De Werelden van Jan Toorop, tot en met 10 mei in Singer Laren

J. Toorop, Zelfportret met rode baret, 1881. Waterverf op aquarelpapier, 29 x 19 cm. Singer Laren. Bruikleen uit particulier bezit

In de zomers van de vroege twintigste eeuw was Jan Toorop (1858-1928) steevast in het landelijke Domburg te vinden. Weg van de grote stad en de oprukkende industrialisatie. Bij het horen van de naam Toorop denken kunstliefhebbers wellicht aan deze episode uit zijn carrière. In deze jaren schilderde de sociaal geëngageerde kunstenaar het eenvoudige leven van hardwerkende boeren en struise boerinnen. 

In de tentoonstelling Jacoba van Heemskerck x Marie Tak van Poortvliet besteedde het Haagse Kunstmuseum onlangs ook aandacht aan Toorop en bevriende avant-gardisten als Piet Mondriaan en Ferdinand Hart Nibbrig, die eveneens inspiratie vonden in de Zeeuwse badplaats.  Gezamenlijk organiseerden zij exposities in een door Toorop ontworpen tentoonstellingsgebouwtje. Tijdens een winterstorm in 1921 werd het zogenoemde ‘kotje’ van Toorop omvergeblazen. In 1994 werd het herbouwd als het Marie Tak van Poortvliet Museum.

Jan Toorop, De vissersvloot van Veere, 1907. Karton 47,7 x 62,2 cm. Centraal Museum Utrecht

Met zijn Zeeuwse- en vroegere symbolistische werken heeft hij naam gemaakt. De tentoonstelling in Laren laat zien dat Toorop vrijwel alle avant-garde stromingen heeft geprobeerd. Je ziet schilderijen neergezet in een impressionistische-, pointillistische- en divisionistische toets en werken in de Art Nouveau of Jugendstil. Wegens deze experimenten is hij wel gekarakteriseerd als een kameleon.
In de overzichtstentoonstelling die het Haagse Kunstmuseum in 2016 organiseerde, waren deze uiteenlopende stijlen te zien, maar één ding ontbrak. Met aandacht voor een onderbelichte kant van de kunstenaar heeft conservator Suzanne Veldink dit hiaat opgevuld. 

Indische jongen

Jan Toorop, Zelfportret, 1881. Waterverf, krijt op papier. Rijksmuseum, Amsterdam

Jan Toorop werd op 20 december 1858 op Java geboren. Zijn vader was een Hollander in dienst van de staat der Nederlanden. Zijn moeder was van gemengde afkomst. Jan was in het taalgebruik van die dagen een Indo. Zoals veel kinderen van ambtenaren in het voormalig Nederlands-Indië werd Jan als 10-jarige voor scholing naar Nederland gestuurd. 

Na de HBS studeerde hij een paar jaar aan de Polytechnische School in Delft, maar omdat zijn hart elders lag verlegde hij zijn koers. Aan de Kunstacademies van Amsterdam en Brussel bekwaamde hij zich in de teken- en schilderkunst. In Machelen nabij Brussel werkte hij samen met de symbolist William Degouve Nuncques. In 1885 werd hij lid van de kunstenaarsgroep Les XX. In het gezelschap van avant-gardistische schrijvers en kunstenaars als Emile Verhaeren, Maurice Maeterlinck, Fernand Khnopff en James Ensor voelde Toorop zich als een vis in het water. Nadat hij in Parijs kennis had gemaakt met het pointillisme van Georges Seurat en Paul Signac sloeg ook hij aan het stippelen.  

Tot nu toe werd Toorop in de kunsthistorische literatuur beschreven als een vernieuwende Nederlandse kunstenaar, maar in zijn vroege zelfportretten komt hij veeleer als een Indische jongen uit de verf. Zijn Aziatische afkomst is decennialang ‘witgewassen’, aldus Veldink. Met begrippen als ‘koloniale migrant’ en ‘man van kleur’ wordt zijn profiel naar hedendaagse criteria geactualiseerd. De tentoonstelling geeft Toorop zijn …’deels Javaanse en Chinese identiteit terug’

Met correspondentie, werk van tijdgenoten en navolgers wordt de historische context geschetst.    

Dankzij zijn beminnelijke aard en exotische voorkomen werd Toorop door velen bewonderd, maar in een door ras-denken gedomineerde Nederlandse samenleving hielden verschillende vrienden bepaalde reserves, aldus Veldink. Frederik van Eden, voor wiens boek Eucharistia. Verbum Pacis Toorop in 1924 de illustraties verzorgde, noteerde in zijn dagboek: …’Ik mag hem graag, maar voel eenig ras-verschil in zijn karakter’…

Met ruim tachtig schilderijen en tekeningen wordt een nieuw perspectief geboden op de Javaans-Nederlandse avant-gardist. 

De beelden spreken voor zich. In zijn Zelfportret met Javaans gewaad uit de vroege tachtiger jaren, beeldde hij zich af tijdens het mandiën, Maleis voor badderen. Naast het portret wordt een antieke doek met soortgelijke gebatikte motieven getoond. De baan met langwerpige driehoeken is samengesteld uit zogeheten Tumpal motieven. De dragers van magische krachten, waarover Louis Couperus schrijft in De Stille Kracht. In de op deze roman gebaseerde televisieserie uit 1974, waarin Pleuni Touw als echtgenote van de resident, overspel pleegt met Willem Nijholt als haar stiefzoon, vinden in het washok beangstigende, door onzichtbare krachten in gang gezette gebeurtenissen plaats.  

Jan Toorop, Zelfportret met Javaans gewaad,1880-1883. Doek op paneel, 26 x 18 cm. Part. Coll.

Ook in Toorops werk uit de negentiger jaren zijn herinneringen aan zijn geboorteland aanwijsbaar. De in beweeglijke lijnen vormgegeven symbolistische creaties vertonen echo’s van het met wajangpoppen gespeelde Indische schimmenspel. Deze invloed is ook herkenbaar in de door hem ontworpen boekomslag van Louis Couperus roman Metamorfoze. Aan Toorops reclameaffiche voor Delftsche Slaolie dankt de Art Nouveau in ons land haar naam slaolie-stijl.  

Jan Toorop, Delftsche Slaolie, 1894. Litho 95 x 63 cm. Rijksmuseum Amsterdam

De vernieuwde kijk op Toorop is in samenwerking met Museum Sophiahof tot stand gekomen. Deze Haagse instelling bewaart en bestudeert de culturele en historische erfenis van Nederlands-Indië. De kennis over de voormalige kolonie en de Indische Nederlanders die naar Holland kwamen begint te vervagen. Na zeventig jaar hebben deze verhalen plaats gemaakt voor die van nieuwe immigranten. De ooit populaire Indische romans van Hella Haasse (Oeroeg) en Yvonne Keuls (Indische tantes) en de humoristische sketches van Wieteke van Dordt als Tante Lien zijn inmiddels niet meer van deze tijd. 

Artistieke omnivoor 
In de kleurrijke expositie verandert Toorop van ongrijpbare kameleon in een veelzijdige artistieke omnivoor. Naast de al genoemde invloeden vond hij inspiratie bij Paul Gauguin en James McNeil Whistler. In Londen zag Toorop Whistlers als Symphonies in White aangeduide vrouwenportretten. Daarop geïnspireerd ontstond in 1885 het portret van zijn in het wit geklede verloofde Annie Hall, met wie Toorop in 1886 zou trouwen. Deze stijl sprak ook Menno Kamerlingh Onnes aan. Hij portretteerde zijn zuster Jenny ook in het wit. Evenals Toorop modelleerde hij de japon in robuuste met het paletmes aangebrachte streken.   

J. Toorop, Portret van Annie-Hall in Lissadell, 1885. Doek 99 x 73 cm. Stedelijk Museum Amsterdam

Voor de beeldvullende weergave van de woelige baren die Toorop in navolging van Hendrik Willem Mesdag en James Ensor schilderde, nam hij het paletmes eveneens ter hand.  

Jan Toorop, De zee, 1887,olieverf op doek, 74,4 x 65,9 cm Bruikleen van het
Rijksmuseum, Amsterdam. Schenking van mevrouw I. Lohr, Baze

Geïnspireerd door tijdgenoten ontwikkelde Toorop een eigen unieke beeldtaal, waarin Europese- en Javaanse elementen samen komen. 

Charley Toorop, Drie generaties, 1941-1950. Doek 200 x 121 cm. Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam. Foto Studio Tromp

De in Laren gepresenteerde historische context zorgt voor een beter begrip van Toorop in de rol van vernieuwer. Als een netwerker avant-la-lettre onderhield Toorop vriendschappelijke contacten met tal van tijdgenoten. In de chronologisch ingedeelde zalen ontmoet je de schrijver Arthur van Schendel en collega-schilder William De Gouve Nunques, die beide door Toorop geportretteerd werden. Vrienden uit latere periodes zijn eveneens vertegenwoordigd: Floris Verster, Jan Veth, Thorn Prikker, Piet Mondriaan, Leo Gestel, Jan Verkade en Jan Sluijters. Ook Toorops dochter Charley heeft met een zelfportret een plek gekregen. Geflankeerd door haar zoon Edgar Fernhout en haar vader kijkt zij de beschouwer vastberaden aan. Het door haar geschilderde busteportret dat Johan Rädecker van Jan Toorop maakte is in dezelfde zaal te zien. 

Religieus bevlogen kunstenaar 
Tenslotte wordt een belangrijk aspect van Toorops persoonlijke leven belicht. In 1905 gaan Jan en Charley in navolging van Annie, over tot het Rooms-Katholieke geloof. De 47-jarige Toorop zocht kennelijk houvast in tijden van afnemende gezondheid en toenemende huwelijksproblemen. Gedreven door ‘altijd een onzichtbare engel die mij voortstuurt’ legt Toorop zich toe op religieus werk, waarin hij zijn missie letterlijk en figuurlijk rechtlijnig evoceert, zoals in De Pelgrim uit museum Catharijneconvent. 

Jan Toorop, De Elfde Statie, Christus wordt aan het kruis genageld, 1916-1918. Krijt op paneel, 64 x 76 cm. Sint Bernulphuskerk, Oosterbeek. Foto Cathy Otten.

In deze levensfase was Toorop bevriend met de veel jongere streng katholieke dichteres Miek Janssen, in wie hij een geestverwant vond. Zij inspireerde hem tot het vervaardigen van veertien kuiswegstaties voor de St. Bernulphuskerk in Oosterbeek. De tussen 1916-1918 vervaardigde reeks is in zijn geheel in de Van den Brink Galerij te zien.

Jan Toorop, Oh, grave where is thy victory, 1892. Potlood en krijt op papier, 60 x 75 cm. Rijksmuseum, Amsterdam.

Het portret dat Toorop van zijn muze tekende en haar publicatie over zijn kruiswegstaties worden hier getoond. Wanneer Toorop ten gevolge van een vergevorderde staat van syfillis in een rolstoel belandt is Miek zijn steun en toeverlaat. Bij het zien van de welhaast psychedelisch aandoende, grijpende figuren in Toorops symbolistische Oh, Grave where is thy victory  rijst de vraag of deze beangstigende beelden slechts gebaseerd zijn op een ongebreidelde fantasie of het gevolg zijn van neurosyfilis waarin de patiënt wordt geplaagd door hallucinaties en paranoia. 

In de zaal met stemmige, monotoon getinte religieuze werken lijken enkele vrolijk gekleurde Zeeuwse doeken uit de toon te vallen. Schijn bedriegt. Via de markante kop van een Zeeuwse boer, geplaatst voor de façade van een Gotische kerk met Bijbelse scènes, wordt de relatie duidelijk. In Domburg raakte Toorop gefascineerd door de vroomheid van de Zeeuwen. 

Jan Toorop (1858-1928), Het hoofd van een man van Walcheren, staand voor een Gotisch reliëf, 1904. Houtskool & krijt op papier. Part. collectie. Foto: Marina Marijnen

Gelet op de fijne detaillering van de gerimpelde kop, de blauwe ogen en de kleuraccenten verdient Toorop wellicht als tekenaar nog meer bewondering dan als schilder. Het stroblonde kapsel van de man, model polka, is naar de toenmalige mode zeer modern, maar of de aan zijn knopen herkenbare Zeeuwse boer echt een paars jasje droeg… 

Jan Toorop (1858-1928), De appelplukkers, 1905. Detail. Olieverf op doek. Particuliere collectie. Foto: Marina Marijnen

Met de prominent in beeld gebracht werkhanden van de Rustende boer en de ogenschijnlijk idyllische in divisionistische toets geschilderde Appelplukkers brengt Toorop de door hem geïdealiseerde Christen-arbeid in beeld. Van hun godsdienstige levenshouding en de werken hunner handen plukken zij de vruchten.

De expositie besluit met een aantal kleurrijke, luministische werken die Toorop en tijdgenoten rond 1910 schilderden. Ze werden eerst in Domburg en later bij de Moderne Kunstkring in Amsterdam getoond. Een Zonsopgang van Jan Sluijters en een Herfstboom van Leo Gestel, waar de kleuren van afspatten. Bijzonder is Toorops in expressionistische stijl geschilderde beeltenis van Prof. Dr. J.H. Schrörs. Zijn krachtige karakter lijkt goed getroffen, maar de hooggeleerde Schrörs dacht er zelf anders over. Met Piet Mondriaans geabstraheerde impressie van Zee na zonsondergang uit 1909 ving in Domburg een nieuw hoofdstuk in de Nederlandse kunstgeschiedenis aan. Dit verhaal wordt vervolgd in de aan Mondriaan gewijde zalen van het Haagse Kunstmuseum.

Piet Mondriaan, Zee na zonsondergang, 1909. Karton 63 x 75 cm. Kunstmuseum Den Haag.

Verder lezen:

S. Veldink e.a., De Werelden van Jan Toorop, Singer Laren, 2026.

Link: Singer Laren

NB. Reserveren verplicht ook met een MJK

Jacoba van Heemskerck x Marie Tak van Poortvliet: alles gegeven. Tot en met 1 maart in Kunstmuseum Den Haag. 

Jacoba van Heemskerck, Twee bomen, 1910. Kunstmuseum Den Haag – schenking particuliere collectie, 1984.

In 2005 organiseerde het Gemeentemuseum Den Haag een tentoonstelling over Jacoba van Heemskerck (1876-1923). Twintig jaar geleden werd zij gepresenteerd als een herontdekking. Met haar werk leverde Van Heemskerck een belangrijke bijdrage aan de moderne kunst in Nederland. Evenals Piet Mondriaan ontwikkelde zij zich via het kubisme en het luminisme tot een van de toonaangevende expressionisten van haar tijd. Terwijl de zichtbare werkelijkheid in het kubisme wordt ontleed in- of gereduceerd tot geometrische vormen, staat in het luminisme de weergave van licht centraal. In gefragmenteerde, felgekleurde korte penseelstreken worden in deze stijl vooral landschappen in beeld gebracht, zoals in haar Twee Bomen uit het Kunstmuseum.

Gaandeweg abstraheerde Van Heemskerck de waargenomen realiteit. Maar anders dan Mondriaan, met wie zij in Domburg meer dan eens samenwerkte, liet zij de werkelijkheid nooit geheel los. Beide kunstenaars vonden inspiratie in het theosofische- en daaruit voortgekomen antroposofische gedachtegoed van Rudolf Steiner. Wat hielden deze ideeën in? Even kort door de bocht: volgens de theosofische levensvisie gaan alle religies terug op één universele, tijdloze bron van wijsheid. Op deze filosofie borduurt de antroposofie voort. Gericht op de menselijke ontwikkeling zoeken de aanhangers naar verbinding tussen de fysieke en de spirituele wereld. Dit manifesteert zich in praktische toepassing van deze kennis in onderwijs, geneeskunde en landbouw. 

Jacoba van Heemskerck, Gebrandschilderd Raam uit Villa Wulffraat, 1920. Kunstmuseum Den Haag.

Gedreven door deze levenshouding zoekt Jacoba naar expressie van de innerlijke wereld. Haar stijl wordt gekenmerkt door contrastrijk kleurgebruik. In haar composities plaatst zij felle door donkere contouren omkaderde kleurvlakken naast gedempte tinten, horizontale en verticale lijnen. Naast deze expressionistische doeken vormden in de tentoonstelling van 2005 haar nog weinig bekende gebrandschilderde ramen een verrassing. Ze maakte deze in de vroege jaren twintig voor de Marine Kazerne en het gebouw van de GGD in Amsterdam. Ook werkte zij voor enkele particuliere opdrachtgevers. Zoals het kleurrijke tondo voor Villa Wulffraat, waarin met wat fantasie vissen in het water herkenbaar zijn. Deze kleine glasramen zijn in de huidige tentoonstelling in de laatste zaal te zien.

Scholing 
Na haar studietijd aan de Koninklijke Academie in Den Haag nam Jacoba les bij Ferdinand Hart Nibbrig in Laren; aan deze periode herinnert de toets waarmee zij gestalte gaf aan haar kleurrijke Twee Bomen. In Hart Nibbrigs atelier kreeg zij vaardigheid in grafische technieken in de vingers.

In 1904 vertrok ze naar Parijs om les te nemen bij Eugène Carrière. Deze destijds befaamde portretschilder telde ook Picasso, Munch en Matisse tot zijn leerlingen. Haar schilderijen werden op de Salon des Indépendants getoond. Terug in eigen land was haar werk te zien in exposities van St. Lucas, de Moderne Kunstkring en in de Tentoonstelling ‘de Vrouw”, 1813-1913 in Amsterdam.

Heemskerck vestigde zich in Den Haag. De zomermaanden bracht ze door bij Marie Tak van Poortvliet (1871-1936) in Domburg. Deze welgestelde vriendin was verzamelaar van moderne en eigentijdse kunst. In haar Villa Loverendale waren de kunstenaars die in de zomermaanden naar Domburg kwamen, graag geziene gasten. Jan Toorop, Ferdinand Hart Nibbrig en anderen zagen hier de door Marie Tak verzamelde werken, waaronder de Rode boom van Mondriaan. Dit schilderij beschouwde Marie als het begin van haar verzameling, die verrijkt werd met doeken van Franz Marc, Fernand Léger, Lionel Feininger en Wassily Kandinsky. Voor de Rode Boom, waarvan ook een blauwe variant bestaat, maakte Mondriaan schetsen in de achtertuin van Marie Tak. 

Piet Mondriaan, De Rode Boom, 1908-1910. Doek 70 x 99 cm. Kunstmuseum Den Haag. Persbeeld Kunstmuseum.

Wegens zijn belangstelling voor metafysische zaken herkende Van Heemskerck in Kandinsky een geestverwant. In zijn traktaat ‘Über das Geistige in der Kunst’ schreef hij in 1912 o.a. over de helende werking van kleur bij mentale stoornissen. Van Heemskerck en Tak van Poortvliet, wier zus met psychische problemen kampte, zijn daar eveneens van overtuigd. In samenwerking met psychiater Willem Zeylmans van Emmichoven ontwikkelde Van Heemskerck in 1917 een op kleur gebaseerde therapie; die in 1923 het onderwerp wordt van zijn proefschrift over De Werking van kleuren op het gevoel. De behandeling wordt later toegepast in het door hen opgerichte sanatorium in Bilthoven.

De Zeeuwse badplaats oefende aantrekkingskracht uit op tal van schilders. Tijdens het fin de siècle vonden Vlamingen als Euphrosine Beernaert, Emmanuel Viérin, Emile Claus en Josef Posenaer (1876-1935) hun weg naar Domburg. Aan Posenaer  wijdt het Marie Tak van Poortvliet museum tot 6 oktober haar zomertentoonstelling.

In de vroege 20e eeuw ontdekten zoals gezegd ook Toorop, Mondriaan en Hart Nibbrig de pittoreske kwaliteiten van het Zeeuwse dorp. Sinds 1911 exposeerden zij in een door Jan Toorop bedacht en door Marie Tak van Poortvliet bekostigd tentoonstellingsgebouwtje. Een bezoeker die Jacoba’s werk daar in 1912 zag oordeelde dat de kunstenares op de goede weg was. Het Domburgsch Badnieuws meldde:

…’Ook Jonkvr. van Heemskerck van Beest heeft in ’t cubisme de richting gezien waarin zij zich thans bij voorkeur kan uiten. Den vorm is haar reeds zoo eigen dat zij hem zonder veel moeite hanteert en met haar ijver en goeden wil zal zij ook de juiste kleur wel meester weten te worden’…

De expositieruimte, waarvan je in het Kunstmuseum een uitvergrote foto ziet, heeft de tand des tijds niet doorstaan, maar in 1994 is de constructie als onderkomen van het Marie Tak van Poortvliet Museum in Domburg herbouwd.

Foto tentoonstellingsgebouwtje Domburg, 1911.

Pioniers
In deze tentoonstelling worden Van Heemskerck en Tak van Poortvliet als pioniers van de moderne kunst gepresenteerd. Tot heden werd Tak van Poortvliet voornamelijk als mecenas, promotor, inspiratiebron en levensgezellin van Van Heemskerck gepresenteerd, maar nu wordt ook haar rol als muziekrecensent en publiciste belicht. Zij schreef artikelen over de Antroposofische beweging en de kunstenaars uit haar verzameling. Met de Duitse kunstcriticus Herwarth Walden, die Heemskercks werk in Berlijn ten toon stelde, correspondeerde zij in 1917 over een aan Van Heemskerck gewijde publicatie.

Tegenwoordig zijn we gewend aan vrouwen in ‘typisch’ mannelijke beroepen, maar zo’n honderd jaar geleden lag dat getuige een notitie van Tak van Poortvliet nog anders:

’want speciaal voor een vrouw is het verre van gemakkelijk om een pionier te zijn’

Aan de hand van thema’s als vrouwenemancipatie, duurzaamheid, queerness en mentaal welzijn wordt het verhaal van Jacoba en Marie geactualiseerd. Ter illustratie van hun vooruitstrevende ideeën worden twee ruimvallende reformjurken getoond. Modellen waaronder het letterlijk en figuurlijk benauwende keurslijf van een corrigerend korset overbodig was. Op foto’s onderscheiden beide vrouwen zich van andere dames door het dragen van een stropdas. Een subtiel feministisch statement.

De samenstellers van de tentoonstelling gaan vragen over de herkomst van het kapitaal, waarmee Tak van Poortvliet de bouw van haar villa en de aankoop van haar collectie bekostigde, niet uit de weg. Dat haar familievermogen vergaard was met de aan slavernij gelieerde handel in overzeese plantage producten wekt nauwelijks verbazing. Dit geldt voor vrijwel alle welgestelden in de koloniale tijd.       Een tweede kanttekening betreft de sympathieën van Marie en Jacoba voor het in Duitsland opkomende nationaalsocialisme. Deze kwalijke politieke voorkeur wordt enigszins genuanceerd door de mededeling dat beide vriendinnen in het gedachtegoed van deze stroming mogelijkheden zagen voor een betere wereld. Ze waren er ook van overtuigd dat kunst daar ook een belangrijke bijdrage aan kon leveren. Het bleef niet bij ideeën. Zoals we al zagen ontwierp Van Heemskerck een helende kleurentherapie. Met de stichting van een biodynamische boerderij maakten Heemskerck en Tak van Poortvliet hun idealen ook op het gebied van landbouw metterdaad concreet. Onder de benaming Loverendale Ter Linde is deze stichting tot de huidige dag aan de Oranjezonweg in Oostkapelle in bedrijf. 

Alles gegeven 
In de expositie zijn hoogtepunten uit Jacoba’s oeuvre te zien. Tekeningen, kleurrijke, expressieve schilderijen, vaak met een spirituele toets, houtsneden en glas-in-lood ramen. In dit medium zag ze -anders dan met olieverf op doek- mogelijkheden om, zoals ze schreef aan Walden

…’die Farben leuchtend geistlich [zu] haben..’ 

De ontwerpen zette ze op in aquarel, waarna deze in haar eigen kleine oven op glas werden gebrand. De speelse, kleurrijke lijnen ademen invloed van de Jugendstil. Walden liep aanvankelijk niet warm voor deze nieuwe creatieve wending, maar hij stelde haar ontwerpen voor glas-in-loodramen in 1918 toch ten toon op de jaarlijkse zogeheten Sturm-expositie.

Jacoba van Heemskerck, ontwerp no 19 voor glasraam, aquarel met krijt en karton, 1919, Berlinische Galerie

Nadat zij enkele kleine ramen voor huizen in Domburg had gemaakt werd haar hoop op orders van architecten vervuld. Door Jan Buijs kreeg ze diverse opdrachten voor villa’s en andere gebouwen. Indachtig de destijds veel gehoorde idee van een Gesamtkunstwerk, was zij van mening dat het effect van kleurrijke glasramen verhoogd zou worden wanneer deze accordeerden met de directe omgeving. In een brief aan Jan Buijs verduidelijkte zij deze visie: de glasramen zouden in harmonie met de kleuren van de trap (‘dus geen eikenhout’), de verf op de muren van het trappenhuis en de vloerbedekking moeten zijn. 

In 1920 toonde ze haar glaswerken bij de Haagse Kunstkring. Met succes, want in 1921 volgden opdrachten voor de Marine kazerne en de GGD in Amsterdam. In het verlengde van dit nieuw ontwikkelde medium maakte ze ook enkele grote glasmozaïeken, waarvan je in de laatste zaal met glas-in-lood werken de al genoemde Levensboom ziet.

Jacoba van Heemskerck, Boom, mozaïek 1920. Gemeentemuseum Den Haag. Foto Bram Vreugdenhil

In welke onderwerpen vonden de kunstenaars in Domburg inspiratie?
De schilderijen in de eerste zaal van de huidige tentoonstelling geven het antwoord. Hier ziet de bezoeker werk van Jacoba’s kleurrijke tijdgenoten. Zoals Ferdinand Hart Nibbrigs pointillistische portret van een Zeeuws meisje, een ijle impressie van het Zeeuwse land door Mies Drabbe, die eveneens een rol speelt bij het organiseren van de zomertentoonstellingen.

Ferdinand Hart Nibbrig, Zeeuws Meisje, 1914. Kunstmuseum Den Haag

Ook zie je divisionistische werken van Jan Toorop en Mondriaans eveneens in rechthoekige toetsen opgezette Duin II uit 1909. Dit werk dat min of meer als uitgangspunt voor zijn weg naar abstractie wordt gepresenteerd, hangt naast zijn nog figuratieve Maannacht in Laren. In de een-na-laatste zaal verbaast hij de bezoeker die hem van zijn moderne werken kent met een ogenschijnlijk middeleeuwse bewening. Het doek is een kopie naar de Pietà van Villeneuve-Les-Avignon door de 15e -eeuwse meester Enguerrand Quarton. Mondriaan schilderde het in 1912 in opdracht van Marie Tak van Poortvliet.

Mondriaan, Duin II, 1909. Doek 37,5 x 46,5 cm. Kunstmuseum Den Haag

In deze ruimte zie je ook Jacoba’s Twee Bomen, uit 1909, compleet met een voorstudie in houtskool. In de toets en het kleurgebruik zijn invloeden van Hart Nibbrig en Toorop evident.
Aan Heemskercks werk zie je invloed van haar Parijse klassieke scholing bij Eugène Carrière niet terug. In het voetspoor van Toorop ging zij aanvankelijk nog wel de luministische kant op, zoals te zien in Twee Bomen uit 1910. Onder invloed van de kubisten ontwikkelen Mondriaan en Van Heemskerck gaandeweg een eigen stijl. De vormen worden hoekiger en de kleuren gedempter. Aan de hand van eveneens door Tak van Poortvliet verzamelde werken van Léger en Picasso’s Femme au pot de moutarde uit 1910 is deze ontwikkeling goed te volgen.

Deze op het kubisme geïnspireerde werken konden de waardering van Jan Toorop niet wegdragen, of was hij misschien jaloers? Met zijn in een brief genoteerde laatdunkende opmerkingen over Jacoba’s werk bevestigt Toorop Tak’s zojuist geciteerde woorden over de hindernissen die vrouwelijke pioniers ervaren:

’Heemskerck is tegenwoordig aan het Mondrianen en Picassoën’

Enigszins malicieus voegt hij hieraan toe benieuwd te zijn naar wat ze volgend jaar weer zal gaan doen…

Hoe het verder ging zie je in deze tentoonstelling. Uiteindelijk geeft Jacoba de haar omringende werkelijkheid (licht) geabstraheerd op expressionistische wijze weer.

In Domburg putte Van Heemskerck vooral inspiratie uit de natuur, bomen, de lokale bevolking en de zee. Onderwerpen die zij veelal in symbolische, op de antroposofie geënte vormentaal in beeld brengt. Door de bomen op een van 1913 daterend schilderij zijn de contouren van het 13e -eeuwse Kasteel Westhove in Domburg herkenbaar. Binnen de metersdikke muren van de voormalige -nog altijd sprookjesachtige- zomerresidentie van de abten van Middelburg is tegenwoordig een Stay-Okay hostel ondergebracht. In andere werken herken je -niet altijd in een oogopslag- Zeeuwse onderwerpen. Duinlandschappen, bomen, Zeeuwse meisjes en gestileerd vormgegeven schepen op zee, waarover zo meer.

Jacoba van Heemskerck, Kasteel Westhove in Domburg, 1913. Doek 100 x 80 cm. Zeeuws Museum, Middelburg

In Nederland liet waardering voor haar werk nog even op zich wachten, maar in 1913 exposeerde Van Heemskerck als gezegd al in de grote door kunstcriticus en galeriehouder Herwarth Walden georganiseerde Berlijnse Erste Deutsche Herbstsalon. Walden toonde haar werk naast dat van de leden van de avant-gardistische kunstenaarsgroep ‘Der Sturm’: Kandinsky, Marc, Léger en Chagall. Dankzij de door Walden georganiseerde exposities en zijn publicaties in het kunsttijdschrift ‘Der Sturm’ raakte Van Heemskerck in Duitsland bekend. Hiermee is haar keuze voor Duitstalige titels verklaard. Een apocalyptische verbeelding van zeilschepen op een woeste zee getiteld Bild No. 77 verkoopt ze in 1917 voor maar liefst 2000 Duitse Marken.

Jacoba van Heemskerck, Bild No. 77, schepen op een woeste zee, 1917 Kunstmuseum Den Haag – legaat Marie Tak van Poortvliet

De vormen en kleuren in haar Bild no. 33, Zee met Schepen uit 1915, verraden invloed van Kandinsky. In zijn Compositie, uit 1930, zijn met wat fantasie eveneens de driehoekige vormen van zeilen herkenbaar.

Zoals in veel Hollandse zeventiende -eeuwse marines, bevatten ook Heemskercks zeegezichten een symbolische, in dit geval op de antroposofie gebaseerde, lading. De zeilbootjes verwijzen naar de spirituele ontwikkeling van de mens. …’De scheepjes ver weg op zee zijn nog iel en kwetsbaar voor tegenwind. Op de voorgrond bevinden zich de stevige schepen met kleurige zeilen die trots wapperen in de wind; het symbool voor complete geestelijke ontplooiing’… aldus de kunstenaar.

Jacoba van Heemskerck Bild 33 zee met schepen 1915 Kunstmuseum Den Haag
– legaat Marie Tak van Poortvliet-

In leven en werk van Piet Mondriaan staat spirituele ontwikkeling eveneens centraal. In zijn Evolutietryptiek brengt Jacoba’s geestverwant Mondriaan de spirituele ontwikkeling van de mens op indrukwekkende wijze in beeld. Geïnspireerd door de geschriften van de indertijd invloedrijke Madame Blavatsky en de filosoof Schoenmaker, omarmt Mondriaan de theosofische levenshouding. Met de drie enigszins geometrisch vormgegeven figuren geeft Mondriaan de stadia naar spirituele bewustwording weer. Van het lagere, lichamelijke- naar het hogere, geestelijke niveau

Piet Mondriaan, Evolutietryptiek, 1911. Kunstmuseum Den Haag

Ter illustratie van hun gezamenlijke bron, de theosofie wordt het monumentale drieluik naast topstukken van Van Heemskerck getoond, waarin ook zij de weg naar geestelijke verlichting in beeld heeft gebracht.

Jacoba van Heemskerck, Kleurencompositie nr. 106, 1919

De weg naar verlichting vormt ook het onderwerp van Bild No. 62 (Eiland) uit 1917. Dit werk heeft een apocalyptisch thema. De uivormige koepels verwijzen naar de goddelijke oorsprong van het bestaan. De zeilboten verbeelden een mogelijke toekomst voor de innerlijke mens, die na veel tegenspoed kan zegevieren, aldus het bijschrift. In Bild no. 106 uit 1919 heeft Heemskerck soortgelijke koepels aan de einder als licht in de duisternis, in beeld gebracht.

Jacoba van Heemskerck Bild no. 62 (Eiland) 1917,Kunstmuseum Den Haag – legaat Marie Tak van Poortvliet Foto Marina Marijnen

In de tentoonstelling zie je ook verschillende andere werken uit de nalatenschap van Marie Tak van Poortvliet: Het schaap van Franz Marc, daterend van 1914 en Kandinsky’s bijna abstracte verbeelding van een voortjakkerende jockey dat hij de titel Lyrisches meegaf.

Wassily Kandinsky, Lyrisches, 1914 Museum Boijmans van Beuningen, Rotterdam

Invloed van Kandinsky en Jawlensky
Van Heemskerck bracht de verf meestal met korte diagonale toetsen dun op. Niet zelden is de drager zichtbaar. Een vergelijkbare werkwijze kenmerkt ook het werk van Kandinsky en Jawlensky, van wie je in de zaal achter de Van Heemskerck tentoonstelling een expressionistische Vrouwenkop ziet. In Heemskercks titels is invloed van Kandinsky evenmin ver weg. Een houtsnede uit 1916 gaf zij de benaming Compositie XIII. Het enigszins raadselachtige beeld geeft een impressie van het schelpenpad achter villa Loverendale. De voorstelling met donker omlijnde kleurvlakken, die als puzzelstukjes in elkaar passen, doet sterk denken aan haar glas-in-lood creaties.

Jacoba van Heemskerck, compositie XIII, 1916. Kunstmuseum Den Haag

In de een-na-laatste zaal is een hele wand behangen met houtblokken. Met de houtsnede, de techniek die zij zich bij Hart Nibbrig had eigen gemaakt, heeft ze veelvuldig geëxperimenteerd. Compositie XVII, no. 15 toont een geabstraheerde impressie van de typische door de zeewind kromgegroeide bomen van de Domburgse duinrand, de zogeheten manteling. Ze vormen een terugkerend motief in haar werk. 

Jacoba van Heemskerck, Compositie XVII – no. 15, houtsnede 24 x 36 cm, 1918.

Bomen spelen een symbolische rol in haar oeuvre. De aan de theosofie ontleende levensboom is een steeds terugkerend onderwerp in haar werk. Ze verwerkte dit motief in 1920 ook in het kleurrijke mozaïek, dat dit voorjaar te zien was in de tentoonstelling Tussen Hemel en Oorlog: Kunst en Religie in het interbellum in het Catharijneconvent. 

In Bild no. 25 geeft Van Heemskerck een kleurrijke, impressie van enkele huisjes in een Zeeuws duinlandschap, hoewel de duinen meer de vorm van Zwitserse bergen hebben. In de witte enigszins aan Gauguins Bretonse vrouwen herinnerende vormen in de voorgrond, herkent de opmerkzame waarnemer de kappen van de Walcherse meisjesmutsen.

Jacoba van Heemskerck, Bild no. 25. 1915 Kunstmuseum Den Haag Foto Marina Marijnen

In een blow-up zie je Jacoba in haar atelier bij Villa Loverendale, waarin ze poseert voor dit doek. Elders in de opstelling hangt een voorstudie.

Jacoba van Heemskerck in haar atelier ca. 1916

Het lijkt erop dat Van Heemskerck haar onderwerpen spontaan op het doek bracht, maar uit een bewaard gebleven studie blijkt dat aan haar schilderijen veel denkwerk voorafging, zoals ze ook schreef aan Walden. Desondanks was ze vaak ook ontevreden over het resultaat.

Behalve bijna abstracte landschappen schilderde Van Heemskerck ook zogeheten synthetische portretten. Beeltenissen waarin zij -geënt op de ideeën van Rudolf Steiner de als aura aangeduide, kleurschakeringen die in elk mens omhullen, in beeld brengt. Daarvan is Bild no. 90, dat een portret van Marie Tak voorstelt, een opmerkelijk voorbeeld.

Jacoba van Heemskerck, Bild no. 90,1918, portret van Marie Tak, Kunstmuseum Den Haag

In Bild no 84 uit 1918, verwerkte zij de gelaatstrekken van een kind. Als je goed kijkt herken je een vermoeden van appelwangetjes en blond haar!

Jacoba van Heemskerck, Bild no 84 (portret van een kind) 1918, Kunstmuseum Den Haag

Naast deze compositorische en symbolische aspecten, is de aandacht die Van Heemskerck aan haar materiaalgebruik besteedt ook interessant. In plaats van de verf zo uit de tube te gebruiken experimenteerde zij met het maken van haar eigen pigmenten. Om intensere kleuren en meer glans te verkrijgen bracht ze de verf daarenboven op transparante dragers aan als glas en zijde. Deze werkwijze lag in het verlengde van haar wens om het geestelijke licht in beeld te brengen.

Jacoba van Heemskerck had nog veel ideeën, maar haar gezondheid liet haar in de steek. Ze overleed onverwacht op 47-jarige leeftijd. In memoriam organiseerde Walden in 1924 een overzichtstentoonstelling in Berlijn. In datzelfde jaar stelde Marie Tak van Poortvliet een expositie samen in Domburg, waarin Van Heemskerck, zoals ook nu, getoond werd te midden van Mondriaan, Kandinsky en Franz Marc.

Aan Zee, Alles over de kunstenaars van Domburg, waar het altijd zomer is! Tot en met 18 november in het Gemeentemuseum Den Haag.

 

Mondriaan Duin in Zeeland
Piet Mondriaan, Zomer, duin in Zeeland, 1910, Guggenheim museum New York, bruikleen Gemeentemuseum Den Haag

In de zomertentoonstelling Aan Zee zie ik veel oude bekenden, zoals Mondriaans’ in groen en paarstinten geschilderde Duinlandschap uit 1911. Zijn Zeeuwse repertoire is in deze expositie aangevuld met een doek uit 1910: Zomer, duin in Zeeland dat het Gemeentemuseum in langdurige bruikleen van het New Yorkse Guggenheim Museum heeft ontvangen.

Toorop Zoutelande
Jan Toorop, Zee en duin bij Zoutelande, 1907, Gemeentemuseum Den Haag

Ook Jan Toorops’ Zee en duin bij Zoutelande van 1907 is terug. In 2016  begon ik mijn  review van de tentoonstelling, Jan Toorop, Zang der tijden, met volgende woorden: Een betoverende impressie in de kleur van vruchtenhagel: lucht, zee, strand, duinen en twee kleine meisjes in Zeeuwse klederdracht …
Wat doen zij daar; zijn ze bezig met een opzegger ‘Iene miene mutten’ of gooien ze bikkels in het duinzand en wie zijn ze?  Het zou zomaar kunnen dat Jan Toorop mijn grootmoeder, geboren in 1901, als model voor dit doek gebruikte. Ze werd bijna 100 jaar, maar Toorop schonk haar de eeuwige jeugd… 

Behalve dit in ‘technicolor’ gestippelde doek is soortgelijk werk van Ferdinand Hart Nibbrig te zien. Alsook impressies van het Walcherse landschap door Jacoba van Heemskerck, die evenals haar collega’s aanvankelijk luministische werken maakte, maar gaandeweg een eigen expressionistische stijl ontwikkelde. In de expositie ziet de bezoeker hardwerkende boeren, lieflijke boerinnetjes, betoverende landschappen en zeegezichten gevangen in het het Zeeuwse licht, dat wel degelijk bestaat, ook al denkt Carel Blotkamp daar anders over.

Hart Nibbrig Zoutelande
Ferdinand Hart Nibbrig, Zoutelande ca. 1910-1915, Singer Laren, legaat P.J. Hart Nibbrig 1985

Het begon allemaal in Domburg. Sinds 1898 was Jan Toorop (1858-1928) hier ’s zomers met zijn vrouw en dochtertje Charly te vinden, van wie een jeugdwerkje getoond wordt. Later kwam kwam zij hier nog vaak terug om te schilderen, maar in een heel andere stijl dan haar vader. Vanaf 1924 ontstonden haar  (magisch) realistische doeken met knoestige boeren en struise Zeeuwse boerinnen. De belangstelling die Toorop en zijn schilderende vrienden koesterden voor het zuivere onbedorven leven op het platteland was een wijd verbreide reactie op de industrialisering en verstedelijking van de late 19e eeuw. Zijn geïdealiseerde impressies van dat landleven geeft Toorop aanvankelijk -in de ban van de Seurat en Signac- in een kleurrijke, fijn gestippelde pointillistische stijl weer. Iets later evolueert deze in een minder goed leesbare bredere, zogenoemde divisionistische toets.

Toorop Domburg
Jan Toorop, Zee en duinen te Domburg, 1908, Gemeentemuseun den Haag

In zijn Zee en duinen te Domburg uit 1908, is het even zoeken naar de Zeeuwse boerinnetjes op weg naar het dorp. Zijn zoektocht naar ‘het diepere wezen der werkelijkheid’ brengt Toorop bij het katholieke geloof. Zijn fascinatie voor de standvastige boerenbevolking èn het (op Walcheren spaarzaam overgebleven) katholicisme komen samen in het portret van een Zeeuwse boer, dat hij de titel Godsvertrouwen meegaf uit 1907. Achter het venster staat de uit 1470 daterende gotische kerktoren van Westkapelle. Van deze tevens als vuurtoren functionerende toren zijn talrijke impressies aanwezig in de tentoonstelling. De naam van de man met zijn door de zilte zeelucht gelooide huid is Pier Jilles. Hij werd door Toorop in zijn zondagse goed geportretteerd, compleet met bij de Zeeuwse mannendracht behorende gouden knopen. Leuk ook is het destijds modieuze polka kapsel, dat met papillotten in krul werd gebracht. In het streng religieuze milieu werd voor de bijbelse vermaningen tegen ijdelheden kennelijk een oogje toegeknepen. Dezelfde man herkennen we in Toorops’ Zeeuwse man voor een gotische achtergrond. Nu in een modieus, frivool paars jasje, waarvan ik het realiteitsgehalte betwijfel. De beelden in de sinds de reformatie lege nissen van de toren zijn door Toorop fantasierijk ingevuld. Museum Catharijneconvent bezit verschillende religieuze werken van Toorops hand. Een schets van zijn veelzijdige carrière leest u elders op dit blog.

Aangetrokken door Toorop’s enthousiasme, kwamen ook Mondriaan, Hart Nibbrig en Jacoba van Heemskerck naar Zeeland. Hier vonden zij tussen 1908 en 1915 niet alleen zon, zee en frisse lucht, maar vooral inspiratiebronnen. In ca. zestig werken is te zien hoe zij deze vooral in licht en kleur vertaalden in een stijl die als luminisme wordt aangeduid. Behalve Hart Nibbrig ontwikkelden zij later elk een eigen stijl. Mondriaan vond hier zijn weg naar de abstracte kunst; Van Heemskerk de hare naar een donker getint expressionisme.

Hart Nibbrig Gezicht Zoutelande
Ferdinand Hart Nibbrig, Gezicht op Zoutelande ca. 1910-1912, Rijksmuseum Amsterdam

Ferdinand Hart Nibbrig (1866-1915) verkoos Zeeland boven het schilderachtige Laren, waar hij met zijn kleurrijke luministische stijl tussen de schilders van de Larense  School al een buitenbeentje was. Hij kwam in 1911 voor het eerst in Zeeland en werd meteen verliefd op Walcheren. Zijn in de openlucht gemaakte schetsen werkte hij in zijn atelier uit tot kleurrijke doeken. Op een duin in Zoutelande liet hij een zomerhuis bouwen, Huize Sandvlught, dat sinds zijn vroege dood in 1915 nog altijd te huur is. Vanaf deze hooggelegen locatie maakte hij verschillende impressies van het kustlandschap. Zoals het Gezicht op Zoutelande (1910-15). Ook de bevolking sprak hem aan. In 1914 schilderde hij Zeeuwse meisje (Neeltje) en een portret van een Zeeuwse Boer.

Hart Nibbrig Zeeuws meisje
Ferdinand Hart Nibbrig, Zeeuws meisje, 1914, Gemeentemuseum Den Haag

Al eerder, in 1908, trok Piet Mondriaan (1872-1944) naar Domburg. Hij logeerde bij kunstverzamelaar Marie Tak van Poortvliet en Jacoba van Heemskerck op Loverendale. De villa viel in 1992 ten prooi aan de slopershamer. De toonzaal waar de Domburgse kunstenaars van 1911 tot 1921 hun werk exposeerden was door een storm in 1921 al tegen de vlakte gegaan, maar sinds 1994 zijn de werken van de kunstenaars in Domburg weer te zien. Ondergebracht in het Marie Tak van Poortvliet museum, een charmante replica van dat oude gebouwtje, omgeven door een heerlijke tuin aan de Ooststraat.

Mondriaans ontwikkeling van figuratie naar abstractie wordt in de Haagse tenttoonstelling kernachtig geïllustreerd aan de hand van de appelboom die hij in de tuin van Villa Loverendale schetste. In verschillende stadia ziet de bezoeker de metamorfose van deze ‘gewone’ boom naar een werk waarin de boom in sterk gereduceerde vormen nog slechts gesuggereerd wordt. De Rode boom, weergegeven tegen een blauwe achtergrond; vormt in die reeks een absoluut artistiek hoogtepunt. Vastgelegd toen de avond viel. Eén schakel ontbreekt, licht conservator Laura Stamps toe. Over deze missing link in Mondriaans ontwikkeling leest u meer op mijn blog over de Mondriaantentoonstelling in 2017.

Mondriaan rode boom
Piet Mondriaan, Avond, De rode boom,1908-1910, Gemeentemuseum Den Haag

Mondriaan bloeiende appelboom
Piet Mondriaan, Bloeiende appelboom, 1912, Gemeentemuseum den Haag

 

 

 

 

 

 

In een aan hem gewijde zaal laat Piet Mondriaan -meestal gefotografeerd als een keurig in het pak gestoken strenge heer- zich van een andere kant kennen. Boven de zaaltekst blikt hij als een Indiase goeroe de zaal in. De foto dateert uit de tijd dat hij helemaal in theosofische sferen was. Charly Toorop memoreert ….. hoe ‘die malle Mondriaan in zijn buddhahouding pal midden op het strand zat’  te mediteren.

Mondriaan portret 1908
Piet Mondriaan ca. 1908

Aanvankelijk zijn Mondriaans onderwerpen nog herkenbaar. Gevoed door de Theosofie en Goethe’s ideeën over het zichtbaar maken van de ‘innerlijke’ wereld door middel van kleur en vorm, mondt Mondriaans spirituele zoektocht naar innerlijke beleving uit in een geabstraheerde verbeelding van de werkelijkheid. Die ontwikkeling wordt mooi verbeeld in een drietal impressies van de kerk in Domburg. De eerste een kleurrijke vingeroefening in divisionistische toets; de tweede een impressie in zwart wit; de derde een compositie met verre naklank van de twee eerdere werken.

Mondriaan, Kerk Domburg
Mondriaan, kerk te Domburg 1909, Gemeentemuseum, Den Haag

Mondriaan, Kerkgevel 1
Mondriaan, Kerkgevel 1, Kerk te Domburg 1914, Gemeentemuseum Den Haag

Compositie 1916
Mondriaan, Compositie 1916, Guggenheim museum, New York

 

 

 

 

 

 

 

Aan de tentoongestelde werken van Jacoba Van Heemskerk (1867-1923) zie je niet dat zij in Parijs studeerde bij de historieschilder Eugène Carrière. Van haar leertijd bij Ferdinand Hart Nibbrig evenmin een spoor. Op Walcheren putte zij vooral inspiratie uit de Zeeuwse natuur en de indrukwekkende bomen waarmee Walcheren voor de inundatie bezaaid was. Deze door de zeewind, als variant op de Caribische divi-divi,  kromgegroeide bomen komen in haar werk steeds terug. In het voetspoor van Toorop ging zij in Domburg aanvankelijk de luministische kant op, zoals te zien in Twee Bomen uit 1910. Maar onder invloed van het kubisme worden de vormen steeds  hoekiger en de kleuren gedempter.

 

Jacoba van Heemskerck, kromgegroeide bomen bij kasteel Westhove, 1913, Domburg

Uiteindelijk geeft zij de haar omringende werkelijkheid op expressionistische wijze in een donker palet weer. Haar landschappen dragen geen herkenbare titels. Zij noemt ze Bild en worden aangeduid met een nummer. De inspiratiebron is niet in één oog opslag duidelijk, maar bij nadere beschouwing herken je  de door hoge bomen omgeven contouren van Kasteel Westhove. In deze zomerresidentie van Middeleeuwse abten uit Middelburg zijn tegenwoordig een klein natuurmuseum en jeugdherberg ondergebracht. In 1913 exposeert Van Heemskerck haar werk in de grote Berlijnse Erste Deutsche Herbstsalon, samen met avant-garde kunstenaars als Kandinsky, Marc, Leger, Chagall en vele anderen, waarmee haar keuze voor Duitstalige aanduiding van haar werk verklaard is. Dat Jacoba in Berlijn goed gekeken heeft naar het werk van Wassily Kandinsky wordt niet alleen duidelijk bij het zien van de vormen en kleuren in haar Bild no. 33, Zee met Schepen uit 1915. Onder invloed van Mondriaan had zij ook belangstelling gekregen voor de theosofie. Middels de zeilbootjes verwerkte zij in dit doek een symbolische verwijzing naar de spirituele ontwikkeling van de mens. Ook in de benaming van haar werk is Kandinsky niet ver weg. Een houtsnede uit 1916 duidt zij aan als Compositie XIII. Een expressionistische impressie van de grillig gevormde eikenbomen van de Domburgse Manteling en het schelpenpad achter Villa Loverendale. Ligt daar nu een kind in de voorgrond, vraagt Jacqueline van Paaschen, een van de auteurs van het speciale Aan Zee Magazine zich af? In deze rood-zwarte op de buik liggende dubbelfiguur meen ik  een droombeeld van de vriendinnen Marie en Jacoba te zien.
Prachtig is ook haar Bild no. 25, met een impressie van een Zeeuws duinlandschap. In de witte vormen in de voorgrond, herkent de opmerkzame waarnemer de kappen van Zeeuwse meisjesmutsen.

Heemskerck, Bild. no 25
Jacob van Heemskerck, Bild no. 25, Gemeentemuseum Den Haag

Dat kunstenaars niet alleen in Zeeland door zon, zee en licht werden aangetrokken is te zien in de gelijktijdige expositie De Haagse School op Scheveningen (te zien tot 16 september). Jan Hendrik Weissenbruch, Anton Mauve en de gebroeders Maris lieten zich inspireren door het eenvoudige vissersleven en de opkomende badcultuur. Weergegeven in een boeiende samenspel van lucht, water en licht dat zich ook ‘op’ Scheveningen manifesteert!

In een speciaal zomers Magazine worden beide exposities uitvoerig besproken. Hierin ook aandacht voor de Zeeuwse foto-reportage, die Stefan Vanfleteren op uitnodiging van het Gemeentemuseum maakte. Wonderlijke detailopnames van een gerimpeld water oppervlak, wuivend riet en de bomen van Jacoba van Heemskerck met een lange sluitertijd vastgelegd in diffuus licht.

Gemeentemuseum Den Haag; Aan Zee

http://uitdekunstmarina.nl/de-ontdekking-van-mondriaan

 

 

Geverifieerd door MonsterInsights