Thuis bij Jan Steen. 400 jaar Leven in de brouwerij. Tot en met 23 augustus in Museum de Lakenhal, Leiden

.

Jan Steen, De bestolen vioolspeler, ca. 1670-1672, langdurig bruikleen Museum De Lakenhal

Na Zwolle (Thuis bij Ter Borch), Amsterdam (Thuis in de 17e eeuw) komen museumbezoekers nu Thuis bij Jan Steen in Leiden. Ter gelegenheid van het 400ste geboortejaar van misschien wel de vrolijkste kunstenaar van de 17e eeuw is het feest in de stad waar hij werd geboren en begraven. Daarvoor zijn geen slingers, maar wel 28 schilderijen van zijn hand opgehangen, naast werken van bevriende tijdgenoten. Onder wie de Leidse fijnschilders Frans van Mieris, Ary de Vois, Gabriel Metsu en Quiringh van Brekelenkam, met wie hij graag een pint dronk. Allen waren lid van de Leidse kunstenaarsvereniging St. Lucas. Hun invloed is in Steens oeuvre herkenbaar. Van Jan van Goyen, de vader van Jan Steens echtgenote Grietje, zie je een Gezicht op Leiden. Steens Landschap met een zandweg uit 1648 weerspiegelt invloed van deze leermeester. In zijn soms boertige genrestukken en dorpsscènes herken je ook invloed van zijn leermeester Adriaen van Ostade. Aansprekende scènes en details van de werken worden op de wand uitvergroot.  

Briljant verhalenverteller 
De samensteller van de tentoonstelling Lea van der Vinde karakteriseert Steen als een briljante verhalenverteller. Met een scherp oog voor detail legde hij het alledaagse leven vast. Met humor in de ware betekenis van het woord: een lach in een traan. Tegenwoordig ligt dat anders, maar destijds begreep de goede verstaander de versluierde verwijzingen naar de onderliggende betekenis. Deze tentoonstelling, de eerste sinds 1926, maakt duidelijk dat het predicaat briljant niet alleen opgaat voor Steens narratieve talent, maar ook voor zijn veelzijdigheid in onderwerpkeuze en techniek. Terwijl de meeste 17e -eeuwse schilders zich toelegden op één tak van schilderkunst, zoals het portret of het landschap, beoefende Steen tal van genres. Behalve de overbekende interieurstukken en herbergscènes schilderde hij monumentale historiestukken met mythologische- en Bijbelse onderwerpen, zoals het doek waarin Christus de geldwisselaars bepaald niet zachtzinnig uit de tempel verjaagt. Wanneer Hij na de intocht in Jeruzalem de tempel bezoekt, treft Hij daar geen stilte maar een oorverdovende bende aan. Het gaat er -evenals in een door Steen bewonderde prent van Rembrandt- heftig aan toe. Hij is des duivels! Naar de letter van de Bijbel (Mattheus 21: 12 e.v.) worden de tafels en stoelen van de geldwisselaars en verkopers omvergegooid. Uitroepend dat zij van zijn vaders huis een rovershol hebben gemaakt toont Gods zoon zijn menselijke kant.  

Detail: Jan Steen, Christus verdrijft de geldwisselaars uit de tempel., 1675. Doek 80 x 109 cm. Museum de Lakenhal Foto Marina Marijnen

Anders dan zijn jolige zelfportretten met geheven glas wellicht doen vermoeden bezat Jan Steen ook een serieuze kant. Hij doorliep de Latijnse School en stond ingeschreven bij de Leidse universiteit. Hij kende zijn klassieken. Het thema van de Bespotting van Ceres ontleende hij aan Ovidius Metamorfosen (1e eeuw). Hoe deze Romeinse dichter ook anderen, zelfs tot de huidige dag inspireerde, is tot 27 augustus in het Rijksmuseum te zien. Deze wat raadselachtige nocturne, met invloed van de Utrechtse Caravaggisten is een voorbeeld van het in de 17e eeuw hogelijk gewaardeerde historiestuk. Voor het herkennen van de daarin verbeelde voorstellingen was kennis nodig. De korenaren in het haar van de drinkende vrouw vormen de sleutel tot het begrip van de voorstelling. Ze zijn het attribuut van Ceres, de godin van de vruchtbaarheid. Tijdens de rusteloze zoektocht naar haar dochter Proserpina lest ze haar dorst. Het meisje is ontvoerd door Hades, de god van de onderwereld. Het lachen zal de kleine spotter snel vergaan. Voor straf verandert Ceres hem in een onderkruipsel. Voortaan zal hij zijn dagen slijten als hagedis. Met zijn originele verbeelding van dit verhaal betoont Steen zich een briljant verteller. 

Jan Steen, De bespotting van Ceres, ca. 1665-1670. Particuliere collectie, door bemiddeling van de Hoogsteder Museum Stichting

Thuis bij Jan Steen
In zijn huiselijke scènes en historiestukken wisselde Steen een minutieuze, fijne penseelstreek af met losse, levendige toetsen. Evenals Frans Hals liet ook Jan Steen zijn echtgenotes en kinderen vaak poseren. Als beschouwer kom je inderdaad meer dan eens letterlijk… thuis bij Jan Steen. Het bekende gezegde een huishouden van Jan Steen is gebaseerd op de wanorde in zijn huiselijke scènes. Voor opruimen had hij geen tijd: als vader van 8 kinderen moest hij zijn aandacht verdelen tussen zijn schilderwerk en zijn taken als bierbrouwer en herbergier. In die laatste hoedanigheid hief hij graag het glas met bevriende collega-schilders de Leidse fijnschilders, Gerard Dou en Frans van Mieris, die in de thematisch ingerichte tentoonstelling eveneens getoond worden. De aan hen ontleende verfijnde toets en aandacht voor detail herken je in het geestige paneel met de Piskijker (1663-65). Onder het toeziend oog van de patiënt en haar moeder bestudeert een gewichtig doende chirurgijn de inhoud van een urinaal. Wat is hier aan de hand? De sleutel aan de wand geeft, samen met het schilderij in het schilderij, het antwoord. De hedendaagse kijker ontgaat de betekenis, maar tijdgenoten zagen het meteen. Soms verraadt een minuscuul feutje in het glas dat het meisje zwanger is. In andere gevallen, zoals hier, lijdt ze aan minnepijn. Het verlangen naar de liefde kon zo sterk zijn dat -hoe verzonnen ze het- de baarmoeder van de vrouw ging zwerven. Trouwen was de beste remedie. Bij gebrek aan een huwelijkskandidaat probeerde de chirurgijn de baarmoeder door de geur van het in het testje brandende lont weer op z’n plaats te krijgen. 

Jan Steen, De Piskijker, 1663-1665. Particuliere collectie in langdurige bruikleen aan Museum de Lakenhal

De tentoonstelling laat zien dat Steen letterlijk en figuurlijk van alle schilderkunstige markten thuis was. In de eerste zaal wordt de bezoeker begroet door bakker Arent Oostwaard en zijn vrouw Catharina. Beide zijn goedgemutst, want versgebakken koeken en broden liggen op de toonbank. De bakkersknecht, voor wie Steens zoon Thaddeus model stond, blaast op de hoorn om klanten te lokken. Dit signaal was kennelijk gebruikelijk. In de marge van Suzanna van Steenwijcks impressie van de Lakenhal blaast een bakker eveneens op zijn hoorn. 

Jan Steen, Bakkersechtpaar Arent Oostwaard en Catharina Keizerswaard, 1658, collectie Rijksmuseum

Met voornoemde werken, maar ook met Brueghelliaanse boerenkermissen en bruiloftsscènes als het Spaanse bruidje, waarin het thema spel en satire verwerkt is, had Steen veel succes. Dat geldt ook voor het niet van zelfspot verstoken paneel met de Bestolen Vioolspeler, in wie de schilder herkenbaar is. Getuige de positie van zijn pijpje hebben de verleidingskunsten van de jonge vrouw effect. Leuk dat de kijker meer ziet dan de onnozelaar die zich onder zijn eigen ogen door haar laat bestelen. 

Onder de noemer Kinderen Vreugde en Verdriet voert Steen zijn eigen kroost op. Thaddeus, Eva, Catharina en Cornelis treden meer dan eens op als figurant. Met plezier halen ze kattenkwaad uit, zoals in de scène, waarin ze een kat laten dansen. In het Sint Nicolaasfeest, waarvan twee versies getoond worden, zie je beide sentimenten. Een meisje klemt haar cadeau, een pop in de gedaante van Johannes de Doper (…), innig in de armen. Haar broer huilt omdat hij de roe heeft gekregen. Het leed is echter gauw geleden. Grootmoeder wenkt hem omdat ze iets voor hem heeft bewaard. Zowel het onderwerp van dit paneel als de pop van het meisje verraden dat Jan Steen na de Reformatie Rooms-Katholiek is gebleven. 

Jan Steen, Het Sint-Nicolaasfeest, ca. 1665-1668, collectie Rijksmuseum

Ook Steens echtgenotes stonden model. Voor een zogeheten portrait historié van zijn tweede vrouw Maria van Egmond koos Steen het Bijbelse verhaal van Bathseba. Nietsvermoedend wekte zij, badend in haar tuin, de begeerte van Koning David. In de achtergrond zie je hem vanaf zijn paleis gluren in de tuin van de buren. Haar besluit om gehoor te geven aan zijn schriftelijke uitnodiging, had verstrekkende gevolgen. Van het een kwam het ander… (2 Samuel: 11). Naar verluidt was Steens echtgenote niet erg ingenomen met de haar toebedeelde verleidelijke rol. Anders dan een meer ingetogen pose, zoals in Rembrandts versie uit 1654 in het Louvre, heeft Steen haar -zoals ze het zelf zei, neergezet als een ‘geyle snol’.

Jan Steen, Bathsheba, ca. 1673, particuliere collectie

Van zijn eerste vrouw, Grietje van Goyen, maakte Steen in 1662 ook een portret. Als Cisterspelende vrouw uit 1662 bracht hij haar ogenschijnlijk heel braaf in beeld. Haar kleding is gedaan in de losse Haarlemse penseelstreek, terwijl de precieze toets van de van de Leidse fijnschilders zichtbaar is in haar gezicht, handen en de cister. Maar ook al zit ze er warmpjes bij, de blik van de musicienne spreekt boekdelen. Het snaarinstrument had in de 17e eeuw een erotische connotatie, die afhankelijk van de context overigens voor tweeërlei uitleg vatbaar was. Soms staat het beeld voor harmonieuze liefde. In kroeg- en bordeelscènes heeft de Cister, evenals de luit een negatieve bijklank van het destijds bekende gezegde verkeren met haren en snaren… En hier? Terwijl zij de snaren zachtjes beroert kijkt de vrouw ons ook met een indringende, enigszins verleidelijke blik aan, of is dat hedendaagse invulling?  

Jan Steen, Cisterspelende vrouw, c. 1662, collectie Mauritshuis.

Met het bovenstaande licht ik slechts een tipje op van de sluier. Er valt voor jong en oud veel te genieten in de tentoonstelling. Let bij je bezoek aan de Lakenhal ook op de parallelle bijschriften. Verschillende werken inspireerden basisschoolleerlingen tot frisse observaties.    

Link: Museum de Lakenhal

Rembrandt en tijdgenoten: historiestukken uit The Leiden Collection. Tot en met 27 augustus in de Hermitage Amsterdam.

Rembrandt, Borstportret van een oude man met baard, 1633, olieverf op papier op paneel (10.6 x 7.2 cm)

Tijdens de voorbezichtiging van Love Stories, de eerste tentoonstelling na het verbreken van de banden met Rusland, beloofde directeur Annabelle Birnie vast te houden aan de oorspronkelijke doelstelling van het museum: het vertellen van mooie verhalen.

Met topstukken uit The Leiden Collection doet de Amsterdamse Hermitage haar belofte gestand. De expositie vormt bovendien een mooi vervolg op de Hollandse Meesters die hier in het voorjaar van 2018 te zien waren.

Amerika telt verschillende grote privéverzamelingen, die tijdens de zogeheten Gilded Age door nieuwe rijken als Henry Clay Frick, John Pierpont Morgan en Isabella Stewart Gardner bijeen werden gebracht. De Leiden Collection van het echtpaar Kaplan dateert van later datum. Met ca 250 tekeningen en schilderijen is deze een van de belangrijkste privécollecties van Hollandse meesters. Anders dan gebruikelijk bij Amerikaanse verzamelingen draagt de collectie niet hun naam. Als eerbetoon aan hun favoriet Rembrandt (1609-1669) kozen de Kaplans de naam van zijn geboortestad.

Tijdens een bevlogen inleiding haalde Dr. Thomas Kaplan Cicero aan. De Romeinse redenaar bestempelde dankbaarheid als de moeder van alle deugden. Met deze zienswijze is Kaplan het helemaal eens. In dankbaarheid ligt de kiem van geluk besloten. Het vermogen om te kunnen genieten en plezier en blijdschap aan anderen door te geven vloeit daaruit voort.

Weinigen zullen ontkennen dat dankbaarheid Kaplan past. Indachtig zijn filosofie wil de collectioneur ook anderen van zijn schilderijen laten genieten. Sinds 2017 is de imposante Leiden Collection op wereldtournee, maar in Amsterdam komen de daar en in Leiden ontstane werken even thuis. In deze stad zag Kaplan als 10-jarige zijn eerste Rembrandts. Ze zijn nooit meer uit zijn gedachten geweest! Dat ervoeren ook Rembrandts eigentijdse en latere collega’s. In het werk van Rembrandt inspireerde tal van kunstenaars, zoals Turner, diverse Impressionisten en Postimpressionisten, Picasso en Lucian Freud.  

Wie is Dr. Thomas Kaplan? Je kunt beter vragen wie is hij niet. In het persbericht worden zijn talrijke hoedanigheden genoemd. Zijn talenten wendt hij letterlijk en figuurlijk aan ter bevordering van culturele en kunstzinnige activiteiten èn tot behoud van onze planeet. Voorafgaand aan de opening van de tentoonstelling ontmoeten we hem in de gedaante van een bevlogen kunstliefhebber.

Pieter Lastman, David overhandigt Uria de brief voor Joab, 1619, the Leiden Collection

De expositie opent met een enorme blow-up van een werk van Rembrandts leermeester Pieter Lastman, David overhandigt Uria de brief voor Joab, uit 1619. De doorsnee beschouwer ziet onmiskenbaar een dramatische scène, maar wèlk drama zich hier afspeelt is zonder kennis niet duidelijk. Bijbelvaste bezoekers herkennen hier echter het minder mooie verhaal van koning David. Hij stuurt de echtgenoot van zijn minnares Bathseba, naar het front, zodat hij met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal sneuvelen. Kenners wisten dat deze euveldaad niet onbestraft bleef. Mooi verpakt bevatten historiestukken niet zelden een moraliserende boodschap: zo niet doen!

In de expositie ziet de bezoeker werken van bekende en minder bekende historieschilders als Ferdinand Bol, Carel Fabritius, Gerrit Dou, Frans van Mieris, Aert de Gelder, Godfried Schalcken en Jan Adriaensz van Staveren en ook -wellicht tot veler verbazing- Jan Steen!  

Jan Steen, het feestmaal van Marcus Antonius en Cleopatra, ca. 1673-1675, the Leiden Collection

Het stuk waar alles om draait is Rembrandts op groot formaat geschilderde Minerva, de godin van de wijsheid uit 1635. Geen Griekse schone, maar een volbloed Hollandse deerne. Voor de aankleding deed Rembrandt een greep uit zijn verkleedkist (of fantasie). Hij zette haar neer in een japon van bijna tastbaar zilvergrijs satijn met een goudglanzende omslagdoek. Getooid met een lauwerkrans op haar loshangende blonde haar. Haar mollige hand rust op een vuistdik boek vol geleerdheid, dat in verschillende andere werken fungeert als Bijbel of rekeningenboek (Staalmeesters).  

Rembrandt van Rijn, Minerva in haar studeervertrek, 1635, Part. Collectie

Het werk is een zogeheten historiestuk. Een schilderij met een historisch, mythologisch of bijbels onderwerp. Karel van Mander, zelf schilder, bestempelde het historiestuk in zijn Schilder-boeck uit 1604 als de hoogste vorm van schilderkunst. Met zijn uitleg over aanbevolen onderwerpen, onder meer ontleend aan Ovidius Metamorfosen en de wijze waarop deze moesten worden verbeeld werd zijn ‘schilders bijbel’ een invloedrijke inspiratiebron voor 17e -eeuwse meesters. Deze tak van schilderkunst genoot in de kunsttheorie van de 17e eeuw het meeste aanzien. Waarom?

Dat verneemt u in deze expositie die tot en met 27 augustus in de Hermitage te zien is. En binnenkort leest u meer op www.uitdekunstmarina.nl

Hermitage Amsterdam; Rembrandt & tijdgenoten, historiestukken uit The Leiden Collection

Ga voor de voorbije tentoonstelling Hollandse meesters uit 2018 naar:

Geverifieerd door MonsterInsights