‘Je liefhebbende Vincent’ Van Goghs mooiste brieven, Van Gogh Museum, t/m 10 januari 2021

Boekomslag Brieven van Vincent van Gogh Troost voor bedroefde harten

Het voorwoord van de in 2009 gepubliceerde zesdelige verzamelband Vincent van Gogh De brieven begint met een aan Johann Wolfgang von Goethe toegedicht citaat: … ‘niet praten, kunstenaar, maar uitbeelden’.

Aan dit advies voor beeldend kunstenaars had Vincent van Gogh géén boodschap. Gelukkig maar. Zijn talrijke brieven -ruim 820- geven op literaire wijze een inkijkje in de turbulente zielenroerselen van de schilder. Ze informeren de lezer niet alleen over zijn gevecht met zichzelf en de hem omringende wereld. Maar de brieven werpen ook licht op zijn inspiratiebronnen en ambities, zijn techniek, materialen, zijn artistieke ontwikkeling en die van bevriende schilders.

Daarnaast geeft de correspondentie met Paul Gauguin en Emile Bernard met ideeën over abstractie, kleur en inspiratiebronnen, een inzicht in de veranderende visie opkunst.

De expositie toont een selectie van veertig brieven uit de handzame bloemlezing: Brieven van Vincent van Gogh, Troost voor bedroefde harten, een bundel met de 76 mooiste brieven voorzien van historische context. Toef Jagers suggestie in de NRC van 27 oktober jl.:  ‘zoek de zeven verschillen’ gaat wellicht te ver, maar de bezoeker kan de authentieke brieven zelf lezen en de daarin geschetste werken vergelijken met de getoonde schilderijen. Dichter bij Vincent van Gogh kun je niet komen. Het idee om de werken in dialoog te presenteren was trouwens van Vincent zelf! Wanneer hij op weg naar Auvers-sur-Oise enkele dagen bij zijn broer Theo en diens echtgenote Jo logeert richt hij in hun appartement mèt briefschetsen naast olieverfschilderijen zijn eerste solotentoonstelling in. Althans als we Irving Stone in de geromantiseerde biografie Lust for Life mogen geloven.  

De subtitel van de huidige tentoonstelling is ontleend aan een brief aan Paul Gauguin, waarin Vincent de wens uitspreekt …’van de schilderkunst [te] maken wat de muziek van Berlioz en Wagner reeds vòòr ons was… een kunst die troost biedt aan bedroefde harten!’

De eerste die het belang van Vincents brieven inzag was zijn vriend Emile Bernard, die de correspondentie al in 1893 liet uitgeven. In 1914 bezorgde Jo Van Gogh-Bonger, de weduwe van Vincents eveneens jonggestorven broer Theo, een uitgave van Vincents brieven aan zijn broer. In 1905 organiseerde zij een grote overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Tussen 1891 en 1925 werden zo’n 200 schilderijen verkocht. Dat was Vincent zelf maar één keer gelukt. Tijdens een expostitie van de kunstenaarsgroep Les XX in Brussel, verkocht hij de Rode Wijngaard aan collega kunstenaar Anna Boch.

Aan het eind van haar leven stelt Jo van Gogh vast dat …’na lange jaren van onverschilligheid van het publiek, de strijd gewonnen is’.

(Buiten tentoonstelling) Vincent van Gogh, Amandelbloesem, 1889. Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Jo van Gogh met haar zoon Vincent Willem op 10 April 1890

Vincents materiële erfenis gaat over op haar zoon Vincent Willem (1890-1978), het neefje voor wie Vincent, geïnspireerd op de Japanse kunst, het doek Amandelbloesem schilderde. In de hoop dat de boreling net zo vasthoudend en moedig zal worden als Vincent, had Theo zijn zoon naar zijn broer vernoemd. Het schilderij, te zien in de vaste collectie, is voor de familie van onschatbare waarde, aldus Theo’s achterkleinzoon Vincent Willem, die als  ambassadeur optreedt voor het Van Gogh Museum. Zijn uiterlijk vertoont onmiskenbaar gelijkenis met zowel Vincent als Theo.

Tussen 1952 en 1954 bezorgde Theo’s zoon Vincent Willem een nieuwe uitgave van de brieven. In 1960 richtte hij de Vincent van Gogh Stichting op. Deze Vincent Willem is de grootvader van de in 2004 vermoorde cineast Theo van Gogh. Zìjn broer Vincent Willem, de voornoemde ‘ambassadeur’, haalt in een interview herinneringen op aan zijn grootvader bij wie het doek met de (één van de vijf) boven de bank hing. Ook bij zijn ouders thuis hingen schilderijen van Vincent in de jaren zestig nog gewoon aan de muur!

Vincent van Gogh, Zonnebloemen, 1889, Amsterdam, Van Gogh Museum
(Vincent van Gogh stichting)

Aan de hand van de briefschetsen en de geëxposeerde schilderijen kan de bezoeker Vincents ontwikkeling volgen. Van zijn vroege nog onbeholpen figuurstudies tot werken waarin zijn stijl tot volle wasdom is gekomen. In Vincents brieven, die ook online beschikbaar zijn, ligt aldus de samenstellers van de tentoonstelling het fundament van de moderne kunst, met Vincent als wegbereider. Maar het was een moeizame weg. Voor het zover was belichaamde Vincent de spreekwoordelijke twaalf ambachten, dertien ongelukken. Tot hij, op aanraden van Theo, besluit om schilder te worden. Voor die tijd werkte Vincent als jongste bediende bij kunsthandel Goupil in Londen. Na zijn ontslag probeerde hij het als hulpprediker en onderwijzer in Ramsgate. Na een afgebroken studie theologie zette hij zich als zielzorger in onder de mijnwerkers in de Borinage. Ook dat werd geen succes. Berooid en mislukt komt hij terug bij zijn ouders. In het degelijke domineesgezin ondervindt Vincent met zijn balsturige aard, weinig begrip. Zijn jongere broer Theo neemt het voor hem op, maar na de zoveelste ruzie in de pastorie, spreekt hij zijn broer per post aan op zijn gedrag. Met deze brief èn Vincents puntsgewijs genoteerde weerwoord begint de tentoonstelling. Onder de noemer Broederliefde worden de vroegste en de laatste brieven getoond. In brief  894 van 30 juni 1890, spreekt Theo zijn zorgen uit over de gezondheid van zijn vrouw en zijn pasgeboren zoontje die -deze allergie bestond dus ook al-  geen koemelk binnen kan houden en nu ezelinnenmelk krijgt. Ook ventileert Theo zijn problemen met zijn werkgevers. Ondanks zijn eigen sores stelt Theo zijn broer gerust: …’weet dat het mij het meeste genoegen doet als jij het goed maakt en als jij bezig bent met je werk, dat prachtig is’

Terug naar de ontwikkeling van Vincent als schilder. Hij is al 27 wanneer hij besluit kunstenaar te worden. Maar ook dat gaat niet vanzelf. Na tekenlessen aan de academie van Brussel komt hij in contact met de schilder Anton Mauve aan wie hij via moederszijde geparenteerd is. Deze adviseert hem om wat kleur in zijn werk te brengen. Wat resulteert in Vincents vroegste schilderijen: Stilleven met Kolen en Klompen en Stilleven met Kweeperen, waarin de bezoeker een voorproefje krijgt van de goudgele tinten van de zonnebloemen die in Arles zullen ontstaan. In één van de brieven meldt hij de aanschaf van een praktisch palet, om in de openlucht te werken en een perspectiefraam, waarmee hij het hier getoonde zeegezicht in het juiste perspectief op het doek kan krijgen.

Vinvent van Gogh, Soepuitdeling in een volksgaarkeuken, Den Haag, maart 1883, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Vincents vroege werk ademt nog de sfeer van de Haagse School en Barbizon. In Den Haag legt hij zich toe op het èchte leven. Boeren, arbeiders en armelui die voor voedsel zijn aangewezen op de gaarkeuken. Nadat hij verschillende malen een blauwtje heeft gelopen vindt Vincent bij de prostituee Sien de liefde, waar hij al jaren naar verlangt. Zorgzaam neemt hij haar en haar kinderen op en geniet van een gezinsleven, maar niet voor lang. Vincents ouders zijn tegen een huwelijk. Op de vraag waar hij haar heeft leren kennen antwoordt hij naar eerlijkheid: …’uh, op straat’… In zijn impressie van de volksgaarkeuken heeft hij haar geportretteerd.

De volgende stappen neemt hij in Drenthe en Nuenen, waar respectievelijk de Onkruid verbrandende Boer en de twee versies van de Aardappeletersontstaan. Hij ploetert eindeloos op het anatomisch correct weergeven van figuren en toepassing van het juiste perspectief, zoals destijds gedicteerd door de kunstacademie. Arme Vincent, korte tijd later maalde niemand hier meer om.

In de getoonde brief zegt Vincent bezig te zijn …aan die boeren om een schotel aardappels’. Ter plaatse heeft hij er bij lamplicht ook nog aan gewerkt. Wanneer de ongehuwde dochter des huizes zwanger blijkt wordt Vincent van Gogh door de dorpelingen als de vader aangewezen. Irving Stone houdt het op de dorpspastoor. In het programma Krabbé zoekt Van Gogh wordt een interessant publiek geheim onthuld. Eén van de nazaten van de aardappeleetster vertelt enigszins besmuikt dat zijn betovergrootvader en zijn eigen pa ook rood haar hadden…

Vincent beschrijft de koppen van de aardappeleters; hij gaf ze ‘zoowat de kleur van een goed stoffigen aardappel, ongeschild natuurlijk’…  Vincent zelf is wel tevreden, maar zijn vriend Anthon van Rappard denkt daar anders over … ’gij kunt meer dan dit gelukkig maar (…)’ gevolgd door een reeks gebreken’. Hij verwijt Vincent dat hij, terwijl hij zich optrekt aan Millet en Breton, zulk broddelwerk levert. Na deze brief was het gedaan met de vriendschap. Tegenwoordig weet vrijwel niemand meer wie Van Rappard was, maar Vincents ‘broddelwerk’ is wereldberoemd!  

In 1888 verruilt Vincent Nuenen voor Parijs. Wegens het ontbreken van correspondentie zijn deze jaren niet vertegenwoordigd in de tentoonstelling. Hij maakt kennis met de avant-garde. Hij snuffelt aan het impressionisme, het neo-impressionisme en absorbeert invloeden van Pisarro, Lautrec, Seurat en Signac, Gauguin en Bernard. In de tentoonstelling In the Picture, met Vincents (zelf)portretten en soortgelijk werk van zijn tijdgenoten werd deze ontwikkeling mooi geschetst. Ga voor een terugblik naar mijn bespreking op deze site.  

Vincents donkere palet wordt in Parijs al kleurrijker, om op zijn volgende bestemming helemaal op te klaren. Aanvankelijk geniet hij van het bruisende grootstedelijke leven, maar al gauw wordt het dynamische bestaan hem te veel. In februari 1888 neemt hij de trein naar het zonnige zuiden. Tot zijn verrassing ligt er bij aankomst in Arles sneeuw; en niet zo’n beetje ook. In een brief aan Theo maakt hij melding van 60 cm! In zijn fantasie komt de landstreek overeen met het gedroomde land dat hij uit Japanse prenten meent te kennen: …’Weet je waarde broer, ik waan me in Japan’…

Vincent van Gogh, landschap met sneeuw, 1888, New York,
Solomon R. Guggenheim museum

Irving Stone komt op veel punten geloofwaardig over, maar in zijn verhaal schijnt de zon onerbarmelijk bij Vincents aankomst. Een journalist waarschuwt hem diezelfde dag nog voor de inwoners van Arles. Door de afwisselende impact van de brandende zon en de mistral zijn deze allemaal gestoord. Op Vincents ongeloof repliceert deze onheilsprofeet …’ wacht maar tot je ze beter leert kennen’... Wetenschappelijk onderzoek naar de nerveuze, opgewonden gesteldheid van de Arlésiens zou volgens deze journalist hebben uitgewezen dat velen van hen epileptische aanvallen krijgen, gevolgd door een ontijdige dood rond het 36e levensjaar.

Hoewel zijn schilderijen ‘nog geen waarde hebben’, twijfelt Vincent er getuige een brief van 16 maart niet aan dat de reis naar het zuiden een succes zal worden: … ‘Ik zie nieuwe dingen en leer, en als ik mijn lichaam een beetje ontzie, dan zal dat het niet laten afweten’…
En inderdaad, onder de brandende zon weet Vincent de natuur op briljante wijze in kleur te vertalen, zoals in het tweede deel van de tentoonstelling te zien is.

In mei barst het voorjaar los; de kleurrijke doeken die zo’n 130 jaar geleden ontstonden, hebben nog niets van hun glans verloren! In een brief van 12 mei beschrijft Vincent een van zijn eerste werken: …Een weide vol felgele boterbloemen, een greppel vol irissen […] op de achtergrond de stad’…In Vincents verbeelding is ook dit beeld net een Japanse droom.

Voorjaarsdronken schildert hij wel vijftien decoratieve doeken met bloesembomen. Ze zijn voor jou, schrijft hij enthousiast aan Theo. … ‘Ik heb nu ook een kleine perenboom in staand formaat, geflankeerd door twee doeken in liggend formaat.’ In de tentoonstelling zijn ze, zoals Vincent het bedoeld had, als drieluik geëxposeerd.
Irving Stone beschrijft ze ook. …’One day he worked in an orchard of lilac ploughland with a red fence and two rose-coloured peach trees against a sky of glorious blue and white’…. Voorzien van de woorden ‘Souvenir de Mauve. Vincent & Theo’ stuurt Vincent het werk als condoléancekaart naar de weduwe van Anton Mauve.   

In Arles vindt Vincent zijn artistieke bestemming, maar in mentaal opzicht raakt hij in de Provence de weg kwijt. Aanvankelijk is hij zeer productief.  Enthousiast huurt hij een huis waar hij een kunstenaarskolonie wil stichten. Als eerste nodigt hij Paul Gauguin uit. Om diens logeerkamer op te fleuren schildert Vincent een reeks doeken met zonnebloemen. Hij arriveert in oktober. Aanvankelijk loopt de samenwerking goed. Dat Gauguin lekker kon koken hielp mee, maar gaandeweg treden irritaties op. Een terugkerend conflict vormt hun verschillende kijk op artistieke inspiratie. Terwijl Van Gogh graag werkt naar voorbeelden in de natuur, beschouwt Gauguin het werken uit de verbeelding als het hoogste goed. Vincent, die Gauguin mateloos bewondert, probeert zijn werkwijze na te volgen, maar het lukt hem niet. Veelbelovend begonnen eindigt hun samenwerking in een fikse ruzie, maar nu loop ik op de zaken vooruit. 

In een (oorspronkelijk voor Gauguin bedoelde) brief aan zijn vriend Eugène Boch schrijft Vincent dat hij sinds het betrekken van het Gele Huis onafgebroken heeft gewerkt. Bij het zien van het meegestuurde schetsje van de Sterrennacht reproduceert mijn auditieve geheugen spontaan de stem van John Denver. De doorgekraste tekst op de achterzijde is ontcijferd en gaat over het verlagen van de prijzen voor schilderijen.

In de herfst van 1888 ontstaan de Slaapkamer, het Geploegde Veld veld met boom en de verschillende versies van De Zaaier. Geschilderd op vierkante doeken. Hij is er naar eigen zeggen maar druk mee, ‘want ze moeten dienen als decoratie voor het huis’, schrijft Vincent begin oktober aan zijn vriend Émile Bernard.

In de brief aan Theo beschrijft Vincent het schilderij in wording: …’Deze keer is het gewoon mijn slaapkamer, maar de kleur moet het hier doen en moet hier rust of slaap in het algemeen suggereren… het moet rust geven aan het hoofd… de muren zijn bleek violet; op de vloer liggen rode plavuizen. ’ Het bed en de stoelen zijn ‘geel als verse boter’, het laken en de kussens heel helder citroengroen, het dek  ‘scharlakenrood’, het raam groen. De toilettafel oranje, de waskom blauw de deuren lila… De kleuren, maar ook de stevige meubels moeten ‘onverstoorbare rust’ uitdrukken’.

Een dag later schrijft hij een brief aan Gauguin (nr. 706) met dezelfde informatie voorzien van een schets van de slaapkamer plus kleuraanduiding. Ontroerend vind ik het hoedje dat achter het bed aan een kapstokje hangt! Vincent maakte nog twee vrijwel identieke versies. Deze bevinden zich in het Musée d’Orsay en het Art Institute in Chicago. Tijdens een restauratie van het exemplaar in het Van Gogh Museum, werd aan de hand van Vincents eigen woorden en originele kleurresten onder de lijst ontdekt dat sommige tinten in de loop der tijd verkleurd zijn. Zo waren de wanden en de deuren oorspronkelijk lila van kleur.

George Sales, Cuong Tran, Vincent van Gogh’s Slaapkamer uit 1888. Future ID’s project. Foto MM

Vlak voor de tweede lockdown bezocht ik 4 november jl. de tentoonstelling This is America in Kunsthal Kade. Bij het zien van een video van Gregory Sale ging er een schok door mij heen. In zijn project Future ID’s voor gedetineerden laat hij hen voor de toekomst een nieuwe identiteitskaart maken met een gedroomd nieuw beroep. Als achtergrond voor zijn kaart koos een van hen, Cuong Tran, Vincents Slaapkamer. Jammer dat Vincent de vervulling van zìjn toekomstdroom niet meer heeft mogen meemaken: zijn werk als troost voor bedroefde harten

Ook van een ander iconisch werk de Zaaier, zijn briefschetsen van verschillende versies te zien.

…‘Dit is een krabbel van het laatste doek dat ik onder handen heb, weer een zaaier. Immense citroengele schijf als zon. Geelgroene hemel met roze wolken. De grond violet, de zaaier en de boom Pruisisch blauw, geschilderd op een doek van 30…’ Dankzij dit formaat is bekend dat het in deze brief gaat om de grote versie van de Zaaier. In de expositie wordt de kleinere versie getoond.

In één van de vitrines ligt de zogenoemde ‘bordeelbrief’; welke het museum deze zomer via de Stichting voor € 210.600 wist te verwerven. Een uniek document, al zie je het belang er niet meteen aan af. In deze aan Emile Bernard gerichte brief is behalve Vincent ook Paul Gauguin aan het woord. Vincent vertelt Bernard dat hij erg geïnteresseerd is in Gauguin ‘als mens’, die hij omschrijft als …’een ongerept wezen met de instincten van een wilde’ […] bij wie ‘instinct en seks boven ambitie’ gaan Waarmee de in de brief genoemde uitstapjes naar de bordelen als werkplek voor toekomstige doeken verklaard zijn. Gauguins op Vincents gelijknamige doek geïnspireerde Nachtcafé, met nachtbrakers is daarvan een eerste voorbeeld.  

Vincent van Gogh, Het nachtcafé, 188, Yale UniversityArt Gallery, New Haven CT

Interessant zijn Vincents profetische uitlatingen over een nieuwe [kunst]wereld, waarin Gauguin en hij als tussenpersonen fungeren. Volgens Vincent zal een volgende generatie daarin pas slagen, maar Gauguin ziet voor zichzelf in de nabije toekomst al een vernieuwende rol. Van Gogh heeft ook ideeën over de nieuwe kunstenaar:  

’in ons ellendige beroep van schilder [is] behoefte aan mensen met de handen en de maag van een arbeider. Met een natuurlijker smaak –met een amoureuzer en menslievender temperament dan de decadente en afgeleefde boulevardier in Parijs’…   

In Van Goghs ogen beantwoordt het ‘ongerepte wezen’ Gauguin helemaal aan dit profiel.

Schets van dr. Felix Rey toont de coupure van het gehele oor

Aan de samenwerking met Gauguin komt op 23 december 1888 een abrupt einde. Na een heftige ruzie pakt Gauguin zijn biezen. In een vlaag van verstandsverbijstering snijdt Vincent zijn oor af. Gewikkeld in een stuk papier geeft hij het bloederige pakketje ter attentie van een zekere Rachel af bij het lokale bordeel. Met de recente vondst van een brief van Dr. Felix Rey aan de schrijver Irving Stone is de onzekerheid over Vincents automutilatie weggenomen. Hierin geeft Vincents toenmalige arts een gedetailleerde schets van de coupure, waaruit blijkt dat de schilder zijn gehele oor afsneed. 

Lezend over deze wanhoopsdaad denk je: van de gekke! Maar verstandig -dat weer wel- laat Vincent zich vrijwillig opnemen in het psychiatrische ziekenhuis St. Paul in Saint-Rémy-de-Provence. Hier ontstaan Vincents meest ontroerende werken. Zoals Veld met een Ploeger, 1889. Getoond met een briefschets van 2 september 1889.

…’Gisteren ben ik weer een beetje begonnen met werken. – Iets wat ik uit mijn raam zie- een geel stoppelveld dat wordt geploegd. […] Het werk leidt me oneindig meer af dan wat dan ook en als ik me er eens met al mijn energie op kon storten, dan zou dat wellicht de beste remedie zijn’…

Behalve eigen werk legt Vincent zich in de inrichting ook toe op het kopiëren van bewonderde meesters, zoals de Opwekking van Lazarus naar Rembrandt; gesitueerd in een landschap van blauwe heuvels en een gele opgaande zon.’

Van Gogh, Korenaren, 1890, Van Gogh Museum

Behalve brieven bevat Vincents nalatenschap ook een aantal documenten, waaronder een onvoltooide en niet verstuurde brief aan Paul Gauguin met een letterlijk en figuurlijk poëtische, suggestieve schets van close-up geschilderde Korenaren. …’waarvan de verschillende tinten ‘één geheel van groen vormen, dat door de vibratie zou doen denken aan het zachte ruisen van de korenaren die heen en weer wiegen in de wind.’…  

Hoewel de landschappelijke omgeving hem troost biedt, valt de eenzame afzondering in St. Rémy hem zwaar. Wanneer het hem in 1890 ogenschijnlijk beter gaat wordt Vincent door Dr. Felix Rey ontslagen. Hij vertrekt naar Auvers-sur-Oise, waar Dr. Paul Gachet hem in hedendaags jargon, nog een beetje zal coachen. Dr. Gachet, specialist in zenuwziektes, vond naast zijn praktijk tijd om –niet onverdienstelijk- te schilderen. Onder het pseudoniem Paul van Rijssel exposeerde hij zelfs in de Salon des Indépendants van 1872. Uit een brief van 3 juni 1890 blijkt er nog een raakvlak te zijn voor de vriendschap tussen geneesheer en patiënt. Vincent schrijft Theo dat de dokter net zo gestoord is als hijzelf: …hij lijkt mij zeker even ziek en verdwaasd als jij en ik’…

In dit laatste deel met brieven uit Auvers-sur-Oise bereikt de tentoonstelling een emotioneel hoogtepunt.  Aandoenlijk is de brief van 2 juli 1890, waarin Vincent overweegt naar Parijs te komen om Theo en Jo te helpen met hun zieke zoontje. Ze zouden er echter beter aan doen om met het kind naar het gezonde platteland te komen. Ook in deze brief maakt hij hen deelgenoot van zijn meest recente schilderijen: twee landschappen en een meisjesportret dat me bekend voorkomt. Jaren geleden zag ik Meisje in Wit in de National Gallery in Washington.


Vincent van Gogh , Girl in White, 1890, oil on canvas, Chester Dale Collection, National Gallery of Art, Washington (buiten tentoonstelling)

In de laatste aan Theo verstuurde brief van 23 juli 1890, spreekt Vincent zijn bezorgdheid uit over de financiële situatie. Hij verzekert Theo dat hij hard werkt. Prachtig is de schets van de tuin van de door hem bewonderde Daubigny. Vier dagen voor hij zich op 29 juli 1890 in de borst schoot, klopte Vincent aan bij diens weduwe om even in de tuin te mogen kijken. Bij de aanblik daarvan overvalt hem een onbedwingbare lust om de bloemenpracht vast te leggen. Bij gebrek aan schilders-linnen overhandigt Madame Daubigny hem een inmiddels legendarisch geworden theedoek!

Kennelijk voelt Theo het naderende onheil. Naar aanleiding van deze brief schrijft hij aan zijn vrouw Jo: ‘Wanneer zal er voor hem eens een gelukkigen tijd aanbreken?’

Het antwoord is inmiddels bekend. Niet voor Vincent en evenmin voor Theo en Jo. Een half jaar na Vincents dood, komt Theo eveneens te overlijden. Ook hij leed aan ernstige psychiatrische problemen, die waarschijnlijk veroorzaakt werden door syfillis. Beide vonden in de Auvers-sur-Oise hun laatste rustplaats.

In de laatste vitrine ligt ook een brief aan Vincents zus Willemien, waarin hij aan de hand van een schets van de Arlesienne toelicht dat hij het karakter in zijn portretten middels kleur tot uitdrukking wil brengen.

Droevig slotakkoord vormt Vincents allerlaatste, niet verstuurde brief aan Theo van 23 juli 1890, die op Vincents gewonde lichaam werd gevonden. 

Laatste (niet verzonden) brief van Vincent aan Theo (Vincent van Gogh Stichting)

De inhoud van de brief lijkt doodgewoon: een woord van dank voor de zojuist ontvangen 50 francs. Een woord van begrip voor de zware taak van Theo om een kind op de vierde verdieping op te voeden. Maar dan komt hij, ogenschijnlijk terloops, tot de kern van de zaak. Hij betreurt het dat Theo niet op waarde wordt geschat door zijn werkgevers: …’jij bent iets anders dan een eenvoudige handelaar in Corots, via mij heb je zelf deel aan de productie van sommige doeken die zelfs in de ontreddering hun kalmte behouden. Want zo staat het met ons en dat is alles of tenminste het belangrijkste wat ik te zeggen heb op een moment van betrekkelijke crisis… Op een moment dat de verhoudingen tussen handelaren in schilderijen –van overleden kunstenaars- en levende kunstenaars erg gespannen zijn. Welnu, mijn werk, daarvoor riskeer ik mijn leven en het heeft me de helft van mijn verstand gekost’… schrijft Vincent op 23 juli 1890De dramatische inhoud wordt versterkt door de vlekken, maar onderzoek heeft uitgewezen dat het geen bloedvlekken zijn.

Voor Vincent’s leven was dat einde verhaal, maar kort hierna kreeg hij naamsbekendheid en begon zijn werk te verkopen. Begin twintigste eeuw gingen bewonderaars op bedevaart naar het ‘land van Vincent’: in Brabant, Arles en Auvers-sur-Oise. Terwijl ik deze woorden schreef werd deze zomer bekend dat de plek waar Vincent zijn allerlaatste schilderij, de Boomwortels, maakte was ontdekt. Nabij het adres waar hij zijn laatste weken doorbracht in Auvers-sur-Oise.

Tijdens de lockdown kwam Wouter van der Veen, directeur van het Instituut Van Gogh in Auvers-sur-Oise, eindelijk toe aan het doornemen van wat oude documenten. Bij het zien van een oude ansichtkaart ging er een schok door hem heen. Naast een wandelaar met een fiets herkende hij de heuvelrand met grillige boomwortels uit Vincents schilderij!

 …’De mensen die jaarlijks in Auvers […] komen kunnen […]  een ontroerende ervaring toevoegen aan hun bezoek; en […]  op de exacte plek gaan staan waar van Goghs penselen voor het laatst het doek hebben geraakt’, aldus het persbericht.

Om souvenirjagers géén kans te geven is uit voorzorg een hek voor de bezienswaardigheid geplaatst. In de NRC van 7 oktober jl. las ik dat dit hek onlangs vervangen werd door een houten schutting. Ten gevolge van een kleinzielige kwestie zijn de boomwortels nu aan het zicht onttrokken. Wat is het geval? Een speciale editie van Van der Veens publicatie wordt ingeleid met een woordje van de president van het departement. Dit is de burgemeester van Auvers, die zich gepasseerd voelt, in het verkeerde keelgat geschoten, resulterend in juridisch geharrewar over de vraag van wie die boomwortels eigenlijk zijn; de eigenaar van het landgoed of de gemeente.

Het boek dat Van der Veen over deze ontdekking publiceerde is gratis te downloaden.

Op het eerste gezicht lijkt dit schilderij een wirwar van bonte kleuren en grillige abstracte vormen; reden waarom kunsthistorici in het verleden typeerden als het begin van de abstracte kunst! Maar bij nadere beschouwing …’zie je dat het een helling met boomstammen en –wortels voorstelt. Het zijn hakhoutbomen boven op een mergelafgraving, zoals die rond Auvers te vinden waren. Het werk is niet helemaal voltooid. Dat verklaart het onafgewerkte karakter. Waarschijnlijk is het Van Goghs allerlaatste schilderij. Andries Bonger, zwager van broer Theo, beschreef het in een brief:

…Den morgen voor zijn dood had hij een sousbois [bosgezicht] geschilderd, vol zon en leven’…

De schilderijen in de tentoonstelling bieden met werk uit de vaste collectie en eerdere tentoonstellingen, een feest van herkenning. In Vincent aan het Werk, de expositie De Waanzin Nabij en onlangs nog nog in In the Picture met Portretten van Vincent and friends, kon de bezoeker door over zijn schouder mee te kijken Vincent al beter leren kennen.

In deze expositie komen we middels Vincents eigen woorden, geschreven in momenten van twijfel, boosheid, hoop en wanhoop nòg dichter bij de kunstenaar die tijdens zijn leven zo weinig begrip en waardering vond. 

Aan waardering ontbreekt het al lang niet meer en dankzij deze tentoonstelling komt het met begrip voor Vincent nu eindelijk ook wel goed! Beter laat dan nooit!

Bibliografie:

N. Bakker e.a., Brieven van Vincent van Gogh: Troost voor bedroefde harten, Van Gogh Museum Amsterdam, 2020. 

N. Bakker & L. Smit e.a., In the Picture: Kunstenaarsportretten, Van Gogh Museum Amsterdam, 2019.

N. Bakker e.a., De Waanzin nabij: Van Gogh en zijn ziekte, Van Gogh Museum, Amsterdam, 2016.

M. Vellekoop e.a., Vincent aan het Werk, Van Gogh Museum Amsterdam, 2013.

L. Jansen e.a., Vincent van Gogh – De Brieven: de volledige, geillustreerde en geannoteerde uitgave, 6 dln, Asterdam, Brussel en Londen, 2009.   

Links naar…: 

Vincent: de Brieven http://vangoghletters.org/vg/

Mijn artikel bij de tentoonstelling: in the picture

Van Gogh Museum, Amsterdam

Kröller Müller Museum, Otterlo  

This is America, Kunsthal KAdE, Amersfoort tot en met 3 januari 2021.

Kunsthal KAdE gevel met: Hank Willis Thomas, All Li es Matter, St. Louis, Missouri, For Freedoms’ 50 State Initiative, 2018. In collaboration with Projects+Gallery

Vlak voor de tweede Corona-sluiting loop ik op 4 november naar Kunsthal Kade. Het lijkt erop of uit een spreuk op de voorgevel een letter is gevallen… All LI  ES MATTER, maar als snel realiseer ik me dat het een zinspeling is op de veelgehoorde leus  Black lives Matter èn het land waar de leugen regeert: welkom in America today.

De tentoonstelling is in het licht van de bizarre verkiezingstaferelen van deze dagen actueler dan ooit. De getoonde kunstwerken evoceren soms in bedekte, maar veelal met openlijke verwijzingen de problemen van deze tijd. De bovenzaal is helemaal gewijd aan het probleem president Donald Trump. Al blijkt dat niet iedereen hem als zodanig zo beschouwt. In een vierluik van Trump-fan Jon McNaughton zien we Trump met wapperende kuif rijdend op een Harley Davidson met Melania op de sissy bar en in de achtergrond het Capitool.

Jon McNaughton MAGA RIDE Trump on a patriotic motorcycle with Melania. The American people are cheering for their president.

Maar niet elke kunstenaar is geporteerd van de nog zittende president. In een video van Eugenio Merino, Freedom Kick, 2020 loopt een jongeman langs de gehate Mexicaanse muur om even later een partijtje voetbal te gaan spelen met ….. het keurig geverfde en gekapte hoofd van Trump! 

Installation view ‘This Is America | Art USA Today’, Kunsthal KAdE 2020. Andres Serrano, The Game: All Things Trump, 2019, courtesy of the artist and a/political. Photo: Mike Bink

In deze zaal heeft ook Andres Serrano’s fotoportret van de president een plek gekregen en diens meterslange verzameling All Things Trump; een netjes geordende uitdragerij van Trump parafernalia: bekers, gebruiksvoorwerpen, petten, tabloids met seksschandalen, trofeeën… you just name it! Ook jeugdportretten toen hij er nog lang niet (zo) gek uitzag! Objecten die bij mij veelal ergernis, maar soms ook lachlust opwekken, zoals een met Rosie O’Donnell als Scarlett O’Hara vozende Trump op de cover van een persiflage van Gone with the Wind; als Gone with the Windbags in 2007 gepubliceerd door MAD Magazine.

Gone with the windbags, Mad Magazine #476 April 2007 Trump and Rosie
kiss and make up?

Al ruim vòòr de verkiezingsuitslag werd Trump met de afkondiging van fictieve nieuwe herdenkingsmomenten door een groep activistes afgeschreven.

Guerrilla Girls, Trump Announces New Commemorative Months, 2016, poster, Courtesy by the artist

Vanaf de verhoging blik ik de zaal in, waar de bezoeker in de vorige tentoonstelling Tell me Your Story ook al indringende beelden te zien kreeg. Impressies van de inmiddels in een nachtmerrie veranderende American dream. Deze keer is de impact nog heftiger. Midden in de zaal staat, neus in de grond en achterbumper omhoog, als een enorme totem de door de Afro-Amerikaanse kunstenaar Hank Willis Thomas nauwkeurig gereconstrueerde rode Dodge Charger; de scheurbak van de Dukes of Hazard. De populaire televisieserie, waar mijn zoontje in de vorige eeuw met rode wangen naar zat te kijken. Evenals hij en waarschijnlijk talloze andere kijkers, wist de kunstenaar destijds niet dat er behalve simpel vermaak in de tekst en de vlag op de auto ook nog betekenis zat.

De confederale vlag en het opschrift General Lee verwijzen naar het slavernij verleden. Toen hij dit besefte richtte Thomas de gecrashte Dodge op als monument voor een slaafvrije maatschappij. In de burgeroorlog van 1861-1865 moest General Robert E. Lee, opperbevelhebber van de Zuidelijke Geconfedereerde Staten het onderspit delven. Zijn overgave is de geschiedenis in gegaan als ‘a Suspension of Hostilities’; deze woorden gaf Thomas als titel aan deze ‘sculptuur’. Na de burgeroorlog werd de slavernij, waar Lee een voorvechter van was, afgeschaft

Installation view ‘This Is America | Art USA Today’, Kunsthal KAdE 2020. Hank Willis Thomas, A Suspension of Hostilities, 2019. For Freedoms’ 50 State Initiative, 2018. Photo: Peter Cox

De tentoonstelling This is America is gebaseerd op de ervaringen en ontmoetingen van directeur Robbert Roos die vorig jaar een roadtrip door de VS maakte. De in de expositie getoonde geschilderde, gebeeldhouwde, geborduurde, uit collages opgebouwde en in video’s vastgelegde beelden wekken beurtelings belangstelling, verwondering en boosheid. Soms ook ontroering, zoals de video van Gregory Sale’s project Future ID’s. De voor de camera op het gevangeniseiland Alcatraz vastgelegde confessies van gedetineerden, hun saamhorigheid en hoop voor de toekomst maakten diepe indruk op mij.

George Sales, Cuong Tran, Vincent van Gogh’s Slaapkamer uit 1888.
Future ID’s project. Foto Marina Marijnen

Voor nà hun ontslag liet Sale de veelal kansloze gedetineerden een nieuwe identiteitskaart maken met het gedroomde beroep dat ze na hun vrijlating hopen uit te oefenen. En dat biedt perspectief, want niet alleen hun verblijf binnen de muren van de Amerikaanse gevangenis is troosteloos: hetzelfde geldt voor hun toekomst daarbuiten. Als ex-gedetineerden zijn ze in Amerika meer nog dan in Europa gestigmatiseerd voor het leven. Ze komen niet meer in aanmerking voor (de betere) banen; ze mogen niet meer stemmen en kunnen geen leningen of hypotheek krijgen. Tja, en dan? Aansluiten achter de rij van daklozen en verslaafden?
We zagen ze tijdens onze reizen door Amerika bij uitvalswegen staan. Niet alleen oude zwervers, maar ook jonge schamel geklede meisjes met kartonnen borden: I am Hungry. Na het aanpakken van een paar dollars gaven ze je nog een zegen mee: God Bless you! Want ook dat is Amerika.
Als achtergrond voor zijn nieuwe ID koos een van hen, Cuong Tran, Vincent van Gogh’s Slaapkamer uit 1888. Jammer dat Van Gogh dit niet meer kan meemaken: zijn werk als troost voor bedroefde harten!  Subtitel van de brievententoonstelling die in het Van Gogh Museum nog tot en met 10 januari te zien is.

Een rondgang door de zalen biedt verontrustende beelden van de dagelijkse realiteit in Amerika. Tot voor kort het land dat voor (bijna) de hele wereld hèt ijkpunt was op economisch en technologisch gebied, kunst en mode. Het land waar vrijheid en gelijkheid hoog in het vaandel staan. Althans in de grondwet. De expositie Tell me Your Story toonde ook al schokkende beelden van het tegendeel. Dareece Walker gaf in zwart wit een monumentale impressie van het gewelddadige politie optreden in Ferguson, met daarin centraal de bloedovergoten doodskist van Michael Brown, die in 2014 door de politie werd doodgeschoten. Bij het inrichten van die tentoonstelling begin dit jaar, was George Floyd nog in leven en vrijwel niemand wist van zijn bestaan (!). In de huidige tentoonstelling zien we wederom beelden van Black Lives Matter, en andere protesten tegen discriminatie, geweld en onderdrukking. Niet alleen van zwarte en gekleurde onderdanen, maar ook van minderheden als de oorspronkelijke bewoners van het continent en LHBt’ers.
Beelden van erbarmelijke omstandigheden veroorzaakt door armoede, honger, verslaving en ziekte. Problemen die door het ontbreken van een nationaal programma voor Health Care alleen maar toenemen. Fijntjes geïllustreerd met  een poster waarop een baby te zien is met opschrift:

Welcome to America: the only industrialised country without national healthcare.

De keerzijdes en de rafelranden van America today worden in beeld gebracht door kunstenaars die, aldus Robbert Roos, meer dan in Europa niet alleen in de geest politiek bewust zijn, maar ook hands-on. Zij uiten hun maatschappelijke betrokkenheid in beelden van de dagelijkse realiteit. En dat is in tijden van Trumps geschetter: America First: Make America great again, hard nodig. Nog steeds verbijsterend dat er miljoenen Amerikanen achter deze demagoog staan.
Alle genoemde minderheden en onderdrukte bevolkingsgroepen hebben in de tentoonstelling een stem en/of gezicht gekregen.

We gaan nog even naar de veelbesproken roestbruine muur tussen El Paso en Juarez, die Trump wilde versterken en uitbreiden. Die muur, in lokaal jargon aangeduid als de ‘cut-off’, werd overigens al in 1993 gerealiseerd, maar pas na 9/11 streng bewaakt.  De tweedeling dateert van 1848, toen de helft van Mexico aan de VS werd verkocht, waarmee Californië, New Mexico, Arizona en Texas bij de VS kwamen. In het Amerikaanse El Paso en het aangrenzende Juarez heerst een vruchtbaar klimaat voor kunstenaars. Geïnspireerd door nostalgie naar de tijd van vòòr de afsluiting en boosheid daarover in de huidige tijd. Daarvan getuigen indringende murals van LosDos, achter welke naam een echtpaar schuilgaat,  in het straatbeeld van El Paso, die in de tentoonstelling vertegenwoordigd zijn alsook het foto- en videowerk van respectievelijk Alejandra Aragon en Haydee Alonso. 

LosDos, Sister Cities/Cuidades Hermanas, muurschildering El Paso.

In de tentoonstelling is ook werk van kunstenaars uit New Orleans te zien. De mooie, maar wegens haar koloniale geschiedenis beruchte, stad werd in 2005 zwaar getroffen door de orkaan Katrina. Ook Gina Phillips raakte haar huis kwijt. Met een speciale quilt-machine voorzien van een ‘lange arm’ tekent zij portretten met naald en draad op textiel dat door de relatie met bepaalde personen betekenisvol voor haar is.

Gina Phillips, Kiyoko and Koji, 2016. Courtesy of JONATHAN FERRARA GALLERY, New Orleans

Julie Buffalohead, Round 3: Counting Coup on Cheerleaders, 2014. Courtesy of Highpoint Editions and the Artist

Ook van de oorspronkelijke bewoners en de tot slaaf gemaakte nieuwkomers zijn interessante, kleurrijke en betekenisvolle werken te zien. Zoals de op de mythologische verhalen van haar voorouders in Dakota terratory geïnspireerde creaties van Julie Buffalohead. Van het konijn en de coyote die in die verhalen bedrieglijke personages zijn heeft zij haar handelsmerk gemaakt. Verwerkt in betekenisvolle scènes in acryl, inkt en grafiet op papier stelt ze ook het huidige debat over de status van indianen en de pijpleiding in North Dakota aan de orde, zoals Round 3: Counting Coup on Cheerleaders uit 2014. 

Interessant is ook de kleurrijke collage van traditionele kleding van de uit El Paso afkomstige Troy Michie. In zijn werk staan vragen over ras, sekse en gender centraal in het licht van identiteit en macht. Middels Jeffrey Gibson’s ‘boksbal’ met veelzeggende titel: Can you feel it?  worden deze kwesties eveneens aan de orde gesteld.

Nazaten van de tot slaaf gemaakten zijn talrijk in de VS. Ook in Amersfoort wordt hun stem gehoord en hun kunst getoond. Zoals in de fotoreportages van verschillende Slave Rebellion Reenactment performances. Waarmee de slavenopstand van 1811 in het zuid-westen van New Orleans op initiatief van Dread Scott wordt herdacht. Niet zozeer om tegen bestaande slechte maatschappelijke ontwikkelingen aan te schoppen, zegt hij in het interview met Robbert Roos, maar met zijn performances wil hij dromen over een andere wereld gestalte wil geven. Voor dat doel bracht hij vijfhonderd mensen in historische kostuums op de been.  

Documentation of Slave Rebellion Reenactment, a community engaged performance initiated by Dread Scott. Performend November 8-9, 2019 in the outskirts of New Orelans. Photographed by Soul Brother

Catharine Opie maakt politieke collages en animaties geïnspireerd op vragen over de Amerikaanse identiteit en en andere maatschappelijke kwesties. In de tentoonstelling is een indrukwekkende animatie te zien, waarin het wapens regent! 

Aan het einde van de rondgang, links van de rode Dodge hangt werk van Celeste Dupuy-Spencer. Posters en collages met knipsels en beeldfragmenten. Ook zij kaart met haar werk kwesties aan rond de rechtstaat, de democratie, het juridisch systeem en evenals Catherine Opie, de wapenlobby. Om haar boodschap extra kracht bij te zetten mag de bezoeker bij het verlaten van de tentoonstelling een poster meenemen. Ik kies van Celeste Byers, We Are American.

In het begeleidende boek staan veel interessante interviews van Roos. Zo sprak hij met Hank Willis Thomas, met wiens monument voor een slaafvrije maatschappij de bezoeker bij binnenkomst al kennis heeft gemaakt. Hij is een van de vertegenwoordigers van het For Freedoms-Project.  Deelnemende kunstenaars proberen de Amerikaanse samenleving op een positieve manier te be-ïnvloeden.                                                                               
Met een toepasselijke keuze uit de serie van vier For Freedoms Posters besluit ik mijn impressie van de tentoonstelling This is America. De poster die staat voor een grondrecht dat vandaag de dag niet alleen in Amerika en Frankrijk, maar (helaas)  ook in ons land actueler is dan ooit:

For Freedoms poster, Hank Willis Thomas and Emily Shur, in collaboration with Eric Gottesman and Wyatt Gallery, design:Albert James Ignacio and text by Marc Gottesman

Boek bij de tentoonstelling:
Robbert Roos, This is America, reisverslag van een road trip door de Verenigde Staten, Kunsthal; KAdE Amersfoort, september 2020

Link naar Kunsthal KAdE: This is America

Lees ook mijn bespreking van de tentoonstelling: Tell me Your story

En lees binnenkort meer over de tentoonstelling: Vincent van Gogh, troost voor bedroefde harten

Body Language; het lichaam in de Middeleeuwse Kunst. Tot en met 17 januari 2021 in Museum Catharijne Convent

Melk en bloed van Maria en Jezus, detail van Triptiek met de kruisiging en buitenluiken met de levensbron. Meester van de Aanbidding te Antwerpen, 1520. Collectie The Phoebus Foundation, foto Marco Sweering

….’Wandelende heiligen zonder hoofd, beelden van Jezus die als een druif wordt uitgeperst en wonden in de vorm van vagina’s’…. Met deze introductie wordt de bezoeker welkom geheten in de belevingswereld van de middeleeuwen. In de tentoonstelling Body Language staat het menselijk lichaam centraal. Realistische, soms gruwelijke beelden van Jezus, Maria en martelaren, bedoeld als stimulans bij meditatie en gebed. Deze afbeeldingen werden als troostrijk ervaren. Anno 2020 wekken ze veeleer afschuw, maar gepresenteerd in de historische context worden ze begrijpelijk, mooi en soms zelfs humoristisch.

Alexamenos aanbidt zijn god Palatijn,
2e eeuw na Chr.

In de vroegchristelijke kunst wordt de gekruisigde Christus nog niet afgebeeld. De kruisdood was voor misdadigers. In deze ingekraste muurtekening uit de tweede eeuw wordt zelfs de spot met hem en zijn volgelingen gedreven: Alexamenos aanbidt zijn van een ezelskop voorziene god.

Processiekruis met Christus als Koning. Ca. 1150. Maasland. Collectie Catharijneconvent.

Scènes met Christus aan het kruis ontstaan pas in de 4e eeuw. Nadat keizer Constantijn christenen in 313 vrijheid van godsdienst had verleend, verhief keizer Theodotius het christelijk geloof in 380 tot staatsgodsdienst. Een koningskroon en kostbare lendendoek verlenen het geknakte lichaam nog enige waardigheid. Na de elfde eeuw wordt Jezus steeds meer als mens van vlees en bloed uitgebeeld, compleet met realistische lichaamsbeharing.

Het bloed van Christus dat ter vergeving van de zonden der mensheid werd vergoten speelt in devotionele afbeeldingen een prominente rol. Hoe bloederiger de afbeelding, des te meer voelde de gelovige zich emotioneel aangesproken. Van Jezus’ zijdewond waaruit dat bloed stroomde was het in de voor ons onnavolgbare middeleeuwse gedachtegang, slechts één stap naar de 90 graden gedraaide afbeelding van die wond naar een… vagina. Uit beide openingen werd symbolisch- respectievelijk letterlijk nieuw leven geboren. Onwrikbare middeleeuwse logica!

Tijdens een voorbezichtiging lichten de conservatoren Wendelien van Welie en Annabel Dijkema het voor hedendaagse toeschouwers nogal bizarre exposé van ernstig gemutileerde figuren enthousiast toe. En dat is nodig, want Middeleeuwse kunst is niet erg populair. Het en detail uitgebeelde lichamelijk lijden zorgt in onze tijd voor ongemak. Middeleeuwse kunst spreekt een verloren taal, met beelden waaraan wij andere dan destijds bedoelde interpretaties geven. Melk spuitende borsten of een heilige die zijn hand uitstrekt naar het kruis van het Christuskindje; wat moeten we daarmee? Het devies luidt: goed kijken, dan geloof je je ogen niet! Ogenschijnlijk saaie heiligen veranderen in interessante figuren. In de tentoonstelling wordt die verloren middeleeuwse beeldtaal weer leesbaar. De corona crisis bood indachtig de vele pestepidemieën in de middeleeuwen bovendien een link naar de actualiteit. Bij uitbraken van de pest kon de middeleeuwer behalve de heilige Rochus ook Jezus aanroepen. Bij binnenkomst wordt de bezoeker geconfronteerd met een 14e eeuws kruisbeeld van Jezus bedekt met pestbuilen. Door ons als afschuwwekkend ervaren, maar troostrijk voor de zieke middeleeuwer: ook Jezus heeft als mens geleden.

Bij de zinsnede …’Wandelende Heiligen zonder hoofd’…. verscheen de San Miniato al Monte in Florence voor mijn geestesoog. Gebouwd op de plek waar de onthoofde martelaar zijn hoofd eigenhandig had neergelegd. Een soortgelijk verhaal, maar dan andersom, ligt ten grondslag aan het heiligdom van Habibi Neccar, een joodse timmerman die om zijn bekering tot het christendom werd onthoofd. De locatie werd bepaald door het eindpunt van zijn wegrollende hoofd, aldus Kefa Allush in de EO serie Jezus van Nazareth verovert de wereld. In de tentoonstelling komen we ook zogenoemde cefaloforen tegen; heiligen die met hun eigen hoofd aan de wandel gingen. Zoals Valérie, present in een prachtig solitair opgesteld sculptuurtje uit het Louvre. Onthalst door een afgewezen aanbidder bracht zij haar hoofd eigenhandig naar bisschop Martialis van Limoges. Haar relieken werden in de crypte van de naar hem genoemde kerk bijgezet. Ook Dionysius van Parijs raapte zijn hoofd na executie op. Van Montmartre, de berg van de martelaar, wandelde hij naar de plek waar de kerk van Saint Denis zou verrijzen.

De heilige Valérie met haar hoofd in haar handen, Nevers, 1475-1500.
Collectie Museé du Louvre

Op de vraag wat deze merkwaardige voorstellingen ons nu nog kunnen vertellen wordt in de begeleidende publicatie dieper ingegaan. Zo wordt het opvallende verschil tussen middeleeuwse uiterst realistische afbeeldingen van het menselijk lichaam en voorbeelden daarvan uit de klassieke oudheid uitgelegd. Grieken en Romeinen kozen voor hun goden een geïdealiseerde beeldtaal. 

Het lichaam van Jezus speelt dankzij zijn eigen woorden een belangrijke rol in de beeldende kunst. Tijdens de laatste maaltijd met zijn volgelingen sprak hij bij het delen van brood en wijn de volgende woorden: …’dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed, doet dit te mijner gedachtenis’… (Lukas 22: 19-20). In reformatorische kerken worden deze woorden bij de viering van het avondmaal symbolisch herdacht. In de Rooms Katholieke kerk worden ze letterlijk genomen. Dat brood en wijn tijdens de zogenoemde transsubstantiatie echt in het lichaam en bloed van Christus zou veranderen wilde er bij veel gelovigen niet in…. Ook Paus Gregorius de Grote (540-604) had zijn twijfels, tot een teken van hogerhand deze wegnam. Tijdens de mis verscheen Christus op het altaar. Engelen vingen het bloed dat uit zijn zijdewond stroomde op in een miskelk. In afbeeldingen van de Gregoriusmis en voorstellingen van Jezus als mystieke wijnpers wordt dit wonder voor middeleeuwse beschouwers geloofwaardig.   

Meester van de Heilige Sippe (ca. 1486, Gregoriusmis, met Paus Gregorius, de heilige Potentinus, Andreas en abt Reiner Hundt. Uit de parochiekerk van Sint-Andreas in Steinfeld.

De fascinatie of beter obsessie met het bloed van Christus bereikt in het unieke Bloedboek uit de British Library een bizar hoogtepunt. Het bloed van Christus druipt van alle pagina’s. Knappe koppen berekenden dat uit Christus wonden zo’n 54.000 druppels bloed zouden zijn gevloeid. De verluchter bracht een groot aantal daarvan met pasteuze toets in reliëf aan, zodat het lijden van Christus niet alleen figuurlijk maar -getuige de sleetse pagina’s- ook letterlijk invoelbaar werd.

De toenemende tendens naar realisme in de beeldende kunst werd bevorderd door de beweging van de Moderne Devotie. De door Geert Grote (1340-1384) gepropageerde directere band tussen de gelovige en God wordt vanaf de 14e eeuw ook zichtbaar in de beeldcultuur. De heilige familie wordt herkenbaar als een doorsnee gezinnetje. De wens tot identificatie was nog makkelijker bij figuren, die voordat zij heilig werden verklaard, gewone zondige stervelingen waren, zoals Maria Magdalena, over wie straks meer.      

Meester van Sint Goedele, lactatiewonder, laatste kwart van de 15e eeuw. Keulen Wallraf-Richartz Museum

In de expositie passeren thema’s als God en mens, van Wond tot Wonder, het Bloed van Christus en Zondige en Zalige haren de revue. Gevolgd door Lijfelijk geloven. Onder de noemer Naakt met betekenis wordt een fantasierijkboekje opengedaan over hetgeen zich achter de kloostermuren aan schandelijks zou (kunnen) afspelen. Vervolgens wordt ruim aandacht gegeven aan schilderijen en sculpturen van het zogenoemde Maria Lactans type. Haar moedermelk stroomt uit nogal vreemdsoortige borsten. In een 14e eeuws ivoren beeldje heeft de moederborst meer weg van een kalebas of pompoen. Wat was daarvan de bedoeling? Via die ontblote borst werd -zoals ook popsterren vandaag de dag doen- een boodschap geëvoceerd. Al was die anders dan het eigentijdse kijk eens hoe sexy ik ben. Zonder kunstmatige zuigelingenvoeding was moedermelk toen van vitaal belang. Aan de melk van Maria werd zelfs een geneeskrachtige werking toegekend. De door langdurig bidden ontstane kloofjes in de lippen van Bernardus van Clairvaux (1090-1153) verdwenen door de melk van Maria als sneeuw voor de zon. In het zogenoemde lactatiewonder door de Meester van Sint Goedele richt het kindje Jezus de heilzame straal precies op de zere plek!   

Marteling van Agatha, miniatuur, Getijdenboek van Philips van Bourgondië, Oudenaerde, 1450-1460. KB Den Haag

Als ‘gentle reminder’ aan zijn mens-zijn toont Maria haar ontblote borst ook in scènes van het Laatst Oordeel. De borst die Jezus heeft gevoed wordt in een getrapt verzoek ingezet om genade voor de mensheid af te smeken. In dit gedeelte van de expositie heeft de vroegchristelijke maagd-heilige Agatha ook een plekje gevonden. De liefde van een Romeinse landvoogd sloeg om in haat toen zij hem afwees. Een miniatuur in de zogenoemde Internationale Stijl toont hoe twee elegante met middeleeuwse poulaines geschoeide executeurs hun beulswerk verrichten.

Voor een bloemlezing uit de tentoongestelde objecten lopen we even terug naar de Christusbeelden en de daarop geïnspireerde miniaturen met vaginavormige wonden. Je zou bijna voorbij lopen aan een minuscuul zilveren sculptuurtje van Jezus, waarin de kruiswonden op subtiele wijze worden geaccentueerd met robijntjes.

Man van Smarten, Nederrijn, ca. 1500.. Zilver en robijnen. Schnütgenmuseum, Keulen

In deze ruimte herkent de trouwe bezoeker van het Convent een oude bekende: Geertgen tot Sint Jans Man van Smarten. In dit kleine paneel wordt de chronologie van het lijdensverhaal in een welhaast psychedelische mix gepresenteerd. De door geseling geknakte kruisdragende Christusfiguur staat alweer op uit het graf, terwijl hij tegelijkertijd nog wordt beweend door de vrouwen onder het kruis. Dit zogenoemde ‘Andachtsbild’ brengt het lijden van Christus en de daarmee verdiende verlossing der mensheid op indringende wijze onder de aandacht.   

In vitrines ziet de bezoeker de afbeeldingen van Christus zijdewond als vagina, die daarboven uitvergroot geprojecteerd worden. In het Bohun Psalter is de beeldspraak ‘geboren uit een wond’ omringd door passiescènes nog kuis weergegeven als een gesloten bloem. In een vroeg vijftiende eeuwse miniatuur beslaat deze vagina open en bloot een hele pagina.

Bohun Psalter, ca. 1370-1380. Engeland,
Bodleian Libraries

Daarbinnen is fantasierijk ook nog een hart geplaatst met de vijf wonden van Christus. De zijdewond centraal, geflankeerd door die in handen en voeten.  
Sloeg de fantasie van de illustrator hier helemaal op hol? Onderzoek leert dat deze merkwaardige voorstellingen zijn voortgekomen uit de obsessieve fascinatie van kloosterzusters met de zijdewond-vagina symboliek. Devotionele teksten roepen op tot het binnendringen van de zijdewond om zo dichter bij het hart van Christus, hun bruidegom, te komen. Via de zijdewond, zo werd destijds geloofd, was de lans van de in de bijbel genoemde soldaat Longinus immers ook doorgestoten naar het hart van Christus. In een miniatuur uit de zogenoemde Rothshield Canticles richt een vrouw de lans (op dubbelzinnige wijze) op de zijdewond van Christus. Het is Sponsa, de bruid uit het in vrouwenkloosters geliefde erotisch getinte bijbelboek Hooglied. (4:9).

Met een knipoog naar de eigen tijd had de voor Janelle Monaé ontworpen vaginabroek van Duran Lantink hier niet misstaan.

Duran Lanting vaginabroek 2018 voor de videoclip van het nummer PYNK van de zangeres Janelle Monáe.

Ter inspiratie bij meditatie en gebed werden de wonden van Christus soms gereduceerd tot vrijwel abstracte vormen. In een Zuid-Nederlands getijdenboek uit de Koninklijke Bibliotheek zijn de vijf wonden weergegeven op het onderkleed van Christus, dat meer weg heeft van een vliegend tapijtje.

Een gehistorieerde initiaal uit dezelfde tijd is versierd met een doorboord hart omringd door vier naar de kruiswonden verwijzende stippen. Op het zelfde blad is de linkerhand van Christus afgebeeld, vergezeld van een in onze ogen welhaast geestig gebed: …‘Wees gegroet linkerhand van Christus’..

Naakt Christuskind, Mechelen, vr. 16e e. Museum Catharijne Convent

We blijven nog even binnen de kloostermuren. De onmogelijkheid om eigen kinderen te krijgen bevorderde wellicht de behoefte aan tastbare sculptuurtjes van het kindje Jezus. In de kerstnacht veranderden de nonnen in poppenmoeders die het kindje wiegden.

In middeleeuwse schilderingen en sculpturen is de focus opvallend vaak gericht op de genitaliën van het Christuskind. In een 15e eeuws schilderij uit Keulen reikt de heilige Bernardus van Clairvaux (1090-1153) zelfs met zijn hand naar het geslacht van het goddelijke kind. Indachtig de vele schandalen met pedofiele kerkdienaren is dit tegenwoordig volstrekt verwerpelijk, maar destijds verwees dit toen nog onschuldige gebaar naar de menselijke natuur van het goddelijke kind.

Door het celibaat was moederschap voor nonnen niet weggelegd, maar de onderhuids sluimerende seksualiteit gaf wellicht aanleiding tot ongebreidelde fantasieën. In een 14e eeuws exemplaar van de Roman de la Rose geven margeversieringen aan hoe de in clausuur gekooide libido toch een uitweg vond.  

Door een wand met peepholes wordt de bezoeker een blik gegund op een aantal in lood gestolde erotische fantasieën. Ook hier geloof je je ogen niet. Boven een vetvanger in de vorm van een vagina wordt een fallus aan het spit rondgedraaid. Een ander exemplaar toont een als pelgrim aangeklede vagina. De betekenis van deze op pelgrimsinsignes gelijkende tekens is niet duidelijk. Zijn het -tot lering of vermaak- wellicht toespelingen op avontuurtjes die pelgrims toen en congresgangers nu in den vreemde [hopen te] beleven?

Liduina van Schiedam ontvangt de Stigmata, Johannes Brugman,Schiedam 1498, Museum Catharijne Convent

De wonden van Christus hielden de middeleeuwse gemoederen bezig. De ongelovige Thomas vergewist zich metterdaad van het wonder van de opstanding door de zijdewond van Christus te bevoelen: eerst zien (voelen) dan geloven! Wanneer Franciscus van Assisi zich probeert te verplaatsen in het lijden van de heer ontvangt hij dezelfde wondtekenen als Christus. Vandaag de dag is dit voor velen ‘een ver van ons bed show’ maar ook de bedlegerige Lydwina van Schiedam zou in mystieke eenwording met Christus stigmata in handen en voeten hebben ontvangen

Maria Magdalena als wildevrouw, Zwaben, 1490-1500, Suermondt-Ludwig-Museum

Bij de vorige wonderverhalen zijn de haren u wellicht al eens te berge gerezen, maar bij de middeleeuwse wildemannen en volledig behaarde vrouwelijke heiligen wordt wederom een beroep op uw verbeelding gedaan. Haren werden in de middeleeuwen vies en onbeschaafd gevonden, maar gaandeweg neemt die negatieve connotatie een andere wending. Om de menselijke natuur van Jezus te verduidelijken ontstaan realistische beelden en schilderijen met duidelijk zichtbaar oksel- en schaamhaar. Dat klinkt nog wel plausibel, maar bij een sculptuur van een op de borsten na volledig behaarde Maria Magdalena denk je toch het moet niet gekker worden; vanwaar al dat haar?   

Het blijkt een artistieke contaminatie van twee beeldtradities. De boetvaardige prostituee Maria van Egypte (344-421) wier kleding in de hete woestijn verschroeid was, werd op miraculeuze wijze met een warme harige vacht bekleed. Mettertijd versmelt haar iconografie met die van de bijbelse Maria Magdalena, die –inmiddels gerehabiliteerd- ten onrechte voor een prostituee werd aangezien, nadat Paus Gregorius haar vereenzelvigd had met de zondares uit het Lucas evangelie (7: 36). De vrouw die de voeten van Jezus met kostbare olie zalfde en afdroogde met heur haar. In deze expositie wordt vast een voorproefje gegeven van de solotentoonstelling over Maria Magdalena, waarover ik u in het voorjaar meer hoop te vertellen.

Wilgefortis aan het kruis, Getijdenboek Kunera van Leefdael, Utrecht ca. 1415, UB utrecht

Ook de iconografie van de heilige Wilgefortis, verbastering van het Latijnse Virgo Fortis, een Latijnse Powergirl, gaat terug op een misinterpretatie. Een beeld van de gekruisigde Christus in de kathedraal van Lucca werd wegens zijn lange gewaad aangezien voor de legendarische vrouw die door een plots aangegroeide baard werd gered van een ongewenst huwelijk. Aldus ontkomen, werd Sint Ontkommernis, zoals ze ook wordt genoemd, de patrones van ongelukkig gehuwden en mensen met liefdesverdriet.

Behalve heiligen met uiteenlopende werkterreinen, laat de tentoonstelling ook voorsprekers zien die specifiek bij het Laatste Oordeel een goed woordje kunnen doen, zoals de voorloper van Christus op aarde Johannes de Doper. Als beloning voor een mooie dans vroeg de verleidelijke Salomé het hoofd van Johannes de Doper. (Marcus: 6: 17 e.v) dat haar na zijn executie op een schotel werd aangeboden.

Gebaseerd op legendes en levensbeschrijvingen krijgen Jezus, Maria en de heiligen een gezicht. Tijdens de kruisdraging wiste een tot tranen bewogen vrouw het bezwete gezicht van Jezus af. Een afdruk van zijn gelaatstrekken bleef achter op de doek. In een verfijnd sculptuurtje toont Veronica de vera eicon, de ware beeltenis van Jezus. U kunt de mate van gelijkenis toetsen aan het ernaast geëxposeerde portret. De authenticiteit ervan is echter twijfelachtig. De Lentulusbrief met het door een ooggetuige geschetste signalement van Gods zoon dook pas rond 1100 op. Maar het resultaat is mooi.

Vier wetenschappers lichten vanuit verschillende disciplines aspecten van het thema Lijfelijk geloven toe. Hoogleraar cognitieve psychologie, Stefan van der Sticghel, verduidelijkt hoe Andachtsbilder door emotionele participatie helpen bij meditatie en gebed. De desolate sculptuur van een niet in de bijbel beschreven episode uit de passie is daarvan een voorbeeld. Naakt en kwetsbaar wacht Jezus op de Koude Steen op zijn executie. 

Miniatuur met Job, Frankrijk, 1490-1500. KB, Den Haag

In een miniatuur met de oud-testamentische figuur van Job benadrukt naaktheid eveneens zijn kwetsbaarheid (Job 2: 2 e.v.). De duivel krijgt van God zèlf carte blanche om Jobs geloof tot het uiterste op de proef te stellen. Hij verliest alles, behalve zijn geloof. Zo gaat Job de geschiedenis in als het toonbeeld van onbegrensd godsvertrouwen.

Terwijl het bloed uit zijn wonden gutst en dorpsgenoten hem bespotten vouwt Job in volledig godsvertrouwen de handen.

Een aantal mooie miniaturen illustreert de verschillende betekenissen van  ‘functioneel naakt’ in middeleeuwse kunst. In een gehistorieerde initiaal fungeert naaktheid vlak voor het eten van de verboden vrucht nog als vehikel voor de onschuld van Adam en Eva in het paradijs. Guiard des Moulines toont het moment na de zondeval. Hier wordt naakt betekenisdrager van verleiding en zonde.

Een sensuele Eva heeft haar man verleid tot het eten van de appel. De eerste hap is hem kennelijk meteen in het verkeerde keelgat geschoten. Let hier even op het niet nader toegelichte vrouwenkopje van de slang. Dit detail verwijst naar het verhaal van Lilith, de rebelse in de bijbel niet genoemde eerste vrouw van Adam. Omdat zij geen talent voor onderdanigheid had verliet zij haar man. Toen ze er echter lucht van kreeg dat Adam een nieuwe vrouw had, kwam ze met desastreuze gevolgen weer terug. Dit verhaal, opgetekend in het Joodse Alfabeth van Ben Sira (8e-10e eeuw) is angstvallig uit de christelijke traditie geweerd. Het zou vrouwen maar op ideeën brengen!

Vagevuur, Meesters van Hugo Jansz. van Woerden, De Zwarte-ogen-meesters, Zuid-Nederland, 1450-1500 Den Haag, Koninklijke Bibliotheek

De Rooms katholieke kerk leert dat alle mensen door de misstap van Adam en Eva belast zijn met de zogenaamde erfzonde. Door het geloof in Christus is de weg naar verlossing echter open, maar het verkrijgen van een plekje in de hemel gaat nìet vanzelf. Het leiden van een braaf, godsvruchtig leven, bidden en voor je laten bidden na de dood helpt. Met dat laatste kan het verblijf in het zogenoemde vagevuur worden bekort. Nadat zij hun zonden hier hebben uitgeboet mogen de doden door naar de hemel. Vandaar die hoopvol gestemde gezichtjes van de figuurtjes in deze gehistorieerde initiaal.  

Miniatuur met Batseba, Troyes, 1480-1490 Den Haag, Koninklijke Bibliotheek

Bij het thema Naakt met betekenis ziet de bezoeker tenslotte dat ook heiligen en bijbelse figuren niets menselijks vreemd is. Ondeugende bijbelverhalen waren ook in de middeleeuwen al geliefd. Actueel in de huidige Metoo discussie zijn miniaturen waarin het overspel van koning David met zijn buurvrouw Bathseba in verschillende gradaties van onbetamelijkheid wordt getoond. Mooi van lijf en leden wekt de in haar tuin badende Bathseba de begeerte van de koning. Zijn uitnodiging brengt haar in gewetensnood. Moet ze haar man trouw blijven of de koning gehoorzamen? Ze kiest voor dat laatste en daar komt veel narigheid van. Wanneer Batsheba zwanger is stuurt koning David haar echtgenoot Uria naar het front. Opgesteld in de voorste gelederen zal hij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid sneuvelen…

Dronkenschap van Noach, miniatuur in historiebijbel,
Utrecht, 1430, den Haag KB

Overigens wisselt het perspectief in deze bijbelse verhalen nogal eens. Losers worden helden en andersom. Noach bekend als de held van de Zondvloed is in verschillende miniaturen naakt weergegeven nadat hij overmatig heeft genoten van de opbrengst van zijn wijngaard. Noach wordt bespot door zijn zoon Cham. De anderen tonen meer respect en bedekken de naaktheid van hun vader met een mantel, terwijl ze de andere kant opkijken. In deze scènes staat naaktheid symbool voor schaamte.

Sprekend over geestrijk vocht kom ik nog even terug op de alpha en omega van deze bespreking: de Kruisigingstriptiek uit de Phoebus Collection.

Bloed uit een kraan, detail van Triptiek met de kruisiging (..) The Phoebus Foundation, foto Marco Sweering

In gesloten toestand zie je rechts een voorstelling van het Laatste Oordeel. Links daarvan staan Jezus en Maria die met een welgemikte straal bloed en wijn in de levensbron spuiten. Uit een gouden kraantje wordt deze revitaliserende cocktail getapt als opkikkertje voor hen die uit de dood ontwaken.

Een mooie en informatieve tentoonstelling. Te zien tot en met 17 Januari 2021 in museum Catharijneconvent.

Catalogus bij de tentoonstelling:

Wendelien van Welle-Vink, Body Language, Het lichaam in de middeleeuwse kunst, Utrecht 2020

Link: Tentoonstelling Body Language, Museum Catharijne Convent

Tell me your story, 100 jaar storytelling in Afrikaans – Amerikaanse kunst, Kunsthal KAdE, Amersfoort t/m 30-08-2020

Kerry James Marshall, Vignette, 2003, Defares Collection © Kerry James Marshall. Courtesy of the artist and Jack Shainman Gallery, New York

Met een keur aan kleurrijke, indringende en soms ook humoristische werken toont Museum Kade in Amersfoort een voor Nederland unieke tentoonstelling. Tell me Your Story is een impressie van 100 jaar Afro-Amerikaanse kunst. Uniek, want anders dan de baanbrekende expositie Black is Beautiful die in 2008 in het Rijksmuseum te zien was, zijn nu uitsluitend zwarte kunstenaars te zien.

Devan Shimoyama’s doek Not Too Close vormt het slotakkoord. Als aansporing om elkaar de ruimte te geven had het werk ook aan het begin van de expositie niet misstaan.

Devan Shimoyama, Not To Close, Bill and Christy Gautreaux Collection, Kansas City, MO

In de laatste zaal maakt Dareece Walker’s (*1989) monumentale werk met het gewelddadige politie optreden in Ferguson een enorme indruk. Centraal plaatst hij de bloedovergoten doodskist van Michael Brown, die in 2014 door de politie werd doodgeschoten.

Toen de tentoonstelling begin dit jaar werd ingericht was George Floyd nog in leven en vrijwel niemand wist van zijn bestaan….

Dareece Walker, Detail, From Ferguson to Baltimore, 2015, houtskool op papier, courtesy of the artist

Vóór je deze werken ziet maak je een reis door de voor velen onbekende geschiedenis van Afrikaans-Amerikaanse kunst. In een video vertelt Kerry James Marshall (*1955) dat het hoog tijd is om dit onderbelichte hoofdstuk uit de kunstgeschiedenis in beeld te brengen. Tot nu toe is dè kunstgeschiedenis een verhaal van vooral witte Europese kunstenaars …’and we all take it for granted, ..no blacks……When you find yourself, your culture and history is of having subjugated, enslaved and colonised, you got to fix that’

En dat deed hij. Onlangs werd een van zijn werken voor € 20 miljoen verkocht! Een ongehoord bedrag voor een eigentijdse zwarte kunstenaar. In Amersfoort is Marshall vertegenwoordigd met een feestelijk uitgedoste zwarte schoonheidskoningin, Untitled (Beauty Queen) en een oude bekende, Vignette uit 2003. In mijn blog over de de tentoonstelling Shelter, beschreef ik dit werk in 2018 als mijn absolute favoriet. Vrij naar de vroeg 15e eeuwse kunstenaar Massaccio corrigeert Kerry de traditionele uitbeelding van de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs. Gebaseerd op de vondst van de oudste mens in Afrika (zie het vignette aan Adams ketting) brengt Kerry een historisch correcter zwarte Adam en Eva in beeld. Als stripfiguurtjes die kattenkwaad hebben uitgevoerd zetten ze het op een lopen.

De expositie begint met werken uit de jaren twintig en dertig, samengebracht onder de noemer Harlem Renaissance. Afro-Amerikaanse kunstenaars in de New Yorkse wijk Harlem gaven vooral in literatuur, muziek en theater uiting aan gevoelens ingegeven door het recente slavernijverleden. Het enige bezit van deze kansarme ex-slaven en hun afstammelingen was freedom en een rugzak vol zwarte herinneringen die –velen waren analfabeet- via oral history en in melodiën levend werden gehouden. In Harlem kwam op muzikaal gebied de jazz met roots in de negro spirituals tot ontwikkeling.

In de vitrine zijn talrijke publicaties uit die tijd te zien. Het uit Langston Hughes (1902-1967) bundel Poems  geciteerde gedicht spreekt boekdelen:

Me and the Mule
My old mule,
He’s got a grin on his face.
He’s been a mule so long
He’s forgot about his race
I am like that old mule
Black-and don’t give a damn,
You got to take me
Like I Am

Geïnspireerd op een publicatie van de filosoof Alain Locke, getiteld The New Negro (1925) gaan kunstenaars van de zogenoemde New Negro Movement op zoek naar hun roots en identiteit.

Aaron Douglas (1899-1979), die de cover van dit boek ontwierp is een van de vroegste vertegenwoordigers van deze stroming. Van zijn hand wordt een indrukwekkende gouache getoond. In The Judgement Day blaast een strijdvaardige zwarte engel de bazuin, terwijl figuren in de achtergrond hun armen in wanhoop ten hemel heffen.

Aaron Douglas, The Judgement Day, 1927. SCAD Museum of Art, Gift of the Walter O. Evans Foundation for Art and Literature. c/o Pictoright Amsterdam 2020

Jacob Lawrence (1917-2000) en Charles White (1918-1979) waren medebepalend voor het gezicht van de New Negro Movement. Zij bedienden zich bewust van een krachtige, figuratieve voor het zwarte publiek toegankelijke beeldtaal, zoals in White’s geestige Bridgeparty uit 1938. Later wordt zijn toon militanter.

Charles White, The Bridge Party, 1938. SCAD Museum of Art, Gift of the Walter O. Evans Foundation for Art and Literature

Onder de noemer Post Harlem Renaissance verlegt de thematisch-chronologisch ingerichte tentoonstelling de focus van literair- naar beeldend werk. Gevolgd door eveneens kleurrijke en indringende schilderijen bij thema’s als Civil Rights, Black Renaissance en Bloom Generation. Veel werk weerspiegelt een amalgaam aan sociale- en later ook politieke drijfveren èn impressies van anti-racistische protesten, waarmee de expositie helemaal past in de huidige periode van bewustwording: Black Lives Matter!

In de Harlem Renaissance ligt de nadruk vooral op het verwerken en uitwisselen van ervaringen en verhalen die als oral history meegebracht werden in de geestelijke bagage van de veelal analfabete Afro-Amerikanen. Na afschaffing van de slavernij in 1863 trokken zij vanuit het zuiden noordwaarts. Tijdens de zogenoemde Great Migration kwamen tussen 1916 en 1970 zo’n 6 miljoen zwarten op de been. Velen kwamen terecht in Harlem. Zij hoopten op werk, betere leefomstandigheden en minder raciaal geweld. In de eerste decennia van de twintigste eeuw waren nog banen te vinden in industrieën die oorlogsmateriaal leverden. Ook vonden zwarte rekruten werk in het Amerikaanse leger. Bij thuiskomst werden zij die als frontsoldaten de slagvelden van WOI hadden overleefd zelfs nog als helden ingehaald. Maar in de decennia daarna verslechterde hun situatie.

Tijdens de Post-Harlem Renaissance brachten zwarte kunstenaars van de tweede generatie het genre tot bloei in kleurrijke, indringende beelden. Jacob Lawrence, Romare Bearden (1911-1988), Charles White en Betye Saar lieten zich inspireren door de verbale erfenis van hun voorgangers. Hun werk toont scènes ontleend aan de dagelijkse struggle for life, soms met motieven uit de Afrikaanse en Amerikaanse volkskunst.

Jacob Lawrence, Wounded Man, 1968. Walter O. Evans Foundation for Art and Literature. c/o Pictoright Amsterdam 2020
Romare Bearden, Maquette for Quilting Time, 1985. Detroit Institute of Arts, Founders Society Purchase with funds from the Detroit Edison Company © The Romare Bearden Foundation c/o Pictoright Amsterdam 2020

Inmiddels laten ook zwarte vrouwen hun stem horen. Van Betye Saar (*1926) ziet de bezoeker een met een diffuse schildering opgeleukte wasplank getiteld Sunny land, bedoeld als aanklacht èn hommage aan de slovende zwarte vrouw.

Betye Saar, Sunnyland (On the Dark Side), 1998, Collectie Museum Hedendaagse Kunst De Domijnen © Betye Saar & Roberts Projects, Culver City, California. Photo: Robert Wedemeyer

De fotograaf Gordon Parks draagt met zijn foto Airline Terminal, Atlanta uit 1956 dezelfde boodschap uit. Het beeld spreekt voor zich. Terwijl een zwarte nanny haar baby zoet houdt wacht een modieuze witte dame met hoed op haar vlucht.

Sprekend over vrouwelijke kunstenaars even een blik vooruit. Onder de noemer Black Renaissance worden een video en cutout getoond van Kara Walker (*1969). Zij haalt haar inspiratie eveneens uit het zwarte verleden. In haar kunstwerken spelen op stripfiguren gelijkende uitgeknipte zwarte silhouetten de hoofdrol. Haar werk is volgens de catalogus indringend, oogt onschuldig, maar deelt bij nadere beschouwing rake klappen uit door de daarin verpakte diepere betekenissen. Niet iedereen is gecharmeerd van haar werk. Betye Saar beschouwt Walkers opstandige benadering van het verleden als verraad aan de slaafgemaakten.  

Kara Walker, The Plantation Fambly Romance, 1997 © Kara Walker and Sikkema
Jenkins & Co.

Naast Kara Walker heeft Kerry James Marshall’s voornoemde Vignette een plek gekregen. Vlakbij is ook de video te zien waaruit ik zijn woorden citeerde.  

De strijdlustige feministe Faith Ringgold (*1930) liet in de sixties en seventies een krachtig geluid horen. In militante posters riep zij op tot vrijlating van de zwarte activiste Angela Davis. Van later datum is het ogenschijnlijk lieflijke, op een quilt gezeefdrukte Tar Beach uit 1990. Quilting, een traditionele vorm van huisvlijt, werd niet alleen beoefend om warme dekens te maken, maar ook om een politieke boodschap te evoceren. In Tar Beach heeft een zwarte familie in het dicht bebouwde Harlem haar badlaken uitgespreid op het asfalt. Het is overigens een -in de catalogus niet genoemde- illustratie uit een gelijknamige prentenboek voor kinderen van Ringgolds hand.

Faith Ringgold, Tar Beach, 1990-1992, courtesy SCAD museum of Art, Savannah GA c/o Pictoright Amsterdam 2020

In de jaren ’90 brengt Aminah Robinson (1940-2015) de oude en nog niet ingeloste eisen van zwarte vrouwen nogmaals voor het voetlicht. In haar RagGonNons, zoals zij haar werk noemt, voddenschilderijen, ziet de bezoeker demonstrerende vrouwen met spandoeken die de belofte van de Civil Rights Act in herinnering roepen; ‘liberation’ en ‘we demand quality education in all schools’. Sommigen menen dat het in Afrika beter is: ‘Back to Africa’

Rond het thema Civil Rights wordt de bezoeker in een eerder kabinet geïnformeerd over de vreedzame protesten van dominee Martin Luther King. Mijn generatiegenoten herinneren zich ongetwijfeld de zwart-wit beelden van de protestmarsen in Alabama en de moord op Martin Luther King. De belofte van verbetering en beëindiging van discriminatie die de Civil Rights Act van 1964 leek in te houden, werden niet bewaarheid. De vreedzame idealen van King maakten bij de Civil Rights Movement plaats voor krachtiger vormen van protest, waarbij de gedachte van harmonie tussen zwart en wit gaandeweg werd losgelaten.

In de jaren ‘30 en ‘40 had Hale Woodrruff (1900-1980) de wandaden van blanke kidnappers in zijn linoleumsnedes al op indringende wijze in beeld gebracht. Impressies van een geketende zwarte man die voor dood op de trappen van een kerk is achtergelaten en een zwarte man die door een groep kidnappers aan een boom wordt opgehangen. Ze roepen associaties op aan de film Twelve Years a Slave.

In de jaren ’60 en ’70 slaan de Black Power beweging en de Black Panthers een meer Macchiavelliaanse weg in. Het doel heiligt de middelen. Leden van de AfriCobragroep maken militante thema’s in een toegankelijke op posters gedrukte beeldtaal zichtbaar. Verschillende daarvan hebben een iconische status verkregen, zoals Wadsworth Jarrell’s welhaast psychedelische zeefdruk Revolutionary uit 1972. Anderen, als Emory Douglas (*1943), ‘minister van cultuur’ van de Black Panthers, kozen voor een meer activistische aanpak getuige zijn poster Afro-American solidarity with the oppressed People of the world en Paperboy, beide uit 1969.

Emory Douglas, Paperboy, 1969 © 2020 Emory Douglas / Artists Rights Society (ARS), New York. c/o Pictoright Amsterdam 2020

We staan nog even stil bij een interessant aspect van de Post-Harlem Renaissance. In de eerste helft van de 20e eeuw wendden verschillende zwarte kunstenaars zich opmerkelijk, of beter veelzeggend genoeg tot Europese inspiratiebronnen in Parijs. De zwarte Harmon Foundation verschafte daartoe zelfs beurzen. Geïnspireerd op voorbeelden van witte kunstenaars ontstond in 1944 bijvoorbeeld William H. Johnson’s zwarte kruisiging, Mount Calvary. De scène is uitgevoerd in een eenvoudige, naïeve stijl, waarbij de kleurrijke figuren in een Manet-achtige manier plat en zonder diepte zijn weergegeven. Diezelfde beeldtaal hanteert Johnson (1901-1970) ook in zijn paneel Moon over Harlem uit 1944. Een vroeg picturaal protest tegen politiegeweld jegens zwarten in het Smithsonian American Art Museum. (Buiten tentoonstelling)

William H. Johnson, Mount Calvary, 1944, Courtesy SCAD Museum of Art, gift of the Walter O. Evans Foundation for Art and Literature, Savannah, GA

Niet alleen de kunstenaars van de Post-Harlem Renaissance lieten zich inspireren door Europese kunst. Dit gebeurt nog steeds; zij het met een andere intentie.  

De eigentijdse kunstenaar Kehinde Wiley (*1977) combineert popcultuur en Europese kunstgeschiedenis tot spannende creaties. Hij laat figuren soms in een tableau vivant poseren in houdingen die hij aan grote Europese meesters als Velazquez en Rubens ontleend.

Waarom?

Door ze tegen een achtergrond met barokke textiele patronen te plaatsen ontstaan vervreemdende beelden, die de kijker aan het denken (moeten) zetten. Door aan bestaande sinds lang als meesterwerken erkende composities een nieuwe identiteit te geven plaatst hij een zwart model in de grotendeels witte canon van de kunstgeschiedenis. Hiertoe is hij geïnspireerd door de denkwijze van Kerry James Marshall.

Werk van Kehinde Wiley heeft niet alleen een prominente plaats in de laatste zaal gekregen, maar een detail van zijn dubbelportret met de ‘prinsen van de Palts’ siert als poster ook de achterzijde van de folder. In Wiley’s Prince Charles Louis, Elector Palatine and his brother Prince Rubert of the Palatine uit 2012 verving hij de oorspronkelijke figuren uit Antoon van Dijck’s gelijknamige dubbelportret in het Louvre door twee mooie zwarte modellen.

Kehinde Wiley, Prince Charles Louis, Elector Palatine and his brother Prince Rupert of the Palatine, 2012. THE EKARD COLLECTION. © Kehinde Wiley

In Wiley’s portret van Sharrod Holsten neemt de zitter de houding aan van een zegenende Christusfiguur, waarvan de traditionele kunstgeschiedenis er vele kent. 

Na de militante uitingen van de Civil Rights periode bleef het even stil, maar met de zogenoemde Black Renaissance beleefden de jaren negentig een opleving van de Harlem Renaissance. Met de eerder gememoreerde kunstenaars als Kehinde Wiley, Hank Willis Thomas en Devan Shimoyama belandt de bezoeker van Tell my Your Story in het onze tijd. Deze periode wordt aangeduid als de Bloom Generation.

Mooi zijn Henry Taylors (*1958) indringende portretten, zoals het doek Gettin it Done uit 2016, waarin hij inzoomt op een kapster die bezig is het haar van een zwarte klant te stylen. Indrukwekkend vond ik zijn familie uit 2017, die de beschouwer enigszins argwanend aankijkt. 

Henry Taylor, The Love of Cousin Tip, 2017. Courtesy of the artist and Blum & Poe, Los Angeles/New York/Tokyo. © Henry Taylor

Anders dan in Nederland bestaat in Amerika tegenwoordig veel belangstelling voor zwarte kunstenaars. De directeur van het MoMa, Glenn Lowry, beschouwt de vertegenwoordigers van de Bloom Generation als de meest interessante kunstenaars van het moment. Volgens de samensteller van de expositie, gastcurator Rob Perree, opende het instorten van de Amerikaanse kunstmarkt in de jaren ’80 de weg naar waardering van betaalbare ‘zwarte’ kunst.

In Nederland heeft men hier nog weinig oog voor. Kunsthal Kade hoopt daar met dit ‘magnifieke overzicht’, zoals Lucette ter Borg terecht schrijft in de NRC van 13 juli jl. verandering in te brengen. De expositie vormt tevens een educatieve opstap naar de tentoonstelling Slavernij, die komend voorjaar in het Rijksmuseum te zien zal zijn.  

Bibliografie:

E. Schreuder, Black is beautiful, tentoonstellingscatalogus Rijksmuseum, Amsterdam 2008.

R. Perrée e.a., Tell me your story, tentoonstellingscatalogus kunsthal KAdE, Amersfoort 2020.

Kunsthal KAdE

Marina Marijnen, bespreking tentoonstelling Shelter, Catharijne Convent, 2018

Mancini. Eigenzinnig & Extravagant t/m 20 september 2020 De Mesdag Collectie, Den Haag

Antonio Mancini, Na de druivenoogst, ca.1885, de Mesdag Collectie, den Haag

Vanaf 3 juni kan het publiek genieten van een overzicht van Antonio Mancini (1852-1930). De tentoonstelling, die wegens Covid-19 al voor de opening gesloten werd, is gelukkig verlengd tot en met 20 september.

Een betere locatie dan het intieme Haagse museum dat in 1887 door Hendrik Willem Mesdag (1831-1915) werd gesticht is niet denkbaar. De Italiaanse kunstenaar werd door hem in Nederland geïntroduceerd. Toen hij Mancini’s werk in 1876 bij de Parijse kunsthandel Goupil onder ogen kreeg werd hij getroffen door de grote artistieke zeggingskracht. Een paar jaar later kocht Mesdag drie Mancini’s bij kunsthandel Wisselingh, die hij exposeerde bij de Belgische kunstenaars vereniging Les XX.

Hoewel Mancini te boek staat als een onzekere, timide man, had hij in 1885 wel het lef om Mesdag per brief te vragen om meer werk van hem te bestellen. Met resultaat. Mesdag ging erop in en zond hem een bedrag van 2500 Franse franc, omgerekend zo’n 1225 gulden, om schilderijen te leveren. Dit bedrag stond destijds gelijk aan het jaarinkomen van een kunstenaar. Het was het begin van een deal die van 1885 tot 1905, twintig jaar zou blijven bestaan. Mesdags financiële ondersteuning resulteerde uiteindelijk in de levering van ca 150 schilderijen, tekeningen en pastels. Mesdag verkocht de meeste door, maar vijftien Mancini’s zijn in Den Haag gebleven. Aangevuld met bruiklenen uit musea in Milaan, Londen en Dublin geven deze een mooi overzicht van Mancini’s oeuvre.

Twee flinke erfenissen stelden zakenman Hendrik Willem Mesdag, bekend van zeeschilderijen en het door hem geschilderde Panorama, in staat zich helemaal aan zijn passies te wijden: schilderen en het verzamelen van kunst. De inrichting van de Mesdag Collectie geeft een indruk van zijn brede belangstelling voor Aziatica, Oosters vaatwerk, ceramiek van Hollandse bodem en werken van de schilders van Barbizon en de Haagse School. Toen zijn woonhuis aan de Laan van Meerdervoort te klein werd om al dat moois te herbergen, liet hij het museum bouwen waar de Mancini expositie nu te zien is.

Hendrik Willem en Sientje Mesdag-van Houten, 1905, fotograaf onbekend, Mesdag Collectie, Den Haag

In de catalogus zie ik een foto van Mesdag en zijn vrouw Sientje. Hij oogt als een bebaarde oud-testamentische aartsvader gestoken in een daarbij niet erg passend driedelig kostuum. Zij: een ogenschijnlijk kleurloze vrouw, het grijze haar strak naar achteren, in wie je eerder een belijdend lid van een bevindelijke denominatie zou vermoeden dan een voor die tijd moderne vrouwelijke kunstenaar, want ook zij hanteerde het penseel. 

Mesdag was niet de enige die oog had voor Mancini’s talent. Al eerder wierp de Belgische graaf Albert Cahen d’Anvers zich op als promotor van Mancini. Hij introduceerde hem bij de Kunsthandel Goupil en baande de weg voor deelname aan de Parijse Salon van 1872. Dankzij Cahen en Mesdag kreeg de als een kansarm schoffie geboren kunstenaar bekendheid in Europa. Aan zijn jeugd herinneren Mancini’s vroege, destijds in ons land geliefde wat sentimentele werkjes met Napolitaanse straatkinderen, de zogenoemde ‘scugnizzi’ Ooit was hij een van hen.

Antonio Mancini, Studie (Mijn zusje), ca. 1876, De Mesdag Collectie, Den Haag

Eén van Mesdags eerste aankopen toont Mancini’s talent. De studie van een wat raadselachtig meisje wier gezicht vrijwel geheel schuilgaat achter een hoofddoek. Mesdag gaf het titelloze werk uit 1876 een zelf verzonnen commercieel aantrekkelijke naam: Mijn Zusje. Mesdag was en bleef zakenman, want Mancini had helemaal geen zusje. In één oogopslag zie je de originaliteit en inventiviteit van de jonge kunstenaar.  Ook de krachtige wijze waarop Mancini gemoedstoestanden wist neer te zetten vond Mesdag overtuigend.

Aan het begin van de relatie zond Mancini een aantal werken die fungeerden als ‘staalkaart’ van zijn kunnen, zoals ‘De verjaardag’, 1885, waarin hij zijn  neefje Telemaco Ruggieri portretteerde en het doek Jonge Vrouw voor wie Mancini’s nicht Agrippina had geposeerd.

Beide werken waren in de door Mesdag georganiseerde tentoonstellingen in Pulchri studio (1897, 1902) en bij Teekengenootschap Pictura (1899) te zien. Zo kreeg Mancini in Nederland bekendheid.

Antonio Mancini, De verjaardag, 1885, De Mesdag Collectie, Den Haag

In de wirwar van verfstreken bij de Verjaardag moet het oog even zoeken. De jarige bekijkt met trots een zojuist uitgepakt geschenk: een zwaard. Links achter een bosje bloemen en een staande spiegel, waarin het vaasje gereflecteerd wordt, schilderde Mancini een trompet. Over een stoel in de voorgrond hangt een roze kledingstuk en ik meen twee schietwapens te ontdekken. Terwijl ik me afvraag of kinderen toen ook al met pistolen speelden dringt de geur van afgevuurde klappertjes in mijn geurgeheugen binnen.

Een beschrijving in de catalogus van de Drentse Sprezzatura tentoonstelling suggereert dat de jongen een misdienaar is geschilderd in een sacristie, maar is dat de plek voor het uitpakken van verjaarscadeaus…   

Hoe dit ook zij: deze wat onconventionele impressie van een verjaardag past wel bij de speelse geest van Mancini. Temidden van de nauwelijks gedefinieerde omgeving is het gezicht van het jongetje duidelijk in beeld gebracht. In zijn latere werk verovert de omgeving steeds meer ruimte op de daarin afgebeelde persoon.

We zien beide modellen terug in het doek In Gedachten verzonken van ca. 1889-1900 en in De beeldenverkoper uit 1885. 

Antonio Mancini, In gedachten verzonken, ca. 1889-1890, de Mesdag Collectie, Den Haag

In het eerstgenoemde werk zoomt Mancini in op de hoofdpersoon, die tegelijkertijd peinzend, maar ook alert in de lens van een denkbeeldige fotograaf kijkt. Prachtig is de wijze waarop Mancini de kleurschakeringen in de rok met een losse, impressionistische toets heel expressief uit de verf laat komen.

Antonio Mancini, De beeldenverkoper, ca. 1885, de Mesdag Collectie, Den Haag

In de Beeldenverkoper figureert een naar 21e eeuwse normen bijna ongepaste beeltenis van een Caravaggeske naakte jongeling. Een werk dat qua languissante sfeer associaties oproept met dat van tijdgenoot Sir Lourens Alma Tadema. De sculptuurtjes in de achtergrond herinneren aan het tekenen naar gipsmodel op de academie.

In Mancini’s vroegere Napolitaanse werken ontmoeten we meer jongetjes. Zoals Il Venditore di cerini (De luciferverkoper), het Zieke Kind en een portret van een Koorknaap die een veel te groot antifoon of graduale meezeult.

Antonio Mancini, Het koorknaapje, 1872, De Mesdag Collectie, Den Haag

In Lo Studio schilderde Mancini met veel empathie het aandoenlijk portret van een scholiertje met een wanhopig blik op een stapel huiswerk. Anders dan Jan van Scorels leergierige soortgenoot of Rembrandt’s zoon Titus, die boven zijn lessenaar wegdroomt, vouwt hij vertwijfeld de handen om geestelijke bijstand af te smeken. Uit bronnen is zijn identiteit bekend: Luigiello. Dit straatjochie was kennelijk niet voor leren in de wieg gelegd en scharrelde zijn kostje, getuige de verkleedkleren in de linkerhoek, als straatartiest bij elkaar. Toverend met kleur, textuur en een subtiel toegepast chiaro-scuro geeft Mancini hier vorm aan een herinnering uit zijn kindertijd, toen hij van instelling naar instelling zwierf, zonder de lagere school af te maken.

Antonio Mancini, Aan de studie, ca.1875, Galeria Nazionale d’Arte Moderna et Contemporanea, Rome (buiten tentoonstelling)

Behalve straatkinderen en voornoemde figuurstukken schilderde Mancini Romeinse stadsgezichtenen portretten van welgestelde opdrachtgevers in Rome, Venetië, Napels, Duitsland, Engeland en zelfs  Ierland.

Het verhaal gaat dat Mancini, wanneer hij iemand portretteerde, als een gek heen en weer rende van zijn model naar een op ca. 5 meter daarvan verwijderde op de ateliervloer gemarkeerde plek om …’vloekend, lachend of mompelend een paar verfstreken op het doek te zetten’

Bij gebrek aan ruimte gebruikte hij voor hetzelfde effect ook wel een omgekeerde verrekijker. Om zijn model in de juiste proporties op het doek te krijgen hanteerde hij nòg een hulpmiddel. Door een raamwerk van gespannen draden, observeerde hij deze, waarna hij zijn model via een tweede raamwerk voor zijn ezel op het doek over bracht. Deze werkwijze resulteerde in zo’n kliederboel, dat de afdruk van de met verf doordrenkte lijnen op het schilderslinnen achterbleef. Dit zorgde voor een (onbedoeld) artistiek effect, zoals in het Portret van Lady Shine uit 1907.  

Antonio Mancini, De Lafenis, voor 1899, Dordrechts Museum (Bruikleen, verzameling Van Bilderbeek)

Mesdag vond dit maar niets. Hij verzocht Mancini de ruitjes die op dezelfde wijze in het doek de Lafenis waren achtergebleven weg te werken, maar trouw aan zichzelf liet Mancini ze mooi staan.

Een andere wèl bewuste artistieke keuze ziet de bezoeker in de schetsmatige, graffiti-achtige invulling van de achtergrond in het Model  en in het Portret van een (onbekende) man  waarin een wat olijk kijkende niet met name genoemde figuur een kindertekening ophoudt. Even meen ik in hem de besnorde man uit een in de catalogus afgebeelde groepsfoto met collegaschilders van de Circolo Artistico in Rome te herkennen, maar allen bleken toegerust met zo’n fraai opkrullende moustache!

Antonio Mancini, Het model, ca.1885,De Mesdag Collectie, Den Haag

Bijzonder interessant zijn Mancini’s zelfportretten. Zoals Zelfportret in het atelier van ca 1878 uit de Uffizi waarin de schilder ons een blik vergunt op een nog niet volledig tot ontbinding overgegane doodskop. Vanuit zijn helder belichte atelier kijkt Mancini -zijn haardos omringd door een vurige gloed- de beschouwer met een verweesde blik aan. Het rechterdeel van het paneel is donker en toont een profiel portret van zijn alter ego in de gedaante van Bacchus, de god van de wijn. Het werk ontstond tussen 1878 en 1882 toen Mancini een psychische crisis doormaakte.

Antonio mancini, Zelfportret in het atelier, ca.1878, Galleria degli Uffizi, Florence

In zijn zoektocht naar il vero, de ware schilderkunst, was hij experimenterend met forse kleurrijke toetsen, waarin de eigenlijke voorstelling verloren dreigde te gaan, kennelijk een beetje doorgedraaid. Die geestesgesteldheid leverde wel een hoogtepunt in zijn oeuvre op: het Zelfportret van een gek uit de serie autorittratti di follia, waarbij de kunstenaar zichzelf frontaal, met indringende blik getooid met een omgekeerde fruitmand in beeld brengt.

Antonio Mancine, Zelfportret van de gek, ca.1883, Galleria Nazionale d’Arte Moderne et Contemporanea, Rome

In de Haagse expositie wordt het nauwelijks belicht, maar in 1880 schreef Mancini, net terug uit Parijs aan zijn vriend Gemito: …’Ik denk dat ik er gek ben geworden’… En hij was niet de enige. Ook Vincent van Gogh ontvluchtte de stad een paar jaar later wegens overprikkelde zenuwen om uiteindelijk in een psychiatrisch ziekenhuis te belanden. 

Nadat hij in Parijs was ingestort wordt Mancini tussen 1881-1882 opgenomen. In het Provinciale Dolhuis van Napels schildert hij als  bezigheidstherapie een reeks portretten van het personeel en van zichzelf.

In Mancini herkennen we een mentale geestverwant van Vincent van Gogh. Mancini werd van kindsbeen af gekweld door heftige gevoelens van twijfel en minderwaardigheid, die zich uiten in onzekerheid, wispelturigheid en onaangepast gedrag. Gestoord of niet, ook Mesdag schreef ergens over Mancini als ‘geniale gek’!

Anders dan Van Gogh, wist Mancini steeds weer uit het dal omhoog te komen en prachtig werk te creëren, waarvoor hij al tijdens zijn leven erkenning genoot. In 1920 kreeg hij zelfs een eigen tentoonstelling op de Biënnale van Venetië.

Mancini, zelfportret met strootje, 1880, De Mesdag Collectie

Aan het Zelfportret met strootje uit 1880 voegde Mancini nog twee portretjes toe. Dat van zijn vroegere leermeester en vriend Domenico Morelli en rechts boven het schetsmatige portret van Alessandro Manzoni, voorvechter van het Risorgimento, de Italiaanse eenwording die na nogal wat strijd in 1861 een feit werd. Manzoni schreef in 1842 het beroemde boek I Promessi Sposi. Een politiek geladen 17e eeuws liefdesverhaal, waarin een parallel gezien kon worden met de eigen tijd, waarin de Italiaanse staten zich losmaakten van de Habsburgse overheersing.

Details over deze interessante periode en de verbindende rol van Alessandro Manzoni, leest u in mijn bespreking van de Sprezzatura tentoonstelling.

Mancini zond Mesdag nooit een eigen beeltenis, maar toch kreeg hij er een. Op de achterzijde van het Beeldenkoopmannetje dat zich tegenwoordig in een privé collectie bevindt, liftte een snel neergekrabbeld zelfportretje mee, waarin Mancini zijn tong uitsteekt naar de beschouwer.

Toen hij met schilderen begon hanteerde Mancini nog een verfijnde toets, later werd zijn penseelstreek breder en smeerde hij de verf op Rembrandteske wijze heel dik met het paletmes uit. Na zijn leertijd aan de Napolitaanse kunstacademie bekwaamde hij zich bij de Circolo Artistico in Rome in schilderen naar naaktmodel, waarvan in de tentoonstelling alleen het doek met de Beeldenverkoper een voorbeeld is.

Antonio Mancini, De Napolitaanse jongen, ca. 1895, De Mesdag Collectie

Rond 1895 zette Mancini een nieuwe artistieke stap. Met het verwerken van stukjes glas, metaal, spiegeltjes of, helemaal te gek: stukken van lege verftubes in zijn olieverfschilderijen was Mancini zijn tijd vooruit. Kubisten zouden even later met hun collages iets soortgelijks doen. Dadaïsten gingen vanaf 1915 met hun presentatie van alledaagse materialen als anti-kunst nog een stap verder. Dan zijn we al ver verwijderd van het louter artistieke doel dat Mancini en korte tijd later ook Gustav Klimt, die bladgoud in zijn schilderijen verwerkte, nastreefde.

Onderzoek van een Napolitaanse jongen uit 1895 bracht metaalfolie en zelfs een fragment van een lege verftube aan het licht! 

Was Mancini iets later met deze noviteit gekomen, dan was de hoon, die hem tijdens een feestelijke expositie in 1912 bij de Amsterdamse kunstenaars vereniging Arti et Amicitiae ten deel viel, waarschijnlijk bespaard gebleven. In de expositiezaal werd een met punaises en sinaasappelschillen opgeleukte homp kaas als parodie op Mancini’s werk gepresenteerd. Buiten het land van de kaaskoppen ontmoette Mancini echter veel bijval.

Wat deed Mesdag met al die Mancini’s? Verschillende werken toonde hij in zijn in 1887 gereedgekomen museum.  Andere verkocht hij o.a. aan kunsthandel Frans Buffa & Zonen en Maison Artz in Den Haag, die in 1898 zelfs met 17 Mancini’s op tournee door Amerika ging.
In 1897 exposeerde Mesdag twee werken van Mancini op de Biënnale van Venetië. Voor het doek In Gedachten Verzonken ontving Mancini 1600 lire, omgerekend zo’n f 675. In 1907 zond Mesdag wederom 7 Mancini’s naar de Biënnale in Venetië, waardoor diens werk ook in Italië in waarde begon te stijgen.

Mancini was enorm geholpen met de financiële ondersteuning van Mesdag, maar diens voortdurende verzoek om hem ‘iets goeds, iets artistieks’ te sturen, zonder ooit een goedkeurend woord, begon Mancini te irriteren. Zeker toen hij ontdekte dat Mesdag goed geld aan zijn werk verdiende. Zijn jarenlange ondersteuning leverde Mesdag geen windeieren. De voor een relatief laag bedrag ontvangen werken, verkocht hij met een flinke winst door, zoals een rekensommetje in de catalogus verduidelijkt. Toen Mancini daar lucht van begon te krijgen vroeg hij Mesdag tevergeefs om hem in de winst te laten delen. Ter illustratie: Mesdag had een van Mancini’s niet met naam genoemde werken, waarvoor hij 500 fr had neergeteld voor 6000 fr doorverkocht….Ten aanzien van deze minder mooie kant van Mesdag stelt gastconservator Adrienne Quarles van Ufford in de slotzin van de catalogus nuchter vast: hij bleef een zakenman.

Mancini was in 1902 van plan om verhaal te halen, maar hij zag daar op het laatste moment toch vanaf. Mancini en Mesdag hebben elkaar nooit ontmoet.

Het werk van Mancini werd in Nederland met wisselend bijval ontvangen. Na aanvankelijke aarzeling noteerde Jozef Israëls …’ik amuseer mij bizonder met de wonderbaarlijke dingen die Mancini in zijn werk heeft’
Terwijl Mesdags erfgenamen in 1920 nog twijfelen over de verkoopwaarde van Mancini’s kunst, bereikt Mancini met een eigen tentoonstelling op de Biënnale de top. Het Italiaanse weekblad La Fiamma wijdt een themanummer aan Antonio Mancini, …’il piu grande pittore’!

In de tentoonstelling ontmoet de bezoeker ook Mancini’s andere opdrachtgevers. Van armoede was, dankzij vele portretopdrachten, allang geen sprake meer. Toch zat Mancini vaak op zwart zaad. Hij gaf de schuld daarvan aan zijn familie, maar het lijkt er op dat hij evenals Rembrandt niet kon omgaan met geld.

De bezoeker ziet het monumentale portret van de reeds genoemde Belgische graaf Cahen d’Anvers, die meer nog dan Mesdag, een bepalende rol in de ontplooiing van Mancini’s talent speelde. In Markies Giorgio Capranica del Grillo vond de wat stuurloze Mancini niet alleen een mecenas maar ook een toeverlaat. Hij hielp hem met het beheer van zijn financiën.

Via Grillo kwam Mancicni in contact met andere Romeinse opdrachtgevers uit de kring rond John Singer Sargent, met wie Mancini bevriend raakte. Door Sargent, wiens portret eveneens te zien is, leerde hij Mary Hunter kennen. Deze welgestelde weduwe introduceerde Mancini bij de Engelse jet set. Uitgenodigd op hun estates, wist de sociaal onaangepaste Mancini zich echter geen houding te geven. Het ontbrak hem aan de aloude Italiaanse vaardigheid van sprezzatura zoals beschreven in een 16e eeuws etiquette boek. In dit ‘Hoe hoort het eigenlijk’ geeft Baldassare Castiglione tips hoe je je met ogenschijnlijk gemak in de hoogste kringen kunt presenteren.

Dankzij Mary Hunter raakte Mancini zelfs in Ierland verzeild, waar hij onder andere een opdrachtgever vond in Hugh Lane, wiens meer dan levensgrote portret eveneens in de expositie te zien is. En ook de dichter W.B. Yeats wilde door Mancini vereeuwigd worden. Het resultaat ontlokte de opdrachtgever de volgende woorden: …’leek ik maar op het portret van Mancini, dan had ik al mijn vijanden hier in Dublin verslagen’… Deze uitspraak deed vermoeden dat Mancini’s beeltenis geflatteerd zou zijn, maar wanneer ik Yeats foto portret google blijkt het tegendeel het geval.

Mancini, Portret van W.B. Yeats, 1907. Philip Mould & Company, Londen.

In Rome tenslotte vindt Mancini in 1908 in de Duitse kunstliefhebber Otto Messinger nog een opdrachtgever. Ook Messinger organiseerde  verkooptentoonstellingen, waarbij de prijzen inmiddels tien maal zo hoog waren als die gevraagd door Mesdag. 

Ook al was Antonio Mancini voor één lira geboren, dankzij zijn gedurfde penseel en de kenners die oog hadden voor zijn talent, bereikte hij de top. Zijn weldoeners liften op profijtelijke wijze mee op zijn succes!  

A. Quarles van Ufford, Mesdag & Mancini, De Mesdag Collectie, Den Haag, 2020

Link: naar Mancini in de De Mesdag Collectie

Link: Sprezzatura, Drents Museum

Hemelvaartsdag en een bijzondere ontdekking in Kasjmir

De tombe van Jezus in India, een reliek van onschatbare waarde…

Nanga Parbat 8126 m, de meest westelijke top van de Himalaya

In een nog niet door 9/11 geschonden wereld, reisden wij 20 jaar geleden naar de Indiase deelstaat Kasjmir. Dat kon wel weer verzekerde een reisburo in New-Delhi ons. De vijandelijkheden van de zoveelste Kasjmir oorlog waren in 1999 geluwd. Het werd een adembenemende tocht. Onder de besneeuwde toppen van de Nanga Parbat zag ik de groene alpenweiden van Pahalgam, compleet met een Zwitserse gondola. De in kleurige sari’s geklede figuranten pasten echter niet in mijn schemata.

Minder poëtisch waren de met zandzakken beveiligde wachtposten, waar Indiase soldaten mijn paspoort aandachtig maar ondersteboven controleerden.

De kiem voor de strijd in Kasjmir werd gelegd in 1947. Brits India werd opgedeeld in het islamitische Pakistan en het hindoeïstische India. Daarbij werd ook een grens getrokken door Kasjmir; het door de Britten zo geliefde noordelijke puntje van hun Aziatische Empire. In het Indiase deel van Kasjmir bestaat de bevolking grotendeels uit moslims die niet onder Indiaas bestuur willen leven. Dit heeft sindsdien tot meerdere oorlogen en terroristische aanslagen geleid.

Het natuurschoon dat de Britten in de koloniale tijd naar Kasjmir lokte maakte op ons een grote indruk. Beelden daarvan waren in de jaren ’80 al te zien geweest in films als de Far Pavillions, Heat and Dust en de televisie serie The Jewel in the Crown.

Westerse toeristen kwamen er tijdens de adempauze in de voortdurende schermutselingen niet. Daarom waren wij voor de vriendelijke bevolking in deze exotische omgeving ook een bezienswaardigheid.

Tijdens deze reis deden wij een verrassende ontdekking die ik u niet wil onthouden. Daarom, aan de vooravond van Hemelvaartsdag deel ik met u de volgende impressie van mijn hand die het dagblad Trouw publiceerde in 2001.

Rozabal Moskee

…In de middeleeuws aandoende oude stadskern van Srinagar bezoeken wij de Rozabal-moskee, welke -anders dan het armoedige exterieur doet vermoeden- een reliek van onschatbare waarde herbergt: de tombe van Jezus van Nazareth. Een hekje geeft toegang tot een schamele moskeetuin met lege olieblikken als plantenbak. De christelijke deugd van humilitas, nederigheid, wordt in de nabijheid van dit graf voorbeeldig beoefend. Wij laten onze schoenen staan en betreden de gewijde ruimte. Niets wijst op het belang van de reusachtige tombe, die achter glas zichtbaar is. In de kale ruimte bevindt zich slechts een bord met voor ons onleesbare tekst; een toefje plastic bloemen erboven. Een ondefinieerbaar, aan blasfemie grenzend gevoel bekruipt mij. In deze verstilde ruimte kijk ik naar de tombe waarin ‘onze’ Jezus begraven zou liggen. Een vreemde gedachte dat hij ergens begráven zou kunnen zijn. Christenen herdenken immers ieder jaar zijn hemelvaart.

Hoe was Jezus ooit in India beland? In het voetspoor van Alexander de Grote? Om zijn apostelen het goede voorbeeld te geven of gewoon uit wandersucht?   

Wijd verbreide legende 
Op zoek naar een antwoord blijkt behalve de islam, ook het hindoeïsme en het boeddhisme het verhaal van Jezus in India te kennen. Zelfs apocriefe christelijke teksten maken melding van zijn verblijf in Centraal-Azië. Om een reis van Jezus naar India fysiek mogelijk te maken, moeten kruisdood en hemelvaart ontkend worden. Dat doet de Koran. Drie dagen na de kruisiging stond Jezus op uit het graf, waarna hij -volgens de overlevering- met zijn moeder naar Damascus reisde. Langs het traject Damascus-Kasjmir lijken diverse plaatsnamen aan hun verblijf te herinneren. In Efese krijgt de toerist het huisje van Maria aangewezen. Via Anatolië en Perzië zouden Jezus en Maria naar Afghanistan zijn getrokken.

                                                                 

De route naar India

Gaandeweg zou Jezus bekendheid hebben gekregen onder de naam Yuz Asaph: ‘leider van hen die van melaatsheid genezen zijn’. In noord-west Afghanistan leeft zelfs een soefi-sekte, die Yuz Asaph, ‘de profeet van Israël’, vereert. Nabij de stad Mari in Oost-Pakistan is nog een verondersteld spoor van onze reizigers te vinden; op de plek genaamd Mai Mari da Asthan zou Maria haar laatste rustplaats hebben gevonden. 

Volgens een mondelinge overlevering, waarin Kasjmir fungeert als het beloofde land dat Mozes zocht, maar nooit zou hebben gevonden, zouden de Kasjmiri afstammen van één van de ‘verloren stammen van Israël’.

Ook enkele christelijke geschriften, waaronder de apocriefe Handelingen van Thomas, maken melding van een reis die Jezus in het jaar 47 met de apostel Thomas gemaakt zou hebben naar het hof van de Indiase koning Gundafor in Taxila in het huidige Pakistan. De kerkvader Iraeneus tenslotte noemt in zijn Adversus haereses uit de 2de eeuw een verblijf van Jezus in Azië. 

Jezus’ legendarische reis kwam in Kasjmir, waar diverse plaatsnamen eveneens zijn toenmalige aanwezigheid suggereren, ten einde. Maar hét ‘bewijs’ voor wie geloof hecht aan deze ongebruikelijke levensloop van Jezus is zijn graf in Srinagar. De handgeschreven mededeling op het bord bij zijn tombe luidt in vertaling: “Yuz Asaph betrad de vallei van Kasjmir vele eeuwen geleden; zijn leven was gericht op het zoeken van de waarheid”. Onder de tombe, die als grafmonument fungeert bevindt zich een crypte met de sarcofaag van Yuz Asaph, waarnaast zich twee in de steen gegraveerde voetafdrukken met littekens van kruisigings wonden bevinden.

Waarom wordt Yuz Asaph door moslims geëerd? 
Welke de ware identiteit van Yuz Asaph ook mag zijn: in Srinagar ziet men in hem de man die wij kennen als Jezus van Nazareth, die zieken genas en zijn toehoorders aanspoorde zich van alle geestelijke en lichamelijke onzuiverheden te ontdoen. Honderden pelgrims zouden zijn graf bezoeken: moslims, hindoes, boeddhisten en nu zelfs twee christenen uit Nederland…

De islam erkent de goddelijke natuur van Jezus niet, maar beschouwt hem wel als een belangrijke profeet. Hij voorspelde de komst van de profeet Mohammed. Hiermee is het belang van Yuz Asaph alias Isa ibn Maryam ofwel Jezus, in bepaalde delen van de moslimwereld geschetst. Een wereld, waarin de voorbeeldige pelgrim Yuz Asaph afzag van de eenvoudige rechtstreekse weg naar de hemel en niet rustte voor hij de lange moeilijke reis had volbracht naar het beloofde land, Kasjmir, dat inmiddels een verloren paradijs is.

Lang voor de Britten dit ‘mekka’ ontdekten lieten Moghul heersers hier in de 17e eeuw schitterende zomerresidenties verrijzen. Omringd door formeel aangelegde tuinen met verkoelende waterpartijen en sprookjesachtige namen als Nishat Bagh en Shalimar Bagh. Laatsgenoemde dateert van de tijd van Jehangir een zoon van Sjah Jahan, de bouwheer van de Taj Mahal. Eeuwen later lanceerde modeontwerper Guerlain een goddelijk parfum onder de naam Shalimar. 

In miniaturen met afbeeldingen van de Moghul tuinen vonden de tuinarchitecten van de Zonnekoning, Louis XIV inspiratie voor de baroktuinen van Versailles.

De met fraai houtsnijwerk versierde hotelboten in het Dal Lake liggen er verlaten bij. Toen wij er waren was het in de vroege ochtend een va-et-vien van parlevinkers die hun waren bij de woonboten kwamen aanbieden: bloemen, geborduurde kasjmir shawls en kodakfilmpjes. Beelden van een voorbije tijd, waarvan hierbij nog enkele impressies. Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling van Madhuri Vijay’s veel geprezen  roman The far Field, waarin een jonge vrouw uit Bangalore een eveneens verrassende en in politiek opzicht verhelderende reis maakt naar Kasjmir.

Bibliografie:

B. Cascoigne, De Groot Mogols, Teleac, Houten, 1992.

H. Kersten, Jesus lived in India, Victoria, 1997.

M Vijay, The Far Field, London, 2019.

Bovenstaande is een verkorte versie van mijn artikel Jezus hemel is een graf in Srinagar, Dagblad Trouw, 23 mei 2001. Zie deze link.

Caravaggio-Bernini. Vroege barok in Rome. Rijksmuseum, Amsterdam tot en met 13 september 2020

Gian Lorenzo Bernini, Medusa, Rome, 1638–1640, Rome, Musei Capitolini, Palazzo dei Conservatori

Nederlandse musea die de naam van een beroemde kunstenaar als publiekstrekker ‘ijdel’ gebruiken kregen tot voor kort de volgende kritiek: 

’Voor Velazquez moet je in Madrid zijn, voor Caravaggio in Italië’….

Dit verwijt kun je de samenstellers van de tentoonstelling Caravaggio & Bernini niet maken. Zij zijn respectievelijk met twaalf en dertien werken aanwezig. Van Gian Lorenzo Bernini (1598-1680) is ook nog een zelfportret te zien.

Gelukkig had ik voor sluiting van de musea nog de gelegenheid diverse voorjaarstentoonstellingen te zien, zodat u deze via mijn besprekingen toch kunt bezoeken. In dit stukje neem ik u mee naar de tentoonstelling over de vroege barok in Rome met werk van Caravaggio, Bernini en tijdgenoten. Op de drempel van de 17e eeuw vond in Rome een revolutie op artistiek gebied plaats. Voor het weergeven van Jezus, Maria en katholieke heiligen introduceerde Michelangelo Merisi da Caravaggio (1571-1610) een ongebruikelijke realistische stijl, waarin zij getoond werden als doodgewone mensen. Niet iedereen was gecharmeerd van zijn ongepolijste stijl. Verschillende Romeinse prelaten erkenden Caravaggio’s talent, maar zeiden ze:…’hij misbruikt het!’…Toch vond zijn vormentaal veel navolging. Zoals de bezoekers van de tentoonstelling Utrecht, Caravaggio en Europa uit 2019 zich vast nog herinneren. Fris uw geheugen op met de bespreking in mijn archief.  

In de reeks internationaal georiënteerde duo-exposities, biedt het Rijks na Rembrandt-Velazquez, nu een podium aan Caravaggio, Bernini en tijdgenoten. Schilderijen en sculpturen worden op verrassende wijze gecombineerd. Evenals de figuren van Caravaggio worden ook Bernini’s marmeren portretbustes en grotere sculpturen gekenmerkt door een naturalistische touch, emotie èn nonchalance.

Zaalimpressie Tentoonstelling Caravaggio en Bernini in Het Rijksmuseum, Amsterdam Foto: Olivier Middendorp

Het Italiaanse vormgevers duo Formafantasma heeft rust gebracht in de presentatie van de uiterst beweeglijke, barokke objecten. In de witte museumzalen kozen zij als draagvlak voor de getoonde kunstwerken een daarmee corresponderende- òf contrasterende tint: okergeel, roestbruin, perzik, blauw-grijs en een niet makkelijk te benoemen rose tint. Wanneer ik Simone en Andrea om de exacte kleur vraag denken ze even na om zich er -ze weten het ook niet- lachend van af te maken: just pink!

Toen de katholieke kerk tijdens de voortschrijdende reformatie terrein verloor werden tijdens het Concilie van Trente (1545-1563) maatregelen genomen om het tij te keren. Naast hervormingen binnen de bestaande kerk zagen kerkleiders in de beeldende kunst mogelijkheden om gelovigen voor de moederkerk te behouden en afgedwaalde schapen terug te lokken. Zo ontstond de prachtlievende kunststroming, die als de Barok de geschiedenis is in gegaan; vernoemd naar een grillig gevormde parel: de barocco.

Directeur Taco Dibbits noemt de universele drijfveer achter het ontstaan van barokke kunst: …. emotie

Caravaggio en Bernini voegden aan die soms wat zoetgevooisde vormentaal een aardse component toe. Met een rauw realistische toets trachtte Caravaggio de toeschouwer emotioneel aan te spreken; Bernini deed dat middels zijn naturalistische beeldtaal.

De tentoonstelling trok eerder in het Weense Kunsthistorisches Museum 340.000 bezoekers. Door de Covid-crisis zal dat aantal in Amsterdam nooit bereikt worden. Daar helpt geen lieve Sint Corona meer aan. Deze martelares uit de 2e eeuw wordt op meerdere feestdagen herdacht: 20 februari, 24 april, 14 mei en 18 september. De kans dat één van deze data profetische betekenis zal krijgen voor het einde van deze crisis lijkt te vervliegen….

We beginnen ons virtuele bezoek aan de tentoonstelling met een Italiaans lesje. De expositie is ingericht naar de volgende thema’s:  
Meraviglia & Stupore, Orrore & Terribilità, Amore, Visione, Passione & Compassione, Moto & Azione, Vivacità, Antichità & La gran Maniera greca en Scherzo. Ook zonder kennis van het Italiaans zijn de Engelse equivalenten met gemak herkenbaar.                                                                                          
In de sectie Meraviglia & Stupore wordt ik inderdaad op verbazingwekkende wijze getroffen door Caravaggio’s Narcissus uit 1601.

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Narcissus, ca.1600, Gallerie Nazionali d’Arte Antica, Palazzo Barberini, Rome

De manier waarop de schilder dit droevige verhaal uit Ovidius Metamorfosen in beeld brengt is illustratief voor Caravaggio’s vernieuwende realistische stijl. Zonder landschappelijke achtergrond zoomt hij in op de beeldschone jager die, nadat hij haar had afgewezen, door de wraakgodin Nemesis gedoemd is tot eeuwige eigenliefde. Bij het aanschouwen van zijn in het water gereflecteerde gelaat, wordt hij verliefd op zichzelf. Wanneer hij zijn spiegelbeeld tracht te omarmen belandt hij in de koele meren des doods.

In zijn toelichting neemt conservator Frits Scholten zijn gehoor middels een dia even mee naar Caravaggio’s schilderijen in de Contarelli kapel in de San Luigi dei Francesi in Rome, waar de evangelist Mattheus opgeschrikt door de engel, een krukje omver stoot. Dit detail, dat ik voor zelfstudie aanbeveel, werd door de beeldhouwer Mochi met een knappe kunstgreep in marmer overgenomen in diens Annunciatie uit de kathedraal van Orvieto. Een vroeg voorbeeld van het nieuwe realisme dat zich in de eerste helft van de 17e eeuw in Italië manifesteert.  

In de tentoonstelling is te zien dat het niet bleef bij hier en daar een ontlening. Naar het antieke gebruik van emulatio probeerden kunstenaars elkaar op artistiek gebied te evenaren of te overtreffen. De 16e eeuwse kunstenaarsbiograaf Giorgio Vasari memoreert een uit de hand gelopen  voorbeeld tussen de schilders Giovanni Baglione en Caravaggio. In opdracht van kardinaal Benedetto Giustiniani trachtte Baglione met zijn in de expositie aanwezige Amor Sacro e amor profano in 1602 een werk dat Caravaggio voor Benedetto’s broer Vincenzo had geschilderd, te overtreffen. In chiaro-scuro gemodelleerd neemt Baglione de uitdagende houding van Caravaggio’s engel uit diens Amor Vincit Omnia in de Gemäldegalerie Berlijn, over. Naar eigen zeggen beeldde hij de goddelijke liefde uit, terwijl Caravaggio meer doelde op de aardse (volgens sommigen homo erotische) liefde. De gelijkenis met Caravaggio’s werk was overduidelijk en gaf indertijd aanleiding tot spotverzen. Baglione diende een aanklacht in, waarna Caravaggio, die daar een aandeel in had, werd opgepakt.

Giovanni Baglione, Goddelijke en aardse liefde, Rome ca.1602, Staatliche Museen zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn

Caravaggio was een vernieuwer. De expositie laat zien dat veel tijdgenoten bij hem de kunst afkeken, zoals Guido Reni en Manfredi. In hun bijdragen zijn echo’s van Caravaggio’s sensuele naakte jongelingen te zien, zoals in verschillende door hem geschilderde versies van Johannes de Doper.

Onder de noemer Affetti, doorgaans gebezigd voor positieve gevoelens van genegenheid, worden in de tentoonstelling ook werken met negatieve emoties getoond, zoals Caravaggio’s, Jongen gebeten door een hagedis. Close-up schilderde Caravaggio het van pijn vertrokken gelaat van een aanstellerige jongeling. Geweldig om dit veelvuldig gereproduceerde werk in het echt te zien!

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Jongen gebeten door een hagedis ca. 1597-1598, Fondazione di Studi di Soria dell’Arte Roberto Longhi, Florence

Rond het midden van de 17e eeuw experimenteert Bernini ook met soortgelijke geëmotioneerde gelaatsuitdrukkingen, zoals in zijn fantastische kop van een verdoemde, de Anima Dannata, in het Palazzo di Spagna en de vier groteske koppen in de sectie Scherzo. Voor een waarheidsgetrouwe afbeelding van een van pijn vertrokken gelaat, bestudeerde Bernini zijn spiegelbeeld terwijl hij zich opzettelijk aan een paar gloeiende kolen brandde.

Gian Lorenzo Bernini, groteske mannenkop, 1650-1655, Part.coll. Rome

Anders dan de overlevering wil, vervaardigde Bernini deze koppen niet voor de koets van Paus Innocentius X, maar voor zijn eigen rijtuig. Op weg naar de Piazza Navona, waar op 12 juni 1650 zijn Fontana dei quattro fiumi zou worden onthuld, moesten deze kwaaie koppen de voorbijgangers waarschuwen om aan de kant te gaan!

Ook interessant is Bernini’s uit marmer gehouwen kop van de Medusa, dat gekozen werd als campagnebeeld. Anders dan de gebruikelijke afschuwwekkende afbeeldingen van de met een kop vol kronkelende slangen gestrafte (voorheen mooie) Medusa, zoals die van Caravaggio in de Uffizi, wekt Bernini’s droevige Medusa veeleer medelijden.

In de themazaal Orrore & Terribilta wordt het nog erger. Was eerder sprake van de doelstelling de beschouwer emotioneel aan te spreken; de nu getoonde beelden moeten hen schrik aan jagen. De indrukwekkende, gekwelde soms schuldbewuste koppen zijn ook veelal geïnspireerd op  Caravaggio’s voorstellingen van David met het hoofd van Goliath, die ook in de Utrechtse Caravaggio tentoonstelling te zien waren.

Met het thema vivacita gaat de tentoonstelling verder met levensechte geschilderde en gebeeldhouwde portretten. Zoals Francesco Mochi’s, marmeren kop van een Jongeling uit Chicago.

Francesco Mochi, Bust of a Youth (Saint John the Baptist), Chicago (IL) Art Institute of Chicago

Bernini, Scipione Borghese, 1632

Blikvanger in deze ruimte is het bijzonder realistische marmeren busteportret van kardinaal Scipione Borghese, dat ik even aanzag voor een werk van Bernini. Mijn vergissing blijkt niet zo gek: het werk is van Bernini’s tovenaarsleerling Giuliano Finelli, die de kardinaal in zijn versie in de Galleria Borghese op bijna identieke wijze modelleerde. Een goed gelukt geval van emulatio.
Let op de minieme verschillen in details als het plukje haar dat nog net onder de kardinaalsbonnet uitpiept en de bijna tastbare iets opstaande kraag met daaronder de rouches van zijn onderkleed. De levensechtheid wordt nog vergroot door het tijdens het aankleden in kennelijke haast slordig overgeslagen knoopje van zijn soutane!

Giuliano Finelli, Kardinaal Scipione Borghese, 1632, The Metropolitan Museum of Art, dank zij een schenking van Louisa Eldridge McBurney, 1953

Eveneens imponerend is Caravaggio’s Portret van Fra Antonio Martelli (1607-1608), ridder van de orde van Malta. Niet alleen intrigerend wegens het realistische gehalte, maar meer nog wegens het achterliggende verhaal. Nadat Caravaggio Rome in 1605 wegens een moord was ontvlucht belandde hij via Napels op Malta. De grootmeester van de orde Alof de Wignacourt bood de van God losgeraakte schilder niet alleen onderdak en opdrachten, maar liet hem zelfs als lekebroeder toe tot de orde. Even leek het er op dat Caravaggio zijn leven beterde, maar hij verviel in zijn oude fouten en belandde weer achter de tralies. Hij ontsnapt. Achtervolgd door tegenslagen komt hij in 1610 ziek en uitgeput op het strand van Porto Ercole aan zijn einde.

Michelangelo Merisi da Caravaggio, Fra Antonio Martelli ridder in de orde van Malta, Gallerie degli Uffizi, Florence

In betere tijden maakte Caravaggio het portret van de nog maar 28 jarige kardinaal Maffeo Barberini (1568-1644). Barberini kijkt even op van zijn lectuur. Te oordelen naar het formaat daarvan en het fleurige boeketje ernaast vast geen bijbel, maar eerder liefdespoëzie. Hier komen Caravaggio en Bernini even heel dicht bij elkaar.

In Barberini’s opdracht maakte de 19 jarige Gian Lorenzo Bernini, nog werkzaam in het atelier van zijn vader Pietro, een perfect beeld van de heilige Sebastiaan, dat ook in de expositie aanwezig is. Je hoeft geen kunsthistoricus te zijn om in de houding van Sebastiaan Bernini’s inspiratiebron te herkennen. Voor wie het even niet paraat heeft: Michelangelo’s Pieta uit de Sint Pieter, daterend van 1498-99. Kijk straks ook even naar de houding van Christus in de Bewening van Annibale Carracci, die eveneens naar dit voorbeeld gemodelleerd is.

Fantastisch om al deze werken hier in samenhang te zien. Dat geldt ook voor de talrijke close-up geschilderde (zelf)portretten en genrestukken van Caravaggio en zijn navolgers. In Angelo Caroselli’s Zingende man is invloed van Caravaggio’s musicerende figuren ook niet ver weg.

In navolging van Caravaggio’s Luitspeler in de Petersburgse Hermitage schilderden de Utrechtse Caravaggisten eveneens musicerende figuren, zoals Hendrik Terbrugghen’s luitspeelster uit 1627.

Bernini, detail kraag Thomas Baker

Bernini’s Portret van Thomas Baker (1638). Deze Engelsman, die Rome bezocht om Bernini voor een portretbuste van koning Karel I te charteren, liet zichzelf meteen ook even vereeuwigen! De fraai in marmer gebeitelde kanten kraag doet denken aan geschilderde exemplaren van Rembrandt en Anthony van Dyck. De portretkop is op welhaast lachwekkende wijze bekroond met een wat groot uitgevallen pruik!

Gian Lorenzo Bernini, Bust Thomas Baker (1606-1658) Rome 1637-1638, Victoria en Albert Museum, Londen

Tussen alle geschilderde en gebeeldhouwde objecten valt mijn oog op een bijzonder sculptuurtje van de heilige Veronica dat Francesco Mochi rond 1650 maakte. Afgezien van het tekstbordje wijst niets op haar identiteit. Haar attribuut, de zweetdoek waarmee zij tijdens de kruisweg het gezicht van Jezus afwiste, ontbreekt. Althans op het eerste gezicht. Heel geraffineerd graveerde Mochi deze bijzondere reliek, die tot de huidige dag bewaard wordt in de St. Pieter, aan de binnenkant van haar mantel.

Francesco Mochi, St.-Veronica, 1630/31 -1654, Particuliere Collectie, Engeland

Mochi was niet alleen groot in kleine sculpturen, van zijn hand ziet de bezoeker ook een monumentaal Paard in volle draf , waar de Britse paardenschilder George Stubbs, wiens oeuvre tot 1 juni de verstilde zalen van het Mauritshuis siert, nog jaloers op zou zijn.

Zaalimpressie Francesco Mochi, Paard in volle draf, 1616-1617, Galleria Pallavicini, Rome foto: Marina Marijnen

Onder de noemer Visione, waarmee stervelingen een kortstondige blik in de hemel wordt vergund, ziet de bezoeker o.a. Spadarino’s Christus toont zijn wonden, uit 1630. In reactie op het ongeloof van de discipel Thomas, legt Christus, terwijl hij de beschouwer indringend aankijkt, de vinger op de zere plek. Eerst zien dan geloven.  

Hier ook een reeks in mystieke extase verkerende heiligen. In deze staat van opperste vervoering komen zij nòg een stapje dichter bij God, die de sluier van het hemelse paradijs even oplicht. Hun lichaamshoudingen zijn veelal ontleend aan bijvoorbeeld Caravaggio’s Extase van St. Franciscus.

Ook Bernini waagde zich aan de uitbeelding van deze sublieme geestesgesteldheid. Hèt hoogtepunt van Bernini’s kunnen op dit gebied schittert door afwezigheid. Althans…de recensent van de Volkskrant schreef onlangs dat het lastig zou zijn geweest om de Extase van St. Theresia van Avila uit de Romeinse Cornaro kapel los te beitelen, waarna de auteur het thema laat liggen. Kennelijk heeft hij Bernini’s schitterende model, de zogenoemde videmus dat in de tentoonstelling wèl aanwezig is, over het hoofd gezien. Op kleine schaal, met enkele kleine wijzigingen is in Amsterdam te zien hoe Theresia zich met heel haar hart en ziel overgeeft aan de goddelijke extase.

Gian Lorenzo Bernini, De extase van St.-Theresia van Avila, 1647, Staatsmuseum de Hermitage, St.-Petersburg

In mijn recente impressie van de tentoonstelling Allemaal Wonderen in het Catharijne Convent leest u dat de goddelijke extase van Theresia van Avila ook de 16e eeuwse schilder Giuseppe Bazzani en Marina Abramovic inspireerde.

Deze eerste in terracotta uitgedrukte impressie van de opperste emotie van de mystica is een waar kleinood. In dit kleine presentiemodel is reeds alle emotie aanwezig, die Bernini op ware grootte wist over te brengen

Wanneer een kleine engel haar hart en ingewanden met een vurige gouden liefdespijl penetreert, ervaart de Spaanse non de mystieke eenwording met God. Bij het zien van dit werk zit ik weer in de collegebanken en hoor de lang vervlogen ondeugende opmerking van een sceptische kunsthistoricus:

                           …’if this is godly ecstasy, I know it very well’…

In de tentoonstelling ontdek ik nòg een in extase verkerende vrouw, Maria Magdalena, geschilderd door de enige vrouw in dit mannenbolwerk: Artemisia Gentileschi.

Artemisia Gentileschi, De extase van Maria Magdalena 1620-1625 of 1630-1635
Particuliere Collectie

Zij gaf haar niet weer in de hoedanigheid van boetvaardige zondares met vanitassymbolen en evenmin in aardse, zondige vervoering, maar in goddelijke extase. Zo op het oog is er in de weergave van beide vormen van gelukzaligheid weinig verschil. In 1612 voorzag Gentileschi de godin Danaë van eenzelfde gelaatsuitdrukking, terwijl zij de oppergod Zeus, vermomd in een stroom van gouden regen ontvangt.                                
Maria Magdalena heeft haar reputatie als vrouw van lichte zeden niet aan zichzelf te danken, maar aan een foutje van de laat 6e eeuwse Paus Gregorius de Grote. Tijdens een preek verwisselde hij haar met Maria van Bethanië, de door Lucas in hoofdstuk 7: 36 beschreven boetvaardige zondares. Maria Magdalena, afkomstig uit Magdala, wordt in Lucas 8: 2 e.v. genoemd. Zij was een van de vrouwen die het graf van Jezus leeg aantroffen.

Na dit te hebben rechtgezet staan we op weg naar de laatste zaal nog even stil bij het thema Scherzo. Hier zijn o.a. twee lieflijke beeldjes opgesteld, waarmee vader Pietro en zoon Gian Lorenzo Bernini de toon hebben gezet voor een eindeloze reeks al of niet waterspuwende tuinbeeldjes. Min of meer vrije kopieën van een Putto met een draakje en Putto gebeten door een dolfijn. Tijdens een vakantie in Italië ging ik als kind helemaal mee in de bekoring van mijn inmiddels 90-jarige moeder voor een dergelijk beeldje. Het staat, voorzien van een prachtig patina, nog altijd in haar inmiddels verwaarloosde tuin. 

Via het thema Amore, met verbeeldingen van nog meer aardse en hemelse liefde, waaronder een Courtisane van de Utrechtse Caravaggist Hendrick ter Brugghen, belandden we in de laatste zaal bij het thema La Gran Maniera Greca. Hier is een keur aan geschilderde en gebeeldhouwde classicistische werken te bewonderen, die anders dan wel gedacht wordt, nauw verwant zijn aan kunstwerken uit de Barok. Mooi voorbeeld is Nicolas Poussin’s Bacchanaal voor een herme uit 1633, waar saters en nimfen er, onder invloed van wijn lustig op los dansen. Poussin schilderde deze voorstelling nadat hij in Rome marmeren reliëfs met dergelijke voorstellingen op antieke sarcofagen had bestudeerd. Leuk is het beeld van de sater rechts in de achtergrond, waarvan in de expositie enkele soortgenoten van vader en zoon Bernini te zien zijn.

Nicholas Poussin, Bacchanaal voor een herme, 1632-1633, The National Gallery, Londen

Ook Francois du Quesnoy was een groot liefhebber van oudheden. Van zijn hand ziet de bezoeker een reliëf in verguld brons van een slapende Silenus die door bedrijvige putti met rode kleurstof wordt bewerkt.

Francois du Quesnoy, Slapende Silenus met putti, Rubenshuis Antwerpen
Foto: Marina Marijnen

Behalve met dit kleine modello verrast hij de bezoeker met een monumentaal beeld van een dansende bosgod: de zogenoemde Rondinini faun. Niet alleen interessant door het formaat en de uitstraling, maar ook wegens de  ontstaansgeschiedenis. In de 16e en 17e eeuw werden in Rome steeds meer antieke sculpturen opgegraven, die met hun schoonheid en perfecte proporties  kunstenaars als  Michelangelo, Leonardo, Bernini en zijn leerlingen tot eigen creaties inspireerden.

Zo ook Francois du Quesnoy, leerling en huisgenoot van Bernini. In wiens atelier opgegraven antieke beelden met archeologische precisie, bestudeerd en nagemaakt of zo goed als nieuw gerestaureerd werden, zoals deze Rondinini faun.  

Het vervaardigen van een sculptuur naar antiek voorbeeld was voor Bernini’s leerlingen geen probleem. Het portretteren van een levend model vormde een ander verhaal. Het verhaal gaat dat Bernini zijn leerlingen daarom adviseerde om een levend model met meel te bestrooien. Weliswaar werden deze minder herkenbaar, maar hun eigenaardigheden zouden duidelijker worden, waardoor het karakteriseren van de persoon in kwestie zou worden vergemakkelijkt.

Francois du Quesnoy, Rondini faun, 1630-1635, The British Museum, Londen

Deze prachtig gemodelleerde bosgod danst lichtvoetig over een staf, terwijl hij zichzelf met twee zwaaiende (nee, geen lege wijnschalen) cimbalen begeleidt. In opdracht van Alessandro Rondinini slaagde Du Quesnoy erin om van een gehavende archeologische torso weer een complete antieke man te maken. Een in extase geraakte volgeling van de wijngod Bacchus, wiens metgezellen we ook in Poussins Bacchanaal in actie zien.

Als slotakkoord van mijn impressie heb ik Bernini’s terracottamodel van de triton in de Fontana del Moro op het Piazza Navona gekozen. In dit beeld is alle opgedane kennis uit de bestudering van antieke beelden en de anatomie van het mannelijk lichaam samengebald tot een fantastische barokke creatie van atto en mozione, actie en beweging, aangevuld met emotie en bijzonder actueel: inclusie. De triton draagt de naam die de volksmond hem heeft toebedeeld il moro, met trots!

Bibliografie

L. Helmus e.a., Caravaggio en Europa, Centraal Museum Utrecht. 2018.

S. Weppelmann e.a., Caravaggio & Bernini: vroege Barok in Rome, Rijksmuseum Amsterdam. 2020.

Link: Caravaggio-Bernini. Barok in Rome Rijksmuseum Amsterdam

Link: Allemaal wonderen, Museum Catharijneconvent (gesloten)

Link: Hier, Zwart in Rembrandts tijd, Rembrandthuis (gesloten)

Link: George Stubbs – De man, het paard, de obsessie. Mauritshuis Den Haag

Link: Video met tableau vivant schilderijen van Caravaggio (Youtube)

HIER. Zwart in Rembrandts tijd Rembrandthuis, Amsterdam tot en met 6 september 2020

Omslag Boek bij de tentoonstelling; Hendrick Heerschop, Koning Caspar, 1654 of 1659, Staatliche Museum zu Berlin, Gemäldegalerie, Berlijn

Naast de beeldbepalende figuren in 17e eeuwse regenten- en familieportretten zie je als bijwerk soms een mooi geklede zwarte bediende -meestal een schattig jongetje- vaak met een blad verfrissingen. In de tentoonstelling HIER. Zwart in Rembrandts tijd zijn de rollen tot en met 31 mei omgedraaid. Hier spelen zwarte personen, geportretteerd door Rembrandt en tijdgenoten, de hoofdrol!     

Pieter Nason, Johan Maurits met zwarte bediende, 1666, Museum Narodowe, Warschau

De tentoonstelling markeert het begin van de samenwerking tussen 12 musea, die onder het motto Musea Bekennen Kleur vraagstukken rondom inclusie en diversiteit binnen de museale sector onderzoeken, aldus Aspha Bijnaar, onderzoeker en trekker van het project.

De ambitie is dat ook andere musea zich aansluiten bij het Amsterdam Museum, het Bonnefanten, het Dordrechts-, het Frans Hals-, het Arnhems museum, het Rijks, het Stedelijk, het Van Abbe-, het Van Gogh- en het Zeeuws Museum. In het Utrechtse Centraal Museum was in dit kader vorig jaar al een interessante tentoonstelling te zien. Zwarte bijfiguren in 17e en 18e eeuwse portretten vormden daar de inspiratiebron voor eigentijdse gefotografeerde en geschilderde beelden van zwarte mensen, door onder anderen Iris Kensmil, die ook nu aanwezig is in het Rembrandthuis.

Abeelding: Joyce Vlaming, Act. II, 12 portraits, getoond op expositie MOED in Centraal Museum Utrecht

Eerder, in 2008 zorgde het Rijksmuseum met de tentoonstelling Black is Beautiful voor herwaardering van het zwarte portret. In deze expositie werd de zwarte mens met werk van Rubens tot Dumas, voor het eerst prominent voor het voetlicht gebracht. Een eye-opener voor hele generaties, die, zoals ik, op de scholen van hun jeugd afgezien van de leestip de Hut van Oom Tom, nog nooit iets over het slavernijverleden, laat staan over zwarte portretten in de kunstgeschiedenis hadden gehoord.

Rembrandthuis met Affiche Hier. Zwart in Rembrandts tijd

Voor de huidige expositie vormt het Rembrandthuis de locatie bij uitstek, want Hier, in de Jodenbreestraat en omgeving woonden in Rembrandts tijd al zwarte mensen, zoals onderzoeker Mark Ponte, co-auteur van de begeleidende publicatie aan het licht heeft gebracht. In enkele 17e eeuwse doop- en trouwregisters kun je deze informatie met eigen ogen bestuderen. Op de Amsterdamse stadsplattegrond naar Balthasar Florisz Berckenrode zijn de adressen gemarkeerd waar deze zwarte nieuwkomers, gearriveerd met schepen van de West- en Oost-Indische Compagnie veelal in kelderwoningen huisden. Bij elkaar in de buurt ondergebracht in niet al te beste huizen.

Detail van de kaart van Amsterdam door Balthasar Florisz Berckenrode, 1625

Ondertrouwakte van Pieter Claesz Bruijn en Lijsbeth Pieters van Angola, november 1649, Stadsarchief Amsterdam

Met hun exotische voorkomen vormden Afrikaanse mannen en vrouwen een uitdaging voor kunstenaars als Rembrandt. Dat hij wel even moest oefenen om het in de vingers te krijgen is te zien in een vroeg etsje van een vrouw met onmiskenbaar Afrikaanse trekken. Anders dan in zijn latere schilderij met twee Afrikaanse mannen uit 1661 vormde de weergave van haar zwarte huid in 1630 nog een probleem.  

1. Rembrandt, Buste van een Afrikaanse Vrouw, 1630, Museum Het Rembrandthuis, Amsterdam
2. Rembrandt Twee Afrikaanse mannen, 1661. Mauritshuis., Den Haag, legaat Abraham Bredius

De vroege beeltenissen zijn portretten van anonieme vrije zwarte mensen. In de eerste decennia van de 17e eeuw werden zij in Amsterdam nog niet als ‘slaaf’ gezien. Dat begrip ontstaat pas later, wanneer de Hollanders zich met de slavenhandel gaan bezighouden, verklaart Epco Runia, Hoofd Collectie van het Rembrandthuis. Maar de schok die mensen met een witte huidskleur ervoeren bij de eerste aanblik van personen met een donkere huid zal er niet minder om zijn geweest. Tot ver in de 18e eeuw bleven zij een bezienswaardigheid. Dat lees je ook in Cynthia Mc Cleods roman over de Vrije Negerin Elizabeth, dat door de auteur die zelf zwarte roots heeft, in 2002 onder deze thans door velen als denigrerend ervaren titel werd gepubliceerd. In deze geromantiseerde biografie vertelt de vrij geboren zwarte hoofdpersoon Elizabeth Samson haar onthutsende levensverhaal, waarin haar verbanning uit Suriname naar het koude Nederland centraal staat. Mc Leod stelt de lezer in staat zich te verplaatsen in de hoofdpersoon en te ervaren hoe witte medemensen, ingegeven door een volkomen misplaatst superioriteitsgevoel, zich jegens haar als onmensen gedragen. Eigentijdse onderzoekers met een gekleurde huid voelen Elizabeth Samsons boosheid en frustratie met terugwerkende kracht nog steeds. Dit is de drijfveer achter het project: Musea bekennen Kleur.  

Bij het betreden van de eerste zaal kreeg ik een schok van herkenning bij het zien van de portretten van Dom Miguel de Castro en zijn bedienden. In 1985 heb ik hen beschreven in mijn doctoraalscriptie over Johan Maurits en de schilder Albert Eckhout in Brazilië, waarover meer in een artikel elders op deze site. In de vroege 20e eeuw werden deze werken nu eens toegeschreven aan Albert Eckhout dan weer aan een (on)zekere J. Becx (Jeroen of zijn broer Jeronimus). Gebaseerd op nieuwe vondsten in het Zeeuws archief heeft J. Becx in deze het laatste woord gekregen. Dat een portret vaak meer zegt dan je op het eerste gezicht zou denken; zoals gesteld in de tentoonstelling In the Picture, geldt ook hier. De twee zwarte jongens in groene wambuizen met Afrikaanse attributen, waaronder een olifantstand, zien gedienstig op naar hun superieur. Dom Miguel daarentegen blikt zelfbewust de wereld in. Gekleed in de dure westerse outfit die hij ontvangen had van Graaf Johan Maurits von Nassau Siegen. De gouverneur van Nederlands Brazilië, die hij in 1643 als diplomaat bezocht. De Castro moest Johan Maurits vragen om te bemiddelen in een conflict tussen Dom Miguels oom de graaf van Sonho en de koning van Congo, Dom Garcia II. 

Om Johan Maurits gunstig te stemmen zond de koning hem een geschenk: een scheepslading met 200 slaafgemaakten. Na zijn bezoek aan Nederlands Brazilië reisde Dom Miguel met een missive voor stadhouder Frederik Hendrik door naar de Republiek. Getuige bronvermeldingen werd zijn portret en dat van zijn bedienden in opdracht van de WIC in Middelburg geschilderd door J. Becx.

Deze portretten zijn, behalve ter illustratie van de onderlinge gezagsverhoudingen, ook veelzeggend in een ander opzicht.

In de talrijke beschrijvingen van de mensonterende 17e en 18e eeuwse slavenhandel wordt het zelden uitgesproken, maar zonder de actieve deelname door zwarte Afrikaanse koningen was van de slavenhandel minder terecht gekomen. Zij lieten hele dorpspopulaties gevangennemen. Na een lange voettocht werden deze ongelukkige zielen in de krochten van het slavenkasteel Fort Elmina opgespaard tot met hen een scheepsruim gevuld kon worden voor verkoop aan Europese slavenhandelaren.

In dit verband is de relativerende toon in een onlangs gepubliceerd artikel van de schrijfster Ellen Ombre actueel en heel interessant.  In de Volkskrant van 13 maart jl. neemt zij juist afstand van de oude opvatting dat …’Joden en negers bondgenoten [zijn] in slachtofferschap’… ‘De afstand die ik van het slachtofferschap nam, genereert een grote mate van vrijheid’, aldus de auteur die zowel Joods als Afrikaanse roots heeft.

Tijdens een voorbezichtiging neemt gastconservator Stephanie Archangel, bekend van het tv programma Historisch Bewijs, ons mee naar het verre èn meer recente verleden. Eén van de vragen die haar bezig hielden was: …’kan ik mijzelf op een waardige manier terugzien in de Nederlandse kunstgeschiedenis?’…

De meeste afbeeldingen van zwarte mensen behoren tot de categorie stereotypen, maar Hendrick Heerschops Koning Caspar uit 1654-59 deed haar denken aan een oom. Ze bedoelde: ook al zien we hier een van de drie koningen met een geschenk voor het kindje Jezus, het is, anders dan Gerard Dou’s tronie van een zwarte man, een realistische portret.

In de expositie ontmoet ik nog een oude bekende: een paneel met de Doop van de Kamerling (1644) door de monogrammist I.S. uit Museum Catharijne Convent. Het werk door deze niet geïdentificeerde schilder doet denken aan de gelijknamige versie van Pieter Lastman in de Staatliche Kunsthalle, Karlsruhe, dat als inspiratiebron fungeerde voor de jonge Rembrandt. Hoe Rembrandts Doop van de Kamerling (1626), dat hier slechts in reproductie te zien is, na een wonderlijke ontdekking in de jaren ’70 van de vorige eeuw in de collectie van Museum Catharijne Convent belandde wordt in het februarinummer van het aan de expositie Allemaal Wonderen gewijde museummagazine beschreven.

Monogrammist I.S., De doop van de kamerling, 1644, Museum Catharijneconvent, Utrecht

De Doop van de Kamerling roept herinneringen op aan een ander autonoom zwart portret. Een 18e eeuwse prent met beeltenis van de destijds nog als ‘ex-slaaf’ omschreven Johannes Elisa Capiteyn, aan wie ik in 2002 een artikel wijdde. In 1742 promoveerde hij in Leiden op de stelling dat slavernij niet strijdig is met de bijbel.

Het verhaal van de zwarte man die door de discipel Philippus na uitleg van de schrift wordt gedoopt (Handelingen 8: 26-40) inspireerde de 17e eeuwse dominee-dichter Jacobus Revius tot de volgende woorden:

Wie ist die segghen dorf
Dat moeyte sy verloren,
Te wasschen in het badt
Een naecten Moriaen?…

Ontfinck van hem den doop,
Met een ghelovig hert,
Sijn wterlijcke huyt bleef wel gelijckelijk swert,
Maer witter als de sneeuw wiert hy aen sijner sielen…

Behalve als religieus boek fungeerde de Heilige Schrift in de 17e eeuw ook als schildersbijbel. In de tentoonstelling meen ik ook de werkgever van de zojuist gedoopte kamerling te zien, de koningin van Sheba, maar dat blijkt een vergissing. Het is een vroege naar het leven geschilderde impressie van het Toilet van Bathseba (1594) door Cornelis Corneliszoon van Haarlem. Beoordeel zelf in hoeverre het de schilder gelukt is haar fysionomie en ebbenkleurige huid in beeld te brengen.

Cornelis Corneliszn van Haarlem, Het toilet van Bathseba 1594, Rijksmuseum Amsterdam

Deze zwarte vrouw kun je onmogelijk over het hoofd zien, maar in het getekende en geëtste oeuvre van Rembrandt en tijdgenoten ontdekten de onderzoekers ook minder prominente, soms piepkleine zwarte figuranten. Zoals in Rembrandts zogenoemde Honderd Guldenprent (1646-1650). Dat ik voor zelfstudie aanbeveel; kleine kijkwijzer: u moet rechts in de voorgrond zijn. Hetzelfde figuurtje, nu in de traditionele dienstbare rol staat in Rembrandts ets met de Onthoofding van Johannes de Doper (1641) klaar met een schaal.

Aan de figuranten in hun in onderlinge wedijver ontstane etsen met de Opwekking van Lazarus voegden Jan Lievens en Rembrandt, beide een zwarte figuur toe. Kijk bij Lievens maar eens goed naar de gelaatstrekken van de vrouw die de grafdoek optilt en bij Rembrandt naar de tweede figuur links in de achtergrond.

Diezelfde Bijbel leverde niet alleen mooie onderwerpen voor schilders. Calvinistische kooplieden vonden er zelfs argumenten om de slavernij te legitimeren. Toen deze nog in handen van Portugezen en Spanjaarden was bestempelden de Nederlanders de slavenhandel als onchristelijk. Dit veranderde toen zij na de verovering van Fort Elmina in 1637 zelf een aandeel in deze handel namen. Predikanten en kooplieden trachtten deze praktijk aan de hand van een bijbeltekst goed te praten. Noach, bekend van zijn rol tijdens de zondvloed, had eens onmatig van de opbrengst van zijn wijngaard genoten. Terwijl hij in kennelijke staat ongekleed zijn roes lag uit te slapen wees zijn zoon Cham zijn broers op deze schaamteloze vertoning. Toen Noach ontwaakte vervloekte hij Cham: …’gaat heen, voortaan zullen jij en je nakomelingen een knecht der knechten zijn’….of woorden van gelijke strekking. (Gen. 9: 20-27).  Op grond van deze bijbelpassage werden Noachs zoons de stamvaders van de menselijke rassen. Zo kwam Cham, het zwarte schaap van de familie, de rol toe van oervader der zwarten. 

Destijds werd niet alleen vanuit bijbels- maar ook vanuit juridisch perspectief getracht de slavernij te legitimeren. In zijn De iure belli ac pacis, over het recht van oorlog en vrede verdedigt Hugo de Groot in 1625 het standpunt dat in tijden van [de Tachtigjarige] oorlog krijgsgevangenen, ongeacht hun huidskleur tot slaaf gemaakt mogen worden. Je hoort er in de discussies over hèt slavernijverleden weinig over, maar vanaf de 16e tot ver in de 18e eeuw werden zo’n 1.250.000 zogenoemde christenslaven, door Barbarijse zeerovers aan de slavenmarkten van Noord-Afrika verkocht. Dat de man die in deze tentoonstelling als een bad-guy ten tonele wordt gevoerd, circa 2500 christenslaven wist te bevrijden bewijst dat het slavernijverleden niet helemaal een zwart-wit verhaal is.  

Onder de noemer Hier. Zwarte Kunstenaars Nu biedt de laatste ruimte een podium aan Iris Kensmil, Iriée Zamblé en Charl Landvreugd, die met hun bijdrage reflecteren op hun eigen identiteit. Met een gevoelig portret uit 2019 brengt Iris Kensmil postuum hommage aan de vergeten zwarte verzetsstrijdster Hermina Huiswoud.

Iris Kensmil, The New Utopia Begins Here: Hermina Huiswoud, 2019, Foto: Gert jan van Rooij, Courtesy Ferdinand van Dieten office

Beeldend kunstenaar Raul Balai geeft tijdens de voorbezichtiging een antropologisch godsdienstlesje. Voor zover hij kan nagaan werd Jezus van Nazareth in Palestina geboren. Hij vraagt zich af hoe lang het beeld van Jezus als een blonde god met blauwe ogen nog op het collectieve netvlies gebrand zal staan… In het paneel Black Jesus aka Fuck Cracker Christ; dat hij samen met Brian Elstak vervaardigde, beantwoordt Balai deze vraag.

Raul Balai & Brian Elstak, Black Jesus aka Fuck Cracker Christ, 2020. Eigen foto

Tot slot, maar niet in de laatste plaats: interessant is ook de fotoserie Hollandse Meesters Her-Zien, die in dialoog met werk in de vaste collectie van het Rembrandthuis gepresenteerd wordt. Prachtig en nu al memorabel is de foto van Cigdem Ysel, waarin de sinds zijn afvaardiging voor het Songfestival 2020 ineens alom bekende Jeangu Macrooy en Humberto Tan in dezelfde houding als de zwarte mannen van Rembrandt zijn vastgelegd.

Rembrandt, Twee Afrikaanse Mannen,1661 en Çiğdem Yüksel, Jeangu Macrooy en Humberto Tan als Bastiaan en Manuel Fernando, 2020

Met deze bespreking hoop ik u een impressie te hebben gegeven van deze belangrijke voorlopig niet te bezoeken tentoonstelling. Hopelijk kan het Rijksmuseum haar deuren in september weer openzetten voor het bezoeken van de aan deze expositie verwante tentoonstelling over het Slavernijverleden. Breng tot die tijd middels het lezen van dit stuk een virtueel bezoek aan het Rembrandthuis!   

Zwart in Rembrandts tijd, Elmer Kolfin e.a. MuseumHet Rembrandthuis 2020

Link Reformatorisch Dagblad: Schippperen tussen zwart en wit

Link: Johan Maurits , Bewogen beeld, Mauritshuis Den Haag

Allemaal Wonderen, Museum Catharijne Convent Utrecht, tot en met 23 augustus 2020

Campagnebeeld Allemaal wonderen

De meeste bezoekers van deze expositie zullen verbaasd opkijken wanneer ze horen wie het doek Elia wekt de zoon van de vrouw uit Sunem tot leven heeft geschilderd. Jan Sluijters is beter bekend van kleurrijke alledaagse impressies en kinderportretten, dan van doeken met in academische stijl geschilderde bijbelse verhalen!  

Dit werk, waaruit een detail als campagnebeeld werd gekozen bevat niet alleen Vlaamse maar ook Italiaanse invloeden. In 1904 won Sluijters er de felbegeerde Prix de Rome mee. De daaraan verbonden beurs stelde hem in staat oude meesters in Italië te bestuderen om zich te verbeteren in het schilderen van historiestukken.

Jan Sluijters, De profeet Elisa wekt de zoon van de Sunamitische vrouw tot leven, 1904, Drents Museum, Assen, in langdurig bruikleen van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

Zover is hij echter niet gekomen. In Parijs werd Sluijters gegrepen door het werk van de kleurrijke Fauvisten, waardoor hij een totaal andere richting op ging. In financieel opzicht was dit wellicht niet verstandig: zijn toelage werd ingetrokken, maar het volgen van zijn hart bleek uiteindelijk een goede keuze.

Sluijters doek illustreert één van de thema’s in de expositie over de wondere wereld van onverklaarbare genezingen, natuurwonderen, reddingen uit uitzichtloze situaties, vervulling van onvoorstelbare wensen en contacten met een andere werkelijkheid. Een cyclische trip die begint met de dood en eindigt met het meest ‘alledaagse’ wonder: de geboorte.

In de presentatie heeft het museum voor een brede aanpak gekozen. Behalve aan historische katholieke mirakelen biedt de expositie ruimte aan de uitbeelding van wonderlijke ervaringen uit andere godsdiensten en culturen. Ook ziet de bezoeker hoe eigentijdse kunstenaars vorm geven aan het verlangen naar een wonder of hoe zij uiting te geven aan de teleurstelling bij het uitblijven daarvan. Althans zo interpreteer ik de Glazen toverstaf van Maria Roosen in de introductiezaal en het lichtkunstwerk van de Britse kunstenaar Nathan Coley There will be no miracles here. Zichtbaar vanaf de loopbrug staat in de kloostertuin nog een kunstwerk van zijn hand getiteld: A Place Beyond belief. Daags na de aanslagen op de Twin Towers ontsnapten deze woorden uit de mond van een verder met stomheid geslagen inwoner van New York.

Nathan Coley, A place beyond belief, 2012, Studio Nathan Coley, Glasgow

Met dit kunstwerk benadrukt Coley het belang van geloof: geloof waarin dan ook. Niet zozeer moreel of religieus, maar geloof in de goedheid en de kracht van de mens. Dit kunstwerk nodigt de bezoekers uit tot nadenken over de betekenis van wonderen en de vraag of geloof nodig is om een wonder te ervaren.

Jaren geleden zei de componist Laurens van Rooyen in een interview: …’wie niet in wonderen gelooft is geen realist’… In de tentoonstelling lees ik: …’Ook wie er niet in gelooft hoopt op wonderen’… Deze twee uitspraken omspannen de uitersten in het denken over wonderen. Wonderen? Dat is toch iets van bijbelse en lang vervlogen tijden!
Als nuchtere Hollandse doe ik een wonderlijke gebeurtenis meestal af als een samenloop van omstandigheden of een gelukkig toeval. Anderen menen dat toeval niet bestaat. Toch zijn er gebeurtenissen, waarbij zelfs sceptici van hun ongeloof vallen!  
In een interview op 28 februari jl. bij de Ochtend van 4 maakte conservator Rianneke van der Houwen de luisteraars deelgenoot van de wonderlijke redding van een in de woestijn gestrande man. De mobiele telefoon bestond nog niet. Toen de nood het hoogst was, werd hij, evenals de oud-testamentische Hagar door een engel gered. De man, die bij gebrek aan passend gereedschap om zijn band te verwisselen ten einde raad was, zag ineens iets glinsteren in het woestijnzand: het bleek een passende moersleutel.                 
Ook voor wie hier geen moer van gelooft is deze tentoonstelling met prachtige schilderijen, beelden, miniaturen en videokunst zeer de moeite waard. Wederom verlaat Museum Catharijne Convent de traditionele Rooms-Katholieke hoofdweg. Het universele fenomeen wonderen is van alle tijden en manifesteert zich overal ter wereld, zowel in godsdienstige als profane kringen. Protestantse sceptici moeten er ook aan geloven. Er wordt zelfs gewag gemaakt van een calvinistisch wonder dat zich in de jaren ’70 van de 17e eeuw in Utrecht, mogelijk in de naast het museum gelegen Catharinakerk, zou hebben voltrokken. Tijdens een dienst geleid door de Utrechtse godgeleerde Gisbertus Voetius, liet een verlamde man zijn krukken bij de avondmaalstafel achter.

Het thema opstanding uit de dood, waarmee dit stuk begon, heeft veel kunstenaars gefascineerd. Vaak geïnspireerd door bijbelse verhalen waarbij dit godswonder gewone stervelingen ten deel viel.

Rembrandt en zijn jonggestorven leerling Carel Fabritius brachten het bijbelse verhaal van de Opwekking van Lazarus op indringende wijze in beeld. In een ets belicht Rembrandt het wonder zelf, Fabritius brengt ook alle verwonderde omstanders in beeld.

1. Fabritius, Opwekking van Lazarus, 1643, Nationaal Museum van Warschau
2. Rembrandt, Opwekking van Lazarus, ets, 1632. Rijksmuseum Amsterdam.  

In de tentoonstelling Hier. Zwart in Rembrandts tijd zag ik in het Rembrandthuis ook een geëtste versie van Jan Lievens. Indachtig de leus black lives matter ontdekten de tentoonstellingsmakers hoe zowel Rembrandt als Lievens in beide etsen ook een zwarte getuige van het wonder hebben toegevoegd. Meer hierover in mijn volgende bespreking van die tentoonstelling.

Zeventiende eeuwse meesters waren niet de eersten en evenmin de laatsten die dit wonder in beeld brachten. In de expositie ziet de bezoeker een eigentijdse, wellicht schokkende variant. De zelfverklaarde atheïst David Bowie maakte zich in 2016, drie dagen voor zijn dood onsterfelijk met een op dit verhaal geïnspireerde videoclip.*

Behalve de bijbel vormen ook de koran en andere religieuze geschriften een onuitputtelijke bron voor natuurwonderen. Naast prenten en schilderijen uit de westerse kunstgeschiedenis worden ook miniaturen en sculpturen uit oosterse godsdiensten getoond.

Het verhaal van Mozes die, wanneer zijn volk dreigt om te komen van dorst, water uit de rots slaat zal menig museumbezoeker bekend zijn. Zo ook het verhaal waarin Jezus over het water loopt, in de expositie op indringende en eigentijdse wijze door Bas Meerman verbeeld.

Bas Meerman, Jesus First!, 2010, Uden, Museum Krona

Voor het bezweren van een storm op zee draaide Jezus zijn hand niet om. Dat ook de boeddha over krachten beschikte om een gezwollen rivier tot rust te brengen is wellicht minder bekend.

Dit wonder wordt op subtiele wijze verbeeld in een verguld 19e eeuws beeld uit Thailand. Het tot rust brengen van het woeste water wordt slechts gesuggereerd door Boeddha’s bezwerende- zogenoemde abhaya-mudra handgebaar.  

Afbeelding links: Boeddhabeeld met beide handen in de abhaya-mudra, 19e eeuw, Thailand, Nationaal Museum van Wereldculturen, Leiden

Omringd door een rijke beeldcultuur zijn wij 21e eeuwers wel wat gewend, maar in 1956 moet de passage door de rode zee getoond in de Ten Commandments van Cecil B. de Mille voor de kijkers een verpletterende en wellicht een tot geloof inspirerende ervaring zijn geweest. Het fragment is in de tentoonstelling te zien. De catalogus onthult hoe dit ‘special effect’ werd verkregen. De beelden van een plots leeglopende tank met ruim één miljoen liter water, werden achterstevoren afgespeeld.

Toen ik dit verhaal beschreven in Exodus 14: 21 e.v. in mijn lagere schoolbijbeltje opsloeg viel er een krantenknipsel uit. Een stukje uit de NRC, waarin dit wonder in de vroege jaren ’80 op wetenschappelijk wijze werd verklaard. In de Golf van Suez bevindt zich een rif van de ene naar de andere oever. Het vermoeden is dat het waterpeil in oud-testamentische tijden lager was dan nu. Opgestuwd door een straffe wind -in de bijbel is inderdaad sprake van een sterke oostenwind- zou zich een corridor gevormd kunnen hebben.    

Voor het geestesoog van Marc Chagall ontvouwt dit wonder zich als een fantastisch visioen. De door een engel geleide Israëlieten gaan rustig voort in het licht, terwijl de Egyptenaren in bloedrode, geagiteerde vormen ten onder gaan in de golven. Bij het zien van dit waterwonder zou Jeroen Krabbé het in zijn zoektocht naar Chagall vast niet droog hebben gehouden.

Marc Chagall, Doortocht door de Rode Zee, ca.1955, Musée National Marc Chagall, Nice

De bijbel biedt kunstenaars ook een rijke voedingsbodem voor ideeën over hongerigen die op wonderbare wijze gevoed werden. Nadat Mozes tijdens de doortocht door de woestijn via hogerhand al drinkwater en, middels een zwerm kwartels, vlees had geregeld, dwarrelde even later vanuit de hemel voedsel neer. Dankzij deze wonderlijke mannaregen, werden de Israëlieten van de hongerdood gered (Exodus 16: 14 e.v.).

Elders wordt de profeet Elia gevoed door de raven (1 Koningen 17: 6). Het nieuw-testamentische verhaal waarbij het Jezus tijdens een massa bijeenkomst lukte om 5000 man te voeden met slechts 2 broden en 5 vissen vond ik als kind volstrekt ongeloofwaardig. Op mijn  tegenwerpingen had mijn moeder maar een weerwoord:
                           …je hoeft er alléén maar in te geloven…!

Bij het zien van Marina Abramovic zal menige bezoeker denken: …’tja, ik geloof het wel’…!  In een van de zalen hangt zij in de holding boven een fornuis met potten en pannen. Abramovic werd tot deze act geïnspireerd door het wonder dat de Spaanse non Teresa van Avila (1515-1582) overkwam. Honger veroorzaakt door langdurig vasten en versterving leidde niet tot een gelukzalig gevoel van onthechting, maar tot boosheid. Volgens de overlevering begon Teresa van Avila -zo licht als een veertje?- kwaad en hongerig boven de pannen te leviteren (zweven)!

Afbeelding: Marina Abramović, The Kitchen I: Levitation of Saint Theresa filmstill, 2009, LIMA, Amsterdam

In deze performance speelt Marina Abramović (1946) met schijn en werkelijkheid, door zichzélf zwevend in de keuken van een Spaans clarissenklooster te presenteren. Een performance met een dubbele bodem: enerzijds verwijzend naar de mystieke ervaringen van de vliegende non, anderzijds naar de veilig plek uit haar ongelukkige kindertijd; de keuken van Marina’s grootmoeder.

Elders in de tentoonstelling ziet de bezoeker een impressie van Teresa van Avila in mystieke extase geschilderd door Giuseppe Bazzani (1515-1582). Hier komt de verre echo door van een college over Gian Lorenzo  Bernini’s Extase van Teresa van Avila in de Santa Maria della Vittoria in Rome, waarover een sceptische kunsthistoricus destijds met een ondeugend lachje opmerkte:
’if this is godly ecstasy, I know it very well’…

In de tentoonstelling Caravaggio Bernini in het Rijksmuseum zag ik Bernini’s oefenstukje voor bovengenoemde sculptuur – een zogenoemde Bozzetto – dat hij in 1647 in terracotta modelleerde en waarover ik u binnenkort ook zal informeren. 

Giusepe Bazzani, de mystica Teresa van Avila in extase, ca.1745-1750, Szépmuvészeti Museum, Boedapest

Als we het mogen geloven waren Teresa en Marina niet de enigen die de zwaartekracht overwonnen. In de ruimte gewijd aan het thema contact met een andere werkelijkheid ziet de bezoeker de reliekschrijn van Christina de Wonderbare (1150-1224). In een schilderij vliegt zij, dicht bij God, een rondje om de kerk van Sint Truiden. Haar levitaties begonnen tijdens haar uitvaartmis. Daarna bleef zij nog lang in de buurt rondspoken om middels haar relieken talrijke wonderen te verrichten.

In de expositie ziet de bezoeker ook de Gravity Gauge die Michael Pederson in 2017 ontwierp. Een ‘zwaartekrachtmeter’ die volgens het bijschrift met een knipoog verwijst naar de barometer, maar in mijn ogen eerder naar de (on)geloofwaardigheid van het fenomeen levitatie.

Van alle wonderen die in de tentoonstelling een plek hebben gekregen, zijn die van het katholicisme het meest talrijk. Een mooi voorbeeld van Hollandse bodem is het Mirakel van Amsterdam. In een 17e eeuws paneel wordt het wonder van de door een zieke uitgebraakte, doch in het vuur niet verteerde hostie als een stripverhaal zichtbaar gemaakt. Na de alteratie wanneer Amsterdam overgaat tot het gereformeerde geloof, belandt de kist met de hostie in het burgerweeshuis. Zieke jongens hoeven om beter te worden alleen maar even op de kist te gaan zitten. Nog ieder jaar wordt dit wonder tijdens de Ommegang van het Mirakel van Amsterdam in maart herdacht.   

1. Een zieke man krijgt de hostie aangereikt door een priester, processievaandel (detail), 1555 Amsterdam, Amsterdam Museum
2. De jaarlijkse sacramentsprocessie in Amsterdam, Processievaandel, 1555, Amsterdam Museum bruikleen stichting Het Begijnhof Amsterdam

Wonderbare genezingen; katholieke mirakelboeken staan er vol mee. Niet alleen in de middeleeuwen, maar ook in de klassieke oudheid en in vroegmoderne tijden hechtten velen geloof aan wonderbare genezingen. En dat geloof, of in elk geval de hoop op genezing leeft nog steeds. Ook eigentijdse patiënten hopen op herstel na bezoek aan een erkend bedevaartsoord.

Hoopvol gestemd reisde de verlamde Jan Toorop in 1919 in zijn rolstoel naar Lourdes, waar de maagd Maria het boerenmeisje Bernadette Soubiroux in 1858 had gewezen op een geneeskrachtige bron.

Jan Toorop, Onze Lieve Vrouw van Lourdes, 1910, Museum Catharijneconvent Utrecht

In de tentoonstelling ziet de bezoeker Toorops impressie van Onze Lieve Vrouw van Lourdes. De bedevaart noch het (als votiefgeschenk bedoelde?) schilderij brachten hem genezing. 

Sinds de Griekse en Romeinse Oudheid offerden gelovigen geschenken om de goden gunstig stemmen. Zoals het fraaie kopje van een antieke godin, daterend van de 4e eeuw v. Chr.

In de hoop op genezing, of als dank daarvoor, werden ook zogenoemde ex-voto’s in de vorm van het zieke lichaamsdeel achtergelaten bij heiligdommen gewijd aan Asklepios. Een gebruik dat tot de huidige tijd niet alleen in mediterrane kerken, maar ook in ons land heeft stand gehouden. In de expositie ziet u een verzilverd, letterlijk als luisterend oor bedoeld exemplaar.  


Verzilverd Oor, Zuid-Nederland, 1800-1925. Utrecht, Museum Catharijneconvent

In de verklarende objecttekst bij de ex voto’s wordt dankbaarheid als motief genoemd. Als tweede reden voor het schenken van een ex voto wordt het afdwingen van een wonder genoemd. Dat zou wellicht vervangen kunnen worden door het afsmeken van een wonder. Goden van welke signatuur ook laten zich niet dwingen.

Dan is er nog ruim aandacht voor wonderbaarlijke reddingen. In een groot paneel van Reyer Jacobsz. Van Blommendael uit 1673 is te zien hoe St. Bavo de stad Haarlem in 1274 van een belegering door de Kennemers redt.
Een primitief votiefschilderijtje herinnert aan de wonderbaarlijke redding van een Mexicaans gezin, dat in 1918 midden in een storm op zee ook nog in een bombardement over zich heen kreeg.  
Ook het Boeddhisme en de Islam kennen soortgelijke reddingen. In een Chinese schildering verhindert de zeegodin Mazu een schipbreuk.

De Chinese zeegodin Mazu redt een schip op volle zee, China, 18e eeuw, Rijksmuseum Amsterdam

Een miniatuur toont hoe de soefi-heilige Abdul Qadir Jilani (1077-1166), die evenals Jezus over water kon lopen, het presteerde om de opvarenden van een gezonken schip weer gezond en wel boven water te brengen. Met het element water belandt deze bespreking in een recent verleden.   

Na talrijke eerdere in geschrift, prent, miniatuur en schilderij geboekstaafde mirakelen, tonen videobeelden dat wonderen vandaag de dag de wereld nog niet uit zijn. Behalve reddingen van onder puin bedolven slachtoffers worden beelden getoond van captain Sully’s bepaald niet sullig uitgevoerde ditching.  Een gevaarlijke landingsprocedure die piloten en cabinepersoneel tijdens flight safety slechts in case of an unlikely event oefenen. Op 15 januari 2009 landde captain Sullenberger zijn Airbus A320 op spectaculaire wijze op het water van de Hudson in New York.

In het licht van alle ramspoed die mensen over de hele wereld op alle mogelijke manieren proberen af te wenden, zijn er gek genoeg ook mensen die de goden -of veeleer het noodlot- tarten om hen te sparen bij een gevaarlijke onderneming. Een mislukt voorbeeld daarvan wordt geïllustreerd met de foto waarop kunstenaar Bas Jan Ader in 1975 met een tupperware bootje van wal stak, om de Atlantische oceaan over te steken.   

Een proeve van blind godsvertrouwen? Zeezeilers zullen het eerder als een grote stommiteit beschouwen. Van Bas Jan Ader is -een navrante vergelijking met een kinderliedje dringt zich op- behalve het lege onzeewaardige bootje, nooit meer iets teruggevonden.

Bas Jan Adler, In search of the Miraculous, 1975, foto: Mary Sue Adler-Andersen

Ondoenlijk om alle wonderen hier te bespreken, een grote schildering uit Tibet met het wonder van Shravasti, wil ik u echter niet onthouden.
Een soortgelijke beschilderde banier zag ik 20 maart jl. op de tv. Tijdens haar reisprogramma bezoekt Erica Terpstra in Nepal een atelier. De vrouwelijke schilder geeft tekst en uitleg bij het meest bijzondere wonder uit het Boeddhisme, dat zich voltrok in de verdwenen Indiase stad Shravasti. Zes magiërs dagen de boeddha tijdens een soort toverwedstrijd uit. Deze geeft een staaltje van zijn kunnen ten beste door zichzelf tegelijkertijd, staand, zittend en liggend te presenteren. En dat is nog niet alles: bovenin de schildering is te zien hoe hij zijn lichaam in meerdere lichamen opsplitst, zodat er voor iedereen ‘een eigen boeddha’ is. De tegenstanders vinden hierna de dood.

Thangka met het wonder van Shravasti, 18e eeuw, Tibet, Museum voor kunst en geschiedenis, Brussel

Wanneer u nog nooit een wonder heeft meegemaakt, of indien u er nog wel een zou willen ervaren biedt de zogenoemde Godhelm wellicht uitkomst. Dit vernuftige door Bert Molenkamp in 2016 vervaardigde ‘hoofddeksel’ wordt in het Religion, Cognition and Behavior Lab van de Uva gebruikt bij onderzoek naar de vraag in hoeverre ons brein betrokken is bij religieuze en spirituele ervaringen en waarom sommige mensen vatbaarder voor dit soort ervaringen zijn dan anderen.

Benieuwd? Doe de zelftest!   

Tenslotte betreedt de bezoeker een thema-ruimte gewijd aan het ogenschijnlijk alledaagse mysterie van conceptie en geboorte, dat in welke godsdienst of cultuur ook, als een wonder beschouwd wordt. En dat is, indachtig verhalen over ongelukkig verlopen zwangerschappen, geen wonder. Ook auteur Bill Bryson bestempelt het ontstaan van nieuw leven en de geboorte in zijn onlangs verschenen ‘reisgids’ door het menselijk lichaam als zodanig. …’De ontwikkeling van een bevruchte eicel tot de geboorte is een van de grootste wonderen van de biologie en.. de belangrijkste gebeurtenis van je leven’….

De geboorte wordt met een keur aan mythologische, bijbelse, antieke en oosterse verhalen in de expositie geïllustreerd.

In een anoniem noord-nederlands schilderij herkennen christenen en moslims het verhaal van de engelen die de stokoude Abraham en Sara een bizarre boodschap brengen. Sara schiet in de lach, maar tegen elke verwachting in raakt zij ver na de menopauze toch zwanger. Zij schenkt Abraham de lang verlangde zoon: Isaäc, waarmee hij de stamvader wordt van het Joodse volk.

Onbekende kunstenaar, Drie engelen bezoeken Abraham en voorspellen de komst van zijn zoon, Noord Nederland, 1625-1650, museum Catharijneconvent, Utrecht

Dit geluk betekent ongeluk voor Abrahams oudste zoon, Ismaël, die hij wegens hun kinderloosheid, op aandringen van Sara bij de slavin Hagar verwekte. Nu fluistert de jaloerse Sara hem iets in dat de geschiedenis van de wereldgodsdiensten ingrijpend zou bepalen. Ismaël wordt met zijn moeder verstoten, maar ook met hem had God een plan. Wanneer zij van dorst dreigen om te komen in de woestijn, wijst een engel hen op een bron. Ismaël wordt de stamvader der moslims. Deze zogenoemde zemzem bron is samen met de Ka’aba, de plek waar Abraham zijn zoon Isaac moest offeren, een bedevaartsoord voor miljoenen moslims.   

De Boeddha in lotuszit in de baarmoeder van zijn moeder, Myanmar, 20e eeuw, part. coll.

Altijd gedacht dat de maagdelijke conceptie van Jezus van Nazareth een uniek fenomeen was? Deze tentoonstelling leert dat ook andere wonderdoeners op wonderbaarlijke wijze geconcipieerd en geboren werden. Zo zou de boeddha verwekt zijn door een witte olifant, die zijn moeder tijdens een droom bezocht. Een 20e eeuws reliëf uit Myanmar toont de boeddha in lotushouding in de schoot van koningin Maya. De heerlijke inrichting van haar baarmoeder als een gouden paleis, verklaart wellicht waarom het kind pas na een 10 maanden durende zwangerschap ter wereld kwam. En hoe! Na één wee werd prins Siddhartha Gautama op miraculeuze wijze via de rechterheup van zijn moeder geboren, waarna hij wonder boven wonder ook meteen kon lopen!

In een 20e eeuwse schildering uit India, zijn de wonderen rond de geboorte van de hindoegod Krishna verbeeld. Opgesloten door haar demonische broer koning Kamsa brengt prinses Devaki in de gevangenis Krishna ter wereld. Door een wonder gaat de gevangenispoort open, zodat Krishna’s vader hem kan bevrijden.     

Als een rondeel wordt de tentoonstelling besloten met een reeks christelijke geboortescènes van de maagd Maria en het kindje Jezus.

Een ikoon met de voorheen kinderloze Joachim en Anna memoreert de wonderlijke conceptie van Maria, die tijdens een kuise omhelzing in de Gouden Poort van Jeruzalem werd verwekt. Deze gebeurtenis wordt in de katholieke en Russich orthodoxe kerk aangeduid als de onbevlekte ontvangenis. Dit betekent dat zij niet belast is met de erfzonde, die met Adam en Eva in de wereld is gekomen. Aldus werd Maria zuiver genoeg om de moeder van Gods zoon te worden. De term onbevlekte ontvangenis wordt vaak ten onrechte gebruikt om de maagdelijke conceptie van het Christuskind aan te duiden.

Ontmoeting van Anna en Joachim bij de gouden poort, Rusland, eind 16e eeuw, Ikonen-Museum Recklinghausen D

Via een 15e eeuwse miniatuur waarin de Tiburtijnse Sibille keizer Augustus de geboorte van een nog machtiger heerser voorspelt bereikt de bezoeker het slotakkoord van de tentoonstelling. Voor trouwe bezoekers van het Catharijne Convent een oude bekende: het Middelrijns altaar uit de refter. Het werk bevat tegenwoordig niet makkelijk meer te herkennen wonderen. Dat wij dit werk ruim vijfhonderd jaar na voltooiing nog kunnen bewonderen, is ook een wonder !  

Terwijl veel middeleeuwse kunstwerken tijdens de beeldenstorm of door de tand des tijds verloren gingen, bleef dit altaarstuk, na de reformatie verstopt achter een witgewassen muur, gespaard. In de 19e eeuw kwam het weer tevoorschijn. De destijds gesloten zijluiken zijn beschadigd, maar daarachter bleven de voorstellingen goed geconserveerd. Tegen een gouden achtergrond ontvouwt zich een schitterend stripverhaal, waarin de kernpunten van de christelijke heilsgeschiedenis voor ongeletterden kleurrijk in beeld worden gebracht. Details van de daarin verstopte wonderen vertel ik u graag een keer tijdens een rondleiding in Museum Catharijne Convent.  

Geboorte van Christus, paneel uit het Middelrijns altaar, Middelrijn of Westfalen?, ca. 1410, Museum Catharijneconvent

Voor u de tentoonstelling verlaat ziet u een drietal foto’s die Rineke Dijkstra maakte van vrouwen die zojuist moeder zijn geworden en een film van Jeroen Eisinga, gewijd aan hetzelfde thema. Hierna volgt een video van Bill Viola, waarin enkele mensen symbolisch de soms (on)aangenaam verrassende levensstadia doorlopen. Na deze duistere ruimte bereikt u aan het einde van deze leerzame tentoonstelling weer het licht. Zouden de tentoonstellingsmakers hier een symbolische bedoeling mee hebben gehad?

R. van der Houwen-Jelles e.a. Allemaal wonderen, Museum Catharijneconvent Utrecht, 2020

*NPO 2 Jeroen Krabbé zoekt Chagall, AvroTros.nl.  

* B.Bryson, Het Lichaam: Een Reisgids, Amsterdam/Antwerpen, 2019

*David Bowie: Lazarus

Tentoonstelling In the Picture, in het Van Gogh Museum Amsterdam tot en met 30 augustus 2020

Campagnebeeld Van Gogh Museum, Zelfportret met verbonden oor, 1889.The Samuel Courtauld Trust, The Courtauld Gallery, Londen

Eind januari zag ik in de NRC een karikatuur van het onlangs als een èchte Van Gogh geaccepteerde zelfportret. Met de woorden:  …Hey, het is oké, maak depressie bespreekbaar… stond deze boven een pleidooi tegen de opheffing van de jaarlijkse Bob den Uyl-prijs. Ingesteld ter herinnering aan de in 1992 overleden schrijver, die met zwarte humor niet alleen de worsteling van het reizen, maar ook die van het leven zelf -hij was manisch depressief- beschreef.

Ruben Oppenheimer, Cartoon in NRC op 21 januari 2020

Het originele zelfportret uit Oslo is te zien in de zaal die gewijd is aan het thema de Lijdende Kunstenaar. Het hangt naast de Pieta die Van Gogh kort na een zenuwinzinking schilderde naar voorbeeld van een gelijknamige werk door Eugène Delacroix. Het zal de opmerkzame beschouwer niet ontgaan dat Vincent de dode Christusfiguur voorzag van een rode baard en haardos. Zo identificeert Van Gogh zich met de lijdende Christus. In een van zijn brieven vertrouwt hij zijn broer Theo toe:

 …’In het lijden zelf geven godsdienstige gedachten soms veel troost’

En lijden deed hij. In de tentoonstelling met ruim 77 kunstenaarsportretten fungeert Vincents Zelfportret met verbonden oor (1889) uit de Londense Courtauld Gallery als sleutelstuk. Tweemaal bracht hij de gevolgen van zijn wanhoopsdaad –na een ruzie met Gauguin sneed hij op 23 december 1888 zijn rechteroor af- in beeld. Maar in zijn brieven vond hij geen woorden voor zijn automutulatie.  

Vincent van Gogh, Zelfportret met verbonden oor, 1889. The Samuel Courtauld Trust, The Courtauld Gallery, Londen

Vanuit dit solitair gepresenteerde werk waaiert de blik van de bezoeker in alle richtingen uit naar meer zelfportretten van zijn hand en kunstenaarsportretten van anderen. Dichtbij zijn de portretten die vrienden en tijdgenoten van hem maakten en langs de wanden portretten van eigentijdse schilders en schilderessen. Autonome portretten, vingeroefeningen en studies van het eigen gelaat, of dat van een ander. Naast Edvard Munch, Gustave Courbet en Pierre Auguste Renoir komen ook vrouwelijke kunstenaars mooi uit de verf. Helene Schjerfbeck, Charly Toorop, Thérèse Schwartze, Berthe Morisot en Milly Childers doen niet onder voor hun mannelijke collega’s.

Hoe kan de grote productie van kunstenaarsportretten in de 19e eeuw worden verklaard? In de Middeleeuwen werd een kunstenaar nog als een ‘gewone’ ambachtsman beschouwd, maar in de eeuwen daarna kregen opdrachtgevers en publiek belangstelling voor de mens achter die kunstwerken. Zo kwam in de 19e eeuw de kunstenaar letterlijk en figuurlijk steeds meer in beeld.

Een portret vertelt vaak meer dan je op het eerste gezicht zou denken. Vanuit deze overtuiging onderzochten de tentoonstellingsmakers de keuzes van de moderne kunstenaar. Wil deze slechts een goed gelijkende beeltenis presenteren of had hij of zij een andere drijfveer?

In de expositie zien we niet alleen zelfportretten, maar ook vriendenportretten en beeltenissen die gemaakt zijn om een identiteit, imago, kunstopvatting, levensstijl, statement te evoceren of een emotie, zoals in Van Goghs Zelfportret als schilder (1887-88). Een prachtig kleurrijk portret. Op mijn reactie dat de schilder zichzelf met in-droevige, lege ogen vereeuwigde, antwoordt conservator Nienke Bakker: dat klopt, Van Gogh schilderde dit portret in zijn nadagen in Parijs, waar hij zich opgejaagd en ongelukkig voelde.

In een brief aan zijn zus Willemien beschrijft Van Gogh  zijn gelaat als een associatie met Magere Hein, de personificatie van de dood: ….…’zijn roze grijs gelaat met groene oogen, aschkleurige haar, rimpels in voorhoofd en om den mond, stijf houterig een zeer rooden baard, vrij ongeredderd en triest’… (626, medio juni 1888). 

Hij had al meer zelfportretten gemaakt, maar dit werk is qua kleurgebruik en compositie zeer ambitieus. Het is ook het enige gesigneerde zelfportret uit zijn Parijse periode. Met het felle palet presenteert hij zich als een moderne kunstenaar; weg zijn de sombere Brabantse kleuren!

Vincent Van Gogh, zelfportret als schilder, 1887-1888, Van Gogh Museum Amsterdam, Vincent van Gogh Stichting

Bij portretten speelt de herkenbaarheid van de afgebeelde persoon een belangrijke rol. Letterlijk herkenbaar, maar ook figuurlijk. Realistisch of geïdealiseerd. De mate van herkenbaarheid gold in het verleden niet alleen voor vorsten en hoogwaardigheidsbekleders, maar ook voor de moderne kunstenaars in deze tentoonstelling. Wat gold voor sculpturen van Romeinse keizers, geldt nog steeds voor eigentijdse heersers. Met hun staatsieportretten laten onze koning en koningin, zich evenals de heersers van weleer, tot in de verste uithoek van hun rijk representeren. Daarbij is een gelijkende weergave van belang, maar idealisering soms wenselijk.

Zelfverbeelding: vandaag de dag is vrijwel iedereen ermee bezig. Wat laten we wel en wat juist niet zien vragen gebruikers van Instagram en FaceBook zich dagelijks af. Sommige geïllustreerde levensverhalen zijn jaloersmakend, maar vaak te mooi om waar te zijn!

Terug naar het sleutelstuk. Vincents Zelfportret met verbonden oor roept vele vragen op die als leidraad voor de inrichting van de tentoonstelling hebben gediend. Het werk vertelt iets over de identiteit en toestand van de schilder. Door zijn lijden in beeld te brengen toont hij zijn kwetsbaarheid, maar ook zijn kracht. Werk is het beste medicijn. Hij maakt zelfs nog een impressie van zijn gehavende hoofd: Zelfportret met pijp dat zich thans in privébezit bevindt.

Behalve schilderijen van tijdgenoten ziet de bezoeker ook werken van hedendaagse kunstenaars die zich door Van Gogh lieten inspireren. Zoals Francis Bacons Eerbetoon aan Van Gogh, 1960, geïnspireerd op Vincents Zelfportret met pijp. Een expressief, wat griezelig portret van een pijprokend spook in rode mantel met een groen, narrig hoofddeksel. De houding doet enigszins denken aan die van barokke pausportretten. Zijn lijkbleke, vervormde gelaat geeft aan dat de kunstenaar er slecht aan toe is. Het werk bevat volgens sommigen een autobiografische component, ingegeven door de conflictueuze en zelfdestructieve relatie van de schilder met zijn partner Peter Lacy.

Francis Bacon, Eerbetoon aan Van Gogh, 1960, Göteborgs Konstmuseum, © Estate of Francis Bacon c/o Pictoright Amsterdam, 2020

Emo Verkerk (1955) koos in 2015 eveneens een beeltenis van Van Gogh als uitgangspunt voor zijn vlot, enigszins naïef geschilderde, geestige kijk op de kunstenaar. Het uiterlijk van Vincent van Gogh is wereldwijd bepaald door zijn zelfportretten, maar zijn werkelijke uiterlijk is maar in één foto vastgelegd. Als 19 jarige liet hij dit portret als verjaarscadeau voor zijn vader maken. Een ontroerende beeltenis van Vincent, keurig in het pak, dressed to impress, voor zijn eerste baan als assistent in de Haagse vestiging van Kunsthandel van Goupil. De toekomst ligt nog voor hem open. Van aspiraties om kunstenaar te worden hier nog geen spoor; dat besluit nam hij pas op 25-jarige leeftijd.  

Vincent van Gogh (19 jaar) , 1873, Van Gogh Museum Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)
Emo Verkerk, Vincent als filiaalmanager, 2015 Privécollectie (Met dank aan willem Baars Projects)

Het tragische levensverhaal van de jonggestorven Vincent van Gogh, de man van twaalf ambachten en dertien ongelukken, inspireerde niet alleen beeldend kunstenaars, maar ook filmmakers. Nu zou hij een rijk man geweest zijn maar tijdens zijn leven verkocht hij maar één werk. In de laatste tentoonstellingszaal zijn, behalve eigentijdse ‘portretten’ ook posters en filmfragmenten te zien. In 1965 kwam Vincente Minelli’s film Lust for Life uit, met in de hoofdrol de onlangs overleden Kirk Douglas. In  2018 was At Eternity’s Gate, geregisserd door beeldend kunstenaar Julian Schnabel in de bioscoop te zien met in de hoofdrol Willem Dafoe. Deze treffende look-alike inspireerde Schnabel tevens tot het maken van een portret getiteld Nummer 1 (Van Gogh Plate Painting, Willem) Vincent met verbonden oor, geschilderd op – zoals ik het interpreteer- de scherven van diens gebroken geest.   

Julian Schnabel, Nummer1 (Van Gogh Plate Painting,Willem) Collectie van de kunstenaar

Van eigentijdse vriendenportretten trekt het in krijt geschetste Profielportret van Vincent van Gogh door Henri de Toulouse Lautrec mijn aandacht. Een impressie gedaan in een vergelijkbare kleurstelling als Vincents Zelfportret met grijze vilthoed uit 1887, dat er tegenover hangt. Goed getroffen. Je ziet hem voor je geestesoog zitten in zijn stamkroeg, Café le Tabourin, waar Vincent niet alleen vertroosting vond in de armen van de bazin, maar ook in de drank. Een glas absinth is binnen handbereik afgebeeld. Dit sterk verslavende gifgroene alcoholisch drankje droeg na consumptie wellicht bij aan de kleurexplosies in Van Goghs doeken. Met een welhaast dolgedraaide toets heeft hij in dit portret, waarin de oorspronkelijk paarse achtergrond verbleekt is, mijns inziens ook de hersenspinsels en demonen die hem in Parijs achtervolgden, verwerkt.   

1. Vincent van Gogh Zelfportret met grijze vilthoed, 1887, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).  

2. Henri-de-Toulouse-Lautrec (1864-1901), Profielportret van Vincent van Gogh, 1887. Krijt op papier ( Van Gogh Museum )

Hoewel veel andere portretten zeer de moeite waard zijn, beperk ik me hier nog tot één mansportret, waarna ik de focus zal richten op enkele vrouwelijke kunstenaars.

Frederic Bazilles portret van Pierre-Auguste Renoir wil ik u echter niet onthouden. Beide schilders hadden elkaar in het atelier van de gerenommeerde meester Gleyre leren kennen, bij wie ook Claude Monet in de leer was.

Frédéric Bazille, Pierre Auguste Renoir, 1887, Musée d’Orsay, Parijs in bruikleen aan Musée Fabre, Montpellier

In een heel ongemakkelijke houding poseert Renoir (1841-1919); zijn knieën opgetrokken, de voeten op de zitting van de stoel! Een vriendenportret in een volstrekt unieke houding. De onderkant van zijn schoenzolen zijn zelfs zichtbaar. Zomaar een snapshot, een geintje. Ook Renoir maakte een portret van zijn vriend aan het werk in zijn atelier, maar dat is veel traditioneler en alleen als steunafbeelding in de catalogus te zien. Bij het zien van dit originele werk vraag ik me af wat er nog meer uit de handen van Bazille had kunnen komen.  Anders dan Monet, die de wijk nam naar Londen meldde Bazille zich als vrijwilliger en sneuvelde in 1870 tijdens de Frans Duitse oorlog.

We verlaten het mannenbolwerk en openen het vizier op de vrouwelijke collega’s. Bij hen geen voorbeelden van letterlijk op Van Gogh geïnspireerd werk. Allen hebben zich wel zelfbewust, al dan niet herkenbaar als kunstenaar, in beeld gebracht.

Ook al is zij niet met eigen werk vertegenwoordigd, toch verdient het portret van één van hen speciale vermelding: Anna Bloch (1848-1936). Theo van Rijsselberghe (1862-1926) bracht haar gekleed in een keurige japon mèt palet in beeld. Haar uiterlijk verraadt dit niet maar zij was in meerdere opzichten bijzonder. Zij was de enige vrouw in het progressieve schilderscollectief Les XX, waar ook James Ensor en Jan Toorop lid van waren. Ook zij zijn in deze expositie aanwezig.

Anna Bloch was bovendien in 1890 de eerste -en tijdens zijn leven enige- koper van Vincents werk: De Rode Wijngaard, waar ze 400 fr voor betaalde. 

Theo van Rysselbeghe, Anna Bloch, 1892,Michele and Donals D’Amour Museum of Fine Arts, Springfield Museums, The J.Philip Gray Collection

In de eerste zaal hangt het portret van nog een schilderende dame, maar dat moet je wel weten. In Sir John Everett Millais’ (1829-1896) beeltenis van de chique geklede Louise Jane Jopling (1843-1933) wijst niets op haar beroep als succesvol schilder. Bij Richard Taylor Fine Art vond ik wel een zelfportret uit 1875 in die hoedanigheid, dat voor £ 20.000 wordt aangeboden.Wat je wel aan Millais portret kunt aflezen -een portret zegt inderdaad meer dan je zou denken- is haar zelfverzekerde, tikkeltje hooghartige blik. Als voorvechtster van vrouwenkiesrecht was ze inderdaad een krachtdadig type en in 1887 richtte ze ook de Jopling School of Painting voor vrouwen op.      

1.Sir John Everett Millais, Portret van Louise Jane Jopling, 1879. National Portrait Gallery, Londen.

2. Louise Jane Jopling, zelfportret, Richard Taylor Fine Art, Londen

Minstens zo zelfverzekerd blikt Helene Schjerfbeck (1862-1946) de toeschouwer aan. Hoewel ze het naar eigen zeggen helemaal niet prettig vond om zichzelf te zien, koos Schjerfbeck haar spiegelbeeld regelmatig tot onderwerp. Dit resulteerde in een reeks, soms onbarmhartige portretten, waarin haar artistieke ontwikkeling zich als in een stripverhaal ontvouwt. Een groots overzicht van haar werk was in 2007 te zien in het -toen nog- Gemeentemuseum, Den Haag. Als je niet beter wist zou de rode pot met ‘pollepel’ de suggestie kunnen wekken dat we met een keukenprinses van doen hebben. Het is echter geen pan pompoensoep, maar het is een pot thinner met kwasten! Met haar eenvoudige, doch indringende in pasteltinten geschilderde composities, is Schjerfbeck een originele eenling. Interessant te bedenken dat ook zij, evenals de meeste van haar mannelijke collega’s, academische geschoold is. Wellicht herinnert u zich de bijna beter dan het origineel van Frans Hals geschilderde kopie van een mansportret, dat ik tijdens mijn lezing over Frans Hals en de Modernen liet zien.

Helene Schjerfbeck, Zelfportret, zwarte achtergrond, 1915, Finnish National Gallery, Ateneum Art Museum, Helsinki, The Hallonblad Collection. Photo: Finnish National Gallery / Hannu Aaltonen

Aan haar zelfportret is Paula Modersohn-Becker (1876-1907) helemaal niet als kunstenaar herkenbaar. Het vorm- en kleurgebruik in dit gestileerde zelfbeeld doet enigszins denken aan dat van Modigliani. De indringende beeltenis roept ook associaties op met mummieportretten van de oude Egyptenaren. Voor wie een goed gelijkende beeltenis van essentieel belang was. Door het dodenportret kon de ziel het lichaam van de overledene terugvinden. Lezing leert dat antieke kunst inderdaad een belangrijke inspiratiebron voor Modersohn was.

Door de manier waarop zij de lege ogen zonder iris weergaf, krijgt het portret een afstandelijk, vervreemdend karakter. Met het krappe beeldvlak komt het portret, neergezet tegen een monochrome achtergrond, tegelijkertijd indringend over. De grote eenvoud die Modersohn naar eigen zeggen nastreeft, kenmerkt ook de eveneens heel eigen stijl van Charly Toorop (1891-1955).

 1.Paula Modersohn-Becker, Zelfportret met barnstenen ketting, ca. 1905. Paula Modersohn-Becker-Stiftung, Bremen.  

2. Mummieportret van een vrouw, ca. 169-180 n. Chr. Parijs, Musee du Louvre   

Voorafgaand aan het schilderwerk onderwierp de getalenteerde dochter van Jan Toorop zich aan een genadeloos zelfonderzoek. Daarna koos zij enkele essentiële gelaatstrekken om deze in gestileerde vorm zonder emotie in een sterk vereenvoudigd palet in beeld te brengen. Daarbij paste ze een geraffineerde licht-donkerwerking toe. De hoekige, geometrische vormen verraden invloed van het kubisme dat in die tijd in opkomst was. Net als je denkt met een ‘gewoon’ portret te maken te hebben, valt je oog op nog net zichtbaar links, een palet met penselen!

Charley Toorop, Zelfportret, 1922, Kunstmuseum Den Haag

Anders dan de voorgaande dames presenteert Mina Carlson (1857-1943) zich als een echte ambachtsvrouw. Staand in haar grauwe schilderkiel, waarin ze alle kleurtjes van haar palet verstopte, kijkt ze even op van haar werk. Wat ze schildert is helaas aan ons blikveld onttrokken. Wel zichtbaar zijn haar met verf besmeurde handen en, geestig opgemerkt in de catalogus, haar rode neus- verwijzend naar de temperatuur op de atelierzolder. Het dakraam biedt, naast een toefje klimop, uitzicht op de daken en schoorstenen van Parijs, waar ze van 1883 tot 1887 in-between-marriages zo te zien gelukkig was.

Mina-Carlson-Bredberg, Zelfportret, 1889, Prins Eugens Waldemarsudde, Stockholm

Haar ontberingen werden in 1893 beloond met exposities in het Paleis voor Schone kunsten en op de World’s Columbian Exposition in Chicago.

Als gehuwde vrouw kwam ze niet meer aan schilderen toe maar na de dood van haar tweede man haalde ze haar schade in.

Na het overlijden van haar echtgenoot raakte Thérèse Schwartze (1851-1918), daarentegen geen penseel meer aan. Dat hoefde ook niet. In 1889 won ze op de Wereldtentoonstelling in Parijs een belangrijke prijs, waarna zij erkenning genoot als ‘de koningin der Nederlandsche schilderkunst’. Het bekroonde, zeer originele zelfportret is nu in Amsterdam te zien. Aan haar presentatie als kunstenaar heeft ze haar handen letterlijk en figuurlijk vol. In het gebaar van de linkerhand boven haar turende blik, herkenden connaisseurs ongetwijfeld een citaat uit het beroemde zelfportret dat Sir Joshua Reynolds enkele decennia eerder schilderde.

Wie (ooit nog) de kans krijgt om in het voetspoor van de Medici via de eertijds ‘geheime’ Corridoio Vasariano van het Palazzo Vecchio naar het Palazzo Pitti te wandelen ziet het portret, dat Schwartze op verzoek voor deze beroemde portretgalerij maakte. Voorlopig is dit, evenals een bezoek aan de hier besproken tentoonstelling onmogelijk. Er is echter goed nieuws: sinds kort kunt u een virtueel bezoek aan het Van Gogh museum brengen.    

Therese Schwartze, zelfportret, 1888, Uffizi Florence

Schwartze had niet veel op met het kleurrijke palet van de Franse impressionisten ‘met hun wirwar van kleuren en vormen’, maar hier en daar hanteert ze wel een vluchtige, losse penseelstreek. Dezelfde toets die zij en de impressionisten bewonderden in het werk van Frans Hals.

Het portret van de Franse impressioniste, Berthe Morisot (1841-1895)  zou Thérèse Schwarze, wegens die slordig geplaatste kleurig toetsen vast niet hebben bekoord. Het werk heeft door de snelle schetsmatige toets schwung; haar rechterhand lijkt wel te bewegen. Waarmee het schilderij voor het impressionisme nog meer exemplarisch is dan het werk van alle mannelijke vertegenwoordigers van deze stijl bij elkaar.

Tegenwoordig wordt zo’n eerste artistieke ingeving hogelijk gewaardeerd, maar destijds werd soortgelijk werk gekritiseerd als zijnde onvoltooid. Morisot stopte het zelfportret weg. Pas na haar dood kwam het weer uit de kast.   

Berthe Morisot, Zelfportret, 1885, Musee Marmottan.

Met haar zelfbewuste presentatie gaat de Engelse Emily Childers (1866-1922) tenslotte nog een stapje verder dan Thérèse Schwartze. Vanuit de hoogte kijkt zij neer op de beschouwer, alsof ze zeggen wil: … ik ben schilder,…so what’…!

Ze plaatste haar portret tegen een ongedefinieerde ‘zeventiende eeuwse’ achtergrond, met een (als aureool bedoelde?) lichtvlek. Knap gaf zij haar palet in het verkort weer.

Dit portret is echt een statement. Vrouwen werden tot voor kort niet toegelaten in de door mannen beheerste academies, kunstopleidingen en expositiezalen. In deze tentoonstelling heeft zij mooi op kleur, haar welverdiende plek gevonden tussen haar beroemde mannelijke collega’s. 

Emily (Milly) Childers, ‘Zelfportret’, Leeds Museums and Galleries. Schenking van Emmeline Dean, 1937.

Link: Van Gogh Museum, In the Picture