x 3 cm. 150-175 n.Chr.
Collectie en foto RMO, Leiden
Binnenzijde sarcofaag van Simpelveld

Door haar in de vitrines getoonde persoonlijke bezittingen, waaronder een parfumflesje en een bronzen make-up doosje, komt deze onbekende vrouw uit het verre verleden heel dichtbij. De 3-D reconstructie van deze sarcofaag die je mag aanraken, maakt deze beleving compleet!

De informatie die de contemporaine Romeinse auteur Columella de lezers in zijn De Re Rustica voorschotelt, completeert het beeld dat de archeologische vondsten van het Romeinse landleven in Limburg ons geven. Via een interactieve verkenning kan de museumbezoeker de verschillende bouwstadia van de villa van Voerendaal over een periode van driehonderd jaar volgen.

In de nabijheid van Heerlen werden eenvoudige askisten gevonden. Deze bevatten naast crematieresten wel een keur aan kostbare grafgiften. Flesjes in de vorm van druiventrossen, een klein flaconnetje met smeedwerk in goud en blauw email versierd.

Grafvondsten Heerlen, eind 2e- 1e helft 3e eeuw. Collectie en foto RMO, Leiden.

De ruim 200 archeologische objecten geven niet alleen een inkijkje in het leven van de bewoners van het luxe hoofdgebouw; er is ook aandacht voor de mensen die het land bewerkten. Het dagelijks leven, wonen en werken wordt behalve met persoonlijke bezittingen, gebruiksvoorwerpen en landbouwwerktuigen ook geïllustreerd met sculpturen, mozaïeken en fragmenten van fresco’s.   

Het interieur van de villa’s en de badhuizen was niet zelden versierd met wandschilderingen; eenvoudige lineaire decoraties en imitaties van marmer. Bij een villa in Maasbracht kwamen zelfs fragmenten met afbeeldingen van gladiatoren en mythologische figuren tevoorschijn en vermoedelijk: portretten van de bewoners. In de tentoonstelling is daarvan een metershoge reconstructie te zien. Maquettes, 3-D reconstructies en de film over Romeinse villa’s in Limburg brengen het verleden tot leven.                                           

Uitsnede uit de reconstructie van een muurschildering uit de villa van Maasbracht 14,5 x 26 cm.
Fresco. 100-200 n.Chr. Collectie en foto: Provinciaal Depot voor Bodemvondsten Limburgh

In deze mooie en leerzame tentoonstelling over het onbekende verleden van Limburg doe ik een interessante ontdekking. Als museumdocent in Museum Castellum Hoge Woerd vertel ik dat de bemanning van de hier ondergebrachte Romeinse platbodem zelf brood moest bakken. Nu weet ik waar dat graan, aangevoerd over waterwegen van Maas-, Waal en Rijn, vandaan kwam. In de expositie zijn zelfs enkele minuscule verkoolde graankorrels te zien. De vruchtbare lössgrond vormde een prima voedingsbodem voor het verbouwen van spelt. Het arbeidsintensieve traject van zaaien tot oogsten wordt geïllustreerd met verschillende traditionele en nieuw uitgevonden landbouwwerktuigen. Interessant is een geavanceerde door een man en muildier aangedreven oogstmachine, de zogeheten Vallus. Een tweede, voor het werktuig lopende man, duwde de halmen met een hark in de met scherpe tanden toegeruste bak waarin de afgesneden rijpe aren werden opgevangen.  

Reconstructie van de Vallus, de Romeinse oogstmachine op basis van Reliëfs uit Trier (D) en Buzenol (B)

Op de boerenbedrijven werd niet alleen het door de Romeinen geïmporteerde spelt verbouwd. Er waren ook moestuinen en boomgaarden met eveneens door hen geïntroduceerde appel-, kersen-, noten en abrikozenbomen. De opbrengst vormde een aanvulling op het dagelijks menu. De overproductie werd verhandeld. Ook levende have werd gehouden: koeien, geiten, varkens en schapen en eveneens uit het zuiden meegenomen kippen. De scharreldieren kregen een belletje om, opdat ze niet verloren zouden lopen. Behalve vlees leverden de dieren materiaal om kleding, schoeisel en gebruiksvoorwerpen te maken, waarmee de welvarende Romeinse villa’s grotendeels zelfvoorzienend waren.

Aan het eind van de 2e eeuw begint het tij echter te keren. Brandsporen in de bewoningslaag van die periode duiden op onrust en misschien zelfs opstand van de lokale bevolking. Bodemvondsten van later datum geven aan dat de bewoners deze dip weer te boven kwamen. Ze houden stand, maar ten tijde van de zogeheten soldatenkeizers (284-285) neemt de onrust weer toe. Met bestuurlijke hervormingen en versterkingen van de limes probeerde keizer Diocletianus (284-305) de neergang af te wenden. Daartoe werden in Germanië gerekruteerde hulptroepen, de zogeheten foederati, ingezet. In de bodem van Kessel werd een schat gevonden, bestaande uit 13 gouden munten en een verzilverde deels goud vergulde helm die daar in een onrustige tijd mogelijk in veiligheid werd gebracht. De voorwerpen kunnen echter ook als offer aan de aarde zijn toevertrouwd. In dat geval werpt de vondst interessant licht op de religieuze beleving in die die dagen. Dat de helm, gesierd met het Christusmonogram, een andere god was toegewijd dan die welke de Romeinen vereerden, was kennelijk geen probleem.

Verzilverde en vergulde helm en zes munten uit de schatvondst van Kessel
Haantje brons en email, coll.Limburgs museum

In Limburg werden vaker offers gebracht, ook aan lokale goden. Bij een heiligdom boven Sittard werd een bronzen met email versierd haantje gevonden. De inscriptie onthult dat Ulpius Verinus, veteraan van het zesde legioen in Brittannia, het schonk aan de (lokale ‘Limburgse’) godin Arcanua.

Door externe factoren als binnenvallende volken en interne bestuurlijke problemen en corruptie brokkelde de wijdverspreide macht van Rome geleidelijk aan af. In de late derde eeuw kwam aan de bewoningsgeschiedenis van de Romeinse villa’s in Limburg een einde. De gebouwen werden verwoest, afgebrand en verlaten.

In 476 n. Chr. was het gedaan met de Romeinse oppermacht in West-Europa. Frankische foederati grepen de macht, waarmee het Merovingische Rijk begon. 

Het slotakkoord van de tentoonstelling wordt gevormd door een beker en een beeldje van een beer; objecten die vermoedelijk als ‘verlatingsoffer’ aan de aarde werden toevertrouwd door mensen die huis en haard moesten achterlaten.  

Offervondst uit Kerkrade-Winckelen terracotta beer en spreukbeker aardewerk.

In het Limburgse landschap is er niets meer van de zien, maar de archeologische vondsten leggen een stille getuigenis af van de bloeitijd van de villa rustica in het zuiden van ons land.

De tentoonstelling kwam tot stand in samenwerking met het Limburgs Museum in Venlo en het Thermenmuseum in Heerlen, waar deze na 25 augustus, resp. van oktober tot april- en van juni tot oktober 2025 te zien zal zijn. In Heerlen kun je meteen een kijkje nemen in het welhaast kosmopolitisch badhuis dat hier in eerste aanleg rond 40 n.Chr. werd gebouwd. Behalve baden kon je in Coriovalum ook sporten in de Palaestra, genieten van een massage en na afloop wat eten of  winkelen.

Link: Tentoonstelling Romeinse Villa’s in Limburg RMO Leiden

Aan het Water.  in Museum More, Gorssel, tot en met 8 september

Kasper Niehaus, Zomer aan de Kaag, ongedateerd, collectie Kunsthandel Ivo Bouwman

Nederland Waterland; in de tentoongestelde werken kruipt het water zelfs waar het niet gaan kan.  Soms moet je heel goed kijken om het te ontdekken, maar in de meeste schilderijen, tekeningen en prenten en zelfs in een voorbeeld van naaldkunst is dit fluïde element aanwezig. Aanzwellend in de branding, stromend in een rivier of stilstaand. Het element water heeft menige pen in beweging gebracht, resulterend in dichterlijke mijmeringen waarbij ook woest kolkende gevoelens aanwezig zijn. Zonder luid-sprekende bezoekers kun je de stem van Tommy Wieringa, die een selectie van twaalf watergedichten voordraagt, verstaan.

Onderwijl passeren ca. vijftig werken van Jan Toorop, Edgar Fernhout, Sal Meijer en vele anderen de revue in deze intieme tentoonstelling. De oudste ontstonden eind 19e eeuw, de jongste dragen recente dateringen.

Water, we kunnen niet zonder. Ieder mens heeft het dagelijkse nodig maar daarnaast is water onontbeerlijk voor transport, industriële activiteit en recreatie. Alle gebruiksvormen zijn aanwezig op één na: bad- en zwemwater (of heb ik iets gemist?). Wat hierbij in de buurt komt is een humoresk doek van Ferdinand Erfmann met Baadsters die op het strand liggen te zonnebaden.

Sinds oudtestamentische tijden boezemt water vrees in. Een verbeelding van de Bijbelse zondvloed zag ik niet, maar wel een door mensenhand gecreëerde desastreuze overstroming. In zijn Inundatie uit 1944 gaf Henk Chabot een impressie van de verwoestende kracht van zeewater, dat het land overspoelde nadat de Duitsers de dijken moedwillig hadden gebombardeerd om de opmars van de geallieerden te stoppen.

Het laatste woord over de zegeningen en de gevaren van water is nog niet gezegd. Vrees voor het almaar stijgende zeewaterpeil is groter dan ooit. In weerwil van de overvloedige regenval in dit voorjaar, dreigt paradoxaal genoeg een alarmerend tekort aan water. Er zal echt iets moeten gebeuren; het doorspoelen van het toilet met Spa blauw, zoals de topman van Vitens ons kraanwater noemt zal snel tot het verleden moeten gaan behoren.  

Jan Toorop, Zee, 1899, Kröller-Müller Museum Otterlo, verworven met steun van Vereniging Rembrandt

Terug naar de tentoonstelling waarin je ziet hoe elke kunstenaar de verbeelding van het thema op eigen wijze heeft weergegeven. Figuratief of (bijna) abstract. Alle ‘ismen’ zijn vertegenwoordigd. Van Jan Toorop zie je twee impressies van de Zee. Een vredig pointillistisch doek uit 1899 en een dynamische op Van Gogh geïnspireerde expressionistische variant met een schuimende branding. Ruim vijftig jaar later vertaalde Edgar Fernhout, zoon van Charley Toorop, zijn waarneming van de branding in een welhaast abstract beeld.

Sal Meijer, Oudezijds Achterburgwal, Amsterdam ca. 1910, Museum More


In de tentoonstelling zie je voorbeelden van het stralende luminisme, maar ook realistische, soms enigszins naïeve werken en stadsgezichten in de zogeheten Nieuwe Zakelijkheid, zoals Toon van den Muysenbergs impressie van de Nieuwe Amstelbrug uit 1962. Eerder ontstond Sal Meijers in een monochroom palet gedane impressie van de toen nog verstilde Achterburgwal. Toepasselijk decor voor de film Kruimeltje! Wim Oepts stond in 1932 ook aan een Amsterdamse gracht en gaf zijn waarneming in enigszins naïeve vormen weer. We blijven nog even in Amsterdam en staan stil bij een feeërieke nocturne: Victor de Budt’s Damrak bij nacht uit 1925.

Victor de Budt, Damrak bij nacht, 1925, Pastel op papier, Arnold Ligthart kunsthandel, Amsterdam

Ook poelen en vijvers zijn op het doek beland, zoals Marian Plugs op Monets Lily Pond geïnspireerde Vijver uit 2023. Zij is een van de weinige vrouwen in deze tentoonstelling. Jeanne Bieruma Oosting gaf met haar Vissen in 1976 een impressie van hetgeen zich onder het wateroppervlak bevindt. Christine van Zeegen ging ook kopje onder en bracht met haar borduurwerk Zeeanemoon de diepzeewereld met naald en draad in beeld. In het themanummer Verhalend Textiel van Kunstschrift (april/mei 2024) las ik een bijdrage over deze vergeten vrouwelijke naaldkunstenares die, vaak naar ontwerp van haar broer Janus, de prachtige wandkleden creëerde die tot 16 september in het Drents Museum te zien zijn.

Christina van Zeegen (1890-1973), Zeeanemoon, ongedateerd, geborduurd schilderij, collectie ©Centraal Museum, schenking 2003 foto Ernst Moritz copyrights CMU/ Ernst Moritz 02-2004

Uit de eigen collectie van Museum More zie je Jan Mankes’ mysterieuze Avondschemering.  In dit werk is speelt het element lucht weliswaar de hoofdrol, maar de vaart langs de Woudsterweg rechtvaardigt Mankes deelname aan deze expositie. Van zijn hand zie je verderop in het museum nog meer werken.  

Rein Draijer, Hollands landschap, 1975 particuliere collectie

De geschilderde beelden roepen bij mij ook literaire en muzikale herinneringen op. Bij Rein Draijers Hollands Landschap uit 1975, samengesteld uit enkele gestileerde witte en groene vormen, borrelt Willem Nijhofs gedicht Denkend aan Holland uit een verre declamatieles op. De vrouw van het passerende binnenvaartschip, die psalmodiërend de was op hangt moet je er even bij denken!

Maurice Sys, Zuiderzee

Bepaald nostalgisch tenslotte is Maurice Sys impressie van de Zuiderzee uit 1918  waarin zich aan de horizon in de in elkaar overlopende water- en luchtpartijen twee botters aftekenen. In mijn auditieve geheugen weerklinken de stemmen uit de in 1959 populaire weemoedige Zuiderzee-Ballade.

Link: Museum More, aan ’t water

De Schepping van de Wetenschap. Tot en met 2 juni 2024 in Museum Catharijneconvent.

Religie en wetenschap onverenigbaar? Vergeet het maar!

Earthrise (aardopkomst) is een foto van de Aarde, gemaakt in 1968 door astronaut William Anders tijdens de Apollo 8-missie. De officiële naam van de foto is afbeelding AS8-14-2383. Bron Wikipedia

De tentoonstelling laat zien dat mensen sinds jaar en dag in religie en wetenschap niet alleen antwoorden zoeken op existentiële vragen maar ook op onverklaarbare verschijnselen die hun verwondering wekken. Beide disciplines staan sedert het midden van de 19e eeuw op gespannen -soms zelfs vijandige- voet met elkaar. Althans dat wordt vaak gedacht. Ten onrechte menen de samenstellers van deze expositie, die in samenwerking met Teylers Museum en Rijksmuseum Boerhaave tot stand kwam. Voorafgaand aan de opening laten de conservatoren Lieke Wijnia en Geertje Dekkers zien dat onderzoek van de omringende wereld in het verleden -maar ook nu nog- juist vanuit een religieuze vraagstelling voortkwam!
Zij proberen het stereotype beeld te nuanceren. De gedachte dat wetenschap en religie onverenigbaar zouden zijn komt voort uit de lotgevallen van Galileo Galilei (1564-1642) die rond 1612 durfde te tornen aan het gangbare wereldbeeld. De Rooms Katholieke kerk beschouwde de aarde als het middelpunt van de schepping, zoals ook de oude Grieken hadden gedacht. Daarvan getuigt een kleurrijke verbeelding van de kosmos die de cartograaf Andreas Cellarius in de late 17e eeuw, gebaseerd op de ideeën van Claudius Ptolemaeus (2e eeuw) publiceerde. Sinds mensenheugenis wordt de stand van de hemellichamen bestudeerd. Met de verworven informatie werd vroeger het juiste moment bepaald om gewassen te zaaien. Tegenwoordig is dat niet meer nodig. De data van verschillende religieuze feesten worden nog altijd bepaald aan de hand van de stand van de maan. De stand van de sterren hielp bovendien bij navigatie op zee en over land.

Door eigen waarneming ontdekte Galilei dat de door Nicolaus Copernicus in 1543 gepresenteerde destijds controversiële visie op de relatie tussen de zon en de aarde op waarheid berustte. Copernicus publicatie de Revolutionibus orbium coelestium, ligt in de expositie open bij de afbeelding waarin de zon het middelpunt is van de kosmos. Niet de zon draait om de aarde, maar de aarde draait om de zon!

Met deze wereldschokkende ontdekking veranderde het wereldbeeld van geocentrisch in heliocentrisch. Toen Galileo vasthield aan zijn bewering werd hij door de kerkelijke autoriteiten in 1633 gedwongen om zijn bevindingen te herroepen. Hij veranderde echter niet van gedachten. Volgens een anekdote mompelde hij binnensmonds …e pur’ si muove… [en toch beweegt ze].

Het zou echter nog tot 1992 duren eer Paus Johannes Paulus II Galilei in het gelijk stelde en rehabiliteerde. Geloof en sterrenkunde gaan in de Rooms Katholieke kerk al langer hand in hand, zoals foto’s van religieuze sterrenkundigen laten zien.  

De tentoonstelling werpt nieuw licht op de ontwikkeling van wetenschappen als astronomie, anatomie, biologie en geologie. Deze eeuwenlange geschiedenis is niet los te denken van het christendom. Anders dan vaak gedacht blijkt dat de onderlinge relatie tussen religie en wetenschap tot de huidige dag veeleer dynamisch, veelzijdig èn verrassend is!

Newtoniaanse spiegeltelescoop, 1736. Leiden, Museum Boerhaave.

In de introductiezaal staat een enorme spiegeltelescoop uit 1736. Met zo’n instrument deed Isaac Newton (1643-1727) zijn waarnemingen. In deze ruimte informeert een sympathieke stem met een licht Amsterdams accent de bezoeker over de fascinatie met de ruimte en de hier getoonde objecten. Als ervaringsdeskundige weet astronaut André Kuipers als geen ander waarover hij het heeft!
Ter illustratie van de invloed van de Bijbel op het wetenschappelijk denken wordt een kostbare geïllustreerde Bijbel getoond. Het 13e -eeuwse manuscript ligt open bij het boek Genesis. In de versierde beginletter, een zogeheten gehistorieerde initiaal, worden alle dagen van de schepping in beeld gebracht.

Het spanningsveld tussen geloven en zelf onderzoeken wordt mooi verbeeld in een schilderij van Hendrick ter Brugghen uit 1622. De in het evangelie beschreven ongelovige Thomas doet, door zijn vinger in de zijdewond van Jezus te steken, op empirische wijze onderzoek naar het waarheidsgehalte van diens opstanding uit de dood. De gedachte eerst zien, dan geloven wordt onderstreept door de discipel die er, gewapend met een knijpbril met zijn neus bovenop staat. Ook in zijn optische hulpmiddel komen religie en wetenschap samen.

In het daarnaast getoonde sculptuurtje van Kathrin Schlegel komen verleden en heden samen. Dit eigentijdse kunstwerk -waarvan meer voorbeelden in de expositie te zien zijn- geeft haar betekenis niet een-twee-drie prijs. Als je goed kijkt herken je een in een wond gestoken vinger. Je ziet het niet, maar het werk heeft een extra betekenislaag. Het is gemaakt van een omgesmolten, want overbodige, miskelk!

Kathrin Schlegel, Vessel to flesh, 2023. Coll. Kunstenaar

De expositie is ingericht aan de hand van 4 kijkrichtingen. De blik naar Boven is gericht op de hemel. De blik naar Binnen onderzoekt letterlijk de ‘inwendige’ mens en haar plaats in de wereld. Bij de blik naar Buiten wordt al wat groeit en bloeit bekeken. De blik naar Beneden richt de focus op de aarde. In de laatste sectie ontmoet de bezoeker wellicht het meest indrukwekkende object in deze tentoonstelling: de Homo diluvii testis. Dit fossiel uit de collectie van Teylers Museum werd ooit aangezien voor een tijdens de Bijbelse zondvloed verdronken mens.

In de zalen en kloostergangen van het oude convent maakt de bezoeker een fascinerende reis door de tijd. Door de eeuwen heen stonden religie en wetenschap soms tegenover elkaar, maar ze gingen ook vaak op verrassende wijze samen. Dit laatste wordt onder meer geïllustreerd met een ontroerend filmpje dat in 1968 aan boord van de Apollo 8 werd opgenomen. In de geavanceerde technische bagage van de astronauten bevond zich ook een Bijbel. Deze mannen waren zich ervan bewust dat ze veel konden, maar de grote geheimen van het heelal en het ontstaan van het leven op aarde konden ze niet bevatten. Terwijl zij op kerstavond een rondje om de maan vlogen lazen de crewleden om beurten voor uit het scheppingsverhaal, waarna zij de thuisblijvers op planeet aarde een gelukkig kerstfeest wensten. Van die reis dateert William Anders iconische foto: Earthrise, die de cover van het begeleidende boek siert. Naast deze bijzondere kerstgroet hangt een poster met een heel andere boodschap: Er is geen God! De vrolijke Russische kosmonaut German Titov was tijdens zijn ruimtereis in 1961 God niet tegengekomen en engelen evenmin!

Vladimir Menshikov, Er is Geen God, Affiche, 1975. Clinton, Icon Museum and Study Center

Tijdens een lezing bekende de populaire sterrenkundige Govert Schilling dat astrofysici weliswaar veel, maar tegelijkertijd ook weinig weten. Over het precieze ontstaan van het onmetelijke heelal en het ontstaan van de mens tasten ook de knapste astronomen nog in het duister. De enige zekerheid is dat we van sterrenstof gemaakt zijn en dat we tot stof zullen wederkeren. Saillant detail; de theorie van de oerknal als verklaring van het ontstaan van het heelal, werd door een katholieke priester geformuleerd.

Eerste foto van een zwart gat in de Melkweg,
2019. Event Horizon Telescope Collaboration

Een recent voorbeeld van de synthese tussen religie en wetenschap lees je bij de spectaculaire foto van een zwart gat, waarmee de astrofysicus Heino Falcke en zijn team de wereld in 2019 verraste. Deze knappe kop, die het observatorium regelmatig voor de preekstoel verruilt, omschrijft dit fenomeen als de poort naar de hel. Alles wat daar binnenkomt wordt verzwolgen… Bij dit scenario moest ik denken aan de dichter Dante en zijn metgezel Vergilius, die, zoals beschreven in La Divina Commedia, ruim 700 jaar geleden bij de poorten van de hel werden begroet met de volgende woorden:   

…’lasciate ogni speranza, voi ch’entrate’….  

Virtueel bezoek 
In de spectaculair ingerichte grote zaal zie je diverse hemelglobes en astrolabia, waarmee de stand van de hemellichamen kan worden bestudeerd. Hier ligt ook de oudst bekende rudimentaire telescoop die bij archeologisch graafwerk in Delft aan het licht kwam. In de vitrines liggen de originele publicaties van Copernicus en Galilei. Blikvanger is de indrukwekkende blow-up van de sterrenhemel uit het planetarium van Eyse Eysinga (1744-1828). Deze godvrezende, eenvoudige handwerksman had een bijzondere hobby. In zeven jaar tijd construeerde hij in zijn woonhuis in Franeker een getrouwe weergave van het firmament. Via een ingenieus raderwerk op zolder bewegen alle hemellichamen sinds 1710 tot de dag van vandaag op de minuut nauwkeurig; echt ongelooflijk! Hier gaat de stelling op: achter elke grote man staat een vrouw. Zijn echtgenote vond ook alles maar goed: tot in de bedstede hingen gewichten om de boel in het juiste tempo te laten draaien!
Met vooruitziende blik beschreef Eysinga in een handleiding de correctie die om de 4 jaar handmatig op zolder moest worden uitgevoerd. Dit jaar was het weer zover: de huidige directeur van het Planetarium liet het raderwerk letterlijk en figuurlijk een tandje minder lopen om het systeem van 1 maart terug te zetten naar 29 februari!

Planetarium Eyse Eysinga in zijn woonhuis te Franeker 1710

Niet iedereen was verrukt over de geheimen van het onmetelijke en niet te bevatten heelal. De soms aan angst grenzende verwondering over de verschijnselen aan het firmament wordt treffend geïllustreerd met een 17e -eeuws paneeltje. Lieve Verschuier gaf een impressie van de consternatie die in 1680 in Rotterdam ontstond toen een staartster aan de hemel verscheen. Geprogrammeerd door Bijbelse onheilstijdingen, waaraan hemeltekenen vooraf zouden gaan, kijkt een vrouw angstig weg. Gewapend met een Jacobsstaf kunnen anderen hun ogen niet van de komeet af houden. In 1774 liet een onheilsprofeet van zich horen. Gebaseerd op zijn bestudering van de sterren voorspelde de Friese predikant Eelco Alta het naderende einde der tijden.

Staartster boven Rotterdam, Lieve Verschuier, 1680. Rotterdam, Museum Rotterdam

In deze ruimte bevestigen foto’s van een pater en twee nonnen de zojuist genoemde relatie tussen de Rooms Katholieke kerk en de sterrenkunde. Giuseppe Laïs (1845-1921), lid van de congregatie der Oratorianen, is er even bij gaan liggen om de sterrenhemel door een enorme telescoop te bestuderen. Deze zogeheten Carte de Ciel telescoop staat opgesteld in het astronomische onderzoeksinstituut van het Vaticaan, de Specola Vaticana in Castel Gandolfo. Het ontstaan van dit sterrenkundig instituut dateert uit de tijd waarin Paus Gregorius XIII in 1582 de kerkelijke kalender liet hervormen. De fraters van het Vaticaans instituut doen nog steeds onderzoek, maar niet meer vanaf deze plek. Tegenwoordig richten zij de blik vanuit een observatorium in Mount Graham in de VS hemelwaarts.
In de Specola Vaticana waren in de late 19e en vroege 20e eeuw ook vrouwen werkzaam. In een ongedateerde foto brengen twee kloosterzusters de sterren in kaart. Als tiener zag ik The Nun’s Story, waarin Audrey Hepburn door de hoofdpoort het klooster ingaat om jaren later, bevrijd door de achterdeur weer uit te treden. De beelden wekten mijn misplaatste medelijden met de nonnen die achterbleven. Niet in beslag genomen door de dagelijkse zorg voor man en kinderen genoten zij vrijheid om zich aan onderwijs en studie te wijden.

Relatie tussen religie en wetenschap.
De tentoonstelling maakt de eeuwenlange zoektocht naar kennis en de aftastende en soms schurende relatie tussen religie en wetenschap zichtbaar. De historische objecten, manuscripten en kaarten worden op verrassende wijze gepresenteerd naast eigentijdse artistieke creaties. In zijn Sfeer uit ca. 1916 geeft Theo van Doesburg een [door theosofische ideeën ingegeven] abstracte impressie van de kosmos. Van de vrouwelijke amateurastronoom Rohini Devasher wordt de installatie One Hundred Thousand Suns getoond. Deze presentatie uit 2022 is gebaseerd op waarnemingen die in het Kodaikanal Solar Observatorium in India zijn vastgelegd.

In de volgende zaal krijgt de bezoeker de gelegenheid om de blik naar binnen te richten. De objecten worden tegen een toepasselijke bloedrode achtergrond getoond. Hier zie je Michiel van Mierevelts Anatomische les van Dr. Willem van der Meer uit 1617. Objecten en geschriften illustreren de voortgang van de kennis van de inwendige mens.

De Anatomische les van dr. Willem van der Meer, Michiel Jansz. van Mierevelt, 1617. Delft, Museum Prinsenhof. Schenking van de Reinier de Graaf Groep

Tijdens onze Middeleeuwen stond de geneeskunde in de Arabische wereld op een hoog peil; daarvan getuigen antieke medische geschriften. In de bagage van reizigers belandden deze Arabische medische teksten in Europa. In een 15e -eeuws manuscript uit de Leidse Universiteitsbibliotheek zie je een kleurrijke afbeelding van medische instrumenten. 

Rond 1300 waren artsen al begonnen met empirisch onderzoek van het menselijk lichaam. Religie, astrologie en geneeskunde komen samen in een zestiende-eeuws gebedenboek. In een miniatuur is te zien hoe zo’n anatomische les in zijn werk ging. De toenmalige medische wetenschap was gebaseerd op de ideeën van de Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus (2e eeuw). Hij beschreef hoe een disbalans tussen de lichaamssappen: gele en zwarte gal, bloed en slijm ziekten bij de mens veroorzaakte. Lange tijd werd aangenomen dat de stand van de hemellichamen hier invloed op had, zoals te zien in een van de illustraties.

Anoniem. Getijdenboek, 1513-1527. Antwerpen The Phoebus Collection. Foto Marina Marijnen

De veronderstelling dat het Vaticaan het ontleden van het menselijk lichaam verboden zou hebben lijkt een misvatting. Hoe zou de Katholieke kerk anders aan al die stoffelijke resten van heiligen zijn gekomen? In een laat 15e-eeuwse reliekhouder uit het arsenaal van het Catharijneconvent toont de heilige Laurentius de rib, waarvan een partikel in dit sculptuurtje bewaard wordt. Gelovigen waren er destijds heilig van overtuigd dat relieken wonderdadige krachten bezitten.  

In 2020 legde Laurence Winram een eigentijdse anatomische les vast. Geïnspireerd op Rembrandts Anatomische les van Dr. Tulp memoreerde hij de ontleedsessie van de zogeheten Edinburgh Seven. De eerste vrouwen die in 1869 medicijnen studeerden. Ook Anna Maria van Schurmann (1607-1678) heeft hier een plekje gekregen. De rector van de Utrechtse Universiteit, Gisbertus Voetius, gaf haar toestemming om de colleges vanachter een gordijntje (…) te volgen!  Naast haar portret ligt de dissertatie, waarin zij de stelling verdedigt dat de vrouwelijke geest geschikt is voor intellectuele zaken. Zij zette haar vertoog kracht bij met passages uit de Bijbel.

Iris Kensmil, The contribution of Henrietta Lacks, 2023. Utrecht, Museum Catharijneconvent

Met het uit 2023 daterende postume portret van Henrietta Lacks zijn we terug in de twintigste eeuw. Geïnspireerd op de iconografie van de Heilige Lucia vervaardigde Iris Kensmil de beeltenis van de vrouw die in 1951 overleed aan baarmoederhalskanker. Op het schoteltje in haar hand liggen niet de ogen van de vroegchristelijke martelares, maar haar uitvergrote kankercellen. Ze verwijzen naar een medisch wonder. Artsen brachten deze foute cellen destijds voor onderzoek naar het laboratorium. Tot hun verbazing ontdekten zij dat deze naar haar vernoemde HELA- cellen zich -tot de huidige dag- buiten het lichaam van de overleden patiënt bleven delen. Henrietta Lacks leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Zo werd deze zwarte vrouw een gesanctioneerde ‘modern saint of science!’ Regelgeving rond privacy bestond destijds nog niet, maar de familie is dankbaar dat hun voormoeder op deze wijze een bijdrage aan de wetenschap levert en daardoor voortleeft.

In de volgende ruimte wordt de blik achtereenvolgens naar buiten en beneden gericht. Hier vind je Charles Darwins On the Origin of Species uit 1859. Daarin poneerde hij de stelling dat alle wezens afstammen van voorouders die miljoenen jaren geleden leefden en zich sindsdien verder hebben ontwikkeld. In deze afdeling mag Carolus Clusius (1707-1778) niet ontbreken. Door nauwkeurige bestudering en classificering in soorten en ondersoorten bracht Clusius Gods Schepping ‘als een tweede Adam’ overzichtelijk in beeld. Clusius kan gerekend worden tot de zogeheten fysicotheologen, die de uitkomsten van empirisch onderzoek in overeenstemming trachtten te brengen met Gods schepping. De wonderen van de natuur beschouwden zij als bewijs daarvan. Anderen namen afstand van het scheppingsverhaal. Door eigen bevindingen en de wreedheden die hij in de natuur en de hem omringende wereld waarnam, viel Darwin, die aanvankelijk een gelovig man was, van zijn geloof en werd agnost.

Gerrit Stevens Cramer, Microscoop met afbeelding van een luis en de hand van God. 1729-1755. Leiden Rijksmuseum Boerhaave. Foto Marina Marijnen

De groeiende wetenschappelijke belangstelling wordt geïllustreerd met verschillende 18e en 19e -eeuwse publicaties. Jan Zwammerdams Bijbel der Natuure Of Historie der Insecten (1737-1738) ligt open bij een illustratie waarin hij Gods almacht illustreert aan de hand van de anatomie van een luis. Dit voorbeeld van de ‘minste van Gods schepselen’ is overgesprongen op de ernaast getoonde microscoop. De beschildering van dit optische instrument bewijst dat de maker ervan thuishoort in het kamp van de fysicotheologen. Boven de luis en de onderzoeker bracht hij de hand van God aan!
In deze ruimte nemen de samenstellers van de tentoonstelling je mee naar de flora en fauna van Suriname. Geïnspireerd op de wonderen die Maria Sybilla Merian daar in de vroege 18e eeuw vastlegde, vervaardigde Patricia Kaersenhout een schitterend wandkleed. In het midden van dit geweven drieluik kopieerde zij Merians gedetailleerde weergave van de groeistadia van de bananenplant en de ontwikkeling van een rups tot vlinder. Het boek waaraan Kaersenhout de afbeelding ontleende zie je hier ook: de Metamorfoses Insectorum Surinamensium, 1705.

Patricia Kaersenhout, Of Palimpsests & Erasure, 2022. Tilburg. Collectie kunstenaar.

In het linkerdeel schemeren de portretten van Maria Sybilla en haar inheemse ‘slavin’ Kwasiba, als in een palimpsest [een hergebruikt stuk perkament] door. Een subtiele verwijzing naar het slavernijverleden, dat in de geschiedenisboeken lange tijd onzichtbaar was.  

De ark van Noach, Kasper Bosmans, 2022, Museum Catharijneconvent Utrecht

De verhalen over de schepping en de zondvloed plaatsten al dan niet gelovige lezers van de Bijbel eeuwenlang voor raadsels. In zijn impressie van de Ark van Noach maakt Kasper Bosmans zijn vragen zichtbaar. Bood deze Bijbelse reddingsboot ook plaats aan nietige wormen, insecten en vissen? Aanhakend bij deze vragen over Noach’s grootscheeps evacuatie: sta ik even stil bij de straf die God over de verdorven mensheid uitstortte: de zondvloed. In de tentoonstelling is -in de woorden van Wijnia- de graal van de paleontologie te zien: een fossiel van de zogeheten zondvloedmens. Bij het zien van dit wel heel kleine ‘voorwereldlijke’ mensje [later herkend als een reuzensalamander] verwondert de kijker van nu zich over de goedgelovigheid van de mensen, die deze wetenschappelijke ‘ontdekking’ rond 1735 door de Zwitserse onderzoeker Johann Scheuchzer kregen voorgeschoteld. Hij trachtte de wereld en al wat daarin leefde eveneens vanuit Bijbelse optiek te verklaren.

Reuzensalamander,Homo diluvii testis, Teylers Museum.

Naast deze reuzensalamander worden meer fossielen en ammonieten getoond. Een paar versteende slakken werden als stille getuigen van Bijbelse gebeurtenissen, in de 18e eeuw als reli-souvenier uit het Heilige land meegenomen.   

Naast al die goedgelovigheid weerklonken -vanuit religieuze hoek- ook kritische geluiden. Een bijzondere wetenschappelijke ontdekking sloeg in als een bom. De katholieke priester en sterrenkundige G. Lemaître (1894-1966) was de grondlegger van de theorie van de oerknal. In 1927 lanceerde hij de stelling dat het universum uit een kleine massa ontstond, die geleidelijk aan steeds verder uitdijde. Deze visie op de oorsprong van alle leven op aarde was niet in overeenstemming met het Bijbelse scheppingsverhaal. In het originele notitieboekje waarin Lemaître zijn berekeningen vastlegde -een hersenkrakertje voor wiskundigen- kunt u zijn gedachtegang proberen na te volgen!

Op de duiding van het zwarte gat moet de mensheid nog wachten, maar de bezoeker verlaat de tentoonstelling met een vernieuwde visie op wetenschap en religie. Anders dan het betreden van Dante’s Inferno is een bezoek aan deze tentoonstelling een hoopvolle ervaring. Een absolute aanrader: zowel voor gelovige belangstellenden als atheïsten en agnosten! 

L. Wijnia e.a., De Schepping van de wetenschap, Museum Catharijneconvent Utrecht, 2024.

Link: Museum Catharijneconvent

FRANS HALS tot 10 juni in het Rijksmuseum Amsterdam

De luitspeler, ca. 1623, Olieverf op doek, 70 × 62 cm, Musée du Louvre, Parijs, Département des Peintures

Na overzichtstentoonstellingen die het Rijksmuseum eerder organiseerde over Rembrandt en Vermeer is het nu de beurt aan Frans Hals (1582-1666).
In 2018 kon het Nederlandse publiek zich in het Frans Hals Museum ook al verbazen over de schetsmatige, trefzekere stijl waarmee Frans Hals zijn opdrachtgevers op het schilderslinnen bijna tot leven wekte. In de tentoonstelling Frans Hals en de Modernen was te zien dat de in de loop van de 18e eeuw in vergetelheid geraakte schilder in 1868 door de Franse kunstcriticus Théophile Thorė Bürger uit zijn winterslaap werd gewekt. Modernisten die zijn artikel in de Gazette des Beaux Arts lazen reisden in de 19e eeuw naar Haarlem. Gustav Courbet, Edouard Manet, Claude Monet, Vincent van Gogh en anderen bezochten het Stedelijk Museum -de voorloper van het Frans Hals Museum- dat in 1862 op de zolder van het stadhuis geopend was.
Deze 19e -eeuwse vakgenoten die zich met hun losse schildertrant tegen de academische regels verzetten herkenden in Frans Hals een geestverwant:

                      … ‘mais Frans Hals, c’est un moderne’!..     

Anders dan in 2018 en in de eerdere tentoonstelling Frans Hals Oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan uit 2013 heeft Hals nu tot 10 juni het rijk alleen.   

Voorafgaand aan de opening van de huidige tentoonstelling loodste conservator Friso Lammertse zijn gehoor met een sprankelende inleiding door de zalen waar bijna 50 schilderijen te zien zijn. Frans Hals bracht zijn opdrachtgevers zo levensecht in beeld dat ze wel lijken te ademen! Hoe deed hij dat?                                                     Hals werkte a la prima: het waargenomen moment belandde spontaan, zonder ondertekening direct op het paneel of het doek, waardoor het beeld haar spontaniteit behield. Onder zijn handen ontstonden niet alleen beeltenissen van individuen en echtelieden, maar ook groepsportretten, vrolijke al of niet musicerende drinkers en enkele (in de tentoonstelling afwezige) evangelisten.In de tentoonstellingszalen ervaar je het geheim van Frans Hals. De op je netvlies ontvangen in verf gesuggereerde impressie van levensechte personen wordt door het brein afgemaakt.

De lach
Minstens zo vernieuwend is Hals vermogen om zijn figuren te laten lachen. In zijn Groot Schilderboeck schrijft de schilders biograaf Karel van Mander in 1604 dat bij de meeste schilders het verschil tussen huilen en lachen niet te zien is. Bij Frans Hals komt de verbeelding van het werkwoord lachen helemaal uit de verf. Variërend van een aarzelende, flauwe glimlach tot een schalkse, verleidelijke, verliefde, uitzinnige of ronduit gulle- en zelfs een waanzinnige lach. 

In de tentoonstelling wordt het niet genoemd, maar er speelde nog iets. Een portret van een lachend persoon werd lange tijd onbetamelijk gevonden. Sinds vroegchristelijke tijden hielden bijbelgeleerden zich bezig met de in onze ogen lachwekkende vraag of Jezus gelachen zou hebben. De talrijke portretten van mensen die hun gezicht in de plooi houden lijken deze in orthodoxchristelijke kringen voortlevende gedachte te weerspiegelen. Sinds de import van suiker was het waarschijnlijk ook verstandiger om de lippen op elkaar te houden… En dat doen veel van Hals opdrachtgevers dan ook. Zoals de onbekende man met schedel en zijn mooie, enigszins schuchtere echtgenote, die Hals rond 1612 vereeuwigde. Zowel de gladde, precieze penseelvoering als de compositie van dit vroege werk zijn nog traditioneel. Haar identiteit is onbekend, maar te oordelen naar het prachtige purperrode gewaad en de gouden keten rond haar middel is zij een dame van stand. De ostentatief getoonde schedel geeft aan dat de echtelieden zich bewust zijn van de vergankelijkheid van het bestaan.

1. Portret van een man met een schedel, ca. 1612, Olieverf op paneel, 92,8 × 71,2 cm, The Henry Barber Trust, University of Birmingham 2.Frans Hals, Portret van een onbekende vrouw ca 1612, olieverf op paneel, 94,2 x 71,1 cm The Devonshire Collection Chatsworth

…’Zo kan het ook’… moet Hals in 1622 gedacht hebben toen hij het Huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laan vervaardigde. Een glimlachend stel dat in een ongedwongen houding tegen een boom leunt was een compositorische nouveauté in het genre huwelijksportret. Althans in de Noordelijke Nederlanden. Mogelijk deed Hals dit idee op tijdens zijn studiereis naar Antwerpen, waar hij Rubens Zelfportret met zijn echtgenote Isabella Brant uit 1610 gezien zal hebben. Ook dit paar zit in de buitenlucht.   

Huwelijksportret, waarschijnlijk Isaac Abrahamsz Massa en Beatrix van der Laen, ca. 1622, Rijksmuseum

In deze onconventionele compositie gebruikte Hals ook enkele traditionele elementen. Zoals de klimop rond de boom dient een echtgenote zich aan haar man te hechten. De distel links in de voorgrond geeft haar symbolische betekenis in het Duits prijs: ‘Männertreu’. In huwelijksbedreigende situaties moet de man zijn stekels opzetten! Misschien vraagt u zich af waarom Beatrix zo somber gekleed is. Bruiden gingen destijds niet in het wit, maar in gewone, zij het kostbare burgerkleding, naar het altaar.
Bijna vijfentwintig jaar later ontstond een ongedwongen familiegroep. Dit portret is evenals dat van Isaac Massa en zijn echtgenote gesitueerd in de open lucht. Beide echtelieden kijken elkaar licht glimlachend aan, de handen ineengestrengeld in het aan de oudheid ontleende symbool voor huwelijkstrouw: dextrarum iuncio. Nieuw is de zwarte bediende met wie opdrachtgevers zich, als show-off van hun welstand, destijds wel vaker lieten uitbeelden. De anonieme zwarte jongen kijkt de beschouwer recht aan. In de huidige publicatie komt hij close-up in beeld, maar in de catalogus van Hals laatste grote overzichtstentoonstelling in 1989 werd hij nog doodgezwegen.

Frans Hals, Familiegroep in landschap, ca. 1646, Olieverf op doek, 202 × 285 cm, Museo Nacional Thyssen-Bornemisza, Madrid 

De door Hals geschilderde lach kom je in de expositie steeds anders, maar altijd overtuigend tegen. Zoals de dwaze grijns van de door lachende kinderen omgeven Rommelpotspeler. Boontje was, evenals Malle Babbe, in Hals tijd een bekende verschijning in de straten van Haarlem. In het lied waarmee Rob de Nijs in 1975 hoog op de hitlijsten scoorde, wordt zij ten onrechte als een prostituee bezongen. De uil op haar schouder -destijds een symbool van dwaasheid- geeft aan dat zij een vrouw met een verstandelijke beperking is.

1 Frans Hals,Malle Babbe, ca. 1640, Olieverf op doek, 78,5 × 66,2 cm, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn  Frans Hals,
2 De rommelpot- speler, ca. 1620, Olieverf op doek, 106 × 80,3 cm, Kimbell Art Museum, Fort Worth, Texas 

Leven
Frans Hals werd rond 1582 in Antwerpen geboren. Toen de stad in 1585, tijdens de Tachtigjarige oorlog weer in Spaanse -katholieke- handen viel verhuisden zijn ouders om geloofsredenen naar Haarlem. Na zijn leertijd bij Karel van Mander (1548-1606) werd hij in 1610 als meester-schilder ingeschreven bij het St. Lucasgilde. Hij trouwde met Annetje Harmensdochter, die hem twee kinderen schonk. Na haar ontijdige dood in 1615 trouwde Hals in 1617 met Lysbeth Reynier. Zij kregen zeker nog tien, volgens sommige tellingen zelfs 12 of 13 kinderen.

Vanaf 1616 was hij lid van het literaire gezelschap de Wijngaerdtrancken. Onder het genot van een goed glas hielden de rederijkers zich in gedichten en verhalen bezig met taal. Hals was ook lid van de schutterij. Deze fungeerde oorspronkelijk als een soort burgerwacht. De leden waren, als boa’s avant-la-lettre, belast met het handhaven van de rust in de stad. In Hals tijd was de schutterij echter meer een gezelligheidsvereniging, zoals te zien op de impressies die hij gaf van de schuttersmaaltijden.  

In zijn Hooghe Schoole der Schilderkunst doet Arnold Houbraken rond 1720 niet zo’n aardig boekje open over Frans Hals. In 1989 deed conservator Pieter Biesboer Houbrakens informatie nog af als roddelpraat, maar sindsdien zijn archiefstukken opgedoken, die te denken geven. Als stamgast van de kunstenaarskroeg De Coninck van Vranckrijck zal Hals, aangezien er toen nog géén nul procentjes werden geserveerd, wellicht toch wel het door Houbraken genoemde ‘menige pintje’ hebben gedronken. Ook dist hij enkele in drank gedrenkte beweringen en anekdotes op zoals:
’Hals was gemeenlijk allen avond tot de keel toe vol met drank… Toch achten zijn leerlingen hem hoog. Om hem voor ongelukken te behoeden haalden zij hem ’s avonds laat uit de kroeg en hielpen hem naar bed. Hoe beschonken ook Hals sloeg zijn avondgebed nooit over, dat hij steevast besloot met: …Lieve Heer, haal mij vroeg in uwen hoogen hemel’
Zijn leerlingen besloten dit gebed te verhoren, aldus Houbraken. Van de zolder boven zijn bedstee bevestigden zij touwen aan het matras. Na het gebed trokken zij dit omhoog. …’Toen Hals, in den dommel van zijn dronkenschap bemerkte dat zijn gebed verhoord werd riep hij: …zo haastigh niet lieve Heer, zoo haastig niet!’…

Frans Hals, Een schutter die een berkenmeier vasthoudt, bekend als ‘De vrolijke drinker’ ca.1629, Olieverf op doek, 80 × 66,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam

Hals vele werken waarin het glas wordt geheven, zoals in zijn iconische Vrolijke drinker, waarin een schutter de beschouwer met zijn berkenmeier toedrinkt, hielden Hals reputatie in stand.  Drinkebroer of niet… zijn veronderstelde slechte naam vormde geen belemmering voor zijn talrijke opdrachtgevers. Zelfs de 17e -eeuwse filosoof René Descartes wist hem in 1649 te vinden.

Ondanks de vele opdrachten verkeerde Frans Hals een leven lang in geldnood. Uit archiefstukken blijkt dat hij in 1615 door een voedster voor het gerecht werd gedaagd. In 1654 moest hij zelfs een deel van zijn huisraad verkopen om een schuld bij de bakker te voldoen. Het voeden en kleden van zijn talrijke nageslacht zal daar zeker debet aan geweest zijn. In 1661 schold het schilders gilde hem de contributie kwijt. Sinds 1662 tot zijn dood in 1666 ontving Hals van gemeentewege brandstof en een toelage van aanvankelijk f 150,–, later f 200,– per jaar. Op 1 september 1666 werd Hals onder het koor van de St. Bavo begraven. Postuum werd hij in Haarlem geëerd met een standbeeld in het Florapark en gezien zijn voortdurende geldnood, -ironie van het lot- verscheen in 1968 zijn portret op het bankbiljet van tien gulden.

Nog even terug naar Hals kinderen. Een van hen was, zoals dat vroeger werd gezegd niet als een ander. Zoon Pieter belandde als ‘innocent’ in het Haarlemse werkhuis. Hals dochter Sara, die volgens de bronnen niet wilde deugen, kwam daar na twee tienerzwangerschappen, eveneens terecht. Gelukkig had Hals nog meer kinderen. Ik stel me zo voor dat zij elkaar in huis vaak lachend en stoeiend achterna zaten. Stil zitten was er niet bij. Met vaart vastgelegd belandden ze op op de schilderijen van hun vader, zoals het jochie in het Mauritshuis en in de vele impressies van drinkende en musicerende jongens.

Frans Hals, Lachende Jongen, paneel, ca. 1625, Mauritshuis Den Haag

Van de grootste portrettist van de zeventiende eeuw is, afgezien van een kopie in het Metropolitan in New York, geen zelfportret bewaard, maar in het Schuttersstuk met de officieren van Sint-Joris uit 1639 bracht Hals linksboven zijn selfie aan.  

Frans Hals, Officieren en Onderofficieren van het Gilde van de beschermers van St Joris 1639 218 x 421 cm

Langs de portretgalerij
Behalve het weergeven van uitbundige gelaatsuitdrukkingen, verstond Hals de kunst om een zweem van een (glim)lach in beeld te brengen. Zoals in het zeldzame kinderportret van Catharina Hooft. Niet alleen een proefstukje van onvoorwaardelijke genegenheid tussen een meisje van stand en haar kindermeisje, maar ook een staaltje van vakmanschap. Kijk eens naar het consequent herhaalde motief in haar jurkje van goudbrokaat, het gedetailleerd gepenseelde kostbare kant en de schakeltjes van de gouden ketting.  

Frans Hals, Portret van Catharina Hooft met haar min, 1619 – 1620, Olieverf op doek, 91,8 x 68,3 cm, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn

Tussen de velerlei portretten is de beeltenis van dit prinsesje uniek in Hals oeuvre. In de zalen van de Philipsvleugel wandel je langs gedistingeerde of jolige heren die ten voeten uit, in buste- of half portret zijn weergegeven. Achterstevoren zittend of zelfs wippend op een stoel! Ook drinkende en musicerende figuren passeren de revue en echtelieden die hij samenvoegde op één doek of afzonderlijk als pendanten schilderde. Verschillende opdrachtgevers etaleerden hun welstand sans gêne. Anderen zoals de welgestelde doch zonder opsmuk geportretteerde doopsgezinde textielfabrikant Lucas de Clerq en zijn echtgenote Feyntje van Steenkiste liepen met hun welstand niet te koop. 

1. Frans Hals, Portret van Lucas de Clercq, ca. 1635, Olieverf op doek, 121,6 × 91,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1891
2. Frans Hals, Portret van Feyntje van Steenkiste, 1635, Olieverf op doek, 121,9 × 91,5 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1891

Tieleman Roosterman en Catharina Brugman lieten in hun portret iedere terughoudendheid varen. Zij belichamen het aloude adagium: Ora et Labora. Zolang hard werken gepaard ging met bidden hoefde je je in de 17e eeuw niet te schamen voor je welstand.

1.Frans Hals, Portret van Tieleman Roosterman, 1634, Olieverf op doek, 117 × 87 cm, The Cleveland Museum of Art, Leonard C. Hanna Jr. Fund 2. Frans Hals, Portret van Catharina Brugman, 1634, Olieverf op doek, 115 × 85 cm, Particuliere collectie

Met zijn hand in de zij kijkt hij de beschouwer vermetel aan. De Engelsen hebben daar een leuke, van het oud-Engels afgeleide uitdrukking voor: Akimbo. Op de outfit van zijn eega, die werkelijk alles uit de kast heeft gehaald, kon Hals zich helemaal uitleven. Met haar hand op de door het beeldvlak afgesneden stoel lijkt zij zich staande te houden. In haar linker houdt zij haar bruidshandschoenen.

Die stoere presentatie met de hand in de zij, was voorbehouden aan mannen, maar in de tentoonstelling ontdekte ik ook één vrouw. Cunera van Baersdorp is, evenals haar echtgenoot Michiel de Wael in het pendant ook in die houding afgebeeld. Met een knipoog lijkt het wel of ze, anno nu, in plaats van handen te schudden, klaar staan om elkaars elleboog aan te tikken.

1.Frans Hals, Portret van Michiel de Wael, ca. 1625, Olieverf op doek, 118,8 × 95,3 cm, Taft Museum of Art, Cincinnati, Ohio. Legaat van Charles Phelps en Anna Sinton 2.Frans Hals, Portret van Cunera van Baersdorp, ca. 1625, Olieverf op doek, 123,8 × 95,3 cm, Susan and Matthew Weatherbie Collection

Een van Hals meest bekende werken is de al genoemde Schutter die een berkenmeier vasthoudt. Het thema van vrolijke, musicerende drinkers was geliefd bij de zogeheten Utrechtse Caravaggisten. Zij hadden deze motieven in Rome afgekeken van Michelangelo Merisi da Caravaggio. In de vaste opstelling van het Rijksmuseum zie je daarvan twee voorbeelden: Gerard van Honthorsts Vrolijke Vioolspeler uit 1623. Hals leerling Judith Leyster bracht met haar Serenade in 1629 niet alleen een ode aan haar leermeester, maar ook aan Caravaggio.  

Het aan Hals vrolijke drinkers ontleende predicaat een vrolijke Frans is zeker ook van toepassing op het portret van de joyeuze koopman Pieter van den Broecke; exponent van de tegenwoordig verguisde VOC-mentaliteit.

Frans Hals, Portret van Pieter van den Broecke, 1633. Doek 68 x 55 cm. English Heritage, The Iveagh Bequest (Kenwood, Londen).

De tentoongestelde portretten zijn merendeels indrukwekkend. De monumentale schuttersstukken met de officieren van de Haarlemse St. Jorisschutterij, die Hals in 1616 respectievelijk 1627 vervaardigde zijn de absolute blikvangers. Ook het doek uit de eigen collectie van het Rijks, de zogeheten Magere compagnie spreekt tot de verbeelding. Een coproductie van Frans Hals en de Amsterdamse schilder Pieter Codde, die het werk na onenigheid tussen Hals en de opdrachtgevers, in 1636 voltooide. Weliswaar naar zijn beste vermogen, maar het verschil tussen Hals ongedwongen vlot neergezette figuren en de wat houterige types van Codde is duidelijk.

Frans Hals, Schutters van wijk XI onder leiding van kapitein Reynier Reael, bekend als ‘De magere compagnie’, 1633, (voltooid door Pieter Codde, 1637) Olieverf op doek, 209 × 429 cm, Rijksmuseum, Amsterdam. Bruikleen van de gemeente Amsterdam, 1885
Frans Hals, Feestmaal van de officieren van de Sint Jorisdoelen, 1616. doek, 175 x 324 cm. Frans Halsmuseum

In oudere schutterstukken, zoals het van 1529 daterende drieluik met een Groep Schutters van Dirck Jacobsz in Rijksmuseum, zijn de leden stijf op een rij in beeld gebracht. In Hals schuttersstuk van 1616 is te zien dat hij ook in dit genre vernieuwing bracht. Met ongeëvenaard talent zette hij de fraai geklede en goed getroffen figuren in een verscheidenheid aan houdingen levendig neer. De bevelhebber met oranje sjerp gaf hij links, doch heraldisch rechts, de belangrijkste plek. Naast hem zit de zogeheten provoost, die over de centjes ging. De kapiteins en luitenants zitten eveneens aan tafel; de vaandeldragers en de knecht zijn staande geportretteerd. De compositie wordt verlevendigd door het diagonaal in de achtergrond geplaatste oranje-witte vaandel. Dit motief paste Hals ruim 10 jaar later nogmaals toe in een tweede versie van het Feestmaal van de officieren van de Sint Joris-Schutterij.

Frans Hals, Feestmaal van de officieren van de St. Jorisschutterij, ca. 1627. Doek 179 x 257,5 cm,
Frans Halsmuseum Haarlem

De figuren zijn in dit doek nog levendiger en met humor in beeld gebracht. De naar de beschouwer toegewende man met het omgekeerde glas heeft nog dorst en vraagt om een refill! De man naast hem reikt naar een schaal met oesters. Aan de rijk voorziene dis van de schutters vloeide de wijn overvloedig!
In de laatste zalen zie je verschillende kleine predikanten- en geleerdenportretten en een destijds bekend toneelkarakter. De Pekelharing bracht dwaze rollen op de planken. Jonas Suyderhoef maakte een prent van de populaire Pekelharing.
In twee interieurstukken van Jan Steen hangt hij ook aan de muur, zoals in een versie van So de ouden songen, pypen de jongen (1663) in de Berlijnse Gemäldegalerie en het Doktersbezoek (1661) in het Wellington Museum in Londen.

Frans Hals, Pekelharing, ca. 1629, doek 75 x 62 cm. Kassel, Museum Schloss Wilhelmshöhe

De een na laatste zaal van de thematisch ingerichte tentoonstelling heeft de titel ‘lefgozers’ meegekregen. Met een hooghartige blik wordt de bezoeker begroet door de eigenaar van de mouw, waarvan je aan het begin van de expositie een blow-up ziet: Jasper Schade, aangenaam!

Een verwaande kwast? Kan zijn, maar hij was dan ook niet zomaar iemand. Even een greep uit de C.V. van de heer van Tull en ’t Waal, de eigenaar van het buiten Oud Zandbergen in Huis ter Heide. Hij was kanunnik en later deken van het kapittel van Oudmunster in Utrecht, dat na de alteratie in 1579 in protestantse handen was overgegaan. In 1672 werd hij gecommitteerde van Utrecht in de Staten Generaal. Sinds 1681 was hij president van het Hof van Utrecht. Toen Hals hem als 22-jarige schilderde was dit alles nog toekomstmuziek. Hals wist niet alleen zijn karakter, maar ook zijn kleding treffend vast te leggen. Kijk maar eens naar de manier waarop hij de mouw, gebruikmakend van de lichtval, met enkele zigzaggende toetsen trefzeker heeft neergezet. Dat geldt ook voor de weergave van het modieuze kostuum van zwart goudbrokaat met de opengewerkte mouwen en de kokette met goudkleurige linten versierde cilindervormige hoed. Zijn voorliefde voor dure kleding was een oom ook al opgevallen. Per brief waarschuwt deze zijn zoon in Parijs om de kleermakersrekening niet zo hoog te laten oplopen als die van neef Jasper!

Frans Hals, Portret van Jasper Schade, 1645, Olieverf op doek, 80 × 67,5 cm, Nationaal Museum, Praag

In deze zaal ontmoeten we nog enkele opmerkelijke types, zoals de Haarlemse textielkoopman Willem van Heythuysen. Elders in de expositie kijkt hij de bezoeker in een imponerend staatsieportret vanuit de hoogte aan, maar het portret dat Hals twintig jaar later van hem maakte is totaal anders van karakter. Over vernieuwing gesproken: hier hangt Van Heythuysen in zijn rijkleding, nonchalant achterover, terwijl hij een beetje zit te wippen op zijn stoel.

Frans Hals, Portret van Willem van Heythuysen, 1653. Paneel 47 x 36 cm., Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Brussel

Dat brengt ons bij een van Hals laatste werken: het portret van een Onbekende man met een slappe hoed, geschilderd in een bijzonder ruige stijl.  Ook deze man hangt in een relaxte houding over de rugleuning van een stoel. Verschillende kunstcritici lieten zich over deze zogeheten ruwe manier van schilderen uit. Karel van Mander was van mening dat deze losse toets niet voor iedereen was weggelegd. Een dergelijke ruwe stijl vroeg om een virtuoze hand. Als voorbeeld noemt hij Titiaan, wiens werk in de tentoonstelling Frans Hals oog in oog met Rembrandt, Rubens en Titiaan te zien was. Ook al oogstte Hals met deze ruwe stijl in zijn eigen tijd en in de 19e eeuw wederom waardering, toch klonken in de twintigste eeuw nog kritische geluiden! 

Deze manier van werken werd soms afgedaan als Alterstil: het geknoei van een grijsaard met een bevende hand. Inmiddels is vrijwel iedereen het erover eens dat Frans Hals hier het toppunt van zijn artistieke kunnen bereikte!

Frans Hals, Portret van een man met slappe hoed, ca 1660 Olieverf op doek, 79,5 x 66,5 Hessen Kassel Heritage

Hals regentenportretten vormen het slotakkoord van deze mooie tentoonstelling. Bijzonder interessant is Hals portret van de Regenten van het St. Elisabethsgasthuis, uit 1641. Een groep levendig weergegeven heren. Loop nadat je dit portret hebt gezien nog even naar de eregalerij en kijk eens goed naar het portret dat Rembrandt twintig jaar later van de Waardijns van het Amsterdamse Lakengilde, beter bekend als de Staalmeesters, schilderde. Zelfs een autonoom genie als Rembrandt kon nog wel iets van een beroemde voorganger leren!

Frans Hals, Regenten van het St. Elisabethsgasthuis, 1641. Doek 153 x 252 cm. Haarlem, Frans Halsmuseum

We keren nog even terug naar de zojuist opgemerkte kritiek. Ook de Regenten en Regentessen van het Oudemannenhuis moesten het ontgelden.
Anders dan in voornoemde portretten kon er in deze geen lachje af. Logisch, want het besturen van liefdadigheidsinstellingen was, getuige de kasboeken op de tafels een ernstige zaak. De kop van de man met de destijds modieuze scheve hoed in het groepsportret van de Regenten van het Oudemannenhuis uit 1664 vormde in de twintigste eeuw aanleiding tot speculaties. Hij zou onmiskenbaar dronken zijn geweest. Een medicus die dezelfde man eeuwen later aan een denkbeeldig consult onderwierp kwam tot een andere bevinding en diagnosticeerde een halfzijdige aangezichtsverlamming veroorzaakt door een tia. Anderen meenden dat Hals de bestuurders expres zo lelijk had geschilderd, omdat zij hem géén plekje in het Oudemannenhuis gunden. De regentessen, die belast waren met het reilen en zeilen van het Oudemannenhuis, maakten de tongen eveneens los. Alle uitgaven moesten tot de laatste penning worden verantwoord. De vrouw links houdt niet voor niets haar hand op. In de vroege twintigste eeuw omschreef de toenmalige directeur van Museum Boijmans van Beuningen Schmidt Degener hen als gierige oude vrouwen …’zelfingenomen en meedogenloos’, en dat niet alleen, hij heeft het ook over hun …’azijnigheid en schraperigheid’! 

Frans Hals, Regenstessen van het Oudemannenhuis, 1664. Doek 170 x 250 cm. Frans Hals Museum, Haarlem

Honderd jaar later zie ik slechts een paar broze, doch kordate dames, met hun door couperose gecraqueleerde wangen en handen met een huid als perkament. Theophile Thoré Bürger kon er ook niet over uit:  …’Ik ken géén schilderijen die met zoveel élan zijn uitgevoerd!’…   

Uit de mode
In de tweede helft van de 18e eeuw trad onder invloed van de Franse academische schilderkunst een smaakverandering op. Heldere kleuren, fijn gepenseelde en egaal belichte onderwerpen werden geliefd. De losse toets van Hals en het gloeiende palet van Rembrandt raakten uit de mode, tot ze in de 19e eeuw werden herontdekt.

Bibliografie:
B. Cornelis e.a., Frans Hals. Rijksmuseum, Amsterdam. 2024.
S. Slive e.a.       Frans Hals, Frans Hals Museum, Haarlem, 1989.
M. Rikken e.a.,  Frans Hals & de Modernen. Magazine. Haarlem, 2018.

www.uitdekunstmarina.nl : Bespreking Frans Hals en de Modernen en actuele tentoonstellingen.

Link: Rijksmuseum Amsterdam

De tentoonstelling was eerder te zien in de Londense National Gallery en reist na Amsterdam door naar de Gemäldegalerie in Berlijn, waar de expositie van 12 juli t/m 3 november te zien is.

Online tour: Eva van der Gucht presenteert een online ontdekkingstocht: De Geniale streken van Frans Hals in het Nederlands.
Er is ook een Audiotour beschikbaar. Daarin hoort de bezoeker de stem van Tom Waes

Kinderen van de Haagse School Tot 21 mei in Museum Panorama Mesdag, Den Haag

Willem Bastiaan Tholen, Op de boot, marouflé, 32,5 x 17 cm, Particuliere collectie,
courtesy Hein Klaver, foto: Benno Slijkhuis

De titel van de expositie roept beelden op van kinderen die met een bootje spelen of een ezelritje maken op het Scheveningse strand. Deze zonnige kant van het kinderleven in Mesdags tijd wordt speels belicht. De subtitel: spelen, werken, overleven geeft echter aan dat het om meer dan spielerei alleen gaat.

Voor veel kinderen was in de late 19e en vroege 20e eeuw amper ruimte om te spelen. Ook daarvan getuigen de schilders van de Haagse School en hun tijdgenoten. De spruiten van de kunstenaars hadden het beter dan hun arme leeftijdgenoten. De werkende jeugd werd niet zoet spelend of musicerend geportretteerd, maar vereeuwigd als meid, boerenknecht of begeleider van ezeltjes op het strand. De vrolijke impressies die Isaac Israëls daarvan geeft waren voor de jongens die er blootsvoets naast liepen vast minder leuk.  

Isaac Israëls, Ezeltje rijden op het Scheveningse Strand, ca. 1900. Kunstmuseum, Den Haag (buiten tentoonstelling)

De scènes uit het leven van landarbeiders, vissers en hun kinderen appelleerden aan het sentiment van potentiële kopers. De modellen ontvingen weliswaar een kleine vergoeding, maar op een enkele uitzondering na valt van sociale betrokkenheid bij de schilders weinig te merken. De arme sloebers voelden hun marktwaarde goed aan. De ‘Tachtiger’ Frederik van Eden noteerde hoe Larense boeren voor poseer sessies speciaal hun alleroudste en smerigste kleren aantrokken, zodat ze nog aandoenlijker en schilderachtiger uit de verf kwamen!
Wally Moes was als een van de weinigen begaan met het lot van de werkende jeugd. Om brood op de plank te krijgen moesten kinderen van arme families een steentje bijdragen. Hoewel sinds 1901 leerplicht voor kinderen tot 12 jaar bestond, kwam voor hen van schoolgaan niet veel terecht. Wally Moes beijverde zich voor scholing van arme kinderen. Van haar hand zie je een ets van een jongen die de kost verdient als voddenraper en een Murillo-achtig portret van twee haveloos gekledemandenvlechters. De blote voeten van de jongens zullen de werkelijkheid wel benaderen, maar de sinaasappelschillen en het Chinese porselein zijn slechts uit artistiek oogpunt toegevoegd.

Wally Moes, Schaftuurtje, 1885. Doek 97 x 149 cm. Collectie Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, foto: Studio Tromp

Op de Middelbare School leerden we dat het Kinderwetje van Van Houten uit 1874 verbetering in de regels rond kinderarbeid bracht. De initiatiefwet van de liberale politicus Samuel van Houten om àlle kinderarbeid te verbieden haalde het echter in de Tweede Kamer niet. In die tijd waren jonge kinderen in veel textiel- en sigarenfabrieken te vinden. Meer dan eens bestond het aantal werknemers voor wel 25% of meer uit kinderen. Ze maakten vaak lange dagen van soms wel vijftien uur en ook ’s nachts moest gewerkt worden. Met zijn novelle Fabriekskinderen bracht de schrijver Jacob Jan Cremer in 1863 hun mensonwaardige werkomstandigheden onder de aandacht van zijn lezers. Ook sprak hij koning Willem III erop aan. Verschillende malen wijdde Cremer krantenartikelen aan dit sociale probleem.  Tijdens lezingen las hij voor uit eigen werk. Wellicht droegen deze acties bij tot bewustwording van het probleem bij Van Houten. Op zijn initiatief werd de ‘Wet Houdende Maatregelen tot het Tegengaan van Overmatigen Arbeid en Verwaarlozing van Kinderen’ in 1874 in sterk herziene vorm aangenomen. De nieuwe regels bepaalden dat kinderen jonger dan 12 jaar niet in fabrieken en werkplaatsen mochten werken. De wet werd echter slecht gehandhaafd en betrof alleen fabrieksarbeid door kinderen tot twaalf jaar. Vanaf 13 jaar mochten ze zelfs nog worden ingezet voor nachtarbeid. Werkzaamheden in huis of veldarbeid vielen niet onder deze wet. De oorzaak van de grootschalige kinderarbeid werd niet aangepakt. Door de lage lonen van hun ouders, moesten kinderen wel meewerken. De invoering van de leerplichtwet in 1901 zou een einde gemaakt hebben aan fabrieksarbeid door kinderen, maar in de tentoonstelling zag ik een foto van meisjes die in 1919 nog werkzaam waren in een Tilburgse sigarenfabriek. Kinderen uit arme gezinnen moesten vaak na schooltijd in huis of op het land nog aan het werk, zoals te zien in het werk van Wally Moes en haar collega’s. Toen zij door reuma niet meer kon werken verruilde zij het penseel voor de pen. De verhalen waarin Moes het geromantiseerde zware plattelandsleven in het Gooi met woorden schilderde verschenen in Elseviers Geïllustreerde Maandschrift. De Wally Moes-vrijwilligersprijs die jaarlijks in de gemeente Laren wordt uitgereikt herinnert aan haar sociale betrokkenheid.

Haagse School 
De schilders van de Haagse School raakten geïnspireerd door de School van Barbizon. Afkerig van de oprukkende verstedelijking en industrialisatie legden kunstenaars als Daubigny, Corot en Millet het ongerepte landschap vast en het ‘pure’ leven van eenvoudige lieden, die Gods aarde bewerkten. Met hun landschappen en scènes uit het leven van arme boeren en vissers bewandelden Hendrik Willem Mesdag, Jozef Israëls, Jacob Maris en tijdgenoten eenzelfde weg. Ze bleven echter wel in hun comfort-zone. Om niet in armetierige huisjes te hoeven werken bootsten Jozef Israëls, Evert Pieters en Bernard Blommers het interieur van een eenvoudig vissershuisje na in hun atelier.     

Kinderen in de hoofdrol
Anders dan in eerdere exposities als Kinderen [uit de hogere kringen] op hun mooist (Frans Halsmuseum, 2000) spelen arme kinderen nu de hoofdrol. Bijna twintig jaar later belichtte de expositie Jong in de 19e eeuw in Teylers Museum hun ontwikkeling van mini-volwassene tot … kind. Het concept van die tentoonstelling was geïnspireerd op het gedachtengoed van de 18e eeuwse schrijver Jean-Jacques Rousseau. Dankzij zijn boek Emile, ou de l’education uit 1762 begonnen opvoedkundige ideeën in de tweede helft van de 18e eeuw te veranderen. In een persbericht werd de inhoud van die tentoonstelling met de volgende woorden toegelicht:  

…’Het was bijvoorbeeld niet meer vanzelfsprekend dat kinderen zo snel mogelijk moesten gaan werken, ze kregen tijd en ruimte voor hun eigen ontwikkeling. […] Anton Mauve, Jacob Maris, George Hendrik Breitner en Jan Toorop schilderden kinderen […] in een eigen wereld, spelend of in gedachten […] Het kind werd als kind erkend’….

Maar dat hing wèl af van de plek waar je wieg had gestaan. Anders dan in onze tijd, waarin jongeren van 18 jaar als meerderjarig worden beschouwd, werden arme kinderen in Mesdags tijd noodgedwongen al veel eerder volwassen -of beter verwoord- als volwassene gezien.                                              

In de huidige expositie is voor het eerst aandacht voor de petite histoire van het kinderleven in de late 19e– en vroege 20e– eeuw. De kloof tussen rijk en arm was destijds onoverbrugbaar. De in 1901 ingestelde leerplicht veranderde daar als gezegd nog niet veel aan.

Haringkade, detail van Panorama van Scheveningen, Hendrik Willem Mesdag, 1881. Museum Panorama Mesdag.

Van zakenman tot kunstschilder  
De tentoonstelling is ondergebracht in de voormalige woning van de schilder Hendrik Willem Mesdag en zijn eveneens schilderende echtgenote Sientje van Houten. In de vaste collectie zie je de schilderijen van het echtpaar. De kroon op hun werk vormt het indrukwekkende Panorama, dat zij in 1881 in samenwerking met Bernard Blommers, Théophile de Bock en George Hendrik Breitner in vier maanden tijd voltooiden. Na mijn bezoek aan de expositie beklom ik de trap naar het Panorama, zoals ik dat 50 jaar geleden tijdens een schoolreisje had gedaan. Als een kind genoot ik weer van het fascinerende rondzicht met impressies van Scheveningen uit Mesdags tijd.

Het Panorama is niet alleen waardevol als document van een lang vervlogen tijd; het is ook een artistiek huzarenstukje. Zittend op het seinpostduin schilderde Mesdag de omgeving op een hier getoonde glazen cilinder. De voorstellingen projecteerde hij vervolgens op enorme doeken, waarna de blow-ups konden worden nageschilderd. Aan de zeezijde zie je behalve vissers, wandelaars en exercerende militairen te paard ook -goed kijken- de vrouw van Hendrik Willem Mesdag. Sientje zit naast een bomschuit, onder een parasolletje aan haar schildersezel.

H.W. Mesdag, Sientje Mesdag met haar zoon Klaasje, ca. 1866. Paneel 51,4 x 39 cm. Museum Panorama Mesdag.

Met haar gaan we terug naar de tentoonstelling. Zij is een van de weinige getrouwde vrouwen die na haar huwelijk doorging met schilderen. Dat was in die dagen zeer ongebruikelijk. Zonder hulp hadden vrouwen een dagtaak aan de verzorging en opvoeding van de vele kinderen, waarmee zij ‘gezegend’ werden. Slechts een enkeling slaagde erin om haar artistieke talent te combineren met het moederschap.

De meeste schilderende vrouwen in deze tentoonstelling kozen voor een ongetrouwd bestaan en bleven kinderloos. Om de handen vrij te hebben bracht Suze Robertson, aan wie Museum Mesdag vorig jaar een overzichtstentoonstelling wijdde, haar dochter onder in een pleeggezin. In de laatste zaal zie je twee portretjes van Robertsons dochter Sara. Daar hangt ook een tekening van de naar de pionier van de kindercrèche vernoemde Femina Muller bewaarschool in de Vinckenstraat in Amsterdam. Henriëtte de Vries geeft daarin een impressie van deze moderne hygiënische plek waar fabrieksarbeidsters hun kroost konden onderbrengen.

Hendrik Willem Mesdag en zijn vrouw Sientje hadden één kind, Klaasje.  Evenals Renoir, Cézanne, Gauguin en Jongkind nam Hendrik Willem Mesdag een moedig besluit. Hij verruilde een leven als zakenman voor dat van kunstschilder. In 1866 verhuisde hij naar Brussel om zich op aanraden van zijn achterneef Lourens Alma Tadema bij landschapschilder Willem Roelofs in het schildersvak te bekwamen. Daar ontstond het huiselijke portret van zijn vrouw en kind.  

Het werk geeft niet alleen een inkijkje in een burgerlijk interieur van die tijd, maar weerspiegelt ook de belevingswereld van een kind uit de gegoede kringen. In de voorgrond zit Klaasje omringd door mooi speelgoed.

In een vitrine liggen enkele ego documentjes: een schetsboekblad met kindertekeningen van Klaasje en een aandoenlijk briefje met nieuwjaarswens dat het jongetje kort voor zijn ontijdige dood aan zijn grootvader schreef. Ter illustratie van de hoge kindersterfte in die tijd wordt een pentekening van Matthijs Maris getoond met een impressie van de uitvaart van het eveneens jonggestorven zoontje van zijn broer Jacob.

In een duinlandschapje vereeuwigde Mesdag zijn zoon Klaas staand naast zijn nichtje Barbara van Houten, die eveneens artistiek getalenteerd was.

H. W. Mesdag, Kinderen in het duin, ca. 1870. Doek, 13 x 23 cm Particuliere collectie

In weerwil van zijn progressieve ideeën ten aanzien van kinderarbeid, was Barbara’s vader Samuel van Houten binnenskamers heel wat minder modern. Hij hield zijn dochter thuis om voor de huishouding en haar halfbroer- en zus te zorgen. Tussen de huiselijke bedrijven door vond Barbara tijd om haar vader en haar halfbroer te portretteren. Voor de poseersessies kreeg ‘broer’ een kwartje als hij voor zich uit moest kijken en een dubbeltje als hij zat te lezen!

Barbara van Houten, Portret van Samuel van Houten, ongedateerd. Doek 121 x 91 cm. Museum Panorama Mesdag

De thematisch ingerichte tentoonstelling vangt aan met vrolijk stemmende werken van kinderen die luieren in een zomerse weide of de Haagse dierentuin bezoeken. Willem Bastiaan Tholen geeft een letterlijk en figuurlijk snelle impressie van sleetje rijdende kinderen vanaf een besneeuwd Scheveningse duin. Het plezier spat ervan af!

Willem Bastiaan Tholen, Winterpret: Sleetje rijden op het strand van Scheveningen, ca. 1917.
Zwart krijt. 52 x 71 cm. Part. Coll

Eveneens met snelle toets ving Barbara van Houten haar nichtje Elizabeth, dat zij getuige haar verhitte gezichtje, midden in haar spel betrapte. Het kind kan nauwelijks stil blijven staan! Goed geobserveerde details als het iets opgewipte vloerkleed en het gefriemel aan haar schortje verraden Barbara’s vakmanschap.

Barbara van Houten, Meisje met pop, ongedateerd. Doek 136 x 81 cm. Museum Panorama Mesdag.

Laat je in deze zaal verrassen door het kleinste strandgezicht ooit! Johannes Evert Akkeringa schilderde het paneeltje van 6,6 x 8 cm voor het poppenhuis van zijn kinderen. Met enkele likjes verf tovert hij de illusie van figuurtjes in de branding.
In een potloodtekening geeft Louis Apol een indruk van de moeilijkheden van zijn in de buitenlucht – en plein-air- werkende collega Karel Klinkenberg. Een betere visualisering van Jacob Cats gezegde Kinderen zijn Hinderen is nauwelijks denkbaar!
In de volgende zaal zien we voorbeelden van de vele vormen van kinderarbeid. De aandoenlijke impressie van een gehandicapt LucifermeisjedoorFloris Arntzenius. Wellicht inspireerde het sprookje van Hans Christian Andersen hem tot het maken van dit werk, maar bedoeld als een sociale aanklacht was het niet. 

Floris Arntzenius, Het lucifermeisje, 1890. Doek, 130 x 75,8 cm. Historisch Museum, Den Haag.

Het ging de schilder naar eigen zeggen om de weergave van karakteristieke straattypes.
Zestien 16 jaar later schilderde Arntzenius een meisje dat onder een gelukkiger gesternte was geboren. In een doek uit 1906 zien we zijn 4-jarige dochter Liesje, die later ook kunstenaar zou worden.
Met Anthon van Rappards impressie van blootsvoets sjouwende kinderen zijn we terug in de harde werkelijkheid. Hij legde het tafereel vast in de Utrechtse steenfabriek Ruimzicht van zijn neef Alexander van Rappard, waar meer dan de helft van de werknemers kind was.
Op mijn vraag of Van Rappard, evenals zijn vriend Vincent van Gogh begaan was met het lot van deze arme mensen, antwoordt conservator Adrienne Quarles van Ufford ontkennend. De briefwisseling tussen beide schilders beperkt zich tot compositorische en coloristische aspecten.

Anthon van Rappard, Fabrieksterrein met arbeiders, 1885. Doek 26 x 45 cm. Centraal Museum, Utrecht

Ook andere kinderberoepen worden getoond: jongens als veehoeder of scheepsmaatje en veel breiende meisjes. Dat deden ze niet, zoals tegenwoordig voor hun plezier, maar uit noodzaak om warme sokken en ondergoed te maken. Zelfs als ze wandelden gingen ze ermee door: … Praten en Breien

Pieter de Josselin de Jong, Schevenings Meisje, ongedateerd. Paneel. Particuliere Collectie.
Courtesy Hein Klaver, Baarn

Ook kleine kinderen werden ingezet bij velerlei klussen als het voeren van de kippen, het pellen van garnalen en het verzamelen van sprokkel- of wrakhout. In een monochroom sneeuwlandschap gaf Sientje Mesdag daar een verstilde ijskoude impressie van, waaraan het rode rokje van het kind een subtiel warm toetsje geeft.

Sientje Mesdag van Houten, Sneeuwlandschap met sprokkelende vrouw, 1878. Doek 41 x 51 cm. Jan Menze van Diepen Stichting.

Op een paneel van Philip Sadee is het spreekwoord ‘van dik hout zaagt met planken’ meer van toepassing. Hij brengt het zware vissersbestaan op (on)dubbelzinnige wijze in beeld. Zowel de angst voor schipbreuk is in beeld gebracht, alsook de kansen die zo’n ramp anderen geeft om brandhout te verzamelen. De een zijn dood is de ander zijn brood.

Joseph Israels, Visserskinderen / Kinderen der Zee, 1863. Doek 85 x 70 cm. Amsterdam Museum

Die angst zit eveneens verstopt in Jozef Israëls ogenschijnlijk vredige scène Kinderen der Zee, waarin twee kinderen met een bootje spelen. Geïnspireerd op Israëls werk voorzag de dichter Carel Vosmaer dit schilderij van een diepere betekenislaag. In zijn vers Zondagmorgen aan het strand schetst de dichter een akelig beeld. Wanneer de jongen een storm nabootst, slaat de roerganger van het  speelgoedbootje overboord, zoals het hun vadertje ook is vergaan.De geschilderde beroepen worden in de tentoonstelling aangevuld met advertenties en foto’s van kinderen in een fabriek of die aan de keukentafel pellend een enorme berg garnalen wegwerken.

Kinderportretten                      
Leuk zijn de portretten die de kunstenaars van hun eigen kinderen vervaardigden. Jacob Maris was gezegend met een grote schare nakomelingen. We ontmoetten hem eerder in droevige omstandigheden, maar de portretjes van zijn dochtertje Henriëtte en zijn 4-jarige zoontje Willem als een 17e -eeuws jongetje stemmen ronduit blij. Dit waren presentjes voor zijn echtgenote. De portretten van zijn musicerende dochters maakte hij voor de kunsthandel.

Jacob Maris, Portret van Willem Maris, 1876. Paneel 14 x 12 cm. Rijksmuseum, Amsterdam

Met het Rembrandteske portret van zijn 7-jarige zoon greep ook Joseph Israëls terug op de 17e eeuw. Anders dan het donkere palet van zijn vader, zou dat van Isaac later worden gekenmerkt door lichte, kleurrijke tinten.

Jozef Israëls, Portret van de jonge Isaac, ca. 1872. Doek. Part. Coll.

Maar het meest origineel is het kinderportret in de expositie is van Albert Roelofs. Hij schilderde de beeltenis van zijn zoontje op een palet. Zoals kantoormensen later een ingelijste foto op hun bureau neerzetten, had Albert Roelofs de beeltenis van zijn zoontje Giele hiermee binnen handbereik.

Albert Roelofs, Schilderspalet, ongedateerd. Paneel, Particuliere collectie.

Vakvrouwen                                                                                                                
De expositie eindigt met werk van vrouwelijke kunstenaars. Aan hen besteedde de museale wereld tot voor kort weinig aandacht, maar in de laatste zaal hebben zij het rijk alleen: Wally Moes, Henriëtte de Vries, Froukje Wartena, Barbara van Houten, Suze Robertson en Thérèse Schwartze. Van laatstgenoemde zie je een liefdevol portret van haar nichtje Thérèse Ansingh. Grappig is de kindertekening van haar zusje Lizzy, waarin ze haar tante Thérèse achter de schildersezel schetste. Jong geleerd oud gedaan: zij werd later ook kunstenaar. Thérèse Schwartze tekende en schilderde zelf ook van jongs af aan. Na het overlijden van haar vader werd zij op haar drieëntwintigste kostwinner van het gezin.

1. Thérèse Schwartze, Portret van Thérèse Ansingh, Doek, 59 x 47 cm. Particuliere collectie, foto: Piet Gispen 2. Lizzy Ansingh (1875-1959), Portret van Thérèse Schwartze en een model. Ongedateerd. Potlood op papier 18 x 23 cm. Rijksmuseum Amsterdam

Verschillende schilderijen in deze zaal tenslotte zijn beelddocumenten van onschatbare waarde. Zoals de krijttekening van de Breischool van Griet in Huizen, waar meisjesbreien en haken leerden. Op het rooster van mijn middelbare school stond ook nog het vak ‘nuttige handwerken’. Behalve een uurtje kletsen zagen wijhet nut daar niet van in, maar destijds was het bittere noodzaak om zelfvoorzienend te zijn in de vervaardiging van warme sokken en ondergoed.  

Wally Moes, Breischool te Huizen, 1891, zwart, bruin en wit krijt op ecru vergé papier

In de laatste zaal kwam nog een verre jeugdherinnering boven. Om te bedaren is een stout meisje in de hoek gezet. Nog na giechelend werpt ze tersluiks een blik achterom.

Wally Moes, Kind in de hoek. Ongedateerd. Paneel. Singer Laren.

De Kinderen van de Haagse School is tot 21 mei te zien. Vanaf 15 maart leuk te combineren met de tentoonstelling Haagse School in een ander licht in het Haagse Kunstmuseum. Hier kom je verschillende van de zojuist besproken schilders ook weer tegen. Enkelen worden zelfs als medeoprichters van het museum ten tonele gevoerd. In 1866 schonken Anton Mauve en Jan Hendrik Weissenbruch werken van eigen hand. In de vaste opstelling zijn deze permanent te zien. De nieuwe expositie werpt letterlijk een ander licht op deze typisch Haagse kunstenaars.

A. Quarles van Ufford & J. Kapelle, Kinderen van de Haagse School. Spelen, Werken, Overleven. Museum Panorama Mesdag, Den Haag. 2023.

https://panorama-mesdag.nl

Geverifieerd door MonsterInsights