Caravaggio-Bernini. Vroege barok in Rome. Rijksmuseum, Amsterdam tot en met 13 september 2020

Gian Lorenzo Bernini, Medusa, Rome, 1638–1640, Rome, Musei Capitolini, Palazzo dei Conservatori

Nederlandse musea die de naam van een beroemde kunstenaar als publiekstrekker ‘ijdel’ gebruiken kregen tot voor kort de volgende kritiek: 

’Voor Velazquez moet je in Madrid zijn, voor Caravaggio in Italië’….

Dit verwijt kun je de samenstellers van de tentoonstelling Caravaggio & Bernini niet maken. Zij zijn respectievelijk met twaalf en dertien werken aanwezig. Van Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) is ook nog een zelfportret te zien.

Gelukkig had ik voor sluiting van de musea nog de gelegenheid diverse voorjaarstentoonstellingen te zien, zodat u deze via mijn besprekingen toch kunt bezoeken. In dit stukje neem ik u mee naar de tentoonstelling over de vroege barok in Rome met werk van Caravaggio, Bernini en tijdgenoten. Op de drempel van de 17e eeuw vond in Rome een revolutie op artistiek gebied plaats. Voor het weergeven van Jezus, Maria en katholieke heiligen introduceerde Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) een ongebruikelijke realistische stijl, waarin zij getoond werden als doodgewone mensen. Niet iedereen was gecharmeerd van zijn ongepolijste stijl. Verschillende Romeinse prelaten erkenden Caravaggio’s talent, maar zeiden ze:…’hij misbruikt het!’…Toch vond zijn vormentaal veel navolging. Zoals de bezoekers van de tentoonstelling Utrecht, Caravaggio en Europa uit 2019 zich vast nog herinneren. Fris uw geheugen op met de bespreking in mijn archief.  

In de reeks internationaal georiënteerde duo-exposities, biedt het Rijks na Rembrandt-Velazquez, nu een podium aan Caravaggio, Bernini en tijdgenoten. Schilderijen en sculpturen worden op verrassende wijze gecombineerd. Evenals de figuren van Caravaggio worden ook Bernini’s marmeren portretbustes en grotere sculpturen gekenmerkt door een naturalistische touch, emotie èn nonchalance.

Zaalimpressie Tentoonstelling Caravaggio en Bernini in Het Rijksmuseum, Amsterdam Foto: Olivier Middendorp

Het Italiaanse vormgevers duo Formafantasma heeft rust gebracht in de presentatie van de uiterst beweeglijke, barokke objecten. In de witte museumzalen kozen zij als draagvlak voor de getoonde kunstwerken een daarmee corresponderende- òf contrasterende tint: okergeel, roestbruin, perzik, blauw-grijs en een niet makkelijk te benoemen rose tint. Wanneer ik Simone en Andrea om de exacte kleur vraag denken ze even na om zich er -ze weten het ook niet- lachend van af te maken: just pink!

Toen de katholieke kerk tijdens de voortschrijdende reformatie terrein verloor werden tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) maatregelen genomen om het tij te keren. Naast hervormingen binnen de bestaande kerk zagen kerkleiders in de beeldende kunst mogelijkheden om gelovigen voor de moederkerk te behouden en afgedwaalde schapen terug te lokken. Zo ontstond de prachtlievende kunststroming, die als de Barok de geschiedenis is in gegaan; vernoemd naar een grillig gevormde parel: de barocco.

Directeur Taco Dibbits noemt de universele drijfveer achter het ontstaan van barokke kunst: …. emotie

Caravaggio en Bernini voegden aan die soms wat zoetgevooisde vormentaal een aardse component toe. Met een rauw realistische toets trachtte Caravaggio de toeschouwer emotioneel aan te spreken; Bernini deed dat middels zijn naturalistische beeldtaal.

De tentoonstelling trok eerder in het Weense Kunsthistorisches Museum 340.000 bezoekers. Door de Covid-crisis zal dat aantal in Amsterdam nooit bereikt worden. Daar helpt geen lieve Sint Corona meer aan. Deze martelares uit de 2e eeuw wordt op meerdere feestdagen herdacht: 20 februari, 24 april, 14 mei en 18 september. De kans dat één van deze data profetische betekenis zal krijgen voor het einde van deze crisis lijkt te vervliegen….

We beginnen ons virtuele bezoek aan de tentoonstelling met een Italiaans lesje. De expositie is ingericht naar de volgende thema’s:  
Meraviglia & Stupore, Orrore & Terribilità, Amore, Visione, Passione & Compassione, Moto & Azione, Vivacità, Antichità & La gran Maniera greca en Scherzo. Ook zonder kennis van het Italiaans zijn de Engelse equivalenten met gemak herkenbaar.                                                                                          
In de sectie Meraviglia & Stupore wordt ik inderdaad op verbazingwekkende wijze getroffen door Caravaggio’s Narcissus uit 1601.

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Narcissus, ca.1600, Gallerie Nazionali d’Arte Antica, Palazzo Barberini, Rome

De manier waarop de schilder dit droevige verhaal uit Ovidius Metamorfosen in beeld brengt is illustratief voor Caravaggio’s vernieuwende realistische stijl. Zonder landschappelijke achtergrond zoomt hij in op de beeldschone jager die, nadat hij haar had afgewezen, door de wraakgodin Nemesis gedoemd is tot eeuwige eigenliefde. Bij het aanschouwen van zijn in het water gereflecteerde gelaat, wordt hij verliefd op zichzelf. Wanneer hij zijn spiegelbeeld tracht te omarmen belandt hij in de koele meren des doods.

In zijn toelichting neemt conservator Frits Scholten zijn gehoor middels een dia even mee naar Caravaggio’s schilderijen in de Contarelli kapel in de San Luigi dei Francesi in Rome, waar de evangelist Mattheus opgeschrikt door de engel, een krukje omver stoot. Dit detail, dat ik voor zelfstudie aanbeveel, werd door de beeldhouwer Mochi met een knappe kunstgreep in marmer overgenomen in diens Annunciatie uit de kathedraal van Orvieto. Een vroeg voorbeeld van het nieuwe realisme dat zich in de eerste helft van de 17e eeuw in Italië manifesteert.  

In de tentoonstelling is te zien dat het niet bleef bij hier en daar een ontlening. Naar het antieke gebruik van emulatio probeerden kunstenaars elkaar op artistiek gebied te evenaren of te overtreffen. De 16e eeuwse kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari memoreert een uit de hand gelopen  voorbeeld tussen de schilders Giovanni Baglione en Caravaggio. In opdracht van kardinaal Benedetto Giustiniani trachtte Baglione met zijn in de expositie aanwezige Amor Sacro e amor profano in 1602 een werk dat Caravaggio voor Benedetto’s broer Vincenzo had geschilderd, te overtreffen. In chiaro-scuro gemodelleerd neemt Baglione de uitdagende houding van Caravaggio’s engel uit diens Amor Vincit Omnia in de Gemäldegalerie Berlijn, over. Naar eigen zeggen beeldde hij de goddelijke liefde uit, terwijl Caravaggio meer doelde op de aardse (volgens sommigen homo erotische) liefde. De gelijkenis met Caravaggio’s werk was overduidelijk en gaf indertijd aanleiding tot spotverzen. Baglione diende een aanklacht in, waarna Caravaggio, die daar een aandeel in had, werd opgepakt.

Giovanni Baglione, Goddelijke en aardse liefde, Rome ca.1602, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn

Caravaggio was een vernieuwer. De expositie laat zien dat veel tijdgenoten bij hem de kunst afkeken, zoals Guido Reni en Manfredi. In hun bijdragen zijn echo’s van Caravaggio’s sensuele naakte jongelingen te zien, zoals in verschillende door hem geschilderde versies van Johannes de Doper.

Onder de noemer Affetti, doorgaans gebezigd voor positieve gevoelens van genegenheid, worden in de tentoonstelling ook werken met negatieve emoties getoond, zoals Caravaggio’s, Jongen gebeten door een hagedis. Close-up schilderde Caravaggio het van pijn vertrokken gelaat van een aanstellerige jongeling. Geweldig om dit veelvuldig gereproduceerde werk in het echt te zien!

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Jongen gebeten door een hagedis ca. 1597-1598, Fondazione di Studi di Soria dell’Arte Roberto Longhi, Florence

Rond het midden van de 17e eeuw experimenteert Bernini ook met soortgelijke geëmotioneerde gelaatsuitdrukkingen, zoals in zijn fantastische kop van een verdoemde, de Anima Dannata, in het Palazzo di Spagna en de vier groteske koppen in de sectie Scherzo. Voor een waarheidsgetrouwe afbeelding van een van pijn vertrokken gelaat, bestudeerde Bernini zijn spiegelbeeld terwijl hij zich opzettelijk aan een paar gloeiende kolen brandde.

Gian Lorenzo Bernini, groteske mannenkop, 1650-1655, Part.coll. Rome

Anders dan de overlevering wil, vervaardigde Bernini deze koppen niet voor de koets van Paus Innocentius X, maar voor zijn eigen rijtuig. Op weg naar de Piazza Navona, waar op 12 juni 1650 zijn Fontana dei quattro fiumi zou worden onthuld, moesten deze kwaaie koppen de voorbijgangers waarschuwen om aan de kant te gaan!

Ook interessant is Bernini’s uit marmer gehouwen kop van de Medusa, dat gekozen werd als campagnebeeld. Anders dan de gebruikelijke afschuwwekkende afbeeldingen van de met een kop vol kronkelende slangen gestrafte (voorheen mooie) Medusa, zoals die van Caravaggio in de Uffizi, wekt Bernini’s droevige Medusa veeleer medelijden.

In de themazaal Orrore & Terribilta wordt het nog erger. Was eerder sprake van de doelstelling de beschouwer emotioneel aan te spreken; de nu getoonde beelden moeten hen schrik aan jagen. De indrukwekkende, gekwelde soms schuldbewuste koppen zijn ook veelal geïnspireerd op  Caravaggio’s voorstellingen van David met het hoofd van Goliath, die ook in de Utrechtse Caravaggio tentoonstelling te zien waren.

Met het thema vivacita gaat de tentoonstelling verder met levensechte geschilderde en gebeeldhouwde portretten. Zoals Francesco Mochi’s, marmeren kop van een Jongeling uit Chicago.

Francesco Mochi, Bust of a Youth (Saint John the Baptist), Chicago (IL) Art Institute of Chicago

Bernini, Scipione Borghese, 1632

Blikvanger in deze ruimte is het bijzonder realistische marmeren busteportret van kardinaal Scipione Borghese, dat ik even aanzag voor een werk van Bernini. Mijn vergissing blijkt niet zo gek: het werk is van Bernini’s tovenaarsleerling Giuliano Finelli, die de kardinaal in zijn versie in de Galleria Borghese op bijna identieke wijze modelleerde. Een goed gelukt geval van emulatio.
Let op de minieme verschillen in details als het plukje haar dat nog net onder de kardinaalsbonnet uitpiept en de bijna tastbare iets opstaande kraag met daaronder de rouches van zijn onderkleed. De levensechtheid wordt nog vergroot door het tijdens het aankleden in kennelijke haast slordig overgeslagen knoopje van zijn soutane!

Giuliano Finelli, Kardinaal Scipione Borghese, 1632, The Metropolitan Museum of Art, dank zij een schenking van Louisa Eldridge McBurney, 1953

Eveneens imponerend is Caravaggio’s Portret van Fra Antonio Martelli (1607-1608), ridder van de orde van Malta. Niet alleen intrigerend wegens het realistische gehalte, maar meer nog wegens het achterliggende verhaal. Nadat Caravaggio Rome in 1605 wegens een moord was ontvlucht belandde hij via Napels op Malta. De grootmeester van de orde Alof de Wignacourt bood de van God losgeraakte schilder niet alleen onderdak en opdrachten, maar liet hem zelfs als lekebroeder toe tot de orde. Even leek het er op dat Caravaggio zijn leven beterde, maar hij verviel in zijn oude fouten en belandde weer achter de tralies. Hij ontsnapt. Achtervolgd door tegenslagen komt hij in 1610 ziek en uitgeput op het strand van Porto Ercole aan zijn einde.

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Fra Antonio Martelli ridder in de orde van Malta, Gallerie degli Uffizi, Florence

In betere tijden maakte Caravaggio het portret van de nog maar 28 jarige kardinaal Maffeo Barberini (1568-1644). Barberini kijkt even op van zijn lectuur. Te oordelen naar het formaat daarvan en het fleurige boeketje ernaast vast geen bijbel, maar eerder liefdespoëzie. Hier komen Caravaggio en Bernini even heel dicht bij elkaar.

In Barberini’s opdracht maakte de 19 jarige Gian Lorenzo Bernini, nog werkzaam in het atelier van zijn vader Pietro, een perfect beeld van de heilige Sebastiaan, dat ook in de expositie aanwezig is. Je hoeft geen kunsthistoricus te zijn om in de houding van Sebastiaan Bernini’s inspiratiebron te herkennen. Voor wie het even niet paraat heeft: Michelangelo’s Pieta uit de Sint Pieter, daterend van 1498-99. Kijk straks ook even naar de houding van Christus in de Bewening van Annibale Carracci, die eveneens naar dit voorbeeld gemodelleerd is.

Fantastisch om al deze werken hier in samenhang te zien. Dat geldt ook voor de talrijke close-up geschilderde (zelf)portretten en genrestukken van Caravaggio en zijn navolgers. In Angelo Caroselli’s Zingende man is invloed van Caravaggio’s musicerende figuren ook niet ver weg.

In navolging van Caravaggio’s Luitspeler in de Petersburgse Hermitage schilderden de Utrechtse Caravaggisten eveneens musicerende figuren, zoals Hendrik Terbrugghen’s luitspeelster uit 1627.

Bernini, detail kraag Thomas Baker

Bernini’s Portret van Thomas Baker (1638). Deze Engelsman, die Rome bezocht om Bernini voor een portretbuste van koning Karel I te charteren, liet zichzelf meteen ook even vereeuwigen! De fraai in marmer gebeitelde kanten kraag doet denken aan geschilderde exemplaren van Rembrandt en Anthony van Dyck. De portretkop is op welhaast lachwekkende wijze bekroond met een wat groot uitgevallen pruik!

Gian Lorenzo Bernini, Bust Thomas Baker (1606-1658) Rome 1637-1638, Victoria en Albert Museum, Londen

Tussen alle geschilderde en gebeeldhouwde objecten valt mijn oog op een bijzonder sculptuurtje van de heilige Veronica dat Francesco Mochi rond 1650 maakte. Afgezien van het tekstbordje wijst niets op haar identiteit. Haar attribuut, de zweetdoek waarmee zij tijdens de kruisweg het gezicht van Jezus afwiste, ontbreekt. Althans op het eerste gezicht. Heel geraffineerd graveerde Mochi deze bijzondere reliek, die tot de huidige dag bewaard wordt in de St. Pieter, aan de binnenkant van haar mantel.

Francesco Mochi, St.-Veronica, 1630/31 -1654, Particuliere Collectie, Engeland

Mochi was niet alleen groot in kleine sculpturen, van zijn hand ziet de bezoeker ook een monumentaal Paard in volle draf , waar de Britse paardenschilder George Stubbs, wiens oeuvre tot 1 juni de verstilde zalen van het Mauritshuis siert, nog jaloers op zou zijn.

Zaalimpressie Francesco Mochi, Paard in volle draf, 1616-1617, Galleria Pallavicini, Rome foto: Marina Marijnen

Onder de noemer Visione, waarmee stervelingen een kortstondige blik in de hemel wordt vergund, ziet de bezoeker o.a. Spadarino’s Christus toont zijn wonden, uit 1630. In reactie op het ongeloof van de discipel Thomas, legt Christus, terwijl hij de beschouwer indringend aankijkt, de vinger op de zere plek. Eerst zien dan geloven.  

Hier ook een reeks in mystieke extase verkerende heiligen. In deze staat van opperste vervoering komen zij nòg een stapje dichter bij God, die de sluier van het hemelse paradijs even oplicht. Hun lichaamshoudingen zijn veelal ontleend aan bijvoorbeeld Caravaggio’s Extase van St. Franciscus.

Ook Bernini waagde zich aan de uitbeelding van deze sublieme geestesgesteldheid. Hèt hoogtepunt van Bernini’s kunnen op dit gebied schittert door afwezigheid. Althans…de recensent van de Volkskrant schreef onlangs dat het lastig zou zijn geweest om de Extase van St. Theresia van Avila uit de Romeinse Cornaro kapel los te beitelen, waarna de auteur het thema laat liggen. Kennelijk heeft hij Bernini’s schitterende model, de zogenoemde videmus dat in de tentoonstelling wèl aanwezig is, over het hoofd gezien. Op kleine schaal, met enkele kleine wijzigingen is in Amsterdam te zien hoe Theresia zich met heel haar hart en ziel overgeeft aan de goddelijke extase.

Gian Lorenzo Bernini, De extase van St.-Theresia van Avila, 1647, Staatsmuseum de Hermitage, St.-Petersburg

In mijn recente impressie van de tentoonstelling Allemaal Wonderen in het Catharijne Convent leest u dat de goddelijke extase van Theresia van Avila ook de 16e eeuwse schilder Giuseppe Bazzani en Marina Abramovic inspireerde.

Deze eerste in terracotta uitgedrukte impressie van de opperste emotie van de mystica is een waar kleinood. In dit kleine presentiemodel is reeds alle emotie aanwezig, die Bernini op ware grootte wist over te brengen

Wanneer een kleine engel haar hart en ingewanden met een vurige gouden liefdespijl penetreert, ervaart de Spaanse non de mystieke eenwording met God. Bij het zien van dit werk zit ik weer in de collegebanken en hoor de lang vervlogen ondeugende opmerking van een sceptische kunsthistoricus:

                           …’if this is godly ecstasy, I know it very well’…

In de tentoonstelling ontdek ik nòg een in extase verkerende vrouw, Maria Magdalena, geschilderd door de enige vrouw in dit mannenbolwerk: Artemisia Gentileschi.

Artemisia Gentileschi, De extase van Maria Magdalena 1620-1625 of 1630-1635
Particuliere Collectie

Zij gaf haar niet weer in de hoedanigheid van boetvaardige zondares met vanitassymbolen en evenmin in aardse, zondige vervoering, maar in goddelijke extase. Zo op het oog is er in de weergave van beide vormen van gelukzaligheid weinig verschil. In 1612 voorzag Gentileschi de godin Danaë van eenzelfde gelaatsuitdrukking, terwijl zij de oppergod Zeus, vermomd in een stroom van gouden regen ontvangt.                                
Maria Magdalena heeft haar reputatie als vrouw van lichte zeden niet aan zichzelf te danken, maar aan een foutje van de laat 6e eeuwse Paus Gregorius de Grote. Tijdens een preek verwisselde hij haar met Maria van Bethanië, de door Lucas in hoofdstuk 7: 36 beschreven boetvaardige zondares. Maria Magdalena, afkomstig uit Magdala, wordt in Lucas 8: 2 e.v. genoemd. Zij was een van de vrouwen die het graf van Jezus leeg aantroffen.

Na dit te hebben rechtgezet staan we op weg naar de laatste zaal nog even stil bij het thema Scherzo. Hier zijn o.a. twee lieflijke beeldjes opgesteld, waarmee vader Pietro en zoon Gian Lorenzo Bernini de toon hebben gezet voor een eindeloze reeks al of niet waterspuwende tuinbeeldjes. Min of meer vrije kopieën van een Putto met een draakje en Putto gebeten door een dolfijn. Tijdens een vakantie in Italië ging ik als kind helemaal mee in de bekoring van mijn inmiddels 90-jarige moeder voor een dergelijk beeldje. Het staat, voorzien van een prachtig patina, nog altijd in haar inmiddels verwaarloosde tuin. 

Via het thema Amore, met verbeeldingen van nog meer aardse en hemelse liefde, waaronder een Courtisane van de Utrechtse Caravaggist Hendrick ter Brugghen, belandden we in de laatste zaal bij het thema La Gran Maniera Greca. Hier is een keur aan geschilderde en gebeeldhouwde classicistische werken te bewonderen, die anders dan wel gedacht wordt, nauw verwant zijn aan kunstwerken uit de Barok. Mooi voorbeeld is Nicolas Poussin’s Bacchanaal voor een herme uit 1633, waar saters en nimfen er, onder invloed van wijn lustig op los dansen. Poussin schilderde deze voorstelling nadat hij in Rome marmeren reliëfs met dergelijke voorstellingen op antieke sarcofagen had bestudeerd. Leuk is het beeld van de sater rechts in de achtergrond, waarvan in de expositie enkele soortgenoten van vader en zoon Bernini te zien zijn.

Nicholas Poussin, Bacchanaal voor een herme, 1632-1633, The National Gallery, Londen

Ook Francois du Quesnoy was een groot liefhebber van oudheden. Van zijn hand ziet de bezoeker een reliëf in verguld brons van een slapende Silenus die door bedrijvige putti met rode kleurstof wordt bewerkt.

Francois du Quesnoy, Slapende Silenus met putti, Rubenshuis Antwerpen
Foto: Marina Marijnen

Behalve met dit kleine modello verrast hij de bezoeker met een monumentaal beeld van een dansende bosgod: de zogenoemde Rondinini faun. Niet alleen interessant door het formaat en de uitstraling, maar ook wegens de  ontstaansgeschiedenis. In de 16e en 17e eeuw werden in Rome steeds meer antieke sculpturen opgegraven, die met hun schoonheid en perfecte proporties  kunstenaars als  Michelangelo, Leonardo, Bernini en zijn leerlingen tot eigen creaties inspireerden.

Zo ook Francois du Quesnoy, leerling en huisgenoot van Bernini. In wiens atelier opgegraven antieke beelden met archeologische precisie, bestudeerd en nagemaakt of zo goed als nieuw gerestaureerd werden, zoals deze Rondinini faun.  

Het vervaardigen van een sculptuur naar antiek voorbeeld was voor Bernini’s leerlingen geen probleem. Het portretteren van een levend model vormde een ander verhaal. Het verhaal gaat dat Bernini zijn leerlingen daarom adviseerde om een levend model met meel te bestrooien. Weliswaar werden deze minder herkenbaar, maar hun eigenaardigheden zouden duidelijker worden, waardoor het karakteriseren van de persoon in kwestie zou worden vergemakkelijkt.

Francois du Quesnoy, Rondini faun, 1630-1635, The British Museum, Londen

Deze prachtig gemodelleerde bosgod danst lichtvoetig over een staf, terwijl hij zichzelf met twee zwaaiende (nee, geen lege wijnschalen) cimbalen begeleidt. In opdracht van Alessandro Rondinini slaagde Du Quesnoy erin om van een gehavende archeologische torso weer een complete antieke man te maken. Een in extase geraakte volgeling van de wijngod Bacchus, wiens metgezellen we ook in Poussins Bacchanaal in actie zien.

Als slotakkoord van mijn impressie heb ik Bernini’s terracottamodel van de triton in de Fontana del Moro op het Piazza Navona gekozen. In dit beeld is alle opgedane kennis uit de bestudering van antieke beelden en de anatomie van het mannelijk lichaam samengebald tot een fantastische barokke creatie van atto en mozione, actie en beweging, aangevuld met emotie en bijzonder actueel: inclusie. De triton draagt de naam die de volksmond hem heeft toebedeeld il moro, met trots!

Bibliografie

L. Helmus e.a., Caravaggio en Europa, Centraal Museum Utrecht. 2018.

S. Weppelmann e.a., Caravaggio & Bernini: vroege Barok in Rome, Rijksmuseum Amsterdam. 2020.

Link: Caravaggio-Bernini. Barok in Rome Rijksmuseum Amsterdam

Link: Allemaal wonderen, Museum Catharijneconvent (gesloten)

Link: Hier, Zwart in Rembrandts tijd, Rembrandthuis (gesloten)

Link: George Stubbs – De man, het paard, de obsessie. Mauritshuis Den Haag

Link: Video met tableau vivant schilderijen van Caravaggio (Youtube)

High Society: Marten, Oopjen & Friends, Rijksmuseum Amsterdam tot en met 3 juni 2018.

 

Marten, Rijksmuseum
Rembrandt van Rijn, Marten Soolmans, 1634, Rijksmuseum Amsterdam

Oopjen, Louvre
Rembrandt van Rijn, Oopjen Coppit,1634, Musee du Louvre, Parijs

Heeft u ze al gezien? Onlangs stond ik eindelijk oog in oog met Marten en Oopjen. Waren deze portretten van Rembrandt alle publiciteit en het geld: 160 miljoen euro, waard? Ja, zonder meer!

Rembrandt, Oopjen detail

Wat een indrukwekkende portretten van dit piepjonge huwelijkspaar; hij 20 en zij 22 jaar oud. Hoeveel tinten zwart zijn na de restauratie wel niet achter het vergeelde vernis tevoorschijn gekomen? Het contrasteert fraai met het wit van Oopjens kraag èn haar blanke gelaat, dat destijds als schoonheidsideaal gold. Alleen boerenvrouwen waren zongebruind. Haar blanke huid wordt echter ontsierd door de ‘blauwe plek’ op haar slaap. Tegenwoordig worden oneffenheden gecamoufleerd maar in de 17e eeuw brachten deftige dames expres een schoonheidsvlekje aan.

Mouwomslag, kant, Oopjen
Rembrandt van Rijn, Detail mouwomslag van Oopjen Coppit, 1634, Musee du Louvre, Parijs

Fraai geschilderd zijn de modieuze platte kragen. De onhandige molensteenkraag was rond 1630 passé. Soms suggereerde Rembrandt (de illusie van) ragfijn kant met witte verf aangebracht op een zwarte ondergrond. Soms werkte hij andersom en schilderde zwarte toetsen op een witte ondergrond, zoals mooi te zien in het detail van een manchet.

Hoe het ook zij: het resultaat is altijd overtuigend. Over de enorme rozetten op Martens schoenen (leuk item in de kinderspeurtocht) is al veel geschreven. Beetje over de top deze statussymbolen van een nouveau riche. Ook met Oopjens mooie broche, de trouwring aan haar wijsvinger en de waaier afficheert het stel rijkdom. Daar hoefde je je niet voor te schamen mits verworven door hard werken en bidden: Ora et Labora. Martens vader, een uit Antwerpen gevluchte protestant, had in Amsterdam fortuin gemaakt met een suikerraffinaderij. Uit betrouwbare bronnen is bekend dat vader Soolmans moeite had met een christelijke levenswandel. Als straatvechter werd hij wegens zijn agressieve gedrag door de kerkenraad regelmatig op het matje geroepen. Een dingetje dat de samenstellers van de speciale editie van de Privé discreet hebben laten liggen.

In de introductiefilm vertelt de voormalige eigenaar van de monumentale doeken, baron de Rothschild dat hij zijn halve leven heerlijk heeft geslapen, terwijl Marten en Oopjen ter linker en rechterzijde over hem waakten. En al die tijd mochten zij lekker met hem mee roken verklapt hij lachend. Het rookgordijn is inmiddels vakkundig verwijderd.

Ter gelegenheid van hun make-over en tijdelijk verblijf in Amsterdam – zij hebben een tweede huis in Frankrijk – heeft het Rijksmuseum een feestje georganiseerd. Vanuit de hele wereld zijn de gasten ingevlogen. Celebrities geportretteerd door befaamde kunstenaars als Lucas Cranach, Frans Hals, Velazquez, Veronese, Van Dijck, Manet, Munch, Goltzius, Gainsborough en Reynolds.

Wat opvalt is dat allen ten voeten uit geportretteerd zijn in een verscheidenheid aan stijlen en periodes; leuk om het modebeeld door de eeuwen heen te volgen!  Sommige portretten zijn statisch geënsceneerd in een interieur, andere hebben een landschappelijke achtergrond. Sommige beeltenissen zijn realistisch andere lijken geïdealiseerd. Portretten van eenlingen, huwelijksportretten en een enkel familieportret, zoals het echtpaar Iseppo en Livia da Porto. Rond 1552 lieten zij zich met hun beide kinderen op speelse wijze vereeuwigen door Paolo Veronese. Een voorloper van Frans Hals in de prachtige met losse toets weergegeven stofuitdrukking. Ook hier niets nieuw onder de zon. Menige eigentijdse moeder herinnert zich, wellicht met weemoed, hoe haar dochtertje verlegen wegdook achter moeders rok of spijkerbroek. Wie tijdens de vakantie door de straten van Vicenza dwaalt op zoek naar de architectonische nalatenschap van Andrea Palladio kan vader Iseppo en zoon Leonida Porto ontmoeten; in gebeeldhouwde vorm sieren zij de gevel van het Palazzo Porto.

Veronese, Livia da Porto Thiene
Paolo Veronese, Gravin Livia da Porto Thiene en haar dochter Deidamia, ca 1552, Walters Art Museum, Baltimore

In de Hollandse Gouden Eeuw ontwikkelde het zogenoemde portrait historié zich tot een geliefd genre. Verschillende 17e eeuwers lieten zich portretteren als een bijbels of mythologisch personage. Een heel opmerkelijk voorbeeld van zo’n portret is in de expositie te zien. De Amsterdamse burgemeester Johan Colterman liet zich in adamskostuum vereeuwigen als de mythologische krachtpatser Hercules. Wellicht wekte dit portret ook toen al de lachlust, maar een ding is zeker: je moest Colterman niet tegen je hebben! Moedig was het wel. Welke burgemeester zou zich vandaag de dag zo bloot durven geven?

Goltzius, Hercules, Cacus
Hendrick Goltzius, Hercules en Cacus, 1613, Mauritshuis Den Haag (in bruikleen aan het Frans Hals Museum Haarlem)

Elke geportretteerde heeft zijn of haar verhaal, daarover doet niet alleen de informatieve en mooi uitgevoerde catalogus, maar ook een speciale editie van het roddelblad Privé een boekje open. De lezer komt alles te weten over historische modesnufjes als schaambuidels en (schoen)rozen, buitenechtelijke affaires en zwangerschappen, financiële problemen, een vorstelijke onthoofding, exorbitante feesten en excentrieke aristocraten.

Seinegger, Karel V
Jacob Seisennegger, Keizer Karel V met zijn hond, 1532, Kunsthistorisch Museum Wenen

Om met de mode in de 16e eeuw te beginnen. In de eerste zaal ziet de bezoeker een van de de oudste monumentale portretten: Jacob Seiseneggers portret van Keizer Karel V (ca. 1532). Hij gaf hem weer met de karakteristieke openhangende Habsburgse mond. De keizer draagt een goudkleurig wambuis met zwarte ‘bodywarmer’. De enorme pofmouwen moeten zijn geringe postuur wat imposanter maken, maar een echte macho is hij niet. Daar verandert de blikvanger, de modieuze braguette, midden in het portret niets aan. In de 15e en 16e eeuw werd de zogenoemde schaambuidel tussen de hozen (de losse broekspijpen) gedragen. Tegenwoordig wordt dit symbool van mannelijkheid  lachwekkend gevonden, maar handig was het wel om muntgeld en andere broekzak-spulletjes mee te nemen. Niet alleen koning, keizer en admiraal, maar ook de gewone man koketteerde met zijn braguette. In het statieportret dat Hans Holbein rond 1537 van Henry VIII (Walker Art Gallery, Liverpool) schilderde draagt de Engelse koning een bijzonder met strik gesierd exemplaar dat veel weg heeft van een paasei! Ook in de boerenbruiloften van Pieter Breughel zijn dansende boeren met dit in het oog springende kledingonderdeel toegerust.

Een dergelijk vertoon van viriliteit had Dr Samuel-Jean Pozzi (1846-1918) niet nodig. Geportretteerd in een fraise kleurige kamerjas, waaronder een Jort Kelderachtig pantoffeltje uitsteekt, kijkt deze donkerharige beau met zijn blauwgrijze ogen zelfverzekerd de wereld in. Hij was geliefd naar men zegt bij zowel dames als heren, onder wie de schilder. Pozzi was gespecialiseerd in gynaecologie, maar werkte ook als legerarts, respectievelijk chirurg, in de Frans-Pruisische oorlog en WO I. Medisch falen veroorzaakte zijn einde. In 1918 werd Pozzi door een ontevreden patiënt gedood. In de catalogus wordt het motief van de moordenaar vrij gegeven: de dokter had hem niet van zijn impotentie kunnen genezen. Dit portret zou niet misstaan in de tentoonstelling Frans Hals en de Modernen, dit najaar te zien in het Frans Hals Museum. De stofuitdrukking van de kamerjas en de subtiele, schetsmatige toets waarmee Singer Sargent de slanke vingers en de manchetten weergaf illustreren het motto van deze expositie op perfecte wijze: Frans Hals als inspiratiebron voor de impressionisten!

Sargent, Pozzi
John Singer Sargent, Dr Samuel Jean Pozzi, 1881, Hammer Museum los Angeles, schenking van de Armand hammer foundation

Een markante verschijning op het feestje in Amsterdam is Marchesa Luisa Casati. Giovanni Boldini zette haar in 1908 met vaart in een uitbundige Halsiaanse toets neer. Ik moest even denken aan de snelle foto van de koninklijke familie die op Koningsdag de voorpagina van de NRC sierde. De assistent van Erwin Olaf moet buiten beeld een enorme föhn of windmachine gehanteerd hebben; de blonde haren van Maxima en haar dochters are blowing in the wind!
De bij Oopjen reeds genoemde vele tinten zwart zijn hier met grijstonen gemengd en contrasteren prachtig met het lila en rozerood van haar sjaal en boeket. Over de markiezin deden wilde verhalen de ronde over buitenechtelijke relaties en ander onbetamelijk gedrag. Bij het uitwerken van mijn aantekeningen meende ik nog dat mijn fantasie met me aan de haal was gegaan, maar in de catalogus lees ik toch over haar jurk met gloeilampjes, die licht gaven op een draagbare generator. Deze 19e eeuwse Mathilde Willink wandelde met twee aangelijnde luipaarden door Venetië. En wat haar voorliefde voor genotsmiddelen betreft was ze haar tijd vooruit. Behalve van champagne en gin genoot ze af en toe van een snufje cocaïne, zoals haar blik lijkt te verraden.

Boldini, Marchesa Louisa Casati
Giovanni Boldini, Marchesa Luisa Casati met een windhond, 1908, particuliere collectie

Amusant tenslotte is de de 4-delige webserie van Koefnoen over de gasten van High Society.

Na de opzichtige pracht en praal van het hoge gezelschap wacht de bezoeker een warm aanbevolen toegift; de parallelle expositie Guilty Pleasures. Met het opschrift ‘expliciete beelden’ wordt de bezoeker gewaarschuwd c.q. geattendeerd op prenten en tekeningen gepresenteerd rond een rood hemelbed. Hier wordt gesuggereerd wat de beau monde achter gesloten deuren in werkelijkheid of slechts gedroomd meemaakte.

Jane Turner, hoofd van het prentenkabinet, stelde een leuke tentoonstelling samen met interessante, pikante, ondeugende en soms zelfs soft-pornografische prenten. De voorstellingen zijn geïnspireerd op drie van de zeven hoofdzonden: vraatzucht, hebzucht en wellust!
Aanleiding daartoe vormt een 17e eeuwse prent van een liefdespaar licht Turner toe. De figuren dragen dezelfde kanten kragen als Marten en Oopjen. Onderzoek leverde een verrassende ontdekking op: deze figuren blijken portretten te zijn van Rembrandt en Saskia. Bij het betreden van de tentoonstelling Guilty Pleasures fungeert het ondeugende stel als traîte-d’union tussen beide exposities.

Basse, Vrouw bij man op schoot
Willem Basse, Een vrouw zit op schoot bij een man, ca. 1640. Rijksmuseum Amsterdam

In deze zalen ziet de bezoeker zogenaamd stichtelijke voorstellingen van onder andere afkeurenswaardige kaart- en triktrakspelers. Leuk ook zijn de in prentvorm gepresenteerde visuele grapjes. Twee oude dames die zich verheugen in bewonderende blikken van twee knappe heren; die evenwel bedoeld zijn voor een jongedame achter hen. De bezoeker ziet ook een in het huidige Me-Too debat toepasselijke voorstelling van een dame die een man van het lijf probeert te houden. Geestig zijn de opgewonden oude heren die zich verlustigen in een 18e eeuwse losbladige Playboy en het zien van een naakte Venus in een ingekleurde prent van Thomas Rowlandson.

Rowlandson, Vier mannen, Venus
Thomas Rowlandson, Vier mannen bekijken een schilderij van Venus, 1799. Rijksmuseum Amsterdam.

Na colleges in de jaren ‘80 zie ik William Hogarths prenten van the Rakes Progress terug. Geïnspireerd op deze story bracht de Reisopera deze winter een productie uit. Het hoogtepunt, of veeleer dieptepunt van de feestende losbol belandde als reproductie op een punchbowl van Meissen porselein, waarin de Rake letterlijk en figuurlijk aan de grond is geraakt. Met welke intentie deze prenten gemaakt werden? Wellicht tot lering, maar zeker ook tot vermaak!

Punch bowl, Meissen, 1750-1760. Syz Collection (1534).

In een prent van een zekere Sara, gedaan naar een werk van Cornelis Troost, ontdek ik een actueel detail: twee zoenende mannen. Nog steeds een hot item. Onlangs zag ik een soortgelijke afbeelding op groot formaat langs de kant van de weg. De wereldwijde campagne van Suitsupply stierf een snelle dood, maar deze uiting van herenliefde heeft in dit onopvallende detail de eeuwen doorstaan. Dat geldt ook voor prachtige monumentale doeken en vele op kwetsbaar papier gedrukte prenten die nog tot en met 3 juni in het Rijksmuseum te zien zijn.

Wie nog kon lopen ging heen; wie dat niet meer kon, viel om, Sara Troost, naar Cornelis Troost, 1768, Rijksmuseum Amsterdam

Link: Rijksmuseum Amsterdam, High Society

Catalogus: Jonathan Bikker, High Society, levensgroot, staand en ten voeten uit, Rijksmuseum Amsterdam, 2018

Frans Post, dieren in Brazilië, tot en met 8 januari in het Rijksmuseum Amsterdam

Frans Post en Albert Eckhout met Johan Maurits in de tropen, bij de tentoonstelling  ‘Frans Post, dieren in Brazilië, tot en met 8 januari in het Rijksmuseum Amsterdam

Pieter Soutman. Johan Maurits, 1647, Rijksprentenkabinet Rijksmuseum, Amsterdam
Pieter Soutman. Johan Maurits, 1647, Rijksprentenkabinet Rijksmuseum, Amsterdam

Op 23 januari 1637 arriveerde graaf Johan Maurits van Nassau Siegen (1604-1679) met zijn vloot op de kust van Recife. De Heren XIX van de West Indische Compagnie (WIC) hadden hem opdracht gegeven om het op de Portugezen veroverde gebied te consolideren en winstgevend te maken. Dat deze missie geen succesverhaal zou worden heeft niet aan de inzet van Maurits de Braziliaan gelegen. Mislukte suikeroogsten en de geringe steun van de bewindhebbers van de WIC waren er debet aan dat de kolonie in 1654 aan de Portugezen terugviel. Van deze Hollandse periode in Brazilië is echter een interessante nalatenschap bewaard gebleven: zowel archeologisch, historisch als kunstzinnig.

Nedelands Brazilië
Nederlands Brazilie, in 1643

Schilderijen, tekeningen en prenten met Braziliaanse landschappen, haar bewoners, de flora en fauna en afbeeldingen van Johan Maurits Braziliaanse woonstedes getuigen daarvan. En niet te vergeten: het Haagse Mauritshuis. Naast natuurvorsers, geografen, cartografen en andere wetenschappers vergezelden de schilders Albert Eckhout (1610-1680) en zijn collega Frans Post (ca 1612-1680) Johan Maurits. Aan hen de taak de nieuwe kolonie letterlijk en figuurlijk in kaart te brengen. In 2004 stond Albert Eckhout -de protagonist van mijn afstudeerscriptie- centraal in een tentoonstelling in het Mauritshuis. Nu speelt Frans Post de hoofdrol in het Rijksmuseum. Anders dan in Nederland is in Recife de Nederlandse periode niet vergeten. De stad is gebouwd op Hollandse fundamenten. Op het plein waar ooit het paleis Vrijburg stond, is Johan Maurits standbeeld te vinden en voor schoolkinderen is de ‘Tempo dos Flamengos’ verplichte stof. Wegens de economische omstandigheden zou de huidige bevolking regelmatig verzuchten: waren de Hollanders maar gebleven, terwijl burgemeesters bij hun ambtsaanvaarding beloven te regeren als een tweede Johan Maurits. Er lopen zelfs heel wat jongens rond die luisteren naar de naam Joao Mauricio!
Voor we ons verdiepen in deze geschiedenis gaan we nog even langs in Den Haag. Hier liet Johan Maurits naar ontwerp van Jacob van Campen (1596-1657) een huis in classicistische stijl bouwen: het Mauritshuis dat in de volksmond smalend het Suikerpaleis werd genoemd, wegens de financiering uit de handel in suiker. In een brief aan Constantijn Huyghens omschrijft Johan Maurits deze woning als ’la belle, très belle et bellisime maison’.

Jan de BisschopMauritshuis
Jan de Bisschop, Het Mauritshuis, ca 1660,Kupferstich Kabinett der Staatlichen Kunstsammlungen, Dresden

Aan de wanden zag een ooggetuige schilderingen van Braziliaanse landschappen gestoffeerd met haar bewoners, de flora en fauna. De woning herbergde ook een verzameling; voornamelijk Braziliaanse rariteiten: assegaaien, bijlen, etnografische voorwerpen en opgezette uitheemse dieren, waaronder een krokodil, een waterslang, schildpadden, een rinoceros en zelfs een kleine olifant. Ooit zagen genodigden er zelfs een aantal naakte indianen die tot verbijstering en wellicht verrukking van de aanwezige Haagse dames, een woeste dans uitvoerden. Zoiets was in Den Haag nog nooit vertoond!

Eckhout_Tapuya indianen
Albert Eckhout, Dans van de Tapuya-indianen, ca.1640, Nationalmuseet, Kopenhagen

 

Gouverneur in Brazilië

Post_Mauritsstad_Recife
Frans Post, Mauritsstad en Recife, 1657

Johan Maurits had een warme belangstelling voor het land en haar oorspronkelijke bewoners de Tupinamba- en Tarairiu indianen. De Europese bevolking, welke bestond uit circa 2700 katholieke Portugezen, plantagehouders, mulatten, uit Spanje gevluchte joden en Hollanders. Met hen ging hij regelmatig om de tafel zitten, maar het bleef onrustig in de kolonie. Sinds 1624 hadden de Nederlanders geprobeerd hun positie in dit gebied te consolideren, maar een niet aflatende guerrillastrijd belemmerde hen bij het rendabel maken van het wingewest. Alleen in de kuststreken van Pernambuco konden zij zich handhaven door hun overmacht op zee. Hier begon Johan Maurits aan de opbouw van de kolonie. Fortificaties, wegen, bruggen en kanalen werden aangelegd. Het kleine dorpje Recife groeide uit tot een dichtbevolkte stad. Op het eiland Antonio Vaz verrees Mauritsstad, het ‘culturele centrum’ van de Nieuwe Wereld, waarvan de ‘skyline’ gedomineerd werd door paleis Vrijburg.

Post_Vrijburg
Naar Frans Post, Paleis Vrijburg, residentie Johan Maurits in Recife, Amsterdam, 1647

Hier bevond zich een menagerie met lokale en Afrikaanse dieren, die met de slavenschepen waren meegekomen: zoals ‘tigers’, miereneters, tapirs, apen, schapen uit Angola, papegaaien en zelfs een olifant! Aan de westkant van het eiland bouwde Johan Maurits een buitenhuis, Boa Vista, dat door zijn strategische ligging naast de brug naar het vasteland tevens als verdedigingswerk fungeerde. Tegenwoordig herinnert de naam van het stadsdeel Boa Vista nog steeds aan deze 17e eeuwse bebouwing.

Post_Boa Vista
Frans Post, Boa Vista, na 1643, British Museum Londen

Bij Boa Vista was een observatorium, waar Georg Marcgraf (1619-1644), een wetenschappelijke omnivoor, zijn waarnemingen deed. Hier was ook een rariteitenkabinet, met naturalia, een verzameling voortbrengselen der natuur, en artificialia, door mensenhand gemaakte objecten. De bewindhebbers van de WIC, waren niet erg ingenomen met deze geldverslindende bouwactiviteiten. Reprimandes enerzijds en onvrede van de graaf over de geringe militaire en financiële steun anderzijds, resulteerden in Johan Maurits zelfverkozen ontslag. In 1644 kwam hij  terug in het vaderland. Zijn vertrek werd in Brazilië onder alle bevolkingsgroepen zeer betreurd. Caspar Barlaeus, auteur van het belangrijkste boek over deze periode beschrijft de emotionele taferelen die zich bij zijn afscheid afspeelden.
Aan het aantal verdedigingswerken heeft het verlies van de kolonie niet gelegen: archeologen van de New Holland Foundation ontdekten maar liefst 80 Hollandse forten. In verschillende van Posts schilderijen zijn ze afgebeeld. Op de fundamenten van Fortaleza, het grote fort in het Noordoosten, verrees de gelijknamige miljoenenstad, waar de Avenida dos Holandeses nog aan de Hollandse periode herinnert.

Tapoeiers
In de strijd om de macht in Brazilië verzekerden zowel Portugezen als Nederlanders zich van de steun van lokale bondgenoten. De meer geciviliseerde Tupinamba indianen stonden aan Portugese zijde. De Nederlanders werden bijgestaan door de nietsontziende Tarairiu indianen, door hen ‘Tapoeiers’ genoemd. In zijn Gedenkweerdige Brasiliaense lant- en zeereise (1682), licht Joan Nieuhof de Nederlandse keuze toe: ‘Zij zijn ongemeen sterk en kunnen eenen stier ter neer vellen.’ Toch kon deze coalitie niet verhinderen dat Nederlands Brazilië in 1654 weer in Portugese handen viel. Over de Tapoeiers meldt Nieuhof ook: ‘Alle tapoeiers gaan bijna moedernaekt: alleenlijk hebben zij de roede van hunne mannelijkheid ingetrokken en bewonden in een beurse of netje,…en binden het met zeker bantje vast’, waarmee de wat raadselachtige string van Albert Eckhouts Tarairiu man verklaard is.

Eckhout_Tapuya-man
Albert Eckhout, Tarairiu-man met speren, speerwerper en een knots, 1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Eckhout_Tapuya vrouw
Albert Eckhout, Tarairiu-vrouw, die afgehakte hand vasthoudt en afgehakte voet in een mand draagt ,1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Het pendant toont een Tarairiu vrouw. Stappend over een paar stenen steekt zij een beekje over en lijkt even stil te houden voor de lens van de archaïsche fotograaf. De proviand die de schilder speels uit haar mandje laat steken, een mensenvoet, verwijst naar het kannibalisme van de Tarairiu. Zij aten niet alleen hun gedode vijanden, schrijft Barlaeus, maar ook de lichamen van hun overleden stamgenoten als daad van uiterste toewijding. Hun dierbaren konden nergens beter rusten.

Deze twee meer dan levensgrote doeken maken deel uit van de reeks nauwkeurig waargenomen etnografische portretten, die Albert Eckhout in Brazilië schilderde. Frans Post concentreerde zich op Braziliaanse landschappen met suikerrietplantages en suikermolens, waarin mensen als kleine, onduidelijke figuurtjes zijn weergegeven. Albert Eckhout bracht niet alleen flora en fauna, maar ook de bewoners heel gedetailleerd en realistisch in beeld. Dit realisme staat in scherp contrast met de gangbare beeldvorming van bewoners van de Nieuwe Wereld, die veelal door fantasie en mythe gekleurd was. Eeuwenlang werd de Europese visie op ‘de’ Indiaan door twee uit de oudheid en Middeleeuwen daterende stereotypen bepaald: de Indiaan als ‘tabula rasa’, een onbeschreven blad, of de Indiaan als ‘duivelsaanbidder’: de Indiaan als ‘goede’ dan wel als slechte’ wilde.

Het belang van Eckhouts realistische werken moet vooral gezocht worden in de documentaire waarde. Ze verschaffen biologische, zoölogische, antropologische en etnografische informatie. De nadruk ligt op de fysionomische raskenmerken. Terwijl de koppen goed geschilderd zijn valt op dat anatomische details in enkele gevallen minder goed gelukt zijn. Dit kan worden verklaard uit het feit dat Eckhout koppen en lichamen van de uitgebeelde figuren afzonderlijk naar het leven schetste, waarna hij deze in zijn atelier componeerde tot monumentale portretten. Met het uitvergroten’ van deze kleine schetsen tot meer dan levensgroot formaat, de schilderijen meten 2.60 x 1.60 m, had hij kennelijk moeite.

Eckhout_Indiaan
Albert Eckhout, Tapuya indiaan, ca. 1640, Kupferstichkabinett, Staatlichen Museen zu Berlin

Ook de zwarte slaven wekten Eckhouts artistieke belangstelling. Zij werden sinds 1637, na Johan Maurits verovering van het Portugese slavenfort El Mina, als arbeidskrachten naar de West-Indische plantages gebracht. Aan deze mensonterende handel lag het advies van de 16e eeuwse bisschop Bartolomeus de Las Casas ten grondslag. Uit medelijden met de indianen, die niet bestand waren tegen het zware werk, adviseerde hij de Spaanse kroon om voor het plantagewerk de sterkere zwarten uit Afrika te importeren. In de discussie over deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis hoor je zelden dat Afrikaanse koningen de bewoners van naburige gevangen namen en in de krochten van het slavenfort opspaarden tot een scheepsruim gevuld kon worden. In 2002 verscheen hierover een artikel van mijn hand in het Nederlands Dagblad.

Eckhout portretteerde ook een zwarte vrouw met haar zoontje.

Eckhout_Zwarte vrouw
Albert Eckhout, Zwarte vrouw met mand en kind, 1641, Nationalmuseet Kopenhagen

Zacharias Wagner, detail Zwarte slavin met brandmerk.
Zacharias Wagner, detail naar Eckhout Zwarte slavin met brandmerk.

 

 

 

 

 

 

Voor deze gelegenheid is zij mooi toegerust. Een huisslavin droeg geen mooie hoed en zeker geen sieraden. Hoewel predikanten het bouleren met zwartinnen’ ernstig afgekeurden lijkt haar zoontje met de iets lichtere huidskleur van cafelatte, uit een verbintenis met een blanke geboren te zijn. De zeilschepen in de achtergrond van het schilderij verwijzen naar haar komst van overzee; zij is een zogenoemde zoutwaterslavin. Op een schets in Zacharias Wagners Thierbuch, bevindt zich een kopie naar Albert Eckhout van dezelfde vrouw met één verschil: boven haar linkerborst is duidelijk het brandmerk van Johan Maurits te zien. Hoe menslievend en humaan hij als bestuurder van Nederlands Brazilië ook te boek staat, Johan Maurits was een kind van zijn tijd. In zijn Politiek Testament noteerde hij de volgende aanbeveling: ‘daarom zou ik willen dat de lichamen der negers van het merk der Compagnie voorzien werden, opdat het bedrieglijk volk geen schlechteren voor betere in de plaats stelle’.

Diplomatieke geschenken
In 1654 schonk Johan Maurits Eckhouts etnografische portretreeks en een serie Braziliaanse stillevens aan de Deense koning Frederik III. In ruil daarvoor ontving hij de eervolle onderscheiding van de Orde van de Witte Olifant, waaraan een jaargeld verbonden was. Ook de zonnekoning, Lodewijk XIV (1643-1715), werd in 1679 bedacht met een schenking van schilderijen door Frans Post en tekeningen van Albert Eckhout, die model stonden voor een serie wandtapijten met Braziliaanse onderwerpen, de Tentures des Indes (Mobilier National te Parijs).
Een verzameling van ca. 800 Braziliaanse olieverfschetsen en tekeningen, merendeels van Eckhouts hand, belandde als de Libri Picturati, in 1652 in de bibliotheek van de keurvorst van Brandenburg, Frederik Wilhelm. Nadat deze sinds 1945 spoorloos waren, doken ze in 1977 op in de Jagiellonska Universiteits Bibliotheek in Krakau.
Eenzelfde wonder geschiedde enkele jaren geleden. Bij digitaliseer-werkzaamheden stuitte archivaris Alexander de Bruin in het Haarlemse stadsarchief op een map anonieme tekeningen. De daarop afgebeelde dieren bleken identiek aan geschilderde soorten in Braziliaanse schilderijen van Frans Post.

Post_Llama
Frans Post, Llama, Noord Hollands Archief, Haarlem

Deze tekeningen en schilderijen zijn in de tentoonstelling niet alleen tweedimensionaal, maar dankzij een bruikleen van Naturalis, ook ten voeten uit aanwezig. Zo worden zij niet alleen herkenbaar, maar zelfs aaibaar! Dat laatste is echter niet toegestaan. Voor wie het niet laten kan staat er een lama, wiens mottige vacht toch al kale plekken vertoont! De andere dieren zijn in de museumwinkel als knuffels te koop.

Frans Post

Hals_Post
Frans Hals, Frans Post, ca.1655, Particuliere collectie

Frans Post vertrok op 23-jarige leeftijd naar Brazilië. De reis moet een onvergetelijke indruk op hem hebben gemaakt. Na zijn terugkeer in 1644 bleef hij voortdurend voortborduren op zijn Braziliaanse artistieke vocabulaire. In 1646 werd hij lid van het Haarlemse St. Lucasgilde, waar hij in de diverse bestuursfuncties bekleedde. Hij trad in 1650 in het huwelijk met Jannetje Bogaert (1627-1664). Zij overleed op 37-jarige leeftijd aan de pest, waarna de schilder achterbleef met de zorg voor 9 kinderen. Mogelijk groeiden verdriet en zorgen hem boven het hoofd. Uit latere berichten valt op te maken dat hij aan lager wal geraakt is. Wanneer Johan Maurits in 1679 het idee opvat om Post als koerier en explicateur mee te sturen met het diplomatieke geschenk voor Lodewijk XIV (1643-1715), raadt Maurits financiële adviseur Jacob Cohen dat af, aangezien Frans Post is ‘… vervallen tot den dronk en beevende’….
Een jaar later overleed hij, twee maanden na de dood van de man met wie hij in zijn jonge jaren zijn Braziliaanse avontuur had beleefd.  

Verwantschap diertekeningen en schilderijen

Post, Sao Francisco, fort Maurits
Frans Post, zicht op de rivier Sao Francisco en fort Maurits, Brazilie, met een Capybara, 1639, Musee du Louvre Paris

Post_Capybara
Frans Post, Capybara, Stadsarchief Haarlem

 

 

 

 

 

 

Bij het zien van Frans Posts Gezicht op de Sao Franciscorivier, met aan de overzijde Fort Maurits uit 1639,  is de relatie tussen de gevonden tekeningen en Posts schilderijen direct duidelijk. Prominent in de voorgrond staat een fouragerende Capybara, een waterzwijn, die vrijwel identiek is aan de twee die door Post zijn getekend. Een draagt een halsband. Kennelijk een gedomesticeerd exemplaar uit de menagerie van Johan Maurits. Aan de linkerzijde van het doek schilderde Post een grote cactus. De Bruins suggestie dat Post deze, naar een voorbeeld van een andere kunstenaar deed klopt. Van deze vruchtdragende cactus vond ik een houtskooltekening van Albert Eckhout in de Archives du Manufacture Nationale de Ceramique, Sèvres. Een zelfde cactus figureert ook in een plafondschildering met Braziliaanse vogels, een oranje trupiale en een zwartkeelspecht van Eckhouts hand in slot Hoflösnitz nabij Dresden, waar Albert Eckhout op aanbeveling van graaf Johan Maurits van 1653 tot 1664 als hofschilder van keurprins Johann Georg van Saksen in dienst was.

cactus_kleur
Albert Eckhout, detail plafondschildering Schloss Hoflossnitz, Dresden

In Frans Posts Braziliaanse landschap met Suikermolen, in New York,  en nog prominenter in het Braziliaanse landschap met Suikermolen uit de National Gallery of Ireland herkennen we nog meer dieren uit de Haarlem tekeningen: een kaaiman, een gordeldier, een wasbeer, een tamandua of kleine miereneter, een voor dood liggende luiaard en een Braziliaans stekelvarken en de capybara.

Post-Landschap
Frans Post, Braziliaans landschap met suikermolen, National Gallery, Dublin

Deze hele menagerie passeert wederom de revue in het Kathedraal van Olinda uit het Rijksmuseum, dat nog gevat is in de originele houtgesneden lijst met een hagedis en een sprinkhaan. Dezelfde dieren figureren ook samen of  solitair in Posts andere schilderijen.

Post_Olinda
Frans Post, Zicht op Olinda, Brazilie. 1662, Rijksmuseum Amsterdam

gordeldier
Frans Post, zesbandige Armadillo, Noord-Hollands archief, Haarlem

 

 

 

 

 

 

In zijn publicatie over de gevonden Haarlem tekeningen merkt de Bruin op dat het nu zoeken is naar de missing link van voorstudies voor de ananas en kalebas in de voorgrond van Posts Gezicht op Olinda en het Braziliaanse Landschap uit 1652, die zich beide in het Rijksmuseum bevinden. Zoeken hoeft niet meer; ik heb ze gevonden tussen Eckhouts olieverfschetsen in voornoemde Libri Picturati in Krakau. Ze komen eveneens voor in Stilleven met Ananas en watermeloen en Stilleven met Kalebassen in het National Museet in Kopenhagen.

Eckhout_Stilleven met watermeloen
Albert Eckhout, Stilleven met watermeloen, ananas en ander fruit, ca. 1640, Nationalmuseet Kopenhagen

Eckhout_Stilleven met fleskalebas
Albert Eckhout, Stilleven met fleskalebas en divers fruit, ca.1640, Nationalmuseet Kopenhagen

 

 

 

 

 

 

 

Van 1648 dateert een Fremdkörper in het oeuvre van Frans Post: het oudtestamentische Offer van Manoah uit 1648.  Voor zover mij bekend zijn enige historiestuk. De toekomstige ouders van de oudtestamentische krachtpatser Samson offeren een bokje uit dankbaarheid voor de hen aangezegde geboorte van een zoon. Samson: die dankzij de kracht verkregen uit zijn nimmer geknipte hoofdhaar, de Filistijnen zou verslaan, maar zichzelf door zijn blinde liefde voor Delila, ten gronde richtte. (Richteren/Rechters 13: 1 e.v.).

Post, Offer van Manoah
Frans Post, Braziliaans landschap met offering van Manoah, 1648, Museum Boymans van Beuningen, Rotterdam

Het landschap is onmiskenbaar van Frans Post, maar de goed geschilderde, fraai geklede figuren en het glanzende vaatwerk zijn dat duidelijk niet. Deze zijn door een kunstenaar uit de omgeving van Rembrandt, mogelijk Ferdinand Bol, ingeschilderd. Hier treffen we het gordeldier, de leguaan en de kalebas uit bovengenoemde schilderijen weer aan.

Ook Caspar Schmalkalden (1616-1673), Willem Piso (1611-1678) en Georg Marcgraf (1619-1644) noteerden en illustreerden hun Braziliaanse wetenschappelijke observaties. Deze zijn samen met werk van Post en Eckhout opgenomen in publicaties die een ware fundgrube vormen voor de Nederlandse periode in Brazilië.  Het letterlijk en figuurlijk gewichtige standaardwerk van Caspar Barlaeus (1584-1648), Rerum in Brasilia etc. uit 1647. In de decoratieve motieven en cartouches van de daarin opgenomen deelkaarten van Georg Marcgraf, die in 1643 werden samengevoegd tot een grote kaart: Brasilia qua parte paret Belgis figureren de de landschappen, suikermolens en dieren van Frans Post.

kaart-2
Georg Marcgraff, Brasilia qua parte paret Belgis, 1643, Pinacoteca de Sao Paulo.

Marcgraf_kaart met decoratieve motieven
Georg Marcgraf (decoratieve motieven naar Frans Post,1643, Instituto Ricardo Brennand, Recife

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1648 verscheen Willem Piso en Georg Marcgrafs, Historia Naturalis Brasiliae.  In deze publicaties komen we naast de lama, de tapir en de capybara een jaguar en nog drie oude bekenden tegen: de grote miereneter, de luiaard en het Braziliaanse stekelvarken. Uit het feit dat deze soorten voorkomen in deze publicaties kan worden afgeleid dat Post ze maakte in Brazilië. De kleine scènes op Marcgrafs kaart met hacienda’s, suikermolens en vechtende en jagende indianen in de achtergrond herkennen we eveneens in Posts schilderijen. In een gedetailleerd getekend Braziliaans Landschap uit Boedapest dat gelukkigerwijs thans in de tentoonstelling Topstukken uit Boedapest in het Frans Halsmuseum te zien is komen we een soortgelijke scène tegen. Zie bespreking van deze tentoonstelling op deze site.

In de hoogzit onder de centraal afgebeelde strijdende indianen tenslotte, herkennen we de kreek met het rif en daarvoor de uitkijkpost uit de achtergrond van Eckhouts etnografische portret van de zwarte slavin met haar zoontje.

Campen-Triomftocht
Jacob van Campen, Triomftocht met geschenken uit Oost en West,1649-1651, Oranjezaal Paleis Huis ten Bosch

Met het vertrek van de Nederlanders uit Brazilië was het laatste woord over deze periode niet gezegd. De Braziliaanse mand met vruchten van Eckhouts zwarte slavin kent een interessant Nachleben. In museum Flehite in Amersfoort, bevindt zich een door Jacob van Campen geschilderd paneel met identieke mand. Dezelfde mand zag u wellicht ook tijdens de exclusieve openstelling van de Oranjezaal in Huis ten Bosch. In Jacob van Campens Triomftocht van Oost en West draagt de Nederlandse Stedenmaagd eenzelfde rijkelijk met fruit gevulde Braziliaanse mand.

Conclusie:
Op grond van de grote verwantschap tussen de dieren in Frans Posts schilderijen en gravures naar zijn werk in Barlaeus èn de dieren in de kaart van Marcgraf, kunnen de anonieme Haarlem tekeningen worden toegeschreven aan Frans Post. Anders dan de tekeningen die Johan Maurits als diplomatiek geschenk weggaf, nam Frans Post zijn tekeningen mee naar zijn woonplaats Haarlem, waar ze uiteindelijk in het stadsarchief zijn beland. Nu deze diertekeningen overtuigend met soorten in Posts schilderijen in verband zijn gebracht was het aldus de vinder, De Bruin, tijd om op zoek te gaan naar de missing link waar het de natuurgetrouw weergegeven cactusplant, de ananassen en kalebassen betreft. Uit het voorgaande is gebleken dat deze gevonden zijn tussen de tekeningen en schilderijen van Albert Eckhout.

 

‘Schipperen tussen zwart en wit’, Nederlands Dagblad, 2 juli 2002.

Plafondschilderingen Albert Eckhout in Schloss Hoflössnitz

Tentoonstelling: Frans Post: Dieren in Brazilië t/m 8 januari 2017, Rijksmuseum Amsterdam

Bespreking: Hollandse Meesters uit Boedapest in het Frans Hals Museum, Haarlem, tot 13 februari 2017

 

 

 

 

Japanse Prenten in het Rijksmuseum, Japan Modern, Collectie Elise Wessels, nog t/m 11 september 2016.

 

Denkend aan Japanse prenten zie ik een golf die eigentijdse surfers wellicht in extase zou brengen, maar anderen veeleer angst zou inboezemen: de Grote golf door Hokusai……

Katsushika Hokusai_The Great Wave off Kanagawa
Katsushika Hokusai (1760-1849), De grote golf van Kanagawa,1830-1833, Kleuren houtsnede.

Overweldigend die aanrollende natuurkracht en in het golfdal, een boot met nietige roeiers, die vast doodsangsten uitstaan. Aan de horizon in westers perspectief, het rustgevende baken van de Japanners, de berg Fuji.

De prent van Hokusai uit 1832 is in de tentoonstelling van de collectie van Elise Wessels niet te zien. De prenten die er wel zijn dateren van na 1900 en zijn gemaakt door vertegenwoordigers van twee moderne stromingen in de Japanse prentkunst; de zogeheten Shin hanga en de Sosaku hanga. Begin twintigste eeuw gaven zij op verschillende wijze invulling aan de traditionele houtsnede techniek. De Shin hanga brachten hun visie op de moderne tijd op meer traditionele wijze in beeld met geïdealiseerde vrouwenportretten en sfeervolle landschappen, zoals Kawase Hasui’s De Yuhi Waterval en Winter in Arashi uit 1920.

Kawase Hasui (1883-1957)_waterval
DE YŪHI WATERVAL, SHIOBARA, Kawase Hasui (1883-1957), 1920, P0810. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Kawase Hasui (1883-1957)_Winter in Arashi
WINTER IN ARASHI, Kawase Hasui (1883-1957), 1921, P0801. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Sosaku hanga zou je de avant-gardisten van de Japanse prentkunst kunnen noemen. Evenals hun kunstbroeders in het westen vonden zij inspiratie in het moderne stadsleven, de scheepvaart en industrie.

Een tentoonstelling om blij van te worden. Prachtige klassieke Japanse thema’s met soms ook een toetsje moderniteit bij de Shin Hanga enerzijds en impressies van het moderne leven bij de Sosaku Hanga anderzijds.

Als je goed kijkt herken je ook artistieke westerse invloeden in de getoonde prenten; of is er sprake is van synchroniciteit ? Op deze vraag kom ik nog terug.

Elise Wessels begon zo’n 30 jaar geleden quasi toevallig na een eerste aankoop bij de winkel van Watanaba met verzamelen van Japanse prenten. Uitgegroeid tot een enorme collectie is deze verzameling op afspraak te zien in haar privémuseum Nihon No Hanga [Japanse prenten].

De prenten in de tentoonstelling illustreren de Japanse geschiedenis van de eerste decennia van de twintigste eeuw. Wat daaraan voorafging wordt in de catalogus kort vermeld. Zoals de geschiedenis van de Hollanders, die vanaf de vroege 17e eeuw voor de VOC gestationeerd waren op het eilandje Deshima. Zij hadden het monopolie op de handel met Japan. Dat aan de isolatiepolitiek van de Japanse overheid in 1854 na het vlootvertoon van de Amerikaanse commodore Perry een einde kwam, wordt bekend verondersteld. Na deze gedwongen openstelling van Japanse havens voor buitenlandse handel, raakt het land snel overstroomd met westerse producten, bouwtechnieken en invloeden op artistiek gebied. Met de handelscontacten liften ook buitenlandse invloeden op het modieus en kunstzinnig gebied mee. Japanse vrouwen kregen in 1924 een damesblad naar westerse snit. Een complete jaargang is in het Rijksmuseum te zien; de covers gesierd met moderne Japanse prenten in een Franse lay-out.

Behalve prenten worden enkele lakwerkdozen en kimono’s getoond, waaronder een betoverend kinderkimonootje uit 1939. Versierd met applicaties van speelgoed, feesthoedjes, taarten, ballen, maar ook vliegtuigjes, een kanon en een geweer. Met dit zware geschut onder de vlag met de rijzende zon krijgt dit onschuldig ogende kledingstuk een documentaire waarde als spiegel van de ontluikende militaristische tijdgeest.

Tijdens het bekijken van de expositie vraag ik mij af: wat is dat toch met Japanse prenten ? Je wordt meteen gegrepen door de beelden van deze exotische, verre wereld. Hierdoor raakten ook veel Europese kunstenaars aan het eind van de 19e eeuw in de ban van de Japanse prentkunst; gewaardeerd om de pittoreske sfeer en de kernachtig trefzekere lijnvoering. Vincent van Gogh verzamelde Japanse prenten die hij gebruikte als inspiratiebron. Overbekend is zijn bijna-kopie van de Bloeiende Pruimenboomgaard uit 1887 naar de gelijknamige prent van Utagawa Hiroshige uit 1857.  In de Wessels collectie zag ik een prent, Maekawa in Soshu in de regen uit 1932 met treffende gelijkenis in de weergave van een regenbui in Vincents Ommuurd veld in de regen uit 1889. (zie mijn bespreking Vincent de waanzin nabij ). Regen die als pijpenstelen neerkomt in Hiroshige’s prent Onverwachte regenbui op de Grote brug uit 1857 inspireerde Vincent tot zijn Brug in de regen.

Utagawa Hiroshige_onverwachte regenbui
Utagawa Hiroshige (1797-1858), Onverwachte regenbui op de Grote brug in Atake, 1857

Vincent van Gogh_Brug in de regen
Vincent van Gogh (1853-1890), Brug in de regen, 1887, Van Gogh Museum, Amsterdam

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Anders dan in westerse kunst wordt neerslag in Japanse prenten veelvuldig verbeeld. Regen, zoals in bovengenoemde prent en ook in de impressie van het verlaten Nieuwe Obashi-brug van Kawase Hasui uit 1926.

Komura Settai_Sneeuw in de ochtend
Komura Settai, Sneeuw in de ochtend (1941), Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Neerslag in de vorm van dwarrelende sneeuwvlokjes, sneeuwstormen en pas gevallen sneeuw in verstilde impressies. Sneeuw waarvan je ‘s morgens bij het ontwaken, zonder dat je het nog hebt gezien, al weet dat het gevallen is. Sneeuw waar je als kind blij van werd ! Sneeuw op een sparrentak in traditonele prenten, sneeuw in een prent uit 1916, Meeuw en boten in de sneeuw; sneeuw op een huis in Komura Settai’s Sneeuw in de ochtend uit 1941 of de zorgvuldig gestippelde sneeuwvlokken op de wachtende courtisane in Ito Shinsui’s, Sneeuw in de nacht uit 1923

 

Heel verrassend vond ik in de eerste zaal de ontdekking van herkenbare westerse invloeden. Onmiskenbaar is de invloed van Paul Gauguin in de Kop van een Bretonse vrouw door Yamamoto Kanae . Het bijschrift zwijgt erover, maar de catalogus meldt dat hij in 1913 werkzaam was in Bretagne !

De prenten van Tanaka Kyuokichi vallen in de Japanse context helemaal uit de toon met hun symbolistische lijnvoering, zoals in Melancholie uit 1915. Zou hij werk uit Jan Toorops symbolistische periode gezien hebben in westerse publicaties die in Japan gelezen werden ?

Kawanishi Hide_Circus
CIRCUS, Kawanishi Hide (1894-1965). Kleurenhoutsnede op papier, 1925, P0366. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

De zwart-witte figuren in een houtsnede uit de serie van Kawannischi Hide, Badhuis uit 1925 kwamen deden mij denken aan Kirchner. Gaandeweg zag ik steeds meer westerse invloeden, zoals in een vrolijk Raoul Dufy-achtig strandgezicht Augustus-Baden in de zee bij het strand van Tenjin uit 1931 door dezelfde maker. Leuk ook diens acrobate uit 1930, die weer soortgelijke types van Kees van Dongen in herinnering riep.  Acrobaten, circus en kermisklanten waren ook favoriet bij Picasso tijdgenoten.

 

Nocturne: Blue and Gold - Old Battersea Bridge_ Whistler
Nocturne: Blue and Gold – Old Battersea Bridge c.1872-5 James Abbott McNeill Whistler 1834-1903

Treffend tenslotte ook de gelijkenis met Whistler in Nachtelijk zicht vanaf de Yanagibashi-brug, uit 1929 door Fukazawa Sakuichi. Whistler’s belangstelling voor Japanse prenten is bekend, maar je vraagt je toch af: wie beïnvloedde wie ?Toen ik het nakeek bleek dat Whitstler’s, Nocturne Blue & Gold; Old Battersea Bridge dateert van ca. 1875 !

 

 

 

De ontwikkeling van de Japanse prentkunst werd beïnvloed door de verwoestende aardbeving van 1923. Heel Tokyo lag in puin. De traditionele uitgeverijen van Shin Hanga prenten, zoals Watanaba, waren hun productiemiddelen kwijt. Korte tijd later kwam aan deze stroming een einde. De zelfstandige, kleinschalig opererende creatieve prentmakers van de Sosuku Hanga daarentegen konden met hun eenvoudige materiaal doorwerken.

De ingestorte houten gebouwen werden in hoog tempo vervangen door hoogbouw in moderne materialen als steen, staal en glas. De wederopbouw en industriële vernieuwingen werden geliefde thema’s in de prentkunst. Daarnaast ontstond een moderne versie van de traditionele ukiyo-e prenten, de zogenoemde ‘vlietende wereld’, met afbeeldingen van acteurs en courtisanes, hoofdrolspelers van het uitgaansleven.

Yamura Koka, DANSEN IN HET NEW CARLTON HOTEL IN SHANGHAI
Dansen in het New Carlton hotel in Shangai, Yamamura Kōka (1885-1942). Kleurenhoutsnede op papier 1924, P0151. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Nieuw in dit genre zijn prenten van dansende vrouwen, zoals Yamamura Koka’s Dansen in het New Carlton Hotel in Sjanghai, uit 1924 en een impressie van een stel in een café, zoals Nakagawa Isaku’s Café uit 1933, waarin een behaagzieke dame met Van Dongen-achtige oogopslag en heel humoristisch een ventilator met de frisse luchtstroom als serpentines …De metamorfose van Japan in de jaren na 1900 wordt   weerspiegeld in huidige tentoonstelling. Het land was van een gesloten traditionele natie, met –in westerse ogen- sprookjesachtige landschappen bevolkt door exotische figuren veranderd in een moderne maatschappij. De creatievelingen van de Sosuku Hanga stroming brachten het nieuwe Japan in beeld, zoals in Koizumi Kishio’ De Internationale Luchthaven van Haneda, 1937 waarin thuisblijvers de luchtreizigers uitzwaaien.

Koizumi Kishio (1893-1945)_DE INTERNATIONALE LUCHTHAVEN HANEDA
DE INTERNATIONALE LUCHTHAVEN HANEDA, Koizumi Kishio (1893-1945) Kleurenhoutsnede op papier 1937. P0058-087. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Behalve variaties op de meer traditionele vrouwenportretten verschijnen in dit genre ook nieuwe thema’s. Zoals het prachtige Haren door Ito Shinsui, uit 1953.Vergelijk ook Hashiguchi Goyo’s Haren kammende vrouw, 1920 met Torii Kotondo’s invulling van dit thema uit 1930. Illustratief voor de nieuwe tijd zijn afbeeldingen van moderne in bob-lijn gekapte vrouwen, de zogeheten moga’s, de modern girls, die hun kimono hadden verruild voor een korte rok. Zij figureren in prenten van de sport-, film- en reclame wereld.Vergelijk Kobayakawa Kiyoshi, Tipsy, 1930 met Ishii Hakutei, Yanagibaschi uit 1910, met een eveneens sigaretten rokend kimono-vrouwtje.

De moderne tijd wordt als gezegd ook zichtbaar op de dansvloer in twee prenten door Kobayakawa Kioshi. De één toont een danseres in traditionele kimono; de andere een eigentijdse westers geklede danseres met rode schoenen waar, heel geestig, het kleine teentje net uit piept !

 

Kobayakawa Kiyoshi (1899-1948)_Danseres
DANSERES, Kobayakawa Kiyoshi (1899-1948). Kleurenhoutsnede op papier, 1932, P0140. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

Typisch westers is ook het verschijnen van naakt in de prentkunst. Bloot komt weliswaar ook in de traditionele ukyio-e prenten voor, maar dat was functioneel naakt. Een vrouw in het badhuis, een parelduikster of in de semi-illegale erotische prenten, de zogenoemde ‘Shunga’ voor verkoop onder de toonbank.

In de 20e eeuw wordt ook naakt om het naakt in beeld gebracht. Dat was nieuw in Japan èn even wennen !

De serie blote dames, Tien soorten vrouwelijk naakt door Ishikawa Torajiwerd in 1935 door de politie nog in beslag genomen. De naakte waarheid werd kennelijk te ledig en onzedig gevonden; we zien een naakte vrouw spelend met een Pekinees; een andere zit lui plaatjes te kijken.

Bijzonder is de prent met een naakte vrouw die op haar rug een monumentale tatoeage laat aanbrengen: Tatoeage door Komura Settai, 1935. Het literaire citaat ontleend aan Kunieda Kanji bezingt de overeenkomst tussen het strelen van een pruimenbloesemblad en een vrouwenborst.

Het zien van deze prent bracht mij de roman van Tan Twan Eng, De tuin van de avondnevel, in herinnering.

Prachtig van compositie en sfeer is Komura’s prent Riksha, uit 1955. Ogenschijnlijk een impressie van een verliefd stel tijdens een plezierritje, maar in werkelijkheid verbeeldt de prent de laatste reis van Takahashi Oden, een ter dood veroordeelde vrouw op weg naar het schavot … Illustratie in Kunieda Kanji’s roman Oden jigaku, (Odens hel).

Onchi Kōshirō (1891-1955)_Duiken
DUIKEN, Onchi Kōshirō (1891-1955). Kleurenhoutsnede op papier, 1932, P0560. Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

Heel interessant is Onchi Koshiro’s prent Duiken uit 1932, een momentopname. Van een duikende vrouw zien we slechts de romp en nog net het uiterste randje van de duikplank. Het meest typerende kenmerk van de Japanse prent, de afsnijding die kunstenaars als Van Gogh en Gauguin zo aansprak, is hier tot het uiterste doorgevoerd. Onchi maakte de prent speciaal voor een tentoonstelling in het LA. Museum of History, Science and Art, ter gelegenheid van de zomerspelen van 1932 en zou niet misstaan in de tentoonstelling Wild van Water, nog t/m 6 november in het Zuiderzeemuseum (in juni besproken op dit blog).

Komura Settai_Sneeuw in de ochtend
Komura Settai, Sneeuw in de ochtend (1941), Collectie Elise Wessels – Nihon no hanga

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het beeldmiddel van de afsnijding zien we tenslotte ook in de ogenschijnlijk eigentijdse (maar uit de vroege jaren ‘40 daterende) prenten van een Frank Lloyd Wright-achtige Japans huis, Sneeuw in de ochtend en Wilg, beide door Komura Settai. In de laatste zien we door de opengeschoven deuren, bijna mysterieus, een paar instrumenten.

Uehara Konen (1878-1940)_Dotonbori
DOTONBORI, Uehara Konen (1878-1940). Kleurenhoutsnede op papier, 1928, P0762. Collectie Elise Wessels – Nihon no hang

Uehara Konen maakt in 1928 eveneens gebruik van de afsnijding; door een sluier van takken laat hij een verlicht gebouw in de wijk Dotonbori in Osaka doorschemeren.

Tenslotte nog iets over de houtsnede techniek. Deze werd in de 8e eeuw al toegepast voor de verspreiding van boeddhistische teksten. Later gebruikt voor het vervaardigen van zwart-wit geïllustreerde boeken en nog later voor de autonome prentkunst. Rond 1700 verschijnt een toetsje oranje in de zwart-wit prenten; halverwege de 18e eeuw ontstaat de eerste kleurendruk. Het drukken van een kleurenprent, waarvoor een kunstenaar het ontwerp leverde, is het werk van ambachtslieden. Het ontwerp wordt door een kopiist in zwarte contourlijnen overgezet op transparant papier dat vervolgens op een houtblok wordt gelegd. De houtsnijder snijdt het ontwerp door het papier in hoogreliëf uit in het blok. In dit zogenoemde sleutelblok blijft alleen de voorstelling staan. Met zwarte inkt wordt dit basisontwerp afgedrukt op papier, waarin vervolgens de kleuren worden aangegeven. Voor elke kleur wordt heel minutieus een apart kleurblok in hoogreliëf gesneden. Uiteindelijk moeten al die kleurvlakjes als een puzzel precies binnen de eerder afgedrukte zwarte lijnen passen !

Een uitgever als Wataba coördineerde en financierde dit alles voor de Shin Hanga kunstenaars; de individuele Sosaku Hanga hadden het hele productieproces in eigen hand. Door de aardbeving van 1923 zijn de grote uitgeverijen verwoest, waarna aan de stroming van de Shin Hanga na enige tijd een einde komt.

Voor achtergrondinformatie kan ik de prachtige gebonden catalogus aanbevelen:  Marije Jansen, Japan Modern: Japanse prenten uit de collectie Elise Wessels, Rijksmuseum, Amsterdam, 2016.

Museum Nihon No Hanga Museum, Keizersgracht, Amsterdam

Rijksmuseum Amsterdam

Sieboldhuis, Leiden