Johan Maurits, Bewogen Beeld, Mauritshuis tot en met 7 juli 2019.

Atlas Johannes Blau, 1665, Prefectuur De Caraibo et Rio Grande

In eerdere exposities (1953, 1979, 2004) werden de verdiensten van ‘Maurits de Braziliaan’, bouwheer van het Mauritshuis, vooral bezongen. Dankzij een door hem gesponsorde publicatie van Caspar Barlaeus, Rerum per octennium in Brasilia […], 1647, stond Johan Maurits van Nassau-Siegen (1604-1679) tot voor kort te boek als een verlicht bestuurder. Als gouverneur van Nederlands Brazilië (1636-1644) moest hij het op de Portugezen veroverde noordoostelijk deel van Brazilië consolideren en profijtelijk maken. Hij vestigde zich in de streek Pernambuco. Als liefhebber van kunsten en wetenschappen besteedde hij veel tijd en geld aan de opbouw van zijn kolonie. Het kleine dorpje Recife groeide uit tot een dichtbevolkte stad en op het eiland Antonio Vaz verrees Mauritsstad (Mauritia), waarvan de ‘skyline’ gedomineerd werd door paleis Vrijburg.

Barleus, naar Frans Post, Paleis Vrijburg in Mauritsstad (Recife), 1647

Aan de westkant van het eiland verrees het buitenhuis van de gouverneur, Boa Vista, dat tevens als verdedigingswerk fungeerde. In de miljoenenstad Recife herinnert het gelijknamige stadsdeel nog aan de Hollandse periode, die hier anders dan in Nederland niet is vergeten. Waar ooit paleis Vrijburg stond is nu Johan Maurits standbeeld te vinden en voor schoolkinderen is de zogenoemde ‘Tempo dos Flamengos’ verplichte stof. Wegens de economische omstandigheden zou de huidige bevolking regelmatig verzuchten: waren de Hollanders maar gebleven, terwijl burgemeesters bij hun ambtsaanvaarding beloven te regeren als een tweede Johan Maurits. Er lopen zelfs heel wat jongens rond die luisteren naar de naam Joao Mauricio.

Braziliaanse erfenis van de hand gedaan
Economisch gewin was de hoofdreden van zijn komst, maar Johan Maurits had ook belangstelling voor de verschillende bevolkingsgroepen en de natuurlijke gesteldheid van het wingewest. ‘Natuurvorsers’, cartografen, geografen en schilders brachten het land letterlijk en figuurlijk in kaart. Frans Post (1612-1680) schilderde landschappen gestoffeerd met kleine figuurtjes.

Frans Post, Gezicht op het eiland Itamaraca, 1637, Mauritshuis

Albert Eckhout (ca 1610- 1666) bracht de Braziliaanse flora, fauna en bevolking op monumentaal formaat gedetailleerd in beeld. Deze portretten zijn in de tentoonstelling slechts in geprojecteerde beelden te zien. Hoewel van onschatbare etnografische en documentaire waarde, schitteren deze vroegste natuurgetrouwe beelden van de nieuwe wereld door afwezigheid. Ten onrechte. Albert Eckhout stond lange tijd in de schaduw van Frans Post, die na terugkeer de kunstmarkt overspoelde met honderden tot in den treure herhaalde Braziliaanse landschappen. Doordat Johan Maurits Eckhout’s Braziliaanse werk van de hand deed raakte diens artistieke nalatenschap in ons land tot 2004 in de vergetelheid. Een map met honderden tekeningen verkocht hij in 1652 aan de keurvorst van Brandenburg, deze bevinden zich thans in de Jagiellonbibliotheek in Krakau. In 1679 schonk Johan Maurits diverse Braziliaanse tekeningen aan de koning van Frankrijk, Lodewijk XIV. Deze stonden model voor een serie wandtapijten, de zogenoemde Tentures des Indes, waarvan de bezoeker ook geprojecteerde beelden ziet langs komen.

Albert Eckhout , Dans van de Tarairiu indianen, National Museum Kopenhagen

De acht monumentale doeken met Eckhout’s paarsgewijze portretten van de Braziliaanse bevolkingsgroepen, een doek met dansende Tarairiu Indianen, drie portretten van gezanten uit Congo en twaalf stillevens met tropische gewassen deed Johan Maurits in 1654 cadeau aan koning Frederik III van Denemarken. In ruil wenste hij de eervolle onderscheiding van de orde van de Witte Olifant te ontvangen. De zilveren ster op Jan de Baen’s portret en de epauletten in de vorm van olifantjes op het borstbeeld van de graaf bewijzen de toekenning daarvan. Eckhout’s schilderijen bevinden zich thans in het Nationaal Museum in Kopenhagen.

Kantelend beeld

Zacharias Wagner, Mensenhandel in Recife, ca. 1637-1641

Werd Johan Maurits in het verleden nog bewierookt, anno 2019 is de tijd rijp om de eenzijdig belichte Nederlands-Braziliaanse geschiedenis te herschrijven. Daartoe nodigt het Mauritshuis onderzoekers van verschillende disciplines en nationaliteiten uit. Enkele jaren geleden deed de historicus Zihni Özdil een geëmotioneerde aanval op het ontstaan van het Mauritshuis, dat gefinancierd zou zijn ‘over de ruggen van de zwarte slaven’ die arbeid verrichten op de Braziliaanse suikerplantages. Daarna is de bal gaan rollen. Het jargon is aangepast, tegenwoordig spreken we liever over ‘tot slaaf gemaakten’. De teneur van de op I-pads te lezen toelichting bij de objecten in de tentoonstelling is kritisch van toon. Begrijpelijk en veelal terecht, maar er is weinig aandacht voor de historische context. Enige nuance vind ik in de teksten van voormalig directeur van het Mauritshuis Frits Duparc en kenner van de overzeese geschiedenis historicus Piet Emmer. Van wiens hand ik mij de relativerende reactie herinner op Özdils verwijt: ‘Mauritshuis verzwijgt duister verleden’, waarin Emmer dat verleden in historisch perspectief plaatst. De link naar beide stukken treft u aan bij de bibliografie.

De slavenhandel waarin Portugezen, Denen, Engelsen en Nederlanders een aandeel hadden vormt een zwarte bladzijde in de Europese geschiedenis. Het is niet algemeen bekend dat deze mensonterende praktijk in Afrika sinds mensenheugenis en – o.a. in Mali – nog steeds plaats vindt. Zwarte koningen namen destijds hele dorpen gevangen. En brachten hun rasgenoten naar Fort Elmina op de kust van Ghana tot er genoeg waren om een scheepslading van de Europeanen te vullen. Daar zou je tegenin kunnen werpen: ja, maar als die er niet geweest waren…. In de 17e en 18e eeuw werd de markt bepaald door vraag èn aanbod. Onder de titel “schipperen tussen zwart en wit” publiceerde ik in het Nederlands Dagblad een artikel bij de tentoonstelling die het Scheepvaartmuseum in 2002 organiseerde over Slavernij.

Johannes Vingboons, Gezicht op het Casteel van Mina, 1665, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag

In 1637 veroverde Johan Maurits het Portugese slavenfort El Mina waarmee hij daadwerkelijk betrokken raakte bij de slavenhandel. Paradoxaal genoeg lag aan deze mensonterende handel een menslievend advies van de 16e eeuwse bisschop Bartolomeus de Las Casas ten grondslag. Uit medelijden met de indianen, die niet bestand waren tegen het zware werk, adviseerde hij de Spaanse kroon om voor het plantagewerk de sterkere zwarten uit Afrika te importeren.

In de huidige expositie ligt de focus op de slavernij in het verleden, maar slavernij is van alle tijden. Nederlandse boeren en fabrieksarbeiders gingen vroeger eveneens gebukt onder wat je nu ‘slavernij’ zou noemen. Dat geldt vandaag de dag ook nog voor de talloze Aziatische arbeidskrachten die buiten hun land worden uitgebuit. Aan deze vormen van moderne slavernij wordt hopelijk aandacht besteed in de voor 2020 in het Rijksmuseum geprogrammeerde tentoonstelling Slavernij.

Barthelomeus Eggers, Borstbeeld van Johan Maurits, 1664

Na de verwijdering vorig jaar van het borstbeeld van Johan Maurits uit de entreehal van het Mauritshuis kwam een storm van reacties los. Positieve, maar ook negatieve. Historische gebeurtenissen kunnen niet worden veranderd, maar de beeldvorming wel. Met die doelstelling is de huidige tentoonstelling samengesteld als startpunt van een langlopend onderzoekstraject, waarin vertegenwoordigers van velerlei disciplines en landen zijn uitgenodigd om de revisie van Johan Maurits gestalte te geven. De volgende stap is een symposium dat in juni plaats zal vinden in het Mauritshuis.

Het is interessant om ‘het’ verleden van tijd tot tijd met hedendaagse ogen te bekijken. Verschillende historische helden zijn daarbij letterlijk en figuurlijk al van hun voetstuk gevallen.

Slavernij op school?

De meeste van mijn generatiegenoten hoorden op school, afgezien van de leestip de Hut van Oom Tom, niets over de transatlantische handel in zwarte arbeidskrachten. Tijdens de voorbezichtiging deelde een van de onderzoekers mij de (niet nagetrokken) informatie mee, dat de leerstof over de slavenhandel op veel scholen nog steeds marginaal is.

Toen de slavenhandel nog in handen van de Portugezen was bestempelden de Nederlanders deze nog als onchristelijk. Dit veranderde toen de West Indische Compagnie vanaf 1621 ook een aandeel in deze handel nam. Calvinistische predikanten en kooplieden trachtten de mensonterende praktijk aan de hand van een bijbeltekst goed te praten. Noach, die tijdens de zondvloed een heldenrol vervulde, had eens onmatig van de opbrengst van zijn wijngaard genoten. Terwijl hij in kennelijke staat zijn roes lag uit te slapen wees diens zoon Cham zijn broers op deze schaamteloze vertoning. Toen Noach ontwaakte vervloekte hij Cham zeggende: …’gaat heen voortaan zul jij en je nageslacht een knecht der knechten zijn’….of woorden van gelijke strekking. (Gen. 9: 20-27). Op grond van deze bijbelpassage zijn Noach’s zonen de geschiedenis in gegaan als stamvaders van de rassen. Als het zwarte schaap van de familie werd Cham de oervader der zwarten.

Mauritshuis als Suikerpaleis op de tentoonstelling

Expositie
In de kleine expositie staat een replica van het Mauritshuis gebouwd met suikerklontjes, verwijzend naar de 17e eeuwse bijnaam van het stadspaleis, dat door de afgunstige bewindhebbers van de WIC werd aangeduid als het palais du sucre. De bouw van het door Jacob van Campen ontworpen classicistische stadspaleis, was gefinancierd met verdiensten uit Johan Maurits Braziliaanse periode. Het onderzoek van Erik Odegard, een van de samenstellers van de tentoonstelling, richt zich op dit aspect van Johan Maurits carrière.
Tijdens de bouw verbleef Johan Maurits in Brazilië. Zijn buurman Constantijn Huyghens hield een oogje in het zeil. De tuin aan de voorzijde van het huis, waar nu het plein ligt, grensde aan die van Huyghens, wiens woning gesitueerd was op de plek van het huidige gerechtsgebouw. Niet alleen het exterieur, maar ook het interieur was fraai.

Albert Eckhout , Studie van twee Braziliaanse schildpadden

Een ooggetuige zag schilderijen van Braziliaanse landschappen met haar bewoners, de flora en fauna, alsook Johan Maurits verzameling Afrikaanse en Braziliaanse etnografische voorwerpen: assegaaien, bijlen en opgezette uitheemse dieren, een krokodil, een waterslang, een rinoceros, een kleine olifant en Braziliaanse schildpadden. Een realistische impressie van twee vechtende Braziliaanse schildpadden door Albert Eckhout is in de tentoonstelling te zien.

Kort na terugkeer in Nederland verraste Johan Maurits zijn gasten tijdens een soirée met een groep naakte Braziliaanse indianen die tot verbijstering en wellicht verrukking van de aanwezige Haagse dames een woeste dans uitvoerden. Zoiets was in Den Haag nog nooit vertoond! Op een van Eckhouts schilderijen is een soortgelijke ‘stampvoetersdans’ in beeld gebracht. Tussen de geprojecteerde beelden ontbreekt deze ‘dans van de Tapoeiers’, zoals de Tapuya Indianen door de Hollanders genoemd werden.

Barlaeus en Nieuhof (Gedenkweerdige Brasiliaense lant- en zeereise, 1682), informeren de lezers dat de dans, die gepaard ging met grote drinkgelagen, in het leven van de Indianen een belangrijke plaats in nam.

Eckhout, Tapuya Indiaan ca 1640 Kupferstichkabinett Berlijn

Niet alleen de indianen maar ook de zwarte arbeids-krachten wekten Eckhouts artistieke belangstelling. Tussen de geprojecteerde beelden flitst zijn portret van een Zwarte vrouw met zoontje langs. Speciaal voor het portret is ze fraai uitgedost. Een tot slaaf gemaakte vrouw droeg geen mooie hoed en zeker geen sieraden. Zwarte vrouwen van de kusten van Guinee tot Sierra Leone werden om hun properheid dikwijls als huisslavin aangesteld. Hoewel predikanten het ‘bouleren met zwartinnen’ ernstig afkeurden, kozen WIC-dienaren zich vaak een zwarte bijzit. Het vogeltje van haar zoontje, dat duidelijk een tintje lichter is dan zijn moeder, verwijst symbolisch naar deze gewoonten. De geportretteerde vrouw is waarschijnlijk een huisslavin. De zeilschepen in de achtergrond van het schilderij verwijzen naar haar komst van overzee.

Albert Eckhout, Vrouw met kind, 1641, National Museum Kopenhagen

Vanuit mijn ooghoek zie ik een soortgelijke zwarte vrouw geschetst door een Duitser in dienst van Johan Maurits, Zacharias Wagner, met één opvallend verschil. Anders dan Eckhout’s vrouw draagt zij een brandmerk boven haar linkerborst.

Zacharias Wagner, Jonge vrouw met kind, 1641, Kupferstich Kabinett, Dresden
Detail brandmerk, Zacharias Wagner, Vrouw met kind, 1641

Hij mag dan bekend staan als een menslievend en humaan bestuurder, maar Johan Maurits was een kind van zijn tijd. In zijn Politiek Testament noteerde hij de volgende aanbeveling: ‘daarom zou ik willen dat de lichamen der negers van het merk der Compagnie voorzien werden, opdat het bedrieglijk volk geen schlechteren voor betere in de plaats stelle’

Albert Eckhout, Portret van een Tarairiu man, 1641, en pendant van een Tarairiu vrouw National Museum Kopenhagen

In de strijd om de macht die na de Nederlandse verovering losbarstte, verzekerden zowel de Portugezen als de Nederlanders zich van de steun van lokale bondgenoten. De geciviliseerde Tupinamba indianen stonden aan Portugese zijde, de Nederlanders werden bijgestaan door de niets-ontziende Tarairiu indianen. Joan Nieuhof verklaart de Nederlandse keuze: ‘Zij zijn ongemeen sterk en kunnen eenen stier ter neer vellen.’ Maar ook zij konden niet verhinderen dat Nederlands Brazilië in 1654 weer in Portugese handen viel. De wat raadselachtige ‘string’ in Eckhout’s meer dan levensgrote portret van een Tapoeier, verklaart Nieuhof als volgt: … ‘Alle tapoeiers gaan bijna moedernaekt: …’alleenlijk hebben zij de roede van hunne mannelijkheid ingetrokken …en binden het met zeker bantje vast’… De Tarairiu zwommen graag in de rivier. Het touwtje fungeerde als ‘voorbehoedsmiddel’ tegen het binnendringen van kleine waterdiertjes.  

Het pendant heeft eveneens interessante antropologische documentaire waarde. Stappend over een paar stenen kijkt een Tarairiu vrouw even in de lens van een denkbeeldige archaïsche fotograaf. De proviand die de schilder speels uit haar mandjes laat steken, verwijst naar het kannibalisme van deze stam. Zij aten niet alleen hun gedode vijanden, schrijft Barlaeus, maar ook de lichamen van hun overleden stamgenoten. Dit laatste in een daad van uiterste toewijding: hun dierbaren konden nergens beter rusten. Albert Eckhout’s etnografische portretten behoren tot de vroegste uitingen van een 17de-eeuwse stroming in kunsten en wetenschappen: het wetenschappelijk naturalisme. Ze leveren de vroegste bijdrage aan de beeldvorming van de Nieuwe Wereld en haar bewoners.

Onder deze projecties zijn echte objecten en schilderijen tentoongesteld. Zoals het portret van Johan Maurits door Joan de Baen, een brief van zijn hand en een bloemstilleven met een Wanli vaas en Braziliaanse schelpen door Balthasar van der Ast.

Even vraag je je af wat Govert Flinck’s portret van een meisje hier doet, maar bij nadere beschouwing zie je dat ze haar handje uitstrekt naar wat suikergoed op haar kinderstoel.

Govert Flinck, Meisje bij kinderstoel, 1640 , Mauritshuis

Suiker was, naast het als kleurstof gebruikte brazielhout het belangrijkste Braziliaanse exportproduct. Met de persoonlijke visie van de samenstellers is Bewogen Beeld een mooie en informatieve tentoonstelling geworden. Over deze bijzondere periode in de gedeelde geschiedenis van Nederland en Brazilië is het laatste woord nog niet gezegd. Naar aanleiding van het wetenschappelijk onderzoek zullen weer nieuwe meningen worden gevormd.

Wie nu verder wil lezen kan dat doen via de links direct onder de tekst:

In 2016 publiceerde ik een review over de kleine expositie die het Rijksmuseum aan Frans Post wijdde. In 2004 publiceerde ik ter gelegenheid van de tentoonstelling over Albert Eckhout, een uitgebreid artikel, in Spieghel Historiael (thans Geschiedenis Magazine), nr. 2, jaargang 2004.

De hierin verwerkte informatie is een samenvatting van mijn doctoraal scriptie uit 1985, Albert Eckhout, hofschilder van Johan Maurits, die nog wel in de bibliotheek van het Mauritshuis en de RKD te vinden is.

Diverse Links :

Bij expositie Frans Post in het Rijksmuseum

Artikel over Nederlands Brazilië uit Spieghel Historiael

Schipperen tussen zwart en wit uit het Nederlands Dagblad

Stille getuigen van de Nederlands Braziliaanse periode

Historiek, het slavernijverleden van het Mauritshuis

Den Haag FM ; Mauritshuis verzwijgt duister verleden

Een vandaag, Johan Maurits weg uit foyer

Slow Food: Stillevens uit de Gouden Eeuw, Mauritshuis, Den Haag, 9 maart t/m 25 juni 2017 

Clara Peeters in de tentoonstelling Slow Food: Stillevens in de Gouden Eeuw.

Slow Food, boekomslag
Boekomslag, catalogus bij de tentoonstelling Slow Food, Mauritshuis, Den Haag

Het Mauritshuis had geen betere tijd kunnen kiezen voor de tentoonstelling Slow Food dan de huidige, die van green happiness. Adviseerden voedingsdeskundigen eind vorige eeuw al om minstens 20 keer op een hapje te kauwen, tegenwoordig is slow food een rage.

Wellicht heeft u al kennis gemaakt met slow reading en slow art; inmiddels is er ook slow food. De beweging die in 1989 in Italië als reactie op fast food  ontstond, promoot het gebruik van ‘prodotti tipici’.  In ons land manifesteert deze beweging zich o.a. in de aan huis bezorgde ‘streekboxen’ met verse groenten. In de introductiefilm bij de tentoonstelling breekt de chef kok van het met een ster bekroonde restaurant van het Rijksmuseum een lans voor boeren en wijnbouwers die eerlijke producten kweken.

In de Haagse expositie van maaltijdstillevens is te zien dat voor verse etenswaren in de 17e eeuw ook veel belangstelling bestond. Schilderijen met smakelijke taferelen en rijk gedekte tafels. Bij de aanblik van de 17e eeuwse zachte broodjes denk ik met enige weemoed terug aan de kadetjes die je als kind met  schoolreisjes meekreeg. De brokkelige kazen en smeuiige boterkrullen doen je watertanden in deze tijd van cholesterolarme diëten!

Het sappige fruit en de rode en witte wilde aardbeitjes, fragraria vesca, die als vergeten vruchten hun come-back maken op ons menu, zien er ruim 400 jaar nadat ze geschilderd werden, nog net zo fris en fruitig uit.

Nicolaes Gillis, stilleven met kazen en fruit
Nicolaas Gillis, stilleven met kazen en fruit,1612, Particuliere verzameling

Stillevens worden niet vaak zo prominent gepresenteerd. In de  17e en 18e eeuw werden ze in kunsttheoretische geschriften maar matig gewaardeerd. Samuel van Hoogstraeten noemt stillevenschilders in zijn Inleyding tot de Hooge Schoole der Schilderkonst …’maar gemene soldaeten in het veltleger van de konst’. In de ogen van Gerard de Lairesse zijn ze ‘swacke geesten’, die zich tot slaaf maken van de natuur. Deze opvattingen lijken niet overeen te stemmen met de waardering van het publiek; in de 17e eeuw zijn duizenden stillevens van velerlei soort geschilderd.

De bezoeker wacht in het Mauritshuis veel verrassende ontdekkingen, zoals de ogenschijnlijke versheid van de 400 jaar terug geschilderde etenswaren. Of de informatie dat de ontwikkeling van het maaltijdstilleven rond 1600 in gang werd gezet door een vrouw, Clara Peeters. Tijdens de eerste decennia van de 17e eeuw was zij werkzaam in Antwerpen. In 2012 verwierf het Mauritshuis het
Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen (1615); het sleutelstuk van deze tentoonstelling.

Clara Peeters, Stilleven met kazen amandelen
Clara Peeters Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen, c.1615
Den Haag, Mauritshuis, verworven met steun van de Stichting Vrienden van het Mauritshuis, de BankGiro Loterij, de Vereniging Rembrandt ( A.M. Roeters van Lennep Fonds), Utrechtse Rembrandt Cirkel en Caius Cirkel en een particulier, 2012

Dankzij een bruikleen uit het Madrileense Prado kunnen vier van haar (met koninklijke lelie gemerkte) werken worden vergeleken met die van tijdgenoten en navolgers. Om daarna met eigen ogen vast te stellen hoe invloedrijk Peeters was op de stillevenschilders Floris van Dijck en Nicolaes Gillis, die in de eerste helft van de 17e eeuw in Haarlem werkzaam waren. Haar invloed is eveneens duidelijk in de nauwelijks van elkaar te onderscheiden topwerken van twee andere Haarlemmers Pieter Claesz en Willem Heda. Waren deze werken, zoals in de huidige kunsthistorische benadering vaak wordt benadrukt (alleen maar) om van te genieten? Volgens klassieke opvattingen zit in de overdadig geschilderde producten en kostbaarheden een vanitasgedachte verscholen. Clara Peeters voegt, nauwelijks zichtbaar’ op het in haar werk vaak terugkerende mes een aansporing tot matigheid toe: Tem[perantia]. Wanneer Claes en Heda een horloge, hèt symbool van vergankelijkheid, aan de voorstelling toevoegen is geen twijfel mogelijk, memento mori: gedenk te sterven.

Clara Peeters markeert samen met Osias Beert het begin van van het genre maaltijdstilleven. In het Mauritshuis is de ontwikkeling van Antwerpen tot Haarlem te zien.

Behalve op delicatessen als oesters, garnalen, noten en olijven leefden deze schilders zich uit op de weergave van vergulde bokalen, kannen van tin en aardewerk, Chinees porselein en spiegelend glas.

Stillevens een genre voor ‘swacke geesten’ ?

Hoe het begon

Meteen links in de opstelling ziet de bezoeker een groot laat-16e eeuws keukenstuk van Joachim Beuckelaar met een overvloedige uitstalling van al wat op de markt te koop wordt aangeboden. Groenten, fruit, vis en vlees. Bij de aanblik van het zeer realistisch weergegeven lillende vet zou je zò vegetariër worden.

Beuckelaer, keukenscene met Christus en de Emmausgangers
Joachim Beuckelaer, Keukenscene met Christus en de Emmausgangers c.1560-1565, Den Haag, Mauritshuis , in bruikleen van de stichting Collectie P. & N. de Boer, Amsterdam

De titel Keukenscène met Christus en de Emmaüsgangers plaatst de toeschouwer van nu waarschijnlijk voor een raadsel. Bijbelse thema’s vormden in voorgaande eeuwen het hoofdthema van zogenoemde historiestukken, maar in dit schilderij verschoof het eigenlijke onderwerp nauwelijks zichtbaar naar de achtergrond. Later verdwenen bijbelse onderwerpen helemaal uit de markt- en keukenstukken. Naast de Beuckelaer staan twee vitrines met een (in de literatuur ten onrechte zo genoemde) tinnen Jan Steenkan, een teljoor, het  frühstückbrettchen van de 16e eeuw, pronkbekers, tazza’s en steengoed kruiken. Vanuit dit standpunt ziet de bezoeker in de tentoongestelde stillevens echo’s van deze objecten.

Laten we de stillevens van Clara Peeters eens beter bekijken. Met technische perfectie schilderde zij haar objecten uiterst gedetailleerd en prachtig belicht, vaak tegen een donkere achtergrond.

Peeters, Stilleven met tazza
Clara Peeters, Stilleven met tazza, kan en lekkernijen, c.1611,
Madrid, Museo Nacional del Prado

In het Stilleven met tazza, kan en lekkernijen van ca. 1611 is de stofuitdrukking goed getroffen: de versgebakken pastei, het geribbelde oppervlak van de steengoed kan, het kippenvel, de vergulde tazza, de glanzende olijven en het damast; het is net echt.  Interessant is het zout, destijds een kostbaar en onontbeerlijk conserveringsmiddel, gepresenteerd in een zilveren zoutvat. In de Romeinse Oudheid was het al zò kostbaar dat de soldaten een deel van hun soldij in zout, salaris, kregen uitbetaald.

Clara Peeters, Stilleven met kazen amandelen
Clara Peeters
Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen, c.1615, den Haag, Mauritshuis

Het eerder getoonde Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen (1615) uit de eigen collectie leent zich bij uitstek voor Slow Art. De verstilde objecten vormen niet alleen een lust voor het oog: bij nadere beschouwing blijken ze ook nog heel wat te vertellen. De grote Goudse kaas bijvoorbeeld vertoont sporen van de kaasboor, waarmee de keurmeester een monster nam. Na keuring stopte hij het proefstukje weer terug en maakte het cirkelvormige gaatje, zoals de groundsman op een golfbaan, weer netjes dicht.

Over de prominent gestapelde kazen afgetopt met een schaaltje boter geeft het gratis bezoekersgidsje geen informatie. Waarschijnlijk bracht Peeters het moraliserende spreekwoord: zuivel op zuivel dat haalt je de duivel in beeld, ofwel overdaad schaadt. Dit motief wordt door de Haarlemse schilders veelvuldig in beeld gebracht.

De Chinese schotel vertelt iets over het porselein dat in de vroege 17e eeuw als nouveauté door de schepen van de VOC werd aangevoerd.

Anders dan in het Stilleven met tazza, kan en lekkernijen uit 1611, waarin de (goedkope) blauwe verf van de Chinese schotel verkleurd is, gebruikte Peeters hier een kleurecht blauw pigment. Het quasi achteloos geplaatste bruidsmes, dat ook in haar andere stillevens figureert, bevat ook informatie. Op de zijkant van het heft staat haar signatuur; het handje op het lemmet verwijst naar Antwerpen.

Detail Bruidsmes
Clara Peeters, detail, Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen, C 1615

Het heft is versierd met personificaties van het geloof, fides, en matigheid, temperantia, twee van de christelijke hoofddeugden. Zou het figuurtje op de bokaal, in de catalogus omschreven als een krijger uit de oudheid, niet eerder geïnspireerd zijn op de christenstrijder waarover de apostel Paulus schrijft aan Timotheus: …’strijd de goede strijd van het geloof’… (1 Tim. 6:12).

De krakeling ondersteunt deze duiding. De achtvorm van het koekje verwijst symbolisch naar de cyclus van leven en dood, welke volgens de christelijke leer voortgezet wordt in het eeuwige leven na de dood. De bloemen behoeven als vanitas-symbool natuurlijk geen uitleg. Maar is dit, hoe realistisch geschilderd ook, wel een bestaanbaar boeket?

Detail stilleven Clara Peeters
Clara Peeters, detail, Stilleven met kazen, amandelen en krakelingen, C 1615

Met deze elementen lijkt Clara Peeters de goede verstaander een morele boodschap mee te geven. Zij ziet daar vanaf het tinnen dekseltje van de baardmankruik hoogstpersoonlijk op toe!

 

 

 

Peeters zelfportret komen we in deze expositie meermaals tegen. In het Stilleven met bloemen en lekkernijen uit 1611 wordt haar portret wel vijf maal gereflecteerd op de tinnen ‘Jan Steenkan’ als een 17e eeuwse variant van het Droste effect. Er is zelfs nog een zesde zelfportretje te zien op de bolling van de vergulde bokaal.

Clara Peeters, stilleven met bloemen
Clara Peeters, stilleven met bloemen en lekkernijen, 1611, Madrid Museo Nacional del Prado

Peeters, detail stilleven met bloemen
Clara Peeters, detail stilleven met bloemen en lekkernijen, 1611

 

 

 

 

 

 

Deze piepkleine zelfportretjes voegde Clara Peeters ook op andere stillevens toe. Een vaag gezichtje met daarboven een wit kapje. Hoe zou ze er in werkelijkheid hebben uitgezien? Deze vraag wordt in de tentoonstelling niet beantwoord, maar in in de catalogus is een Stilleven met zelfportret of beter: een Zelfportret met stilleven uit 1618 afgebeeld.

Clara Peeters, zelfportret
Clara Peeters, Zelfportret aan een tafel met kostbaarheden en boeket, c1618, Particuliere verzameling (foto RKD)

We zien een chique dame met diep decolleté en een jakje met zeer fijn geklost Vlaams kant. Haar mollige armen met werkhanden(!) rusten op een tafel vol kostbaarheden; sierschalen, een pronkbeker bekroond met de Christenstrijder, sieraden en munten. Deze aardse zaken zijn net zo vergankelijk als de zeepbel naast haar hoofd; je kunt er maar kortstondig van genieten. Voor de goede verstaander is duidelijk dat Clara Peeters zich van die vergankelijkheid bewust is.

Clara Peeters was van alle markten thuis. Ze schilderde met het meeste (ogenschijnlijke) gemak pronkschalen, glaswerk, vergulde drinkschalen, brood, bloemen, pasteien olijven, gevogelte, vlees en ….vis. Met haar Visstilleven uit 1611 zou zij zelfs het allereerste visstilleven hebben geschilderd. Het vond zijn weg vond naar de collectie van de Spaanse koning Filips IV.

Clara Peeters, visstilleven
Clara Peeters, Visstilleven met kandelaar, 1611, Madrid, Museo Nacional del Prado

Uniek is ook het Stilleven met gevogelte, (1611) waarin zij aan een uitstalling van geschoten jachtbuit een levende sperwer toevoegde. Tien aan een spies geregen vinkjes doen mij denken aan het dieet advies van de Dordtse arts Johan van Beverwijck. In zijn Schat der Gesontheydt uit 1636 adviseert hij mensen met een zittend beroep vogels te eten (waar weinig vlees aan zit). Mooi voorbeeld van bewust ‘consuminderen’!

Van Clara Peeters is een oeuvre van ca. 40 schilderijen bekend. Daarnaast zijn kopieën en eigenhandige replica’s in omloop. Kennelijk was er veel vraag naar. Over haar leven is vrijwel niets bekend. In de annalen van het Antwerpse schildersgilde, dat ook vrouwen toeliet, wordt zij vreemd genoeg niet vermeld.

Claesz, stilleven met vruchten
Pieter Claesz, Stilleven met vruchten, vergulde Tazza en mand met kazen, c 1623-1624, Haarlem, Frans Hals Museum

In de tentoonstelling is Peters invloed op Haarlemse schilders  duidelijk te zien. In het Stilleven met vruchten, vergulde tazza en kazen uit ca.1624 van Pieter Claesz. en in Floris van Schootens, Stilleven met tinnen kan en mand met kazen uit datzelfde jaar, waarin we ‘haar’ kazen uit 1615 terugzien. Ook Floris van Dijck en Nicolaas Gillis hanteren dit motief in Stilleven met kazen uit ca. 1620 en in Stilleven met kazen en fruit uit 1612.

Nicolaes Gillis, stilleven met kazen en fruit
Nicolaas Gillis, stilleven met kazen en fruit,1612, Particuliere verzameling

In dit werk wordt de blik tevens getrokken door een vergulde bekerschroef; een houder waarin een berkemeier geschroefd werd. Aanvankelijk voorbehouden aan vorsten en leden van de adel, kwam dergelijk vaatwerk later ook bij stadsbesturen, gilden en rijke burgers in gebruik. Terwijl hoofdconservator Quentin Buvelot mij rondleidt op de tentoonstelling attendeert een bezoekster hem op een foutje in de vouwtjes van het damast in dit stilleven. Oud nieuws voor Buvelot. Wanneer ik aandachtig kijk, zie ik het ook.

Van Floris van Dijck zijn slechts 13 stillevens bekend. De donkere achtergrond, overgenomen van Osias Beert en Clara Peeters, zien we ook bij de Haarlemmers Nicolaes Gillis en Willem Heda. Bij hen verloopt de taupekleurige achtergrond op identieke wijze van donker naar licht. Dat Claesz en Heda bij elkaar over de vloer kwamen lijkt aannemelijk. Beiden schilderden dezelfde roemer, de zilveren tazza, de citroen en het geopende uurwerk met het blauwe lint.

Willem Heda, stilleven met roemer
Willem Heda, Stilleven met roemer en horloge, 1629, Den Haag, Mauritshuis

Pieter Claesz, Stilleven met tazza, 1636, Den Haag, Mauritshuis, schenking Willem baron van Dedem aan de Stichting Vrienden van het Mauritshuis, 2002

 

 

 

 

 

 

Aan de samenstelling van de tentoonstelling ging een uitgebreid onderzoek vooraf. In oude kookboeken, reisverslagen en spijslijsten zochten de onderzoekers naar het antwoord op de vraag wat er indertijd op tafel kwam. Op de getoonde stillevens zien we vooral de etenswaren van de elite; de ‘eenpansmaaltijden’ van de gewone man ontbreken. Ter illustratie van dit verschil zijn twee eenvoudige stillevens toegevoegd. David Rijckaerts Stilleven met gebraden haantje (1617) en een uitgebreide versie van het zogenaamd Toebackje; een stilleven met  rookwaren, door Floris van Schooten.

Van schooten Stilleven met haringen en oesters
Floris van Schooten, Stilleven met haringen en oesters, c.1625-1630
Haarlem, Frans Hals Museum, verworven met steun van “Schenking drs. J-P. de Man” en de Vereniging Rembrandt, 2011

In dit Stilleven met haringen en oesters, (ca. 1625) zien we een Goudse pijp, een tabaksdoosje, aanmaakhoutjes en een testje met gloeiende kooltjes. Voorts oesters, twee bokkingen en …‘vis moet zwemmen’ een roemer met noppen, zodat het niet uit de vette vingers van de drinker kon glippen.

Anthonius Magirus, Koock-boeck ofte Familieren kevken-boeck
Antwerpen, Godtgaf i Verhulst, 1663
Exemplaar: Antwerpen, Erfgoedbibliotheek Hendrik Conscience

Bestudering van het oudste Nederlandse kookboek het Koocboec oft familieren keukenboec van Antonius Magirus uit 1612, leert dat vlees in de gegoede kringen vaak op het menu stond. Anders dan nu, waarin kip het lijkt te winnen van rood vlees, kende de 17e eeuwse keuken een grote variatie aan rund- en varkensvlees, kapoen (‘n gecastreerd haantje) wild en gevogelte van diverse pluimage!

Zijn er nog meer verschillen? Jazeker, een ander verschil met de huidige tijd is het gebruik van zout. Op veel stillevens staat een fraai zilveren zoutvat, waarvan een snufje tussen de vingers rijkelijk over de gerechten werd gestrooid. Het gebruik van deze toen kostbare smaakmaker wordt tegenwoordig als ongezond ontraden!

Goed nieuws voor wie na het zien van deze appetijtelijke tentoonstelling denkt: ‘dit smaakt naar meer’.  In het najaar presenteert het Frans Hals Museum de tentoonstelling a Global Table, ook met stillevens uit de Gouden Eeuw. In deze expositie zal niet alleen aandacht zijn voor de geschilderde objecten, maar -in het licht van thans actuele vragen- ook voor de herkomst en productie van voedingsmiddelen. Hierover leest u in het najaar meer op deze site.

 

Bibliografie

Quentin Buvelot , Slow Food, Hollandse en Vlaamse maaltijdstillevens 1600 – 1640, tentoonstellingscatalogus, Mauritshuis den Haag, Waanders Zwolle, 2017

Riley, The Dutch Table: Gastronomy in the Golden Age, London, 1994.

Link Mauritshuis, Slow Food

 

 

Hollanders in huis: Vermeer en tijdgenoten uit de Britse Royal Collection, Mauritshuis, Den Haag, t/m 8 Januari 2017

Hollandse genrestukken uit de Royal Collection in het Mauritshuis

Tweeëntwintig schilderijen van wereldklasse uit de Britse Royal Collection zijn t/m 8 januari te zien in het Mauritshuis in Den Haag. Topstukken van Gerard ter Borch, Gerrit Dou, Pieter de Hooch, Gabriel Metsu, Jan Steen en niet in de laatste plaats Johannes Vermeer.

Johannes Vermeer_Muziekles
Johannes Vermeer, Dame aan het virginaal met een heer ‘ de muziekles’, 1660-1662, Royal Collection Trust

In deze intieme expositie zijn zogenoemde genrestukken te zien; alledaagse (binnenhuis)scènes uit de Gouden Eeuw. Herbergscènes met eenvoudige boeren, maar ook interieurs van deftige burgerwoningen met prachtig geklede figuren. Onbetwiste topstukken zijn Gerrit Dou’s Jonge moeder en Vermeers Vrouw in een slaapkamer, waarover straks meer. In de introductiefilm vertellen conservatoren Quintin Buvelot en Epco Runia over de totstandkoming van de tentoonstelling. We zien hen in gesprek met Desmond Shawe-Taylor, ‘surveyer’ van de thuisbasis van de tentoongestelde schilderijen, de Queens Pictures.

Van de veelheid aan 17e eeuwse genres als portretten, stillevens, stadsgezichten, marines en historiestukken vormen deze genrestukken, waarin de toeschouwer een blik vergund wordt op een (ogenschijnlijk) alledaagse tafereel vanouds een geliefd verzamelobject. De voorstellingen zijn bedrieglijk realistisch geschilderd; letterlijk en figuurlijk. Want achter de zorgvuldig gepenseelde onderwerpen gaat niet zelden een symbolische betekenis schuil. Een bedoeling die in onze tijd vaak niet meer herkend wordt. Dankzij 17e eeuwse literatuur en embleem-boeken is die betekenis nog wel terug te vinden. In de expositie hangt een checklist die de bezoeker kan helpen om achter de intentie van zo’n genrestuk te komen:

  • Waar is de scène gesitueerd, in een herberg of burgerwoning ?
  • Hoe zijn de mensen gekleed ?
  • Wat verraden de gezichtsuitdrukkingen ?

Maar wees voorzichtig met de duiding van symbolen, waarschuwde professor Eddy de Jongh in de tachtiger jaren in zijn colleges iconologie. Symbolen zijn vaak multi-interpretabel en verkrijgen hun specifieke betekenis in een bepaalde context. Maar ook zonder kennis van die (versluierde) symboliek kun je genieten van deze prachtige schilderijen. Een tendens die de laatste decennia sterker wordt. Tot in de jaren tachtig lag in het universitair kunsthistorisch onderwijs de nadruk vooral op het iconologisch duiden. De techniek of beter de kunst om met behulp van verf op het platte vlak de illusie van een inkijkje in een 17e eeuws interieur te suggereren is echter net zo belangrijk. Er bestaat inmiddels zelfs een heel nieuwe functie; die van technisch kunsthistoricus.

Engelse voorliefde Hollandse meesters.

Dou_jonge moeder_1658
Gerard Dou, De jonge moeder,1658, Mauritshuis, Den Haag

Omdat de Engelse schilderkunst, volgens de introductiefilm niet veel voorstelde, ontstond aan gene zijde van het kanaal belangstelling voor de Nederlandse schilderkunst. Engelse koningen George II en George IV verzamelden in de 19e eeuw Hollandse meesters. Maar ook eerder vonden schilderijen uit de Nederlanden hun weg naar Engeland. Koning Charles II ontving bij zijn kroning in 1660 een diplomatiek geschenk van de Staten Generaal van Holland en West Friesland. In het pakket van deze ‘Dutch Gift’ bevond zich de Jonge Moeder van Gerrit Dou. Dat schilderij leek voor Holland verloren, maar ten tijde van William & Mary viel de Royal Collection weer in Nederlandse handen.

De liefde voor Hollandse schilderkunst in Engeland werd niet door iedereen gedeeld. In 1841 omschreef Alexander Lindsay, de latere graaf van Crawford and Balcarres, deze als een ‘broad-bottomed Duch School’ waarmee hij de kunst van Hollandse bodem vergeleek met een platbodem. Overeenkomst?
Ze zijn allebei zonder veel diepgang! De Britse liefhebbers waren evenwel geporteerd van het geschilderde ‘low life’, onderwerpen met een komische noot, als boeren in een herberg of dansend op een dorpsfeest, maar ook ‘high life’ was geliefd. Rijk ingerichte binnenhuisscènes, gestoffeerd met elegante figuren. Beide zijn in deze tentoonstelling vertegenwoordigd.

Mulready_interieur_plattelandshuisje
William Mulready, Interieur van een Engels plattelandshuisje,1828, Royal Collection Trust

De catalogus gaat in op de historische banden tussen Engeland en de Nederlanden. Koningin Elizabeth I zegde ten tijde van de Opstand haar steun toe aan de Nederlanders, in 1688 werd onze stadhouder Willem III koning der Britten en in 1815 stonden Lord Wellington en de prins van Oranje, de latere koning Willem II samen hun mannetje in Waterloo. Engelse kunstenaars lieten zich inspireren door de schilders van de Hollandse 17e eeuw. Niet in de expositie, maar wel  in de catalogus is dat te zien in William Mulready’s Interieur van een Engels plattelandshuisje uit 1828.

Een binnenhuisscène met een wieg en verstervend wild uit het vocabulaire van Gerrit Dou, gedaan in een Rembrandtesk palet. Een beetje van Dou en Rembrandt en een beetje van hemzelf. Het centraal geplaatste venster geeft uitzicht op een donker romantisch landschap onder een opgloeiende avondlijke hemelpartij.

Overeenkomsten tussen beide koninklijke collecties.

De overeenkomst in samenstelling  tussen de Britse Royal Collection en het Nederlandse  Koninklijk Kabinet van Schilderijen is groot. Terwijl het merendeel van de Engelse collectie in de vroege 19e eeuw werd verzameld door George II en George IV, werd de basiscollectie van het Mauritshuis bijeengebracht door de stadhouders Willem IV en V. Hun nazaat Koning Willem I droeg de collectie in 1816 over aan de Nederlandse staat. Maar er is ook een klein verschil, om precies te zijn een verschil van slechts één nul. De Engelse collectie bestaat uit 8.000 schilderijen, terwijl die van het Mauritshuis 800 exemplaren telt.

Bij het pièce de résistence, Vermeers De Muziekles van rond 1660 met een vrouw aan het virginaal, staan de meeste bezoekers lang stil. Niet verwonderlijk, want deze wat mysterieuze, verstilde voorstelling vraagt om aandachtig kijken. Staand in een denkbeeldige deuropening, kijken en even wegdromen in de tijd. Want dat leerde ik destijds aan de RUU wel: ‘Jai moet hoed kajken’ doceerde Professor Reznicek in Utrecht.

Waar is dit tweetal mee bezig ? Zoeken ze samen muziek uit, is het een muziekles of is er meer aan de hand ? Leuk detail vormt het ogenschijnlijke schilderij in het schilderij achter het hoofd van de vrouw. Bij nadere beschouwing blijkt het een spiegel, waarin niet alleen haar hoofd, maar ook de voet van Vermeers schildersezel wordt weerspiegeld. De tekst moet duidelijkheid over de betekenis verschaffen, maar wat staat er eigenlijk?
MUSICA LETITIAE CO(ME)S MEDICINA DOLOR(UM). Muziek is een metgezel van vreugde, een medicijn voor verdriet.  En wat is mooier dan samen musiceren? Het brengt harmonie in het leven en in de liefde.

Behalve de uiterlijke verschijningsvorm en de betekenis is ook de herkomst van dit schilderij interessant. Antonio Pellegrini, de kunstenaar die in 1718 de Gouden zaal van het Mauritshuis van schilderingen voorzag, kocht Vermeers Muziekles en nam het werk mee naar Italië. In 1762 belandde Pellegrini’s schilderijenverzameling in de collectie van Koning George III. Gek genoeg was Vermeers Muziekles destijds slechts bijvangst. Het ging de Engelse koning om de verwerving van Venetiaanse vedute, stadsgezichten, gemaakt door Canaletto, de schilder die destijds erg populair was. De Muziekles stond zelfs niet eens te boek als een Vermeer;  het werd toegeschreven aan Frans van Mieris. De ware auteur werd pas in de 19e eeuw ontdekt. Het is nauwelijks voor te stellen dat Vermeer, met zijn kleine oeuvre van 36 werken thans wereldberoemd, een tijdlang in de vergetelheid was geraakt. Pas in de 19e eeuw werd Vermeer door de Franse kunstcriticus Thoré-Bürger herontdekt. In die tijd maakten de vergeten schilders uit de eeuw van Rembrandt hun comeback, nadat ze tengevolge van een smaakverandering uit de mode waren geraakt. Dat gold niet alleen voor schilders van  portretten, stillevens en landschappen, maar ook voor schilders van binnenhuisscènes, die in deze expositie centraal staan.

Kijkend naar de Muziekles vraag je je af hoe Vermeer het heeft klaargespeeld om deze verstilde uitgebalanceerde compositie in het juiste perspectief te krijgen ? Kunsthistorici vermoeden dat Vermeer bij het creëeren van zijn composities gebruik maakte van een camera obscura.  Of dat hier ook het geval is wordt door Epco Runia betwijfeld. Hij legt uit dat in de mouw van de vrouw een klein gaatje is ontdekt. Vermeer bracht daar in het doek een spijkertje aan, van waaruit hij (hulp)lijnen spande om de voorstelling in het juiste perspectief te plaatsen. Een verrassende vondst waar je als argeloze bezoeker nooit op zou komen. Het wordt in de film verteld.

Een camera obscura, een donkere kamer, werkt als volgt. Men neme een kist of doos, maakt in een van de wanden een gaatje. Met het daardoor binnenvallende licht wordt de buitenwereld omgekeerd, met veel dieptescherpte op de tegenoverliggende wand in de doos geprojecteerd.  Aldus kan die voorstelling nauwgezet bestudeerd en overgenomen worden. Leuke bijkomstigheid vormen de daarbij ontstane talrijke lichtstipjes, die in het werk van Vermeer ook daadwerkelijk waarneembaar zijn. Het principe van de camera obscura kan ook worden toegepast op een wand in een verduisterde kamer. 

Steen_vrouw_slaapkamer_kous
Jan Steen, Vrouw in een slaapkamer, 1663, Royal Collection Trust

Een onbetwist hoogtepunt in de tentoonstelling vormt Jan Steens Vrouw in een slaapkamer uit 1663. Meesterlijk gepresenteerd achter een bedrieglijke, want geschilderde architectonische omlijsting, een trompe l’oeil, zit een vrouw die op de rand van haar hemelbed in de weer is met een kous. Tijdens mijn studie kunstgeschiedenis zorgde de toenmalige titel: Het ochtendtoilet voor verwarring. Trok ze die kous nu aan of uit? Maar ook hier geeft goed kijken het antwoord. Op haar kuiten is de afdruk van de kousenband duidelijk te zien, wat er toch, anders dan in een ingezonden brief in de NRC van 7 oktober jl., waarin het tegendeel wordt beweerd, op lijkt te duiden dat ze de kous uittrekt. De in deze brief gedane bewering dat die kepen ook ’s nachts in het been blijven zitten is, door mij empirisch onderzocht, onjuist.

Behalve deze alledaagse handeling bevat het werk een erotische lading, al zal de 21e eeuwer die wel wat anders gewend is, er niet warmer of kouder van worden. Hoe weten we dat? De prominent in de voorgrond geplaatste luit vormt hier de sleutel: een oud symbool voor de liefde, soms ook de betaalde liefde. Waar ook twee oude gezegdes op slaan: ‘de luit slaan’ voor het bedrijven van de liefde en … ‘verkeren met hoeren en met snaren’. Maar, evenals de vluchtige klanken van het snarenspel, is ook (het genieten van) de liefde vergankelijk… Terwijl ik dit schrijf schiet mij te binnen dat het aantrekken van een kous in 17e eeuwse symbooltaal ook  gebruikt werd voor het bedrijven van de liefde. Enfin, het laatste woord is dus over de inhoud van dit werk nog niet gezegd.

Pot_Dame en Heer_interieur
Hendrick Pot, Dame en heer in een interieur, ca 1632, Royal Collection Trust

In andere gevallen is de betekenis zelfs met goed zoeken niet meer te achterhalen. Zoals in een werk dat bij het betreden van de tentoonstelling meteen rechts hangt. Een raadselachtig doek door Hendrick Pot, Dame en heer in een interieur.  In welke ruimte bevinden de figuren zich? We zien een vreemd, theater-achtig interieur met prominent een tafel, waarop een kostbaar kleed, een spiegel en een glas. Getuige de gebarentaal van de fraai geklede figuren is er iets aan de hand. De man heft zijn armen theatraal omhoog, de vrouw kijkt hem veelbetekenend aan. Wat gebeurt hier? De titel noch de aanblik van het werk geven de betekenis prijs. Pas als je heel goed kijkt wordt je het mes gewaar dat de vrouw op haar lichaam richt . Grappig detail vormen de twee hondjes die elkaar achter de rokken van de vrouw besnuffelen. Het lijkt erop dat de man nog juist op tijd komt om de dame van zelfmoord af te houden. Maar wie zij is blijft onduidelijk. In de schilderkunstige traditie is een om haar eerbaarheid in de dood vluchtende Lucretia een bekend thema, maar voor deze duiding lijkt de mise-en-scène ongeschikt. In de catalogus wordt naarstig naar een betekenis gezocht; het zou de ‘Zwarte Prins Edward van Woodstock met Lady Salisbury’ zijn, uit een ingewikkelde 16e eeuwse story. De auteur besluit uiteindelijk met de vaststelling dat Pot een moralistisch historisch thema heeft geschilderd: een kuise edelvrouw die zich een belager van het lijf weet te houden.

Schalcken_vrouwtje kom ten hoof
Godfried Schalcken, Het spel ‘vrouwtje kom ten hoof’, ca 1668-1669, Royal Collection Trust

Eveneens raadselachtig blijft de inhoud van Godfried Schalckens, Vrouwtje kom ten hoof uit ca. 1669. Een vrolijk gezelschap in een rommelig interieur. Centraal zit een schalkse figuur, met loshangende kleding; de handen geheven in een  verontschuldigend gebaar. Deze figuur is de schilder zelf! Hoofdrolspeler in een spelletje waar wij de regels niet meer van kennen…  Een 17e eeuwse ondeugende variant van wie komt er in mijn hokje?

Het is niet duidelijk wat hier uitgebeeld wordt. Er wordt onderling wat gesmoesd, de dame links betrekt de beschouwer in het verhaal. Zijn er details die aanknopingspunten geven voor het vinden van de betekenis? We weten het niet. Mogelijk gaat het ook hier om de liefde, maar ook zonder die kennis kunnen we genieten van de meesterlijk geschilderde stofuitdrukking, zoals in de draperie, waarvan zelfs de textuur van het weefsel zichtbaar is!

Metsu_Cellospeler
Gabriel Metsu, De cellospeler, ca 1658, Royal Collection Trust

In Gabriel Metsu’s (1629-1667), Cellospeler, uit 1658 komen we met goed kijken wederom een heel eind. Een dame komt met een brief de trap af, terwijl zij de cellospeler veelbetekenend aankijkt. Ook hier staat zonder twijfel de liefde centraal, daarop duiden muziekinstrumenten in het algemeen en in dit geval de cello, die door de man gestemd wordt. Via de muziek komen man en vrouw in samenklank tot elkaar. In sommige gevallen biedt natuurwetenschappelijk onderzoek de helpende hand in het duiden van de bedoeling van de schilder. Röntgenonderzoek bracht in dit doek een overschilderde naakte vrouw aan het licht, pal achter de treurige manspersoon die tussen beide protagonisten is afgebeeld. Hij is een zogenoemde ‘minnejancker’, die met spijt toeziet dat hij in het winnen van de hand van de vrouw aan het kortste eind heeft getrokken !

Mieris_de verwaarloosde luit
Willem van Mieris, De verwaarloosde luit, ca 1710, Royal Collection Trust,

Ook in Willem van Mieris, Verwaarloosde luit, van ca. 1710  draait het om de liefde. Van Mieris (zoon van Frans) portretteerde een man en een vrouw. In een fraai in claire-obscure geschilderd interieur genieten zij van een schaal oesters en een goed glas. De man toont de fles: zie eens wat ik hier voor je ga ontkurken! Of het een mooie wijn is zullen we niet ontdekken, het etiket dat je in onze tijd even met een app op je smartphone checkt, ontbreekt. Een zwarte bediende brengt nòg een schaal oesters binnen. Een tijdgenoot wist dan: dit belooft wat!

Achter Van Mieris zijn niet toevallig nog net de gordijnen van een hemelbed zichtbaar. Wat zegt de titel van dit schilderij in deze context ? De betekenis van verwaarloosd… gaat de dame lichtvaardig met haar deugdzaamheid om, of wordt het weer eens tijd voor …. het slaan van de luit ? Hoe dan ook, Willem van Mieris en zijn echtgenote lijken zich met oesters (destijds een bekend afrodisiacum) en een glaasje voor te bereiden op de dingen die buiten ons gezichtsveld staan te gebeuren.

Jan Steen_vechtende boeren_herberg
Jan Steen, vechtende boeren bij een herberg, 1673, Royal Collection Trust

Jan Steen pakt met zijn Vechtende boeren bij een herberg uit 1673  een traditioneel Hollands thema op, veel geschilderd ook door Pieter Brueghel de Oude in de 16e eeuw. Het is een drukte van belang; alle denkbare menselijke emoties zijn verwerkt. Vreugde in verschillende gradaties; maar ook ruzie en humoristische details als een zuipende monnik die ons breed toegrijnst. Hier komt de checklist goed van pas. De teksten, o.a. op het uithangbord, helpen bij de duiding. ‘T MIS VERSTANT’ met een bloot achterwerk is een, uit de embleemliteratuur, bekend symboolvoor de dwaasheid van de wereld. ‘DIT HUYS IS TE HUER’ duidt op de ware aard van het etablissement: dit is geen gewone herberg, maar een bordeel!

Dergelijke voorstellingen met ‘low life’ voorstelling waren geliefd bij de burgerij. Ze konden lachen om de dwaasheid van het domme volk en indien ze enigszins onderlegd waren zelfs temidden van al die dwaasheid een verwijzing naar de klassieke oudheid ontdekken. Zij zouden in de centrale figuur met historiserende kleding, soldatenhelm en lamp Diogenes kunnen herkennen. Deze filosoof ging in het oude Athene op klaarlichte dag op zoek naar echte mensen! Niet zomaar een voorstelling met domme hossende en drinkende boeren, maar met een voor de goede verstaander moraliserende boodschap .

Maes, de luisterende huisvrouw
Nicolaas Maes, De luisterende huisvrouw, 1655, Royal Trust Collection

Ronduit geestig is Nicolaes Maes, de Luisterende huisvrouw, 1655, waarin de vrouw des huizes afkomt op het gestommel onder de trap en de beschouwer vervolgens aanspoort om het vrijende paar onder de trap niet te storen. Maes schilderde dit humoristische thema twee jaar later nogmaals in een doek getiteld de Luistervink, waarin een vrijage van een heer van stand met de meid te zien is. De interactie tussen de geschilderde figuur en de beschouwer is een 17e eeuws schilderkunstig devies dat tegenwoordig in de filmwereld ook toegepast wordt in de serie House of Cards, waarin de hoofdrolspeler Kevin Spacey, de kijker op samenzweerderige toon soms even deelgenoot maakt van zijn diepste gevoelens of mening.

Dou_meisje_uien
Gerrit Dou, Meisje dat uien hakt, 1646, Royal Trust Collection

In vrijwel alle besproken werken draait het om de liefde. De kuise liefde, de geheime liefde, de betaalde liefde, de schalkse liefde of de ongelukkige, teleurstellende liefde. Zoals het Meisje dat uien hakt  (1646)  van Rembrandtleerling Gerrit Dou nog zal ervaren. Dou schilderde dit kleine paneeltje zeer fijn met geen spoor van penseelvoering! Het uitbeelden van vrouwen bezig met huiselijke taken hield vaak een verwijzing in naar haar deugdzaamheid. In de Calvinistische Nederlanden vaak bezongen middels een passage in het bijbelboek Spreuken…een goede huisvrouw wie zal haar vinden…. Of hier ook sprake is van deugdzaamheid is de vraag.  Niet voor niets houdt het jongetje ostentatief een ui omhoog. De 17e eeuwer zal in dit detail een embleem van Jacob Cats herkend hebben, waarin het ontdoen van de rokken (schillen) van de ui symbool staan voor dezelfde handeling bij geliefden…Een handeling die niet zelden tranen tot gevolg had, evenals bij het pellen en snijden van een ui!

Deze uitleg wordt in de catalogus niet gegeven; maar enkele ogenschijnlijk onbeduidende voorwerpen in de voorstelling, zoals de prominent geopende kan, staan voor -ik heb het niet zelf verzonnen- het vrouwelijk geslachtsdeel. En via de vogel links, die naar het woord vogelen verwijst, komen we tenslotte uit bij het lege vogelkooitje, symbool van verloren maagdelijkheid.

De tentoonstelling nodigt de bezoeker uit tot een speurtocht naar versluierde symboliek. Maar ook tot stil genieten van de erfenis van de 17e eeuwse fijnschilders, die ons nog altijd weten te betoveren met de illusie van een technisch perfecte voorstelling. Al dit moois is tot en met 8 januari te zien in het Mauritshuis. Daarna reist de expositie door naar Edinburgh.

Shawe-Taylor & Q. Buvelot, Vermeer en zijn tijdgenoten: Hollandse genrestukken uit de Royal Collection, Mauritshuis, Den Haag, 2016.

Link; Mauritshuis, den Haag