
Na de Realismo Magico biedt Museum More een podium aan twee realisten van eigen bodem: Charley Toorop (1891-1955) en Pyke [Pieter] Koch (1901-1991). Zijn bijnaam Pike op een jongensinternaat, adopteerde hij na substitutie van de ‘i’ voor een interessantere ‘y’ als artiestennaam.
Gastconservatoren Carel Blotkamp en Mieke Rijnders presenteren de bevriende schilders in een parallelle tentoonstelling. Niet alleen de tijd waarin zij leefden en werkten gaat gelijk op, maar ook hun thema’s. Toorop hanteerde een expressieve realistische toets; Koch werkte in een magisch realistische stijl. Ook al hadden zij geen officiële kunstopleiding genoten, toch – of misschien juist daardoor – ontwikkelden zij een professioneel picturaal handschrift. Charley keek de kunst af van haar vader Jan Toorop. Koch leerde de kneepjes van het schildersvak van zijn vriend de fascist Erich Wichmann.
De band tussen Toorop en Koch wordt omschreven als innig en grillig. De vraag of ze een knipperlicht relatie hadden blijft in de lucht hangen, maar over hun wederzijdse bewondering en beïnvloeding bestaan geen vragen. Dankzij haar contacten in de artistieke wereld hielp Toorop de tien jaar jongere Koch op weg aan het begin van zijn carrière.
Beiden schilderden landschappen, stillevens, op de klassieke mythologie geïnspireerde werken, maar ook arbeiders, sekswerkers en portretten. Toorops portretten zijn onopgesmukt, meedogenloos direct. Dat geldt niet alleen voor haar schetsen van psychiatrische patiënten, maar ook voor haar zelfportretten. Je krijgt wat je ziet. Bij Koch ligt dat anders: zijn portretten tonen een zekere idealisering. In verschillende op Italiaanse oude meesters geënte schilderijen verwijst hij naar de vergankelijkheid. Andere werken bevatten psychologische-, politieke en nazi-gerelateerde Germaanse referenties. Tijdens een verblijf in het Italië van Mussolini werden zijn rechtse ideeën gevoed, maar naar verluid nam hij in 1941 afstand van het fascistische gedachtegoed.
Waar de onderwerpen van Charley veelal realistisch zijn bevat Kochs oeuvre veel allegorische onderwerpen. Zoals zijn reeks van de vier seizoenen. De Lente wordt gepersonifieerd door een herderin met -grappig detail- een gebroken voortand. De Herfst wordt vertolkt door een mooie dame met een mand druiven op het hoofd. De letter P waarmee Koch de hoofddoek gesigneerd zou hebben kan ik niet ontdekken. Misschien heb ik te veel fantasie, maar zien we wellicht een vage afspiegeling van het gelaat van Christus op de zweetdoek van Veronica?

Collectie museum Voorlinden, Wassenaar
In de verte zie je een ladder van het soort dat hij ook gebruikte in zijn monumentale doek de Oogst, waarin werkers in een boomgaard met stokken vruchten uit de bomen slaan. Om welk fruit het gaat is niet te zien. Kochs aan het surrealisme grenzende magisch realistische werken bevatten veel raadselachtige, soms ook humoristische elementen. Zoals het bebloede been dat onder de takken uit steekt of de voetjes die rechts bovenin, zoals in een Middeleeuwse verbeelding van Jezus hemelvaart, nog net zichtbaar zijn.

Enigszins bevreemdend, maar ook grappig en exemplarisch voor Kochs stijl is de leeuw die in het doek Leeuw in Interieur uit 1929 nog net om het hoekje wegsluipt. Over wat zijn werken te betekenen hebben was Koch overigens zwijgzaam. Hij liet de interpretatie van zijn werk aan de kijker over.
Humor is Koch niet vreemd. Bepaald geestig is zijn impressie van het Dorpszwembad uit 1953, waarvan hij meerdere versies maakte. Van het zwembad zelf zie je niets. De titel wordt slechts gesuggereerd door een door de lucht zwevende, tot een bal opgerolde zwemmer, die op het punt staat een bommetje te maken.

Leuk om de verschillen te ontdekken tussen de drie getoonde versies van de Florentijnse tuin. Ook hier is humor -of drama- niet ver weg. In de tweede versie van de eerste lege tuin plaatste Koch een verontruste vrouwelijke gestalte. De speelgoedbal doet vermoeden dat haar kind verdwenen is. In het derde exemplaar zie je een paar zinnenprikkelende in nylons met jarretelles gestoken benen…
Luchtig en tegelijkertijd gecompliceerd is hun beider verbeelding van kermis- en circusattracties. Toorops impressie van de Kermis in Schoorl uit 1926 geeft, wellicht na een ritje in de zweefmolen, een indruk van een letterlijk dolgedraaide kermis.

Ook Koch leefde zich uit op dit thema. Van zijn hand zie je een welhaast psychedelische verbeelding van de uit talloze momentopnames samengestelde Kermis in Utrecht uit 1928-1929. Een mooi voorbeeld van wederzijdse beïnvloeding. Kennelijk bracht Charley’s schilderij de jonge Koch op het idee om dit onderwerp ook eens ter hand te nemen.

In andere werken uit de collectie van het Centraal Museum zoomt Koch in op een enkele figuur, zoals de Koorddanser of de angstaanjagende Vrouw in de schiettent, die je maar beter te vriend kunt houden. Achter haar zie je de ‘doelgroep’: koddige figuurtjes. De als speelse ornamentjes aangebrachte Goudse pijpen werden in de vorige eeuw door kunsthistorici als Eddy de Jong en Louis van Tilborg geïnterpreteerd als Freudiaanse fallussymbolen, maar dat lijkt mij in deze context wat vergezocht.


Letterlijk en figuurlijk uit het leven gegrepen is het goed getroffen portret van drie opgedofte prostituees uit het Centraal Museum, die zichzelf met luider stem aanprijzen. Van de zestiger jaren dateren ook de portretten van twee door de wol geverfde, dominante vrouwen: Mercedes de Barcelona en Bertha van Antwerpen.’ Verleidelijk’ weergegeven met een zwarte roos in haar decolleté. Het donkere palet en het harde licht zouden de sfeer van het interbellum weerspiegelen. Het tijdsgewricht dat gekleurd werd door politieke onrust, werkeloosheid en armoede.

Geïnspireerd op het portret van Bertha dichtte Martinus Nijhoff in 1934 een vers, dat gezongen werd op het huwelijksfeest van Pyke Koch en freule Heddy de Geer, van wie je in de tentoonstelling een portret kunt zien. De dichter legt Bertha de volgende woorden in de mond:
…‘Kom hier roep ik schat’…
Eén [van de in dit lied aangesproken heren] gaat niet op Bertha’s avances in, maar neemt haar mee naar zijn atelier, waar zij zichzelf tot haar schrik gevat in een (spiegel)lijst) tegenkomt:
…’Het is ik, die heks,
Het is ik, levensgroot.
O mijn oud, oud hoofd’…
Sprekend over vrouwen: Koch zag hen -ik citeer- veeleer als psychologische raadsels, omkleed met erotiek en mystiek. Als ervaringsdeskundige wist Toorop hoe de dagelijkse realiteit -zonder mystiek- er uitzag.
Die harde werkelijkheid is zoals we zagen ook aanwezig in Kochs portretten van prostituees. Deze tragische types raken wellicht al een gevoelige snaar. Ronduit pijnlijk en ontroerend zijn Toorops portretten van psychiatrische patiënten.

Ze schetste hen in de Willem Arntzstichting waar haar man Henk Fernhout was opgenomen. Van deze periode dateert Stilleven met Geraniums, fles, bord en messen dat vorig jaar te zien was in de tentoonstelling Charley Toorop. De liefde voor van Gogh in het Kröller-Müller.
De onmacht om op rationeel niveau met een geesteszieke om te gaan bracht Toorop dichterbij van Gogh, maar brak haar op in haar huwelijk. Tegen de ellende van de toxische relatie met Fernhout bestond maar één medicijn: schilderen. Volgens de overlevering verwerkte ze in dit stilleven het traumatische voorval waarbij Fernhout haar met een mes te lijf ging.
Ingegeven door haar socialistische levenshouding ontstaan werken die getuigen van Charley’s betrokkenheid met minder bedeelden. Zoals de troosteloze rond een warme potkachel geschaarde types in het Volkslogement uit het van Abbe Museum (1928). In het voetspoor van Vincent van Gogh reisde Charley naar de Borinage. Tussen de arme mijnwerkers ontdekte Toorop wat zij wilde:
…’het leven in z’n volle gestalte te geven – God in iedere stof te zien, hoe dan ook uitgebeeld’…
Deze woorden echoën ook na in het naargeestige portret van een kroegbazin en haar dochter, waarover je in mijn bespreking van de zojuist genoemde tentoonstelling kunt lezen. Gasten konden in haar etablissement eten, drinken en/of zich vermeien met de dochter des huizes. In de fysionomie heeft Charley de onontkoombare lotsbestemming van beide vrouwen treffend weergegeven.
Pyke Kochs fascinatie voor de zelfkant van de samenleving en het nachtleven zie je terug in zijn Achterbuurtrhapsodie uit 1929. Een merkwaardig schouwspel met -ja wat eigenlijk- een kar met etalagemateriaal, rijdend in een smalle steeg, met in de verte een Amsterdams grachtenpandje. Deze scène ademt de vervreemdende sfeer van de moderne stad. En de vrouwen? Zijn het straatmadelieven of nachtvlinders? En wat hebben die nummers te betekenen? Typisch voor het magisch realisme, roept het schilderij vooral vragen op.

Deze enigszins beklemmende sfeer straalt ook af van het als Nocturne in beeld gebrachte urinoir.
In 1924 keert Charley terug naar Zeeland, waar ze als kind vele zomers had doorgebracht. In de tentoonstelling zijn enkele voorbeelden van Charley’s Zeeuwse schilderijen. Een op Vincent Van Goghs Brabantse boerenscènes geïnspireerd doek met Korenschoven in Zeeland en een Stilleven met brood touw en fles, uit 1935. De magisch-realistische doeken ontbreken. Voor de kroegscènes met in klederdracht gestoken Zeeuwse figuren moet je naar het Zeeuws Museum.
Kort na dit Zeeuwse intermezzo ontstond Toorops monumentale groepsportret Maaltijd der vrienden(1932-33) dat je bij binnenkomst ziet. In dit doek vereeuwigde zij collega-schilders, haar drie kinderen, Gerrit Rietveld, Eva Besnyö en John Rädecker de maker van de sculptuur linksachter. Naast haar zelfportret staat Pyke Koch. In de opgloeiende punt van zijn sigaret vermoeden -in mijn ogen vergezocht- de samenstellers van de tentoonstelling een verwijzing naar hun ‘ooit meer dan platonische verhouding’.

Van Charley’s hand zijn zeventien zelfportretten bekend, waarin zij haar uiterlijk scrutineus vastlegde. Van Kochs hand kennen we slechts drie zelfportretten. Mogelijk waren er meer, want ontevreden over zijn werk heeft hij nogal wat schilderijen vernietigd. Zijn Zelfportret met zwarte doek uit 1937 is het bekendste en – wegens de daarin vermoedde politieke boodschap- meest omstreden exemplaar.

Op de site van de D(igitale) B(ibliotheek) N(ederlandse) L(iteratuur) schrijft Arnold Heumakers dat Koch de fascistische ondertoon ontkend heeft. Ontevreden over zijn voorhoofd zou hij de compositie met ‘een ritmische afwisseling tussen licht en donker’ verbeterd hebben. Maar Heumakers laat zich niet om de tuin leiden. Daar Pyke Koch een bewonderaar van Mussolini was, wiens aanhangers een zwart hoofddeksel droegen, ziet hij de zwarte band als ideologisch statement. Dit doet niets af van het goed getroffen, indringende portret, dat evenals Kochs andere werken met een bijzonder fijne toets geschilderd is. Nergens is de penseelstreek zichtbaar. Dat is bij Toorop anders. In haar werk zie je een achtereenvolgens op het impressionisme, kubisme en later op het expressionisme geïnspireerde toets. In de verschillende stillevens en impressies van appels, peren en bloesem spreekt de pasteus opgebrachte verf eveneens in artistieke zin mee. Van beide schilders zie je close-up gepenseelde kleine vruchtenstilleven, waarin verrassende wederzijdse beïnvloeding opvalt. Koch was een perfectionist. Hij werkte langzaam en wat hem niet beviel werd vernield. Vandaar dat hij een relatief klein oeuvre van 120 schilderijen heeft nagelaten. Van Toorops hand zijn ca. 400 schilderijen bekend.

In de expositie zie je verschillende portretten van Charley’s kinderen. Bij een baby portret werd ik even op het verkeerde been gezet. Het lijkt een werk van Marlene Dumas, maar het is de beeltenis van Charley’s zoontje Johnny, geschilderd in 1913.
Als een klinkend slotakkoord wordt de expositie afgesloten met een laat zelfportret. Werken die als testament kunnen worden beschouwd. Toorop kijkt de beschouwer over haar schouder aan. Het halfgesloten gordijn lijkt erop te duiden dat het doek bijna gevallen is.
Op de wand leest de bezoeker het ontroerende verslag van Kochs afscheid van …’het uitgeleefde carcasje van onze goeie ouwe Charley […]’ Haar gezicht …’ dat ook van een of ander onbekend dametje had kunnen zijn’… herkende hij nauwelijks, zoals hij schreef in 1955 aan zijn zus Minie Stärcke-Koch.

Kochs eerder besproken Koorddanser wordt eveneens als sluitstuk gepresenteerd. Met een fles op zijn met een zwart kleed bedekte hoofd, balanceert hij voorzichtig op het slappe koord. De fles is in de stillevens van beide schilders geen onbekend rekwisiet. Achter de doeken, waarin de fles een prominente plaats inneemt gaat bij Charley een wereld van tragiek schuil. Of de fles in Koch’s leven ook een belangrijke rol speelde is niet bekend. Al rijst de vraag of zijn soms bizarre beelden ontsproten zijn aan de geest uit de fles.
Link: Museum More





















































































