De Werelden van Jan Toorop, tot en met 10 mei in Singer Laren

J. Toorop, Zelfportret met rode baret, 1881. Waterverf op aquarelpapier, 29 x 19 cm. Singer Laren. Bruikleen uit particulier bezit

In de zomers van de vroege twintigste eeuw was Jan Toorop (1858-1928) steevast in het landelijke Domburg te vinden. Weg van de grote stad en de oprukkende industrialisatie. Bij het horen van de naam Toorop denken kunstliefhebbers wellicht aan deze episode uit zijn carrière. In deze jaren schilderde de sociaal geëngageerde kunstenaar het eenvoudige leven van hardwerkende boeren en struise boerinnen. 

In de tentoonstelling Jacoba van Heemskerck x Marie Tak van Poortvliet besteedde het Haagse Kunstmuseum onlangs ook aandacht aan Toorop en bevriende avant-gardisten als Piet Mondriaan en Ferdinand Hart Nibbrig, die eveneens inspiratie vonden in de Zeeuwse badplaats.  Gezamenlijk organiseerden zij exposities in een door Toorop ontworpen tentoonstellingsgebouwtje. Tijdens een winterstorm in 1921 werd het zogenoemde ‘kotje’ van Toorop omvergeblazen. In 1994 werd het herbouwd als het Marie Tak van Poortvliet Museum.

Jan Toorop, De vissersvloot van Veere, 1907. Karton 47,7 x 62,2 cm. Centraal Museum Utrecht

Met zijn Zeeuwse- en vroegere symbolistische werken heeft hij naam gemaakt. De tentoonstelling in Laren laat zien dat Toorop vrijwel alle avant-garde stromingen heeft geprobeerd. Je ziet schilderijen neergezet in een impressionistische-, pointillistische- en divisionistische toets en werken in de Art Nouveau of Jugendstil. Wegens deze experimenten is hij wel gekarakteriseerd als een kameleon.
In de overzichtstentoonstelling die het Haagse Kunstmuseum in 2016 organiseerde, waren deze uiteenlopende stijlen te zien, maar één ding ontbrak. Met aandacht voor een onderbelichte kant van de kunstenaar heeft conservator Suzanne Veldink dit hiaat opgevuld. 

Indische jongen

Jan Toorop, Zelfportret, 1881. Waterverf, krijt op papier. Rijksmuseum, Amsterdam

Jan Toorop werd op 20 december 1858 op Java geboren. Zijn vader was een Hollander in dienst van de staat der Nederlanden. Zijn moeder was van gemengde afkomst. Jan was in het taalgebruik van die dagen een Indo. Zoals veel kinderen van ambtenaren in het voormalig Nederlands-Indië werd Jan als 10-jarige voor scholing naar Nederland gestuurd. 

Na de HBS studeerde hij een paar jaar aan de Polytechnische School in Delft, maar omdat zijn hart elders lag verlegde hij zijn koers. Aan de Kunstacademies van Amsterdam en Brussel bekwaamde hij zich in de teken- en schilderkunst. In Machelen nabij Brussel werkte hij samen met de symbolist William Degouve Nuncques. In 1885 werd hij lid van de kunstenaarsgroep Les XX. In het gezelschap van avant-gardistische schrijvers en kunstenaars als Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Fernand Khnopff en James Ensor voelde Toorop zich als een vis in het water. Nadat hij in Parijs kennis had gemaakt met het pointillisme van Georges Seurat en Paul Signac sloeg ook hij aan het stippelen.  

Tot nu toe werd Toorop in de kunsthistorische literatuur beschreven als een vernieuwende Nederlandse kunstenaar, maar in zijn vroege zelfportretten komt hij veeleer als een Indische jongen uit de verf. Zijn Aziatische afkomst is decennialang ‘witgewassen’, aldus Veldink. Met begrippen als ‘koloniale migrant’ en ‘man van kleur’ wordt zijn profiel naar hedendaagse criteria geactualiseerd. De tentoonstelling geeft Toorop zijn …’deels Javaanse en Chinese identiteit terug’

Met correspondentie, werk van tijdgenoten en navolgers wordt de historische context geschetst.    

Dankzij zijn beminnelijke aard en exotische voorkomen werd Toorop door velen bewonderd, maar in een door ras-denken gedomineerde Nederlandse samenleving hielden verschillende vrienden bepaalde reserves, aldus Veldink. Frederik van Eden, voor wiens boek Eucharistia. Verbum Pacis Toorop in 1924 de illustraties verzorgde, noteerde in zijn dagboek: …’Ik mag hem graag, maar voel eenig ras-verschil in zijn karakter’…

Met ruim tachtig schilderijen en tekeningen wordt een nieuw perspectief geboden op de Javaans-Nederlandse avant-gardist. 

De beelden spreken voor zich. In zijn Zelfportret met Javaans gewaad uit de vroege tachtiger jaren, beeldde hij zich af tijdens het mandiën, Maleis voor badderen. Naast het portret wordt een antieke doek met soortgelijke gebatikte motieven getoond. De baan met langwerpige driehoeken is samengesteld uit zogeheten Tumpal motieven. De dragers van magische krachten, waarover Louis Couperus schrijft in De Stille Kracht. In de op deze roman gebaseerde televisieserie uit 1974, waarin Pleuni Touw als echtgenote van de resident, overspel pleegt met Willem Nijholt als haar stiefzoon, vinden in het washok beangstigende, door onzichtbare krachten in gang gezette gebeurtenissen plaats.  

Jan Toorop, Zelfportret met Javaans gewaad,1880-1883. Doek op paneel, 26 x 18 cm. Part. Coll.

Ook in Toorops werk uit de negentiger jaren zijn herinneringen aan zijn geboorteland aanwijsbaar. De in beweeglijke lijnen vormgegeven symbolistische creaties vertonen echo’s van het met wajangpoppen gespeelde Indische schimmenspel. Deze invloed is ook herkenbaar in de door hem ontworpen boekomslag van Louis Couperus roman Metamorfoze. Aan Toorops reclameaffiche voor Delftsche Slaolie dankt de Art Nouveau in ons land haar naam slaolie-stijl.  

Jan Toorop, Delftsche Slaolie, 1894. Litho 95 x 63 cm. Rijksmuseum Amsterdam

De vernieuwde kijk op Toorop is in samenwerking met Museum Sophiahof tot stand gekomen. Deze Haagse instelling bewaart en bestudeert de culturele en historische erfenis van Nederlands-Indië. De kennis over de voormalige kolonie en de Indische Nederlanders die naar Holland kwamen begint te vervagen. Na zeventig jaar hebben deze verhalen plaats gemaakt voor die van nieuwe immigranten. De ooit populaire Indische romans van Hella Haasse (Oeroeg) en Yvonne Keuls (Indische tantes) en de humoristische sketches van Wieteke van Dordt als Tante Lien zijn inmiddels niet meer van deze tijd. 

Artistieke omnivoor 
In de kleurrijke expositie verandert Toorop van ongrijpbare kameleon in een veelzijdige artistieke omnivoor. Naast de al genoemde invloeden vond hij inspiratie bij Paul Gauguin en James McNeil Whistler. In Londen zag Toorop Whistlers als Symphonies in White aangeduide vrouwenportretten. Daarop geïnspireerd ontstond in 1885 het portret van zijn in het wit geklede verloofde Annie Hall, met wie Toorop in 1886 zou trouwen. Deze stijl sprak ook Menno Kamerlingh Onnes aan. Hij portretteerde zijn zuster Jenny ook in het wit. Evenals Toorop modelleerde hij de japon in robuuste met het paletmes aangebrachte streken.   

J. Toorop, Portret van Annie-Hall in Lissadell, 1885. Doek 99 x 73 cm. Stedelijk Museum Amsterdam

Voor de beeldvullende weergave van de woelige baren die Toorop in navolging van Hendrik Willem Mesdag en James Ensor schilderde, nam hij het paletmes eveneens ter hand.  

Jan Toorop, De zee, 1887,olieverf op doek, 74,4 x 65,9 cm Bruikleen van het
Rijksmuseum, Amsterdam. Schenking van mevrouw I. Lohr, Baze

Geïnspireerd door tijdgenoten ontwikkelde Toorop een eigen unieke beeldtaal, waarin Europese- en Javaanse elementen samen komen. 

Charley Toorop, Drie generaties, 1941-1950. Doek 200 x 121 cm. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Foto Studio Tromp

De in Laren gepresenteerde historische context zorgt voor een beter begrip van Toorop in de rol van vernieuwer. Als een netwerker avant-la-lettre onderhield Toorop vriendschappelijke contacten met tal van tijdgenoten. In de chronologisch ingedeelde zalen ontmoet je de schrijver Arthur van Schendel en collega-schilder William De Gouve Nunques, die beide door Toorop geportretteerd werden. Vrienden uit latere periodes zijn eveneens vertegenwoordigd: Floris Verster, Jan Veth, Thorn Prikker, Piet Mondriaan, Leo Gestel, Jan Verkade en Jan Sluijters. Ook Toorops dochter Charley heeft met een zelfportret een plek gekregen. Geflankeerd door haar zoon Edgar Fernhout en haar vader kijkt zij de beschouwer vastberaden aan. Het door haar geschilderde busteportret dat Johan Rädecker van Jan Toorop maakte is in dezelfde zaal te zien. 

Religieus bevlogen kunstenaar 
Tenslotte wordt een belangrijk aspect van Toorops persoonlijke leven belicht. In 1905 gaan Jan en Charley in navolging van Annie, over tot het Rooms-Katholieke geloof. De 47-jarige Toorop zocht kennelijk houvast in tijden van afnemende gezondheid en toenemende huwelijksproblemen. Gedreven door ‘altijd een onzichtbare engel die mij voortstuurt’ legt Toorop zich toe op religieus werk, waarin hij zijn missie letterlijk en figuurlijk rechtlijnig evoceert, zoals in De Pelgrim uit museum Catharijneconvent. 

Jan Toorop, De Elfde Statie, Christus wordt aan het kruis genageld, 1916-1918. Krijt op paneel, 64 x 76 cm. Sint Bernulphuskerk, Oosterbeek. Foto Cathy Otten.

In deze levensfase was Toorop bevriend met de veel jongere streng katholieke dichteres Miek Janssen, in wie hij een geestverwant vond. Zij inspireerde hem tot het vervaardigen van veertien kuiswegstaties voor de St. Bernulphuskerk in Oosterbeek. De tussen 1916-1918 vervaardigde reeks is in zijn geheel in de Van den Brink Galerij te zien.

Jan Toorop, Oh, grave where is thy victory, 1892. Potlood en krijt op papier, 60 x 75 cm. Rijksmuseum, Amsterdam.

Het portret dat Toorop van zijn muze tekende en haar publicatie over zijn kruiswegstaties worden hier getoond. Wanneer Toorop ten gevolge van een vergevorderde staat van syfillis in een rolstoel belandt is Miek zijn steun en toeverlaat. Bij het zien van de welhaast psychedelisch aandoende, grijpende figuren in Toorops symbolistische Oh, Grave where is thy victory  rijst de vraag of deze beangstigende beelden slechts gebaseerd zijn op een ongebreidelde fantasie of het gevolg zijn van neurosyfilis waarin de patiënt wordt geplaagd door hallucinaties en paranoia. 

In de zaal met stemmige, monotoon getinte religieuze werken lijken enkele vrolijk gekleurde Zeeuwse doeken uit de toon te vallen. Schijn bedriegt. Via de markante kop van een Zeeuwse boer, geplaatst voor de façade van een Gotische kerk met Bijbelse scènes, wordt de relatie duidelijk. In Domburg raakte Toorop gefascineerd door de vroomheid van de Zeeuwen. 

Jan Toorop (1858-1928), Het hoofd van een man van Walcheren, staand voor een Gotisch reliëf, 1904. Houtskool & krijt op papier. Part. collectie. Foto: Marina Marijnen

Gelet op de fijne detaillering van de gerimpelde kop, de blauwe ogen en de kleuraccenten verdient Toorop wellicht als tekenaar nog meer bewondering dan als schilder. Het stroblonde kapsel van de man, model polka, is naar de toenmalige mode zeer modern, maar of de aan zijn knopen herkenbare Zeeuwse boer echt een paars jasje droeg… 

Jan Toorop (1858-1928), De appelplukkers, 1905. Detail. Olieverf op doek. Particuliere collectie. Foto: Marina Marijnen

Met de prominent in beeld gebracht werkhanden van de Rustende boer en de ogenschijnlijk idyllische in divisionistische toets geschilderde Appelplukkers brengt Toorop de door hem geïdealiseerde Christen-arbeid in beeld. Van hun godsdienstige levenshouding en de werken hunner handen plukken zij de vruchten.

De expositie besluit met een aantal kleurrijke, luministische werken die Toorop en tijdgenoten rond 1910 schilderden. Ze werden eerst in Domburg en later bij de Moderne Kunstkring in Amsterdam getoond. Een Zonsopgang van Jan Sluijters en een Herfstboom van Leo Gestel, waar de kleuren van afspatten. Bijzonder is Toorops in expressionistische stijl geschilderde beeltenis van Prof. Dr. J.H. Schrörs. Zijn krachtige karakter lijkt goed getroffen, maar de hooggeleerde Schrörs dacht er zelf anders over. Met Piet Mondriaans geabstraheerde impressie van Zee na zonsondergang uit 1909 ving in Domburg een nieuw hoofdstuk in de Nederlandse kunstgeschiedenis aan. Dit verhaal wordt vervolgd in de aan Mondriaan gewijde zalen van het Haagse Kunstmuseum.

Piet Mondriaan, Zee na zonsondergang, 1909. Karton 63 x 75 cm. Kunstmuseum Den Haag.

Verder lezen:

S. Veldink e.a., De Werelden van Jan Toorop, Singer Laren, 2026.

Link: Singer Laren

NB. Reserveren verplicht ook met een MJK

Breitner herontdekking van een Oerkunstenaar. Tot en met 8 september in Singer Laren.

George Hendrik Breitner, Cavalerie, 1883-1888. Kunstmuseum Den Haag.

Denkend aan George Hendrik Breitner (1857-1923) zie ik een indrukwekkende scène van exercerende cavaleristen op het strand. In mijn fantasie hoor ik het gedreun van de paardenhoeven! Voor mijn geestesoog doemt een meisje op in een rode kimono. Zij vlijt zich neer op een dag-bed. Ik dacht dat Geesje Kwak model stond voor de kimonomeisjes. Het tienermeisje poseerde regelmatig voor Breitner maar in het bijschrift van het in Laren getoonde schilderij lees ik een andere naam: Anna.                                                                  

In de boeiende expositie Breitner versus Israëls die het Haagse Kunstmuseum in 2020 presenteerde, las ik dat beide kunstenaars destijds om Geesje vochten! Besteld door Breitner zou Israëls -met wie hij destijds onder een dak woonde- het model op de overloop van hem hebben weggekaapt. Wat hij met haar gedaan heeft weet ik niet. In het oeuvre van Israëls neb ik haar niet terug kunnen vinden.

George Hendrik Breitner, Meisje in rode kimono. Kunstmuseum Den Haag

In Laren worden deze zomer zeventig schilderijen en werken op papier van Breitners hand getoond. De expositie begint met een keur aan studies en schilderijen met paarden, zoals de monumentale impressie van de aanstormende Cavalerie. In de volgende zalen zie je diverse in een somber palet geschilderde stadsgezichten. Nocturnes van dromerige trekkers van de paardentram en een regenachtige impressie van De Dam uit 1896. Aan de door Breitner goed getroffen sfeer van een regenachtige dag, zou de uitdrukking Breitnerweer ontsproten zijn. Niet zelden wordt Breitner getypeerd als de ‘Nederlandse impressionist’, maar in vorm en kleur komt Breitner eerder als een expressionist uit de verf. Met zijn krachtige uitdrukkingsvolle toets was hij zijn tijd vooruit. Evenals de iets latere expressionisten gaf Breitner de werkelijkheid in vaak heftige kleuren en vervormde beelden weer. Deze manier van werken werd overigens niet door iedereen gewaardeerd: ook al was de sfeer goed getroffen, critici met een academische bril verweten Breitner gebrek aan techniek.

Tot heden werd zijn werk veelal vanuit zijn stedelijke onderwerpen en zijn fotografie belicht, maar in de huidige tentoonstelling ligt de focus op zijn artistieke kwaliteiten.

G.H. Breitner, De Dam, 1896. Stedelijk Museum, Amsterdam.

Anders dan de vroege, in gedempte tonen geschilderde impressies van militairen en stadsgezichten hanteerde Breitner voor zijn latere werken een kleurrijker palet.

De catalogus onthult dat Breitner tijdens een ziekenhuisopname tijd had voor reflectie. Behalve het overdenken van zijn zonden -hij had een geslachtsziekte opgelopen- dacht hij na over zijn toekomstige carrière. Hij besloot de ingeslagen weg van historieschilder te verlaten en zich voortaan, evenals collega-schilders van de Haagse School, toe te leggen op scènes uit het hier en nu. Tijdens een gezamenlijke klus, het schilderen van Panorama Mesdag had Breitner kennis kunnen maken met hun kunstzinnige ideeën.

De X-factor
Om succesvol te worden had een schilder behalve de nodige artistieke vaardigheden en verbeeldingskracht nòg iets nodig: de X-factor. Het staat er echt! Ten onrechte dacht ik dat dit ongrijpbare ingrediënt sinds de gelijknamige op de teevee getoonde talentenjacht een nieuwerwetse notie was. In 1882 benoemde Breitner deze mysterieuze component echter al in een brief aan zijn beschermheer Adriaan Pieter van der Stolk. Wat dit ook mag wezen… Breitner had het!

Dit dus, artistieke skills, maar ook invloeden van collega-schilders. Terwijl ik door de expositiezalen dwaalde meende ik invloeden te ontdekken van o.a. Antonio Mancini, Edgar Dégas en Vincent van Gogh, met wie Breitner in het ziekenhuis kennis had gemaakt. Breitners mysterieuze impressie van een maan beschenen landschap, roept een herinnering op aan Van Goghs Onkruid verbrandende boer uit 1883. Echo’s van dit vuur kom je in de achtergrond van Breitners Maannacht, tegen. Kennelijk heb ik dit goed gezien, het bijschrijft leert dat Breitner het in 1885 in Drenthe schilderde. Tussen de talrijke epistels van Van Gogh vonden de samenstellers van de tentoonstelling een toepasselijke van dit contact getuigende opmerking: …’hij [Breitner] tekent heel handig!’…

George Hendrik Breitner, Maannacht, 1885, olieverf op doek, 70,5 × 100,5 cm, Musée d’Orsay, Parijs

Gastcurator Suzanne Veldink, die eerder de tentoonstelling over Suze Robertson samenstelde, licht toe dat Breitner in zijn jonge jaren nog zoekende was. In Parijs raakte Breitner inderdaad onder de indruk van werken van Edgar Dégas en Edouard Manet. In Breitners straatscènes en naaktschilderingen zijn zowel thematisch als technisch invloeden van deze kunstenaars aanwijsbaar. Een daarvan de zogeheten ‘tache’; een krachtige puntige toets, kun je ook zonder ongeoefend kunsthistorisch oog zien  in het doek Aan Boord.  

George Hendrik Breitner, Aan boord, ca. 1897, olieverf op doek, 57 × 59 cm, Stedelijk Museum Amsterdam, schenking Vereeniging tot het Vormen van eene Openbare Verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam (VVHK)

Het ging Breitner, aldus Veldink, niet zozeer om de onderwerpen dan wel om de manier waarop hij die in beeld bracht. Hij experimenteerde daarbij met expressief kleur- en lijngebruik. De in zijn werk gesuggereerde beweging en het ontbreken van details doen vermoeden dat hij deze in een mum van tijd heeft opgezet. Onderzoek van voorstudies en foto’s wijst echter uit dat aan de totstandkoming van zijn werk een doordacht proces voorafging. Dat Breitners werken de indruk wekken niet af te zijn is geen probleem. Het op het netvlies ontvangen ogenschijnlijk onvoltooide beeld wordt door het brein van de beschouwer afgemaakt!

In de catalogus wordt een link gelegd naar het gedachtengoed van de Tachtigers. Een kring van jonge schrijvers en kunstenaars als Jan Veth, Willem Witsen, Jacques  Van Looy en Lodewijk van Deyssel. Zij streefden naar een nieuwe van academische richtlijnen bevrijde kunst. Kunst omwille van de kunst, niet gedicteerd door regels van esthetiek en moraal. In de catalogus lees je hoe de non-conformist Breitner perfect paste bij de vrijgevochten idealen van de Tachtigers.

Breitner was niet de enige die het over een andere boeg gooide. Ook collega-schilders Anton Mauve, Jacob en Willem Maris experimenteerden met vorm en kleur. Maar met zijn niet zelden verrassende perspectieven en invalshoeken onderscheidt Breitner zich. Zijn blik was gekleurd door de destijds in opkomst zijnde fotografie. Bij een snelle snapshot worden vaak onbedoeld bepaalde delen van het gefotografeerde onderwerp afgesneden. Evenals zijn Franse collega’s paste ook Breitner dit gegeven bewust als artistieke nouveauté in zijn composities toe.  

Dit kan nauwelijks beter worden geïllustreerd dan met de krachtige voorstelling van een deels door de lijst afgesneden jonge vrouw, die met haar mand op weg is naar de markt. Het doek Naar de markt van ca. 1897 is sinds kort in permanent bruikleen van de RCE in de vaste opstelling van Singer Laren te zien.  

George Hendrik Breitner, Naar de markt, ca. 1897. Singer Laren. Permanente bruikleen van de RCE.

Behalve de reeds genoemde vermaarde werken worden in deze expositie ook minder bekende schilderijen uit privécollecties getoond.
Opzienbarend -toen en nu- zijn Breitners doeken met levensgrote naakten. Een genre waarin ook zijn jongere collega Jan Sluijters zich meermaals heeft uitgeleefd. Maar anders dan Sluijters bereikt Breitner daarin de ultieme suggestie van -goed kijken- een volumineus vrouwelijk lichaam. Het doek Naakt met zwarte kousen op een bed vormt in zijn oeuvre en in dit genre in het algemeen een absoluut hoogtepunt. Deze krachtige, kleurrijke schilderwijze bezorgde Breitner de in de subtitel genoemde bijnaam ‘schilderbeest’. Dat dit predicaat in 1941 door een criticus niet aan Breitner, maar aan de woest schilderende Jan Sluijters werd toegedicht doet er niet toe. Ook Breitner ging in vorm en kleur vaak beestachtig te werk!

Oordeelt u zelf: dat kan nog de hele zomer tot en met 8 september!

George Hendrik Breitner, Naakt met zwarte kousen op een bed, ca. 1889-1890,
olieverf op paneel,20,3 × 30,5 cm, Fondation Custodia, Collectie Frits Lught, Parijs

Link: Singer Laren Breitner

Frisse Wind; Impressionisme van het Noorden. Tot 6 mei in Singer Laren.

Peder Severin Krøyer, Anna Ancher en Marie Krøyer op het strand van Skagen , 1893

Na de succesvolle tentoonstelling La Grande Bleu is het alweer feest in Singer Laren. Tijdens de goed bezochte opening van Frisse Wind gaf conservator Anne van Lienden een sprankelende inleiding over de hoofdrolspelers in de expositie, die in samenwerking met het Museum Kunst der Westküste en het Landesmuseum Hannover tot stand kwam.

Evenals hun Franse en Nederlandse kunstbroeders gaven de impressionisten van het Noorden de door hen waargenomen wereld met vlotte, kleurrijke penseelstreken weer. Vergelijkbaar met de toets van Claude Monet, Jan Hendrik Weissenbruch en Johan Barthold Jongkind, maar toch anders!

De benaming van de stroming waartoe de nu getoonde werken gerekend worden begon als scheldwoord. Zo’n 150 jaar geleden gooide een groep Franse kunstenaars het roer om. In plaats van landschappen en portretten in academische stijl brachten Claude Monet, Auguste Renoir, Berthe Morisot, Alfred Sisley, Camille Pissarro en anderen hun onderwerpen met snelle toets in beeld. Traditionele regels ten aanzien van kleur en perspectief werden losgelaten. Het effect van licht speelde een grote rol in hun werk.  Toen zij niet werden toegelaten tot de officiële Salon organiseerden deze modernisten in 1874 een eigen tentoonstelling in de studio van de destijds bekende fotograaf Nadar. Kunstcriticus Louis Leroy vond hetgeen hij daar zag maar niets. Afgaande op een doek met een vage weergave van een zonsopgang door Claude Monet getiteld Impression Soleil Levant, bestempelde Leroy de exposanten als de impressionisten. En dat was niet als compliment bedoeld. De negatieve publiciteit had evenwel een aanzuigende werking. Zo’ n 3500 nieuwsgierige bezoekers hadden er 1 Franc voor over om deze vreemde schilderijen te mogen zien!
Buitenlandse kunstenaars waren wel oprecht geïnteresseerd in deze nieuwe stijl. Al in 1880 was werk van Franse impressionisten in de Hamburgse Kunsthalle te zien. Max Liebermann, Max Slevogt en Lovis Corinth, die de academische regels eveneens loslieten, waren enthousiast.

Het duurde nog even voor het publiek de creaties van deze nieuwlichters kon waarderen, maar in de late 19e en vooral 20e eeuw veroverden de impressionisten de kunstwereld. Niet alleen in Frankrijk en Nederland, maar ook in Denemarken en Duitsland. In de vroege 20e eeuw waren Franse impressionisten al in Duitse musea te zien. Ook de kunstverzameling van Keizer Wilhelm II telde in 1908 al werken van Cézanne, Toulouse-Lautrec, Dégas en Monet.

Alles in de wind
Bijzonder leuk is Max Liebermanns letterlijk en figuurlijk met vaart geschilderde impressie van een vrouw die op een winderige dag de was ophangt.

Max Liebermann (1847-1935) Was drogen – De bleek 1890, Olieverf op paneel 26,5 × 37,5 cm Museum Kunst der Westküste, langdurig bruikleen uit particulier bezit

In de met frisse kleuren geschilderde tentoonstellingszalen is te zien hoe deze Noorderlingen en hun Nederlandse collega’s zich lieten inspireren door thema’s als Licht, Land, Stad, Strand, Reizen en Winter.                                                                      

Behalve doeken van Johan Barthold Jongkind, Anton Mauve, George Hendrik Breitner en Jan Toorop ziet de bezoeker werk van Fritz Mackensen en de reeds genoemde Duitsers. Denemarken is vertegenwoordigd door Anna en Michael Ancher, Peder Severin Krøyer en Viggo Johansen. Elke nationaliteit heeft haar eigen klankkleur. Terwijl de Franse impressionisten vooral in lichte, zonnige tinten werkten, hanteerden de Nederlanders een meer gedempt, soms zelfs somber palet. Het werk van de Noorderlingen is licht van kleur en vaak voorzien van een zweempje blauw. De typische tint van de Deense hemel na zonsondergang en voor het vallen van de avond; het zogeheten blauwe uur.  

Het is goed te zien in het campagnebeeld van de tentoonstelling. Het portret van twee op de rug geziene vrouwen die, niet bezorgd om de zomen van hun japon, langs de vloedlijn wandelen. In 1893 portretteerde Peder Severin Krøyer zijn echtgenote Marie en haar vriendin de kunstenares Anna Ancher tijdens een verblijf op Skagen. Ze waren in deze stad op het noordelijke puntje van Jutland neergestreken om de lokale vissers te schilderen. Het blauw van de lucht en dat van het water, gaat welhaast vertigo veroorzakend in elkaar over. In de japonnen van de dames – welke tint hebben die eigenlijk? – tovert Krøyer met kleur!

Bijzonder is ook de combinatie van dat blauwe uur met de vuurgloed op de gezichten van de figuren in Laurits Tuxens Sint-Jansvuur op het strand dat hij in 1920 eveneens op Skagen schilderde.

Laurits Tuxen (1853-1927) Sint-Jansvuur op het strand van Skagen 1920 Olieverf op doek 110 × 88 cm Museum Kunst der Westküste

Licht en wat dat element doet met kleur is in in de eerste zaal op alle mogelijke manieren te zien. Door de in dialoog gepresenteerde werken laten de Duitse, Deense en Nederlandse meesters zich goed vergelijken. In een typisch Hollands Polderlandschap met molens van Jan Hendrik Weissenbruch raakt de zon de wolken, die in het water worden weerspiegeld, licht aan. Het is een mooi voorbeeld van de invloeden van de School van Barbizon en het Franse impressionisme die Nederland rond 1870 bereikten. Vanuit Parijs brachten Jozef Israëls en andere schilders van de Haagse School ze mee naar huis. In hun poging om een indruk of stemming op het doek te vangen waren zij vooral geboeid door wisselende atmosferische omstandigheden. Daarvan getuigt ook George Hendrik Breitners weergaloze impressie van het natte plaveisel van de Dam met de Nieuwe Kerk uit 1891.

Weissenbruch verwoordde het zo: …’Licht en lucht: dat is de kunst! Ik kan in mijn schilderijen, vooral in de luchten, nooit genoeg licht brengen’…    

Schetsmatige impressies
De stijl van de Nederlandse impressionisten werd geleidelijk aan steeds schetsmatiger. Interessant is het onderlinge contact tussen de Nederlandse, Franse, Duitse en Deense kunstenaars. Jozef Israëls introduceerde Max Liebermann bijvoorbeeld in Laren. En ook Jan Toorop speelt een verbindende rol. Uit de vaste collectie van het museum ziet de bezoeker verschillende doeken met paarden en het lieflijke meisje op klompen, dat in 1897 onder hoge bomen van de Larens Brink naar school liep. Het zonlicht valt, goed waargenomen, door het bladerdak op haar gezicht haar schort en het pad.

Max Liebermann Lopend meisje, 1897

In de expositie worden meer schilderijen getoond die in het kunstenaarsdorp Laren en omstreken tot stand kwamen, zoals de kleurrijke impressie van een Blaricumse boer door Co Breeman. David Schulmans Boerderij in de sneeuw dat in de laatste aan het thema winter gewijde zaal te zien is, ontstond eveneens in Laren. Deze winkelier van schilders benodigdheden aan de Larense Brink nam in 1915 niet onverdienstelijk zelf het penseel ter hand.

David Schulman (1881-1966) Boerderij in de sneeuw, 1915, Olieverf op doek, 52,5 × 72,5 cm Singer Laren

Ook Henry William Singer Jr. de stichter van het Singer Museum kreeg een soortgelijke aanvechting.  Van zijn hand ontdekte ik een Sisley-achtige impressie van de inmiddels onherkenbare tuin van Villa de Witte Zwanen. Singer was geïnspireerd door de tuinschilderijen van de zogeheten Givernisten, die hun ideeën opdeden in de tuin van Claude Monet in Giverney.  
Liefhebbers van groen kunnen in deze expositie hun hart ophalen. Max Liebermann gaf in 1914 met pasteuze toets een welhaast expressionistische impressie van zijn moestuin aan de Wannsee nabij Berlijn. Wie de film Conspiracy zag, gefilmd in een prachtige buitenplaats aan de Wannsee krijgt bij het lezen van deze plaatsnaam wellicht een inktzwarte herinnering. De top van de SS kwam hier bijeen om het ‘Jodenvraagstuk’ te bespreken. Lovis Corinth gaf een nog onstuimiger, woest geschilderde impressie van zijn tuin aan de Walchensee in Beieren, een locatie die minder beladen herinneringen genereert.

1.Max Liebermann (1847-1935) De moestuin in Wannsee naar het noordoosten c. 1929, Olieverf op doek 40 × 50,5 cm Museum Kunst der Westküste
2.Lovis Corinth (1858-1925) Tuin in Urfeld am Walchensee 1923 Olieverf op lindenhout |32,6 × 44,2 cm Landesmuseum Hannover

Het heerlijke portret van een Meisje met zonnehoed situeerde Jo Koster in 1911 voor het decor van een op Vincent Van Goghs tuin van Daubigny geïnspireerde achtergrond. Jo Koster is naast Anna Ancher en Arina Hugenholz een van de weinige vrouwelijke exposanten. Nadat zij de zogenoemde ‘damesschilderklas’ aan de Rijksacademie in Amsterdam had doorlopen begon Arina Hugenholz op advies van Mauve in de openlucht te tekenen. Getuige het idyllische Kinderen aan een hek sloeg zij deze raadgeving niet in de (frisse) wind.  

Arina Hugenholtz (1848-1934) Kinderen aan een hek onged. Olieverf op doek 36 × 46 cm, Singer Laren

Karl Hagemeister tenslotte zoemt in zijn letterlijk en figuurlijk bedwelmende Witte Papaver uit 1881 in op een uitsnede, waarin hij de natuur, zonder menselijke figuren, de hoofdrol geeft.  

Strand- en zeegezichten
Talrijk zijn impressies van Hollandse en Deense strand- en zeegezichten. We keren nog even terug naar Skagen waar Laurits Tuxen in 1908 een betoverende impressie van de zee vastlegde.  In zijn recensie in de NRC van 18 januari jl. noemt Gijsbert van der Wal deze Frisse dag in Juni het mooiste schilderij op de tentoonstelling. Een werk om lang bij stil te staan en dan, heel geestig verwoord: …’als de suppoost even niet kijkt, in weg te zwemmen’… En inderdaad: de branding is zo natuurgetrouw weergegeven dat je er in zou willen duiken!

Laurits Tuxen (1853-1927) Frisse junidag op Skagen 1908 Olieverf op doek 46 × 64 cm Museum Kunst der Westküste

Enkele bekende strandgezichten uit de eigen collectie van Singer Laren zijn ook present, zoals mijn favoriete doek van Ferdinand Hart Nibbrig, waarin hij met pointillistische toets een betoverende impressie geeft van Zeeuwse meisjes in de duinen van Zoutelande. Heel anders van toon en stijl is de schetsmatige impressie die Max Liebermann rond 1899 geeft van badende jongens in Zandvoort. Bijzonder leuk is zijn met schwung geschilderd partijtje tennis op een Noordzeestrand. Een sport die, destijds nog maar net uit Engeland overgewaaid, ook door dames van stand werd beoefend. Wat zullen ze het onder hun hoeden en lange japonnen warm gehad hebben!

Verrassend is een klein schetsmatig strandgezicht met een enkel figuurtje in de branding en aan de horizon het silhouet van de Pier van Scheveningen. Met enig ongeloof ontwaar ik in rood de signatuur van niemand minder dan Kandinsky!  

Wassily Kandinsky (1866-1944) Scheveningen – Strand 1904 Olieverf op doek op board | 23,7 × 32,7 cm Museum Kunst der Westküste

Onder de noemer Stad valt een in grijs en okertonen geschilderd stadsgezicht van Frankfurt op. Beetje saai misschien, maar met het hondje dat de boomstam links als pispaaltje gebruikt, voorzag Max Slevogt het werk van een anekdotisch detail.  

Max Slevogt (1868-1932) Gezicht op Frankfurt, 1911, Olieverf op doek 64,5 × 74,4 cm Landesmuseum Hannover, langdurig bruikleen van de stad Hannover

Van zijn hand zie je ook een bijzonder goed getroffen impressie van een meisje dat in de dierentuin stilstaat bij het leeuwenverblijf. Door het lage standpunt waarmee de schilder de scène in beeld brengt wordt het machtige voorkomen van de koning der dieren, zelfs in liggende houding, benadrukt!  

Max Slevogt (1868-1932) Meisje voor de leeuwenkooi , 1901 Olieverf op doek54,5 × 81,5 cm Landesmuseum Hannover

Ook het thema reizen komt aan bod. Door de aanleg van de spoorwegen werden velerlei gebieden voor reizigers en kunstenaars bereikbaar. Op pittoreske plekken als Laren, Worpswede in Noord-Duitsland en het Deense Skagen ontstonden kunstenaarskolonies.  

In de tentoonstelling brengt het spoor de bezoeker niet alleen daar, maar ook in Amsterdam, Frankfurt, Berlijn, Rome, Pompeï en Zuid-Frankrijk. Vandaar stak Hart Nibbrig zelfs over naar Algerije. Het landschap dat daar in 1905 ontstond was in de vorige tentoonstelling La Grande Bleu ook te zien. 

Het kompas van Louis Apol wees in tegengestelde richting. Een monumentaal doek met een Noors Fjord herinnert aan de Poolexpeditie waar Apol in 1880 aan deelnam.

Louis Apol (1850-1936) Een Noors fjord c. 1880 Olieverf op doek 80 × 121,5 cm Museum Kunst der Westküste

Het laatste thema van de tentoonstelling, Winter, sloot tijdens de opening toepasselijk aan bij de actuele weersgesteldheid van die dag. Hier zie je sneeuwlandschappen van Anton Mauve, Willem Witsen en een knisperend op de 17e -eeuwse wintergezichten van Avercamp geïnspireerd doek met ijsvermaak door Johan Barthold Jongkind. Het doek, waarin hij de houding van de schaatsers goed getroffen heeft en waarin je zelfs heel geestig, een figuur onderuit ziet gaan, is een bruikleen van Museum Kunst der Westküste.

Johan Barthold Jongkind (1819-1891) Schaatsers bij Maassluis , 1866 Olieverf op doek,
33,5 × 51 cm Museum Kunst der Westküste

Bekijk na het zien van Frisse Wind de monumentale met brede toets opgezette Zeegezichten van Jochen Hein in de Van den Brink Galerij. Impressies van een nu eens woest kolkende- en na de storm weer tot rust gekomen gladde zee. De schilder nodigt te kijker uit om de zeegezichten op je netvlies te ontvangen en de beelden in je hoofd af te maken.

Link: Singer Laren, Frisse wind

Geverifieerd door MonsterInsights