.

Na Zwolle (Thuis bij Ter Borch), Amsterdam (Thuis in de 17e eeuw) komen museumbezoekers nu Thuis bij Jan Steen in Leiden. Ter gelegenheid van het 400ste geboortejaar van misschien wel de vrolijkste kunstenaar van de 17e eeuw is het feest in de stad waar hij werd geboren en begraven. Daarvoor zijn geen slingers, maar wel 28 schilderijen van zijn hand opgehangen, naast werken van bevriende tijdgenoten. Onder wie de Leidse fijnschilders Frans van Mieris, Ary de Vois, Gabriel Metsu en Quiringh van Brekelenkam, met wie hij graag een pint dronk. Allen waren lid van de Leidse kunstenaarsvereniging St. Lucas. Hun invloed is in Steens oeuvre herkenbaar. Van Jan van Goyen, de vader van Jan Steens echtgenote Grietje, zie je een Gezicht op Leiden. Steens Landschap met een zandweg uit 1648 weerspiegelt invloed van deze leermeester. In zijn soms boertige genrestukken en dorpsscènes herken je ook invloed van zijn leermeester Adriaen van Ostade. Aansprekende scènes en details van de werken worden op de wand uitvergroot.
Briljant verhalenverteller
De samensteller van de tentoonstelling Lea van der Vinde karakteriseert Steen als een briljante verhalenverteller. Met een scherp oog voor detail legde hij het alledaagse leven vast. Met humor in de ware betekenis van het woord: een lach in een traan. Tegenwoordig ligt dat anders, maar destijds begreep de goede verstaander de versluierde verwijzingen naar de onderliggende betekenis. Deze tentoonstelling, de eerste sinds 1926, maakt duidelijk dat het predicaat briljant niet alleen opgaat voor Steens narratieve talent, maar ook voor zijn veelzijdigheid in onderwerpkeuze en techniek. Terwijl de meeste 17e -eeuwse schilders zich toelegden op één tak van schilderkunst, zoals het portret of het landschap, beoefende Steen tal van genres. Behalve de overbekende interieurstukken en herbergscènes schilderde hij monumentale historiestukken met mythologische- en Bijbelse onderwerpen, zoals het doek waarin Christus de geldwisselaars bepaald niet zachtzinnig uit de tempel verjaagt. Wanneer Hij na de intocht in Jeruzalem de tempel bezoekt, treft Hij daar geen stilte maar een oorverdovende bende aan. Het gaat er -evenals in een door Steen bewonderde prent van Rembrandt- heftig aan toe. Hij is des duivels! Naar de letter van de Bijbel (Mattheus 21: 12 e.v.) worden de tafels en stoelen van de geldwisselaars en verkopers omvergegooid. Uitroepend dat zij van zijn vaders huis een rovershol hebben gemaakt toont Gods zoon zijn menselijke kant.

Anders dan zijn jolige zelfportretten met geheven glas wellicht doen vermoeden bezat Jan Steen ook een serieuze kant. Hij doorliep de Latijnse School en stond ingeschreven bij de Leidse universiteit. Hij kende zijn klassieken. Het thema van de Bespotting van Ceres ontleende hij aan Ovidius Metamorfosen (1e eeuw). Hoe deze Romeinse dichter ook anderen, zelfs tot de huidige dag inspireerde, is tot 27 augustus in het Rijksmuseum te zien. Deze wat raadselachtige nocturne, met invloed van de Utrechtse Caravaggisten is een voorbeeld van het in de 17e eeuw hogelijk gewaardeerde historiestuk. Voor het herkennen van de daarin verbeelde voorstellingen was kennis nodig. De korenaren in het haar van de drinkende vrouw vormen de sleutel tot het begrip van de voorstelling. Ze zijn het attribuut van Ceres, de godin van de vruchtbaarheid. Tijdens de rusteloze zoektocht naar haar dochter Proserpina lest ze haar dorst. Het meisje is ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld. Het lachen zal de kleine spotter snel vergaan. Voor straf verandert Ceres hem in een onderkruipsel. Voortaan zal hij zijn dagen slijten als hagedis. Met zijn originele verbeelding van dit verhaal betoont Steen zich een briljant verteller.

Thuis bij Jan Steen
In zijn huiselijke scènes en historiestukken wisselde Steen een minutieuze, fijne penseelstreek af met losse, levendige toetsen. Evenals Frans Hals liet ook Jan Steen zijn echtgenotes en kinderen vaak poseren. Als beschouwer kom je inderdaad meer dan eens letterlijk… thuis bij Jan Steen. Het bekende gezegde een huishouden van Jan Steen is gebaseerd op de wanorde in zijn huiselijke scènes. Voor opruimen had hij geen tijd: als vader van 8 kinderen moest hij zijn aandacht verdelen tussen zijn schilderwerk en zijn taken als bierbrouwer en herbergier. In die laatste hoedanigheid hief hij graag het glas met bevriende collega-schilders de Leidse fijnschilders, Gerard Dou en Frans van Mieris, die in de thematisch ingerichte tentoonstelling eveneens getoond worden. De aan hen ontleende verfijnde toets en aandacht voor detail herken je in het geestige paneel met de Piskijker (1663-65). Onder het toeziend oog van de patiënt en haar moeder bestudeert een gewichtig doende chirurgijn de inhoud van een urinaal. Wat is hier aan de hand? De sleutel aan de wand geeft, samen met het schilderij in het schilderij, het antwoord. De hedendaagse kijker ontgaat de betekenis, maar tijdgenoten zagen het meteen. Soms verraadt een minuscuul feutje in het glas dat het meisje zwanger is. In andere gevallen, zoals hier, lijdt ze aan minnepijn. Het verlangen naar de liefde kon zo sterk zijn dat -hoe verzonnen ze het- de baarmoeder van de vrouw ging zwerven. Trouwen was de beste remedie. Bij gebrek aan een huwelijkskandidaat probeerde de chirurgijn de baarmoeder door de geur van het in het testje brandende lont weer op z’n plaats te krijgen.

De tentoonstelling laat zien dat Steen letterlijk en figuurlijk van alle schilderkunstige markten thuis was. In de eerste zaal wordt de bezoeker begroet door bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina. Beide zijn goedgemutst, want versgebakken koeken en broden liggen op de toonbank. De bakkersknecht, voor wie Steens zoon Thaddeus model stond, blaast op de hoorn om klanten te lokken. Dit signaal was kennelijk gebruikelijk. In de marge van Suzanna van Steenwijcks impressie van de Lakenhal blaast een bakker eveneens op zijn hoorn.

Met voornoemde werken, maar ook met Brueghelliaanse boerenkermissen en bruiloftsscènes als het Spaanse bruidje, waarin het thema spel en satire verwerkt is, had Steen veel succes. Dat geldt ook voor het niet van zelfspot verstoken paneel met de Bestolen Vioolspeler, in wie de schilder herkenbaar is. Getuige de positie van zijn pijpje hebben de verleidingskunsten van de jonge vrouw effect. Leuk dat de kijker meer ziet dan de onnozelaar die zich onder zijn eigen ogen door haar laat bestelen.
Onder de noemer Kinderen Vreugde en Verdriet voert Steen zijn eigen kroost op. Thaddeus, Eva, Catharina en Cornelis treden meer dan eens op als figurant. Met plezier halen ze kattenkwaad uit, zoals in de scène, waarin ze een kat laten dansen. In het Sint Nicolaasfeest, waarvan twee versies getoond worden, zie je beide sentimenten. Een meisje klemt haar cadeau, een pop in de gedaante van Johannes de Doper (…), innig in de armen. Haar broer huilt omdat hij de roe heeft gekregen. Het leed is echter gauw geleden. Grootmoeder wenkt hem omdat ze iets voor hem heeft bewaard. Zowel het onderwerp van dit paneel als de pop van het meisje verraden dat Jan Steen na de Reformatie Rooms-Katholiek is gebleven.

Ook Steens echtgenotes stonden model. Voor een zogeheten portrait historié van zijn tweede vrouw Maria van Egmond koos Steen het Bijbelse verhaal van Bathseba. Nietsvermoedend wekte zij, badend in haar tuin, de begeerte van Koning David. In de achtergrond zie je hem vanaf zijn paleis gluren in de tuin van de buren. Haar besluit om gehoor te geven aan zijn schriftelijke uitnodiging, had verstrekkende gevolgen. Van het een kwam het ander… (2 Samuel: 11). Naar verluidt was Steens echtgenote niet erg ingenomen met de haar toebedeelde verleidelijke rol. Anders dan een meer ingetogen pose, zoals in Rembrandts versie uit 1654 in het Louvre, heeft Steen haar -zoals ze het zelf zei, neergezet als een ‘geyle snol’.

Van zijn eerste vrouw, Grietje van Goyen, maakte Steen in 1662 ook een portret. Als Cisterspelende vrouw uit 1662 bracht hij haar ogenschijnlijk heel braaf in beeld. Haar kleding is gedaan in de losse Haarlemse penseelstreek, terwijl de precieze toets van de van de Leidse fijnschilders zichtbaar is in haar gezicht, handen en de cister. Maar ook al zit ze er warmpjes bij, de blik van de musicienne spreekt boekdelen. Het snaarinstrument had in de 17e eeuw een erotische connotatie, die afhankelijk van de context overigens voor tweeërlei uitleg vatbaar was. Soms staat het beeld voor harmonieuze liefde. In kroeg- en bordeelscènes heeft de Cister, evenals de luit een negatieve bijklank van het destijds bekende gezegde verkeren met haren en snaren… En hier? Terwijl zij de snaren zachtjes beroert kijkt de vrouw ons ook met een indringende, enigszins verleidelijke blik aan, of is dat hedendaagse invulling?

Met het bovenstaande licht ik slechts een tipje op van de sluier. Er valt voor jong en oud veel te genieten in de tentoonstelling. Let bij je bezoek aan de Lakenhal ook op de parallelle bijschriften. Verschillende werken inspireerden basisschoolleerlingen tot frisse observaties.
Link: Museum de Lakenhal



