Back to Benin Nieuwe Kunst, Eeuwenoud Erfgoed. Tot 8 juni in Museum de Fundatie, Zwolle

Plaquette met Moddervis. 18e eeuw, brons, 43 x 18 cm. Hof van de Oba, Benin. Foto Martijn Schmidt.

De kleurrijke tentoonstelling in de Fundatie werpt een blik op de koloniale periode, waarin het land te boek stond als het koninkrijk Benin. Aanleiding voor de expositie vormt de teruggave van een eeuwenoude bronzen plaquette uit de museumcollectie. Videobeelden nemen de bezoeker mee naar Nigeria, waar de directeur van de Fundatie Beatrice von Bormann verschillende kunstenaars die nu in Zwolle te zien zijn ontmoet. Zij lieten zich inspireren door het koloniale verleden.

Phil Omodamwen, Bronzen bel. 2025 Foto Marina

Sinds de discussies over restitutie van de in 1897 door de Britten geroofde Benin Bronzen, staat de geschiedenis en de kunst van Benin weer in de belangstelling. In deze video demonstreren eigentijdse bronsgieters hoe zij hun ambacht, de cire perdue methode nog steeds op traditionele wijze beoefenen. Een met bijenwas bekleed model wordt, ingepakt in rode klei, in een houtvuurtje verhit. In de holle ruimte die na het smelten van de was tussen het model en de omhullende klei ontstaat, wordt vloeibaar brons gegoten. Na afkoeling wordt de klei eraf getikt en komt de creatie tevoorschijn. Deze bel is in de museumwinkel te koop.

Von Borrmann was niet alleen op werkbezoek. De video toont ook het plechtige moment waarop de overdracht van de Ama O Ghe Ehen, de met een moddervis gesierde bronzen plaquette, officieel wordt bekrachtigd. Behalve vertegenwoordigers uit de museumwereld zijn ook twee afgevaardigden van het koninklijk paleis aanwezig. Het oude paleis werd in de late 19e eeuw weliswaar door de Britten leeggeroofd en platgebrand, maar het vorstenhuis van Benin bestaat nog steeds. De huidige in 2016 gekroonde zogeheten Oba Ewuare II fungeert niet als soeverein staatshoofd, maar als hoeder van de cultuur van het oorspronkelijke Edo-volk.

De begeleidende catalogus geeft antwoord op vragen rond de herkomstgeschiedenis van de plaquette, die in 1932 door directeur Dirk Hannema werd aangekocht. Foto’s in oude tentoonstellingscatalogi getuigen van de omzwervingen van dit object dat via Parijs, New York en Amsterdam uiteindelijk in Zwolle terechtkwam. Pas in 2020 kwam de discussie rondom de teruggave van koloniaal erfgoed daadwerkelijk op gang. De restitutie van de bronzen plaat uit de Fundatie markeert een belangrijke stap in de bewustwording over de bedenkelijke kanten van het koloniale verleden. Von Borrmann houdt zich al langer bezig met deze kwestie. In 2021 was zij betrokken bij de tentoonstelling Kirchner en Nolde: Expressionisme. Kolonialisme. In het Amsterdamse Stedelijk werden enkele in 1897 door de Britten geroofde Benin Bronzen getoond. 

Geïnspireerd op de teruggave van de plaquette zijn tien Nigeriaanse kunstenaars een dialoog aangegaan met de geschiedenis, de symboliek en de cultuur van het oude Benin. In de ruim ingerichte zalen zijn behalve objecten van brons ook schilderijen en monumentale textiele werken te bewonderen. Aan de hand van oude foto’s en documenten wordt de koloniale geschiedenis in beeld gebracht.

Het oudste document is Olfert Dappers kopergravure met impressie van de stad Benin in Naukeurige Bschrijvinghe der Afrikaense gewesten, 1668.

Het koninkrijk Benin werd zo’n 1000 jaar geleden gesticht in het zuiden van Nigeria. Aan het hoofd stonden de Oba’s, goddelijke vorsten, die hun grondgebied gewapenderhand uitbreidden. Onder Oba Ewuare de Grote groeide de hoofdstad Edo in de 15e eeuw uit tot een belangrijk handelscentrum dat vanaf zee via de rivier de Niger bereikbaar was. Europeanen haalden er peper, ivoor, rubber en palmolie. Om de stad tegen indringers te beschermen werden de zogeheten Grote muren van Edo opgeworpen. Deze lemen wallen, waarvan je in een video de sporen nog ziet, werden in 1897 grotendeels door de Britten verwoest. Uit het Paleis van Edo roofden zij enorme hoeveelheden bronzen beelden en plaquettes. Behalve deze bronzen beelden getuigen ook fraaie uit ivoor en hout gesneden objecten en textiele kunstwerken van een hoogstaande cultuur. De nu als kunstwerken beschouwde objecten werden destijds pro memoria gemaakt; bedoeld om specifieke gebeurtenissen vast te leggen. 

Geïnspireerd op deze traditionele artistieke uitingen èn de plaquette met de moddervis, gingen de tien eerdergenoemde hedendaagse kunstenaars aan de slag. In de expositie zie je de werken die onder de handen van Leo Asemoto, Enotie Ogbebor, Taiye Idahor, Phil Omodamwen en 6 anderen tot stand kwamen.

Phil Omodamwen, Restitution, 2022. Lox-wax techniek. 81 x 61 cm. Courtesy kunstenaar.

Een bronzen als Restitution gepresenteerde plaquette weerspiegelt Phil Omodamwens jarenlange inzet voor teruggave van de Benin Bronzen. De voorstelling brengt de eerste teruggave van regalia en koninklijke objecten die in 1938 plaats vond.

De installatie van Enotie Ogbebor is eveneens in brons uitgevoerd. Het is een meditatie op het menselijk bestaan, waarin aardse en spirituele aspecten verwerkt zijn. Het werk is gebaseerd op Oba Ohen, die rond het midden van de 14e eeuw aan de macht was. Aan de heersers van Benin werden zowel aardse als spirituele eigenschappen toegekend. Deze dubbele identiteit is als bij een Janusfiguur aan voor en achterzijde verwerkt.   

Geprojecteerd op een oude kaart van West-Afrika brengt Osaze Amadasun Oba Osolua de Veroveraar (1483-1504) als een Romeinse keizer op een vurig paard in beeld. Teruggrijpend op een ander hoofdstuk uit de Nigeriaanse geschiedenis, wordt een object getoond dat te maken heeft met de Europese veroveraars. Een eigentijdse fantasierijke liniaal, die Leo Asemota vervaardigde naar het model van de 17e -eeuwse parallellinialen die de zeevaarders gebruikten om hun koers op zee te berekenen.

Osaze Amadasun, Oba Osolua de Veroveraar, acryl op houtskoolbord, 2020. 97 x 69 cm. Courtesy kunstenaar

Ook vrouwen hebben een plek in de expositie. Met een trotse in brons gegoten buste van Koningin Idia bracht Phil Omodamwen een ode aan de vorstin die in de vroege 16e -eeuw een belangrijke rol speelde in Benin. Van Taiye Idahor zie je ‘Waden in het Water’. Met haar golvende beweging staat dit meterlange gordijn voor de oceaan. De katoenen drager is bedrukt met talloze in het water dobberende vrouwelijke figuurtjes.

Het element water staat in de Nigeriaanse cultuur voor het vrouwelijke. Van Idahors hand wordt ook een acrylschilderij getoond, waarop een vogel met oranje ogen zich neerbuigt over het hoofd van een vrouw met het lichaam van een slag en haren die uitgroeien tot een boom.

Taiye Idahor, De vogel met de Oranje ogen, uit serie het temen van ahianmwen, 2022. Gemengde techniek, acryl en laserprintcollage. Courtesy kunstenaar

In een volgende zaal valt een op het eerste gezicht weinig zeggend monumentaal wandkleed op. Het blijkt een zandschildering van rode aarde op geweven textiel. Bij nadere beschouwing kom je tussen de tintallen daarop geappliqueerde bronzen plaatjes voorouderlijke koppen, luipaarden en krokodillen ook het moddervisje, weer tegen, die zowel in het water als op het land kan leven. Met dit werk dat de titel
Gepantserd draagt, verwijst Osaru Obaseki’s naar de Grote Muren van Benin.

Osaru Obaseki, Gepantserd, zandschildering op textiel met bronzen plaatjes met moddervis, 2025.
320 x 430 cm. Courtesy kunstenaar

Ik besluit met Victor Ehikhamenors betoverende creatie de Kathedraal van de Geest. Een mooi slotakkoord waarin met Christelijke en lokale tradities, Oost en West samenkomen. Dit staaltje van multicultureel monnikenwerk is vervaardigd met talloze draden, kant-, aardewerk en duizenden rozenkransen. Voor de gotische kerkramen vliegt een duif, symbool van de Heilige Geest en van vrede. Achter deze façade vind je een anoniem, ongedateerd beeldje van de regengod uit de Dogon cultuur. 

Victor Ehikhamenor, Kathedraal van de Geest, rozenkrans, draden, kant krijt, aardewerk, 2023.

Met deze eigentijdse op het koloniale verleden geënte tentoonstelling levert de Fundatie een belangrijke bijdrage aan de discussie over restitutie van roofkunst. Door de teruggave van de plaquette met de Moddervis is het museum beloond met een mooie en betekenisvolle tentoonstelling. 

Link: Museum de Fundatie

De Werelden van Jan Toorop, tot en met 10 mei in Singer Laren

J. Toorop, Zelfportret met rode baret, 1881. Waterverf op aquarelpapier, 29 x 19 cm. Singer Laren. Bruikleen uit particulier bezit

In de zomers van de vroege twintigste eeuw was Jan Toorop (1858-1928) steevast in het landelijke Domburg te vinden. Weg van de grote stad en de oprukkende industrialisatie. Bij het horen van de naam Toorop denken kunstliefhebbers wellicht aan deze episode uit zijn carrière. In deze jaren schilderde de sociaal geëngageerde kunstenaar het eenvoudige leven van hardwerkende boeren en struise boerinnen. 

In de tentoonstelling Jacoba van Heemskerck x Marie Tak van Poortvliet besteedde het Haagse Kunstmuseum onlangs ook aandacht aan Toorop en bevriende avant-gardisten als Piet Mondriaan en Ferdinand Hart Nibbrig, die eveneens inspiratie vonden in de Zeeuwse badplaats.  Gezamenlijk organiseerden zij exposities in een door Toorop ontworpen tentoonstellingsgebouwtje. Tijdens een winterstorm in 1921 werd het zogenoemde ‘kotje’ van Toorop omvergeblazen. In 1994 werd het herbouwd als het Marie Tak van Poortvliet Museum.

Jan Toorop, De vissersvloot van Veere, 1907. Karton 47,7 x 62,2 cm. Centraal Museum Utrecht

Met zijn Zeeuwse- en vroegere symbolistische werken heeft hij naam gemaakt. De tentoonstelling in Laren laat zien dat Toorop vrijwel alle avant-garde stromingen heeft geprobeerd. Je ziet schilderijen neergezet in een impressionistische-, pointillistische- en divisionistische toets en werken in de Art Nouveau of Jugendstil. Wegens deze experimenten is hij wel gekarakteriseerd als een kameleon.
In de overzichtstentoonstelling die het Haagse Kunstmuseum in 2016 organiseerde, waren deze uiteenlopende stijlen te zien, maar één ding ontbrak. Met aandacht voor een onderbelichte kant van de kunstenaar heeft conservator Suzanne Veldink dit hiaat opgevuld. 

Indische jongen

Jan Toorop, Zelfportret, 1881. Waterverf, krijt op papier. Rijksmuseum, Amsterdam

Jan Toorop werd op 20 december 1858 op Java geboren. Zijn vader was een Hollander in dienst van de staat der Nederlanden. Zijn moeder was van gemengde afkomst. Jan was in het taalgebruik van die dagen een Indo. Zoals veel kinderen van ambtenaren in het voormalig Nederlands-Indië werd Jan als 10-jarige voor scholing naar Nederland gestuurd. 

Na de HBS studeerde hij een paar jaar aan de Polytechnische School in Delft, maar omdat zijn hart elders lag verlegde hij zijn koers. Aan de Kunstacademies van Amsterdam en Brussel bekwaamde hij zich in de teken- en schilderkunst. In Machelen nabij Brussel werkte hij samen met de symbolist William Degouve Nuncques. In 1885 werd hij lid van de kunstenaarsgroep Les XX. In het gezelschap van avant-gardistische schrijvers en kunstenaars als Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Fernand Khnopff en James Ensor voelde Toorop zich als een vis in het water. Nadat hij in Parijs kennis had gemaakt met het pointillisme van Georges Seurat en Paul Signac sloeg ook hij aan het stippelen.  

Tot nu toe werd Toorop in de kunsthistorische literatuur beschreven als een vernieuwende Nederlandse kunstenaar, maar in zijn vroege zelfportretten komt hij veeleer als een Indische jongen uit de verf. Zijn Aziatische afkomst is decennialang ‘witgewassen’, aldus Veldink. Met begrippen als ‘koloniale migrant’ en ‘man van kleur’ wordt zijn profiel naar hedendaagse criteria geactualiseerd. De tentoonstelling geeft Toorop zijn …’deels Javaanse en Chinese identiteit terug’

Met correspondentie, werk van tijdgenoten en navolgers wordt de historische context geschetst.    

Dankzij zijn beminnelijke aard en exotische voorkomen werd Toorop door velen bewonderd, maar in een door ras-denken gedomineerde Nederlandse samenleving hielden verschillende vrienden bepaalde reserves, aldus Veldink. Frederik van Eden, voor wiens boek Eucharistia. Verbum Pacis Toorop in 1924 de illustraties verzorgde, noteerde in zijn dagboek: …’Ik mag hem graag, maar voel eenig ras-verschil in zijn karakter’…

Met ruim tachtig schilderijen en tekeningen wordt een nieuw perspectief geboden op de Javaans-Nederlandse avant-gardist. 

De beelden spreken voor zich. In zijn Zelfportret met Javaans gewaad uit de vroege tachtiger jaren, beeldde hij zich af tijdens het mandiën, Maleis voor badderen. Naast het portret wordt een antieke doek met soortgelijke gebatikte motieven getoond. De baan met langwerpige driehoeken is samengesteld uit zogeheten Tumpal motieven. De dragers van magische krachten, waarover Louis Couperus schrijft in De Stille Kracht. In de op deze roman gebaseerde televisieserie uit 1974, waarin Pleuni Touw als echtgenote van de resident, overspel pleegt met Willem Nijholt als haar stiefzoon, vinden in het washok beangstigende, door onzichtbare krachten in gang gezette gebeurtenissen plaats.  

Jan Toorop, Zelfportret met Javaans gewaad,1880-1883. Doek op paneel, 26 x 18 cm. Part. Coll.

Ook in Toorops werk uit de negentiger jaren zijn herinneringen aan zijn geboorteland aanwijsbaar. De in beweeglijke lijnen vormgegeven symbolistische creaties vertonen echo’s van het met wajangpoppen gespeelde Indische schimmenspel. Deze invloed is ook herkenbaar in de door hem ontworpen boekomslag van Louis Couperus roman Metamorfoze. Aan Toorops reclameaffiche voor Delftsche Slaolie dankt de Art Nouveau in ons land haar naam slaolie-stijl.  

Jan Toorop, Delftsche Slaolie, 1894. Litho 95 x 63 cm. Rijksmuseum Amsterdam

De vernieuwde kijk op Toorop is in samenwerking met Museum Sophiahof tot stand gekomen. Deze Haagse instelling bewaart en bestudeert de culturele en historische erfenis van Nederlands-Indië. De kennis over de voormalige kolonie en de Indische Nederlanders die naar Holland kwamen begint te vervagen. Na zeventig jaar hebben deze verhalen plaats gemaakt voor die van nieuwe immigranten. De ooit populaire Indische romans van Hella Haasse (Oeroeg) en Yvonne Keuls (Indische tantes) en de humoristische sketches van Wieteke van Dordt als Tante Lien zijn inmiddels niet meer van deze tijd. 

Artistieke omnivoor 
In de kleurrijke expositie verandert Toorop van ongrijpbare kameleon in een veelzijdige artistieke omnivoor. Naast de al genoemde invloeden vond hij inspiratie bij Paul Gauguin en James McNeil Whistler. In Londen zag Toorop Whistlers als Symphonies in White aangeduide vrouwenportretten. Daarop geïnspireerd ontstond in 1885 het portret van zijn in het wit geklede verloofde Annie Hall, met wie Toorop in 1886 zou trouwen. Deze stijl sprak ook Menno Kamerlingh Onnes aan. Hij portretteerde zijn zuster Jenny ook in het wit. Evenals Toorop modelleerde hij de japon in robuuste met het paletmes aangebrachte streken.   

J. Toorop, Portret van Annie-Hall in Lissadell, 1885. Doek 99 x 73 cm. Stedelijk Museum Amsterdam

Voor de beeldvullende weergave van de woelige baren die Toorop in navolging van Hendrik Willem Mesdag en James Ensor schilderde, nam hij het paletmes eveneens ter hand.  

Jan Toorop, De zee, 1887,olieverf op doek, 74,4 x 65,9 cm Bruikleen van het
Rijksmuseum, Amsterdam. Schenking van mevrouw I. Lohr, Baze

Geïnspireerd door tijdgenoten ontwikkelde Toorop een eigen unieke beeldtaal, waarin Europese- en Javaanse elementen samen komen. 

Charley Toorop, Drie generaties, 1941-1950. Doek 200 x 121 cm. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Foto Studio Tromp

De in Laren gepresenteerde historische context zorgt voor een beter begrip van Toorop in de rol van vernieuwer. Als een netwerker avant-la-lettre onderhield Toorop vriendschappelijke contacten met tal van tijdgenoten. In de chronologisch ingedeelde zalen ontmoet je de schrijver Arthur van Schendel en collega-schilder William De Gouve Nunques, die beide door Toorop geportretteerd werden. Vrienden uit latere periodes zijn eveneens vertegenwoordigd: Floris Verster, Jan Veth, Thorn Prikker, Piet Mondriaan, Leo Gestel, Jan Verkade en Jan Sluijters. Ook Toorops dochter Charley heeft met een zelfportret een plek gekregen. Geflankeerd door haar zoon Edgar Fernhout en haar vader kijkt zij de beschouwer vastberaden aan. Het door haar geschilderde busteportret dat Johan Rädecker van Jan Toorop maakte is in dezelfde zaal te zien. 

Religieus bevlogen kunstenaar 
Tenslotte wordt een belangrijk aspect van Toorops persoonlijke leven belicht. In 1905 gaan Jan en Charley in navolging van Annie, over tot het Rooms-Katholieke geloof. De 47-jarige Toorop zocht kennelijk houvast in tijden van afnemende gezondheid en toenemende huwelijksproblemen. Gedreven door ‘altijd een onzichtbare engel die mij voortstuurt’ legt Toorop zich toe op religieus werk, waarin hij zijn missie letterlijk en figuurlijk rechtlijnig evoceert, zoals in De Pelgrim uit museum Catharijneconvent. 

Jan Toorop, De Elfde Statie, Christus wordt aan het kruis genageld, 1916-1918. Krijt op paneel, 64 x 76 cm. Sint Bernulphuskerk, Oosterbeek. Foto Cathy Otten.

In deze levensfase was Toorop bevriend met de veel jongere streng katholieke dichteres Miek Janssen, in wie hij een geestverwant vond. Zij inspireerde hem tot het vervaardigen van veertien kuiswegstaties voor de St. Bernulphuskerk in Oosterbeek. De tussen 1916-1918 vervaardigde reeks is in zijn geheel in de Van den Brink Galerij te zien.

Jan Toorop, Oh, grave where is thy victory, 1892. Potlood en krijt op papier, 60 x 75 cm. Rijksmuseum, Amsterdam.

Het portret dat Toorop van zijn muze tekende en haar publicatie over zijn kruiswegstaties worden hier getoond. Wanneer Toorop ten gevolge van een vergevorderde staat van syfillis in een rolstoel belandt is Miek zijn steun en toeverlaat. Bij het zien van de welhaast psychedelisch aandoende, grijpende figuren in Toorops symbolistische Oh, Grave where is thy victory  rijst de vraag of deze beangstigende beelden slechts gebaseerd zijn op een ongebreidelde fantasie of het gevolg zijn van neurosyfilis waarin de patiënt wordt geplaagd door hallucinaties en paranoia. 

In de zaal met stemmige, monotoon getinte religieuze werken lijken enkele vrolijk gekleurde Zeeuwse doeken uit de toon te vallen. Schijn bedriegt. Via de markante kop van een Zeeuwse boer, geplaatst voor de façade van een Gotische kerk met Bijbelse scènes, wordt de relatie duidelijk. In Domburg raakte Toorop gefascineerd door de vroomheid van de Zeeuwen. 

Jan Toorop (1858-1928), Het hoofd van een man van Walcheren, staand voor een Gotisch reliëf, 1904. Houtskool & krijt op papier. Part. collectie. Foto: Marina Marijnen

Gelet op de fijne detaillering van de gerimpelde kop, de blauwe ogen en de kleuraccenten verdient Toorop wellicht als tekenaar nog meer bewondering dan als schilder. Het stroblonde kapsel van de man, model polka, is naar de toenmalige mode zeer modern, maar of de aan zijn knopen herkenbare Zeeuwse boer echt een paars jasje droeg… 

Jan Toorop (1858-1928), De appelplukkers, 1905. Detail. Olieverf op doek. Particuliere collectie. Foto: Marina Marijnen

Met de prominent in beeld gebracht werkhanden van de Rustende boer en de ogenschijnlijk idyllische in divisionistische toets geschilderde Appelplukkers brengt Toorop de door hem geïdealiseerde Christen-arbeid in beeld. Van hun godsdienstige levenshouding en de werken hunner handen plukken zij de vruchten.

De expositie besluit met een aantal kleurrijke, luministische werken die Toorop en tijdgenoten rond 1910 schilderden. Ze werden eerst in Domburg en later bij de Moderne Kunstkring in Amsterdam getoond. Een Zonsopgang van Jan Sluijters en een Herfstboom van Leo Gestel, waar de kleuren van afspatten. Bijzonder is Toorops in expressionistische stijl geschilderde beeltenis van Prof. Dr. J.H. Schrörs. Zijn krachtige karakter lijkt goed getroffen, maar de hooggeleerde Schrörs dacht er zelf anders over. Met Piet Mondriaans geabstraheerde impressie van Zee na zonsondergang uit 1909 ving in Domburg een nieuw hoofdstuk in de Nederlandse kunstgeschiedenis aan. Dit verhaal wordt vervolgd in de aan Mondriaan gewijde zalen van het Haagse Kunstmuseum.

Piet Mondriaan, Zee na zonsondergang, 1909. Karton 63 x 75 cm. Kunstmuseum Den Haag.

Verder lezen:

S. Veldink e.a., De Werelden van Jan Toorop, Singer Laren, 2026.

Link: Singer Laren

NB. Reserveren verplicht ook met een MJK

Geverifieerd door MonsterInsights