Frans Hals en de Modernen, Frans Hals Museum, Haarlem, t/m 24 februari 2019

Campagne beeld, Frans Hals Museum Haarlem

Na de succesvolle expositie Frans Hals, oog in oog met Rembrandt Rubens en Titiaan richt het Frans Hals museum de blik dit najaar op de 19e en 20e eeuw. Tot en met 24 februari is de tentoonstelling Frans Hals en de Modernen te zien.
Hals’ ‘ruwe’ schetsmatige stijl werd in zijn tijd zeer gewaardeerd. Met zijn meesterlijke toets wist hij een grote mate van levensechtheid in zijn portretten te bereiken of liever: op te roepen. Het oog van de beschouwer maakt het beeld af, waardoor de geportretteerden nog levendiger lijken.

 

Frans Hals, detail uit portret Claes Duyst van Voorhout, 1638, Metropolitan Museum of Art

Hals’ virtuoze toets bleef in de 17e eeuw ook in het buitenland niet onopgemerkt. Antoon van Dijck, een van de meest succesvolle leerlingen van Peter Paul Rubens, reisde naar Haarlem om het werk van Frans Hals met eigen ogen te aanschouwen. Dankzij schilders-biograaf Arnold Houbraken leeft dit bezoek voort in de herinnering maar Frans Hals (1582-1666) zelf raakte na zijn dood geleidelijk aan in de vergetelheid. Pas in de 19de eeuw werd hij herontdekt toen zijn werk in het Stedelijk Museum, ingericht op de zolder van het stadhuis van Haarlem, werd tentoongesteld. De Franse kunstcriticus Théophile Thorė Bürger wekte hem in 1868 met een publicatie in de Gazette des Beaux Arts uit zijn ‘winterslaap’.

Buitenlandse kunstenaars als Courbet, Manet en Monet, Max Liebermann, John Singer Sargent en anderen reisden in de 19e eeuw naar Haarlem. Deze moderne kunstenaars verzetten zich tegen de  academische regels; een losse schetsmatige penseelvoering werd hun handelsmerk. In Frans Hals herkenden zij een geestverwant en stelden verbaast vast: ‘Frans Hals c’est un moderne’!

Zowel realisten, impressionisten als expressionisten waren onder de indruk van zijn losse schilderstijl. Als souvenir, maar vooral om de techniek van de bewonderde 17e eeuwer in de vingers te krijgen maakten ze kopieën van zijn werk. Tot en met 24 februari kunnen bezoekers van de tentoonstelling zien hoe deze zogenoemde modernisten Frans Hals als inspiratiebron gebruikten.

Daartoe zijn ruim zeventig schilderijen van Hals en zijn bewonderaars in dialoog gepresenteerd, waardoor, aldus directeur Ann de Meester, een soort magie ontstaat. Tijdens een vraaggesprek in Opium op Vier van 13 oktober, liet ze zich in zangerig Vlaams ontvallen dat het verkrijgen van de bruiklenen een hels werk was geweest. …’een sophisticated vorm van kwartetten; mag ik van jou, dan krijg jij van mij’…

Het is niet altijd eenvoudig om authentiek werk van Frans Hals naast een kopie te herkennen. Zoek maar eens naar de verschillen tussen de twee versies van Malle Babbe!

Tussen 1862 en 1900 bezochten meer dan 500 kunstenaars het Haarlemse museum. Onder hen de Belg James Ensor en minder bekende Amerikaanse kunstenaars als Robert Henri en William Merritt Chase. In de tentoonstelling zijn enkele vrouwelijke kunstenaars vertegenwoordigd: Mary Cassat en de Finse Helene Schjerfbeck met een bijna niet van een Hals te onderscheiden mansportret.

Schjerfbek, Man in a Slouch Hat
Helene Schjerfbeck, kopie naar Frans Hals portret van man met een hoed met brede rand, 1892, Finnish National Gallery/ , Helsinki, foto Hannu Pakarinen
Frans Hals portret van een man
Frans Hals, portret van man die een hoed met brede rand draagt, ca. 1650, Hermitage Staatsmuseum, St. Petersburg. Foto: SHM Vladimir Terebenin 2018

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Allen verwerkten Hals invloed op eigen wijze, maar hoe ze het ook deden, Frans Hals was nooit ver weg!

Frans Hals en de Modernen, waarom nù? Dit jaar is het precies 150 jaar geleden dat Frans Hals (1582-1666) werd herontdekt. Sinds de vroege 18e eeuw stond hij te boek als drinkebroer. Hals’ slechte reputatie komt voort uit een notitie van een tijdgenoot. Matthias Scheitz meende te weten dat Hals in zijn jonge jaren … ‘wat lustig van leven [was] geweest’…  Woorden die door de biografen Samuel van Hooghstraten en Arnold Houbraken werden uitgesponnen tot op waarheid niet te controleren beweringen en smeuïge anekdotes. In zijn Groote Schouburgh der Nederlantsche konstschilders en schilderessen schreef Arnold Houbraken in 1718:

Frans Hals, De vrolijke drinker
Frans Hals, Burgerwacht die een Berkemeyer vasthoudt, bekend als de vrolijke drinker, 1628-1630, Rijksmuseum Amsterdam

Frans was gemeenlijk allen avond tot de keel toe vol met drank’.… Toch achtten zijn leerlingen hem hoog. Om hem voor ongelukken te behoeden, haalden zij hem ‘s avonds laat uit de kroeg en hielpen hem naar bed. Hoe beschonken ook, Hals sloeg zijn avondgebed nooit over, dat hij steevast besloot met: …’Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen hemel’… Zijn leerlingen besloten de Heer een handje te helpen om dit gebed te verhoren. Van de zolder boven Hals’ bedstede bevestigden zij touwen aan het matras. Na het avondgebed trokken zij het matras omhoog. Toen Hals, in den dommel van zijn dronkenschap bemerkte dat zijn wens verhoord werd, riep hij….’Zoo haastigh niet Lieve Heer, zoo haastig niet’…. Hals heeft deze potzery nooit ontdekt, besluit Houbraken, maar nadien liet hij deze bede achterwege.Door schilderijen als de Vrolijke Drinker bleef Hals reputatie van dronkenlap in stand: wie nuchter is schildert niet zo!

Houbraken dist nog een anekdote op. Het bezoek van de portretschilder Antoon van Dijck. Hij trof Hals niet thuis, maar vond hem in de kroeg. Hals had aanvankelijk geen oog voor de vreemdeling…’niet voordat hij zijn pintje geleegd had’…schetste hij het portret van de hem onbekende man. Onder de indruk vroeg deze zich hardop af of hij zoiets ook zou kunnen. Hals had geen idee, maar toen hij het resultaat zag, wist hij het meteen: ‘…Gy zyt van Dyk, want geen mensch anders kan  zulks doen!…’ Hals viel hem om de hals (…) en kuste hem ! 

Van Dijck stopte Hals’ kinderen …’daar rykelijk wat voor in de hand, […] daar zy niet lang kassiers van bleven’… en nam het nog natte portret mee. Maar in zijn opdracht van  koning Karel om de beroemde portretschilder mee naar Engeland te nemen had hij gefaald, omdat Hals, de lezer begrijpt het al,…´te zeer verslingert [was] op die slegte wyze van leven´….

De biografie van Hals bevat meer onwaarheden. Het is echter wèl waar dat zijn destijds gewaardeerde ruwe schilderwijze, uiteindelijk leidde tot de afname van zijn populariteit. In de tweede helft van de 17e eeuw voltrok zich onder invloed van de Franse academische schilderkunst ook in de Republiek een smaakverandering. De losse toets van Hals en het warme palet van Rembrandt raakten uit de mode. Voor historiestukken en portretten ging de voorkeur uit naar heldere kleuren, fijn gepenseelde en egaal belichte onderwerpen. In de tweede helft van de 19e eeuw keerde het tij.
Bij het zien van Frans Hals Regentessen en Regenten van het Oudemannenhuis schreef Thoré Bürger ’Ik ken géén schilderijen die met zoveel élan zijn uitgevoerd; niet van Hals zelf, noch van Rembrandt, Rubens of Greco’!  Waarmee Frans Hals bovenaan de toenmalige top 10 van Europese schilders belandde. In de ogen van Max Liebermann liet Frans Hals de thans meer geprezen Rembrandt zelfs ver achter zich:
….’ Door de schilderijen van Frans Hals krijg je lust te gaan schilderen, door die van Rembrandt vergaat je de lust daartoe’…aldus Liebermann.

Edouard Manet (1832-1883) was in 1872 één van de eersten die zijn naam in het bezoekersboek van het Stedelijk Museum noteerde. Tijdens logeerpartijen bij zijn schoonfamilie in Zaltbommel -hij was getrouwd met de Nederlandse Suzanne Leenhof- maakte Manet regelmatig uitstapjes naar het Haarlemse museum. Dat hij een kopie maakte van de Regentessen van het Oudemannenhuis was uit bronnen bekend. Het mòest nog ergens zijn, maar waar? In de aanloop naar de tentoonstelling bleven alle zoekacties zonder resultaat. In februari ontving conservator Marrigje Rikken een mailtje uit Italië met verzoek om informatie over een portret met oude vrouwen. De missing link was terecht. …’Het schilderij heeft mij gevonden’… lacht Rikken tijdens de voorbezichtiging van de expositie.   

Frans Hals Regentessen
Frans Hals, Regentessen van het Oude Mannenhuis ca.1664, Frans Hals Museum, Haarlem, Foto: René Gerritsen
Manet Regentessen
Édouard Manet, Kopie van Frans Hals de Regentessen van het Oude Mannenhuis,1872, Part.Collectie. Italië

Manet’s kopie wordt nu samen met de originele versie getoond.  De onvoltooide kopie is vlot -waarschijnlijk in één dag- geschetst. In de kragen zijn de  potloodstrepen van de onderliggende schets nog zichtbaar. De hand van de meest rechtse regentes is summier aangeduid. Toch is de kopie van onschatbare waarde. Het werk draagt de oorspronkelijke kleuren, die in de loop der eeuwen in het orgineel zijn nagedonkerd. Zo heeft het tafelkleed nog de oorspronkelijke olijfgroene kleur.

Bij de expositie is geen catalogus, maar wel een bijzonder leuk magazine verschenen. Hierin is het verhaal van de teruggevonden Manet beschreven, aangekocht door twee vermogende Italiaanse vrienden, “Luigi” en “Claudio”, die het werk voor veel geld hoopten te verkopen aan het nieuwe Louvre in Abu Dhabi! [waarover u op deze site ook een artikel kunt lezen, zie link onderaan].  Hopelijk steekt de Vereniging Rembrandt hier met de aankoop voor het Frans Hals Museum een stokje voor!

In de eerste zalen hangen ook de kopieën die James Ensor en John Singer Sargent van de regentessen maakten. Deze vingeroefeningen verduidelijken het waaròm van hun fascinatie voor hen. Niet hun uiterlijk,  maar de losse en uitermate realistische wijze waarop Hals hen karakteriseerde sprak hen aan. Ondanks Thoré Bürgers positieve woorden blijft het negatieve aura rond Frans Hals en zijn werk nog lang hangen. In de vroege twintigste eeuw omschreef de toenmalige directeur van Museum Boijmans van Beuningen, Schmidt Degener, de regentessen nog als gierige oude vrouwen …’zelfingenomen en meedogenloos’, en dat niet alleen, hij heeft het ook over hun …’azijnigheid en schraperigheid’! Honderd jaar later zie ik slechts een paar broze, doch kordate dames, met hun door couperose gecraqueleerde wangen en handen met een huid als perkament. Eén van hen houdt haar hand op. Ze moest wel. Om de opvang van oude mannen te bekostigen waren de bestuurders van de instelling afhankelijk van donaties.

Gaf Hals’ vermeende lichtzinnige levenswandel reden tot verzinsels, de losse en uiterst realistische manier waarop hij de regenten en regentessen schilderde droeg ook bij tot mythevorming. Omdat zij hem géén plekje in het Oudemannenhuis wilden geven, zou hij hen uit wraak expres zo lelijk hebben geschilderd. Anderen meenden dat hij, inmiddels ver in de tachtig, het penseel niet meer meester was. Zelfs in de twintigste eeuw maakte het werk de tongen los, zoals we zagen. De regent met de (destijds modieuze) scheve hoed zou onmiskenbaar dronken zijn geweest. En een medicus onderwierp de man aan een denkbeeldig consult. De diagnose: een halfzijdige aangezichtsverlamming veroorzaakt door een tia.

Frans Hals Regenten
Frans Hals, Regenten van het oude mannenhuis, ca.1664, Frans Hals Museum, Haarlem, Foto: René Gerritsen

Van alle latere bewonderaars was Max Liebermann Frans Hals’ grootste fan. Hij maakte wel 30 kopieën van zijn werk. Toen zijn vrouw in blijde verwachting was besloot het paar het kind voluit naar Frans Hals te vernoemen. Echter het werd  een meisje, Marianne Henriette Käthe, roepnaam Käthe.

Max Liebermann, Zigeunermeisje 1873, privé collectie

Liebermann was vooral onder de indruk van Hals’ natuurlijke wijze van schilderen en de (ogenschijnlijke) snelheid waarmee hij dat deed. In navolging van Hals kopieerde hij de hand van een van de schutters en Hals Zigeunermeisje, uit de Berlijnse Gemäldegalerie.
De realist Gustave Courbet was eveneens gefascineerd door Frans Hals. In 1869 schilderde hij zijn vrijwel niet van Hals te onderscheiden kopie van Malle Babbe.

 

Frans Hals, Malle Babbe
Frans Hals, Malle Babbe, 1630-1635, Gemäldegalerie, SMB, Berlijn foto; Jörg P. Anders
Courbet, Malle Babbe
Gustave Courbet, Malle Babbe, 1869, Hamburger Kunsthalle, foto: Elke Walford

 

 

 

 

 

 

 

 

Kopiëren was tot in de 20e eeuw een gangbare academische praktijk, op zoek naar de (beweging van de) hand van de meester. Beweging was óók letterlijk één van de in Hals’ werk bewonderde kwaliteiten. Met wat stroken verf op een stuk linnen wist Hals de illusie van beweging te suggereren.

In de grote tentoonstellingszaal zijn de schuttersstukken van Frans Hals en de (deel)kopieën daarvan naast en boven elkaar gepresenteerd, zoals dat in de 19e eeuw gebruikelijk was. Tijdens een excursie attendeerden de studenten van de Amerikaanse schilder William Merrit Chase hem op de grote gelijkenis met kolonel Johan Claeszoon Loo in Hals Portret van de officieren en onderofficieren van de Cluveniersschutterij uit 1633. Zijn zelfportret uit 1903 in de gedaante van zijn 17e eeuwse look-alike hangt naast het origineel.

Cluveniers Frans Hals
Frans Hals, (Detail) Bijeenkomst van de officieren en onderofficieren van de Cluveniers schutterij, 1633, Frans Hals Museum Haarlem
Chase Self Portrait
William Merrit Chase, Zelfportret als kolonel Joh. Claeszoon Loo , 1903, The Hekscher Museum of Art, Huntington, NY, Baker Pisano collection

Van Frans Hals zelf zijn géén brieven, ego-documenten of tekeningen bewaard. Geschreven bronnen van 19e eeuwse kunstenaars geven inzicht in het waarom van hun bewondering. Vincent van Gogh schreef aan zijn broer Theo:  …’wat is het een genot zo’n Frans Hals te zien, wat is ‘t héél iets anders dan de schilderijen […] waar zorgvuldig alles op dezelfde wijze is gladgestreken…’.
Van Gogh (1853-1890) was vooral in de ban van de kleuren van Frans Hals. In diens donkere partijen ontdekte hij zelfs 27 tinten zwart! Na zijn donkere Brabantse periode probeert Van Gogh de ziel van zijn figuren in vlotte penseelstreken en vooral in pure kleur te vangen, geïnspireerd op de complementaire kleuren, waarmee Frans Hals het gelaat van de Vrolijke Drinker, modelleerde;…’niet door fotografische gelijkenis, maar door expressie van intense gevoelens en gezichtsuitdrukkingen [middels pure kleur]’… Dit wordt zichtbaar in Van Gogh’s portret van Postbode Roulin, en dat van Madame Roulin met baby Marcelle met haar bolle hapsnoet!

Postbode Roulin
Vincent van Gogh, Postbode Joseph Roulin, 1888, Museum of Fine Arts, Boston
Madame Roulin
Vincent van Gogh, Madame Roulin en haar baby, 1888, The Metropolitan Museum of Art, Robert Lehman Collection

De schilderijen van Frans Hals slaan een brug naar de impressionisten en andere modernisten. De één viel voor zijn losse toets, de ander voor zijn rake typering van alledaagse types. Anderen waren geporteerd van de lach. Hals was de eerste kunstenaar die een spontane maar ook ontluikende lach op het gelaat van zijn zitters wist te vast te leggen. De meeste kunstenaars kwamen niet verder dan een verkrampte grimas, aldus Karel van Mander in zijn Groot Schilderboeck. Een lachend portret werd voorheen bovendien als onbetamelijk beschouwd. Dit idee zou voortgekomen zijn uit de in onze oren belachelijke vraag of Jezus ooit gelachen zou hebben. Velen meenden van niet, waarmee de talloze 17e en latere strenge fotoportretten verklaard zijn.

Hals Geraerds
Frans Hals, Stephanus Geraerds, ca.1650, KMSK Antwerpen
Frans Hals, Isabella Kooymans, Ca 1650, Privé collectie

 

 

 

 

 

 

 

 

Frans Hals brengt hier verandering in, zoals in het huwelijksportret van Isaac Massa en Beatrix van der Laan in het Rijksmuseum (buiten tentoonstelling) en in het portretten van Isabella Coymans en Stephanus Geraerdts, die eenzaam in een hoekje in de Goudleerzaal aanwezig is. Zijn hand reikt wanhopig naar een leeg muurvlak…. Het lachende paar was in 1652 gelukkig nog onkundig van hun latere scheiding!

Het werk van Hals en zijn bewonderaars wordt in de tentoonstelling thematisch getoond. Behalve de kopieën zijn (kinder)portretten te zien en volkse types en een bijzonder leuke kragenparade. Het

Roybet Guillemet
Ferdinand Roybet, Portret van Antoine guillemet, 1871-1921,Musée roybet-Fould, Courbevoie Frankrijk, Foto Musée Roybet-Fould

schilderen van dit kleding accessoire was een verplicht onderdeel aan de kunstacademie in München. Hier ziet de bezoeker het campagnebeeld terug; Hal’s Portret van Pieter Jacobsz Olycan. De Poolse kunstenaar  André Mnizech trachtte Hals in zijn portret van de Amsterdamse bankier Daniel Franken uit 1877 te evenaren. Anderen trachtten Hals, naar het antieke devies van emulatio, te overtreffen. Leuk te zien in Frank Duveneck’s mansportret weergegeven in halsiaanse complementaire kleuren en een bijzonder los gepenseelde kraag. Ferdinand Roybet gaat in zijn portret van de schilder Antoine Guillemette helemaal los op de kraag! Analoog aan het spreekwoord: roomser dan de paus, zijn sommige portretten halsiaanser dan Hals.

Max Liebermann Mayor C.F.Petersen
Max Liebermann, Mayor Carl Friedrich Petersen, 1891,Hamburger Kunsthalle , foto: Elke Walford

En het bleef niet bij kragen! Voor een portret van de Hamburgse burgemeester diepte Max Liebermann in 1891 zelfs een hele 17e eeuwse outfit op uit de verkleedmand. Hij portretteerde Carl Friedrich Petersen met losse toets als hommage aan Frans Hals. Voorzien van een anachronistische molensteen-kraag. Daar zullen zijn stadgenoten echter niet van hebben opgekeken want deze archaïsche kleding is de traditionele dracht van Hamburgse burgervaders. Leuk dacht ik, maar de burgemeester zelf was er in het geheel niet tevreden over. Hij vond het schilderij niet af.

Leuk zijn ook de verschillende op Frans Hals geïnspireerde eigen creaties van o.a. Manet. Zoals Le bon boque; een artistieke  contaminatie van Hals rokers en drinkers. Een tevreden rokende dikzak genietend van een glas bokbier. De Amerikaan Robert Henri, die in navolging van Hals belangstelling kreeg voor types van de straat als  Celestina in Rome. Het absolute hoogtepunt vormt het portret van het Haarlemse straatjochie Jopie van Slooten, die door de Amerikaan, die een kamer aan de Haarlemse Grote Markt had gehuurd, werd binnen geroepen en nog warm van het buiten spelen op werd vereeuwigd.

Henri Laughing Boy
Robert Henri, Lachende jongen (Jopie van Slooten), Birmingham Museum of Art

 De expositie eindigt met een zaal waarin de invloed van de fotografie op de 19e eeuwse schilderkunst wordt belicht. Deze vinding maakte het schilderen van realistische beelden overbodig; resulteerde in een àndere kijk op de werkelijkheid en opende de weg naar abstracte kunst. De toevallig vastgelegde invalshoeken en afsnijdingen van het camerabeeld, worden door moderne kunstenaars bewust als artistieke beeldelementen toegepast. Minder overtuigend vind ik de gesuggereerde invloed van Frans Hals op de cameravoering van Breitner. Zijn goed gelijkende houtskool schetsen van Hals kinderportretten worden hier ook getoond . Met deze en de andere kopieën naar Frans Hals, wordt, zoals de samenstellers van expositie het noemen, de impact van Frans Hals op zijn latere bewonderaars  inzichtelijk gemaakt.

Bibliografie:

Slive e.a., Frans Hals, tentoonstellingscatalogus Frans Hals Museum, Haarlem, 1989/1990.

Rikken e.a., Frans Hals en de Modernen, magazine bij tentoonstelling, Haarlem, 2018.

Link: Frans Hals Museum, tentoonstelling Frans Hals en de Modernen

Link: Mijn artikel over het Louvre in Abu Dhabi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

www.uitdekunstmarina.nl  Bespreking Frans Hals en de Modernen en actuele tentoonstellingen.

Volgende lezing in de Oosterkerk: Caravaggio en Europa. Vrijdagochtend 1 en donderdagavond 7 februari. Woensdagochtend 13 februari, Cultuurhoek Driebergen.

 

Nog ruimte voor de anecdote van Hals Hemelvaart?

 

Nog een anecdote:

Zyn brave const en stoute wyze van penceelbehandelinge, maar niet zyne levenswyze moet de schilderjeugt zig ten voorbeeld, en tot naarvolging stellen, aangezien hy geen goed bestierder van zyn levenskar was, als die niet zelden van het middelspoor afholde, wyl hy zyne driften te ruimen toom vierde….. “ Frans was gemeenlijk allen avond tot de keel toe vol met drank. Echter hadden zyne leerlingen groote achtinge voor hem, en de oudste verstonden malkander daar in, dat zy…hem wanneer, het duister of laat wierdt, uit de kroeg haalden, opdat hy niet in ´t water zoude loopen of op een andere wys eenig ongeluk ontmoeten, die hem dan gevoegelyk thuis brachten, koussen en schoenen uitrokken en te bed hielpen…´´  Hoe beschonken ook,  Hals ging niet slapen eer hij zijn avondgebed had úitgestamerd; dat hij steevast besloot met: …Lieve Heer, haal my vroeg in uwen hoogen hemel...´De leerlingen geloofden niet dat Hals dat echt meende en namen de proef op de som

Anecdote:

Adriaan Brouwer en Dirk van Delen, boorden vier gaten in de zolder, boven zyn bedstee, waar door zy sterke koorden neerlieten, die zij aan de hoekeinden van het bed vastknoopten. De volgende avond wanneer hij vol en zoet te bed geholpen was, en zij het licht uit de kamer gedragen hadden, gingen zy op hunnen kousen de trappen op, om hunne rol uit te spelen, zonder dat hy daar af iets gewaar werdt…  Zij luisterden scherp naar het prevelen van zyn avondgebed.. bij het slotakkoord:… Lieve Heer haal my vroeg in uwen hoogen hemel, trokken zij het bed naar boven ! Toen Hals, in den dommel van zijn dronkenschap bemerkte dat zijn wens verhoord was, riep aandermaal tot de Heer….Zoo haastigh niet Lieve Heer, zoo haastig niet…., waarop zij hem weer zagt lieten dalen ! Toen Hals even later vast in slaap lag te ronken, maakten zij behendig de touwen los… Hij heeft deze potzery nooit ontdekt, maar na dien tyd gebruikte Frans deze wyze van bidden niet meer !

De biograaf besluit met  Hals is gestorven te Haarlem in de ouderdom van 85 of 86 jaren in ´t jaar 1666 en in het Koor van de Groote Kerk begraven. Evenals zijn broer Dirk, waaraan hij toevoegt zij waren Mechelaars van geboorte. zonen en kleinzonen van Hals waren, getuige een lijst van  St. Lucas, eveneens schilder. Hij noemt een aantal namen, waarvan er één, van welke er een leeft in Oostindiën, die daar getrout is aan een Mestys of halve zwartinne. Zekerlyk om haar  gelt… … Een zekere J. Wieland, een oud liefhebber, en die de meeste Hals schilders heeft gekend, getuigt dat allen luchtig van geest en beminnaars van zang en speelkonst geweest zyn.

 

 

 

 

 

 

Relieken, Museum Catharijneconvent Utrecht, t/m 13 februari 2019

Buste met mannenschedel
Reliekhouder in de vorm van een buste met een mannenschedel, ca. 1150-1250 (schedel) en ca. 1450-1575 (buste), Museum Schloss Moritzburg Zeitz, foto © Carlo Böttger

Achter het antropomorfe deurtje van de reliekhouder op het campagnebeeld is nog net een schedel te zien. Mensen die er niets mee hebben vinden relieken al gauw macaber. Maar degenen die in de kracht van relieken geloven koesteren de stoffelijke resten van heiligen en voorwerpen die met hen in aanraking zijn geweest. Zij zijn er heilig van overtuigd dat een gebed uitgesproken in de nabijheid van relieken eerder verhoord wordt dan zomaar een gebed. In de stoffelijke resten zou de kracht van de heilige zijn achtergebleven op aarde. Bovendien kan deze in de hemel ook nog een goed woordje voor hen doen. Relieken slaan een brug tussen dood en leven, aldus conservator Anique de Kruijf.

Veel niet-gelovigen zullen het vereren van relieken als een ouderwetse vorm van bijgeloof afdoen, maar ondanks de voortschrijdende secularisatie bestaat het fenomeen in traditionele èn profane zin nog steeds. Daarvan getuigt de aan religieuze vervoering grenzende bewondering van eigentijdse dode- en zelfs levende idolen. Zoals John Lennon, Elvis Presley of Diego Maradonna. In een Napolitaanse trattoria staat een hemelsblauw huisaltaar met enkele haren van de beroemde voetballer. In de expositie wordt een kopie (met één haar) getoond.

Maradonna altaar
Replica van het Maradonna altaar in Bar Nilo in Napels met een echte haar van de Argentijnse voetballer, verzameling van Karin Guggeis en Stefan Eisenhofer, München

Wie denkt dat reliekverering een uitsluitend rooms katholiek fenomeen is, heeft het mis. Het komt wereldwijd in vrijwel alle godsdiensten voor.  Zelfs de geloofsrichting van de man die zich met klem verzette tegen de rooms-katholieke kerk en haar santenkraam, het lutheranisme, kent enkele relieken.

In de tentoonstelling maakt de bezoeker een virtuele pelgrimsreis langs bedevaartsoorden van verschillende religies, culturen met voor-ouderverering en als religieuze relieken gekoesterde profane objecten. Beelden van massaal bezochte pelgrimsoorden en objecten bedoeld voor privé devotie. De tocht eindigt met eigentijdse persoonlijke relieken. Pelgrimeer in dit stukje met mij mee naar enkele van de twaalf bedevaartsoorden: Santiago de Compostela, Myanmar, Sri Lanka en (buiten tentoonstelling) Kasjmir en ontdek de bijzondere belevingswereld van pelgrims. Laat u niet afschrikken door het campagnebeeld; je hoeft geen gelovige te zijn om van de interessante en soms prachtige achterliggende verhalen te genieten.

Bodhisattva Ksitigarbha
Bodhisattva Ksitigarbha met votiefgaven, Koen, Japan, 1249, Museum für Ostasiatische Kunst Köln, foto © Rheinisches Bildarchiv Köln

Deze bespreking begint met de oudste wereldgodsdienst, het boeddhisme. Halverwege de expositie staat een 13e eeuws Japans beeldje van de bodhisattva Ksitigarbha, alias Jizõ Bosatsu. In de vitrine zijn de talrijke briefjes met smeekbeden, die bij een restauratie in 1983 tevoorschijn kwamen, uitgestald.

In het voormalige ‘Luthernisje’ ontdek ik een reliëf met voorstelling van de verdeling van de as van de boeddha. Na zijn crematie in de 5e eeuw v. Chr. werd de as in Kushiganara in (oorspronkelijk) 8 stoepa’s verdeeld. Omdat het object gemakkelijk over het hoofd wordt gezien en in de tentoonstelling niet wordt toegelicht hier een interessant (kunst)historisch weetje. De figuren met Griekse neuzen en de natte stijl van de kleding verraden onmiskenbaar hellenistische invloed. Artistieke sporen die in de vroege 4e eeuw v.Chr. meereisden met het leger van Alexander de Grote. Over het leven van de historische boeddha, die geboren werd als koningszoon Siddharta Gautama, kunt u tot en met 3 februari alles te weten komen in de tentoonstelling in de Nieuwe Kerk.

Reliëf van leisteen Gandharacultuur
Reliëf van leisteen met de verdeling van de relieken van de Boeddha, Pakistan Gandharacultuur, ca 3e eeuw n Chr. Nationaal Museum van Wereldculturen

Anders dan relieken van katholieke heiligen, zijn stoffelijke resten van de boeddha schaars. Zijn as is vanuit de oorspronkelijke 8 stoepa’s inmiddels in duizenden houders over de boeddhistische wereld verspreid. Behalve zijn as zijn slechts enkele haren en tanden bewaard. Deze worden wegens het directe contact met boeddha’s wijze woorden, als zeer krachtdadig beschouwd. Zijn linker bovenhoektand is in de koningsstad Kandy op Sri Lanka beland, en vormde in het verleden aanleiding tot talloze oorlogen. De catalogus vertelt over pogingen van katholieke missionarissen die in hun geloofsijver de heidense tand probeerden te verbrijzelen. Sinds een aanslag door Tamils op de tempel van de tand in 1998, is een einde gekomen aan de processie met de (omstreden) tand. Op dit kleurrijke reli-festival met beschilderde olifanten kwamen jaarlijks talloze belangstellenden af.

Het jodendom kent nog minder relieken. Niet zo vreemd bij ontstentenis van de Messias, zijn moeder Maria en eigentijdse en latere volgelingen. Wel zag ik een zakje met zand van het graf van de oudtestamentische bruid Rachel, op wie Jacob, de bedrieger bedrogen, zo lang moest wachten. Hoe dit zit leest u in het oude testament van de bijbel, Genesis 29: 1-30. Dat dit verhaal nog niet vergeten is bewijst een film over de geschiedenis van Jacob en zijn bruiden op Netflix.

Zand graf Rachel
Zakjes met zand uit graf van Rachel, 1900-1980 Joods Historisch Museum Amsterdam

Rachel is één van de weinige joodse heiligen. Zij helpt vrouwen met een (veel voorkomend oudtestamentisch probleem) onvervulde kinderwens.

De islam kent ook relieken en geheiligde objecten. Zelfs aan de afbeelding van de hand van Fatima, dochter van de profeet Mohammed en echtgenote van diens schoonzoon en opvolger Ali, wordt bijzondere kracht toegekend.

Kruikje met zemzemwater
Kruikje met zemzemwater, Mekka voor 1958, Nationaal museum voor wereldculturen

In de expositie ziet u kruikjes met wonderdadig water uit de Zemzembron in Mekka. De bron die het leven redde van de door aartsvader Ibrahim (Abraham) verstoten Hagar en haar zoon Ismaël, toen zij van dorst dreigden om te komen in de woestijn.

De Ka’ba, het islamitische huis van God, met de steen waarop Ibrahim zijn andere zoon moest offeren, wordt uit respect met een fraai gekalligrafeerd zwartfluwelen doek bedekt: de kiswah. Moslims geloven dat deze doek, die jaarlijks vervangen wordt, genezende kracht, de zogenoemde baraka, bevat. Kledingsstukken die van deze textilia gemaakt worden bieden de drager bescherming. Die kracht is ook aanwezig in de doeken die in aanraking geweest zijn met het graf van andere islamitische profeten, zoals Jezus. De verlosser van de christenen, wordt in de islam als een belangrijke profeet beschouwd. Moslims bezoeken hun mausolea in Medina, Damascus, Jeruzalem, en Kasjmir. Vlak voor 9/11 zag ik in de kleine Rozabal Moskee in Srinagar het graf van Jezus van Nazareth, ‘gesigneerd’ met een enorme voetafdruk. In de tentoonstelling werd ik er aan herinnerd bij een afbeelding van Adams Peak op Sri Lanka, een bergtop met een voetafdruk die door zowel boeddhisten, hindoes, joden, christenen en moslims geclaimd wordt als zijnde van hun leidsman…

Adam's Peak
Adam’s Peak, M. Jalaludheen Kalibha, Maskeliya, Sri Lanka, voor 1983, Collectie Stichting Nationaal Museum van Wereldculturen

Aan Jezus’ hemelvaart wordt in de islam geen geloof gehecht. De zwaar gewonde profeet zou in het graf zijn hersteld door de kruiden die de vrouwen meebrachten. Over zijn verdere levensloop zijn verschillende verhalen in omloop. Eén daarvan eindigt in Kasjmir, hierover leest u via onderstaande link meer.

Terug naar de tentoonstelling. In de introductiezaal liggen relieken uit alle windstreken: de objecten corresponderen met aangelichte plaatsen op een wereldkaart. Katholieke, joodse, islamitische en, zoals elders in de opstelling, ook profane relieken. Een  brokstukje van de in 1991 gesloopte Berlijnse muur en de koninklijke onderscheiding die prinses Diana in 1982 uit handen van koningin Beatrix ontving.

Golden Rock Myanmar
Sfeerbeeld: Bidden bij de Golden Rock Myanmar. Flickr, foto © Captain Supachat

Verderop zie ik een surrealistisch fotobeeld. Een biddende boeddhist bij de gouden rots in Myanmar. Hoe blijft die enorme rots, balancerend op het randje van de afgrond, in vredesnaam op zijn plaats? De rots ligt stabiel gefundeerd op 6 haren van de boeddha!
Na de introductiezalen met beelden van massa verering betreedt de bezoeker een zaal met solitair in nissen getoonde relieken; bedoeld voor persoonlijke bewondering of verstilde contemplatie. Daar ziet u het  genoemde bodhisattva beeldje, een grafkleed uit Medina en een 19e eeuws houten voorouderbeeld met schedel uit Papoea. Alsook een oude bekende uit de vaste collectie van het museum: de 4e eeuwse wurgdoek van Cunera. De jonge vrouw die door de jaloerse echtgenote van de vorst van Rhenen, volgens de overlevering met deze doek gewurgd werd. Waar of niet, de doek zou sindsdien genezende kracht bezitten.

In het midden van deze zaal ontdek ik een met cirkelvormige motieven versierd slot. Het werd in de 19e eeuw vastgeklonken aan het traliewerk van een sjiitische graftombe, opdat God de smekeling niet zou vergeten. Voor mijn geestesoog zie ik de honderden slotjes aan een Amsterdamse ophaalbrug. Heeft dit eigentijdse gebruik misschien een islamitische oorsprong?

Een pelgrimsoord dichter bij huis, Santiago de Compostela wordt niet alleen door katholieken, maar ook door sportieve atheïsten bezocht. Behalve het graf van de apostel Jacobus wordt hier (maar ook elders) nòg een zeldzame reliek bewaard: de navelband van Jezus. Daar zijn lichaam, zoals christenen geloven, ten hemel is opgevaren is op aarde niet veel van God’s zoon achtergebleven. Op zijn voorhuid na. Als joods jongetje werd Jezus acht dagen na de geboorte besneden. Kerken in Antwerpen en het Italiaanse Calcata bewaren het minuscule reliekje, dat in het Catharijneconvent schittert door afwezigheid. Wel is een reliekhouder met het navelstrengkoordje van Jezus uit het Musée de Cluny  te zien. Deze reliek werd door zwangere vrouwen of zij die dat graag willen worden, vereerd.

Van alle godsdiensten kent het katholicisme het grootste aantal relieken. Het vereren daarvan begon in het oude Rome, waar christenen de eucharistie vierden bij de ondergrondse graven van martelaren. Boven deze catacomben werden kerken gebouwd. In de altaren werden hier -en later ook elders- relieken van de heilige aan wie de kerk gewijd was ingemetseld. De Utrechtse Domkerk bevat bij voorbeeld relieken van Martinus van Tours (4e eeuw) de beschermheilige van Utrecht. Het rode en witte veld in het stadswapen herinnert aan het witte onderkleed dat zichtbaar werd nadat deze Romeinse soldaat de helft van zijn rode mantel had weggegeven aan een naakte bedelaar.

Een speciale wand geeft naast medaillons met een bot- of kledingpartikeltje informatie over het werkterrein van de betreffende heilige. Hier komen bij iets oudere katholieken vast jeugdherinneringen boven. Oh ja, de heilige Blasius, uit wiens naam je keel met twee kaarsen werd gezegend, of …’Antonius, beste vrind, maak dat ik …[mijn sleutels]… terugvind!

Margaretha die op miraculeuze wijze ongeschonden uit de buik van de draak tevoorschijn kwam kon worden aangeroepen voor een goede bevalling. Maar ook de maagd Maria kon daarbij helpen. De houder met een stuk van de gordel die zij tijdens de bevalling droeg is in de expositie te zien.

Reliekentoning
Reliekentoning vanaf het Schopperschen Haus in Neurenberg 1487. Staatsarchiv Nurnberg

Bidden in de nabijheid van relieken was goed, maar deze aanraken was nog beter. Deze wens werkte diefstal in de hand van zowel de hele reliek alsook daarvan los gepeuterde stukjes. Daarom werden relieken in kostbare houders of achter glas opgeborgen. Bij een reliekentoning vanaf de galerij van de Maastrichtse Sint Servaas, kon het toegestroomde volk er alleen nog maar naar kijken, maar aankomen niet.

Het grote belang van relieken in de middeleeuwen, wordt door talrijke verhalen over relieken-diefstal bewezen. Een goed katholiek probeerde zich verre te houden van de zeven hoofdzonden, maar ondanks de angst voor straf in het hiernamaals

St Nicolaasbasiliek Bari
Nis met altaar in Sint Nicolaasbasiliek Bari (Foto Marina Marijnen)

knepen sommigen een oogje toe bij een  diefstalletje voor het goede doel. Zoals het wegnemen van het gebeente van Sint Nicolaas, de bisschop van Myra, dat in minstens vier verschillende varianten verteld wordt. Het verhaal van de kooplieden uit Bari lijkt het meest betrouwbaar. Vorig jaar zag ik nog vrouwen die in de crypte van de St. Nicolaaskerk knielden en zelfs hun arm door het hek voor de tombe staken om iets van zijn wonderdadige straling op te vangen.

In de kloostergang van het Catharijneconvent zijn meer voorbeelden van fraai verpakte relieken te zien, zoals het kistje met heilig (bebloed) zand van Thomas Beckett  die in 1170 op lafhartige wijze werd vermoord. Op de plaats delict in de kathedraal van Canterbury zag ik enkele jaren geleden nog een kaarsje branden.

Reliekschrijn
Reliekschrijn van Thomas Becket, Frankrijk, ca. 1200, Museum Catharijneconvent

Een zilveren reliekhouder van Laurentius die de beschouwer zijn rib toont. Laurentius werd geroosterd op een vuur, omdat hij precies gedaan had wat keizer Decius (3e eeuw) hem had opgedragen. Binnen drie dagen bracht hij de keizer de schatten van de kerk in de gedaante van een groep gelovige paupers, maar zo had de keizer het niet bedoeld!

Reliekhouder St Laurentius
Reliekhouder in de vorm van Sint-Laurentius met een rib, Rijnland, 1490-1500, Museum Catharijneconvent

Bij de rib van Laurentius moet ik even denken aan woorden van broeder Adelbert, beheerder van de reliekenschat van de abdij van Egmond. Behalve conserveren houdt hij zich op verzoek ook bezig met reliekendeling: “Dan snijd ik van grote relieken een stukje af. Ribben zijn zeer geschikt om relieken uit te maken. Ze zijn niet zo groot en makkelijk zaagbaar. Bovenbenen zijn dan weer heel lastig. Die zijn heel groot en blijven hard. Zo hebben we hier een bovenbeen van paus Alexander I, een martelaar uit het begin van de tweede eeuw. Daar kun je weinig mee aan.” (citaat uit Trouw 18-11-2018)

Het waarom van reliekenverering is inmiddels beantwoord, maar er is nóg een vraag; zijn ze wel echt?  Ondanks de certificaten van echtheid is de authenticiteit van de meeste relieken twijfelachtig. Voor degenen die in de kracht van relieken geloven maakt dat niets uit, aldus de Kruijf. De 14e eeuwse theoloog William van Baskerville waarschuwde zijn pupil Adson in Umberto Eco’s roman De naam van de Roos echter al niet teveel geloof te hechten aan relieken van het heilig kruis. Wanneer deze allemaal echt zouden zijn, ontstond een heel woud van kruishout-bomen.  Zelfs het Vaticaan, waar met het aantreden van paus Franciscus een andere wind waait, waarschuwde eind vorig jaar nog voor bedrog in deze sector. In een artikel in Trouw wordt melding gemaakt van honderden zogenaamd authentieke relieken die op E-Bay worden aangeboden. Booming business in een tijd, waarin velen in hun spirituele zoektocht naar mentale houvast, terugkeren naar het rooms-katholieke geloof. Bevrijd van het knellende keurslijf van de traditionele geloofsrichtingen, maar gebleven is het verlangen naar goddelijke kracht of witte energie, die via relieken wellicht binnen handbereik komt. Of het werkt?

Jaren geleden hoorde ik in een interview met de componist Laurens van Royen de volgende woorden: …..’Wie niet in wonderen gelooft is geen realist’…  Wishful thinking of niet; een vast geloof of sterk vertrouwen kan (door het aanmaken van endorfinen) wel degelijk wonderen doen; maar je moet er natuurlijk wel in geloven.
Wat waren de beweegredenen om de niet zelden zware pelgrimsreizen te ondernemen? Behalve om de genezing van ziekten of de oplossing van problemen af te smeken gingen pelgrims op reis om boete te doen, of om er gewoon eens uit te zijn. Niet iedere pelgrim ging vrijwillig op pad. Tijdens de middeleeuwen kon een pelgrimage ook als straf worden opgelegd door de kerk of overheid.

In de Dakkamer van de expositie verneemt de bezoeker dat relieken niet alleen door gewone gelovigen werden vereerd, maar ook door vorsten en prelaten. Zij hoopten op vergroting van hun macht of een goede afloop van een veldtocht. Ter illustratie van dit streven wordt een wel heel navrant citaat aangehaald: …‘Ik staarde lange tijd naar de Heilige Lans. Het voelde of ik hem in een eerder stadium van de geschiedenis had vastgehouden. Het leek of hij een innerlijke kracht had en ik riep hem uit tot mijn talisman. Met de lans leek het alsof ik degene was die het lot van de wereld in handen had…’ aldus Adolf Hitler (1889-1945).

Lijst als reliekhouder
Lijst bevat stukjes van Luthers mantel en preekstoel. E.C.Schmidt, J.F.Baerecke 1838, Museum Catharijneconvent Utrecht

Bezoekers van de Luther tentoonstelling herinneren zich wellicht dat Frederik de Wijze, de keurvorst bij wie de opstandige monnik asiel verkreeg, zijn reliekenverzameling op 1 november, de dag van Allerheiligen, voor het publiek openstelde. De in die expositie getoonde reformatorische relieken zijn ook nu weer te zien: een (kopie van) de trouwring van Luther’s echtgenote en een prent van een Luthers kerkinterieur met in de lijst reliekjes van Luthers mantel en hout van zijn preekstoel.

De 9e eeuwse Franse Koning Lodewijk de Vrome bracht zijn enorme relieken collectie onder in de speciaal daarvoor gebouwde Sainte Chapel. Het pièce de résistance uit zijn bezit, een kroon met relieken van de doornenkroon van Christus, is nu in Utrecht te zien.

Reliekhouder
Reliekkroon met fragment van de heilige lans, het ware kruis en de doornenkroon van Christus, Maasvallei (Luik?), ca. 1260-1280. Parijs, Musée du Louvre, département des Objects d’art. Foto © RMN-Grand Palais (Musée du Louvre) / Martine Beck-Coppola

De definitie van het begrip reliek is door de samenstellers van de tentoonstelling zodanig opgerekt dat enkele wel heel curieuze objecten ook een plaats in het oude convent hebben gekregen. Bij de tong en vinger van Johan de Witt, die in 1672 door het grauw werd gelyncht, kun je je, hoe macaber ook, nog wel iets voorstellen. Maar met de enorme schoen van Rigardus Rijnhout (1922-1959), de reus van Rotterdam en de sigarendoos van Pim Fortuin, dreigt dit gedeelte van de expositie te veranderen in een rariteitenkabinet.

In de laatste zaal ziet de bezoeker religieuze relieken in de privésfeer. Een luguber, verschrompeld handje herinnerend aan de nieuwtestamentische kindermoord van Bethlehem. Een blaadje van de bodhiboom, waaronder de boeddha de verlichting bereikte. Rozenkransen, islamitische gebedssnoeren en relieken verwerkt in sieraden en medaillons. De indrukwekkende uitstalling eindigt met eigentijdse profane relieken, ingebracht door lezers van Dagblad Trouw. Een haarlok van een overleden moeder en een enorme keten van haarballen gemaakt van de getrimde vacht van een zo te zien heel oud geworden teckel. Een paar van grootmoeder geërfde oorbellen en een ‘wonderdadige’ foto van Marco Borsato.

De tentoonstelling geeft met geheiligde en profane, eenvoudige en rijk versierde reliekhouders een boeiend en verhelderend beeld van het universele, grensoverschrijdende verlangen van de mens naar goddelijke, bovennatuurlijke, maar ook gewone huis-tuin-en-keuken krachten ter ondersteuning van de soms lastig begaanbare levensweg.

Literatuur:

E. den Hartog e.a., Relieken, Museum Catharijneconvent Utrecht, 2018.

A. de Kruijf, Miraculeus bewaard: Middeleeuwse Utrechtse Relieken etc., Utrecht, 2011.

H. van Os, De Weg naar de Hemel: Reliekverering in de Middeleeuwen, Museum Catharijneconvent, Utrecht, 2001.

Link:

Artikel Trouw: Jezus Hemel is een Graf in Srinagar:

Catharijneverhalen : De tombe van Jezus in India,

Artikel in Trouw: Broeder Adelbert beheert honderden relieken

 

 

Ik, Maria van Gelre, de hertogin en haar uitzonderlijke gebedenboek. Tot en met 6 januari in Museum het Valkhof Nijmegen.

Maria van Gelre Nijmegen
Maria van Gelre in Museum Valkhof Nijmegen foto: Marina Marijnen

Of koningin Maxima het ook doet is niet bekend, maar de vrouw over wie de tentoonstellingsmakers spreken als de ‘Maxima van de 15e eeuw’ bad elke dag voor bescherming van haar echtgenoot hertog Reinald IV van Gelre. Het blad met dit gebed is, samen met 19 andere verluchte pagina’s uit haar bijzondere gebedenboek te zien in de tentoonstelling Ik, Maria van Gelre. De voorliefde voor mooie kleding en juwelen, de reizen, de banketten waaraan beide dames aanzaten èn niet in de laatste plaats haar bestuurlijke taken maken de vergelijking compleet.
Dankzij de wetenschappelijke curiositas van gastconservator Prof. Dr. Johan Oosterman is het gebedenboek van Maria van Gelre in het Nijmeegse Valkhof te zien. Enkele jaren geleden trof hij in de Staatsbibliotheek van Berlijn een stoffige doos met een tantaliserend opschrift aan: ‘für die Benutzung gesperrt’. Toen hij de doos opende trof hij een enorme stapel losse bladen aan; een vergeten schat van middeleeuwse boekproductie. Al snel bleek de reden van de waarschuwing: het manuscript was beschadigd. In de jaren ’70 werden de deels gebarsten bladen losgemaakt uit een te knellende boekband. Daardoor, en dat is een geluk bij een ongeluk, is nu een selectie van twee maal 20 pagina’s te zien. Om conservatorische redenen worden deze halverwege de expositie gewisseld. Twee keer dus naar Nijmegen!

Onderaan dit artikel vindt u een link naar de gezamenlijke website van de Radboud Universiteit en Staatsbibliothek zu Berlin waar u het hele boek kunt doorbladeren.

Doos gebedenboek
Doos waarin gebedenboek Maria van Gelre (fotograaf: onbekend)
Katernen Maria van Gelre
Het uit de band genomen gebedenboek: het bestaat uit een stapel losse katernen die ook na conservering niet meer ingebonden zullen worden. Berlijn, Staatsbibliothek zu Berlin (foto Dick van Aalst / Radboud Universiteit)

 

 

 

 

 

 

 

Dankzij crowd-funding wordt sinds 2015 multidisciplinair onderzoek gedaan naar het beschadigde perkament, de gebruikte pigmenten, de ondertekeningen en de daarin zichtbare instructies voor de verluchters. Ook de werkwijze, de werkverdeling en de iconografie zijn onder de loep genomen. De resultaten worden in de tentoonstelling getoond. De historische context wordt geschetst aan de hand van wandkleden, eigentijdse handschriften, sculpturen, sieraden, gebruiksvoorwerpen en het pièce de résistance de 600 jaar oude Kaarsenkroon uit de Zutphense Walburgiskerk.

Het gebedenboek van Maria van Gelre is een sleutelwerk in de vroeg 15e eeuwse Nederlandse boekproductie. In het colofon schrijft de Augustijner monnik Helmich de Lewe dat hij het boek in opdracht van Maria van Gelre heeft gekopieerd. In 1415 voltooide hij het schrijfwerk, dat hem naar schatting vijf jaar gekost heeft. Een megaklus; in de vorige eeuw  zouden we het monnikenwerk genoemd hebben. Bij die gedachte moet ik denken aan de slotzin waarmee een opgeluchte schrijver een ander middeleeuws colofon besloot : … men brenge de schrijver nu wijn, en wel van de beste…!

Maria gebedenboek Colofon
Colofon uit het gebedenboek van Maria van Gelre, geschreven door Helmich de Lewe, voltooid 1415 op Sint Matthiasavond (21 september).

Konden bezoekers van het Valkhof in 2009 het bijzonder rijk versierde gebedenboek van Katharina van Kleef bewonderen; het boek van Maria van Gelre is nòg uitzonderlijker. De kleurenpracht van de meer dan 100 miniaturen, 156 gehistoriseerde initialen, de drôlerieën in de marge en de verluchting van de kalender is adembenemend. De uitvoering verraadt stilistische en iconografische invloeden van toonaangevende centra van boekverluchting. Overduidelijk is de invloed van de gebroeders van Limburg. Zoals bijvoorbeeld te zien is aan de elegante ruimvallende mantels, de houppelandes, die door zowel mannen als vrouwen gedragen werden.

Van Limburg Augustus
Gebroeders van Limburg, De maand augustus (detail) uit Les Très Riches Heures de Jean, duc de Berry, 1412, Musée Condé, Chantilly
Drie heiligen gebedenboek Maria van Gelre
Blad uit het gebedenboek van Maria van Gelre met voorstelling van drie Heiligen (fol 198 r)

 

 

 

 

 

 

 

 

Veel is al over Maria van Gelre gezegd, maar wie was zij?
Marie d’Harcourt kwam in 1380 ter wereld als dochter van een thans weinig bekende Normandische graaf Jean VI. Maar vrijwel iedereen kent haar beroemde oom Jean Duc de Berry, eigenaar van het door de  gebroeders Limburg verluchte getijdenboek: de Très Riches Heures.

Marie kwam als hofdame in dienst van Valentina Visconti. Zij was de echtgenote van Louis d’Orleans, de broer van de waanzinnige koning Charles. In 1405 werd zij uitgehuwelijkt aan Reinald IV, hertog van Gelre en Gulik. Niet alleen ter bezegeling van de banden tussen Frankrijk en Gelre, maar ook om de erfopvolging zeker te stellen. Het huwelijkscontract, waarmee een bruidsschat van 30.000 gouden schilden gemoeid was (ca. 70 miljoen euro) bevatte daartoe een speciale clausule. Wanneer het huwelijk kinderloos zou blijven (wat het geval bleek) moest het geld worden terugbetaald. Gelukkig was er wel een pensioenregeling voor Maria in opgenomen; in 1423 overleed Reinald zonder wettige erfgenaam. Op 24 februari 1526 hertrouwde de weduwe met Ruprecht van Berg, heer van Gulik. Slechts twee jaar later zou zij kinderloos overlijden.

Sylvester Reinald Titus Maria van Gelre
Paus Sylvester, Reinald van Dortmund en bischop Titus van Kreta uit Gebe-denboek Maria van Gelre, (fol.152 v)
Reinald Gebedenboek
Reinald, een van de twee figuren ter linkerzijde op deze miniatuur (detail) zou een afbeelding van Reinald kunnen zijn.

Wie was Maria’s eerste echtgenoot? Reinald IV was de 2e zoon van Willem II van Gulik en (nog een) Maria van Gelre, geboren in 1365 of 1366. Uit een 600 jaar oude brief blijkt een moeizame relatie met zijn ouders. Hij smeekt hen … om zijn armoede en schamelheid aan te zien en hem niet af te wijzen… Kennelijk heeft hij het te bont gemaakt. Door zijn voorliefde voor Wein, Weib und Gesang heeft hij veel schulden gemaakt. In de audiotour omschrijft royalty watcher Kysia Hexter hem als de prins Laurent van de middeleeuwen. Omdat zijn 6 bastaardkinderen niet voor opvolging in aanmerking kwamen was, zoals we zagen, alle hoop op een officiële stamhouder gevestigd op Maria van Gelre. Zij was overigens tweede keus. Toen plannen voor het  huwelijk met Lucia van Milaan werden afgeblazen, schoof Louis d’Orleans Marie d’Harcourt als huwelijkskandidate naar voren. Ook goed zal Reinald, gegeven de enorme bruidsschat, gedacht hebben. Ter voorbereiding op het huwelijk liet de 40-jarige bruidegom kasteel Rosendael bij Arnhem opknappen en -om zijn reputatie wat op te poetsen?- liet hij zijn garderobe opfrissen. Ook kocht Reinald sieraden en luxe artikelen voor zijn 25-jarige bruid. In de expositie wordt daarvan met eigentijdse objecten een beeld geschetst.

Gebedenboek bladzijde verkondiging
Pagina’s met tekst (verkondiging aan de maagd Maria) en randdecoratie: zo ziet het grootste deel van het gebedenboek eruit. Berlijn, Staatsbibliothek zu Berlin, mgq 42 (foto Dick van Aalst / Radboud Universiteit)

Wat is een  gebedenboek? Geïnspireerd op de dagelijks praktijk binnen de kloostermuren, kregen leken in de late 14e en 15e eeuw onder invloed van de Moderne Devotie behoefte aan gebedenboeken voor privé devotie. Maria’s gebedenboek, dat oorspronkelijk 600 folia (1200 bladzijden) telde is zowel wat de tekst als de illustraties betreft uitzonderlijk. Het in het Nederrijnse dialect geschreven boek bestond oorspronkelijk uit drie delen. Een getijdenboek met gebeden voor de acht vaste bidstonden van de dag. Een brevier, met, anders dan het woord doet vermoeden, een uitgebreide versie van het officiële koorgebed. Behalve traditionele- bevat het boek enkele speciaal voor Maria geschreven gebeden. Zoals de bede waarin zij om bescherming van Reinald smeekt. De rubricator adviseert in rode inkt om dit gebed dagelijks te lezen. Een derde deel werd na Reinald’s dood in 1423 toegevoegd. Daaruit is slechts de miniatuur met Maria als weduwe te zien. Na 1600 is het boek gesplitst in het zogenoemde Weense en het Berlijnse deel waaruit nu bladen getoond worden.

Detail 'dit les alle daighe'
Detail, blad uit gebedenboek met gebed voor Reinald ‘Dit les alle daighe’ (Lees dit iedere dag)

Opvallend is het grote aantal smeekbeden om bescherming tegen ziekte, geweld en dood door verdrinking. De middeleeuwer was beducht voor een plotselinge dood. Wanneer zware zonden niet gebiecht waren wachtte de hel. Deze preoccupatie is veelvuldig verbeeld in angstwekkende afbeeldingen van het laatste oordeel en het vagevuur. De louteringsplaats waar zonden moesten worden uitgeboet, voordat de ziel van de overledene het hemelse paradijs mocht binnengaan. Het verblijf in het vagevuur kon worden bekort door het doen van goede werken, het schenken van geld en goederen, te bidden en voor je te laten bidden. Dit werd ook na de dood met terugwerkende kracht nog zinvol geacht. Maria van Gelre en haar beide echtgenoten deden daartoe schenkingen, zoals aan het klooster Mariënborn bij Arnhem. In ruil daarvoor werden dagelijks missen voor hun zielenheil opgedragen en schreef Helmich de Leeuwe het gebedenboek letterlijk en figuurlijk pro deo.

Blad gebedenboek rijke man en Abraham
Pagina met Rijke man en Abraham en het begin van een gebed, Gelre, ca. 1415, Berlijn, Staatsbibliothek zu Berlin, Ms Germ Oct 42, vol. 132v
het laatste oordeel
Blad uit gebedenboek Maria van Gelre voorstellende ‘Het laatste Oordeel’. Meesters van Maria van Gelre omstreeks 1415.

                                                            Maria van Gelre leefde in een tijd van culturele en literaire bloei. In haar roman Het Woud der Verwachting geeft Hella Haasse een prachtige beschrijving van de sfeer aan het Franse hof. Daarin komt de naam van Marie d’Harcourt verschillende malen voor. De titel is ontleend aan een gedicht van Charles d’Orleans, zoon van Louis d’Orleans en Valentina Visconti. In die dagen verbleef Christine de Pizan aan het Franse hof. Deze jonge zelfbewuste weduwe met 3 kinderen voorzag in haar levensonderhoud met de pen. Tot de huidige dag wekken haar geschriften met vooruitstrevende ideeën over de positie van de vrouw nog altijd verbazing en bewondering. In haar Cité des dames (1405) rekent ze af met het negatieve vrouwbeeld, dat eeuwenlang, wijzend naar Eva, door de kerk werd bepaald. Haar fictieve stad wordt gebouwd en bewoond door deugdzame, moedige en slimme antieke, bijbelse en heilige vrouwen. Zou het geschreven zijn als antwoord op dat andere beroemde boek, la Cité de Dieu van Augustinus, die mede verantwoordelijk was voor deze inferieure kijk op vrouwen?  Pizan trekt de lijn door naar eigentijdse Franse vorstinnen en edelvrouwen als Valentina Visconti en koningin Isabeau van Beieren. Het prominente voor die tijd uitzonderlijke portret van Maria van Gelre ten voeten uit, doet vermoeden dat ook zij was aangeraakt door deze kortdurende ‘emancipatiegolf’.

Maria van Gelre
Miniatuur met hertogin Maria van Gelre. Berlijn, Staatsbibliothek zu Berlin, mgq 42 (foto Dick van Aalst / Radboud Universiteit)

… ‘Maria van Gelre als de Maxima van de 15e eeuw’
Leuke publiekstrekker dacht ik aanvankelijk, maar in de tentoonstelling blijkt dat Maria van Gelre op politiek gebied macht uitoefende. Behalve de voor edelvrouwen gebruikelijke bemoeienis met het reilen en zeilen van de huishouding op de burchten, nam ze ook deel aan het landsbestuur. Aan dit aspect van haar leven is een hele zaal gewijd. Wanneer hertog Reinald door ziekte of anderszins (geen zin) schitterde door afwezigheid nam zij plaats aan de onderhandelingstafel.  Zoals in 1418, toen de edelen van Nijmegen, Arnhem, Roermond en Zutphen zich met de ridders van Gelre tegen de hertog keerden. Middels een gezamenlijke petitie vroegen zij om handhaving van bepaalde rechten en inspraak in de opvolgingskwestie. Een wettige erfgenaam was van groot belang om de rust in het hertogdom te waarborgen, maar in 13 huwelijksjaren was geen stamhouder geboren. De beoogde opvolger van Reinald, Willem van Arkel was 1 december 1417 gesneuveld. De verbondsbrief van de edelen, gedateerd 3 mei 1418 en het antwoord dat Reinald een jaar later, op 25 oktober 1419 via zijn vrouw gaf zijn in de tentoonstelling te zien. Deze geschriften markeren een belangrijk moment in de staatkundige ontwikkeling en in het territoriale bewustzijn van Gelre. Zo gezien wordt een voor ons onleesbaar stuk perkament een document van grote waarde. Reinalds antwoord is voorzien van indrukwekkende zegels; dat van Maria prominent in rood, maar het zegel van Reinald ontbreekt! Hij verzekert de opstandige edelen dat hij geen hard feelings jegens hen koestert, doet toezeggingen inzake verruimde inspraak en handhaving van privileges, maar over de opvolgingskwestie houdt hij zich op de vlakte. Na Reinalds dood in 1423 zouden de edelen zelf een opvolger kiezen: Arnold van Egmond.

Antwoord op verbondsbrief
Antwoord op de Verbondsbrief, Arnhem, 25 oktober 1419, Perkament voorzien van zegels , Arnhem, Gelders Archief, Inv. nr. 5451

Ruim 100 topstukken uit internationale collecties geven een beeld van Maria en haar tijd. In het spoor van Maria van Gelre reisde Johan Oosterman langs kastelen, kerken en plaatsen die zij ooit betreden had. Het leverde een schat aan kennis (archieven) en objecten op. Zo kan rond het gebedenboek van de hertogin een keur aan contemporaine objecten worden getoond. Handschriften en een onlangs opgedoken miniatuur met Aanbidding der Koningen, schilderijen, sieraden, sculpturen, gebrandschilderde ramen en heiligenbeelden. In het 600 jaar oude driestel uit de Düsseldorfse Maxkirche komt Maria wel heel dichtbij. De lithurgische gewaden die zij in 1426 schonk aan het klooster van Altenberg zijn gemaakt uit de fluweelbrokaten trouwjapon die Maria droeg bij haar huwelijk met Ruprecht van Berg.

Kazuifel
Kazuifel, van het driestel uit Altenberg, Maximilian Kirche, Düsseldorf.

 

Speciaal voor deze expositie tenslotte, is de laat 14e eeuwse kaarsenkroon uit de Zutphense Walburgiskerk tijdens een spectaculaire operatie naar het Valkhof overgebracht. Fascinerende gedachte dat Maria’s aandacht tijdens de mis wellicht even afdwaalde naar het daarop in smeedijzer uitgebeelde stripverhaal met hoofse scènes en toepasselijk in de kerk, de jacht op de eenhoorn. Dit zelden geziene mythische dier legde zijn hoorn alleen te ruste in de schoot van een ware maagd. En daarmee is het een mooi symbool Maria’s maagdelijke conceptie.

Kaarsenkroon, St. Walburgiskerk
Kaarsenkroon uit de Sint-Walburgiskerk, Zutphen, foto; Teuntje van der Wouw
Detail Kaarsenkroon uit de Sint-Walburgiskerk, Zutphen, foto; Teuntje van der Wouw.

 

 

 

 

 

 

 

Bibliografie:

Oosterman e.a., Ik, Maria van Gelre: De hertogin en haar uitzonderlijke gebedenboek, Nijmegen, 2018.

Themanummer Uit het leven van Maria van Gelre: Kunstschrift, nr. 4, augustus 2018

Link: Museum het Valkhof

Link: Gebedenboek Maria van Gelre, online.

 

Gauguin en Laval op Martinique. Tot en met 13 januari te zien in het Van Gogh Museum, Amsterdam.

Gauguin zelfportret
Paul Gauguin, Zelfportret (les Misérables) met zelfportret van Emile Bernard, 1888 Van Gogh Museum Amsterdam.
Laval zelfportret
Charles Laval, Zelfportret 1888,van Gogh Museum, Amsterdam

 

 

 

 

 

 

“Was ik maar wat jonger geweest, dan zou ik het wel hebben geweten”, schrijft Vincent van Gogh aan zijn broer Theo. Hij is op bezoek geweest bij Gauguin, die was teruggekeerd van zijn verblijf op het Caraïbische eiland Martinique. In zijn bagage bracht hij niet alleen schetsen en schilderijen mee, maar ook prachtige verhalen. ‘Ce que Gauguin racconte des tropiques, me semble merveilleux’.

Niet iedereen heeft de vrijheid om huis en haard te verlaten voor zo’n avontuur, maar  Gauguin deed het gewoon. Hij liet zijn Deense vrouw met vijf kinderen achter in Kopenhagen; riep …’Je m’en vais’ en weg was hij. Volgens de overlevering om het ‘mondaine leven in Parijs te verruilen voor een eenvoudiger, vrijer bestaan’, maar het lijkt er meer op dat Gauguin zijn verantwoordelijkheden als echtgenoot en huisvader ontliep.

Het Van Gogh Museum vindt altijd weer nieuwe onderwerpen, die meestal zichtbaar en soms associatief gerelateerd zijn aan de naamgever van het museum. Zoals de nieuwe expositie over Paul Gauguin (1848-1903) en zijn minder bekende collega Charles Laval (1861-1894), die in 1887 samen afreisden naar Martinique.

Paul Gauguin, Kustlandschap van Martinique (De baai van Saint Pierre), 1887 , Ny Carlsberg Glyptotek, Kopenhagen

Laval werd lange tijd als leerling van Gauguin beschouwd, maar in deze tentoonstelling is hij gepromoveerd tot autonoom kunstenaar. De periode in Martinique is een onderbelichte, maar essentiële fase in de loopbaan van beide kunstenaars, van wie in totaal 81 werken te zien zijn. Enthousiast gemaakt door reisverslagen en gedichten van de eigentijdse auteur Charles Beaudelaire smeedden de twee hun plan om naar de Caraïben te vertrekken.
Op zoek naar een plek ’zonder zorgen voor vandaag of morgen’. Gauguin hoopte met nieuwe exotische onderwerpen eindelijk erkenning en brood op de plank te krijgen. Hij nam verf en penselen mee om naar eigen zeggen ‘als een wilde te leven’. Dit idee lag in het verlengde van het gedachtengoed van Jean Jacques Rousseau over ‘terug naar de natuur en de ‘goede wilde’.

Hoe wild? Nou, op het oog ongerept, maar het liefst wel in de comfort zone van de Franse taal, wetten, cultuur en ….met een croissantje bij het ontbijt!

De Franse kolonie Martinique was overigens niet het eerste doel van hun reis; ze scheepten in voor Panama. Beiden hoopten in bedrijven van overzeese familieleden wat geld voor hun verdere verblijf te verdienen. Dit liep op niets uit. De twee keerden terug naar Martinique, waarvan ze op doorreis een tantaliserende indruk hadden gekregen. Op een van de plantages namen ze hun intrek in een negerhutje, een ‘case a nègre’, waar ze gefascineerd raakten door de mooie profielen van de zwarte vrouwen die daar als slaaf vanuit Afrika waren beland.

Paul Gauguin, Hoofd van een vrouw uit Martinique, 1887. (Krijt op papier). Van Gogh Museum. Amsterdam

Hier ontstonden Gauguin en Laval’s kleurrijke idyllische impressies van de kust en het binnenland.  Zoals het Kustlandschap van Martinique met de baai van de hoofdstad Saint Pierre. Gepenseeld in grote, decoratieve kleurvlakken zonder dieptewerking, geplaatst onder een hoge horizon. Landschappen met het roestbruin van de rode aarde en veel groen van de papaya en mangobomen, gestoffeerd met enkele dieren en Afrikaanse vrouwen. Ze hadden slechts oog voor de mooie kant van het bestaan. De slavernij was in deze Franse kolonie in 1848 -vijftien jaar eerder dan in Suriname- al afgeschaft, maar het werk moest toch gedaan worden. Voor de uit slavernij bevrijde zwarte bevolking veranderde er niet veel. Laval en Gauguin maakten vele schetsen van de karakteristieke koppen van de vrouwen, getooid met de voor de goede verstaander in symbolische taal geknoopte hoofddoeken. Deze en andere beeldelementen zie je terug in hun schilderijen zoals in Gauguin’s Mangobomen. Theo van Gogh kocht het werk met vooruitziende blik voor 400 francs. Het equivalent in toenmalige guldens is conservator Maite van Dijk niet bekend. Ze vertelt dat een porteuse, een draagster van koopwaar, op Martinique 1 f per dag verdiende. Kunsthandelaar Theo van Gogh, die het werk van Gauguin promootte kocht ook: Aan de oever van de rivier, Martinique.

Paul Gauguin, De Mangobomen, Martinique 1887,Van Gogh Museum. Amsterdam
PaulGauguin, Martinikaanse vrouwen, 1887. (Potlood, zwartkrijt en pastel)  Privé collectie.

 

 

 

 

 

 

Laval, Vrouwen aan de kust
Charles Laval, Vrouwen aan de kust, 1887-1888, Musee d’Orsay, Parijs, bruikleen aan Musée Toulouse Lautrec, Albi

Minder bekend zijn Gauguin’s objecten van toegepaste kunst. De Cleopatrapot van geglazuurd aardewerk (ca. 1888) met een Martinikaans naakt. En een houtgesneden flapkan, die je eerder zou verwachten in handen van een dapper lachende, doch zichtbaar teleurgestelde bezoeker van Tussen Kunst & Kitsch. Geldt ook voor een met primitief houtsnijwerk versierd kastje, een co-productie van Gauguin en Emile Bernard met een hybride mix aan exotische- en Bretonse motieven als de witgekapte vrouwen uit Pont Aven.

Gauguin Bierpul
Paul Gauguin, Houten kan in de vorm van een bierpul, ca. 1887-1890, Privé collectie
Gauguin Bernard Kast
Paul Gauguin en Emile Bernard, Aards Paradijs, 1888, Kastanjehout en vurenhout kastje, The art institute of Chicago.

Gauguin en Laval waren niet de enigen die hun artistieke geluk in de tropen hebben gezocht. In de 17e eeuw hadden Frans Post en Albert Eckhout in dienst van graaf Johan Maurits als eerste Europeanen de flora, fauna en bewoners van Nederlands Brazilië in beeld gebracht. In de 19e eeuw kozen Emile Goury en Pisarro, die geboren was op St. Thomas, eveneens tropische onderwerpen. In deze traditie passen Gauguin en Laval, maar anders dan de ‘gemanicuurde’ schilderachtige impressies van Goury, brengen zij de tropische natuur, mensen en dieren in een vernieuwende losse post-impressionistische toets in beeld.

Emile Goury, Basse-Terre
Emile Goury, Zicht op de Basse-Terre, Guadeloupe, 1839, privé collectie (Buiten tentoonstelling)

Ook al had Gauguin zijn tropisch paradijs hier gevonden, in brieven naar zijn vrouw klaagde hij steen en been over de omstandigheden waarin hij terecht was gekomen. Misschien deed hij een beetje zielig: …Jij hebt het misschien niet makkelijk; maar voor mij valt het ook niet mee…

Terug in Frankrijk reisde Gauguin niet naar zijn gezin, maar naar Pont Aven. Hier ontstond het plan om met Laval en Emile Bernard bij Vincent van Gogh te gaan wonen en werken. Uiteindelijke zou alleen Gauguin in 1888 naar Arles vertrekken. Vincent adopteert Gauguin’s manier van werken; voorstellingen met platte kleurvlakken, omlijnd door donkere contouren en geplaatst onder een hoge horizon. Zoals te zien in Van Goghs in Herinnering aan de tuin in Etten uit 1888. De samenwerking loopt echter stuk op verschil van inzicht. Gauguin werkte uit zijn verbeelding en dringt deze werkwijze op aan Vincent, die liever een zichtbaar onderwerp in verf vertaald. De temperamentvolle karakters botsten. Na de zoveelste ruzie ging  Gauguin vlak voor kerst van dat jaar terug naar Parijs. Van Gogh was zo van streek dat hij zijn oor afsneed.…. de rest is geschiedenis.

Van Gogh, tuin Etten
Vincent van Gogh, herinnering aan de tuin in Etten, 1888, Van Gogh Museum Amsterdam (Buiten tentoonstelling).

Vincent’s gedroomde kunstenaarscommune was van de baan. Gauguin en Laval werkten nog even samen in Pont Aven. Laval hanteerde daar zijn Martinikaanse stijl en palet. Zijn Badende Vrouwen schilderde hij in een losse toets met weinig dieptewerking. Dit geldt ook voor Gauguin’s exotisch ogende close-up geschilderde Vissers en baders in de Aven, waarop zelfs de horizon ontbreekt. Hiermee eindigt de gezamenlijke periode. Vijf jaar later zou Laval overlijden; Gauguin vertrok in 1891 naar Tahiti. Een aantal van de daar ontstane werken was in 2010 in het Van Gogh Museum te zien.

Charles Laval, Badende vrouwen, 1888, Kunsthalle Bremen, Der Kunstverein Bremen
Gauguin vissers en baders
Paul Gauguin, Vissers en baders aan de Aven, 1888, Privé collectie

 

 

 

 

 

 

 

De catalogus biedt veel informatie en afbeeldingen met interessante vergelijkingen.

M. van Dijk en J. van der Hoeven, Gauguin en Laval op Martinique, Van Gogh Museum Amsterdam, 2018.

Link; Van Gogh Museum, Amsterdam

 

 

 

Het leven van Boeddha…de weg naar nu. Tot en met 3 februari 2019 in de Nieuwe Kerk.

Dit najaar ziet de bezoeker van de Nieuwe Kerk een volgende editie in de serie wereldgodsdiensten. Na exposities over de Islam, het Jodendom en het Christendom wordt nu (het ontstaan van) het Boeddhisme belicht. Anders dan voornoemde wereldgodsdiensten stoelt het Boeddhisme niet op een goddelijke openbaring, maar op de leer van een bijzonder mens. Het historische levenspad van de Boeddha wordt in de Nieuwe Kerk aanschouwelijk gemaakt met zo’n zestig kunst- en religieuze gebruiksvoorwerpen uit een ver en een recent verleden.

Staande Boeddha Wei
Staande Boeddha, China, noordelijke Wei-dynastie, late 5e-vr. 6e eeuw. Ben Janssens, Londen.

De bezoeker wordt begroet door een groot staand boeddhabeeld uit de 5e of 6e eeuw. Zijn rechterhand in een geruststellend gebaar geheven; de linker geeft aan dat de wensen van de beschouwer vervuld zullen worden. Een prettiger begroeting is nauwelijks denkbaar!

In de tentoonstelling bewandelen eigentijdse kunstenaars als Ai Weiwei en Yoko Ono de boeddhistische weg naar nu. Die weg volgt sinds de vroegste tijden geen rechte lijn, maar buigt soms af. Het Boeddhisme voor velen een religie, heeft zich voor westerlingen als levenshouding aan de moderne tijd aangepast. Of moet ik zeggen, de westerling heeft het Boeddhisme voor haar eigen doelen aangewend. De go with the flow gedachte vindt haar oorsprong bijvoorbeeld in het boeddhisme evenals de Mindfulness beweging. In de documentaire Boeddhisme: Van Dis ontmoet de Dalai Lama die de NPO deze nazomer uitzond constateert de schrijver dat je in Hollandse tuintjes tegenwoordig meer boeddhabeelden dan tuinkabouters ziet. Op zoek naar de reden van de populariteit van Boeddha interviewt van Dis Dr. Paul van der Velde, hoogleraar Hindoeïsme en Boeddhisme aan de Radboud Universiteit. Hij spreekt met dames en hun ‘goeroe’ op een Mindfulnessfair in Blaricum en met boeddha-kenner Stephen Batchelor. In de jaren ’60 raakte hij, zoals veel westerse jongeren gefascineerd door het Boeddhisme en oosterse meditatietechnieken. In het zogenoemde seculiere Boeddhisme, ontdaan van kernbegrippen als karma en reïncarnatie, ziet Batchelor een waardevolle leidraad voor de westerling. De Mindfulness beweging biedt een handreiking om op een onthaaste manier in het hier en nu te leven. Handige ondernemers vullen dit gat met een keur aan mindfulness apps op de smartphone, zoals de app van Andy Puddicombe met een groot aantal volgers die hem elk $ 7.99 per jaar betalen en heel mindful binnenloopt!

Van Dis brengt ons in Plum Village, het Mekka van de Mindfulnessbeweging, waar je voor € 550,– per week in retraîte kunt gaan om kennis te maken met de tools tot een bewuster leven. Het is eigenlijk heel eenvoudig: buig hindernissen op je levenspad om in iets positiefs. “Hoe dan?’ vraagt Van Dis. Na geduldige contemplatie noemt een van oorsprong Nederlandse boeddhistische non het rode stoplicht; profiteer van dit rustmoment op je (levens)weg!

Op de vraag waarom het Boeddhisme in het Westen zo populair is geworden, antwoordt Batchelor dat het als verfrissend wordt ervaren. Een religie of levenshouding zo je wilt, zonder de fouten van andere godsdiensten. Maar deze visie is inmiddels wel achterhaald. Denk aan de onverdraagzaamheid en vervolging van andersdenkenden in Myanmar en voorbeelden van seksueel misbruik door boeddhistische leraren. Een groep vrouwen had over dit actuele onderwerp een (moeizaam) onderhoud met de Dalai Lama, die het weekend van 15 september de tentoonstelling in de Nieuwe kerk opende.

De boeddhistische weg om een betere versie van jezelf te creëren is ogenschijnlijk eenvoudig en geeft kort samengevat de volgende handreiking. Zorg voor het juiste begrip, de juiste gedachten, de juiste woorden, het juiste handelen; het juiste levensonderhoud, de juiste inspanning, de juiste aandacht en de juiste concentratie. Makkelijker gezegd dan gedaan!

Voor we een virtuele rondgang door de tentoonstelling maken, even terug in de tijd. Wie was de historische boeddha?

knipoog, Boeddha, Geertje Aalders
Een knipoog van de Boeddha, illustratie van Geertje Aalders in het gelijknamige boekje geschreven door Erica Terpstra.

Als prins Siddharta Gautama kwam hij in de 5e eeuw voor Chr. in Noord-India ter wereld. Een gebeeldhouwd reliëf uit Ghandara toont hoe zijn moeder Maya hem onder een boom het leven schenkt. Meteen is duidelijk dat de boreling geen gewoon kind is. Maar liefst 32 kenmerken (soms wel 80) wijzen erop dat hij zal uitgroeien tot een bijzonder mens met grote spirituele gaven. Kenmerken als slanke lange vingers, benen als van een antilope, armen die tot onder de knieën reiken, een verborgen penis, stekeltjes haar, brede schouders, regelmatige  witte tanden zonder spleetjes, een mooie stem, en een paar blauwe ogen. In Erica Terpstra’s kinderboek Een knipoog van de Boeddha, worden ook nog zijn grote oren genoemd, die we in het westen van een ander kinderverhaal kennen!

Tanjobutsu, kleine Boeddha
Tanjobutsu, de historische Boeddha Sãkyamuni als klein kind,17e eeuw, Ger Eenens Collection, the Netherlands/ wereldmuseum Rotterdam.

 

Van dit alles is niets te zien aan het kleine 17e eeuwse bronzen beeldje van het ‘kindeke boeddha’ uit Japan, aan het begin van de expositie. Siddharta’s vader probeert de voorspelde spirituele ontwikkeling tevergeefs te verhinderen. Na een luxe leventje gooit prins Siddharta op 29 jarige leeftijd het roer radicaal om. Zijn heimelijke vlucht uit het nachtelijke paleis is in verschillende gebeeldhouwde reliëfs te zien. Bedienden ( goden) houden de hoeven van zijn paardje in de hand om de vlucht geruisloos te laten verlopen!

 

Gautama Vertrek Paleis
Vertrek uit het paleis, reliëf Gandhara 3e-6e eeuw, RM Amsterdam, bruikleen Ver. Vrienden van de Aziatische kunst
Gautama paard
Gautama verlaat zijn huis, Reliëf uit Gandhara, 2e eeuw, Indisch Museum Calcutta

 

 

 

 

 

 

Buiten de paleismuren doet Siddharta een aantal schrikbarende ontdekkingen. Voor het eerst ziet hij een gebogen grijsaard, die moeizaam voortgaat. Een ernstig zieke en een dode op weg naar zijn crematie. Het menselijk lijden maakt diepe indruk. Tijdens zijn kennismaking met de wereld ontmoet hij ook een asceet. Iemand die na het afzweren van alle aardse genoegens rust gevonden heeft. In navolging van deze wereldverzaker probeert Siddharta zes jaar lang als asceet te leven, maar eenmaal uitgemergeld bemerkt hij dat dit voor hem niet de juiste weg is.

Ascetic Buddha
Ascetische Boedha, Thailand, koninkrijk Rattanakosin, Koning Rama V 1868 – 1910, Ger Eenens  Collection, the Netherlands/ wereldmuseum Rotterdam.

Daarna probeert hij in het bos van Uruvela door meditatie innerlijke rust te vinden. Zoals de katholieke Antonius de heremiet eeuwen later tijdens zijn wereldverzaking getergd zou worden door aardse verlokkingen, zo wordt ook Siddharta op de proef gesteld. Het oosterse equivalent van de duivel, Mara, probeert hem met vreselijke demonen schrik aan te jagen. Wanneer Siddharta daar (met een anachronisme) stoïcijns onder blijft, proberen Mara’s mooie dochters hem zonder succes te verleiden. Zittend onder een vijgenboom -de Bodhi boom- beroert Siddharta met zijn rechterhand de aarde. Met dit gebaar, de Bhumisparsa mudra roept hij de aarde op als getuige van zijn lange zoektocht naar totale onthechting. Alle zelfzucht heeft plaats gemaakt voor liefde en welwillendheid jegens de ander. Siddhartha heeft de verlichting gevonden; hij bereikt het Nirwana.Kijkend naar boeddhabeelden vallen de verschillende handgebaren op. De betekenis van deze zogenoemde mudra’s worden op een groot banier verklaard.

Om de weg naar de verlichting aan anderen door te geven reist de de verlichte prins, de boeddha, naar Varanasi (Benares). In een nabijgelegen hertenpark  maakt hij een vijftal asceten in de zogenoemde eerste leerrede, deelgenoot van zijn bevindingen op weg naar de verlichting.

First sermon Gandhara
De eerste leerrede, Gandhara, Pakistan, 2e-3e eeuw, British Museum, Londen

Met die boodschap reist hij ook naar zijn familie in Kapilavastu. Inmiddels heeft zijn vrouw Yasodhara ook het meditatieve pad gevonden en zoonlief besluit monnik te worden. Om ook vrouwen in staat te stellen de verlichting te vinden, sticht Siddharta een nonnenorde.

Na een leven van meditatie en het delen van zijn wijsheden breekt voor de 80-jarige boeddha het moment aan waarop hij het aardse leven vaarwel moet zeggen. Zijn leerlingen plaatsen een rustbed tussen twee Salbomen (Shorea Rubusta). Dan klinken boeddha’s laatste woorden:

…’Ik zeg jullie: alles wat de mens bezielt is aan vergankelijkheid onderhevig. Streeft niet aflatend’.

Lying Buddha, Thailand, Ayutthaya
Liggende Boeddha , Thailand, 2e Koninkrijk beïnvloed door Ayutthaya. 18e eeuw, Ger Eenens Collection, the Netherlands/wereldmuseum Rotterdam.

De natuur is direct in diepe rouw: bloemen vallen van de bomen en vogels verstillen. De as van boeddha wordt in speciale reliekhouders, stoepa’s, verdeeld over acht koninkrijken in Noord-India. In verschillende plaatsen worden ook enkele stoffelijke resten bewaard, zoals de tand van boeddha in Kandy op Sri Lanka. In Srinagar, de zomerhoofdstad van Kasjmir, wordt een haar van de boeddha gekoesterd. Over de verering van relieken organiseert Museum Catharijneconvent dit najaar een grote tentoonstelling.

Parinirvãna, death Buddha, silk
Parinirvãna,De dood van Boeddha, Japan, 19e eeuw(?), British Museum, Londen

Gebeeldhouwde reliëfs en een Japanse zijdeschildering tonen het zogenoemde Parinirvana; het sterfbed van boeddha. Zijn volgelingen zijn overmand door verdriet. Van een verstilde schoonheid is het solitair in een kapel opgestelde beeld van de rustig ingeslapen boeddha.

Qing
Avalokitesvara Ekadasamukha, China Qing dynasty, 18e eeuw, Wereldmuseum, Rotterdam

Van de 60 kunstwerken afkomstig uit de diverse boeddhistische landen spreekt de 18e eeuwse Chinese Avalokitesvara uit het wereldmuseum in Rotterdam mij bijzonder aan. Nog liggend in de klimaatkist doet het me denken aan de boektitel A God in Ruins. De zorgvuldig verpakte losse koppen moeten nog op het hoofd van de brons vergulde Avalokitesvara worden gestapeld. Ze staan voor verschillende gemoedstoestanden: boosheid, verdriet, angst en blijdschap. De Avalokitesvara is een zogenoemde bodhisattva, een volgeling van boeddha die eveneens de verlichting heeft bereikt. In plaats van het nirwana binnen te gaan, blijven de bodhisattva’s in de wereld om anderen de weg naar verlichting te wijzen.

Art transport
Avalokitesvara in transport, Nieuwe kerk Amsterdam, 2018

 

Votieftablet, Thailand, Sukhothai, 1250 – 1650, RM Amsterdam.

 

 

De expositie eindigt met een klein votieftablet met de met boeddha zittend onder de bodhi boom uit het Rijksmuseum. Bij de aanblik van dit verstilde beeld moet ik denken aan de woorden die Hermann Hesse in 1922 schreef: 

 
…’Warum war Gotama einst, in der Stunde der Stunden, unter dem Bo-Baume niedergesessen, wo die Erleuchtung ihn traf ?
 Er hatte eine Stimme gehört, eine Stimme im eigenen Herzen, die ihm befahl unter diesem Baume Rast zu suchen… nur der Stimme….. das war gut….das war notwendig, nichts anderes war notwendig’…

 

De titel van de tentoonstelling is wellicht wat misleidend. Het leven van Boeddha: de weg naar nu. De tentoonstelling gaat niet over de verschillende stromingen die in de eeuwen nà het overlijden van de Boeddha ontstonden. De focus ligt op vijf cruciale gebeurtenissen uit het leven van de historische boeddha: geboorte, ommekeer, de verlichting, de eerste leerrede en overlijden van de boeddha. Dit verhaal wordt geïllustreerd met bruiklenen uit verschillende musea en objecten uit particulier bezit van leden van de jubilerende Vereniging van Vrienden  van Aziatische kunst. De catalogus informeert wel over de verspreiding van het Boeddhisme via India, Zuid- en Noord-Oost Azië, dat in de 19e eeuw ook Westerse intellectuelen bereikt.

Tree Ai Weiwei Pixcell Deer Kohei Nawa
Interieur Nieuwe Kerk met Boom van Ai weiwei en PixCell Deer van Kohei Nawa. 2018, Amsterdam Foto: Evert Elzinga

De weg naar nu wordt ingevuld door twaalf eigentijdse kunstenaars onder wie Ai Weiwei en Yoko Ono, met creaties die nu eens duidelijk, dan weer associatief gerelateerd zijn aan het boeddhisme. In leven en werk van de Boeddha vormt de boom een belangrijke rol. Hij werd onder een boom geboren, onder een boom bereikte Siddharta de verlichting en onder een tweetal blies hij zijn laatste adem uit. Prominent in de tentoonstelling staat de boom van Ai Weiwei, samengesteld uit dertig losse onderdelen van in China gerooide bomen. Bomen die plaats moesten maken voor de moderne tijd. De bouw van woningen en vestiging van industriën. Een stil protest.

Vlak daarvoor staat, toepasselijk onder die boom een wel heel bizar object, een met talloze kristallen bolletje bekleed opgezet hert, getiteld PixCell Deer van Kohei Nawa. Geïnspireerd op de episode van boeddha’s eerste leerrede in het hertenkamp nabij Varanasi.

Yoko Ono, de weduwe van de in 1980 vermoorde Beatle John Lennon, creëerde een kunstwerk, bestaande uit 3 bergjes aarde, afkomstig van plaatsen waar huiselijk- en ander geweld tegen vrouwen plaats vond. Ze worden beschenen door warmtelampen. Zal er, verwijzend naar vruchtbaarheid van vrouwen, nieuw leven uit voortkomen?

Pistoletto Buddha 2008
Michelangelo Pistoletto, Buddha, 2008,
Museum Voorlinden, Wassenaar

De antiek ogende, boeddha die Michelangelo Pistoletto in 2008 vervaardigde kijkt in een spiegel. Mooie manier om zelfreflectie in beeld te brengen.

In één van de kapellen is de installatie die Carolee Schneemann in 2000-2001 maakte, te zien. Tweeëntwintig televisieschermen tonen verscheurende oorlogs- en geweldsbeelden. Niet moeilijk om te begrijpen dat hier het centrale thema van het boeddhisme in beeld wordt gebracht. Het lijden, veroorzaakt door zucht naar macht en bezit.

Bij de creatie van Alicia Framis, The Embrace Kamer, uit 2018, vindt de bezoeker het antwoord op al het aardse lijden: liefde, mededogen, compassie.  In het voorwoord van het kinderboek dat Erica Terpstra ter gelegenheid van de tentoonstelling schreef staat het mededogen, dat zij als kind van haar ouders leerde, centraal.

Gebedsmolen
Gebedsmolen met kinderwens, 2018, Nieuwe Kerk Amsterdam

Ook Amsterdamse schoolkinderen mochten een steentje bijdragen. Meteen rechts in de tentoonstelling ziet de bezoeker een rij door hen vervaardigde gebedsmolens elk met een soms aandoenlijk wensje. …. Gezondheid voor iedereen, Ik hoop dat ik altijd met Sofie mag blijven spelen, een ander kind heeft getuige drie woorden kennelijk de verlichting al bereikt: ik wens niets.

Tijdens de preview wordt verteld dat volwassenen ook een wens mogen achterlaten aan een van de takken van twee wilgen. Een heerlijke geur lokt mij naar het koor van de Nieuwe Kerk. Deze wordt verspreid door de wensbomen die, de dag voor de officiële opening, al verkrumpelde blaadjes tonen aan takken, die helaas te hoog zijn om een wens aan op te hangen. Er zit niets anders op dan mijn wens maar weer mee naar huis te nemen. Om de volgende dag, 15 september,via lifestream getuige te zijn van de opening van de tentoonstelling door de geestelijk leider van de Tibetaanse boeddhisten in ballingschap, de Dalai Lama. Voorafgaand aan de opening gaat hij tijdens een ontbijtsessie in gesprek met jonge wetenschappers. Er wordt van gedachten gewisseld over boeddhistische kennis, wijsheid, compassie en de toepassing van eigentijdse wetenschap en technologie als robotica inzake ziekte, ouderdom en dood.

Wishing Tree
Wensbomen in de nieuwe kerk, 2018

Tettero, e.a., Het leven van Boeddha: de Weg naar nu, De Nieuwe Kerk, Amsterdam, 2018.

Terpstra, Een knipoog van de Boeddha, De Nieuwe Kerk, Amsterdam, 2018.

H.Hesse, Siddharta, Berlijn, 1922.

 

 

Iran, bakermat van de beschaving. Tentoonstelling Drents Museum Assen, tot en met 18 november 2018.

 

Poster Drents Museum

De rijke literaire en archeologische geschiedenis van het voor ons relatief onbekende Iran wordt in Assen aanschouwelijk gemaakt met cultuurschatten uit steden met exotische namen. Shiraz, Persepolis, Susa, Bisotun, Babaja en Isfahaan. Bij deze laatste herinner ik mij een gedicht van de middelbare school:

De Tuinman en de Dood.
(…) Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: ‘Heer, een ogenblik!

 Ginds in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood….
Meester uw paard, en laat mij spoorslags gaan,

Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!

Wanneer de edelman de dood vraagt waarom hij zijn tuinman aan het schrikken maakte antwoordt deze, dat hij verrast was door de aanblik van de nog rustig werkende tuinman, die hij ’s avonds moest halen in Isfahaan…

De dichter Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954) vond zijn inspiratie in oude Joodse en Perzische literaire bronnen. Het thema van een voor de dood vluchtend slachtoffer wordt door verschillende islamitische soefi’s beschreven.    Poëzie heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in Perzië. De dichter Hafez wordt bijvoorbeeld ruim 600 jaar na dato vereerd als dè dichter des vaderlands. Naar verluidt kan elke Iraniër wel een strofe uit zijn gedichten reciteren. Zelf kon Hafez, die voluit Kwajeh Shams Al-din Muhannad Hafez-e Shiraz heette, reciteren als de beste. Vandaar zijn bijnaam: Hafez betekent letterlijk: hij die de Koran van buiten kent. Maar nu loop ik op de zaken vooruit, want voor de komst van de islam is nog veel te vertellen.

Koran
Verluchte bladzijden uit zestiende eeuwse Koran uit Ardabil in Noord Iran.

De tentoonstelling leert dat Iraniërs -terecht- trots kunnen zijn op hun rijke literaire en culturele verleden. Blow-ups van foto’s van de oude koningsstad Persepolis en de rotswand in Bitoun met replica van het reliëf van koning Darius vormen een indrukwekkend decor. Met boogvensters in kleurrijk glas-in-lood en zitkubussen bekleed met Perzisch tapijt, wordt een sprookjesachtige sfeer van duizend-en-één-nacht gecreëerd. In video’s vertellen in Nederland woonachtige Iraniërs over hun leven en werk.

De tentoonstelling Iran, bakermat van de beschaving begint zo’n 6000 jaar v.Chr. met voorwerpen uit het neolithicum: vuistbijlen, primitieve werktuigen, gebruiksvoorwerpen, ceramische objecten met gestileerde mens- en dierfiguren en zelfs een uit een bot gesneden fluit. Wanneer deze bespeeld werd gingen de voetjes van de vloer, zoals te zien in een kom van ca 4800 v. Chr.

Aardewerken kom
Aardewerken kom uit Chogha Sabz 4800 v.Chr. Nationaal Museum Iran
Aardewerken kom
Aardewerken kom uit Toll-e Gap 4800 – 4600 v.Chr. Nationaal Museum Iran

De evolutie van het menselijk kunnen wordt geïllustreerd met koperen, bronzen, ijzeren, zilveren en gouden objecten.

In een interview zwakt een conservator van het Nationaal Museum van Teheran de prestigieuze subtitel van de Drentse expositie met een lachje wat af… Die bakermat lag in zijn ogen toch iets verderop in het buurland, tussen de Eufraat en de Tigris, maar dat gebied behoorde oudtijds natuurlijk wel tot het Perzische Rijk.

Bronzen schaal Shahdad
Bronzen schaal uit grafveld in Shahdad, 2600 – 2400 v.Chr. Nationaal Museum Iran

Rond 5000 v. Chr. beginnen de vroege bewoners van het huidige Iran zich toe te leggen op landbouw en veeteelt. Het houden van geiten en schapen leidt tot een belangrijke bron van bestaan: de textielnijverheid. Op enkele ceramische kommen verwijzen de kammen naar het kaarden van de wol. Tezelfdertijd worden de mogelijkheden van koper en de legering daarvan met tin, brons en arseen ontdekt. Het laatste procédé resulteert in een mooi groen patina, zoals te zien aan de schaal met kunstig opgerolde slang. Vanaf ca. 1000 v. Chr. werd ook ijzer gewonnen.

Tussen 4000 en 3000 v. Chr. ontstaan in het zuid-westen van Iran de eerste steden, zoals Susa, in Elam, één van de toenmalige grootmachten in het Nabije Oosten. Inscripties op kleitabletten verschaffen informatie over handel in vee, graan, bronzen wapens en werktuigen met Mesopotamië, India en zelfs met China. Op vroege exemplaren worden producten en aantallen met symbolen aangeduid, waar later het zogenoemde spijkerschrift uit voortkomt.

Kleitablet
Kleitablet Tappeh Yahya, 3100-2900 v.Chr, Nationaal Museum Iran
Elamitisch spijkerschrift
Oudste document uit de geschiedenis van Iran Verdrag in oud Elamitisch spijkerschrift 2700 – 2100 v.Chr.

De naam Elam doet ver weg een belletje rinkelen. Helemaal helder heb ik het niet, maar mijn herinnering voert mij terug naar bijbelverhalen op de lagere school. Wanneer ik Elam google lees ik dat Elam de oudste zoon is van Sem, de zoon van Noach (Genesis 10: 22, Ezra 4:9). Zijn afstammelingen, de Elamieten, stichtten de stad Susa. Behalve kleitabletten wordt een reliëf met in kleermakerszit spinnende dame getoond. Een dienaar wuift haar koelte toe en de lunch staat al klaar. Haar nijvere polsen met armbanden als in de vitrines, gesierd.

Dame aan het spinnen
Reliëf, dame aan het spinnen, 700 v.Chr.
Armband van Arajan
Armband van Arjan (Elamitische beschaving), 650 v.Chr. Nationaal Museum Iran

Uit Jiroft in het oostelijk deel van Iran zijn objecten van zeepsteen te zien, zoals een fraai symmetrisch met eenhoorns versierd voorwerp dat oogt als een modieus  damestasje, maar een gewicht blijkt te zijn.

Zeepstenen gewicht
Zeepstenen object met eenhoorns, gebruikt als gewicht, 2600 – 2400 v.Chr. Nationaal Museum Iran

Veel van de getoonde voorwerpen zijn als grafgift meegegeven. De doden in deze streek vonden aanvankelijk een laatste rustplaats onder de vloer van hun huis, maar rond 1000 v.Chr. werden zij buiten het dorp begraven, vergezeld van gebruiksvoorwerpen als de aardewerk schenkkan in de vorm van een dier met gouden oorbel, en een gouden beker versierd met fabelachtige paardjes,   intrigerende modelhoofden en maskers van mannen met baarden en gouden sieraden.

 

 

Schenkkan Marlik
Aardewerken schenkkan, Marlik, 1150 – 850 v.Chr. Nationaal Museum Iran
Gouden beker Marlik
Gouden beker gevonden in Marlik, 1150 – 850 v.Chr. Nationaal Museum Iran

 

 De tentoonstelling informeert de bezoeker over de wisselende machtsverhoudingen in dit gebied. Met het aantreden van koning Cyrus de Grote (559-539 v. Chr.) komt hier een einde aan. Deze vorst, de eerste van de dynastie der Achaemeniden, geldt als de stichter van het grote Perzische Rijk. Cyrus onderwerpt Medië, Parthië, Lydië,  Babylonië, Armenië, Assyrië, Mesopotamië en Bactrië. Met respect voor de grote culturele en religieuze verschillen van zijn onderdanen, weet hij dit immense rijk te consolideren. Niet alleen in Babylonische en Griekse teksten, maar ook in het Oude Testament van de Bijbel wordt zijn lankmoedigheid geprezen. Het bijbelboek Ezra: 1: 7 noemt hem als de door God gezonden redder van het Joodse volk uit Babylonische ballingschap.

In dit uitgebreide rijk werd volop handel gedreven. Met de handelskaravanen reisden behalve materiële zaken ook filosofische en religieuze ideeën mee. Zo kwam koning Cyrus de Grote in aanraking met het Zoroastrisme, de eerste monotheïstische godsdienst. Deze leer werd tussen 1000-600 v. Chr. door de oppergod Ahuramazda geopenbaard aan de herder Zarathustra. Eeuwen later wist Zarathustra Friedrich Nietsche (1885), Richard Strauss (1896) en Deodato (1973) nog te inspireren. Evenals in latere wereldgodsdiensten speelt de strijd tussen goed en kwaad een voorname rol in het Zoroastrisme. De mens kan op het juiste pad blijven door vast te houden aan 3 principes: goede gedachten, goede woorden en goede daden. Leefregels die ook het boeddhisme en een christelijke levenswandel zouden gaan bepalen.

Koning Cyrus adopteert het Zoroastrisme als staatsgodsdienst. Ook onder zijn opvolgers bleef Zarathustra’s leer gehandhaafd tot de islamisering rond het midden van de 7e eeuw alle andere levensovertuigingen wegvaagde. Vandaag de dag zijn alleen in India nog afstammelingen te vinden van destijds gevluchte aanhangers van dit geloof, de naar hun land van herkomst genoemde Parsi’s.

Kaartje Iran
Kaartje Iran e.o., heden

Onder Darius de Grote (522-486 v. Chr.) bereikt het rijk zijn grootste omvang. In die periode beleeft Perzië haar Gouden Eeuw. Behalve de drie hoofdsteden Ecbatana, Susa en Persepolis zijn ook Pasargadae, Sardis en Babylon van belang. Zoals de Romeinen en later de Duitsers, verbond Darius de steden onderling door verharde wegen, waarvan de koninklijke weg tussen Ecbatana en Sardis in Klein Azië een druk bereisd traject op de Zijderoute werd.

Overwinningsreliëf Darius I
Overwinningsreliëf van koning Darius I, ca. 520 v. Chr., Bisotun. Foto: Hans Avontuur

Nabij Bitoun op 70 meter hoogte goed zichtbaar voor iedere passant liet Darius de Grote een indrukwekkend propaganda reliëf aanbrengen, waarvan in de expositie een reproductie te zien is. Bekroond met het wingvormige logo van het Zoroastrisme vertrapt Darius de Grote zijn vijand Gautama. Een reeks geketende vijanden kijkt machteloos toe. Helemaal rechts staat als kabouter puntmuts de koning der Scythen uit Centraal-Azië. Dit reliëf is dè Perzische steen van Rosetta. De inscripties in drie talen zijn van onschatbaar belang voor de ontcijfering van het oud-Perzische- en Babylonische spijkerschrift.                                                          Van de Parthische en latere Sassanidische periode dateren eveneens rotsreliëfs met scènes waarin koningen een rol spelen. In een reliëf in Naqsh-e Rustam, niet ver van Persepolis, overhandigt Ahuramazda de zogenoemde ring der macht aan de eerste vorst der Sassaniden, koning Ardashir I. Onder de hoeven van zijn paard wordt, naar goed oud-Perzisch gebruik, de verslagen laatste koning der Parthen vertrapt.

Gesigten van Persepolis IV
Cornelis de Bruijn, Gesigten van Persepolis IV, 1704-1705

De ruïnes van Darius enorme ontvangsthal in Persepolis vormen de stille getuigen van zijn grandeur. In 1971 liftte de toenmalige Sjah van Perzië middels een kostbaar feest op deze historische locatie, nog even mee op Darius roem. In de volkskrant van 14 juni 2018  leest u hoe de groten der aarde, onder wie de prinsen Philip en Bernhard zich zich hier lieten fêteren. De prins gemaal van koningin Juliana was niet de eerste Nederlander die deze archeologische site bezocht. In 1704 was Cornelis de Bruin hem voorgegaan. In zijn Gesigten van Persepolis legde hij het ook toen al –door Alexander de Grote- geschonden aangezicht van de oude koningsstad vast.

Lydiërs Persepolis
Lydiërs uit West Turkije bieden geschenken aan, reliëf langs de oostelijke trap naar de audiëntiezaal van Persepolis (foto Hans Avontuur)
Rhyton Hamedan
Gouden drinkbeker (rhyton), 559 – 331 v.Chr., Hamedan, Nationaal Museum Iran
Oxus gouden armband
Gouden armband gevonden bij de rivier de Oxus in Tadzjikistan. Gelijkenis met armband op reliëf Persepolis. Nationaal Museum van Iran (Zie hier boven)

Van het tijdvak van de Achaemeniden dateren topstukken van goudsmeedkunst; fraai bewerkte  zilveren en gouden Rhytons en verfijnde gouden sieraden. Tussen de geschenken van de Lydiërs, afgebeeld langs de oostelijke trap van Darius audiëntiezaal worden soortgelijke kommen, kannen en armbanden aangedragen, als welke de bezoeker in de vitrines herkent.

Aan Alexander de Grote, die met de slag bij Gaugamela in 331 v. Chr. een einde maakte aan het imperium der Achaemeniden, worden de Iraanse conservatoren kennelijk niet graag herinnerd. Hij is, op twee korte vermeldingen na, de grote afwezige in de tentoonstelling. En dat terwijl Alexander de Grote nota bene door zijn huwelijk met Stateira (soms abusievelijk Barsine genoemd) de schoonzoon werd van de verslagen koning Darius III, wat historisch gezien toch wel vermeldenswaard is! Een soortgelijke omissie ervoer ik ooit in het Maritime Museum in Portsmouth, waar Michiel de Ruyter, bekend van diens spectaculaire tocht naar Chatham, eveneens schitterde door afwezigheid.

Een van de zaalteksten meldt slechts: ‘Na de dood van Alexander van Macedonië valt zijn grote rijk [dat Perzië had opgeslokt] uiteen’

Uit zijn gelederen komen de Seleuciden voort, die vanuit Seleucis aan de Tigris in Mesopotamië (thans Irak) de scepter zwaaiden. In enkele voorwerpen is de Hellenistische invloed, meegebracht door Alexanders legers nog herkenbaar. Zoals in de vormgeving van een bronzen beeldje van Demeter, de Griekse godin van landbouw en vruchtbaarheid.

Demeter Navahand
Godin Demeter uit Nahavand bij Hamedan 331-250 v.Chr. Nationaal Museum van Iran
Olielampje Masjed-e Solaiman
Bronzen olielampje Masjed-e Solaiman 250 v.Chr. – 224 n.Chr. Nationaal Museum van Iran

 

 

 

 

 

 

 

 

Edelman Shemi
De edelman van Shemi, Partische tijd 227 v.Chr .- 224 n.Chr. Nationaal Museum van Iran

In de kaart gespeeld door een interne strijd bij de Seleuciden komen in 141 v. Chr. de Parthen onder Mithradates in een deel van het Perzische rijk aan de macht. Van deze periode dateren munten, zilveren voorwerpen en een kostelijk olielampje in de vorm van een menselijk gezicht, met een muis als neus. Indrukwekkend is de enorme edelman van Shemi, waarvan in de expositie een replica wordt getoond.

In 224 n. Chr. nemen de Sassaniden de scepter over. Hun 400-jarige regeringsperiode is de geschiedenis in gegaan als de Perzische Renaissance (224-651). De Sassaniden heersten over een rijk dat zich uitstrekte van Transkaukasië en Centraal Azië in het noorden tot de Indus in het Oosten en de Arabische kant van de Perzische golf. In deze periode beleefde Perzië wederom een bloeiperiode. Letterlijk en figuurlijk. Land- en tuinbouw floreerden door een ingenieus ondergronds irrigatiesysteem, de zogenoemde qanats, waarvan de bezoeker in de introductiefilm beelden ziet. In deze tijd nemen handelscontacten via ‘de’ Zijderoute tussen het Middellandse Zeegebied en China toe. Met deze term wordt anders dan vaak wordt gedacht niet één weg, maar een wijdvertakt stelsel van handelswegen aangeduid, zoals te zien was in de tentoonstelling Expeditie Zijderoute in de Amsterdamse Hermitage.

Ook van de Sassanidische periode worden in Assen fraaie gebruiksvoorwerpen getoond, soms met Hellenistische naklank. Gouden sieraden en verguld zilverwerk versierd met druiventrossen en musicerende figuren verwijzend naar de geneugten des levens.

Sassanidisch zilverwerk
Zilveren schaal, Sassanidisch zilverwerk, 224 – 651 n.Chr. Nationaal Museum van Iran

Met de binnenvallende Arabieren komt in 633 aan het Sassanidische rijk eveneens een einde. Gaandeweg ontstaat een artistieke mengstijl met oosterse en westerse motieven. Een kleine 600 jaar later, in 1220 vallen de Mongolen Perzië binnen.  Onder Il-Khan, de kleinzoon van de geweldenaar Djengis Khan, wordt de met turquoise geglazuurde tegels versierde architectuur geïntroduceerd. Behalve kruis- en stervormige motieven, verschijnen in textilia, ceramiek en metaalwerk ook Chinese motieven als draken, lotusbloemen en wolkenbanden. Kannen en schalen van blauwwit porselein, turquoise en kobaltblauwe tegeltableaus en borden van zogenoemd lusterware vormen het kleurrijke sluitstuk van deze boeiende expositie. Elke periode heeft een steentje bijgedragen aan de rijke culturele erfenis van het huidige Iran. Het land waarover Thomas Erdbrink, ‘onze man in Teheran’, op dinsdag 18 september persoonlijk komt vertellen in het Drents Museum.

Link: Drents Museum Assen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Classic Beauties, Hermitage Amsterdam tot en met 13 januari 2019.

Een verwoestende uitbarsting van de Vesuvius in de zomer van het jaar 79 maakte  een einde aan al het leven onder de vulkaan. Pierre Jacques Volaire legde overeenkomend natuurgeweld later -in 1774- op indrukwekkende wijze vast. Wie oog heeft voor detail (niet zichtbaar in de catalogus) ziet de schilder helemaal links aan het werk met achter hem zelfs nog een assistent!

Detail  links onder uit Pierre Jacques Volaire, Uitbarsting van de Vesuvius, ca. 1774 © State Hermitage Museum, St Petersburg
Volaire_Vesuvius
Pierre Jacques Volaire, Uitbarsting van de Vesuvius, ca. 1774 © State Hermitage Museum, St Petersburg

Aanvankelijk probeerden schatgravers en plunderaars nog kostbaarheden uit de bedolven steden op te diepen, maar in de loop der tijd raakten Pompeii en Herculaneum in de vergetelheid. Bij het slaan van een waterput stuitte een boer in 1710 op fragmenten van gekleurd marmer. Het bleken resten van het antieke Herculaneum. Door de speciale consistentie van een zogenoemde pyroclastische asregen die na de eruptie op de stad was neergedaald zijn woningen, huisraad en beelden goed geconserveerd. Gehoor gevend aan een denkbeeldig commando freeze bleven de met hun kostbaarheden wegvluchtende slachtoffers liggen. Ingehaald door de dood; bedolven onder 25 meter gestolde lava. In de vroege 18e eeuw werd Herculaneum met veel moeite gedeeltelijk opgegraven. Evenals in Pompeï, dat toegankelijker was, werden spectaculaire vondsten gedaan. Complete bronzen en marmeren beelden, muurschilderingen, houten meubels, juwelen, keukengerei en prachtige vazen. Zelfs etenswaren waarvan de uiterste houdbaarheidsdatum allang verstreken was, bleken toch goed geconserveerd!  De oudheden, destijds ondergebracht in het Paleis van Koning Karel III in Napels, vormen nu de topstukken van het Nationaal Archeologisch Museum in Napels.

Rond 1800 kreeg ook Napoleon belangstelling voor antieke beschavingen; niet alleen van Egyptenaren, maar ook van Etrusken en Romeinen. Een detail in het schilderij van Hubert Robert toont hoe archeologische roofkunst op een kar wordt geladen met bestemming Parijs.

Hubert Robert_Paleis Bordes Kariatiden
Hubert Robert, Bordes van een paleis met een portiek en kariatiden, 1800 © State Hermitage Museum, St Petersburg

Oudheidkundige vondsten hadden in de 15e en 16e eeuw al eerder voor een antieke rage gezorgd. Beelden van de stervende priester Laocoön, de Apollo van Belvedere en restanten van keizer Nero’s Domus Aurea veroorzaakten een wedergeboorte van de kunst van de oudheid: de renaissance. Dit inspireerde kunstenaars als Rafaël, Michelangelo en dichter bij huis Jan van Scorel en Maarten van Heemskerck. Hun figuren zijn naar ideale klassieke maat vormgegeven in een deels authentieke, deels gefantaseerde antieke setting. Zoals in de vaste collectie van het Frans Hals Museum te zien is en deze zomer ook in de Grote Kerk in Alkmaar.

Heemskerk_Altaarstuk_Alkmaar
Maarten van Heemskerk, Altaarstuk in de grote kerk in Alkmaar, Bruikleen Domkerk Linköping Zweden

Twee eeuwen later gaven de rond 1750 herontdekte steden bij de Vesuvius wederom een impuls aan de belangstelling voor kunst en architectuur van de oudheid. Artistieke voortbrengselen uit deze periode worden als neo-classicistisch bestempeld.

De dichter Johannn Wolfgang von Goethe (1749-1832) bezag de allesverwoestende uitbarsting van de Vesuvius van een positieve kant:

Es ist viel Unheil in der Welt geschehen, aber wenig, das den Nachkommen sò viel Freude gemacht hat’…

 Ik kan niets bedenken dat interessanter is, aldus de dichter tijdens zijn bezoek aan Herculaneum in 1787. De tentoonstelling Classic Beauties laat zien dat Goethe niet de enige was die er zo over dacht.

Tischbein, Goethe in de Romeinse Campagnia,1786-1787, Stadtische Galerie, Frankfurt am Main

Aangestoken door deze antieke rage reisden welgestelde toeristen naar Italië. Kunstenaars lieten zich door de antieke architectuur en beelden inspireren. De resultaten zijn tot en met 13 januari in een betoverende expositie te zien. Als een 18e eeuwse toerist maakt de museumbezoeker een comfortabele Grand Tour langs schilderijen, prenten en op antieke beelden geïnspireerde neo-classicistische sculpturen van Antonio Canova en geestverwanten. Canova zelf is met maar liefst acht sculpturen, waaronder de Drie Gratiën vertegenwoordigd. Een trio dat ook bekend is van een muurschildering in Pompeï en in de oudheid in marmer vereeuwigd werd door de beeldhouwer Praxiteles. Het beeld van Canova’s Drie Gratiën is in verschillende uitvoeringen bekend, maar dit is de enige echte verzekert Cathelijne Broers, directeur van de Hermitage, haar gehoor. Gemaakt voor de Franse keizerin Joséphine. Anders dan antieke afbeeldingen van dit trio, zijn de hoofden van Canova’s gratiën naar elkaar toegewend. De mythologische zusters, Aglaia, Euphrosyne en Thalia stonden voor schoonheid, vreugde en geluk.

Canova is de alpha en omega van de tentoonstelling. De museale reis vangt aan met een special over de beeldhouwer en bereikt met diens monumentale sculpturen in de laatste zaal een apotheose. Een kleine ronddraaiende Amor vormt tegelijkertijd de prelude en het slotakkoord van de expositie.

Herculaneum, vandaag

In de kabinetten wordt de bezoeker aan de hand van schilderijen en prenten geïnformeerd over de uitbarsting van de Vesuvius en de herontdekking van Pompeï en Herculaneum en het ontstaan van het neo-classisisme. Het slechts gedeeltelijk opgegraven antieke Herculaneum spreekt nog altijd tot de verbeelding. Het archeologisch bodemarchief is niet alleen toegedekt met een dikke laag lava. Ook het daarop gebouwde moderne Ercolano (voorheen Resina) ligt in de weg. Een bezoek aan het kleinschalige Herculaneum is een belevenis. Vooral in het voorjaar, wanneer bloesembomen en oleanders de ruïnes van een schilderachtig decor voorzien.

De tour voert langs doeken met Italiaanse impressies, die in de tentoonstelling Romantiek in het Noorden niet zouden hebben misstaan. Voor alle duidelijkheid: de later als neo-classisisme en romantiek bestempelde stromingen bestonden gedeeltelijk naast elkaar. In Claude Joseph Vernet’s Ochtend in Castellamare di Stabia (1747) zijn vissers in de weer. Deze fraaie morgenstemming bevat ook humor. In een leuk detail probeert een visser en meisje te verleiden met een verse vis. Voor amoureuze veroveringen moet je tegenwoordig wel wat anders verzinnen!

Vernet Castellamare
Claud Joseph Vernet, ochtend in Castellammare, 1747, © Hermitage St Petersburg

Met uiterste precisie, waargenomen vanaf een hoog standpunt schilderde Caspar Adriaensz van Wittel in 1686 een Romeins stadslandschap met de Tiber en het Castel Sant’Angelo. De bebrilde uit Amersfoort afkomstige schilder veritalianiseerde zijn naam in Caspare Vanvitelli, waaraan zijn kunstbroeders het adjectief ‘degli Occhiali’ toevoegden. De eeuwige stad inspireerde ook Giovanni Paolo Panini. Zijn kerkinterieurs van de Sint Pieter en de Santa Maria Maggiore zijn perspectivisch zo goed weergegeven, dat je de voorstelling zo zou willen binnenstappen. Let hier en elders op de leuke opmerkingen die kinderen tijdens de speciale rondleiding ‘de open blik’ noteerden.

Panini Santa Maria Maggiore Rome
Giovanni Paolo Panini, Interieur van de Santa Maria Maggiore in Rome, 1754-1755,© Hermitage St. Petersburg

Niet alleen geschilderde documenten, maar ook literaire werken beschrijven de impact van de hervonden kunst van de oudheid. In de vitrines wordt met Johann Wolfgang von Goethe’s, Italienische Reise en werk van zijn vriend Johann Joachim Winckelmann (1717-1768), promotors van het neo-classicisme, letterlijk en figuurlijk een boekje open gedaan. De laatste, auteur van o.a. Geschichte der Kunst des Altherthums (1754) was in Rome werkzaam als zogenoemde cicerone, een welbespraakte gids, genoemd naar de beroemde redenaar Cicero. Winckelmann schreef het nieuwe artistieke ideaal voor: ‘edele eenvoud en stille grootsheid’. De in Rome vanuit alle windstreken neergestreken kunstenaars vervaardigden behalve kunst met een grote ‘K’, ook werkjes die de reizigers als souvenir mee naar huis konden nemen. Afgietsels van beroemde antieke beelden waren eveneens geliefd. De aankoop daarvan is leuk verbeeld in Thomas Rowlandsons, The Sculptor’s workshop, Buying casts, 1802. Als antwoord op ’s mans vraag …’zullen we deze dan maar nemen, lieve’…zegt de gelukzalige gelaatsuitdrukking van zijn echtgenote genoeg.

Rowlandson_Sculptor's workplace
Thomas Rowlandson, The Sculptor’s Workspace, Buying Casts, 1902, Privé collectie

Tot mijn verrassing lees ik dat antieke beelden het land ook toen al niet zomaar mochten verlaten. Het verkrijgen van een exportvergunning was  lastig in Italië, maar een vinding van de architect Paolo Posi bood uitkomst: het kopiëren van beroemde beelden middels gipsafgietsels. Een methode die ook succesvol gebruikt werd voor het kopiëren van de versteende slachtoffers van de vulkaanuitbarsting.

In Londen, Kopenhagen, St. Petersburg en Venetië werden hele galerijen met kopieën van antieke beelden ingericht. In 1755 opende Filippo Farsetti een galerij met afgietsels in zijn palazzo aan het Canal Grande, waar de jonge Antonio Canova de kneepjes van het vak leerde. Overigens -en Rodin later evenmin- nam Canova hamer en beitel zelden ter hand. Na voltooiing van zijn bozzetti en modellini, liet de meester het hakken van het beeld over aan assistenten.

Antieke beeldengallerij St. Petersburg
Grigori Michajlov, De antieke beeldengallerij van de Kunstakademie in St.Petersburg, 1836, Russisch museum, St. Petersburg
Kauffmann_Zelfportret
Angelika Kauffmann, Zelfportret, 1780-1785, Hermitage St.Petersburg

Een apart kabinet is ingericht met werk van de ‘goddelijke’ Angelika Kaufmann (1741-1807). Na een verblijf in Engeland reisde zij naar Rome om oudheidkundige en mythologische verhalen te schilderen. Bij haar kon de toerist terecht voor een portret in een antieke mise-en-scène. Aan de cool vormgegeven figuren in haar historiestukken voegde zij een (over)dosis emotie toe, zoals in Vergilius leest de Aeneis voor aan Augustus en Octavia (1788), die daarbij kennelijk in zwijm valt. Alle figuren zijn in pseudoklassieke outfit en passende gemoedstoestand weergegeven. Haar werken werden door velen, maar niet door iedereen gewaardeerd. Een bezoeker merkte op: …’als je er één gezien hebt, heb je ze allemaal gezien’…!

Kauffmann_Vergilius_Aeneïs
Angelika Kauffmann, Vergilius leest de Aeneïs voor aan Augustus en Octavia, 1788, Hermitage St.Petersburg

De corridor naar de grote zaal geeft met portretten van de latere tsaar Paul I en Maria Fjodorova en-passant een impressie van Russische Italiëgangers, geïllustreerd met Hackerts, Villa van Maecenas en de Watervallen van Tivoli, uit 1783. Ook Louis Royers buste van Anna Pavlovna, de echtgenote van Koning Willem II, staat hier. Omdat Willem beweerde dat hij wegens staatszaken niet mee kon, ging zij met haar kinderen Alexander en Sophie, plus een leger personeel op Grand Tour. In de interessante catalogus bijdrage van Thera Coppens lees je tussen de regels door de werkelijke reden van zijn weigering. In een teruggevonden dagboek maakt Sophie regelmatig melding van de aan waanzin grenzende woede uitbarstingen van haar moeder.

Batoni_Hercules op een tweesprong
Pompeo Batoni, Hercules op een tweesprong tussen de Deugd en de Ondeugd,1765, © State Hermitage Museum, St Petersburg

Onder de noemer ‘Kunst in Huis’ ziet de bezoeker monumentale doeken van de destijds geliefde schilders Pompeo Batoni en Anton Rafaël Mengs, die beide een grote schilderswerkplaats in Rome hadden. Van Pompeio Batoni ziet de bezoeker enkele pompeuze historiestukken met mythologische thema’s, zoals Hercules op de tweesprong, 1765. Een moraliserend werk, waarop de moeilijke keuze tussen een deugzaam en een ondeugende levenswijze wordt verbeeld.

Mengs_Winckelmann
Anton Raphael Mengs, Portret van Johann Joachim Winckelmann, ca.1777, Metropolitan Museum of Art, New York

Ook Anton Raphaël Mengs was bevriend met Winkelmann. Deze raadde kunstenaars aan om ‘hun kwast in verstand te dopen’, maar er tegelijkertijd voor te zorgen dat het werk levendig en bezield werd. Mengs deed meer dan dat; hij voegde een vleugje emotie -om niet te zeggen sentiment- toe. Zoals te zien in zijn Parnassus, (na 1761); een symmetrische compositie, met de god Apollo als in een klassiek reliëf geflankeerd door muzen. De figuren zijn naar klassiek Grieks ideaal gemodelleerd. Hun houdingen en gebaren ontleend aan bekende antieke beelden als de Apollo Belvedere en de Augustus van Primaporta. De prachtig belijnde klassieke neuzen vormen de finishing touch.

 

Mengs_Parnassus
Anton Raphael Mengs, Parnassus, na 1761, Hermitage St. Petersburg

Met dit sleutelstuk begint Mengs neo-classicistische fase. Het neo-classicisme werd hem met de paplepel ingegoten. Vader Ismaël Mengs nam zijn zoon mee naar Italië, waar hij zich in de schilderkunst bekwaamde door werk van Rafaël en Titiaan te kopiëren. Dat deed hij zo succesvol dat ze hem daar de Raphaele Tedesco noemden. Voor de Spaanse Koning Karel II schilderde hij rond 1767 een barokke Annunciatie; qua onderwerp en uitvoering heel anders dan de profane verstilde sfeer van zijn op de oudheid georiënteerde werken.

Mengs_Zelfportret
Anton Raphael Mengs, Zelfportret ca.1775, © Hermitage St.Petersburg

Mengs was niet zomaar iemand; hij schreef ook geleerde tractaten. Zijn Zelfportret (1775) toont hem in die hoedanigheid als pictor philosophus.

Winkelmanns devies van edele eenvoud en stille grootsheid is eveneens vertaald in het zoetgevooisde Oordeel van Paris uit 1750-1760,waarin hij de naakte godinnen met een zijdezacht incarnaat heeft bekleed. Paris wordt voor de keuze gesteld om -met gevaar voor repercussies- uit Hera, Athene en Afrodite de mooiste aan te wijzen.

Een onmogelijke taak, zoals uit het verloop van het verhaal dan ook zal blijken. Alledrie proberen ze Paris met een beloning te verleiden. Lang stond hij besluiteloos, maar Aphrodite wint. Zij belooft hem de liefde van de allermooiste vrouw op aarde: Helena. Een heerlijke beloning, maar er is een complicatie: Helena was getrouwd met koning Menelaos van Troje…. De rest is geschiedenis.

Mengs_Paris
Anton Raphael Mengs, Het oordeel van Paris, 1750-1760, © Hermitage St.Petersburg

Op meerdere plekken is via de audiotour muziek te beluisteren, zoals Monteverdi’s smachtende  Lamento della ninfa in de ruimte met Batoni en Mengs of in de grote beeldenzaal: Un été 42 van Mashup met de harp door Stefan Schmidt/Von Rosenthal verklankt. Hier wacht de bezoeker een neo-classicistische climax. Op de wanden van de grote zaal zijn enorme blow-ups van Giovanni-Battista Piranesi’s vedute aangebracht. In deze als souvenirs voor toeristen gemaakte stadsgezichten sjoemelde Piranesi wat met de onderlinge afstanden, zodat hij zoveel mogelijk Romeinse oudheden in één prent kwijt kon. Deze wandbekleding vormt de perfecte setting voor de acht eigenhandige sculpturen van Antonio Canova en werk van zijn gelijkgestemde collega’s. Conform Winckelmanns devies voegt Canova aan de koele, wat gelikt vormgegegeven figuren een mespuntje emotie toe. Door de subtiele belichting maken deze beelden een adembenemende indruk op de bezoeker.

Canova Paris Helena
Antonio Canova (en atelier), Paris, ca. 1819, De schone Helena, ca. 1819, © Hermitage St.Petersburg

Twee bustebeelden van Paris en Helena uit 1819, de geliefden die door het schenken van de gouden (twist)appel aan Aphrodite bij elkaar werden gebracht. Hij met een zogenoemde Phrygische muts, waar krullen als tortelloni onderuit piepen; zij van een van een welhaast onaardse schoonheid.

Canova Danseres
Antonio Canova, Danseres, 1805–12 © State Hermitage Museum, St Petersburg

Prachtig is Canova’s Danseres met de suggestie van haar naakte lichaam onder een ragdun gebeeldhouwd gewaad. Datzelfde geldt voor Hebe, de Griekse godin van de jeugd, bij wie het gewaad tot haar middel is afgezakt. De rest wappert rond haar benen, waardoor de beweging wordt gesuggereerd, waarmee zij met haar schenkkan langs de hemelbewoners snelt om nectar bij te vullen.

Canova Hebe
Antonio Canova, Hebe, 1800–05 © State Hermitage Museum, St Petersburg
Canova Maria Magdalena
Antonio Canova, De boetvaardige Maria Magdalena, 1808-1809,© Hermitage St.Petersburg

Onder Canova’s talrijke profane werken ontdek ik één religieus onderwerp; een boetvaardige Maria Magdalena. Haar handen in een klassieke gebedshouding, geflankeerd door een schedel als vanitassymbool. Ingetogen, maar net boven haar quasi onschuldig afgezakte gewaad een pikant detail.

Het toppunt van Canova’s sculpturale acrobatiek vormt het dubbelbeeld van Amor en psyche (1800-1803), waarmee Canova het prachtige verhaal uit de metamorfosen van Lucius Apuleius Madaurensis (2e eeuw) in beeld brengt. Aphrodite, godin van de liefde vervloekt de mooie Psyche en zendt haar zoon de liefdesgod Amor, met een speciale pijl op haar af. Hij moet haar verliefd laten worden op een monster. Op weg struikelt Amor, valt in de pijl en wordt zelf verliefd op Psyche. Omdat de tegenwerking van Amors moeder haar teveel wordt springt Psyche van een rots. Hiermee komt een einde aan haar aardse bestaan. In de hemel ziet zij Amor terug, waarmee het verhaal een happy end krijgt!
Moraal van het verhaal: schoonheid is een vloek, maar een zegen voor de museumbezoeker!

Hiermee is de cirkel van deze virtuele rondleiding rond. Aan het eind  staat de bezoeker weer oog in oog met Canova’s Amor die hem bij aanvang van de expositie begroette.

Link: Museum Hermitage, Classic Beauties

Link : Muziek bij de tentoonstelling

 

 

 

 

 

 

 

 

Aan Zee, Alles over de kunstenaars van Domburg, waar het altijd zomer is! Tot en met 18 november in het Gemeentemuseum Den Haag.

 

Mondriaan Duin in Zeeland
Piet Mondriaan, Zomer, duin in Zeeland, 1910, Guggenheim museum New York, bruikleen Gemeentemuseum Den Haag

In de zomertentoonstelling Aan Zee zie ik veel oude bekenden, zoals Mondriaans’ in groen en paarstinten geschilderde Duinlandschap uit 1911. Zijn Zeeuwse repertoire is in deze expositie aangevuld met een doek uit 1910: Zomer, duin in Zeeland dat het Gemeentemuseum in langdurige bruikleen van het New Yorkse Guggenheim Museum heeft ontvangen.

Toorop Zoutelande
Jan Toorop, Zee en duin bij Zoutelande, 1907, Gemeentemuseum Den Haag

Ook Jan Toorops’ Zee en duin bij Zoutelande van 1907 is terug. In 2016  begon ik mijn  review van de tentoonstelling, Jan Toorop, Zang der tijden, met volgende woorden: Een betoverende impressie in de kleur van vruchtenhagel: lucht, zee, strand, duinen en twee kleine meisjes in Zeeuwse klederdracht …
Wat doen zij daar; zijn ze bezig met een opzegger ‘Iene miene mutten’ of gooien ze bikkels in het duinzand en wie zijn ze?  Het zou zomaar kunnen dat Jan Toorop mijn grootmoeder, geboren in 1901, als model voor dit doek gebruikte. Ze werd bijna 100 jaar, maar Toorop schonk haar de eeuwige jeugd… 

Behalve dit in ‘technicolor’ gestippelde doek is soortgelijk werk van Ferdinand Hart Nibbrig te zien. Alsook impressies van het Walcherse landschap door Jacoba van Heemskerck, die evenals haar collega’s aanvankelijk luministische werken maakte, maar gaandeweg een eigen expressionistische stijl ontwikkelde. In de expositie ziet de bezoeker hardwerkende boeren, lieflijke boerinnetjes, betoverende landschappen en zeegezichten gevangen in het het Zeeuwse licht, dat wel degelijk bestaat, ook al denkt Carel Blotkamp daar anders over.

Hart Nibbrig Zoutelande
Ferdinand Hart Nibbrig, Zoutelande ca. 1910-1915, Singer Laren, legaat P.J. Hart Nibbrig 1985

Het begon allemaal in Domburg. Sinds 1898 was Jan Toorop (1858-1928) hier ’s zomers met zijn vrouw en dochtertje Charly te vinden, van wie een jeugdwerkje getoond wordt. Later kwam kwam zij hier nog vaak terug om te schilderen, maar in een heel andere stijl dan haar vader. Vanaf 1924 ontstonden haar  (magisch) realistische doeken met knoestige boeren en struise Zeeuwse boerinnen. De belangstelling die Toorop en zijn schilderende vrienden koesterden voor het zuivere onbedorven leven op het platteland was een wijd verbreide reactie op de industrialisering en verstedelijking van de late 19e eeuw. Zijn geïdealiseerde impressies van dat landleven geeft Toorop aanvankelijk -in de ban van de Seurat en Signac- in een kleurrijke, fijn gestippelde pointillistische stijl weer. Iets later evolueert deze in een minder goed leesbare bredere, zogenoemde divisionistische toets.

Toorop Domburg
Jan Toorop, Zee en duinen te Domburg, 1908, Gemeentemuseun den Haag

In zijn Zee en duinen te Domburg uit 1908, is het even zoeken naar de Zeeuwse boerinnetjes op weg naar het dorp. Zijn zoektocht naar ‘het diepere wezen der werkelijkheid’ brengt Toorop bij het katholieke geloof. Zijn fascinatie voor de standvastige boerenbevolking èn het (op Walcheren spaarzaam overgebleven) katholicisme komen samen in het portret van een Zeeuwse boer, dat hij de titel Godsvertrouwen meegaf uit 1907. Achter het venster staat de uit 1470 daterende gotische kerktoren van Westkapelle. Van deze tevens als vuurtoren functionerende toren zijn talrijke impressies aanwezig in de tentoonstelling. De naam van de man met zijn door de zilte zeelucht gelooide huid is Pier Jilles. Hij werd door Toorop in zijn zondagse goed geportretteerd, compleet met bij de Zeeuwse mannendracht behorende gouden knopen. Leuk ook is het destijds modieuze polka kapsel, dat met papillotten in krul werd gebracht. In het streng religieuze milieu werd voor de bijbelse vermaningen tegen ijdelheden kennelijk een oogje toegeknepen. Dezelfde man herkennen we in Toorops’ Zeeuwse man voor een gotische achtergrond. Nu in een modieus, frivool paars jasje, waarvan ik het realiteitsgehalte betwijfel. De beelden in de sinds de reformatie lege nissen van de toren zijn door Toorop fantasierijk ingevuld. Museum Catharijneconvent bezit verschillende religieuze werken van Toorops hand. Een schets van zijn veelzijdige carrière leest u elders op dit blog.

Aangetrokken door Toorop’s enthousiasme, kwamen ook Mondriaan, Hart Nibbrig en Jacoba van Heemskerck naar Zeeland. Hier vonden zij tussen 1908 en 1915 niet alleen zon, zee en frisse lucht, maar vooral inspiratiebronnen. In ca. zestig werken is te zien hoe zij deze vooral in licht en kleur vertaalden in een stijl die als luminisme wordt aangeduid. Behalve Hart Nibbrig ontwikkelden zij later elk een eigen stijl. Mondriaan vond hier zijn weg naar de abstracte kunst; Van Heemskerk de hare naar een donker getint expressionisme.

Hart Nibbrig Gezicht Zoutelande
Ferdinand Hart Nibbrig, Gezicht op Zoutelande ca. 1910-1912, Rijksmuseum Amsterdam

Ferdinand Hart Nibbrig (1866-1915) verkoos Zeeland boven het schilderachtige Laren, waar hij met zijn kleurrijke luministische stijl tussen de schilders van de Larense  School al een buitenbeentje was. Hij kwam in 1911 voor het eerst in Zeeland en werd meteen verliefd op Walcheren. Zijn in de openlucht gemaakte schetsen werkte hij in zijn atelier uit tot kleurrijke doeken. Op een duin in Zoutelande liet hij een zomerhuis bouwen, Huize Sandvlught, dat sinds zijn vroege dood in 1915 nog altijd te huur is. Vanaf deze hooggelegen locatie maakte hij verschillende impressies van het kustlandschap. Zoals het Gezicht op Zoutelande (1910-15). Ook de bevolking sprak hem aan. In 1914 schilderde hij Zeeuwse meisje (Neeltje) en een portret van een Zeeuwse Boer.

Hart Nibbrig Zeeuws meisje
Ferdinand Hart Nibbrig, Zeeuws meisje, 1914, Gemeentemuseum Den Haag

Al eerder, in 1908, trok Piet Mondriaan (1872-1944) naar Domburg. Hij logeerde bij kunstverzamelaar Marie Tak van Poortvliet en Jacoba van Heemskerck op Loverendale. De villa viel in 1992 ten prooi aan de slopershamer. De toonzaal waar de Domburgse kunstenaars van 1911 tot 1921 hun werk exposeerden was door een storm in 1921 al tegen de vlakte gegaan, maar sinds 1994 zijn de werken van de kunstenaars in Domburg weer te zien. Ondergebracht in het Marie Tak van Poortvliet museum, een charmante replica van dat oude gebouwtje, omgeven door een heerlijke tuin aan de Ooststraat.

Mondriaans ontwikkeling van figuratie naar abstractie wordt in de Haagse tenttoonstelling kernachtig geïllustreerd aan de hand van de appelboom die hij in de tuin van Villa Loverendale schetste. In verschillende stadia ziet de bezoeker de metamorfose van deze ‘gewone’ boom naar een werk waarin de boom in sterk gereduceerde vormen nog slechts gesuggereerd wordt. De Rode boom, weergegeven tegen een blauwe achtergrond; vormt in die reeks een absoluut artistiek hoogtepunt. Vastgelegd toen de avond viel. Eén schakel ontbreekt, licht conservator Laura Stamps toe. Over deze missing link in Mondriaans ontwikkeling leest u meer op mijn blog over de Mondriaantentoonstelling in 2017.

Mondriaan rode boom
Piet Mondriaan, Avond, De rode boom,1908-1910, Gemeentemuseum Den Haag
Mondriaan bloeiende appelboom
Piet Mondriaan, Bloeiende appelboom, 1912, Gemeentemuseum den Haag

 

 

 

 

 

 

In een aan hem gewijde zaal laat Piet Mondriaan -meestal gefotografeerd als een keurig in het pak gestoken strenge heer- zich van een andere kant kennen. Boven de zaaltekst blikt hij als een Indiase goeroe de zaal in. De foto dateert uit de tijd dat hij helemaal in theosofische sferen was. Charly Toorop memoreert ….. hoe ‘die malle Mondriaan in zijn buddhahouding pal midden op het strand zat’  te mediteren.

Mondriaan portret 1908
Piet Mondriaan ca. 1908

Aanvankelijk zijn Mondriaans onderwerpen nog herkenbaar. Gevoed door de Theosofie en Goethe’s ideeën over het zichtbaar maken van de ‘innerlijke’ wereld door middel van kleur en vorm, mondt Mondriaans spirituele zoektocht naar innerlijke beleving uit in een geabstraheerde verbeelding van de werkelijkheid. Die ontwikkeling wordt mooi verbeeld in een drietal impressies van de kerk in Domburg. De eerste een kleurrijke vingeroefening in divisionistische toets; de tweede een impressie in zwart wit; de derde een compositie met verre naklank van de twee eerdere werken.

Mondriaan, Kerk Domburg
Mondriaan, kerk te Domburg 1909, Gemeentemuseum, Den Haag
Mondriaan, Kerkgevel 1
Mondriaan, Kerkgevel 1, Kerk te Domburg 1914, Gemeentemuseum Den Haag
Compositie 1916
Mondriaan, Compositie 1916, Guggenheim museum, New York

 

 

 

 

 

 

 

Aan de tentoongestelde werken van Jacoba Van Heemskerk (1867-1923) zie je niet dat zij in Parijs studeerde bij de historieschilder Eugène Carrière. Van haar leertijd bij Ferdinand Hart Nibbrig evenmin een spoor. Op Walcheren putte zij vooral inspiratie uit de Zeeuwse natuur en de indrukwekkende bomen waarmee Walcheren voor de inundatie bezaaid was. Deze door de zeewind, als variant op de Caribische divi-divi,  kromgegroeide bomen komen in haar werk steeds terug. In het voetspoor van Toorop ging zij in Domburg aanvankelijk de luministische kant op, zoals te zien in Twee Bomen uit 1910. Maar onder invloed van het kubisme worden de vormen steeds  hoekiger en de kleuren gedempter.

 

Jacoba van Heemskerck, kromgegroeide bomen bij kasteel Westhove, 1913, Domburg

Uiteindelijk geeft zij de haar omringende werkelijkheid op expressionistische wijze in een donker palet weer. Haar landschappen dragen geen herkenbare titels. Zij noemt ze Bild en worden aangeduid met een nummer. De inspiratiebron is niet in één oog opslag duidelijk, maar bij nadere beschouwing herken je  de door hoge bomen omgeven contouren van Kasteel Westhove. In deze zomerresidentie van Middeleeuwse abten uit Middelburg zijn tegenwoordig een klein natuurmuseum en jeugdherberg ondergebracht. In 1913 exposeert Van Heemskerck haar werk in de grote Berlijnse Erste Deutsche Herbstsalon, samen met avant-garde kunstenaars als Kandinsky, Marc, Leger, Chagall en vele anderen, waarmee haar keuze voor Duitstalige aanduiding van haar werk verklaard is. Dat Jacoba in Berlijn goed gekeken heeft naar het werk van Wassily Kandinsky wordt niet alleen duidelijk bij het zien van de vormen en kleuren in haar Bild no. 33, Zee met Schepen uit 1915. Onder invloed van Mondriaan had zij ook belangstelling gekregen voor de theosofie. Middels de zeilbootjes verwerkte zij in dit doek een symbolische verwijzing naar de spirituele ontwikkeling van de mens. Ook in de benaming van haar werk is Kandinsky niet ver weg. Een houtsnede uit 1916 duidt zij aan als Compositie XIII. Een expressionistische impressie van de grillig gevormde eikenbomen van de Domburgse Manteling en het schelpenpad achter Villa Loverendale. Ligt daar nu een kind in de voorgrond, vraagt Jacqueline van Paaschen, een van de auteurs van het speciale Aan Zee Magazine zich af? In deze rood-zwarte op de buik liggende dubbelfiguur meen ik  een droombeeld van de vriendinnen Marie en Jacoba te zien.
Prachtig is ook haar Bild no. 25, met een impressie van een Zeeuws duinlandschap. In de witte vormen in de voorgrond, herkent de opmerkzame waarnemer de kappen van Zeeuwse meisjesmutsen.

Heemskerck, Bild. no 25
Jacob van Heemskerck, Bild no. 25, Gemeentemuseum Den Haag

Dat kunstenaars niet alleen in Zeeland door zon, zee en licht werden aangetrokken is te zien in de gelijktijdige expositie De Haagse School op Scheveningen (te zien tot 16 september). Jan Hendrik Weissenbruch, Anton Mauve en de gebroeders Maris lieten zich inspireren door het eenvoudige vissersleven en de opkomende badcultuur. Weergegeven in een boeiende samenspel van lucht, water en licht dat zich ook ‘op’ Scheveningen manifesteert!

In een speciaal zomers Magazine worden beide exposities uitvoerig besproken. Hierin ook aandacht voor de Zeeuwse foto-reportage, die Stefan Vanfleteren op uitnodiging van het Gemeentemuseum maakte. Wonderlijke detailopnames van een gerimpeld water oppervlak, wuivend riet en de bomen van Jacoba van Heemskerck met een lange sluitertijd vastgelegd in diffuus licht.

Gemeentemuseum Den Haag; Aan Zee

http://uitdekunstmarina.nl/de-ontdekking-van-mondriaan

 

 

Shelter; a contemporary intervention. Zomertentoonstelling Museum Catharijneconvent t/m 9 September

Zaalimpressie kloostergang met werk van Danh Vo en Kerry James                                                             
                                                                                                                                               Wie als regelmatige bezoeker de doorgaans verstilde expositiezalen van het Catharijneconvent betreedt kan deze zomer zijn ogen waarschijnlijk niet geloven! In de Catharinazaal en Schatkamer vallen de zogenoemde ‘interventies’ met eigentijdse kunst uit de tentoonstelling
Shelter, a contemporary intervention nog niet direct op. Dat wordt anders in de bovenzalen.
Hanson in het Catharijneconvent
De Refter van Museum Catharijneconvent met op de vloer Derelict Woman (1971) van Duane Hanson (coll. Centraal Museum Utrecht)

In de Refter ontmoet ik een oude bekende. Duane Hansons Derelict woman uit 1973. Wist ze mij in de Drentse expositie the American Dream, ter illustratie van de keerzijde daarvan al te raken, hier in het voormalige gasthuis van de Johannieters, is de confrontatie nog groter. Liggend onder een 16e eeuws beeld van de gekruisigde Christus, die volgens de leer voor de zonden der mensheid is gestorven, vraag je je af of deze zwerfster de liefde van God nog gaat meemaken.

Serie Anti Drone Tenten (2013) van Sarah van Sonsbeek

De zomerexpositie in Museum Catharijneconvent is genoemd naar goudkleurige shelters van Sarah van Sonsbeeck, gemaakt van folie dekens die bootvluchtelingen tegen onderkoeling krijgen aangereikt. Haar Anti Drone Tent beschermt de vluchtende mens eveneens tegen herkenning met infra rood vanuit drones. Door de vorm en het materiaal verwijst de tent tegelijkertijd naar geborgenheid en opvang in hedendaagse vluchtsituaties en de oorspronkelijke functie van het Catharijneconvent. Het 16e eeuwse klooster herbergde een gasthuis voor zieken, armen en daklozen.

De hedendaagse kunstwerken van o.a. Daan van Golden, Danh Vo, Marlene Dumas, Frank Ammerlaan en Damien Hirst onderbreken de verstilde sfeer van het Catharijneconvent, waar de geschiedenis van het christendom in Nederland wordt verteld. Ze vormen een schakel tussen verleden en heden.

Voor deze bijzondere expositie hebben het Centraal Museum en het Catharijneconvent de handen ineen geslagen. Aanleiding vormt het 550 jarig bestaan van het oude kloostergebouw. Met haar geschiedenis alleen al kan een boek worden gevuld. Karmelieten moesten hun in aanbouw zijnde klooster in 1528 op last van keizer Karel de V afstaan aan Johannieters. Leden van deze orde moesten hun  klooster annex gasthuis op het Catharijneveld verlaten om plaats te maken voor de bouw van kasteel Vreedenburgh. In het nieuwe Catharijneconvent richtten de Johannieters wederom een gasthuis in. Na de oprichting van de Utrechtse medische faculteit in 1636, kwam de eerste hoogleraar Willem Stratenus hier al met zijn studenten voor ‘bedside-teaching’, waarmee het fundament werd gelegd voor het Utrechtse Academische ziekenhuis. In later tijd fungeerde het Catharijneconvent o.a. als passantenhuis voor soldaten en vonden Belgische refugiés hier tijdens WO I onderdak. Sinds 1979 tenslotte vinden door ontkerkelijking overbodig geworden christelijke objecten hier een veilig onderkomen. Het Catharijneconvent was en is a real shelter.

De tentoonstelling  is samengesteld door Bart Rutten, directeur van het Centraal Museum. In 1997 zag hij in Chicago een expositie waarin kunst uit verschillende culturen in dialoog was opgesteld. Leidraad vormde de behoefte van de mens ‘om een staat van religieuze extase te bereiken’. De huidige expositie is hierop geïnspireerd en ingericht rond de vraag hoe kunstvoorwerpen functioneren en hoe deze ons bewustzijn aanspreken.

Wat doet kunst met je?

Aan kunst kun je plezier beleven, kunst kan je verrijken en aanzetten tot nadenken. Kunst kan je ontroeren en zelfs in vervoering brengen, maar kunst kan ook irritatie of woede opwekken. In een recente publicatie, Kunst is om te huilen beschrijft Anton Erftemeier deze effecten. In deze expositie kom je alle in dit boek beschreven gemoedstoestanden tegen.

Soms worden we door kunst geraakt zonder precies te begrijpen waarom… Niet het verstand maar het gevoel neemt de leiding. Zelf had ik dat bij een van de 20e eeuwse objecten: een lege doos met titel: The book of 100 Questions van James Lee Byars uit 1969. Bij de uitleg waarvan ik mij enigszins bij de neus genomen voelde. Too many questions, denk ik; dit is in een jaren ’70 populaire term zo would be !

Intuïtie vormde ook voor Rutten de leidraad bij zijn object keuze; resulterend in een expositie die uit twee delen is opgebouwd. Rutten combineerde werken uit de vaste collectie van het Catharijneconvent met modern en eigentijds werk van zijn eigen museum en bruikleengevers.

The Altar, Damien Hirst, Centraal Museum
The Altar (2005), Damien Hirst, Coll. Centraal Museum Utrecht, foto: Mike Bink

Bij verschillende werken bestaat een link tussen kunst en religie. Nu eens is religie ver weg, dan weer ervaart de bezoeker een associatie met het geloof, soms ook is religie duidelijk aanwezig. De bedoeling van het plaatsen van moderne kunstwerken in deze historische omgeving is de aandacht van de beschouwer tot nauwkeuriger kijken te prikkelen.

Damien Hirst’s altaar met een kruis en met pinnen doorstoken (heilig) hart uit 2005, opgesteld nabij twee 17e eeuwse altaarstukken van Abraham Bloemaart, past naadloos in de historische kloosteromgeving.

Hier verbaast de bezoeker zich wellicht over de  combinatie van gebruikelijke en ongebruikelijke objecten. Een kruis, ingelegd met gekleurde stenen, die bij nadere beschouwing pillen blijken te zijn. Een schedel als memento mori en een uitvergrote pijnstiller….Intrigerend, maar wat wil de kunstenaar hiermee zeggen? Verwijst die pil naar Karl Marx overtuiging: …Religion ist das Opium des Volkes? De bezoeker mag het zelf invullen.

Pieter d’Hont, Het Gesprek 1960

In de Utrechtzaal sluit een beeldengroepje toepasselijk aan bij de subtitel van de tentoonstelling: een dialoog tussen twee roomskatholieke geestelijken, vervaardigd door ‘stadsbeeldhouwer’ van de vorige eeuw Pieter d’Hont (1917-1997). Als student gingen wij in de jaren ’80 op excursie naar zijn atelier in bolwerk Manenburg. De groep is een hommage aan de door de beeldhouwer bewonderde paus Johannes XXIII, hier nog weergegeven in zijn hoedanigheid van kardinaal Angelo Roncalli, in gesprek met de toenmalige aartsbisschop van Florence, Elia Dellacosta

Aan het begin van de opstelling biedt Daan van Goldens Kompositie uit 1971 in de Catharinazaal een mogelijkheid tot  associatie met de ruim 400 jaar oude florale motieven in het gebedenboek van Beatrijs van Assendelft, links daarvan opgesteld. En, je zou er zo aan voorbij lopen, even naar rechts hangt nog een werk van Van Golden: Sleeping Buddha. Een collage uit 1975, opgewerkt met pareltjes en bloedkoraal. Qua techniek en onderwerp geheel passend in de ontstaanstijd. In de jaren ’70 keerden velen de traditionele westerse kerken de rug toe. In de zoektocht naar gemoedsrust en antwoorden op levensvragen richtte menige westerling zich op Oosterse religies en meditatietechnieken. Nu zie je overal boeddha beeldjes maar Daan van Golden was een van de eersten die zich, na zijn verblijf in het Verre Oosten, door het boeddhisme liet inspireren. Ook de geschilderde bloemmotieven vinden daar hun oorsprong. Voor zijn Kompositie vormde Japans pakpapier de inspiratiebron. Al associërend kwamen mijn gedachten uit bij de kleurrijke florale motieven in de marmeren Moghul paleizen, zoals de Taj Mahal.

Kompositie, 1971, Daan van Golden, collectie Centaal Museum Utrecht
Taj Mahal, Agra, India bloemmotief

Achterin in de volgende ruimte, de Schatkamer, staat eenzaam tussen de sacrale gewaden, een profaan mini jurkje van sleetse geborduurde Chinese zijde met aan de bovenzijde een modern rafelrandje. Een creatie van couturier Jan Taminiau, wiens werk t/m  28 augustus in het Centraal Museum te zien is. Hij knipte het model, dat hij Passe Partout noemde, in 2008 uit een oud kazuifel van een processiebeeld.

Zuster Majella Hoppenbrouwers met ingelegde schedel op schoot uit The New Dress van Roy Villevoye en Jan Dietvorst

Al eerder was in het Catharijneconvent videokunst te zien, zoals Bill Viola’s The Greeting tijdens de Maria tentoonstelling vorig jaar. Nu wordt The New Dress (2016) getoond, een ontroerende film van Roy Villevoye en Jan Dietvorst over het leven van zuster Majella Hoppenbrouwers, die als jonge vrouw naar Papoea-Nieuw-Guinea vertrok. Op een foto zien we de nu 90 jarige missiezuster, geportretteerd in een remake van de nieuwe luchtige jurk, die zij zich voor haar werk in de tropen liet aanmeten. Op haar schoot omklemt ze een met kraaltjes versierde kop gesneld door mannen onder wie zij in de vijftiger en zestiger jaren het woord van God verkondigde. De film zoomt in op de trofeeën van de trotse koppensnellers. Damien Hirst’s met diamanten bezette (afgietsel van een) schedel For the love of God, uit 2008, zou in deze sectie van de tentoonstelling niet misstaan.

Tegelijk met Shelter wordt de nieuwe opstelling van Rembrandt en de Gouden Eeuw gepresenteerd. Bijbelschilderkunst uit de vaste collectie in samenspraak met eigentijdse deels op de bijbel geïnspireerde kunst. Op de begane grond van de westelijke kloostergang krijgt de bezoeker hiervan vast een voorproefje. Een interessante juxtapositie van het vroeg 17e eeuwse portret van dominee Willem Thielen, wiens molensteenkraag zich spannend verhoudt met Ad Dekkers Op-Art Variatie op cirkels no. III uit de jaren zestig.

Ad Dekkers, Variatie op Cirkels no III, in samenspraak met Molensteenkraag van dominee Willem Thielen.

Ook de combinatie Jewish Girl uit 1986 van Marlene Dumas naast Salomon de Brays Jaël, Debora en Barak uit 1635 in de kloostergang boven nodigt uit tot aandachtig kijken. De oudtestamentische heldin Jaël, eveneens een Joods meisje, kijkt de beschouwer over de eeuwen heen indringend aan. Een op het eerste gezicht wellicht wat raadselachtige voorstelling, maar als je goed kijkt zie je een tentpin met, nauwelijks waarneembaar, enkele druppels bloed. Het corpus delicti, waarmee Jaël de vijandige legeraanvoerder Sisera heeft gedood. Mooi voorbeeld van een zogenoemd historiestuk, het genre dat in de 17e eeuw door kunstcritici het meest gewaardeerd werd. Waarom?

Om de voorstelling te begrijpen is kennis nodig. Historieschilders kozen een dramatisch moment uit een mythologisch, historisch of bijbels verhaal, waarvan de betekenis alleen begrepen kan worden door iemand die het verhaal kent. In dit geval het bijbelboek Richteren, hoofdstuk 4. Voorafgaand aan de confrontatie tussen Israeliëten en Kanaänieten voorspelt de profetes Debora dat de vijandige legeraanvoerder niet zal worden gedood door die van de Israëlieten, Barak, rechts in beeld, maar door een vrouw. De voorstelling bewijst haar gelijk en verraadt tevens invloed van de Italiaanse meester Caravaggio, aan wie het Centraal Museum dit najaar een grote tentoonstelling wijdt. Kenmerkend voor diens navolgers is het inzoomen op halffiguren, waarin vaak het contrast tussen jong en oud wordt benadrukt, belicht in een dramatisch chiaro-scuro. De zogenoemde Utrechtse Caravaggisten zijn eveneens bedreven in het treffend weergeven van stofuitdrukking: het zachte incarnaat van Jaëls borsten, de soepele stof van haar openhangende keursje (waarmee ze haar slachtoffer eerder wist te verleiden) naast de harde structuur van Baraks wapenrusting.

Marlene Dumas, The Jewish Girl, 1986, Collectie Centraal Museum Utrecht
Samuel de Bray, Jael, Deborah en Barak, 1635

Dwalend door de museumzalen zie ik behalve schilderijen ook ‘sculpturen’, zoals 3 zuurstofflessen van Sarah van Sonsbeeck.  Alleen het verhaal achter dit materiaal kan boeien. Eilandbewoners van Tristan da Cunha, die dergelijke flessen als gong gebruikten brachten Van Sonsbeeck op het idee voor deze installatie. De kunstenares nam er een mee en liet er een paar in brons namaken. Door ze vervolgens te laten stemmen, kregen de saaie flessen een bijzondere meerwaarde. Wanneer deze met een hamer worden aangetikt klinkt het volgende akkoord: Es, D, G, waarmee het kunstwerk ineens helemaal binnen de kloostermuren past: de beginklanken van Bachs’ Soli Deo Gloria!

Mooi gemaakt, maar eveneens raadselachtig is het roodkoperen beeld van de Vietnamese kunstenaar Danh Vo, die als bootvluchteling naar Nederland kwam. Waar dit werk mij aan doet denken?

Vo_we the people
Danh Vo, We the People (detail), 2011-2014. The Ekard Collection

Aan de manier waarop de onderdelen van vliegtuigvleugels met klinknagels zijn vastgezet, zoals ik met een zitplaats boven de wing vaak heb gezien. En waar zou je dan naar toe vliegen, vraagt de rondleidster met wie ik meeloop. Nou, bijvoorbeeld New York. Helemaal goed, want hier staat het beeld waarvan deze sculptuur -in replica- een onderdeel is. Van de 250 delen die de kunstenaar tussen 2011 en 2014 kopieerde en wereldwijd verkocht, is dit een fragment. Voor wie het niet direct voor zich ziet: u kijkt hier naar een plooival in het gewaad van het Amerikaanse Vrijheidsbeeld. De titel: We the People verwijst naar de beginregels van de Amerikaanse Grondwet. Ook dit werk, dat immigranten bij aankomst in de VS zien, past goed in het voormalig gasthuis. Voor de kunstenaar, die zelf ooit vluchteling was, staat het beeld tevens voor het begrip vrijheid.

Uit de spullen van Danh Vo’s vader hangt in de grote zaal een in schoonschrift gekopieërde brief. Op zich niets bijzonders, zo’n ingelijst stuk papier, maar wanneer je kennis neemt van de inhoud krijg je kippenvel. Aan de vooravond van zijn executie schreef de Franse missionaris Jean-Theophane Venard (1829-1861) de volgende woorden aan zijn vader: .. ‘Wij zijn allemaal bloemen …. welke God plukt in zijn eigen tijd’ ….

Kunst kan op onverwachte momenten ontroeren.

De brief hangt in de grote tentoonstellingszaal, waar ook de met goudverf beklede zadeldeken van Janis Rafa Cover Blue with Red stripes (2018) te zien is en haar film, waarin een  boom wordt begraven (…).

Copper Ribbon_Carl Andre
Carl Andre, Copper Ribbon, 1969, Museum Kröller Möller, Otterlo

In deze ruimte kreeg Bart Rutten de gelegenheid een persoonlijke creatie toe te voegen. Carl Andre overhandigde hem een koperen strip, die hij in een door hemzelf gekozen vorm mocht neerleggen. Aan deze interessante interactie tussen kunstenaar en tentoonstellingsmaker, leverde een onoplettende bezoeker onbedoeld ook nog een bijdrage, waarna het beschadigde object werd verwijderd.

Ammerlaan Untitled
Frank Ammerlaan, Untitled, 2018, Met dank aan Frank Ammerlaan en Upstream Gallery

Elders in de opstelling hangt een in mijn ogen wat smoezelig patchworkje van Frank Ammerlaan (1979). Het is gemaakt van oude restjes stof. Kunstig in elkaar gezet, dat wel. Maar boeiend?

Pas toen ik verderop nog even omkeek zag ik het. Een prachtige ogenschijnlijk driedimensionale creatie van sterren!  Het deed me denken aan de verrassende scheppingen van Maurits Escher die t/m 27 augustus te zien zijn in het Fries Museum.

Kerry James Marshall Vignette
Kerry James Marshall, Vignette, 2003, Defares Collectie

Van de geëxposeerde schilderijen is Kerry James Marshall’s Vignette uit 2003 mijn absolute favoriet. Tegen een idyllische achtergrond rent een zwart mensenpaar weg. Het contrast tussen de lieflijke achtergrond en de hard rennende figuren maakt, wanneer je de scène even op je laat inwerken, een grote indruk. Adam en Eva, verjaagd uit het paradijs? Als stripfiguren die zich na het uithalen van kattenwaad uit de voeten maken. Zwart. Letterlijk en figuurlijk. De kapsels laten er geen twijfel over bestaan, maar er is nog een bewijs; kijk maar goed naar het hangertje van de man. Door Rutten -in het licht van de eerste in Afrika levende mens- terecht als geloofwaardiger beschreven dan de ons bekende witte Adams en Eva’s uit de westerse kunstgeschiedenis. Ook los van de bijbelse context nog steeds actueel. Kennen we ze niet allemaal: zwarte momenten, waaruit we zo hard mogelijk zouden willen wegrennen?

Hatterman Pieta
Nola Hatterman, Pieta of Kruisafname, 1949, Collectie Centraal Museum

De Nederlandse actrice en kunstenaar Nola Hatterman koos in 1949 met haar Kruisafneming eveneens voor een destijds als controversieel ervaren, iconografie. In plaats van de blauwogige donkerblonde Jezusfiguren, bekend van andere schilderijen en bijvoorbeeld de film Jezus Christ Superstar. De rol van Judas kon in de jaren ’70 zelfs nog kritiekloos worden toebedeeld aan een zwarte man…

Hatterman vond in Suriname inspiratie voor deze kruisafname van een zwarte Jezus. Rutten plaatst haar naast een Kruisiging door Pieter Lastman uit 1625. Een werk dat qua emotie, hoewel ingetogener, niet onderdoet voor de luid lamenterende Maria’s van Hatterman. In het Catharijneconvent zult u tevergeefs zoeken naar beelden van Maria met een gekleurde huid. Het Catharijneconvent bezit de Zwarte Madonna van Frans Franscicus uit 2001 maar deze is momenteel niet te zien.

Het bovenstaande is een impressie van een alleszins indrukwekkende tentoonstelling, waarmee het Catharijneconvent haar wellicht wat brave imago heeft afgelegd!

Museum Catharijneconvent: Shelter

Wayne Thiebaud: een retrospectief, verlengd tot en met 28 oktober in Museum Voorlinden, Wassenaar.

Museum Voorlinden, Wassenaar

Tijdens een tropische dag in de duinen van Wassenaar maakte ik kennis met Wayne Thiebaud, wereldwijd bekend, maar niet in Nederland. Met deze zomertentoonstelling -de laatste van een drieluik over Amerikaanse eigentijdse kunst- brengt Museum Voorlinden hier feestelijk verandering in. In de  Bakery Case worden Thiebaud taartjes geserveerd. Deze outdoor coffee corner is geïnspireerd op een onlangs aangekocht gelijknamig werk van de kunstenaar.

Bakery Case in de tuin van Museum Voorlinden
Wayne Thiebaud, Bakery Case

 

Helaas moest de hoogbejaarde kunstenaar verstek laten gaan, maar directeur Suzanne Swarts en collega Barbara verzorgen een rondleiding langs schilderijen met smaakpapillen prikkelende taartjes en ijsjes, die op een warme dag als vandaag, onder je ogen lijken te smelten! Er hangen impressies van enerzijds ‘ontmenselijkte’, ‘geobjectiseerde’ figuren, zoals Swarts het noemt, en anderzijds bijna bezielde objecten…is dat mogelijk? Ja, bij Wayne Thiebaud kan dat.

De variëteit aan alledaagse onderwerpen is groot: doeken met etenswaren: bananen, meloenen, gebraden haantjes, hotdogs en heel veel taartjes, waarin basisvormen als vierkanten, driehoeken en cirkels veelvuldig figureren. De schilder bewaart kennelijk een goede herinnering aan zijn tijd als bakkersknecht!

Ook zijn er vervreemdende typisch Amerikaanse landschappen, maar heel anders dan bijvoorbeeld de landscapes van Robert Birmelin. Deze waren te zien in een tentoonstelling over Amerikaans realisme in het Drents Museum. Birmelin schilderde deze naar Caspar David Friedrich in het licht van de ondergaande zon in een monochroom palet, terwijl Thiebaud bijna kleur tekort komt in zijn uitbundig aangelichte coloriet. In Assen werd zichtbaar gemaakt dat realisme in de kunst in de na-oorlogse jaren naast het Abstract Expressionism, springlevend bleef. Ook Thiebaud, die het dagelijks leven eveneens tot kunst verheft, was daar te zien. Op het eerste gezicht zou je hem tot de Pop Art rekenen, maar bij nadere beschouwing wordt zijn heel eigen signatuur zichtbaar. Kenmerkend voor zijn schilderijen met banketbakkerswaren zijn de pasteltinten die Thibaud rijkelijk aanbrengt.

Pop Art kunstenaars als Andy Warhol, Richard Estes en Ralph Goings daarentegen werkten met een vlijmscherpe toets, waarbij de glad opgebrachte kleuren duidelijk afgebakend zijn.

Of hij nu smakelijk ogende taartpunten schildert, welhaast likbare ijsjes of figuren als objecten, Thiebaud tovert met kleur!  De kleurrijke verf ligt er laag voor laag dik en bijna sculpturaal bovenop. Zelfs het zwart in het paar Churchill schoenen van Joop Caldenborgh, dat Thiebaud speciaal voor de oprichter van museum schilderde, is opgebouwd uit bijna alle kleuren van de regenboog! Met een knipoog naar dit bijzondere kleurgebruik verkoopt de museumshop een likbaar palet in de vorm van grote regenboog lollies, die je ook in Thiebauds Candy Counter terugziet.

De kleuren die wij in het dagelijks leven om ons heen zien zijn, al is dat niet direct waarneembaar, afhankelijk van de belichting door zon- of kunstlicht opgebouwd uit veel verschillende kleuren, aldus Thiebaud. Ook schaduw speelt daarbij een rol. Zelfs ogenschijnlijk donkere schaduwpartijen bevatten kleur. Geraffineerd is de manier waarop Thiebaud bijvoorbeeld in de voorzijde van de Bakery Case diepte suggereert door met een enkele koningsblauwe lijn schaduw te creëren bovenaan het witte schot van de toonbank.
Over het fenomeen schaduw heeft Thiebaud veel nagedacht. … ‘In the shadow everything happens’’Als je in het zonlicht staat en naar een schaduw kijkt, vallen je naarmate je langer staart, steeds meer verschillen op. Men begint de kleurcompositie waar te nemen, dat de randen een andere kleur hebben dan het binnenste deel: dat je de randen van de randen kunt zien.’…                                                   

Zo speelt schaduw in veel van Thiebauds werk een rol. Zijn  bespiegelingen nodigen uit tot goed kijken, en maken de toepassing van slow art, in deze tentoonstelling tot een ware belevenis!

Wayne Thiebaud, Two seated figurs
Wayne Thiebaud, Green dress

Deze bijzondere werking van kleur- en licht-schaduw zie je ook in de Green dress (1996) met beeltenis van een roerloos weergegeven meisje, waarin de schilder met veeg groen op de wang, in de zoom van de jurk en langs de stoelpoten schaduw suggereert. Dezelfde werkwijze is zichtbaar in het beklemmende portret van een man en een vrouw, Two Seated Figures uit 1965, die ook al zitten ze dicht naast elkaar, overduidelijk mijlenver van elkaar verwijderd zijn.

Naar eigen zeggen wordt de 97-jarige nog dagelijks werkende kunstenaar geïnspireerd door oude en moderne meesters als Rembrandt, Vermeer, Velazquez, Cézanne, Willem de Kooning en Edward Hopper. Verwantschap met deze laatste is duidelijk in hun beider vervreemdende, geïsoleerd weergegeven figuren. Solitair, met z’n tweeën of in een groepsportret, zoals Five Seated Figures uit de 60-tiger jaren, dat bij mij associaties oproept met de acteurs van de destijds populaire soap Peyton Place.

Mooi en echt jaren ‘60 is het portret van  Betty and Book (1965-69) uit het Crocker Art Museum. In het voor haar openliggende boek meen ik het portret van één van Thiebauds inspiratiebronnen te herkennen: Cézanne.

Wayne Thiebaud, Girl with Icecream Cone, 1963. Smithsonian Institute, Washington.
Wayne Thiebaud, Betty and Book, 1965-1968

Indrukwekkend zijn de statische in badkleding geportretteerde figuren uit het ‘Beach Boys’ tijdperk. De band opereerde evenals de schilder in California. Thibauds figuren staren uitdrukkingsloos voor zich uit. Een enkele keer meen ik een licht erotische implicatie te bespeuren, zoals in het frontaal, wijdbeens neergezette meisje, dat gretig aan een ijsje likt.

Anders dan bij Hopper staan Thiebauds figuren afgetekend tegen een wit vlak, zonder achtergrond, waardoor deze alle aandacht krijgen.

 

Wayne Thiebaud, reservoir, 1999

Nog even terug naar de Amerikaanse landschappen. Afgezien van de uitgestrektheid zijn de verschillen met Robert Birmelin groot. Deze beperken zich niet tot het kleurgebruik, maar betreffen ook het bij Birmelin (fotografische) realiteitsgehalte. Thiebauds landschappen lijken droombeelden, waarin hij compositorisch stunt met deels abstraherende landschappelijke elementen, waterpartijen en vreemde perspectivische vertekeningen. Thiebaud liet zich hierin inspireren door Piet Mondriaan en Willem de Kooning; de laatste kende hij persoonlijk. De verificatie van deze bewering beveel ik graag aan voor zelfstudie!

Wayne Thibaud, Towards 280, 2000. Wayne Thibaud Foundation
Robert Birmelin, Landscape: Homage to C.D.Friedrich, 1979, William Louis Dreyfus Foundation, Mt. Kisco NY

 

 

Wanneer Amerika in de ban is van het Abstract Expressionisme kiest Wayne Thiebaud -op eigen kracht, hij is autodidact- voor figuratie. Aanvankelijk is hij werkzaam als reclame tekenaar en cartoonist; steeds  op zoek naar een perfect uitgebalanceerde weergave. De naklank hiervan is nog zichtbaar aan de manier waarop hij een outline neerzet, die hij met complementaire kleuren invult. Een contour als een welhaast iriserend lijntje vormt de finishing touch aan de afgebeelde taartjes,  waarmee de laatste zaal als toegift van deze tentoonstelling gevuld is.

Thiebaud, Bridal cake
Thiebaud, Ice cream cones

 

 

 

 

 

Onbekend in Europa, maar beroemd en gewaardeerd in de VS. Als universitair docent aan de University of California gaf Thiebaud jarenlang zijn artistieke visie door aan jongere generaties. In 1994 werd hij gelauwerd met de hoogste onderscheiding op kunstzinnig gebied: de National Medal of Arts.

Een interessante en leuke tentoonstelling in een mooi museum, prachtig gelegen  in de duinen bij Wassenaar. Een bezoek waard!

Link: Museum Voorlinden, Wayne Thiebaud