Sprezzatura: vijftig jaar Italiaanse schilderkunst (1860-1920) tot en met 3 november in het Drents Museum

Drents Museum.Tentoonstelling Sprezzatura zaalimpressie Foto : Drents Museum / Sake Elzinga

Op naar het nieuwe Italië!
Sprezzatura; de voor ons onuitspreekbare titel van de nieuwe tentoonstelling in Assen wordt tijdens de voorbezichtiging toegelicht. Schilderen met sprezzatura wil zeggen met bravoure en nonchalant gemak. 
De titel is ontleend aan Baldassare Castiglione’s etiquetteboek Il Cortegiano. Het Hoe hoort het eigenlijk van de 16e eeuw met aanwijzingen om je met (ogenschijnlijk) gemak in hogere kringen te bewegen. Hier wordt de term toegesneden op de kunstenaars die in de periode van de Risorgimento, het streven naar Italiaanse eenwording, hun werk met bravoure en gemak neerzetten. De expositie begint met het jaar van de Italiaanse eenwording, die na diverse opstanden en vrijheidsoorlogen in 1861 een feit was. 

Althans op papier:…’Italië is gemaakt, nu de Italianen nog’.. aldus politicus en schilder Massimo d’Azeglio in datzelfde jaar. Aan de pogingen van de overheid om een nationaal gevoel te creëren herinneren tot de huidige dag de namen van pleinen en straten: Cavour en Garibaldi. Deze voorvechters van de eenwording figureren in verschillende schilderijen. In een monumentaal doek getiteld De stem voor Annexatie van de Abruzzen, bracht Enrico Gamba het enthousiasme van het eerste uur in beeld.

Enrico Gamba, De stem voor Annexatie van de Abruzzen, 1861Museo di Nervi, Genova

Ter bevordering van het nationale gevoel van Italianità werden in 1861 in Florence en sindsdien steeds in andere steden, speciale kunsttentoonstellingen georganiseerd. Desondanks is de verdeeldheid gebleven. Tot de huidige dag.

De tentoonstelling, samengesteld door conservator Willemijn Lindenhovius en haar Italiaanse collega Giovanna Ginex, biedt de bezoeker een artistieke reis langs alle delen van Italië. De bezoeker ziet realistisch en veelal sociaal geëngageerd werk. Zoals Patini’s op monumentaal formaat geschilderde L’erede; een aanklacht tegen de erbarmelijke omstandigheden van de arme boeren in het zuiden. Naast het pontificaal in verkort weergegeven lichaam van een dode boer -zijn vieze voeten doen aan Caravaggio denken- ligt diens weerloze erfgenaam, wiens toekomst er niet rooskleurig uitziet.

Teofilo Patini, L’erede (de erfgenaam)1880, Galleria Nazionale d’Arte Moderna e Contemporanea, Roma

Andere kunstenaars ontvluchtten de vaak harde werkelijkheid in symbolistisch, spiritueel en romantisch getint werk, geïnspireerd door de wereld van de droom en de idylle.

Interessant is de cultuurhistorische context. In deze tentoonstelling komt de bezoeker veel te weten over de sociale geschiedenis, literatuur en muziek in die dagen. Zo wordt Giuseppe Verdi genoemd als sympathisant en zelfs promotor van Italiaanse eenheid voor het land dat eeuwenlang onder Franse respectievelijk Oostenrijkse heerschappij had gestaan. In het beroemde Slavenkoor uit de opera Nabucco, ook wel het officieuze volkslied van Italië genoemd, hoorde het publiek Verdi’s roep om de eenwording van Italië. Zijn naam als acronym genoteerd, werd zelfs gebruikt als verkapte slogan voor de kroning van de koning van Sardinië, Vittore Emanuele, tot koning van het nieuwe Italië: Viva V.E.R.D.I., verwijzend naar Vittore Emmanuele Re d’Italia.

In de expositie maakt de bezoeker kennis met nieuwe Italiaanse kunststromingen. Zoals de Italiaanse vorm van het pointillisme: het Divisionisme en werk van de zogenoemde Macchiaioli: de ‘vlekkenschilders’, een variant van het impressionisme. En werk van de Scapigliati, de ‘gehavenden’. Zonder achtergrond schilderden zij beeldvullende figuren met vage contouren. Deze enigszins omfloerste stijl is mooi te zien in Tranquillo Cremona’s doek Aantrekkingskracht met twee close-up geschilderde geliefden, neergezet in een atmosferische setting;… ‘dipinto con respiro’ …verduidelijkt Giovanna Ginex.

Tranquillo Cremona, Attrazione (Aantrekkingskracht) 1874, Galleria d’Arte Moderna, Milano

De tentoongestelde werken weerspiegelen niet alleen de politieke strijd en sociale omstandigheden, maar bevatten ook enkele verwijzingen naar eigentijdse literatuur. Zoals het werk van één van de ‘macchiaoli’, Silvestro Lega, De Verloofden dat associaties oproept met Alessandro Manzoni’s roman I promessi sposi uit 1842. Het favoriete boek van Paus Pius IX. Het is meer dan dat, licht Ginex toe als ik deze gedachte uitspreek. Uit de talrijke Italiaanse dialecten koos Manzoni voor het Florentijns, dat destijds gold als het  ‘ABN’ van de Italiaanse taal. Aldus werd Manzoni’s roman ook op taalkundig gebied een bindmiddel.

Het verhaal speelt in de 17e eeuw ten tijde van de Spaanse overheersing. Toen Manzoni het boek schreef waren de Oostenrijkse Habsburgers aan de macht. Wegens deze parallel met de eigen tijd kreeg het boek ook een politieke lading.

Silvestro Lega, De verloofden, 1869 © Museo Nazionale della Scienza e della Tecnologia Leonardo da Vinci, Milano

Met Sprezzatura presenteert het Drents Museum de derde expositie in een reeks met minder bekende realistische schilders, waarin de Russische Peredvishniki en de Glasgow Boys voorgingen. De tentoonstelling maakt duidelijk dat de Italiaanse kunstgeschiedenis meer is dan een erfenis van het Oude Rome en de Renaissance. Met werk van kunstenaars uit heel Italië worden de artistieke ontwikkelingen van de tweede helft van de 19e eeuw in beeld gebracht. Allen komen voort uit locale artistieke tradities.

Drents Museum. Tentoonstelling Sprezzatura zaalimpressie . Foto : Drents Museum / Sake Elzinga

De op Romeinse bogen geïnspireerde- en in mediterrane kleuren geschilderde setting  is van Studio Berry Slok. Het visuele verhaal begint met realistische schilderkunst. Verschillende werken zijn sterk verbonden met maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Het is een tijd van grote idealen èn maatschappelijke onrust. Het Noorden stond, dankzij de industrialisatie in het teken van de vooruitgang. In het mezzogiorno, de streken bezuiden Rome, werden de leef- en arbeidsomstandigheden van de massa beheerst door voedselschaarste, epidemieën en de dood. De dagelijkse realiteit van de paupers wordt onder andere geïllustreerd met Giulio Aristide Sartorio’s, Malaria en Het dode Kindje van Paolo Michetti, dat qua onderwerp en sfeer doet denken aan Jozelf Israëls Naar moeders graf uit de Mesdag collectie. Deze overeenkomst is vast niet toevallig.

Paolo Michelletti, Il Mortillo, het dode kindje, 1884. Galleria d’Arte Moderna ‘Ricci Oddi’, Piacenza

Er bestonden contacten tussen kunstenaars van de Haagse School en enkele Italianen. Hendrik Willem Mesdag had oog voor de vernieuwingen van Antonio Mancini (1852-1930). Hij betaalde hem in 1885 een voorschot van 2500 Franse Francs voor een reeks naar eigen inzicht te maken schilderijen. Daarna bleef hij Mancini nog jarenlang financieel steunen; deze verbintenis resulteerde in ca. 150 schilderijen. De Haagse Mesdag Collectie telt nog vijftien Mancini’s, waaronder het doek In gedachten verzonken uit 1885. Qua onderwerp en uitvoering vergelijkbaar met Mancini’s Dienstmeisje, dat in Assen te zien is. Met bravoure, con sprezzatura, portretteerde Mancini zijn nichtje Agrippina. Toverend met kleur, sfeervol neergezet in grove penseeltoetsen. Hier en daar smeerde Mancini de verf op Rembrandteske wijze uit met zijn paletmes.

Antonio Mancini, Servetta (dienstmeisje), 1889, Pinacoteca Metropolitana ‘Corrado Giaquinto’, Bari

Mesdag was zodanig over deze ‘geniale gek’ te spreken dat hij als directeur van Pulchri Studio zelfs twee tentoonstellingen met Mancini’s werk organiseerde. Aandoenlijk is het portret van een schooljongen, de blik vertwijfeld gericht op een schier onoverkomelijke stapel huiswerk, getiteld Aan de studie van ca. 1875. Een autobiografische herinnering aan Mancini’s armoedige jeugd in Napels. Zwervend van de ene naar de andere katholieke instelling, maakte hij niet eens zijn lagere school af. Het werk doet denken aan een andere scholier. Rembrandts portret van Titus aan de lessenaar, in museum Boijmans. Zowel qua sfeer, compositie als techniek. In beide werken kijkt de bezoeker aan tegen het hout van de prominent in de voorgrond geplaatste tafel.

Antonio Mancini, Lo Studio (Aan de studie) ca. 1875, Galleria Nazionale d’Arte Moderna e Contemporanea, Roma

In Mancini’s Zelfportret van een een gek, met een omgekeerde fruitmand als hoofddeksel, herkennen we een mentale geestverwant van Vincent van Gogh. Mancini werd van kindsbeen af gekweld door heftige gevoelens van twijfel en minderwaardigheid. Nadat hij in 1878 was ingestort belandde hij in het provinciale dolhuis, het manicomio van Napels. Anders dan Van Gogh, wist Mancini steeds weer uit het dal van zijn depressies omhoog te komen. Hij slaagde erin om zijn gekte om te zetten in prachtig werk, waarvoor hij al tijdens zijn leven erkenning genoot. In 1920 kreeg hij een eigen tentoonstelling op de Biënnale van Venetië.

Antonio Mancini, Autoritratto del folle (zelfportret van de gek), Galleria d’ Arte Moderna e Contemporanea, Roma

Na deze mini-special over Mancini terug naar de tentoonstelling. Evenals elders in Europa is de wereldwijde economische crisis van het fin de siècle ook voelbaar in Italië. Toma, Zandomeneghi, Patini, Longoni en Morbelli maken sociaal geëngageerd werk. Daarvoor hanteren zij de techniek van het divisionisme, waarin Grubicy het voortouw had genomen. Ook Previati en Segantini pasten deze stijl toe in Previati’s op monumentaal formaat geschilderde symbolistische  Moederschap en Segantini’s Vrouw bij de Bron.

Giovanni Segantini, Donna alla Fonte (vrouw bij de bron), Kunst Museum Winterthur, Stifftung Oskar Reinhart

Tussen de Italianen vormt Lorenzo Delleani een vreemde eend in de bijt. In 1874 publiceerde Edmondo de Amicis een reisverslag over Olanda; waarin het waterland als een soort Utopia uit de verf kwam. Lorenzo Delleani pakte enthousiast zijn koffer. Betoverd door het nog niet door de moderne tijd bedorven Hollandse landschap nam hij het penseel ter hand. Ook raakte hij in de ban van de schilders van de Gouden Eeuw, die hij in de voor publiek opengestelde collecties in Den Haag en Amsterdam zag. Zijn fascinatie voor Holland vond zijn weerslag in Gezicht op Den Haag, dat voor deze tentoonstelling het depot van Museo Revoltella in Trieste heeft verlaten. In één impressie, weergegeven onder een hoge, typisch Hollandse wolkenlucht, verenigt Delleani het oude en nieuwe Nederland. De trekschuit in de voorgrond en de rookpluim van de hypermoderne stoomtrein centraal in de achtergrond, of is dit gezichtsbedrog?

Lorenzo Delleani, Veduta dell’Aja (Gezicht op Den Haag),1885.Museo Revoltella, Trieste

In Giuseppe de Nittis doek Passa il treno uit 1878 geen twijfel over het onderwerp. Geschilderd in een stijl die zijn kennismaking met werk van Corot en Daubigny en wellicht Gabriel verraadt.

De Italiaanse kunstenaars, elk met hun specifieke locale scholing, laveerden in deze periode tussen dromen over een mooie gemeenschappelijk toekomst en de vaak harde dagelijkse werkelijkheid. De Venetianen blonken van oudsher uit in meesterlijk getoonzette stadgezichten, zoals mooi verbeeld in Giacomo Favretto’s sprankelende, impressionistische Balkon van het Palazzo Ducale, 1880-81.

Giacome Favretto, Balcone dell Palazzo Ducale, 1880 – 1881, Collezione Fondazione Internazionale Balzan, Badia Polesine

De schilders uit de zuidelijke streken legden zich, zoals we zagen, vooral toe op sociaalrealistische onderwerpen. In Milaan bestond een lange traditie van historieschilderkunst. De reeds genoemde Scapigliati gooien de academische regels overboord, evenals de Macchiaoli. Tijdens samenkomsten in hun stamkroeg, Caffè Michelangiolo, wisselen zij hun artistieke ideeën uit. Met hun vlekkerige schilderstijl verzetten deze jonge idealisten, die dan nog geloven in het nieuwe Italië, zich tegen de heersende regels. Kijkend door hun oogharen, zetten zij de door hen waargenomen werkelijkheid in verschillende kleurvlakken naast elkaar, zònder de door de academie gedicteerde subtiele kleurovergangen. In navolging van de School van Barbizon, de Franse realisten en de impressionisten trekken ook zij erop uit in de natuur, zoals te zien in Signorini’s verstilde alledaagse impressie van een figuurtje op een zonovergoten bruggetje.

Telemaco Signorini, Brug over de Affrico in Piagentina, 1872-73, Galleria d’Arte Moderna di Palazzo Pitti, Firenze

Met het verlaten van de academische regels, komt ook het landschap als zelfstandig genre op. Mooi voorbeeld in Antonio Fontanesi’s monumentale doek dat hij de titel Le Nubi meegaf, De Wolken.

Met dit werk oogstte Fontanesi op de Esposizione Nazionale in 1880 voornamelijk kritiek. Wat was dit nu voor een onderwerp? Een onherkenbaar landschap geschilderd op een belachelijk formaat?

Dat de beschouwers de weergegeven locatie niet herkenden klopt. Uitgaande van voorstudies componeerde Fontanesi dit landschap in zijn atelier. Evenals Mancini bracht ook hij de verf pasteus in grove toetsen aan, hier en daar bewerkt met paletmes en schraper, resulterend in een fascinerend spel van licht en schaduw. Een wijds landschap met een verre kerktoren onder een indrukwekkende wolkenlucht en wat landvolk in de voorgrond. Bij het zien van dit doek was mijn eerste reactie: Fontanesi moet het werk van Constable en Turner gezien hebben.

Antonio Fontanesi, Le nubi (de wolken), 1880, Galleria Civica d’Arte Moderne e Contemporanea, Torino (n.b. 300 x 200 cm)

Zou goed kunnen dacht ik. Turner reisde twee maal naar Italië. Hij had in 1828 zelfs een tentoonstelling in Rome, maar Fontanesi was toen nog een kind. Turners invloed moet dus langs andere wegen tot hem zijn gekomen of zouden de overeenkomsten tussen hun beider werk berusten op louter coïncidentie of is hier sprake van synchroniciteit?

Licht en lucht zijn in Filippo Palizzi’s Fanciulla sulla roccia a Sorrento, eveneens prominent aanwezig. Het beeld van deze zuid-Italiaanse Cinderella, blootsvoets als het fiere boegbeeld van een schip, associeer ik met gevoelens van immense vrijheid. Als één van de oprichters van de Societa Promotrice di Belle Arti, was Pallizzi voorvechter van een anti-academische schilderkunst. Bij hem werd het landschap, dat voorheen als een onbenullig onderwerp werd beschouwd, een zelfstandig thema. Pallizzi droeg het werk, getuige de signatuur links onder, op aan collega schilder Felice de Lapommeray.

Filippo Palizzi, Meisje op een rots in Sorrento, 1871 © Collezione Fondazione Internazionale Balzan, Badia Polesine

Ook anderen kiezen voor het landschap. Filippo Carcano bracht vooral berglandschappen in beeld, zoals in het doek de Pre alpen bij Bergamo. Guglielmo Ciardi koos het zonovergoten landschap van de Veneto. Zijn monumentale doek Gouden Korenaren roept herinneringen op aan Bertolucci’s eveneens monumentaal verfilmde epos over het Italië van het fin de siècle: Novecento. Waarin het opkomend fascisme wordt geschetst aan de hand van de uiteenlopende levens van twee jeugdvrienden.

Guglielmo Ciardi, Messidoro (gouden korenaren) ca.1883, Galleria Nazionale d’Arte Moderne e Contemporanea, Roma

Verschillende Italiaanse kunstenaars reisden indertijd naar Parijs. Kunsthandelaar Adolphe Goupil toont interesse, maar de Italianen moeten hun werk wel een beetje aanpassen aan de Franse smaak. Zo hebben Franse invloeden hun weg gevonden in werk van Vittorio Matteo Corcos, Giovanni Segantini en vooral in Federico Zandomeneghi’s In Bed, getuige de licht-schaduwwerking, ongebruikelijke invalshoeken en afsnijdingen.

Federico Zandomeneghi, Fanciulla dormiente/ a Letto (In bed) , 1878, Gallerie degli Uffizi, Galleria d’arte moderna di Palazzo Pitti, Firenze. © Dipartimento fotografico delle Gallerie degli Uffizi
Emilio Longoni, Riflessioni di un affamato, 1894, Museo del Territorio Biellese, Biella

Zoals we zagen legden verschillende kunstenaars de erbarmelijke leefomstandigheden in soms larmoyante scènes vast. Soms met een sociale aanklacht of politieke boodschap. Zoals in Emilio Longoni’s in Affamato uit 1894. waarbij een hongerige pauper watertandend bij een restaurant naar binnen kijkt. Deze revolutionaire onderwerpen vielen bij de overheid verkeerd. Het werk van Longoni en Nomellini werd gecensureerd. Wegens de opruiende toon in zijn Piazza Caricamento met impressie van twee woeste havenarbeiders, belandde Nomellini zelfs achter de tralies.

Plinio Normellini, Piazza Caricamento, 1891, Pinacoteca Fondazione C.R. Tortona, Tortona

Door de repressie doen veel kunstenaars een stap terug. Zij volgen vanaf 1890 meer hun gevoel. Dit resulteert in persoonlijke en huiselijke onderwerpen, symbolische soms wat melodramatische scènes, met tijdloze thema’s als leven en dood. De romantiek herleeft of leeft voort in het late werk van Segantini, Previati en Longoni. Hun indrukwekkende voorstellingen van het hooggebergte, waarin zij de mystieke oerkracht van de natuur verbeelden, bereikt bij Vittore Grubicy een absoluut hoogtepunt. Previati verheerlijkt in deze fase ook die andere oerkracht: het moederschap, zoals in het antroposofisch aandoende doek Maternita, uit 1891.

Na aanvankelijk optimisme, wordt de hoop op een gezamenlijke Italiaanse toekomst getemperd. Dit wordt in 1893 treffend verwoord door de dichter Gabriele D’Annunzio: … ‘de wetenschap is niet in staat om de verlaten hemel opnieuw te bevolken om geluk te brengen aan de zielen waarvan ze de naïeve rust heeft vernietigd’…

Schrijvers, musici en schilders vluchten rond 1900 in een symbolische of idyllische droomwereld gevoed door het (eigen) gevoelsleven. In de laatste zalen worden deze werken getoond. Zoals nocturnes van de leden van In Arte Libertas en het spiritueel geladen drieluik van Giuseppe Pellizza.

Plinio Nomellini, Leren lezen, 1906, Galleria d’Arte Moderna, Milano © Umberto Armiraglio

Ook Plinio Nomellini leek met zijn Symfonie van de maan uit 1899 even bekeerd tot het symbolisme, maar rond 1906 keert hij met Leren Lezen terug naar een poëtische, vrolijke vorm van op Theo van Rijsselberghe lijkend impressionisme. In 1907 richt Nomellini op de Biennale van Venetië  zelfs een hele zaal in met de Kunst van de Droom.

De expositie eindigt met werken waarin een nieuwe periode wordt aangekondigd. Met het monumentale drieluik Begrafenis van een Maagd, heeft Previati rond 1912 de werkelijkheid al losgelaten.

Dit gebrek aan vorm valt bij Umberto Boccioni in de smaak. Als slotakkoord van een epoque en startpunt van volgende episode in de moderne Italiaanse kunst, zijn hier nog enkele divisionistische werken van Giacomo Balla en Boccioni te zien, zoals Boccioni’s Portret van een beeldhouwer uit 1907; een in kleine toetsjes neergezette explosie van kleur.

Umberto Boccioni, Ritratto di Scultore (portret van een beeldhouwer), 1907, Patrimonio Artistico del Gruppo Unipol, Bplogna/Firenze

In deze werken van Balla en Boccioni is de wervelende, snel bewegende futuristische stijl,  waarmee zij de geschiedenis zijn ingegaan, nog niet zichtbaar. Misschien iets voor een toekomstige tentoonstelling in Assen?                                                                                                        

Eerst krijgen we Frida Kahlo, over wie het Drents Museum in het voorjaar van 2020 in samenwerking met Casa Kahlo in Mexico-stad een grote expositie zal wijden.

Boek bij de tentoonstelling:

Willemijn Lindenhovius e.a. Sprezzatura, vijftig jaar Italiaanse schilderkunst 1860 – 1910, Wbooks Zwolle / Drents Museum Assen, 2019

Link: Drents Museum Sprezzatura

Iran, bakermat van de beschaving. Tentoonstelling Drents Museum Assen, tot en met 18 november 2018.

 

Poster Drents Museum

De rijke literaire en archeologische geschiedenis van het voor ons relatief onbekende Iran wordt in Assen aanschouwelijk gemaakt met cultuurschatten uit steden met exotische namen. Shiraz, Persepolis, Susa, Bisotun, Babaja en Isfahaan. Bij deze laatste herinner ik mij een gedicht van de middelbare school:

De Tuinman en de Dood.
(…) Vanmorgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik,
Mijn woning in: ‘Heer, een ogenblik!

 Ginds in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood….
Meester uw paard, en laat mij spoorslags gaan,

Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!

Wanneer de edelman de dood vraagt waarom hij zijn tuinman aan het schrikken maakte antwoordt deze, dat hij verrast was door de aanblik van de nog rustig werkende tuinman, die hij ’s avonds moest halen in Isfahaan…

De dichter Pieter Nicolaas van Eyck (1887-1954) vond zijn inspiratie in oude Joodse en Perzische literaire bronnen. Het thema van een voor de dood vluchtend slachtoffer wordt door verschillende islamitische soefi’s beschreven.    Poëzie heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in Perzië. De dichter Hafez wordt bijvoorbeeld ruim 600 jaar na dato vereerd als dè dichter des vaderlands. Naar verluidt kan elke Iraniër wel een strofe uit zijn gedichten reciteren. Zelf kon Hafez, die voluit Kwajeh Shams Al-din Muhannad Hafez-e Shiraz heette, reciteren als de beste. Vandaar zijn bijnaam: Hafez betekent letterlijk: hij die de Koran van buiten kent. Maar nu loop ik op de zaken vooruit, want voor de komst van de islam is nog veel te vertellen.

Koran
Verluchte bladzijden uit zestiende eeuwse Koran uit Ardabil in Noord Iran.

De tentoonstelling leert dat Iraniërs -terecht- trots kunnen zijn op hun rijke literaire en culturele verleden. Blow-ups van foto’s van de oude koningsstad Persepolis en de rotswand in Bitoun met replica van het reliëf van koning Darius vormen een indrukwekkend decor. Met boogvensters in kleurrijk glas-in-lood en zitkubussen bekleed met Perzisch tapijt, wordt een sprookjesachtige sfeer van duizend-en-één-nacht gecreëerd. In video’s vertellen in Nederland woonachtige Iraniërs over hun leven en werk.

De tentoonstelling Iran, bakermat van de beschaving begint zo’n 6000 jaar v.Chr. met voorwerpen uit het neolithicum: vuistbijlen, primitieve werktuigen, gebruiksvoorwerpen, ceramische objecten met gestileerde mens- en dierfiguren en zelfs een uit een bot gesneden fluit. Wanneer deze bespeeld werd gingen de voetjes van de vloer, zoals te zien in een kom van ca 4800 v. Chr.

Aardewerken kom
Aardewerken kom uit Chogha Sabz 4800 v.Chr. Nationaal Museum Iran

Aardewerken kom
Aardewerken kom uit Toll-e Gap 4800 – 4600 v.Chr. Nationaal Museum Iran

De evolutie van het menselijk kunnen wordt geïllustreerd met koperen, bronzen, ijzeren, zilveren en gouden objecten.

In een interview zwakt een conservator van het Nationaal Museum van Teheran de prestigieuze subtitel van de Drentse expositie met een lachje wat af… Die bakermat lag in zijn ogen toch iets verderop in het buurland, tussen de Eufraat en de Tigris, maar dat gebied behoorde oudtijds natuurlijk wel tot het Perzische Rijk.

Bronzen schaal Shahdad
Bronzen schaal uit grafveld in Shahdad, 2600 – 2400 v.Chr. Nationaal Museum Iran

Rond 5000 v. Chr. beginnen de vroege bewoners van het huidige Iran zich toe te leggen op landbouw en veeteelt. Het houden van geiten en schapen leidt tot een belangrijke bron van bestaan: de textielnijverheid. Op enkele ceramische kommen verwijzen de kammen naar het kaarden van de wol. Tezelfdertijd worden de mogelijkheden van koper en de legering daarvan met tin, brons en arseen ontdekt. Het laatste procédé resulteert in een mooi groen patina, zoals te zien aan de schaal met kunstig opgerolde slang. Vanaf ca. 1000 v. Chr. werd ook ijzer gewonnen.

Tussen 4000 en 3000 v. Chr. ontstaan in het zuid-westen van Iran de eerste steden, zoals Susa, in Elam, één van de toenmalige grootmachten in het Nabije Oosten. Inscripties op kleitabletten verschaffen informatie over handel in vee, graan, bronzen wapens en werktuigen met Mesopotamië, India en zelfs met China. Op vroege exemplaren worden producten en aantallen met symbolen aangeduid, waar later het zogenoemde spijkerschrift uit voortkomt.

Kleitablet
Kleitablet Tappeh Yahya, 3100-2900 v.Chr, Nationaal Museum Iran

Elamitisch spijkerschrift
Oudste document uit de geschiedenis van Iran Verdrag in oud Elamitisch spijkerschrift 2700 – 2100 v.Chr.

De naam Elam doet ver weg een belletje rinkelen. Helemaal helder heb ik het niet, maar mijn herinnering voert mij terug naar bijbelverhalen op de lagere school. Wanneer ik Elam google lees ik dat Elam de oudste zoon is van Sem, de zoon van Noach (Genesis 10: 22, Ezra 4:9). Zijn afstammelingen, de Elamieten, stichtten de stad Susa. Behalve kleitabletten wordt een reliëf met in kleermakerszit spinnende dame getoond. Een dienaar wuift haar koelte toe en de lunch staat al klaar. Haar nijvere polsen met armbanden als in de vitrines, gesierd.

Dame aan het spinnen
Reliëf, dame aan het spinnen, 700 v.Chr.

Armband van Arajan
Armband van Arjan (Elamitische beschaving), 650 v.Chr. Nationaal Museum Iran

Uit Jiroft in het oostelijk deel van Iran zijn objecten van zeepsteen te zien, zoals een fraai symmetrisch met eenhoorns versierd voorwerp dat oogt als een modieus  damestasje, maar een gewicht blijkt te zijn.

Zeepstenen gewicht
Zeepstenen object met eenhoorns, gebruikt als gewicht, 2600 – 2400 v.Chr. Nationaal Museum Iran

Veel van de getoonde voorwerpen zijn als grafgift meegegeven. De doden in deze streek vonden aanvankelijk een laatste rustplaats onder de vloer van hun huis, maar rond 1000 v.Chr. werden zij buiten het dorp begraven, vergezeld van gebruiksvoorwerpen als de aardewerk schenkkan in de vorm van een dier met gouden oorbel, en een gouden beker versierd met fabelachtige paardjes,   intrigerende modelhoofden en maskers van mannen met baarden en gouden sieraden.

 

 

Schenkkan Marlik
Aardewerken schenkkan, Marlik, 1150 – 850 v.Chr. Nationaal Museum Iran

Gouden beker Marlik
Gouden beker gevonden in Marlik, 1150 – 850 v.Chr. Nationaal Museum Iran

 

 De tentoonstelling informeert de bezoeker over de wisselende machtsverhoudingen in dit gebied. Met het aantreden van koning Cyrus de Grote (559-539 v. Chr.) komt hier een einde aan. Deze vorst, de eerste van de dynastie der Achaemeniden, geldt als de stichter van het grote Perzische Rijk. Cyrus onderwerpt Medië, Parthië, Lydië,  Babylonië, Armenië, Assyrië, Mesopotamië en Bactrië. Met respect voor de grote culturele en religieuze verschillen van zijn onderdanen, weet hij dit immense rijk te consolideren. Niet alleen in Babylonische en Griekse teksten, maar ook in het Oude Testament van de Bijbel wordt zijn lankmoedigheid geprezen. Het bijbelboek Ezra: 1: 7 noemt hem als de door God gezonden redder van het Joodse volk uit Babylonische ballingschap.

In dit uitgebreide rijk werd volop handel gedreven. Met de handelskaravanen reisden behalve materiële zaken ook filosofische en religieuze ideeën mee. Zo kwam koning Cyrus de Grote in aanraking met het Zoroastrisme, de eerste monotheïstische godsdienst. Deze leer werd tussen 1000-600 v. Chr. door de oppergod Ahuramazda geopenbaard aan de herder Zarathustra. Eeuwen later wist Zarathustra Friedrich Nietsche (1885), Richard Strauss (1896) en Deodato (1973) nog te inspireren. Evenals in latere wereldgodsdiensten speelt de strijd tussen goed en kwaad een voorname rol in het Zoroastrisme. De mens kan op het juiste pad blijven door vast te houden aan 3 principes: goede gedachten, goede woorden en goede daden. Leefregels die ook het boeddhisme en een christelijke levenswandel zouden gaan bepalen.

Koning Cyrus adopteert het Zoroastrisme als staatsgodsdienst. Ook onder zijn opvolgers bleef Zarathustra’s leer gehandhaafd tot de islamisering rond het midden van de 7e eeuw alle andere levensovertuigingen wegvaagde. Vandaag de dag zijn alleen in India nog afstammelingen te vinden van destijds gevluchte aanhangers van dit geloof, de naar hun land van herkomst genoemde Parsi’s.

Kaartje Iran
Kaartje Iran e.o., heden

Onder Darius de Grote (522-486 v. Chr.) bereikt het rijk zijn grootste omvang. In die periode beleeft Perzië haar Gouden Eeuw. Behalve de drie hoofdsteden Ecbatana, Susa en Persepolis zijn ook Pasargadae, Sardis en Babylon van belang. Zoals de Romeinen en later de Duitsers, verbond Darius de steden onderling door verharde wegen, waarvan de koninklijke weg tussen Ecbatana en Sardis in Klein Azië een druk bereisd traject op de Zijderoute werd.

Overwinningsreliëf Darius I
Overwinningsreliëf van koning Darius I, ca. 520 v. Chr., Bisotun. Foto: Hans Avontuur

Nabij Bitoun op 70 meter hoogte goed zichtbaar voor iedere passant liet Darius de Grote een indrukwekkend propaganda reliëf aanbrengen, waarvan in de expositie een reproductie te zien is. Bekroond met het wingvormige logo van het Zoroastrisme vertrapt Darius de Grote zijn vijand Gautama. Een reeks geketende vijanden kijkt machteloos toe. Helemaal rechts staat als kabouter puntmuts de koning der Scythen uit Centraal-Azië. Dit reliëf is dè Perzische steen van Rosetta. De inscripties in drie talen zijn van onschatbaar belang voor de ontcijfering van het oud-Perzische- en Babylonische spijkerschrift.                                                          Van de Parthische en latere Sassanidische periode dateren eveneens rotsreliëfs met scènes waarin koningen een rol spelen. In een reliëf in Naqsh-e Rustam, niet ver van Persepolis, overhandigt Ahuramazda de zogenoemde ring der macht aan de eerste vorst der Sassaniden, koning Ardashir I. Onder de hoeven van zijn paard wordt, naar goed oud-Perzisch gebruik, de verslagen laatste koning der Parthen vertrapt.

Gesigten van Persepolis IV
Cornelis de Bruijn, Gesigten van Persepolis IV, 1704-1705

De ruïnes van Darius enorme ontvangsthal in Persepolis vormen de stille getuigen van zijn grandeur. In 1971 liftte de toenmalige Sjah van Perzië middels een kostbaar feest op deze historische locatie, nog even mee op Darius roem. In de volkskrant van 14 juni 2018  leest u hoe de groten der aarde, onder wie de prinsen Philip en Bernhard zich zich hier lieten fêteren. De prins gemaal van koningin Juliana was niet de eerste Nederlander die deze archeologische site bezocht. In 1704 was Cornelis de Bruin hem voorgegaan. In zijn Gesigten van Persepolis legde hij het ook toen al –door Alexander de Grote- geschonden aangezicht van de oude koningsstad vast.

Lydiërs Persepolis
Lydiërs uit West Turkije bieden geschenken aan, reliëf langs de oostelijke trap naar de audiëntiezaal van Persepolis (foto Hans Avontuur)

Rhyton Hamedan
Gouden drinkbeker (rhyton), 559 – 331 v.Chr., Hamedan, Nationaal Museum Iran

Oxus gouden armband
Gouden armband gevonden bij de rivier de Oxus in Tadzjikistan. Gelijkenis met armband op reliëf Persepolis. Nationaal Museum van Iran (Zie hier boven)

Van het tijdvak van de Achaemeniden dateren topstukken van goudsmeedkunst; fraai bewerkte  zilveren en gouden Rhytons en verfijnde gouden sieraden. Tussen de geschenken van de Lydiërs, afgebeeld langs de oostelijke trap van Darius audiëntiezaal worden soortgelijke kommen, kannen en armbanden aangedragen, als welke de bezoeker in de vitrines herkent.

Aan Alexander de Grote, die met de slag bij Gaugamela in 331 v. Chr. een einde maakte aan het imperium der Achaemeniden, worden de Iraanse conservatoren kennelijk niet graag herinnerd. Hij is, op twee korte vermeldingen na, de grote afwezige in de tentoonstelling. En dat terwijl Alexander de Grote nota bene door zijn huwelijk met Stateira (soms abusievelijk Barsine genoemd) de schoonzoon werd van de verslagen koning Darius III, wat historisch gezien toch wel vermeldenswaard is! Een soortgelijke omissie ervoer ik ooit in het Maritime Museum in Portsmouth, waar Michiel de Ruyter, bekend van diens spectaculaire tocht naar Chatham, eveneens schitterde door afwezigheid.

Een van de zaalteksten meldt slechts: ‘Na de dood van Alexander van Macedonië valt zijn grote rijk [dat Perzië had opgeslokt] uiteen’

Uit zijn gelederen komen de Seleuciden voort, die vanuit Seleucis aan de Tigris in Mesopotamië (thans Irak) de scepter zwaaiden. In enkele voorwerpen is de Hellenistische invloed, meegebracht door Alexanders legers nog herkenbaar. Zoals in de vormgeving van een bronzen beeldje van Demeter, de Griekse godin van landbouw en vruchtbaarheid.

Demeter Navahand
Godin Demeter uit Nahavand bij Hamedan 331-250 v.Chr. Nationaal Museum van Iran

Olielampje Masjed-e Solaiman
Bronzen olielampje Masjed-e Solaiman 250 v.Chr. – 224 n.Chr. Nationaal Museum van Iran

 

 

 

 

 

 

 

 

Edelman Shemi
De edelman van Shemi, Partische tijd 227 v.Chr .- 224 n.Chr. Nationaal Museum van Iran

In de kaart gespeeld door een interne strijd bij de Seleuciden komen in 141 v. Chr. de Parthen onder Mithradates in een deel van het Perzische rijk aan de macht. Van deze periode dateren munten, zilveren voorwerpen en een kostelijk olielampje in de vorm van een menselijk gezicht, met een muis als neus. Indrukwekkend is de enorme edelman van Shemi, waarvan in de expositie een replica wordt getoond.

In 224 n. Chr. nemen de Sassaniden de scepter over. Hun 400-jarige regeringsperiode is de geschiedenis in gegaan als de Perzische Renaissance (224-651). De Sassaniden heersten over een rijk dat zich uitstrekte van Transkaukasië en Centraal Azië in het noorden tot de Indus in het Oosten en de Arabische kant van de Perzische golf. In deze periode beleefde Perzië wederom een bloeiperiode. Letterlijk en figuurlijk. Land- en tuinbouw floreerden door een ingenieus ondergronds irrigatiesysteem, de zogenoemde qanats, waarvan de bezoeker in de introductiefilm beelden ziet. In deze tijd nemen handelscontacten via ‘de’ Zijderoute tussen het Middellandse Zeegebied en China toe. Met deze term wordt anders dan vaak wordt gedacht niet één weg, maar een wijdvertakt stelsel van handelswegen aangeduid, zoals te zien was in de tentoonstelling Expeditie Zijderoute in de Amsterdamse Hermitage.

Ook van de Sassanidische periode worden in Assen fraaie gebruiksvoorwerpen getoond, soms met Hellenistische naklank. Gouden sieraden en verguld zilverwerk versierd met druiventrossen en musicerende figuren verwijzend naar de geneugten des levens.

Sassanidisch zilverwerk
Zilveren schaal, Sassanidisch zilverwerk, 224 – 651 n.Chr. Nationaal Museum van Iran

Met de binnenvallende Arabieren komt in 633 aan het Sassanidische rijk eveneens een einde. Gaandeweg ontstaat een artistieke mengstijl met oosterse en westerse motieven. Een kleine 600 jaar later, in 1220 vallen de Mongolen Perzië binnen.  Onder Il-Khan, de kleinzoon van de geweldenaar Djengis Khan, wordt de met turquoise geglazuurde tegels versierde architectuur geïntroduceerd. Behalve kruis- en stervormige motieven, verschijnen in textilia, ceramiek en metaalwerk ook Chinese motieven als draken, lotusbloemen en wolkenbanden. Kannen en schalen van blauwwit porselein, turquoise en kobaltblauwe tegeltableaus en borden van zogenoemd lusterware vormen het kleurrijke sluitstuk van deze boeiende expositie. Elke periode heeft een steentje bijgedragen aan de rijke culturele erfenis van het huidige Iran. Het land waarover Thomas Erdbrink, ‘onze man in Teheran’, op dinsdag 18 september persoonlijk komt vertellen in het Drents Museum.

Link: Drents Museum Assen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

The American Dream tot en met 27 mei 2018. Drents Museum Assen & Kunsthalle Emden

 

Affiche The American Dream, 2018, Assen Emden

Het realisme vormt tegenwoordig een belangrijk hoofdstuk in de Amerikaanse kunstgeschiedenis. Progressieve kunstcritici hadden er echter in de naoorlogse jaren, toen abstracte kunst de boventoon voerde, geen oog voor. In de dubbeltentoonstelling The American Dream staat dit Amerikaans realisme centraal. De bezoeker ziet behalve schilderijen en sculpturen met alledaagse onderwerpen ook foto’s uit die tijd, zoals van de voorvechter van gelijke rechten Martin Luther King en beelden van de protestmarsen tegen de Vietnam-oorlog. Informatie via touch-screens, film- en muziekfragmenten vervolmaken de historische ervaring. Een speellijst van Spotify met ‘gouwe ouwe’ maakt deze helemaal compleet. Niet alleen interessant voor tijdgenoten, bij wie de beelden herkenning oproepen, maar ook voor wie de gebeurtenissen uit de jeugd van hun (groot)ouders slechts een ver-van-mijn-bed-show is.
In het Drents Museum ligt de nadruk op de kunst van 1945 tot 1965; de tijd waarin the American way of life ook invloedrijk was in Europa. De Kunsthalle Emden belicht de tijd daarna met beelden van de Golfoorlog, de aanslagen van 9/11 en impressies van het wapengeweld en de drugs- en aidsproblematiek in Amerika. Actueel is een met niets ontziend realisme geschetste beeltenis van Hillary Clinton en het hilarische ‘portret’ van Donald Trump!
De werken worden thematisch gepresenteerd; stadsgezichten, stillevens, landschappen en verhalende scenes.

Yvonne Jacquette, Chrysler Building Composite at Dusk, 1997, private collection NY

Het verhaal over the American Dream begint met de snel groeiende welvaart van de naoorlogse jaren. De tijd waarin iedereen zijn droom kon verwezenlijken. Zoals de wolkenkrabbers naar de hemel reikten, zo was het ook met de mogelijkheden voor hardwerkende mensen: the sky is the limit! Dat de realiteit vaak anders was wordt in deze tentoonstelling ook getoond naast politieke en maatschappelijke kwesties.

Wat ging aan dat Amerikaanse realisme vooraf?
Tijdens de na-oorlogse jaren gooiden kunstenaars van de  zogenoemde New York School het roer radicaal om. Zij bestempelden figuratieve kunst als trash en gingen over op een abstracte beeldtaal. Parijs moest haar positie als ‘culturele hoofdstad’ afstaan aan New York. Dat hiermee geen einde kwam aan figuratieve kunst bewijst deze als tweeluik gepresenteerde expositie. Terwijl Jackson Pollock en Willem de Kooning zich uitleefden in abstract expressionistisch werk gaven Edward Hopper, Alice Neel, Andrew Wyeth, Andy Warhol, Richard Estes en Robert Birmelin de zichtbare werkelijkheid van alledag weer…en hoe!

Geen nood voor wie niet in de gelegenheid is beide locaties te bezoeken: de tentoonstellingen worden in één publicatie samengebracht en in beide musea wordt een koppeling gemaakt met het partnermuseum. In Assen krijgt de bezoeker een select voorproefje van Emden en andersom. In deze impressie geef ik u -om in jargon te blijven- een medley van beide exposities die behalve visueel genoegen ook een interessante geschiedenisles bieden.

Het Amerikaans realisme kent vele gezichten. Het zogenoemde regionalisme, met -soms desolate- Amerikaanse landschappen, magisch realisme, klassiek realisme in Europese trant, fotorealisme, eclectisch postmodern realisme, popart en politieke kunst: you just name it!

Niet alle realistisch werkende kunstenaars zijn in één hokje te plaatsen. Met hun subtiele observaties van het Amerikaanse leven vormen Andrew Wyeth en Edward Hopper de verbinding tussen Assen en Emden. Hun werken ademen een sfeer van immense eenzaamheid en melancholie.

Woody van Amen,’Wrigley’, 1963, Collectie Museum Het Valkhof, Nijmegen.

De American way of life met coca cola, pop-corn en andere consumptieartikelen, waaide in de jaren ’50 en ’60 over naar Europa. In zijn uit 1963 daterende doek Wrigley prijst de Nederlandse Pop-Art kunstenaar Woody van Amen het genot van Amerikaanse kauwgom aan. De door Andy Warhol als kunst gepresenteerde schilderingen en sculpturen van eigentijdse consumptieartikelen en portretten van celebrities, zijn de geschiedenis in gegaan als popular art: Pop-Art. Sinds enige tijd bestaat ook in Europa herwaardering voor realistische kunst. In 2012 organiseerde het Nijmeegse Valkhof de tentoonstelling Pop-Art met werk van Europese vertegenwoordigers en in 2014 presenteerde het Ludwig Museum de expositie Ludwig Goes Pop met Europese en Amerikaanse realisten. En in Museum More in Gorssel is onlangs de tentoonstelling de Serene Blik met Nederlandse realisten geopend.

De expositie in Assen is ingericht op het denkbeeldige stratenplan van Manhattan. Langs de hoofdas, Broadway, ziet de bezoeker een tijdlijn van 1945 tot 1965 met foto’s, krantenknipsels en filmbeelden van de woelige naoorlogse jaren. Op één van de Avenues sla ik niets vermoedend de hoek om en struikel bijna over een haveloze zwerfster, die hier in New York de weg is kwijtgeraakt. Precies dit effect had Duane Hanson met zijn sculptuur van een Derelict Woman uit 1973 voor ogen. Het beeld van een seksegenote in deplorabele toestand komt harder aan dan de gebruikelijker aanblik van mannelijke zwervers en toont de keerzijde van the American Dream.

Duane Hanson, Derelict Woman, 1973, Centraal Museum, Utrecht

New York, the artistieke place to be. De stad waar het gebeurt. Inmiddels heeft de 24-uurs economie ook onze hoofdstad bereikt, maar toen ik dit verschijnsel in de vroege jaren ’80 voor het eerst in New York meemaakte was ik stom verbaasd. Als het ritme je niet ligt kun je er makkelijk aan onder doorgaan!
Iets verderop hangt een idyllische impressie van roeiers op het meer in Central Park door Stone Roberts waargenomen vanuit de ‘wild side’ van Central Park, the Ramble. Links is nog net een stukje van The Boathouse te zien. Dit doek is een leuk voorbeeld van hedendaags Amerikaans realisme. De verf is bij wijze van spreken nog nat. Het doek dateert van enkele maanden voor opening van de tentoonstelling.
Een mooie herinnering komt boven. April, een bijna-zomerse dag in Central Park. Bomen in bloei, blije mensen met kinderen in het gras, picknickend, balspelend of lezend. Harmonie zonder  geschreeuw of geluiden uit ghetto blasters, gewoon beschaafd amusement. We eten een hot-dog en bewonderen de witte bloem van een jasmijn-achtige soort. Nog nooit gezien in Nederland denk ik hardop. Een langs rennende jogster roept:…’jawel hoor, bij mij in Bilthoven staat er ook een: ze noemen het hier Dogwood’… en weg is ze.

Stone Roberts, the Lake in Central Park a Late Afternoon in Late June, 2017, William Louis Dreyfus Foundation, NY

Terwijl ik even later naar een doek met de raadselachtige titel Landscape: Homage to C.D. Friedrich van Robert Birmelin sta te kijken komt Peter Trippi naast mij staan. Deze  kunsthistoricus en hoofdredacteur van de Fine Art Connoisseur  was betrokken bij de samenstelling van de tentoonstelling. Op mijn vraag of dit een opgewerkte foto is of een schilderij waarin de kunstenaar fotografische beelden heeft verwerkt, antwoordt hij dat het een combinatie van beide lijkt. Qua kleur en sfeer heeft het wel iets van de stijl van de Duitse romanticus, maar in deze desolate, vervreemdende voorstelling mis ik diens nietige menselijke figuur. Trippi zoekt mee, maar weet er evenmin een aan te wijzen. Knap geschilderd in acryl op groot formaat van 100 x 120 cm, maar deze gloomy voorstelling zou ik niet boven de bank willen hebben.

Robert Birmelin, Landscape: Homage to C.D.Friedrich, 1979, William Louis Dreyfus Foundation, NY

Een citaat van Birmelin geeft het antwoord op de zojuist gestelde vraag: I freely invented the disposition of the landscape from memory… Het ‘fading light of sunset and evening’ deden hem denken aan soortgelijke effecten in de schilderijen van Caspar David Friedrich. Hij omschrijft de voorstelling vrij vertaald als een duistere elegie op de natuur en de teloorgang van een industrieel verleden.

Robert Birmelin, A Subway Experience, 1966, William Louis Dreyfus Foundation, NY

We lopen terug naar een vroeg werk van Birmelin, Subway Experience naast een soortgelijk werk van Richard Estes,  New York Scene beide uit de jaren ’60. Tijdens het rush hour legden zij de gehaaste reizigers in een snelle schets vast. Door de transparante hoofden van Birmelins Magritte-achtige schimmen, is het perron aan de overzijde te zien. Spookbeelden van een mysterieuze, onheilspellende moderne wereld met echo’s van het Europese surrealisme. Richard Estes bracht een metro scène in beeld met goed getroffen wachtende en bewegende figuren. Trippie wijst mij op een humoristisch detail: een vader tilt zijn kind over de tourniquette om een kaartje te besparen! Jaren later is Estes nog steeds gefascineerd door de subway. In zijn View of the W Train Crossing the Manhattan Bridge uit 2003 presenteert hij een met vaart, vanuit een rijdende trein waargenomen gezicht op New York.

Richard Estes, New York Scene, 1964, Carnegie Museum of Art, Pittsburgh

Richard Estes, View of the W Train crossing the Manhattan Bridge, Courtesy the seven Bridges foundation Greenwich

 

 

 

 

 

 

 

Behalve desolate industriële landschappen zijn in de expositie ook werken van de zogenoemde regionalisten te zien met impressies van het lieflijke Amerikaanse landschap. Groene heuvels en golvend graan, overgoten met een nostalgisch sausje, zoals in het icoon van Grant Wood, American Gothic uit 1930. Middels dit portret van een eenvoudig, hardwerkend boerenstel uit de Midwest geef ik u antwoord op de vraag naar het waarheidsgehalte van deze werken. Het lijkt een braaf boerenstel, maar in werkelijkheid stonden de zus en tandarts van de schilder model.

Grant Wood, American Gothic, 1930, Art Institute, Chicago

Gordon Parks, American Gothic, Washington DC, 1942 Harvard Art Museum/Fogg Museum, Cambridge MA

Gordon Parks koos de titel van dit idyllische plaatje jaren later om -met een zwarte knipoog- een heel wat minder vredige boodschap uit te dragen in zijn American Gothic, Washington DC, 1942.  Het werk verwijst naar de rassen-ongelijkheid dat het leven in Amerika, vooral in het zuiden in die jaren beheerst. De tijd van Martin Luther King als voorvechter van rassengelijkheid. Gordon Parks liet Ella Watson, een schoonmaakster bij de Federale overheid, gewapend met mob en bezem poseren voor de Amerikaanse vlag. De veelgeroemde American Dream zal voor haar wel altijd onbereikbaar zijn gebleven, al kreeg ze met deze foto in zekere zin eeuwigheidswaarde!

Het thema van rassendiscriminatie zien we ook in Andy Warhols Birmingham Race Riot uit 1964. Een in zeefdruk uitgevoerde opgewerkte foto, waarin de politie de wapenstok hardhandig hanteert en een politiehond een zwarte man probeert te bijten.

Andy Warhol, Birmingham Race Riot, 1964, National Gallery of Art, Washington

Passend bij de lieflijke landschappen is Andrew Wyeth’s vrijwel lege paneel Monday Morning  uit 1955, met prominent een lege wasmand die herinneringen oproept aan mijn vroege jeugd. De tijd van woensdag gehaktdag en maandag wasdag. Terug uit school stond tussen-de-middag een enorme ketel kookwas op het gasfornuis. Het keukentje werd verduisterd door de lakens van de bovenbuurvrouw die tot voor ons balkon hingen.

Andrew Wyeth, Monday Morning, 1955, The Andrew and Betsy Wyeth Collection

Verschillende geëxposeerde schilderijen roepen andere herinneringen op. Zoals Raphael Soyers Cafe Scene met een duidelijke echo van de eenzame bartypes van Picasso en tijdgenoten. De mistroostige vrouw staat model voor de vrouwen wier echtgenoten en zoons tijdens WO II naar Europa werden gestuurd te vechten. In deze op Picasso geënte stijl en compositie, brengt Soyer de eenzaamheid en het angstige wachten in beeld. Zou hij nog terugkomen?

Raphael Soyer, Cafe Scene, ca. 1940, Brooklyn Museum, gift of James N. Rosenberg

Moses Soyer, Ballet Studio, 1955, Parrish Art Museum, Long Island

 

 

 

 

 

 

 

 

Weer anders van toon en sfeer, in de geest van het klassieke realisme in Europese trant is het onmiskenbaar op Edgar Degas geïnspireerde Ballet Studio van Raphaels broer Moses Soyer. Deze stroming zet zich in de jaren ’70 af tegen het emotieloze fotorealisme van de jaren ’60.

Een gevoel van eenzaamheid en vervreemding wordt opgeroepen door Ralph Goings, Amsterdam Diner uit 1980.  Een impressie van zo’n typisch New Yorkse wat smoezelige eettent. Een latino rust even uit van zijn werk. Fles all-American-equalizer voor zijn neus. Er staan nog asbakken op tafel. Kort na het millennium werden deze vervangen door bordjes met No Smoking op straffe van een boete van 200 dollar. Sindsdien stonden rokers als paria’s voor de entree van de sky-scrapers; een beeld dat inmiddels ook verdwenen is. Anno 2018 kun je als roker New York als reisbestemming beter mijden. Of gewoon stoppen!

Ralph Goings, Amsterdam Diner, 1980, Courtesy of Louis k. & Susan P. Meisel, NY

In de Assense expositie bevinden zich meer eenzame figuren; zoals de zonnebadende vrouw in Edward Hoppers Morning Sun uit 1952. Als je goed kijkt is er iets geks met deze zonaanbidster aan de hand. Anders dan de relaxte uitdrukking die de ervaring van zon op je huid veroorzaakt, kijkt deze vrouw gespannen. Het lijkt wel of ze een masker op heeft; op de plek van haar rechteroog gaapt een gat. Zelf zei Hopper over dit ‘portret’: …’My concern was to paint sunlight on the wall of a house’… Niet de vrouw -een portret van zijn echtgenote- is het hoofdonderwerp, maar het licht.  Subtiele wraakactie?
Voor zijn portretten koos Hopper steevast zijn eigen vrouw Josephine: hij moest wel!  Ze wilde niet dat hij met andere modellen werkte…

Edward Hopper, Morning Sun, 1952, Columbus Museum of Art, Ohio: Museum Purchase, Howald Fund

Will Barnet, Upstairs, 1980, National Arts Club, New York

Vervreemding. Dat label past op veel werken in de expositie. Zoals Will Barnets, Upstairs een doek uit 1980, waarop een vrouw mistroostig naar buiten staart; ikoon van de groeiende grootsteedse anonimiteit. De prominent geplaatste kraai onderstreept de nare sfeer.
Zelfs de intieme familiekiekjes van Fairfield Porter ademen, ondanks het ogenschijnlijk genoegzaam samenzijn samenzijn een sfeer van eenzaamheid; loneliness-in-togetherness. Naast rust stralen ze ook verveling uit, een gemoedstoestand die tegenwoordig dankzij de moderne media voorgoed uit onze levens verdwenen lijkt. Psychologen en auteurs uit antroposofische hoek beschouwen deze ontwikkeling niet als een zegen: je af en toe eens lekker vervelen is heilzaam!

Fairfield Porter, A Day Indoors, 1962, Parrish Art Museum, Long Island

Andy Warhol koos ook celebrities, wiens portretten hij solitair of vaker nog serieel in zeefdruk reproduceerde, zoals de overbekende reeks van Marilyn Monroe. In Assen ziet de bezoeker het portret van Jacqueline Kennedy. Tijdgenoot Roy Lichtenstein verbeeldde fragmenten uit reclame advertenties en stripverhalen. De pixels in de rasters van het drukwerk schilderde hij op groot formaat na. Wat een bijzonder bevreemdend effect opleverde.

Roy Lichtenstein, Crying Girl, 1963 Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam

Andy warhol, Jacqueline Kennedy, 1964, Museum Ulm, Kurt Fried Collection

Evenals in Europa maakten Amerikaanse kunstenaars zich rond 1900 los van de academische tradities en kozen voor onderwerpen uit het dagelijks leven. Deze vroege vernieuwers werden in de eerste decennia van de 20e eeuw aangeduid met de term Ashcan School, de vuilnisbakkenschool, en dat was nìet als compliment bedoeld. Sinds de jaren ’50 brachten realisten het alledaagse op ‘democratische’ wijze in beeld. Vuilnisbakken, bier- en soepblikken en  geschilderde en gebeeldhouwde menselijke sculpturen. Alles kon, maar sinds 9/11, de oorlog in Irak, de orkaan Katrina en schietpartijen zoals op de Sandy Hook Elementary School zijn er barsten gekomen in the American way of life.
Internet en sociale media tonen de minder mooie kanten van het bestaan, die  weer nieuwe inspiratiebronnen bieden. Hoe kunstenaars op dit gekantelde wereldbeeld reageren is in Emden te zien.

Eric Fischl, Late America, 2016, Skarstedt Gallery, New York

Eric Fischel laat de lelijke kant van America today zien in zijn uit 1973 daterende doek Late America, waarin een rijke Amerikaan, liggend bij zijn privé zwembad, zijn naakte kont naar het beschouwer wendt.  Naast hem de figuur van zijn in de Amerikaanse vlag gehulde (klein)zoon. In de achtergrond doen gekleurde tuinlieden het werk.

We kijken nog even verder rond in Emden. Hier zijn ook voorbeelden te zien van eigentijdse fotografie èn bedrieglijk fotografisch, met grote precisie gepenseelde schilderijen, onder andere van de oorlog in Irak. Gebaseerd op foto’s die haar broer als marinier in Irak heeft gemaakt, geeft Megan Rye haar visie op de oorlog (2003-2011) tegen het internationale terrorisme. Op de strijd, waarin naar schatting 4500 Amerikaanse soldaten de dood vonden, kwam steeds meer kritiek. Rye bewerkt de foto’s tot realistische, dramatische schilderijen. De beelden werken vervreemdend en angstwekkend, zoals in het doek Alien, uit 2008. Er zijn geen wapens te zien, maar ook geen echte mensen. Tot de tanden ingepakt in camouflagekleding en kogelvrije vesten, afgetopt met helm en masker…‘zo kwam een Amerikaan over op de bevolking van het bezette land: als een ‘alien’, in een woestijnlandschap waar hij niet thuis hoort’.

Megan Rye, Alien, 2008, Courtesy of Forum Gallery New York

Uit datzelfde jaar stamt een serie society portretten door Cindy Sherman, met  vrouwelijke Amerikaanse rolmodellen, zoals de onder een dikke laag make-up verscholen well-to-do elderly lady. Is zij met haar geverfde haar en blote schouders nog steeds verleidelijk of veeleer belachelijk?

Cindy Sherman, Untitled#465, 2008, Collectie Goetz

Karl Haendel, Hillary Clinton, 2016, Potlood op papier met geluid (let op afmeting 261 x 434,5 cm)

 

 

 

 

 

 

Een soortgelijk fijnmazig web van rimpels herken ik in een door Karl Haendel goed getroffen portret van Hillary Clinton: een vrouw met een ijzeren wil, waarmee ze het tot eerste vrouwelijke president van Amerika had kunnen schoppen indien niet….. In Emden is het hilarische portret te zien van de man die haar versloeg.

Peter Saul, Quak-Quak Trump, 2017, Mary Boone Gallery, New York.

In Quack-Quack Trump, uit vierdelige reeks getiteld Fake News, refereert Saul op Trumps reacties op hem onwelgevallig ‘Fake News’ bestempelt. Wie herinnert zich niet Trumps ordinaire geschreeuw, waarin hij journalisten uitmaakt voor: …’you’re all lyers’… Quack, quack duidt op het gekakel van een, wij zouden zeggen kip zonder kop, maar een quack betekent in het Amerikaans een kletser en bedrieger. Deze voorstelling zou op de cover van het zojuist gepubliceerde boek van Michael Wolff, Fire & Fury niet hebben misstaan. Afijn, over het hoofdstuk Trump in de Amerikaanse èn wereldgeschiedenis is het laatste woord nog niet gezegd… en het laatste beeld nog niet gemaakt.                                                                                                                                                                                                                                                                 God Bless America!

Bibliografie:

H.Tupan e.a., The American Dream, Drents Museum Assen/Emden, 2017

Van de Schoor, e.a., Pop Art in Europa, Museum het Valkhof, Nijmegen, 2012.

Rondeau e.a., Roy Lichtenstein; a retrospective, Tate Modern, Londen, 2012.

Diederich e.a., Ludwig Goes Pop, Ludwig Museum, Keulen, 2014.

Link: Drents Museum Assen

Kunsthalle Emden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maya’s in het Drents Museum Assen t/m 4 september 2016

Maya’s: heersers van het regenwoud

Hoog boven de uitgestrekte regenwouden van Guatemala en het Mexicaanse schiereiland Yucatan torenen nog de ruïneuze resten van de bouwwerken van de Maya cultuur; andere zijn door het oerwoud helemaal overwoekerd. De hoogstaande beschaving van de tot de verbeelding sprekende Maya’s kende een bloeiperiode van 250 tot 900 volgens onze –zij kenden een andere- jaartelling. Waarom de Maya steden, met piramides, paleizen en sportvelden naar het schijnt plotseling werden verlaten is een van de vragen die in de Drentse expositie centraal staan.

Regenwoud en piramide, Tikal Guatemala, foto Edwin van Steenis

 Om ons onbekende redenen verlieten de Maya’s hun dichtbevolkte steden, waar zoals in Oxul, wel 6.000 mensen woonden. Waar zijn ze gebleven ?

Ze trokken naar de kust en anders dan wel gedacht wordt, bestaan de Maya’s nog steeds. Bij mijn bezoek aan de nog in opbouw zijnde tentoonstelling zag ik nazaten van die oude Maya’s aan het werk !

Door een smalle corridor tussen twee enorme foto’s van het regenwoud, de habitat van de Maya’s, betreedt de bezoeker de tentoonstellingszaal waar langs smalle gangpaden de vitrines met kostbare Maya-objecten staan opgesteld. De kleur van de kasten, een allesoverheersend maïsgeel, verwijst naar de ontstaansgeschiedenis van dit taaie oerwoudvolk: de eerste Maya-mens zou uit een maïskolf geboren zijn ! De maïsgod, een poppetje met een kolf als hoofd, is dan ook op allerlei voorwerpen te zien.

De bewoners van elk continent hebben zo hun eigen ontstaansgeschiedenis, maar deze genese is wel heel origineel !

De cyclus van het zaaien van maïs, de groei, bloei, oogst en wedergeboorte, vormt het leitmotief in de tentoonstelling. Zonder maïs en water was leven in de Maya steden niet mogelijk. Op ingenieuze wijze werd regenwater in ondergrondse holten en in bepleisterde bassins opgevangen en bewaard.

De grote paleizen en hoge piramides spreken nog altijd tot onze verbeelding. In de jaren 80 beklom ik de piramide in Chichen Itza, in Yucatan; een activiteit waarvoor je beslist ‘schwindelfrei’ moest zijn, want de enige houvast was je eigen mentale kompas !

Zelfs waagde ik mij aan een excursie naar het binnenste van de grafkamer, een claustrofobische ervaring !

 

Piramide Chichen Itza (Mexico), foto Drents Museum Assen

De mysterieuze hiëroglyphen waarmee zij communiceerden fascineren evenzeer. Zo’n 800 letter- en beeldtekens komen voor op gedenkzuilen, altaren, aardewerk en voorwerpen van jade, het ‘goud’ van de Maya’s. De duiding van deze mysterieuze tekens is inmiddels voor 90% mogelijk dankzij Maya kenner Prof. Dr. Nikolai Grube, hoogleraar aan de Universiteit van Bonn.

Eveneens fascinerend zijn de bloederige offers en het levensgevaarlijke balspel, waarbij de bal door een kleine, ronde opening moest worden geworpen. De spelers ‘gingen ervoor’ en speelden letterlijk en figuurlijk op leven en dood; het verliezende team werd onthoofd.…

Balspel Chíchen Itzá
Balspel Chíchen Itzá

Van dit alles komt niets ons bekend voor, het enige raakvlak met dit mysterieuze volk is de graagte waarmee zij ‘hot chocolate’ dronken ! Daar waren de Maya’s dol op getuige het deksel van een wierookbrander met een door cacaobonen (zo kostbaar dat ze ook als betaalmiddel fungeerden) bedekt beeld van de godin van de cacaoboon

Deksel van wierookvat met cacaogodin en cacao bonen. Collectie Nationaal Museum voor Archeologie en Etnologie, Guatemala

 Zij is één van de vele goden van de Maya’s. Deze huisden en in de onder-, midden- en bovenwereld. Heilige bomen speelden hierin een belangrijke rol, want de wortels, de stam en de takken waren in elk van deze 3 werelden aanwezig. Ook andere goden werden met een wierook, copal, in voornoemde antropomorfe branders vereerd.

Machtige koningen met goddelijke status, heersten over de verschillende elkaar regelmatig bevechtende stadstaten van het Mayarijk, dat delen van Zuid-Mexico, Guatemala, Belize, Honduras en El Salvador besloeg. De koning fungeerde als intermediair tussen de aardbewoners en de godenwereld. Op diverse stèles in de tentoonstelling zijn hun verdiensten geboekstaafd, zoals op een exemplaar van wel 800 kg ! De directeur van het in Guatemalteekse Archeologisch museum verschaft de menselijke (Maya) maat.

Directeur Daniel Aquino Lara Museo Nacional de Arqueologia y Etnologia, Guatemala met Stèle Foto Drents Museum 

Het koningschap was erfelijk, maar de troonpretendent moest zonder piepen wel een bloederige initiatierite doorstaan. Met een roggestekel werd zijn penis bewerkt, zoals te zien in een een replica van een tempel fresco uit San Bartolo, ‘de Sixtijnse kapel van de Maya’s’

Muurschildering met bloedige rituelen in de piramide San Bartolo Guatemala
Muurschildering met bloedige rituelen in de piramide San Bartolo Guatemala

Met deze tentoonstelling biedt het Drents Museum wederom een spraakmakende archeologische tentoonstelling, aangeprezen met de woorden: …van de makers van het Terracotta Leger…  De expositie toont een fascinerende mix van in Europa nog nooit getoonde bruiklenen uit o.a. Guatemala en Schaffhausen. Tot de absolute topstukken behoort het spectaculaire koningsmasker van Jade, het affiche van de tentoonstelling.

 

Jademasker
Jademasker, vindplaats onbekend, Collectie Fundación La Ruta Maya, foto Drents Museum

Behalve een mooie terugblik op de bloeiperiode van de Maya’s en de artefacten uit hun bestaan, geeft de tentoonstelling suggesties voor antwoorden op hun raadselachtige trek naar de kust.

Wellicht was de grond door monocultuur uitgeput, zeker is dat voorafgaand aan hun vertrek een bevolkingsexplosie plaats vond en dat het gebied in de jaren 810, 860 en 910 n Chr. geteisterd werd door aanhoudende droogte, waardoor de waterbassins opdroogden.

Heel Assen staat in het teken van de Maya’s, op 25 februari was het op het grasveld voor het museum een drukte van belang, daar zal voor de duur van de expositie een heuse piramide verrijzen !

Literatuur:

V.T. van Vilsteren & N. Grube, Maya’s: Heersers van het Regenwoud, tentoonstellingscatalogus Drents Museum, Assen, 2016. (WBOOKS €24,95)

  CR92sPT5