Sculpturen festival in Nederland

 

Dit najaar is het feest voor liefhebbers van beeldhouwkunst. Museum Beelden aan Zee toont keramische creaties van Pablo Picasso en het Haags Gemeentemuseum biedt in de tentoonstelling Van Rodin tot Bourgeois tot en met 22 januari een overzicht van de ontwikkeling van de westerse beeldhouwkunst in de twintigste eeuw. Aan Auguste Rodin is in Den Haag een sleutelrol toebedeeld. En in het Groninger Museum speelt hij tot en met 30 april zelfs de hoofdrol in de expositie Rodin: Genius at Work waar the making of, het creatieve ontstaansproces van zijn sculpturen wordt getoond.

In het Gemeentemuseum wordt de bezoeker aan de hand van zes thema’s langs de sculpturale hoogtepunten van de westerse kunstgeschiedenis geleid. Van Rodins eerste uit een stuk gegoten La Défense uit 1879..

Rodin, Defense
Auguste Rodin, La Defense, de oproep tot de strijd, 1879, National Gallery of Scotland, Edinburgh

…tot een Untitled draadsculptuur van Sandback uit 1988 en de beroemde Spinnen van Louise Bourgeois. Het standbeeld van Balzac is er ook en in Groningen is de in gips, klei en brons vereeuwigde literator zelfs ‘in alle staten’ aanwezig!  

In de kunstgeschiedenis wordt de beeldhouwkunst in drie belangrijke perioden verdeeld: de klassieke oudheid; de renaissance en de 20ste  eeuw, waarin kunstenaars hun beelden letterlijk en figuurlijk de ruimte geven. Zonder sokkel, liggend op de vloer of hangend aan het plafond. Deze vernieuwingen zijn in Den Haag zichtbaar, waar Rodin evenals in Groningen als dè grote vernieuwer wordt gepresenteerd. Hij had genoeg van de naar klassieke maatstaven gevormde beelden. In navolging van de impressionisten die de hen omringende wereld op een vluchtige manier in verf trachtten te vangen, probeerde Rodin iets dergelijks in driedimensionale vorm. Een momentopname gestold in klei of gips, zoals zijn Figure volante, een lichaam zonder hoofd, waarin hij zijn vingerafdruk letterlijk en figuurlijk achter liet.

Rodin, Figure volante
Auguste Rodin, Figure volante, ca.1890-91, particuliere collectie.

Deze werkwijze betekende een drastische verandering. Geen verhalend werk meer, zoals de academie dat voorschreef, maar impressies van alledaagse situaties, vaardig geboetseerd in klei waaraan het wordingsproces nog zichtbaar is. Rodin haalt het beeld van zijn sokkel; ook dat is nieuw. In die jaren begint ook Edgar Degas  met het vormgeven van realistische alledaagse beelden in klei. Zoals naakte danseresjes en badende vrouwen.

Degas,Tub
Edgar Degas, Le Tub, ca. 1889, National Gallery, Scotland, Edinburgh
Rodin,Galatea
Rodin, Galatea in een gemouleerde kom, naar oud Beotisch vaatwerk, gips, 1895-1905, Musee Rodin Parijs

 

 

 

 

 

 

 

 

In Groningen vraag ik mij bij het zien van Rodins Galatea en andere waternimfen af: wie imiteert wie? Anders dan ik verwachtte lijkt Rodin dit leuke idee van Degas te hebben afgekeken. Rodins badende waternimfen zijn vanaf 1895 gedateerd! Hij dacht misschien: als ik deze sculptuurtjes assemblages noem merkt niemand het.

Beïnvloeding of imitatie. Wie zal het zeggen. Sommigen beweren dat Rodin voor de stilering van het standbeeld van Balzac ‘te rade is gegaan’ bij Medardo Rosso, die ook op de tentoonstelling aanwezig is. Ultra modern en wegens de quasi versleten textuur tegelijkertijd bijna Middeleeuws oogt zijn busteportretje uit 1906. Terwijl ik de titel van het werk opschrijf krijg ik de bevestiging dat deze associatie klopt. Ecce Puer, bijna analoog aan de woorden die de Maagd Maria spreekt, wanneer de aartsengel Gabriël haar de blijde boodschap brengt. Verder zoekend meen ik de inspiratiebron voor dit beeld te vinden in een gelijknamig gedicht van James Joyce uit 1932, doch de datering van Rosso’s beeld suggereert dat het andersom is!

Medardo Rosso, Ecce Puer
Medardo Rosso, Ecce Puer, zie het kind, 1906. Scottish National Gallery, Edinburgh

Of the dark past
A child was born;
With joy and grief
My heart is torn.
Calm in his cradle
The living lies.
May love and mercy
Unclose his eyes!
Young life is breathed
On the glass;
The world that was not
Comes to pass.
A child is sleeping:
An old man gone.
O, father forsaken,
Forgive your son!

James Joyce, 1932

Ondoenlijk om alle beeldhouwers te bespreken, maar Constantin Brancusi (1876-1957), die in 1904 als assistent werkzaam was in het atelier van Rodin mag niet ongenoemd blijven. De van Rodin geleerde expressie weet hij via ultieme eenvoud tot optimale zeggingskracht- en uiteindelijk perfect gepolijste radicale abstractie te brengen. In de Haagse tentoonstelling wordt Brancusi als wellicht de belangrijkste beeldhouwer van de 20ste eeuw beschouwd, na Rodin, zou ik zeggen. Van Brancusi is vroeg werk te zien maar zijn meest spectaculaire werk is La Négresse blonde uit 1926, een bruikleen van het Lehmbruck Museum.

Brancusi, La negresse blonde
Constantin Brancusi, La Negresse Blonde, 1926. Lehmbruck Museum, Munchen

In dit werk is goed te zien hoe Brancusi de ruimte letterlijk onderdeel maakt van de tentoonstelling; de zaal van Berlage wordt door de reflectie in het werk opgenomen! Het deed me, met wat fantasie, denken aan het Arnolfini Portret, waarin Jan van Ecyk ruim 600 jaar geleden een soortgelijk visueel kunstje toepaste. Het effect van ruimte en ruimtelijkheid is een van de thema’s in de expositie. Stonden beelden traditioneel op zichzelf in een ruimte, gaandeweg gaat de omgeving meespelen in de presentatie van het beeld en deze maakt er soms zelfs deel van uit. In Den Haag passeren grote namen de revue: Ernst Ludwig Kirchner, Umberto Boccioni, Jean Arp, Alexander Calder, Alberto Giacometti, Henry Moore, Donald Judd en anderen. Dankzij een informatief vouwblad vindt de bezoeker zijn weg door de tentoonstelling en naar elders in het museum opgestelde werken zoals de Spinnen van Louise Bourgeois.

Kirchner (1880-1938), Derain en anderen zetten Rodins creatieve zoektocht voort. Zij slaan het modelleren in klei of gips over en hakken direct in steen of hout. Nog steeds vormt het menselijk lichaam het belangrijkste thema, maar in de vroege 20ste eeuw komt daar een nieuwe inspiratiebron bij: kunst van primitieve volken. Echo’s van Afrikaanse maskers zijn bijvoorbeeld te zien in Kirchners Tanzende uit 1911

Tanzende,Kirchner
Ernst Ludwig Kirchner, Tanzende (Dansende vrouw), 1911.Stedelijk Museum, Amsterdam

wat in meerdere versies bekend is. Analoog aan Michelangelo’s beroemde woorden dat hij zijn beelden, die al in het marmer verscholen zaten, alleen maar hoefde te bevrijden: zei Kirchner: in elke boomstam zit een vrouw, je hoeft haar alleen maar te bevrijden!

Ook Brancusi laat de traditionele sokkel weg. Arp en Calder gaan in het reduceren van de figuratie tot het uiterste. Een interessant voorbeeld van het verlaten van de werkelijkheid zien we in Renato Bertelli’s futuristische bronzen kop van Mussolini, Profilo continuo del Duce, uit 1933. Een sculptuur waarin, ondanks de stilering de lijflijke aanwezigheid van de Italiaanse volksmenner op haast angstwekkende wijze nabij is. Onder welke hoek ook, niets ontgaat hem! Mussolini liet er in terracotta tientallen exemplaren van produceren als cadeau voor zijn officieren.

Bertelli, Mussolini
Renato Bertelli, Profilo Continuo (Testa di Mussolini),1933. Particuliere collectie

Giacometti ontwikkelt eveneens een andere kijk op de werkelijkheid. In de tentoonstelling zijn behalve zijn broodmagere op Etruskische kunst  geïnspireerde beeldjes, ook fragmenten van menselijke figuren aanwezig die anderszins gehavend zijn. Zoals het kubistische Tête crane (Doodshoofd) uit 1934 en het humoristische zonder sokkel op de grond liggende lichaam van zijn Femme égorgée (Vrouw met doorgesneden keel) uit 1932.

Alberto Giacometti, Femme egorgee, 1932, Scottish National Gallery, Edinburgh

Of het geabstraheerde Tête qui regarde (Kijkend Hoofd) uit 1929, dat een eigentijds criticus, Jean Cocteau, de poëtisch associatie ontlokte ….’net alsof je ’n voetafdruk van een vogel in de sneeuw ziet’… Waarmee we op weg gaan naar het hier en nu, waarin iedereen zelf een interpretatie mag geven aan een kunstwerk.

Hepworth, Dyad
Barbara Hepworth, Dyad, 1949. Scottish National Gallery, Edinburgh

Jean Arp en Henry Moore creëren een biomorfe beeldtaal die abstract oogt maar nog steeds verbonden is met de visuele werkelijkheid. Datzelfde doet ook Barbara Hepworth in haar gladgepolijste sculptuur Dyad, uit 1949.

Bij hen ook een nieuwe onderwerpskeuze: het landschap. De minimalisten van de jaren ‘60 zoals Donald Judd en Carl Andre beelden zelfs niets meer uit. Het gaat hen om de ervaring van ruimte; sculptuur gaat bij hen op in de omgeving. Het toppunt van deze ontwikkeling en het slotakkoord in de Haagse tentoonstelling, vormen de draadsculpturen van Fred Sandback.

Sandback, untitled 48
Fred Sandback, Untitled 48, drie leunende platen acryldraad, 1969 Gemeentemuseum Den Haag

Deze hebben niet langer een vaste plek in de ruimte, maar zijn erdoorheen gespannen. De beeldhouwkunst heeft de ruimte veroverd, concluderen de tentoonstellingsmakers.                         Wie met spijt de tentoonstelling verlaat, wacht buiten nog een toegift: in de vijver van het museum ligt Tony Smith’s The Keys to Given uit 1965. En – even goed zoeken – voor de brasserie van het naastgelegen  Fotomuseum is Anthony Cormely’s in de bodem verzonken The Well, met een mannetje in het water, uit 2000 te vinden.

En wie de smaak te pakken heeft gekregen gaat naar Groningen voor de tentoonstelling Rodin: A Genius at Work, waar Rodins artistieke scheppingskracht centraal staat. Hierover leest u (later) in een volgend artikel.

Links:

Gemeentemuseum Den Haag

Groninger Museum