‘Je liefhebbende Vincent’ Van Goghs mooiste brieven, Van Gogh Museum, t/m 10 januari 2021

Boekomslag Brieven van Vincent van Gogh Troost voor bedroefde harten

Het voorwoord van de in 2009 gepubliceerde zesdelige verzamelband Vincent van Gogh De brieven begint met een aan Johann Wolfgang von Goethe toegedicht citaat: … ‘niet praten, kunstenaar, maar uitbeelden’.

Aan dit advies voor beeldend kunstenaars had Vincent van Gogh géén boodschap. Gelukkig maar. Zijn talrijke brieven -ruim 820- geven op literaire wijze een inkijkje in de turbulente zielenroerselen van de schilder. Ze informeren de lezer niet alleen over zijn gevecht met zichzelf en de hem omringende wereld. Maar de brieven werpen ook licht op zijn inspiratiebronnen en ambities, zijn techniek, materialen, zijn artistieke ontwikkeling en die van bevriende schilders.

Daarnaast geeft de correspondentie met Paul Gauguin en Emile Bernard met ideeën over abstractie, kleur en inspiratiebronnen, een inzicht in de veranderende visie opkunst.

De expositie toont een selectie van veertig brieven uit de handzame bloemlezing: Brieven van Vincent van Gogh, Troost voor bedroefde harten, een bundel met de 76 mooiste brieven voorzien van historische context. Toef Jagers suggestie in de NRC van 27 oktober jl.:  ‘zoek de zeven verschillen’ gaat wellicht te ver, maar de bezoeker kan de authentieke brieven zelf lezen en de daarin geschetste werken vergelijken met de getoonde schilderijen. Dichter bij Vincent van Gogh kun je niet komen. Het idee om de werken in dialoog te presenteren was trouwens van Vincent zelf! Wanneer hij op weg naar Auvers-sur-Oise enkele dagen bij zijn broer Theo en diens echtgenote Jo logeert richt hij in hun appartement mèt briefschetsen naast olieverfschilderijen zijn eerste solotentoonstelling in. Althans als we Irving Stone in de geromantiseerde biografie Lust for Life mogen geloven.  

De subtitel van de huidige tentoonstelling is ontleend aan een brief aan Paul Gauguin, waarin Vincent de wens uitspreekt …’van de schilderkunst [te] maken wat de muziek van Berlioz en Wagner reeds vòòr ons was… een kunst die troost biedt aan bedroefde harten!’

De eerste die het belang van Vincents brieven inzag was zijn vriend Emile Bernard, die de correspondentie al in 1893 liet uitgeven. In 1914 bezorgde Jo Van Gogh-Bonger, de weduwe van Vincents eveneens jonggestorven broer Theo, een uitgave van Vincents brieven aan zijn broer. In 1905 organiseerde zij een grote overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Tussen 1891 en 1925 werden zo’n 200 schilderijen verkocht. Dat was Vincent zelf maar één keer gelukt. Tijdens een expostitie van de kunstenaarsgroep Les XX in Brussel, verkocht hij de Rode Wijngaard aan collega kunstenaar Anna Boch.

Aan het eind van haar leven stelt Jo van Gogh vast dat …’na lange jaren van onverschilligheid van het publiek, de strijd gewonnen is’.

(Buiten tentoonstelling) Vincent van Gogh, Amandelbloesem, 1889. Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Jo van Gogh met haar zoon Vincent Willem op 10 April 1890

Vincents materiële erfenis gaat over op haar zoon Vincent Willem (1890-1978), het neefje voor wie Vincent, geïnspireerd op de Japanse kunst, het doek Amandelbloesem schilderde. In de hoop dat de boreling net zo vasthoudend en moedig zal worden als Vincent, had Theo zijn zoon naar zijn broer vernoemd. Het schilderij, te zien in de vaste collectie, is voor de familie van onschatbare waarde, aldus Theo’s achterkleinzoon Vincent Willem, die als  ambassadeur optreedt voor het Van Gogh Museum. Zijn uiterlijk vertoont onmiskenbaar gelijkenis met zowel Vincent als Theo.

Tussen 1952 en 1954 bezorgde Theo’s zoon Vincent Willem een nieuwe uitgave van de brieven. In 1960 richtte hij de Vincent van Gogh Stichting op. Deze Vincent Willem is de grootvader van de in 2004 vermoorde cineast Theo van Gogh. Zìjn broer Vincent Willem, de voornoemde ‘ambassadeur’, haalt in een interview herinneringen op aan zijn grootvader bij wie het doek met de (één van de vijf) boven de bank hing. Ook bij zijn ouders thuis hingen schilderijen van Vincent in de jaren zestig nog gewoon aan de muur!

Vincent van Gogh, Zonnebloemen, 1889, Amsterdam, Van Gogh Museum
(Vincent van Gogh stichting)

Aan de hand van de briefschetsen en de geëxposeerde schilderijen kan de bezoeker Vincents ontwikkeling volgen. Van zijn vroege nog onbeholpen figuurstudies tot werken waarin zijn stijl tot volle wasdom is gekomen. In Vincents brieven, die ook online beschikbaar zijn, ligt aldus de samenstellers van de tentoonstelling het fundament van de moderne kunst, met Vincent als wegbereider. Maar het was een moeizame weg. Voor het zover was belichaamde Vincent de spreekwoordelijke twaalf ambachten, dertien ongelukken. Tot hij, op aanraden van Theo, besluit om schilder te worden. Voor die tijd werkte Vincent als jongste bediende bij kunsthandel Goupil in Londen. Na zijn ontslag probeerde hij het als hulpprediker en onderwijzer in Ramsgate. Na een afgebroken studie theologie zette hij zich als zielzorger in onder de mijnwerkers in de Borinage. Ook dat werd geen succes. Berooid en mislukt komt hij terug bij zijn ouders. In het degelijke domineesgezin ondervindt Vincent met zijn balsturige aard, weinig begrip. Zijn jongere broer Theo neemt het voor hem op, maar na de zoveelste ruzie in de pastorie, spreekt hij zijn broer per post aan op zijn gedrag. Met deze brief èn Vincents puntsgewijs genoteerde weerwoord begint de tentoonstelling. Onder de noemer Broederliefde worden de vroegste en de laatste brieven getoond. In brief  894 van 30 juni 1890, spreekt Theo zijn zorgen uit over de gezondheid van zijn vrouw en zijn pasgeboren zoontje die -deze allergie bestond dus ook al-  geen koemelk binnen kan houden en nu ezelinnenmelk krijgt. Ook ventileert Theo zijn problemen met zijn werkgevers. Ondanks zijn eigen sores stelt Theo zijn broer gerust: …’weet dat het mij het meeste genoegen doet als jij het goed maakt en als jij bezig bent met je werk, dat prachtig is’

Terug naar de ontwikkeling van Vincent als schilder. Hij is al 27 wanneer hij besluit kunstenaar te worden. Maar ook dat gaat niet vanzelf. Na tekenlessen aan de academie van Brussel komt hij in contact met de schilder Anton Mauve aan wie hij via moederszijde geparenteerd is. Deze adviseert hem om wat kleur in zijn werk te brengen. Wat resulteert in Vincents vroegste schilderijen: Stilleven met Kolen en Klompen en Stilleven met Kweeperen, waarin de bezoeker een voorproefje krijgt van de goudgele tinten van de zonnebloemen die in Arles zullen ontstaan. In één van de brieven meldt hij de aanschaf van een praktisch palet, om in de openlucht te werken en een perspectiefraam, waarmee hij het hier getoonde zeegezicht in het juiste perspectief op het doek kan krijgen.

Vinvent van Gogh, Soepuitdeling in een volksgaarkeuken, Den Haag, maart 1883, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)

Vincents vroege werk ademt nog de sfeer van de Haagse School en Barbizon. In Den Haag legt hij zich toe op het èchte leven. Boeren, arbeiders en armelui die voor voedsel zijn aangewezen op de gaarkeuken. Nadat hij verschillende malen een blauwtje heeft gelopen vindt Vincent bij de prostituee Sien de liefde, waar hij al jaren naar verlangt. Zorgzaam neemt hij haar en haar kinderen op en geniet van een gezinsleven, maar niet voor lang. Vincents ouders zijn tegen een huwelijk. Op de vraag waar hij haar heeft leren kennen antwoordt hij naar eerlijkheid: …’uh, op straat’… In zijn impressie van de volksgaarkeuken heeft hij haar geportretteerd.

De volgende stappen neemt hij in Drenthe en Nuenen, waar respectievelijk de Onkruid verbrandende Boer en de twee versies van de Aardappeletersontstaan. Hij ploetert eindeloos op het anatomisch correct weergeven van figuren en toepassing van het juiste perspectief, zoals destijds gedicteerd door de kunstacademie. Arme Vincent, korte tijd later maalde niemand hier meer om.

In de getoonde brief zegt Vincent bezig te zijn …aan die boeren om een schotel aardappels’. Ter plaatse heeft hij er bij lamplicht ook nog aan gewerkt. Wanneer de ongehuwde dochter des huizes zwanger blijkt wordt Vincent van Gogh door de dorpelingen als de vader aangewezen. Irving Stone houdt het op de dorpspastoor. In het programma Krabbé zoekt Van Gogh wordt een interessant publiek geheim onthuld. Eén van de nazaten van de aardappeleetster vertelt enigszins besmuikt dat zijn betovergrootvader en zijn eigen pa ook rood haar hadden…

Vincent beschrijft de koppen van de aardappeleters; hij gaf ze ‘zoowat de kleur van een goed stoffigen aardappel, ongeschild natuurlijk’…  Vincent zelf is wel tevreden, maar zijn vriend Anthon van Rappard denkt daar anders over … ’gij kunt meer dan dit gelukkig maar (…)’ gevolgd door een reeks gebreken’. Hij verwijt Vincent dat hij, terwijl hij zich optrekt aan Millet en Breton, zulk broddelwerk levert. Na deze brief was het gedaan met de vriendschap. Tegenwoordig weet vrijwel niemand meer wie Van Rappard was, maar Vincents ‘broddelwerk’ is wereldberoemd!  

In 1888 verruilt Vincent Nuenen voor Parijs. Wegens het ontbreken van correspondentie zijn deze jaren niet vertegenwoordigd in de tentoonstelling. Hij maakt kennis met de avant-garde. Hij snuffelt aan het impressionisme, het neo-impressionisme en absorbeert invloeden van Pisarro, Lautrec, Seurat en Signac, Gauguin en Bernard. In de tentoonstelling In the Picture, met Vincents (zelf)portretten en soortgelijk werk van zijn tijdgenoten werd deze ontwikkeling mooi geschetst. Ga voor een terugblik naar mijn bespreking op deze site.  

Vincents donkere palet wordt in Parijs al kleurrijker, om op zijn volgende bestemming helemaal op te klaren. Aanvankelijk geniet hij van het bruisende grootstedelijke leven, maar al gauw wordt het dynamische bestaan hem te veel. In februari 1888 neemt hij de trein naar het zonnige zuiden. Tot zijn verrassing ligt er bij aankomst in Arles sneeuw; en niet zo’n beetje ook. In een brief aan Theo maakt hij melding van 60 cm! In zijn fantasie komt de landstreek overeen met het gedroomde land dat hij uit Japanse prenten meent te kennen: …’Weet je waarde broer, ik waan me in Japan’…

Vincent van Gogh, landschap met sneeuw, 1888, New York,
Solomon R. Guggenheim museum

Irving Stone komt op veel punten geloofwaardig over, maar in zijn verhaal schijnt de zon onerbarmelijk bij Vincents aankomst. Een journalist waarschuwt hem diezelfde dag nog voor de inwoners van Arles. Door de afwisselende impact van de brandende zon en de mistral zijn deze allemaal gestoord. Op Vincents ongeloof repliceert deze onheilsprofeet …’ wacht maar tot je ze beter leert kennen’... Wetenschappelijk onderzoek naar de nerveuze, opgewonden gesteldheid van de Arlésiens zou volgens deze journalist hebben uitgewezen dat velen van hen epileptische aanvallen krijgen, gevolgd door een ontijdige dood rond het 36e levensjaar.

Hoewel zijn schilderijen ‘nog geen waarde hebben’, twijfelt Vincent er getuige een brief van 16 maart niet aan dat de reis naar het zuiden een succes zal worden: … ‘Ik zie nieuwe dingen en leer, en als ik mijn lichaam een beetje ontzie, dan zal dat het niet laten afweten’…
En inderdaad, onder de brandende zon weet Vincent de natuur op briljante wijze in kleur te vertalen, zoals in het tweede deel van de tentoonstelling te zien is.

In mei barst het voorjaar los; de kleurrijke doeken die zo’n 130 jaar geleden ontstonden, hebben nog niets van hun glans verloren! In een brief van 12 mei beschrijft Vincent een van zijn eerste werken: …Een weide vol felgele boterbloemen, een greppel vol irissen […] op de achtergrond de stad’…In Vincents verbeelding is ook dit beeld net een Japanse droom.

Voorjaarsdronken schildert hij wel vijftien decoratieve doeken met bloesembomen. Ze zijn voor jou, schrijft hij enthousiast aan Theo. … ‘Ik heb nu ook een kleine perenboom in staand formaat, geflankeerd door twee doeken in liggend formaat.’ In de tentoonstelling zijn ze, zoals Vincent het bedoeld had, als drieluik geëxposeerd.
Irving Stone beschrijft ze ook. …’One day he worked in an orchard of lilac ploughland with a red fence and two rose-coloured peach trees against a sky of glorious blue and white’…. Voorzien van de woorden ‘Souvenir de Mauve. Vincent & Theo’ stuurt Vincent het werk als condoléancekaart naar de weduwe van Anton Mauve.   

In Arles vindt Vincent zijn artistieke bestemming, maar in mentaal opzicht raakt hij in de Provence de weg kwijt. Aanvankelijk is hij zeer productief.  Enthousiast huurt hij een huis waar hij een kunstenaarskolonie wil stichten. Als eerste nodigt hij Paul Gauguin uit. Om diens logeerkamer op te fleuren schildert Vincent een reeks doeken met zonnebloemen. Hij arriveert in oktober. Aanvankelijk loopt de samenwerking goed. Dat Gauguin lekker kon koken hielp mee, maar gaandeweg treden irritaties op. Een terugkerend conflict vormt hun verschillende kijk op artistieke inspiratie. Terwijl Van Gogh graag werkt naar voorbeelden in de natuur, beschouwt Gauguin het werken uit de verbeelding als het hoogste goed. Vincent, die Gauguin mateloos bewondert, probeert zijn werkwijze na te volgen, maar het lukt hem niet. Veelbelovend begonnen eindigt hun samenwerking in een fikse ruzie, maar nu loop ik op de zaken vooruit. 

In een (oorspronkelijk voor Gauguin bedoelde) brief aan zijn vriend Eugène Boch schrijft Vincent dat hij sinds het betrekken van het Gele Huis onafgebroken heeft gewerkt. Bij het zien van het meegestuurde schetsje van de Sterrennacht reproduceert mijn auditieve geheugen spontaan de stem van John Denver. De doorgekraste tekst op de achterzijde is ontcijferd en gaat over het verlagen van de prijzen voor schilderijen.

In de herfst van 1888 ontstaan de Slaapkamer, het Geploegde Veld veld met boom en de verschillende versies van De Zaaier. Geschilderd op vierkante doeken. Hij is er naar eigen zeggen maar druk mee, ‘want ze moeten dienen als decoratie voor het huis’, schrijft Vincent begin oktober aan zijn vriend Émile Bernard.

In de brief aan Theo beschrijft Vincent het schilderij in wording: …’Deze keer is het gewoon mijn slaapkamer, maar de kleur moet het hier doen en moet hier rust of slaap in het algemeen suggereren… het moet rust geven aan het hoofd… de muren zijn bleek violet; op de vloer liggen rode plavuizen. ’ Het bed en de stoelen zijn ‘geel als verse boter’, het laken en de kussens heel helder citroengroen, het dek  ‘scharlakenrood’, het raam groen. De toilettafel oranje, de waskom blauw de deuren lila… De kleuren, maar ook de stevige meubels moeten ‘onverstoorbare rust’ uitdrukken’.

Een dag later schrijft hij een brief aan Gauguin (nr. 706) met dezelfde informatie voorzien van een schets van de slaapkamer plus kleuraanduiding. Ontroerend vind ik het hoedje dat achter het bed aan een kapstokje hangt! Vincent maakte nog twee vrijwel identieke versies. Deze bevinden zich in het Musée d’Orsay en het Art Institute in Chicago. Tijdens een restauratie van het exemplaar in het Van Gogh Museum, werd aan de hand van Vincents eigen woorden en originele kleurresten onder de lijst ontdekt dat sommige tinten in de loop der tijd verkleurd zijn. Zo waren de wanden en de deuren oorspronkelijk lila van kleur.

George Sales, Cuong Tran, Vincent van Gogh’s Slaapkamer uit 1888. Future ID’s project. Foto MM

Vlak voor de tweede lockdown bezocht ik 4 november jl. de tentoonstelling This is America in Kunsthal Kade. Bij het zien van een video van Gregory Sale ging er een schok door mij heen. In zijn project Future ID’s voor gedetineerden laat hij hen voor de toekomst een nieuwe identiteitskaart maken met een gedroomd nieuw beroep. Als achtergrond voor zijn kaart koos een van hen, Cuong Tran, Vincents Slaapkamer. Jammer dat Vincent de vervulling van zìjn toekomstdroom niet meer heeft mogen meemaken: zijn werk als troost voor bedroefde harten

Ook van een ander iconisch werk de Zaaier, zijn briefschetsen van verschillende versies te zien.

…‘Dit is een krabbel van het laatste doek dat ik onder handen heb, weer een zaaier. Immense citroengele schijf als zon. Geelgroene hemel met roze wolken. De grond violet, de zaaier en de boom Pruisisch blauw, geschilderd op een doek van 30…’ Dankzij dit formaat is bekend dat het in deze brief gaat om de grote versie van de Zaaier. In de expositie wordt de kleinere versie getoond.

In één van de vitrines ligt de zogenoemde ‘bordeelbrief’; welke het museum deze zomer via de Stichting voor € 210.600 wist te verwerven. Een uniek document, al zie je het belang er niet meteen aan af. In deze aan Emile Bernard gerichte brief is behalve Vincent ook Paul Gauguin aan het woord. Vincent vertelt Bernard dat hij erg geïnteresseerd is in Gauguin ‘als mens’, die hij omschrijft als …’een ongerept wezen met de instincten van een wilde’ […] bij wie ‘instinct en seks boven ambitie’ gaan Waarmee de in de brief genoemde uitstapjes naar de bordelen als werkplek voor toekomstige doeken verklaard zijn. Gauguins op Vincents gelijknamige doek geïnspireerde Nachtcafé, met nachtbrakers is daarvan een eerste voorbeeld.  

Vincent van Gogh, Het nachtcafé, 188, Yale UniversityArt Gallery, New Haven CT

Interessant zijn Vincents profetische uitlatingen over een nieuwe [kunst]wereld, waarin Gauguin en hij als tussenpersonen fungeren. Volgens Vincent zal een volgende generatie daarin pas slagen, maar Gauguin ziet voor zichzelf in de nabije toekomst al een vernieuwende rol. Van Gogh heeft ook ideeën over de nieuwe kunstenaar:  

’in ons ellendige beroep van schilder [is] behoefte aan mensen met de handen en de maag van een arbeider. Met een natuurlijker smaak –met een amoureuzer en menslievender temperament dan de decadente en afgeleefde boulevardier in Parijs’…   

In Van Goghs ogen beantwoordt het ‘ongerepte wezen’ Gauguin helemaal aan dit profiel.

Schets van dr. Felix Rey toont de coupure van het gehele oor

Aan de samenwerking met Gauguin komt op 23 december 1888 een abrupt einde. Na een heftige ruzie pakt Gauguin zijn biezen. In een vlaag van verstandsverbijstering snijdt Vincent zijn oor af. Gewikkeld in een stuk papier geeft hij het bloederige pakketje ter attentie van een zekere Rachel af bij het lokale bordeel. Met de recente vondst van een brief van Dr. Felix Rey aan de schrijver Irving Stone is de onzekerheid over Vincents automutilatie weggenomen. Hierin geeft Vincents toenmalige arts een gedetailleerde schets van de coupure, waaruit blijkt dat de schilder zijn gehele oor afsneed. 

Lezend over deze wanhoopsdaad denk je: van de gekke! Maar verstandig -dat weer wel- laat Vincent zich vrijwillig opnemen in het psychiatrische ziekenhuis St. Paul in Saint-Rémy-de-Provence. Hier ontstaan Vincents meest ontroerende werken. Zoals Veld met een Ploeger, 1889. Getoond met een briefschets van 2 september 1889.

…’Gisteren ben ik weer een beetje begonnen met werken. – Iets wat ik uit mijn raam zie- een geel stoppelveld dat wordt geploegd. […] Het werk leidt me oneindig meer af dan wat dan ook en als ik me er eens met al mijn energie op kon storten, dan zou dat wellicht de beste remedie zijn’…

Behalve eigen werk legt Vincent zich in de inrichting ook toe op het kopiëren van bewonderde meesters, zoals de Opwekking van Lazarus naar Rembrandt; gesitueerd in een landschap van blauwe heuvels en een gele opgaande zon.’

Van Gogh, Korenaren, 1890, Van Gogh Museum

Behalve brieven bevat Vincents nalatenschap ook een aantal documenten, waaronder een onvoltooide en niet verstuurde brief aan Paul Gauguin met een letterlijk en figuurlijk poëtische, suggestieve schets van close-up geschilderde Korenaren. …’waarvan de verschillende tinten ‘één geheel van groen vormen, dat door de vibratie zou doen denken aan het zachte ruisen van de korenaren die heen en weer wiegen in de wind.’…  

Hoewel de landschappelijke omgeving hem troost biedt, valt de eenzame afzondering in St. Rémy hem zwaar. Wanneer het hem in 1890 ogenschijnlijk beter gaat wordt Vincent door Dr. Felix Rey ontslagen. Hij vertrekt naar Auvers-sur-Oise, waar Dr. Paul Gachet hem in hedendaags jargon, nog een beetje zal coachen. Dr. Gachet, specialist in zenuwziektes, vond naast zijn praktijk tijd om –niet onverdienstelijk- te schilderen. Onder het pseudoniem Paul van Rijssel exposeerde hij zelfs in de Salon des Indépendants van 1872. Uit een brief van 3 juni 1890 blijkt er nog een raakvlak te zijn voor de vriendschap tussen geneesheer en patiënt. Vincent schrijft Theo dat de dokter net zo gestoord is als hijzelf: …hij lijkt mij zeker even ziek en verdwaasd als jij en ik’…

In dit laatste deel met brieven uit Auvers-sur-Oise bereikt de tentoonstelling een emotioneel hoogtepunt.  Aandoenlijk is de brief van 2 juli 1890, waarin Vincent overweegt naar Parijs te komen om Theo en Jo te helpen met hun zieke zoontje. Ze zouden er echter beter aan doen om met het kind naar het gezonde platteland te komen. Ook in deze brief maakt hij hen deelgenoot van zijn meest recente schilderijen: twee landschappen en een meisjesportret dat me bekend voorkomt. Jaren geleden zag ik Meisje in Wit in de National Gallery in Washington.


Vincent van Gogh , Girl in White, 1890, oil on canvas, Chester Dale Collection, National Gallery of Art, Washington (buiten tentoonstelling)

In de laatste aan Theo verstuurde brief van 23 juli 1890, spreekt Vincent zijn bezorgdheid uit over de financiële situatie. Hij verzekert Theo dat hij hard werkt. Prachtig is de schets van de tuin van de door hem bewonderde Daubigny. Vier dagen voor hij zich op 29 juli 1890 in de borst schoot, klopte Vincent aan bij diens weduwe om even in de tuin te mogen kijken. Bij de aanblik daarvan overvalt hem een onbedwingbare lust om de bloemenpracht vast te leggen. Bij gebrek aan schilders-linnen overhandigt Madame Daubigny hem een inmiddels legendarisch geworden theedoek!

Kennelijk voelt Theo het naderende onheil. Naar aanleiding van deze brief schrijft hij aan zijn vrouw Jo: ‘Wanneer zal er voor hem eens een gelukkigen tijd aanbreken?’

Het antwoord is inmiddels bekend. Niet voor Vincent en evenmin voor Theo en Jo. Een half jaar na Vincents dood, komt Theo eveneens te overlijden. Ook hij leed aan ernstige psychiatrische problemen, die waarschijnlijk veroorzaakt werden door syfillis. Beide vonden in de Auvers-sur-Oise hun laatste rustplaats.

In de laatste vitrine ligt ook een brief aan Vincents zus Willemien, waarin hij aan de hand van een schets van de Arlesienne toelicht dat hij het karakter in zijn portretten middels kleur tot uitdrukking wil brengen.

Droevig slotakkoord vormt Vincents allerlaatste, niet verstuurde brief aan Theo van 23 juli 1890, die op Vincents gewonde lichaam werd gevonden. 

Laatste (niet verzonden) brief van Vincent aan Theo (Vincent van Gogh Stichting)

De inhoud van de brief lijkt doodgewoon: een woord van dank voor de zojuist ontvangen 50 francs. Een woord van begrip voor de zware taak van Theo om een kind op de vierde verdieping op te voeden. Maar dan komt hij, ogenschijnlijk terloops, tot de kern van de zaak. Hij betreurt het dat Theo niet op waarde wordt geschat door zijn werkgevers: …’jij bent iets anders dan een eenvoudige handelaar in Corots, via mij heb je zelf deel aan de productie van sommige doeken die zelfs in de ontreddering hun kalmte behouden. Want zo staat het met ons en dat is alles of tenminste het belangrijkste wat ik te zeggen heb op een moment van betrekkelijke crisis… Op een moment dat de verhoudingen tussen handelaren in schilderijen –van overleden kunstenaars- en levende kunstenaars erg gespannen zijn. Welnu, mijn werk, daarvoor riskeer ik mijn leven en het heeft me de helft van mijn verstand gekost’… schrijft Vincent op 23 juli 1890De dramatische inhoud wordt versterkt door de vlekken, maar onderzoek heeft uitgewezen dat het geen bloedvlekken zijn.

Voor Vincent’s leven was dat einde verhaal, maar kort hierna kreeg hij naamsbekendheid en begon zijn werk te verkopen. Begin twintigste eeuw gingen bewonderaars op bedevaart naar het ‘land van Vincent’: in Brabant, Arles en Auvers-sur-Oise. Terwijl ik deze woorden schreef werd deze zomer bekend dat de plek waar Vincent zijn allerlaatste schilderij, de Boomwortels, maakte was ontdekt. Nabij het adres waar hij zijn laatste weken doorbracht in Auvers-sur-Oise.

Tijdens de lockdown kwam Wouter van der Veen, directeur van het Instituut Van Gogh in Auvers-sur-Oise, eindelijk toe aan het doornemen van wat oude documenten. Bij het zien van een oude ansichtkaart ging er een schok door hem heen. Naast een wandelaar met een fiets herkende hij de heuvelrand met grillige boomwortels uit Vincents schilderij!

 …’De mensen die jaarlijks in Auvers […] komen kunnen […]  een ontroerende ervaring toevoegen aan hun bezoek; en […]  op de exacte plek gaan staan waar van Goghs penselen voor het laatst het doek hebben geraakt’, aldus het persbericht.

Om souvenirjagers géén kans te geven is uit voorzorg een hek voor de bezienswaardigheid geplaatst. In de NRC van 7 oktober jl. las ik dat dit hek onlangs vervangen werd door een houten schutting. Ten gevolge van een kleinzielige kwestie zijn de boomwortels nu aan het zicht onttrokken. Wat is het geval? Een speciale editie van Van der Veens publicatie wordt ingeleid met een woordje van de president van het departement. Dit is de burgemeester van Auvers, die zich gepasseerd voelt, in het verkeerde keelgat geschoten, resulterend in juridisch geharrewar over de vraag van wie die boomwortels eigenlijk zijn; de eigenaar van het landgoed of de gemeente.

Het boek dat Van der Veen over deze ontdekking publiceerde is gratis te downloaden.

Op het eerste gezicht lijkt dit schilderij een wirwar van bonte kleuren en grillige abstracte vormen; reden waarom kunsthistorici in het verleden typeerden als het begin van de abstracte kunst! Maar bij nadere beschouwing …’zie je dat het een helling met boomstammen en –wortels voorstelt. Het zijn hakhoutbomen boven op een mergelafgraving, zoals die rond Auvers te vinden waren. Het werk is niet helemaal voltooid. Dat verklaart het onafgewerkte karakter. Waarschijnlijk is het Van Goghs allerlaatste schilderij. Andries Bonger, zwager van broer Theo, beschreef het in een brief:

…Den morgen voor zijn dood had hij een sousbois [bosgezicht] geschilderd, vol zon en leven’…

De schilderijen in de tentoonstelling bieden met werk uit de vaste collectie en eerdere tentoonstellingen, een feest van herkenning. In Vincent aan het Werk, de expositie De Waanzin Nabij en onlangs nog nog in In the Picture met Portretten van Vincent and friends, kon de bezoeker door over zijn schouder mee te kijken Vincent al beter leren kennen.

In deze expositie komen we middels Vincents eigen woorden, geschreven in momenten van twijfel, boosheid, hoop en wanhoop nòg dichter bij de kunstenaar die tijdens zijn leven zo weinig begrip en waardering vond. 

Aan waardering ontbreekt het al lang niet meer en dankzij deze tentoonstelling komt het met begrip voor Vincent nu eindelijk ook wel goed! Beter laat dan nooit!

Bibliografie:

N. Bakker e.a., Brieven van Vincent van Gogh: Troost voor bedroefde harten, Van Gogh Museum Amsterdam, 2020. 

N. Bakker & L. Smit e.a., In the Picture: Kunstenaarsportretten, Van Gogh Museum Amsterdam, 2019.

N. Bakker e.a., De Waanzin nabij: Van Gogh en zijn ziekte, Van Gogh Museum, Amsterdam, 2016.

M. Vellekoop e.a., Vincent aan het Werk, Van Gogh Museum Amsterdam, 2013.

L. Jansen e.a., Vincent van Gogh – De Brieven: de volledige, geillustreerde en geannoteerde uitgave, 6 dln, Asterdam, Brussel en Londen, 2009.   

Links naar…: 

Vincent: de Brieven http://vangoghletters.org/vg/

Mijn artikel bij de tentoonstelling: in the picture

Van Gogh Museum, Amsterdam

Kröller Müller Museum, Otterlo  

Tentoonstelling In the Picture, in het Van Gogh Museum Amsterdam tot en met 30 augustus 2020

Campagnebeeld Van Gogh Museum, Zelfportret met verbonden oor, 1889.The Samuel Courtauld Trust, The Courtauld Gallery, Londen

Eind januari zag ik in de NRC een karikatuur van het onlangs als een èchte Van Gogh geaccepteerde zelfportret. Met de woorden:  …Hey, het is oké, maak depressie bespreekbaar… stond deze boven een pleidooi tegen de opheffing van de jaarlijkse Bob den Uyl-prijs. Ingesteld ter herinnering aan de in 1992 overleden schrijver, die met zwarte humor niet alleen de worsteling van het reizen, maar ook die van het leven zelf -hij was manisch depressief- beschreef.

Ruben Oppenheimer, Cartoon in NRC op 21 januari 2020

Het originele zelfportret uit Oslo is te zien in de zaal die gewijd is aan het thema de Lijdende Kunstenaar. Het hangt naast de Pieta die Van Gogh kort na een zenuwinzinking schilderde naar voorbeeld van een gelijknamige werk door Eugène Delacroix. Het zal de opmerkzame beschouwer niet ontgaan dat Vincent de dode Christusfiguur voorzag van een rode baard en haardos. Zo identificeert Van Gogh zich met de lijdende Christus. In een van zijn brieven vertrouwt hij zijn broer Theo toe:

 …’In het lijden zelf geven godsdienstige gedachten soms veel troost’

En lijden deed hij. In de tentoonstelling met ruim 77 kunstenaarsportretten fungeert Vincents Zelfportret met verbonden oor (1889) uit de Londense Courtauld Gallery als sleutelstuk. Tweemaal bracht hij de gevolgen van zijn wanhoopsdaad –na een ruzie met Gauguin sneed hij op 23 december 1888 zijn rechteroor af- in beeld. Maar in zijn brieven vond hij geen woorden voor zijn automutulatie.  

Vincent van Gogh, Zelfportret met verbonden oor, 1889. The Samuel Courtauld Trust, The Courtauld Gallery, Londen

Vanuit dit solitair gepresenteerde werk waaiert de blik van de bezoeker in alle richtingen uit naar meer zelfportretten van zijn hand en kunstenaarsportretten van anderen. Dichtbij zijn de portretten die vrienden en tijdgenoten van hem maakten en langs de wanden portretten van eigentijdse schilders en schilderessen. Autonome portretten, vingeroefeningen en studies van het eigen gelaat, of dat van een ander. Naast Edvard Munch, Gustave Courbet en Pierre Auguste Renoir komen ook vrouwelijke kunstenaars mooi uit de verf. Helene Schjerfbeck, Charly Toorop, Thérèse Schwartze, Berthe Morisot en Milly Childers doen niet onder voor hun mannelijke collega’s.

Hoe kan de grote productie van kunstenaarsportretten in de 19e eeuw worden verklaard? In de Middeleeuwen werd een kunstenaar nog als een ‘gewone’ ambachtsman beschouwd, maar in de eeuwen daarna kregen opdrachtgevers en publiek belangstelling voor de mens achter die kunstwerken. Zo kwam in de 19e eeuw de kunstenaar letterlijk en figuurlijk steeds meer in beeld.

Een portret vertelt vaak meer dan je op het eerste gezicht zou denken. Vanuit deze overtuiging onderzochten de tentoonstellingsmakers de keuzes van de moderne kunstenaar. Wil deze slechts een goed gelijkende beeltenis presenteren of had hij of zij een andere drijfveer?

In de expositie zien we niet alleen zelfportretten, maar ook vriendenportretten en beeltenissen die gemaakt zijn om een identiteit, imago, kunstopvatting, levensstijl, statement te evoceren of een emotie, zoals in Van Goghs Zelfportret als schilder (1887-88). Een prachtig kleurrijk portret. Op mijn reactie dat de schilder zichzelf met in-droevige, lege ogen vereeuwigde, antwoordt conservator Nienke Bakker: dat klopt, Van Gogh schilderde dit portret in zijn nadagen in Parijs, waar hij zich opgejaagd en ongelukkig voelde.

In een brief aan zijn zus Willemien beschrijft Van Gogh  zijn gelaat als een associatie met Magere Hein, de personificatie van de dood: ….…’zijn roze grijs gelaat met groene oogen, aschkleurige haar, rimpels in voorhoofd en om den mond, stijf houterig een zeer rooden baard, vrij ongeredderd en triest’… (626, medio juni 1888). 

Hij had al meer zelfportretten gemaakt, maar dit werk is qua kleurgebruik en compositie zeer ambitieus. Het is ook het enige gesigneerde zelfportret uit zijn Parijse periode. Met het felle palet presenteert hij zich als een moderne kunstenaar; weg zijn de sombere Brabantse kleuren!

Vincent Van Gogh, zelfportret als schilder, 1887-1888, Van Gogh Museum Amsterdam, Vincent van Gogh Stichting

Bij portretten speelt de herkenbaarheid van de afgebeelde persoon een belangrijke rol. Letterlijk herkenbaar, maar ook figuurlijk. Realistisch of geïdealiseerd. De mate van herkenbaarheid gold in het verleden niet alleen voor vorsten en hoogwaardigheidsbekleders, maar ook voor de moderne kunstenaars in deze tentoonstelling. Wat gold voor sculpturen van Romeinse keizers, geldt nog steeds voor eigentijdse heersers. Met hun staatsieportretten laten onze koning en koningin, zich evenals de heersers van weleer, tot in de verste uithoek van hun rijk representeren. Daarbij is een gelijkende weergave van belang, maar idealisering soms wenselijk.

Zelfverbeelding: vandaag de dag is vrijwel iedereen ermee bezig. Wat laten we wel en wat juist niet zien vragen gebruikers van Instagram en FaceBook zich dagelijks af. Sommige geïllustreerde levensverhalen zijn jaloersmakend, maar vaak te mooi om waar te zijn!

Terug naar het sleutelstuk. Vincents Zelfportret met verbonden oor roept vele vragen op die als leidraad voor de inrichting van de tentoonstelling hebben gediend. Het werk vertelt iets over de identiteit en toestand van de schilder. Door zijn lijden in beeld te brengen toont hij zijn kwetsbaarheid, maar ook zijn kracht. Werk is het beste medicijn. Hij maakt zelfs nog een impressie van zijn gehavende hoofd: Zelfportret met pijp dat zich thans in privébezit bevindt.

Behalve schilderijen van tijdgenoten ziet de bezoeker ook werken van hedendaagse kunstenaars die zich door Van Gogh lieten inspireren. Zoals Francis Bacons Eerbetoon aan Van Gogh, 1960, geïnspireerd op Vincents Zelfportret met pijp. Een expressief, wat griezelig portret van een pijprokend spook in rode mantel met een groen, narrig hoofddeksel. De houding doet enigszins denken aan die van barokke pausportretten. Zijn lijkbleke, vervormde gelaat geeft aan dat de kunstenaar er slecht aan toe is. Het werk bevat volgens sommigen een autobiografische component, ingegeven door de conflictueuze en zelfdestructieve relatie van de schilder met zijn partner Peter Lacy.

Francis Bacon, Eerbetoon aan Van Gogh, 1960, Göteborgs Konstmuseum, © Estate of Francis Bacon c/o Pictoright Amsterdam, 2020

Emo Verkerk (1955) koos in 2015 eveneens een beeltenis van Van Gogh als uitgangspunt voor zijn vlot, enigszins naïef geschilderde, geestige kijk op de kunstenaar. Het uiterlijk van Vincent van Gogh is wereldwijd bepaald door zijn zelfportretten, maar zijn werkelijke uiterlijk is maar in één foto vastgelegd. Als 19 jarige liet hij dit portret als verjaarscadeau voor zijn vader maken. Een ontroerende beeltenis van Vincent, keurig in het pak, dressed to impress, voor zijn eerste baan als assistent in de Haagse vestiging van Kunsthandel van Goupil. De toekomst ligt nog voor hem open. Van aspiraties om kunstenaar te worden hier nog geen spoor; dat besluit nam hij pas op 25-jarige leeftijd.  

Vincent van Gogh (19 jaar) , 1873, Van Gogh Museum Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting)
Emo Verkerk, Vincent als filiaalmanager, 2015 Privécollectie (Met dank aan willem Baars Projects)

Het tragische levensverhaal van de jonggestorven Vincent van Gogh, de man van twaalf ambachten en dertien ongelukken, inspireerde niet alleen beeldend kunstenaars, maar ook filmmakers. Nu zou hij een rijk man geweest zijn maar tijdens zijn leven verkocht hij maar één werk. In de laatste tentoonstellingszaal zijn, behalve eigentijdse ‘portretten’ ook posters en filmfragmenten te zien. In 1965 kwam Vincente Minelli’s film Lust for Life uit, met in de hoofdrol de onlangs overleden Kirk Douglas. In  2018 was At Eternity’s Gate, geregisserd door beeldend kunstenaar Julian Schnabel in de bioscoop te zien met in de hoofdrol Willem Dafoe. Deze treffende look-alike inspireerde Schnabel tevens tot het maken van een portret getiteld Nummer 1 (Van Gogh Plate Painting, Willem) Vincent met verbonden oor, geschilderd op – zoals ik het interpreteer- de scherven van diens gebroken geest.   

Julian Schnabel, Nummer1 (Van Gogh Plate Painting,Willem) Collectie van de kunstenaar

Van eigentijdse vriendenportretten trekt het in krijt geschetste Profielportret van Vincent van Gogh door Henri de Toulouse Lautrec mijn aandacht. Een impressie gedaan in een vergelijkbare kleurstelling als Vincents Zelfportret met grijze vilthoed uit 1887, dat er tegenover hangt. Goed getroffen. Je ziet hem voor je geestesoog zitten in zijn stamkroeg, Café le Tabourin, waar Vincent niet alleen vertroosting vond in de armen van de bazin, maar ook in de drank. Een glas absinth is binnen handbereik afgebeeld. Dit sterk verslavende gifgroene alcoholisch drankje droeg na consumptie wellicht bij aan de kleurexplosies in Van Goghs doeken. Met een welhaast dolgedraaide toets heeft hij in dit portret, waarin de oorspronkelijk paarse achtergrond verbleekt is, mijns inziens ook de hersenspinsels en demonen die hem in Parijs achtervolgden, verwerkt.   

1. Vincent van Gogh Zelfportret met grijze vilthoed, 1887, Van Gogh Museum, Amsterdam (Vincent van Gogh Stichting).  

2. Henri-de-Toulouse-Lautrec (1864-1901), Profielportret van Vincent van Gogh, 1887. Krijt op papier ( Van Gogh Museum )

Hoewel veel andere portretten zeer de moeite waard zijn, beperk ik me hier nog tot één mansportret, waarna ik de focus zal richten op enkele vrouwelijke kunstenaars.

Frederic Bazilles portret van Pierre-Auguste Renoir wil ik u echter niet onthouden. Beide schilders hadden elkaar in het atelier van de gerenommeerde meester Gleyre leren kennen, bij wie ook Claude Monet in de leer was.

Frédéric Bazille, Pierre Auguste Renoir, 1887, Musée d’Orsay, Parijs in bruikleen aan Musée Fabre, Montpellier

In een heel ongemakkelijke houding poseert Renoir (1841-1919); zijn knieën opgetrokken, de voeten op de zitting van de stoel! Een vriendenportret in een volstrekt unieke houding. De onderkant van zijn schoenzolen zijn zelfs zichtbaar. Zomaar een snapshot, een geintje. Ook Renoir maakte een portret van zijn vriend aan het werk in zijn atelier, maar dat is veel traditioneler en alleen als steunafbeelding in de catalogus te zien. Bij het zien van dit originele werk vraag ik me af wat er nog meer uit de handen van Bazille had kunnen komen.  Anders dan Monet, die de wijk nam naar Londen meldde Bazille zich als vrijwilliger en sneuvelde in 1870 tijdens de Frans Duitse oorlog.

We verlaten het mannenbolwerk en openen het vizier op de vrouwelijke collega’s. Bij hen geen voorbeelden van letterlijk op Van Gogh geïnspireerd werk. Allen hebben zich wel zelfbewust, al dan niet herkenbaar als kunstenaar, in beeld gebracht.

Ook al is zij niet met eigen werk vertegenwoordigd, toch verdient het portret van één van hen speciale vermelding: Anna Bloch (1848-1936). Theo van Rijsselberghe (1862-1926) bracht haar gekleed in een keurige japon mèt palet in beeld. Haar uiterlijk verraadt dit niet maar zij was in meerdere opzichten bijzonder. Zij was de enige vrouw in het progressieve schilderscollectief Les XX, waar ook James Ensor en Jan Toorop lid van waren. Ook zij zijn in deze expositie aanwezig.

Anna Bloch was bovendien in 1890 de eerste -en tijdens zijn leven enige- koper van Vincents werk: De Rode Wijngaard, waar ze 400 fr voor betaalde. 

Theo van Rysselbeghe, Anna Bloch, 1892,Michele and Donals D’Amour Museum of Fine Arts, Springfield Museums, The J.Philip Gray Collection

In de eerste zaal hangt het portret van nog een schilderende dame, maar dat moet je wel weten. In Sir John Everett Millais’ (1829-1896) beeltenis van de chique geklede Louise Jane Jopling (1843-1933) wijst niets op haar beroep als succesvol schilder. Bij Richard Taylor Fine Art vond ik wel een zelfportret uit 1875 in die hoedanigheid, dat voor £ 20.000 wordt aangeboden.Wat je wel aan Millais portret kunt aflezen -een portret zegt inderdaad meer dan je zou denken- is haar zelfverzekerde, tikkeltje hooghartige blik. Als voorvechtster van vrouwenkiesrecht was ze inderdaad een krachtdadig type en in 1887 richtte ze ook de Jopling School of Painting voor vrouwen op.      

1.Sir John Everett Millais, Portret van Louise Jane Jopling, 1879. National Portrait Gallery, Londen.

2. Louise Jane Jopling, zelfportret, Richard Taylor Fine Art, Londen

Minstens zo zelfverzekerd blikt Helene Schjerfbeck (1862-1946) de toeschouwer aan. Hoewel ze het naar eigen zeggen helemaal niet prettig vond om zichzelf te zien, koos Schjerfbeck haar spiegelbeeld regelmatig tot onderwerp. Dit resulteerde in een reeks, soms onbarmhartige portretten, waarin haar artistieke ontwikkeling zich als in een stripverhaal ontvouwt. Een groots overzicht van haar werk was in 2007 te zien in het -toen nog- Gemeentemuseum, Den Haag. Als je niet beter wist zou de rode pot met ‘pollepel’ de suggestie kunnen wekken dat we met een keukenprinses van doen hebben. Het is echter geen pan pompoensoep, maar het is een pot thinner met kwasten! Met haar eenvoudige, doch indringende in pasteltinten geschilderde composities, is Schjerfbeck een originele eenling. Interessant te bedenken dat ook zij, evenals de meeste van haar mannelijke collega’s, academische geschoold is. Wellicht herinnert u zich de bijna beter dan het origineel van Frans Hals geschilderde kopie van een mansportret, dat ik tijdens mijn lezing over Frans Hals en de Modernen liet zien.

Helene Schjerfbeck, Zelfportret, zwarte achtergrond, 1915, Finnish National Gallery, Ateneum Art Museum, Helsinki, The Hallonblad Collection. Photo: Finnish National Gallery / Hannu Aaltonen

Aan haar zelfportret is Paula Modersohn-Becker (1876-1907) helemaal niet als kunstenaar herkenbaar. Het vorm- en kleurgebruik in dit gestileerde zelfbeeld doet enigszins denken aan dat van Modigliani. De indringende beeltenis roept ook associaties op met mummieportretten van de oude Egyptenaren. Voor wie een goed gelijkende beeltenis van essentieel belang was. Door het dodenportret kon de ziel het lichaam van de overledene terugvinden. Lezing leert dat antieke kunst inderdaad een belangrijke inspiratiebron voor Modersohn was.

Door de manier waarop zij de lege ogen zonder iris weergaf, krijgt het portret een afstandelijk, vervreemdend karakter. Met het krappe beeldvlak komt het portret, neergezet tegen een monochrome achtergrond, tegelijkertijd indringend over. De grote eenvoud die Modersohn naar eigen zeggen nastreeft, kenmerkt ook de eveneens heel eigen stijl van Charly Toorop (1891-1955).

 1.Paula Modersohn-Becker, Zelfportret met barnstenen ketting, ca. 1905. Paula Modersohn-Becker-Stiftung, Bremen.  

2. Mummieportret van een vrouw, ca. 169-180 n. Chr. Parijs, Musee du Louvre   

Voorafgaand aan het schilderwerk onderwierp de getalenteerde dochter van Jan Toorop zich aan een genadeloos zelfonderzoek. Daarna koos zij enkele essentiële gelaatstrekken om deze in gestileerde vorm zonder emotie in een sterk vereenvoudigd palet in beeld te brengen. Daarbij paste ze een geraffineerde licht-donkerwerking toe. De hoekige, geometrische vormen verraden invloed van het kubisme dat in die tijd in opkomst was. Net als je denkt met een ‘gewoon’ portret te maken te hebben, valt je oog op nog net zichtbaar links, een palet met penselen!

Charley Toorop, Zelfportret, 1922, Kunstmuseum Den Haag

Anders dan de voorgaande dames presenteert Mina Carlson (1857-1943) zich als een echte ambachtsvrouw. Staand in haar grauwe schilderkiel, waarin ze alle kleurtjes van haar palet verstopte, kijkt ze even op van haar werk. Wat ze schildert is helaas aan ons blikveld onttrokken. Wel zichtbaar zijn haar met verf besmeurde handen en, geestig opgemerkt in de catalogus, haar rode neus- verwijzend naar de temperatuur op de atelierzolder. Het dakraam biedt, naast een toefje klimop, uitzicht op de daken en schoorstenen van Parijs, waar ze van 1883 tot 1887 in-between-marriages zo te zien gelukkig was.

Mina-Carlson-Bredberg, Zelfportret, 1889, Prins Eugens Waldemarsudde, Stockholm

Haar ontberingen werden in 1893 beloond met exposities in het Paleis voor Schone kunsten en op de World’s Columbian Exposition in Chicago.

Als gehuwde vrouw kwam ze niet meer aan schilderen toe maar na de dood van haar tweede man haalde ze haar schade in.

Na het overlijden van haar echtgenoot raakte Thérèse Schwartze (1851-1918), daarentegen geen penseel meer aan. Dat hoefde ook niet. In 1889 won ze op de Wereldtentoonstelling in Parijs een belangrijke prijs, waarna zij erkenning genoot als ‘de koningin der Nederlandsche schilderkunst’. Het bekroonde, zeer originele zelfportret is nu in Amsterdam te zien. Aan haar presentatie als kunstenaar heeft ze haar handen letterlijk en figuurlijk vol. In het gebaar van de linkerhand boven haar turende blik, herkenden connaisseurs ongetwijfeld een citaat uit het beroemde zelfportret dat Sir Joshua Reynolds enkele decennia eerder schilderde.

Wie (ooit nog) de kans krijgt om in het voetspoor van de Medici via de eertijds ‘geheime’ Corridoio Vasariano van het Palazzo Vecchio naar het Palazzo Pitti te wandelen ziet het portret, dat Schwartze op verzoek voor deze beroemde portretgalerij maakte. Voorlopig is dit, evenals een bezoek aan de hier besproken tentoonstelling onmogelijk. Er is echter goed nieuws: sinds kort kunt u een virtueel bezoek aan het Van Gogh museum brengen.    

Therese Schwartze, zelfportret, 1888, Uffizi Florence

Schwartze had niet veel op met het kleurrijke palet van de Franse impressionisten ‘met hun wirwar van kleuren en vormen’, maar hier en daar hanteert ze wel een vluchtige, losse penseelstreek. Dezelfde toets die zij en de impressionisten bewonderden in het werk van Frans Hals.

Het portret van de Franse impressioniste, Berthe Morisot (1841-1895)  zou Thérèse Schwarze, wegens die slordig geplaatste kleurig toetsen vast niet hebben bekoord. Het werk heeft door de snelle schetsmatige toets schwung; haar rechterhand lijkt wel te bewegen. Waarmee het schilderij voor het impressionisme nog meer exemplarisch is dan het werk van alle mannelijke vertegenwoordigers van deze stijl bij elkaar.

Tegenwoordig wordt zo’n eerste artistieke ingeving hogelijk gewaardeerd, maar destijds werd soortgelijk werk gekritiseerd als zijnde onvoltooid. Morisot stopte het zelfportret weg. Pas na haar dood kwam het weer uit de kast.   

Berthe Morisot, Zelfportret, 1885, Musee Marmottan.

Met haar zelfbewuste presentatie gaat de Engelse Emily Childers (1866-1922) tenslotte nog een stapje verder dan Thérèse Schwartze. Vanuit de hoogte kijkt zij neer op de beschouwer, alsof ze zeggen wil: … ik ben schilder,…so what’…!

Ze plaatste haar portret tegen een ongedefinieerde ‘zeventiende eeuwse’ achtergrond, met een (als aureool bedoelde?) lichtvlek. Knap gaf zij haar palet in het verkort weer.

Dit portret is echt een statement. Vrouwen werden tot voor kort niet toegelaten in de door mannen beheerste academies, kunstopleidingen en expositiezalen. In deze tentoonstelling heeft zij mooi op kleur, haar welverdiende plek gevonden tussen haar beroemde mannelijke collega’s. 

Emily (Milly) Childers, ‘Zelfportret’, Leeds Museums and Galleries. Schenking van Emmeline Dean, 1937.

Link: Van Gogh Museum, In the Picture